Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-2020nr. 33, item 5

5 Uitbreiding non-discriminatiegronden Grondwet

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het Voorstel van wet van de leden Bergkamp, Özütok en Van den Hul houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot toevoeging van handicap en seksuele gerichtheid als non-discriminatiegrond ( 32411 ).

De voorzitter:

Aan de orde is het Voorstel van wet van de leden Bergkamp, Özütok en Van den Hul houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot toevoeging van handicap en hetero- of homoseksuele gerichtheid als non-discriminatiegrond (32411). Ik heet de initiatiefnemers van harte welkom. Dat zijn natuurlijk mevrouw Bergkamp, mevrouw Özütok en mevrouw Van den Hul. Ze worden in vak-K ondersteund door Youri Rijkhoff, beleidsmedewerker bij D66, de heer Jaap van der Heijden, beleidsmedewerker bij de fractie van GroenLinks en mevrouw Anjel Punte, beleidsmedewerker bij de PvdA-fractie. En er zit nog een beleidsmedewerker van Binnenlandse Zaken, die de initiatiefnemers heeft ondersteund. Hij heet Gerard Boon. Hij is ambtenaar van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Tevens heet ik van harte welkom de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hij zal bij de behandeling van dit wetsvoorstel optreden als adviseur van de Kamer.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Vandaag is de eerste termijn van de zijde van de Kamer aan de orde. De voortzetting zal zoals gebruikelijk in goed overleg met de initiatiefnemers worden gepland. Dan geef ik nu het woord aan de eerste spreker, die inmiddels is gearriveerd. Dat is de heer Jasper van Dijk namens de SP-fractie. Klinkt chic hè, inmiddels gearriveerd?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Zo is dat, voorzitter. Verder zullen we het maar niet over de perikelen bij de NS hebben. Laten we snel overgaan tot dit debat, de initiatiefwet van D66, de Partij van de Arbeid en GroenLinks. Dit verdient complimenten, want een wet maken is altijd heel veel werk. In dit geval gaat het om een wet die reeds negen jaar geleden werd ingediend, door mijn oud-collega's Boris van der Ham, Naïma Azough en mevrouw Timmer. Na al die jaren is het extra bijzonder dat we die wet vandaag bespreken, op 5 december nog wel! Ik vraag de indieners wel waarom dit maar liefst negen jaar heeft moeten duren.

Voorzitter. Voorliggend voorstel is sympathiek; daarover geen discussie. Het doel is om artikel 1 van de Grondwet aan te vullen met de begrippen "handicap" en "hetero- en homoseksuele gerichtheid". Artikel 1 luidt nu: "Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan." Met de voorliggende wet wordt expliciet toegevoegd dat discriminatie op grond van je seksuele gerichtheid dan wel op grond van je handicap niet is toegestaan. Ik ben het volledig eens met de boodschap van de indieners. Discriminatie is niet toegestaan, ook niet op deze gronden. De vraag is wel wat deze wet nu precies toevoegt. Artikel 1 verbiedt discriminatie immers al, op welke grond dan ook. In hoeverre is er met uw wet dus sprake van symboolpolitiek? Kunnen de indieners duidelijk maken wat er precies in praktische zin verandert? Heeft dit concrete gevolgen voor betrokkenen? Ik hoor het graag, zodat mijn fractie aan het eind van dit debat een goede afweging kan maken.

Toen ik de tekst van de wet las, dacht ik: er is nóg een oplossing. Je kunt al de categorieën die nu reeds genoemd staan ook schrappen. Dan houd je de kern over, namelijk: discriminatie is niet toegestaan op welke grond dan ook. Dat is ook in lijn met het sobere karakter van onze Grondwet. Delen de indieners die mening? Een groot voordeel van die oplossing is ook dat de lijst met categorieën niet oneindig lang wordt. Want als we dan toch gaan uitbreiden, missen we een aantal zaken. Wat dacht je bijvoorbeeld van discriminatie op grond van nationaliteit of burgerlijke staat? Deze staan overigens wel genoemd in de Algemene wet gelijke behandeling.

En wat dacht je van discriminatie op grond van leeftijd? Ook een zeer hardnekkig probleem, maar niet genoemd in artikel 1, en ook niet in de voorliggende wet. Er is wel een amendement van de heer Krol, op stuk nr. 11. Wat vinden de indieners van dat amendement? Vinden zij dat de argumentatie van hun wet precies van toepassing is op het amendement van de heer Krol?

En dan heb je nog discriminatie op grond van afkomst. Kijk bijvoorbeeld naar regionale discriminatie, de zogenaamde Randstedelijke arrogantie tegenover mensen uit Friesland of Limburg, of Brabant niet te vergeten. Op welke manier komen de indieners aan deze groepen tegemoet? Ik zie de minister al lachen, wellicht uit herkenning. Maar dat kan hij altijd later nog toelichten. Hoe kijken de indieners aan tegen de stelling dat het noemen van allerhande categorieën de suggestie kan wekken dat er een rangorde is, dus dat de eerstgenoemde categorie belangrijker is dan de laatstgenoemde? Graag een reactie.

Ik constateer dat we nu ten minste drie wetten hebben die zich uitspreken over discriminatie, de Grondwet, de Algemene wet gelijke behandeling en het Wetboek van Strafrecht. Alle drie formuleren zij het verbod op discriminatie op hun eigen manier. De Algemene wet gelijke behandeling noemt bijvoorbeeld wel nationaliteit of burgerlijke staat, terwijl de Grondwet dat niet doet. Hoe kijken de indieners tegen deze verschillen aan? Zou je dit niet moeten stroomlijnen? Zou je dat kunnen doen door in alle wetten te zeggen dat discriminatie verboden is, op welke grond dan ook? Graag een reactie.

Ik vraag ook een reactie op het artikel van Bas de Gaay Fortman in Trouw, van 8 augustus jongstleden. Hij noemt het huidige artikel 1 een ijzersterk artikel dat je niet moet veranderen maar moet vieren. Aanpassing is onnodig en contraproductief. In zijn reactie erkent ook oud-Kamerlid Coos Huijsen dat het logisch zou zijn om alle categorieën uit artikel 1 te schrappen. Graag een reactie.

Voorzitter. Tijdens het debat over de Algemene wet gelijke behandeling in juli 2018 is mijn motie 34650-11 aangenomen om te onderzoeken of de woorden "hetero- of homoseksuele gerichtheid" gewijzigd kunnen worden in "seksuele gerichtheid". De conclusie van de minister was dat het wenselijk was om de Algemene wet gelijke behandeling op dit punt te wijzigen. Ik vraag de minister wanneer deze wijziging komt. De indieners waren het ook eens met mijn motie en hebben om die reden op 2 augustus een nota van wijziging gestuurd. Hier betreft het dus een wijziging van de Grondwet. Ik dank de indieners voor die aanpassing en wacht hun antwoorden op mijn vragen met belangstelling af.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Jasper van Dijk. Dan geef ik nu het woord aan de heer Renkema namens GroenLinks.

De heer Renkema (GroenLinks):

Voorzitter, dank u wel. Ik begin met Thomas Jefferson, ooit van de andere kant van de oceaan. Hij was misschien wel dé geestelijk vader van de VS, in ieder geval van de grondrechten die werden vastgelegd in de Verenigde Staten. Hij had, met name geïnspireerd door de verlichting en de Franse Revolutie, een allesbepalende invloed op de Grondwet en de Onafhankelijkheidsverklaring. Die leidde tot die heel bekende zin — het is toch in het Engels, voorzitter — "We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal." En dan volgen er nog een aantal van dit soort self-evident truths.

De voorzitter:

En de vertaling is?

De heer Renkema (GroenLinks):

Dat betekent dat deze waarheden, deze werkelijkheden, vanzelfsprekend zijn: iedereen wordt gelijk geschapen. Het is wel een tijdsbeeld, want hij ging nog uit van een schepper en hij heeft het over "men", en niet over mensen. Hij had het op dat moment wel over burgers. "Self-evident" is een prachtig woord. Inderdaad, het zou vanzelfsprekend moeten zijn dat eenieder gelijk is, of je nu man, vrouw, hetero, homo, religieus of niet-religieus bent. Het is verboden om mensen te discrimineren op basis van hun eigenschappen.

We bespreken vandaag een heel bijzonder initiatiefwetsvoorstel. Het is altijd een bijzonder moment als Kamerleden medewetgever zijn. Wij hebben inderdaad de bevoegdheid om een initiatiefwet in te dienen, maar in dit geval is het wat mij betreft helemaal bijzonder, omdat het een aanpassing van onze Grondwet betreft. Daarom is het al bij voorbaat een compliment waard dat de drie Kamerleden samen met de ondersteuners hier heel veel werk in hebben gestoken. Namens onze fractie wens ik hun ook heel veel succes bij de verdere behandeling van het initiatiefwetsvoorstel.

Dan de inhoud van het initiatiefwetsvoorstel. De initiatiefnemers stellen voor om het belangrijke artikel 1 van onze Grondwet, het artikel dat het gelijkheidsbeginsel bevat en allen die zich in ons land bevinden, beschermt tegen uitsluiting en discriminatie, aan te passen. Het zal u niet verbazen dat wij als fractie positief zijn over dit wetsvoorstel. Ik zal in mijn bijdrage vooral aangegeven waarom wij het een goed voorstel vinden.

Wanneer we in deze Kamer met elkaar spreken over de aanpak van discriminatie zullen we het allemaal met elkaar eens zijn dat discriminatie onacceptabel is en niet thuishoort in onze samenleving. Uit de schriftelijke ronde over het initiatiefwetsvoorstel blijkt dat ook. Maar wanneer we naar de dagelijkse praktijk in onze samenleving kijken, zien we dat heel veel mensen het gevoel hebben er niet helemaal bij horen omdat ze zich gediscrimineerd voelen. Als overheid, en dus ook als grondwetgever, moeten we daarom zo veel mogelijk via wetgeving, maar ook via beleid proberen discriminatie tegen te gaan.

We spreken vandaag over de belangrijkste norm in onze rechtsorde, namelijk de Grondwet en specifiek het discriminatieverbod. In de huidige tekst van artikel 1 worden een aantal specifieke gronden genoemd en daarnaast een algemene soort van restcategorie. De initiatiefnemers stellen voor om naast discriminatie op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras en geslacht ook discriminatie op grond van handicap en seksuele gerichtheid toe te voegen. Wij vinden dat een goede explicitering van het artikel.

Het wetsvoorstel is niet bedoeld om twee nieuwe gronden toe te voegen aan het artikel van de Grondwet, maar het is bedoeld om ze expliciet te benoemen omdat deze twee non-discriminatiegronden in de loop van de afgelopen jaren, sinds het moment dat de huidige vorm van artikel 1 is ingevoerd, steeds meer aandacht hebben gekregen. Ook bij de wetsbehandeling begin jaren tachtig speelde al deze discussie, zowel over seksuele gerichtheid als over handicap. Destijds is mede in het licht van de tijdgeest van begin jaren tachtig ervoor gekozen om deze gronden niet expliciet in de Grondwet op te nemen. De bezwaren die toen speelden, zijn naar het oordeel van onze fractie inmiddels niet meer dezelfde. De samenleving is veranderd en wat ons betreft zijn die bezwaren dus ook niet meer aan de orde.

Voorzitter. De in de Grondwet reeds genoemde gronden hebben, zoals de initiatiefnemers ook schrijven, gemeenschappelijk dat mensen met deze kenmerken tot op zekere hoogte slachtoffer kunnen zijn geweest van sociale uitsluiting. En die is altijd te wijten geweest aan een geschiedenis van stereotypering, vooroordelen en stigmatisering. Wat ons betreft raakt het altijd aan heel belangrijke universele waarden van menselijke waardigheid, van autonomie en integriteit. Daarom heeft de grondwetgever er toen voor gekozen om de gronden specifiek in artikel 1 te noemen. Wij vinden dat opname van deze specifieke gronden kan worden gezien als een bevestiging van kernwaarden die we in de Nederlandse samenleving belangrijk vinden, en ook van de emancipatie van deze groepen. De Grondwet is een document met veel maatschappelijke waarden en gezag. Hoe we in de samenleving met elkaar omgaan, is gecodificeerd in de Grondwet. Juist omdat mensen in de praktijk discriminatie op grond van handicap en seksuele gerichtheid nog heel vaak ervaren, is mijn fractie ervan overtuigd dat het goed is om dit in artikel 1 nader te expliciteren.

Ik heb nog twee vragen aan de initiatiefnemers en ook aan de minister. De allereerste vraag is of de initiatiefnemers en ook de minister kunnen ingaan op de thans in artikel 1 genoemde non-discriminatiegrond geslacht. Kan daaronder ook worden verstaan discriminatie op grond van geslachtskenmerken, genderidentiteit en genderexpressie? Ik vraag de initiatiefnemers ook graag om in hun termijn nader in te gaan op de reden waarom leeftijd niet expliciet wordt opgenomen als non-discriminatiegrond. Ik verwijs daarbij ook naar het amendement van 50PLUS.

In het voorgaande noemde ik steeds de non-discriminatiegrond seksuele gerichtheid. In het oorspronkelijke wetsvoorstel — het is al even gememoreerd: dat was al een tijd geleden — stond "hetero- of homoseksuele gerichtheid". Dat is bij nota van wijziging veranderd. Dit mede naar aanleiding van een motie van collega Van Dijk en onderzoeken die de minister van Binnenlandse Zaken heeft laten doen. Bij de opdrachtverlening voor deze onderzoeken is expliciet gevraagd naar de beste term voor artikel 1. De conclusie is dat "seksuele gerichtheid" een meer omvattende term is. Wij zijn blij met deze aanpassing omdat deze term inclusiever is, maar ook een term is die aansluit op internationale terminologie. Op dit punt heb ik nog een vraag aan de minister. Zijn er naast dit wetsvoorstel en de Algemene wet gelijke behandeling nog andere plekken in de regelgeving waar deze terminologie mogelijk ook zal moeten worden aangepast? Ik zie uit naar de reactie van de initiatiefnemers en van de minister.

Dank u wel.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik denk dat wij het volledig met elkaar eens zijn over de intentie van de indieners. Discriminatie op grond van seksuele gerichtheid of op grond van je handicap is uit den boze. Maar wat vindt de heer Renkema van mijn vragen aan de indieners? Moet deze lijst dan keer op keer vernieuwd worden? Want u zei het zelf al: leeftijd wordt nu niet genoemd, afkomst wordt niet genoemd en nationaliteit en burgerlijke staat worden niet genoemd, terwijl die vormen van discriminatie eveneens verkeerd zijn. Hoe kijkt u naar die vragen?

De heer Renkema (GroenLinks):

Ik denk dat het goed is om in een Grondwet sober te zijn. Ik denk dat je aan een Grondwet niet heel veel zaken voortdurend moet toevoegen. Het is ook niet voor niks dat sinds 1983 aan dit artikel eigenlijk niks is veranderd, dus dat doen we niet zomaar. Daar moet je heel zorgvuldig in zijn. Het is voor ons echter wel heel belangrijk dat we ons realiseren dat bij het gesprek over handicap toen nog werd gezegd dat je mensen juist anders moet behandelen omdat ze anders zijn, en dat we daar inmiddels heel anders over zijn gaan denken. Hetzelfde geldt voor seksuele gerichtheid. Dat was op het moment dat artikel 1 in 1983 zo werd geformuleerd blijkbaar maatschappelijk nog taboe, of een onderwerp waar verschillend over werd gedacht. Dat is nu niet meer het geval, toch zien we op basis van deze twee gronden discriminatie. Daarom vinden we dat deze wetswijziging noodzakelijk is.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik snap die redenering en we zullen de stemming ook afwachten, maar dan is natuurlijk de vraag: wat nu als de wet wel wordt aangenomen en het amendement van de heer Krol niet? Dan zou dus leeftijdsdiscriminatie buiten de boot vallen, en dan zou je dus gek genoeg door deze toevoeging ook een soort van discriminatie krijgen, want de mensen die op grond van leeftijd worden gediscrimineerd, worden niet meegenomen. Hoe kijkt GroenLinks daartegen aan?

De heer Renkema (GroenLinks):

Dat is de vraag die ik van 50PLUS had verwacht, eerlijk gezegd. Ik vind het een heel interessante gedachte om leeftijd ook toe te voegen. Dat vind ik een interessante gedachte. Ik wil wel heel graag een reactie van de initiatiefnemers en ook van de minister op dit punt. Daarbij komt dat een grondwetswijziging fundamenteel is. In dit geval zou dus een advies van de Raad van State ook op z'n plek zijn, maar ik wacht de reactie af en vervolgens het debat dat we daarover gaan voeren, voordat ik definitief kan zeggen hoe GroenLinks daarin staat.

De heer Martin Bosma (PVV):

Nee, we zijn hier niet om gedachten te bestempelen als interessant, we zijn hier niet om ons te verschuilen achter de Raad van State en we zijn hier niet om ons te verschuilen achter de drie indieners. We zijn hier om een mening te hebben. GroenLinks is een voorstander van het noemen van allemaal categorieën. Nou, dan open je je eigen val, want dan gaat iedereen natuurlijk zeggen: waarom die categorie niet en die categorie wel? Waarom mag Henk Krol wél gediscrimineerd worden op grond van zijn leeftijd en iemand die gehandicapt is op grond van zijn handicap niet? Leg dat nou eens uit.

De heer Renkema (GroenLinks):

Interessant, nóg iemand die de overstap naar 50PLUS overweegt, merk ik. Nou, ik heb daar al op gereageerd. Ik denk dat de Grondwet sober moet zijn, dus het toevoegen van heel veel categorieën is niet wat GroenLinks wil. Dat is ook niet wat wij voorstellen. De twee categorieën die in dit initiatiefwetsvoorstel zijn genoemd, hebben door maatschappelijke ontwikkelingen onze aandacht gekregen. Daarom hebben wij dit initiatiefwetsvoorstel geformuleerd. Ik heb gezegd dat leeftijd daarbij heel interessant kan zijn. Overigens gebeurt dat in een aantal wetten — denk aan discriminatie op de arbeidsmarkt — ook volop. Ik wacht graag die reactie af. Veel meer kan ik u dus niet toezeggen op dit moment.

De heer Martin Bosma (PVV):

Hè? Het wordt moeilijker en moeilijker, want nu zegt de heer Renkema dat deze groepen, die dus nu worden genoemd in dit initiatiefwetsvoorstel, maatschappelijke aandacht hebben gekregen. Dat is blijkbaar een criterium om deze twee groepen wel toe te voegen en de groep 50-plussers niet toe te voegen. Dus het criterium van GroenLinks is niet rechtvaardigheid, maar maatschappelijke aandacht die men weet te organiseren in de samenleving. Dat is toch zo krom als een hoepel?

De heer Renkema (GroenLinks):

Dat noemen wij emancipatie. In 1983 is die discussie over gehandicapten en over homoseksuelen gevoerd en de wetgever heeft toen in de Grondwet gezegd dat we dat niet expliciet gaan doen. Dat zegt iets over de tijdgeest van begin jaren tachtig. Ik denk — en daarin steun ik van harte ook de opvattingen van 50PLUS; kijk eens — dat leeftijd, en met name ook leeftijdsdiscriminatie, iets is wat we de laatste jaren steeds beter op het netvlies krijgen. Maar een grondwetswijziging is fundamenteel, dus ik ga mij vandaag nog niet expliciet uitlaten over de vraag of wij voor of tegen dit amendement gaan stemmen.

De heer Martin Bosma (PVV):

Maar dan ziet GroenLinks de Grondwet dus als een soort wegwerpartikel, want zij beroept zich nu op de tijdgeest van 1983. Om te beginnen was het debat over de Grondwet veel eerder, namelijk ten tijde van het kabinet-Den Uyl, maar de heer Renkema begint met het citeren van Thomas Jefferson. Dus hij geeft aan dat een Grondwet een soort eeuwigheidswaarde moet hebben, anders maak je geen Grondwet. En nu zegt hij: ja, wij baseren ons op de tijdgeest. In 1983 vielen gehandicapten blijkbaar wel onder de tijdgeest maar 50-plussers niet. Wat is nou het belang van een Grondwet als je zegt: die moet zich constant aanpassen aan de tijdgeest?

De heer Renkema (GroenLinks):

Dat is juist het tegenovergestelde van wat ik zeg. Volgens mij moet je de Grondwet niet snel veranderen. Dat doen we in dit huis ook niet, want de Grondwet wordt niet vaak gewijzigd. Het is vrij uniek dat we dat via een initiatiefwetsvoorstel doen. Ik kan me heel goed voorstellen dat het element van leeftijd — ik denk niet dat dat in de jaren tachtig, negentig heel erg op de agenda stond — nu relevanter is geworden.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Renkema. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Kuiken namens de PvdA.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Voorzitter. Na het aannemen van het vrouwenquotum deze week, voelt het een beetje als een staatsrechtelijk feestje om hier vandaag te mogen staan bij dit initiatiefwetsvoorstel over aanpassing van artikel 1 van de Grondwet. Ik wil de initiatiefnemers dan ook hartelijk danken voor dit initiatief en hen ermee complimenteren dat ze de moeite hebben genomen om deze handschoen op te pakken. Het zal u niet verbazen dat mijn fractie positief is over deze grondwetswijziging.

Met de grondwetswijziging willen de indieners de volgende gronden toevoegen: seksuele gerichtheid en handicap. Mijn collega Renkema van GroenLinks zei het heel mooi: in 1983 werd er eigenlijk al stevig nagedacht over de vraag of het niet verstandig zou zijn om deze twee gronden toe te voegen. Vanwege de tijdgeest toen is dat misschien niet gebeurd, maar we zijn inmiddels ruim twintig jaar verder, dus ik denk dat het goed is dat we dat op dit moment wel gaan doen. Het is een sterk signaal, het bevestigt de expliciete waarde die de Grondwet heeft, het bevestigt dat we daar heel precies in willen zijn, en het heeft een juridische meerwaarde, zoals de commissie rechtsbescherming ook heeft aangegeven. Het is ook geen verrassing dat het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft aangegeven dat het verstandig is om dit te doen. Er zijn dus allerlei redenen dat de tijd daarvoor rijp is. Ik hoop dan ook dat dit initiatief tot een meerderheid kan komen.

Tegelijkertijd moet ik een aantal vragen stellen, want dat is mijn rol. We zien dat niet alleen homoseksuelen, lesbiennes en biseksuelen slachtoffer worden van discriminatie, maar ook transgenderpersonen en interseksepersonen. Beschermt discriminatiegrond geslacht uit artikel 1 van de Grondwet hen ook tegen discriminatie op grond van geslachtskenmerken, genderidentiteit en genderexpressie, zo wil ik van de indieners weten.

Een tweede vraag die ik heb, gaat over discriminatie tegen lhbti'ers en mensen met een beperking. Die is hardnekkig. Dat zagen we vandaag ook weer. De VN zegt niet voor niets dat we te weinig doen. We zien het ook bij recente voorbeelden van discriminatie bij zoiets simpels als het vinden van een huis. Daarom heb ik een vraag aan de minister. Kan hij aangeven welke aanvullende maatregelen worden genomen om deze actief te bestrijden? Wat doet de overheid zelf als het gaat over inclusief werkgeverschap? Want we kunnen heel veel dingen in de Grondwet vastleggen, maar als we vervolgens zelf geen aanvullend beleid maken, voorkomen dat de overheid zelf institutioneel discrimineert en uitsluiting niet actief wordt bestreden, dan winnen we niets met dit wetsvoorstel. Dat is natuurlijk nadrukkelijk wel de bedoeling.

Een laatste vraag gaat over positieve discriminatie, oftewel voorkeursbeleid. Niet iedereen is daar voorstander van, wij wel. Niet voor niets wordt nu het vrouwenquotum voorgesteld. Maar als ik kijk naar het wetsvoorstel en naar de arbeidsmarktkansen van mensen met een beperking, vraag ik me af of dat nog wel mogelijk is op basis van deze grondwetswijziging.

Voorzitter, ik rond af. Ik ben positief en ik kijk uit naar de antwoorden van de indieners, die ik heel veel succes wens met het verdere vervolg van dit wetsvoorstel. Ik kijk daarnaar uit.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Kuiken. Dan geef ik nu het woord aan de heer Van der Molen, namens het CDA.

De heer Van der Molen (CDA):

Voorzitter. Door mijn collega's zijn al een heel aantal interessante vragen gesteld, dus ik kijk al uit naar de eerste termijn van de kant van de initiatiefnemers, die ik natuurlijk ook — dat is traditie, maar tradities zijn goed — hartelijk dank voor het werk dat zij in de voorbereiding van dit wetsvoorstel hebben gestoken.

Voorzitter. Al in 2001 steunde het CDA een toenmalig initiatief van de ChristenUnie om in de Grondwet handicap toe te voegen als een non-discriminatiegrond. Toentertijd stemde de D66-fractie nog verdeeld over dat voorstel. Dus het doet mij in ieder geval deugd op dat punt ook een indiener van D66 te zien, die het in ieder geval belangrijk vindt dat nu ook handicap aan de Grondwet wordt toegevoegd.

In 2012 hebben we de laatste ronde gehad bij de behandeling van dit voorstel. Toen heeft mijn collega mevrouw Van Toorenburg namens de CDA-fractie wel een aantal kritische vragen gesteld, die eigenlijk ook terugkomen in de inbreng die ik bij verschillende collega's heb gehoord. Dat gaat met name in de richting van de soberheid van onze Grondwet. De stelling die de CDA-fractie toen naar voren bracht was: de Grondwet is geen instrument om iets in de samenleving te bewerkstelligen als het gaat om de vermelding, maar het zou moeten volgen op een soort brede maatschappelijke acceptatie die er al is en waar dan vervolgens de Grondwet een vertaling van zou kunnen zijn. Ik krijg heel graag in de eerste termijn van de indieners een reflectie op dat punt, omdat ik denk dat dat een van de argumenten is om een aantal zaken aan de Grondwet toe te voegen.

In dat opzicht is het van belang dat we juist met dit artikel de gelijkwaardigheid van de mensen in Nederland uitdrukken. Ik hoorde collega Renkema daar iets over zeggen. Hij verwees naar Thomas Jefferson, als ik het goed heb beluisterd. Daar maakte hij de opmerking over dat Jefferson had gezegd dat de Amerikanen het hebben over "endowed by their Creator inalienable truth". De heer Renkema noemde het een tijdsbeeld dat daar "Creator" wordt genoemd. Ik zou vanuit het CDA willen zeggen dat dat een tijdloos beeld is: er is inderdaad een Schepper die in onze mensen een (gelijk)waardigheid heeft gelegd die ook tot uitdrukking komt in artikel 1 van de Grondwet, ook al zeggen we daar in de Nederlandse context bij dat mensen gelijk zijn voor de wet. Dat wilde ik in ieder geval nog even opmerken in dat kader.

De CDA-fractie stelt vast — daarom maakt de ondersteuning van dit voorstel deel van ons verkiezingsprogramma uit — dat er inderdaad een brede maatschappelijke acceptatie is dat discriminatie op grond van handicap en seksuele gerichtheid geen plaats zou moeten hebben in de samenleving. Dat is de reden dat het verstandig is om de grondrechten ook na 1983, zoals mijn collega Renkema zei, in dat opzicht bij de tijd te brengen. Uit ons stemgedrag in 2001 volgt dat ik het accent toch ook wil leggen op mensen met een handicap. Onlangs lazen we weer berichten in de pers dat we het in Nederland op dat vlak nog onvoldoende goed doen. Dus ik wil de indieners vragen om in hun eerste termijn ook even in te gaan op het kritiekpunt dat je het wel mooi kunt opschrijven in de Grondwet, maar daarmee zijn we er nog niet. Verwachten we er met elkaar misschien niet te veel van dat we, als we het in de Grondwet zetten, voor mensen de feitelijke situatie verbeteren? Ik zou heel graag op dat punt nog een reflectie willen horen van de indieners.

Ik heb zelf namens het CDA bij de behandeling van een ander initiatief rond de Wet gelijke behandeling, van volgens mij ongeveer dezelfde indieners, aangegeven dat juist de strijd tegen discriminatie ook voortvloeit uit hoe je naar de mens kijkt. Het gaat hier om de menselijke waardigheid en daar hebben we allemaal iets aan. We benadrukken dit soort wijzigingen altijd vanuit de persoon die gediscrimineerd wordt, maar vanuit een christendemocratisch mensbeeld gaat het er ook om dat wij met discriminatie onszelf als samenleving tekortdoen. We verliezen allemaal op het moment dat groepen in de samenleving naar de rand van de samenleving worden gedrongen. Nogmaals, ik noem daarbij met name mensen met een handicap, die heel vaak door mensen als mensen met een beperking worden aangeduid, terwijl het juist een beperking voor de Nederlandse samenleving is als we deze mensen geen volledige plek in de Nederlandse samenleving zouden gunnen.

De heer Renkema (GroenLinks):

De heer Van der Molen zegt heel nadrukkelijk — en dat ben ik met hem eens — dat de Grondwet moet codificeren wat er maatschappelijk gezien is ontstaan aan nieuwe inzichten en praktijken. Hij legt daarbij twee keer de nadruk op de groep mensen met een handicap. Ik zou graag willen dat de heer Van der Molen ook nog een reflectie geeft op dezelfde emancipatie van, in dit geval, mensen met een heel diverse seksuele gerichtheid.

De heer Van der Molen (CDA):

Ik denk dat u daar zelf in uw bijdrage ook iets over heeft gezegd. Dat zou bijvoorbeeld ook gelden voor het amendement dat de heer Krol heeft ingediend. De Grondwet drukt iets uit wat op dat moment als een grote maatschappelijke handicap wordt gezien. In deze context betekent dat dat bepaalde groepen gediscrimineerd worden. Ik denk dat u het bij het rechte eind had. In die periode waren er hele discussies over ras, bijvoorbeeld over gemengde huwelijken en dergelijke. Dat was een uitdrukking van wat er toen leefde. De uitdrukking die de heer Krol met zijn amendement wil geven aan bijvoorbeeld leeftijdsdiscriminatie is denk ik ook een uitdrukking van het feit dat dat in de samenstelling van de Nederlandse bevolking nog een pregnanter onderdeel wordt op het moment dat er steeds meer mensen zijn van een gevorderde leeftijd, om het zo maar even te zeggen. Daarbij haak ik wel aan bij het punt dat de heer Van Dijk heeft gemaakt. We kunnen hier natuurlijk een eindeloze rij van punten maken die een bepaalde erkenning van groepen in de samenleving uitdrukken. Ik reageer ook maar even op het amendement dat wordt ingediend. Naarmate er elke keer weer dingen aan worden toegevoegd — ik heb al aangegeven dat ik seksuele gerichtheid en handicap goede toevoegingen vind — en we daar eindeloos mee door blijven gaan, komen we denk ik wel uit bij de variant die de heer Van Dijk benoemt. Laten we dan maar gewoon terugvallen op de variant dat discriminatie op welke grond dan ook uitgesloten is. Ik denk dat er wel een grens is aan hoeveel kerstballen je in dezelfde kerstboom kan hangen, om het maar even oneerbiedig te zeggen in de context van de Grondwet.

De heer Renkema (GroenLinks):

Dit antwoord verbreedt het, eerlijk gezegd, terwijl ik het juist wat concreter wilde maken. Mijn vraag was eigenlijk heel expliciet. Het CDA noemt nu twee keer met nadruk mensen met een handicap. Als we terugkijken op de afgelopen 20, 30 of 40 jaar, hoe kijken de christendemocraten dan nu naar de emancipatie van mensen met een andere seksuele gerichtheid?

De heer Van der Molen (CDA):

Daar kijken wij positief tegen aan. Dat is ook de reden waarom we dat onderdeel kunnen steunen. Dat wordt ook weerspiegeld in stemgedrag, bijvoorbeeld als het gaat over de adoptie van kinderen door paren van een gelijk geslacht of anderszins. Ik denk dat dat een uitdrukking is van een brede acceptatie. Daarbij merk ik wel op dat het hier gaat om discriminatie op eigenlijk alle gronden. Ook mensen die andere opvattingen zouden hebben over de wenselijkheid van levensvormen of anderszins kunnen verenigd zijn in het standpunt dat wij in ieder geval niet willen dat deze mensen naar de randen van de samenleving worden gedrongen.

De heer Martin Bosma (PVV):

Het CDA gebruikt de beeldspraak dat er steeds nieuwe ballen in de kerstboom worden gehangen, maar doet daar vervolgens heel erg aan mee door ook weer nieuwe categorieën te willen toevoegen. Ik weet niet of de heer Van der Molen kennis heeft genomen van de bespreking van deze grondwetswijziging uit 1976. Toen zei Piet van der Sanden, lid van de Katholieke Volkspartij, een partij die nog elke dag gemist wordt wat mij betreft: beperk het nou gewoon tot "iedereen is voor de wet gelijk". Maar we zijn in de val getrapt om categorieën te noemen. Dan komt iedereen aan met een nieuwe categorie. Iedereen zegt "mijn categorie wordt niet genoemd" en heeft daar hartstikke gelijk in, maar zo komen er steeds nieuwe kerstballen in de kerstboom. Waarom zegt het CDA niet gewoon: kijk eens naar 1976, dat moet ons standpunt zijn?

De heer Van der Molen (CDA):

We leven anno 2019 en niet meer in 1976. Dat wil ik vooropstellen. Maar in 1976 gold hetzelfde argument als nu, en dat geldt ook voor ons: de Grondwet moet een mate van soberheid betrachten. Dat is precies de reden waarom ik heb verwezen naar onze steun destijds voor het initiatief van de ChristenUnie om handicap als non-discriminatiegrond mee te nemen. Dat is dus consequent. Het zou gek zijn om daar nu weer van af te stappen. 2001 is toch nog net wat dichterbij dan 1976. Maar daar zit wat ons betreft wel een einde aan. En dan geldt ook waar collega Van Dijk over heeft gesproken. Op een gegeven moment kun je dan ook met elkaar zeggen dat iedereen zich inbegrepen mag voelen, als de mate van erkenning hier een rol speelt, bij een vrij sobere zin in de Grondwet. Alleen, ik geef nu aan dat ik deze twee toevoegingen heel goed kan begrijpen en dat we dat ook aan onze kiezers hebben voorgelegd. Wellicht is dat ook een reden geweest om op het CDA te stemmen. Het zou gek zijn om dan nu in het parlement net even iets anders te gaan doen.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van der Molen. Toch? O nee, u was nog niet klaar.

De heer Van der Molen (CDA):

Nou, volgens mij is het punt voldoende gemaakt.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Eventjes voor de helderheid: begrijp ik hieruit dat het CDA geneigd is om het wetsvoorstel te steunen?

De heer Van der Molen (CDA):

Dat was net mijn laatste alinea. Ja, ik had al aangegeven dat ik positief over het principe van de grondwetswijziging ben, dus het ligt ook in de rede dat we op die manier zullen gaan stemmen. Maar natuurlijk is de eerste termijn met de indieners ook van belang. Kijk, als ze daar hele gekke antwoorden gaan geven ... Maar daar ga ik niet van uit.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van der Molen. Dan geef ik nu het woord aan de heer Bisschop namens de SGP. Uit welk jaar gaat u citeren, meneer Bisschop?

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. Laat ik beginnen met te vertellen dat een collega die toen ik nog les gaf constateerde dat ik ziek was — vorig jaar speelde dat trouwens ook en was ik op 5 december ziek — tegen zijn andere collega's zei: zie je wel, Bisschop werkt zwart. Dat is een heel beladen grapje geworden inmiddels, maar ik deel het maar even zodat ik mijn gemoed gelucht heb.

Voorzitter, dank voor het woord. Laat ik beginnen met de initiatiefnemers te complimenteren met hun inzet en niet aflatende ijver om opnieuw een initiatiefvoorstel ter tafel te brengen. Dat verdient waardering. En over de inhoud ga ik het nu met u allen hebben.

Voorzitter. Hoever moet je gaan met het vastleggen van allerlei verbijzonderingen van het artikel over gelijke behandeling in de Grondwet? Dat is voor ons de kernvraag bij de bespreking van dit wetsvoorstel. De indieners kiezen ervoor om ook handicap en seksuele gerichtheid op te nemen als non-discriminatiegrond. Wat betekent dat concreet? Het rijtje van gronden in artikel 1 van de Grondwet wordt dan uitgebreid met twee extra gronden, maar het wordt niet duidelijk of daarmee het rijtje compleet is en of we op termijn misschien andere gronden moeten toevoegen. Sterker nog, wie de Algemene wet gelijke behandeling leest, ziet dat daarin ook sprake is van nationaliteit en burgerlijke staat. Collega Van Dijk heeft er al op gewezen. Ook kennen we de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid. Artikel 21 van het Handvest van de Europese Unie geeft aan dat discriminatie op grond van "kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, [...] het behoren tot een nationale minderheid, vermogen of geboorte" geen grond voor discriminatie mag zijn. Als je dit soort rijtjes tot je laat doordringen, dan realiseer je je dat in de toekomst heel wat kanshebbers voor de deur staan om die bepaling uit te breiden. Wij vragen ons serieus af of je dat moet willen. In de huidige Grondwet staat al de bekende formule: "of op welke grond dan ook". Collega Van Dijk verwees ook naar die formule. Daar vallen al dit soort situaties onder. Wie nu de keuze maakt voor twee extra gronden en niet toelicht waarom andere ook algemeen aanvaarde gronden niet worden opgenomen, maakt een keuze. Het juist na zo'n 36 jaar wijzigen van de overbekende formulering komt nog eens over als een extra bevestiging van het gegeven dat níet genoemde gronden dus blijkbaar minder belangrijk zijn. Wij kunnen ons hierbij niet verschuilen achter de argumentatie dat het maatschappelijk belangrijker is geworden. Dat heeft een mate van willekeur in zich. Het gaat om recht en gerechtigheid. De vraag is hoe je daar het beste vorm en woorden aan kunt geven.

Voorzitter. Laat ik het maar eerlijk zeggen: de SGP voelt er veel voor om, als je dan toch dit grondwetsartikel gaat wijzigen, te kiezen voor een algemene formulering in plaats van een collage van min of meer willekeurige gronden. Dat zou dan leiden tot de formulering dat discriminatie op welke grond dan ook verboden is. Dat is een beetje in lijn met wat de SP-fractie suggereerde. Kunnen de indieners van het voorstel toelichten waarom ze daar niet voor gekozen hebben? Wij hebben op dit punt een amendement in voorbereiding en hopen dat nog tijdig in te dienen.

Als je tóch kiest voor het toevoegen van deze twee gronden, roept dat interpretatievragen op. Ik vind dat we daar serieus naar moeten kijken, want het gaat om een grondwettelijke bepaling. Allereerst zijn er interpretatievragen met betrekking tot de seksuele gerichtheid. De onderzoeksrapporten die over deze term verschenen zijn, noemen verschillende vormen van overinclusie, waarbij er bepaalde zaken onder de grondwettelijke noemer vallen die er niet onder thuis zouden horen. Concreet komen we dan voorbeelden tegen als pedoseksualiteit en zoöfilie, die volgens de huidige maatschappelijke standaard niet passen bij een grondwettelijke bescherming. Maar intussen is een algemene bepaling wel van toepassing op zulke groepen. Klopt onze indruk dat de indieners dat niet zozeer beogen, maar ook geen oplossing bieden voor dit probleem in hun wetsvoorstel?

Bij de grond handicap speelt een heel andere discussie. De SGP was oprecht blij toen we in de stukken tegenkwamen dat de indieners oog hadden voor discriminerende wetgeving op dit terrein. Die is er nog steeds. In de reactie op het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State staat "dat er in onze huidige samenleving nog steeds wetten en regels zijn die op genoemde gronden vormen van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling zijn". In antwoord op onze vragen weten de indieners niet meer wat voor regels dat dan zouden zijn. Maar kijk bijvoorbeeld naar de Embryowet en de mogelijkheden van prenatale screening op handicap. Passen zulke regels wel bij de huidige samenleving? Het antwoord op onze vragen hierover was bepaald niet bevredigend. "Dit wetsvoorstel heeft geen betekenis voor het vraagstuk van prenatale selectie". Ja, dat kun je wel stellen, maar het is er inherent aan. Stel nu dat we zouden kunnen selecteren op grond van man of vrouw. De wereld zou toch te klein zijn als artsen zouden meewerken aan het uitschakelen van of mannelijke of vrouwelijke foetussen? En terecht. Dan zouden we ineens wel waarde hechten aan gelijke behandeling voor de geboorte, en terecht. Daarom werken we daar in Nederland ook niet aan mee. Of stel nu dat het mogelijk zou zijn om te selecteren op seksuele voorkeur. Ook dan zou het land te klein zijn. Discriminatie op basis van seksuele voorkeur willen we niet, ook niet voor de geboorte. Bij handicap is de stelling dan ineens dat we de selectie voor de geboorte niet onder de wet vinden vallen.

Voorzitter. Dit kan zo niet. Dit is geen zorgvuldige wetgeving. Eerlijk gezegd drong het woord "kortzichtig" zich een beetje bij mij op. Ik trek dat woord onmiddellijk weer in, maar dat geeft wel aan hoe gevoelig dit punt is, puur vanuit het oogpunt van wetgeving en staatsrechtelijke en rechtsstatelijke uitgangspunten. De indieners geven terecht aan dat alle gronden eenzelfde hardheid en beschermingsniveau verdienen. De SGP is van mening dat wie de grond "handicap" serieus neemt, ook bereid zal moeten zijn om wet- en regelgeving aan te passen die het mogelijk maakt om te selecteren op basis van handicap, zoals nu het geval is en waarvan ik een voorbeeld gegeven heb. Anders is dit grondwetsvoorstel niet serieus te nemen.

Voorzitter. Ik kom tot een afronding. Concluderend kom ik tot de stelling dat het voorstel staatsrechtelijk onvoldoende onderbouwd is en dat het meer een vorm van symboolpolitiek is. Ik snap dat bepaalde bevolkingsgroepen daardoor extra voor het voetlicht gehaald worden. Dat kan natuurlijk een prima uitgangspunt zijn, maar tot op dit moment hebben de indieners de SGP nog niet overtuigd van de redelijkheid van deze denkrichting vergeleken met een meer algemene grondwettelijke formulering die in andere, organieke wetgeving uitgewerkt zou kunnen worden. Vooralsnog lijkt die laatste route ons een betere dan deze. Ik hoop dat ik ook duidelijk heb gemaakt welke valkuilen, voetangels, klemmen, leeuwen en beren zich bevinden op de weg van dit initiatiefwetsvoorstel. Dat doet niets af aan de waardering die ik heb voor de inspanning. Maar de inhoud? Die kan beter, zou ik zeggen. Wij zijn trouwens graag bereid om daaraan mee te werken. Vandaar ook ons amendement.

De heer Renkema (GroenLinks):

Juist daarover gaat ook mijn vraag. De SGP kondigt hier een amendement aan. Dat amendement heb ik nog niet gezien.

De heer Bisschop (SGP):

Dat komt.

De heer Renkema (GroenLinks):

Dat komt. Als ik het goed begrijp, kiest de SGP dan eigenlijk voor een verdere versobering van de Grondwet. Op dit moment staan in de Grondwet als specifieke gronden waarop niet mag worden gediscrimineerd in Nederland: godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, geslacht en ras. Wil de SGP dus al deze specifieke gronden schrappen uit de Grondwet?

De heer Bisschop (SGP):

Dan zou het een formulering worden als "discriminatie op welke grond dan ook is verboden", punt. Daarnaast heb je natuurlijk een aantal grondrechten, zoals de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van levensovertuiging enzovoort. Die zijn vastgelegd als grondrechten. De grondrechten die we belangrijk genoeg vinden om te specificeren, benoemen we dan ook in een apart artikel. In organieke wetgeving, wetgeving voortvloeiend uit en voortbouwend op de Grondwet, kun je dan dus specificeren. Dat maakt het ook eenvoudiger om mee te bewegen met maatschappelijke veranderingen. Het heeft dus grote voordelen.

De heer Renkema (GroenLinks):

Ik denk dat de SGP begrijpt dat ik het heel jammer zou vinden als deze specifieke gronden zouden worden geschrapt. Ik heb er nog wel een vraag over. Mensen kunnen zich om allerlei redenen gediscrimineerd voelen. Op basis van een heel algemene uitspraak in de Grondwet zou iemand met blond of rood haar kunnen zeggen: ik word gediscrimineerd. Het is niet voor niks dat deze er staan. Hoe kijkt de SGP dan naar het begrip "codificatie" — dat is ook een van de functies van de Grondwet — als vastlegging van wat we maatschappelijk met elkaar vinden?

De heer Bisschop (SGP):

De Grondwet legt de basale, fundamentele rechtsprincipes vast. Een fundamenteel rechtsprincipe is: in Nederland wordt niet gediscrimineerd. In de eerste plaats heeft dat een verticale werking, van overheid naar onderdanen, maar we willen dat in bepaalde mate ook uitwerken in horizontale zin. Als je dan het fundamentele principe hebt vastgelegd, dan kijk je vandaaruit naar wat ervoor nodig is om in wet- en regelgeving dit zodanig te verankeren dat mensen de waarborgen hebben dat ze niet worden gediscrimineerd. Dat kan min of meer tijd- en plaatsgebonden zijn. Daarom moet je vooral in wetgeving daarmee gaan werken. Dat voorkomt dat je steeds weer naar aanpassing van de fundamentele rechtsregels moet gaan. Die moeten zo tijdloos mogelijk geformuleerd zijn en zo duidelijk mogelijk vastliggen. Op basis daarvan formuleer je dan wet- en regelgeving.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Bisschop.

De heer Bisschop (SGP):

Ook u dank, voorzitter.

De voorzitter:

Dank. Ik geef nu het woord aan de heer Martin Bosma namens de PVV.

De heer Martin Bosma (PVV):

Geloof het of niet, voorzitter, maar toen ik vanmorgen mijn schoen aandeed, zat daar een briefje in. Ik zal het even voorlezen.

"De Sint steekt omhoog zijn dikke duim,

want een initiatiefwetsvoorstel verdient altijd een grote pluim.

Dat Kamerleden dat doen

is waard een dikke zoen.

De indieners verdienen het,

want wij zijn medewetgevers volgens de Grondwet.

Vraag is echter wie met de eer moet strijken.

Het zou erop kunnen lijken

dat deze drie dames het vuile werk verrichten,

maar dat zou betekenen dat wij de geschiedenis oplichten.

Wie met het verleden is vertrouwd,

weet: dit wetsvoorstel is bijna tien jaar oud.

Als Tweede Kamer zitten we altijd op de actualiteit,

maar soms nemen we even een decennium de tijd.

Dit gezelschap zonder heren

weet: het is wel pronken met andermans veren.

Ze lieten ons tien jaar in spanning.

Lag dat aan de Kamerleden of aan hun bemanning?

U ziet: ik haal even mijn gram.

Maar dat doe ik mede namens Boris van der Ham."

Boris van der Ham is een van de oorspronkelijke schrijvers. Waarvan akte.

Voorzitter, ter zake. De anno 1983 nieuwe Grondwet ademt volop de geest van het meest linkse kabinet ooit, het kabinet-Den Uyl. Het is een reflectie van de idealen van mei 1968. Artikel 1 in zijn huidige vorm hebben we te danken aan de CPN, een partij die streefde naar de vernietiging van onze nationale soevereiniteit en de vernietiging van al onze vrijheden. Een amendement van Marcus Bakker leidde tot de huidige vorm van artikel 1, in het bijzonder de kreet: op welke grond dan ook. Marcus Bakker was een pure stalinist, die zich onder andere opstelde achter het Russische ingrijpen in Hongarije in 1956 en in Polen. Hij stond in dat debat tegenover Piet van der Sanden van de KVP. Die zei: laten we het simpel houden en gewoon in de Grondwet zetten dat iedereen voor de wet gelijk is. Maar dankzij Marcus Bakker gingen we allemaal categorieën toevoegen. Daar zijn we niet mee opgehouden. Vandaag gaan we daar vrolijk meer verder. Dat kent geen einde.

Toen Pim Fortuyn in 2002 voorstelde om artikel 1 af te schaffen, werd D66-leider Thom de Graaf helemaal wild. De Graaf begon te gillen en te tieren over Anne Frank. Artikel 1 was voor hem het fundament van de rechtsstaat. Wat een apekool. Het is vreemd dat de mensen voor wie artikel 1 heilig is vooraan staan met het ontkrachten daarvan. Als iedereen gelijk behandeld moet worden, hoe kun je je dan inzetten voor een vrouwenquotum of een allochtonenquotum? Dat discrimineert immers, hoe je het ook wendt of keert. Roger van Boxtel van D66 zei eens: quota zijn voor vissen. Nu moeten we dus vaststellen dat D66 vrouwen beschouwt als vissen. Dat lijkt me groepsbelediging, wat strafbaar is volgens artikel 1 van de Grondwet en artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht.

Mannen worden dus uitgesloten, artikel 1 of niet. Niet de inhoud van je hoofd telt, maar de inhoud van je onderbroek. We zien in de praktijk al waar dat vrouwenquotum toe leidt. In Amsterdam en Den Haag moest niet de beste kandidaat burgemeester worden, maar de beste vrouw. We zien hoe dat is afgelopen. D66-minister Van Engelshoven vindt dat personeel in speelgoedwinkels niet mag vragen: is het voor een jongetje of voor een meisje? Iedereen moet met poppen spelen. De Nederlandse Spoorwegen, waar ook een D66'er achter het stuur zit, zegt niet meer "geachte dames en heren", maar "geachte reizigers". Alles moet genderneutraal. Maar geslacht speelt ineens wel weer een grote rol als het gaat om het binnenslepen van goedbetaalde baantjes in het bedrijfsleven. Als een universiteit aankondigt geen mannen meer te zullen aannemen, vormt artikel 1 geen enkel beletsel. Minister Van Engelshoven is dan juist zeer enthousiast. En dan wordt Anne Frank er niet bij geroepen. GroenLinks wil in zijn verkiezingsprogramma de geslachtsregistratie bij de burgerlijke stand afschaffen. Genders bestaan tenslotte helemaal niet. GroenLinks wil echter wel een vrouwenquotum. Dan bestaan genders ineens wel weer.

Bezien in het licht van artikel 1 is het helemaal vreemd dat deze drie partijen openlijk raciaal beleid bepleiten. D66 stelt bij de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken dat er te veel blanken werken bij de overheid. Het aantal blanken dient te worden teruggebracht. Mensen moeten dus beoordeeld worden op hun huidskleur. D66 wil een slavernijmuseum in Amsterdam, dat gebouwd moet worden op raciale preferenties. De slavernij door moslims van blanke Europeanen, waaronder duizenden en duizenden Nederlanders, dient ongenoemd te blijven. Een D66-wethouder deelt mede dat het museum gebouwd dient te worden vanuit — ik citeer letterlijk — zwart perspectief. Zwarten hebben dus een bepaalde mening die samenhangt met hun huidskleur, zo vindt men. Dat is vreemd, want veel linkse mensen roepen altijd dat ras een sociale constructie is — het bestaat dus niet — maar in het kader van de discriminatie, die zij positief noemen, bestaat het ineens weer wel. Laten we eerlijk zijn: diversiteit is gewoon een mooi woord voor anti-blank racisme.

De Partij van de Arbeid gebruikt openlijk het woord "ontwitten". Te veel blanken. Een PvdA-wethouder zegt: ik loop hier in het stadhuis van Den Haag, een prachtig wit gebouw, maar helaas geldt dat niet alleen voor de buitenkant, maar ook voor de binnenkant. De lijsttrekker van die partij hier in Den Haag stelt vast dat er te veel blanken werken in de gemeentehuizen. Ook nu wordt niets meer vernomen van artikel 1 of van Anne Frank.

In Amsterdam financieren deze drie partijen de Black Achievement Month. Daarbij worden mensen geselecteerd op hun huidskleur, waarna ze worden tentoongesteld op een podium. Mevrouw Özütok doet daarvan via Twitter verslag.

De NPO, geleid door een D66'er, telt allochtonen, want die kun je blijkbaar herkennen aan hun uiterlijk. De omroepen moeten voldoende niet-blanken tonen. PowNed noemt dat "de neger omdat het moet". Kunstenaars moeten loyaliteitsverklaringen tekenen, waarin staat dat zij de diversiteit zullen naleven en zullen streven naar minder blanken. 75 jaar vrijheid wordt gevierd met een gezellig rondje racisme.

Nederlanders worden volop gediscrimineerd in hun eigen land. Moslims mogen gesubsidieerd hun ramadan en slachtfeest vieren. Hun feesten zijn allemaal altijd prima. Ons feest, Zwarte Piet, moet van overheidswege kapot worden gemaakt. In Amsterdam mag de sint niet eens meer het christelijke kruis op zijn mijter hebben, want dat is kwetsend voor moslims. Het is eraf gesloopt door toenmalig wethouder Asscher. Islamitische symbolen zijn daarentegen allemaal prima. Zie het kattengejank dat nu vanaf de moskeeën klinkt, of hun hoofddoekjes. Die zijn nooit kwetsend.

Nederlanders worden gediscrimineerd, artikel 1 of niet. Zij krijgen niet de woningen, asielzoekers wel. Op heel veel plekken is sprake van discriminatie. Bij de politie worden allochtonen openlijk voorgetrokken, ook als zij niet aan de voorwaarden voldoen die wel gelden voor autochtone Nederlanders. De politie doet aan etnisch profileren — van haar eigen personeel welteverstaan. Dat heet diversiteit. D66 wil zelfs een allochtonenquotum voor politici. Nu vrouwen vissen zijn, waarom allochtonen dan ook niet?

Vreemd: als PvdA'er Marcouch zegt dat hij geen PVV'ers bij de politie wil, kan de goede man doorstromen naar het burgemeesterschap. Dat zijn mening haaks staat op artikel 1 van de Grondwet — geen discriminatie wegens politieke gezindheid — speelt geen enkele rol meer. Ook bij een rechter die zegt dat PVV'ers geen rechter mogen worden, komt artikel 1 van de Grondwet niet uit de kast. PVV'ers worden vaak ontslagen of niet aangenomen, bijvoorbeeld als leraar. En vaak zijn het D66'ers die dat doen. Wat vinden de indieners daarvan?

Mijn fractieleider dreigt veroordeeld te worden omdat hij iets zei over criminele Marokkanen: willen jullie meer of minder? Volgens de rechter vormen Marokkanen nu ineens een ras. Vinden de drie partijen die zo enthousiast zijn over artikel 1 van de Grondwet, dat tenslotte ras expliciet noemt, dat ook? En wat vinden zij ervan dat het begrip ras nu ineens zo wordt opgerekt?

Wat ik ook raar vind, is dat deze drie partijen vooraan staan met het schreeuwen om de noodtoestand. Dat doen ze in Amsterdam, hun thuisbasis, waar ze de klimaatnoodtoestand al hebben afgekondigd, dat doen ze in Brussel, ook met de klimaatnoodtoestand, en dat eisen ze hier in de Tweede Kamer, waar Partij van de Arbeid, GroenLinks en D66 dinsdag stemden voor een dierenmotie om de noodtoestand af te kondigen. De noodtoestand? Wat is dat? Nou, dat is dat de Grondwet en het parlement buiten werking worden gesteld. Er is geen klimaatcrisis — het klimaat verandert altijd — maar de linksen gebruiken die niet-bestaande crisis om het parlement en de Grondwet af te schaffen. Op de Hannie Schaftlezing duwde minister Al-Qaq-Kaag van D66 mijn partij in de hoek van het nationaalsocialisme. Maar ik stel vast dat het de nationaalsocialisten waren die de noodtoestand uitriepen in 1933. Kaags partij, D66, wil nu juist die noodtoestand en mijn partij vecht daartegen. In 1933 namen de nationaalsocialisten in Duitsland de eerste maatregelen om ervoor te zorgen dat organisaties een afspiegeling waren van de bevolking. Ook de nazi's deden aan positieve discriminatie. Zoveel procent joden van de bevolking, dan ook zoveel procent studenten en later ook functies in onderwijs en overheid. Dat heette "das Gesetz gegen die Überfüllung deutscher Schule und Hochschule" van april 1933. Mag ik van de gewaardeerde indieners horen waarom zij zo hunkeren naar de noodtoestand en tegelijkertijd een grondwetsartikel willen veranderen? Als je de Grondwet wilt afschaffen, waarom wil je hem dan aanpassen?

Aan de stalinist Marcus Bakker hebben we de kreet "op welke grond dan ook" te danken. Dat betekent zoiets als: et cetera, et cetera. Het sluit eigenlijk alles al in. Je hoeft dus niet alles expliciet te noemen. Zo kwam het ook ter sprake bij de parlementaire behandeling in 1976, ten tijde van het kabinet-Den Uyl. Waarom zou je er dan iets aan toevoegen? Waarom zijn deze drie partijen ineens zo begaan met het lot der homoseksuelen? Vorige week was een D66-Europarlementariër heel boos, omdat een partij in Oost-Europa iets gezegd schijnt te hebben over homovrije zones. Ach, wat was ze verontwaardigd! Maar ik dacht: wij hebben in Nederland toch ook homovrije zones? Die noemen we islamitische wijken. Die zones worden groter en groter. Een makelaar waarschuwt homo's al openlijk: ga niet in die of die wijk wonen, want als homo loop je daar gevaar. Wie herkenbaar als homoseksueel rondloopt in Nederland, speelt met zijn leven of in ieder geval met zijn voortanden. De aanhangers van Allah zijn altijd bereid corrigerend op te treden. En wie heeft ze binnengelaten? Deze drie partijen, die nu zitten te poseren als de grote vrienden van homoseksueel Nederland. Vraag aan de indieners: wat heb je aan een vermelding in de Grondwet, als je op straat ervoor moet vrezen om in elkaar geslagen te worden door mensen, die zijn geïmporteerd door D66, GroenLinks en de Partij van de Arbeid?

Kennen de indieners artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht? Daarin staat: "hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft ...". Het staat er allemaal al in, net zoals het EVRM, het verdrag van de EU en de Algemene wet gelijke behandeling al heel veel garanties bieden. Waarom komen ze hiermee aan en waarom na tien jaar stilte? Willen ze gewoon scoren bij een doelgroep? Is het een stukje populisme? De verkiezingen komen eraan. Wil men een wit voetje halen?

Voorzitter. Mijn partij is traditioneel tegen artikel 1 van de Grondwet, omdat we ongelijke gevallen ongelijk willen behandelen. Artikel 1 is sowieso een heel vreemd artikel. Het spreekt over discriminatie, maar bijvoorbeeld in het boekje van de heer Bovend'Eert staat gewoon duidelijk dat nooit gedefinieerd kan worden wanneer iets discriminatie is. Discrimineren wordt ook uitgelegd in de sfeer van vrijheid van meningsuiting. Als je "ik vind dat en dat" zegt, wordt dat door rechters gezien als discriminatie. Dat is onzin, want dat perkt de vrijheid van meningsuiting in.

Artikel 1 heeft een vreemde bijwerking gekregen. Terecht stelt Femke Halsema dat artikel 1 helemaal niet bedoeld is om het onderlinge meningenverkeer van burgers te reguleren. De term "discrimineren" wordt ook uitgelegd als het hebben van een bepaalde mening. Politicoloog Meindert Fennema stelt terecht dat discrimineren niet betekent dat je niets onaardigs mag zeggen. Kunnen de indieners reflecteren op deze horizontale uitleg van de wet?

Dank u wel, voorzitter. Dat was mijn termijn.

De heer Renkema (GroenLinks):

Tja, als ik het goed begrijp, zegt de PVV dat we van artikel 1 af kunnen en dat discriminatie eigenlijk niet bestaat.

De heer Martin Bosma (PVV):

Nee, dat zeg ik niet. Leg me geen woorden in de mond.

De heer Renkema (GroenLinks):

Het is in ieder geval discutabel wat discriminatie is. Het is geen eenduidig begrip, laat ik het zo formuleren. Als het zo is dat het begrip niet eenduidig is, hoe kan de heer Bosma dan zeggen dat PVV'ers worden gediscrimineerd?

De heer Martin Bosma (PVV):

De praktijk leert gewoon dat heel veel PVV'ers ontslagen worden, bijvoorbeeld in het onderwijs, om het feit dat ze PVV'er worden. Mijn gewaardeerde collega Alexander Kops heeft daar een voorbeeld van gegeven. Hij stond gewoon voor de klas en was een zeer populaire leraar, maar toen hij uit de kast kwam als PVV'er kon hij meteen zijn spullen pakken. Heel veel PVV'ers hebben mogen ervaren dat zij om hun politieke overtuiging ontslagen worden. Dat is de realiteit voor de PVV'ers van vandaag. Dat is een aantasting van de democratie en een aantasting van de vrijheid van meningsuiting. Het zou mooi zijn als GroenLinks, de voormalige Communistische Partij van Nederland, de RaRa-partij, de Duyvendakpartij, zich daar ook eens zorgen om zou maken.

De heer Renkema (GroenLinks):

Ik vind het op zich interessant om eens de jurisprudentie te zien van alle PVV'ers die als leraar of politieagent zijn ontslagen vanwege hun lidmaatschap van de PVV. Maar zou het niet juist om die reden, als dat al het geval zou zijn, heel erg goed zijn om discriminatie op basis van politieke overtuiging in onze Grondwet te houden?

De heer Martin Bosma (PVV):

Nou, nee. Ik houd juist een pleidooi om, als je iets wilt zeggen over deze zaak in de Grondwet, gewoon te luisteren naar wat Piet van der Sanden in 1976 zei. Die stelde voor om het beperken tot: iedereen is voor de wet gelijk; punt. Wat mij betreft maken we daarvan, om misverstanden te voorkomen: iedere Nederlander is voor de wet gelijk. Dan zijn we er ook. We zien nu de val waar we in zijn getrapt. Er komen steeds nieuwe categorieën, steeds nieuwe mensen. Mensen zeggen: ik ben categorie X, ik ben categorie Y. Zo kunnen we tot in de eeuwigheid aan de gang blijven, terwijl heel veel van al die categorieën die je kunt verzinnen allang zijn neergelegd in de wet. De Algemene wet gelijke behandeling heeft het over afkomst, over burgerlijke staat, over leeftijd. Dan ben je allang gecoverd. Waarom zou je dus aan zo'n potpourri van categorieën beginnen?

De heer Renkema (GroenLinks):

Tot slot. Er zit nogal een fundamenteel verschil tussen "iedereen die zich in Nederland bevindt" en "iedere Nederlander". Volgens mij is dat al discriminatie.

De heer Martin Bosma (PVV):

Nee, dat is de essentie van de rechtsstaat, denk ik. Nederlanders hebben andere rechten dan mensen die geen Nederlander zijn. Als je Nederlander bent, dan geniet je gelijke rechten. Dan is het heel helder om dat vast te leggen. Piet van der Sanden had gelijk in 1976,

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik kom nog even terug op een eerder deel van het betoog van de heer Bosma. Dat zat me toch nog even dwars. Dat was een stukje geschiedvervalsing. De heer Bosma suggereerde dat zijn partijleider gezegd zou hebben: willen jullie meer of minder criminele Marokkanen? Maar dat is nou precies wat hij niet had gezegd. Hij had gezegd: willen jullie meer of minder Marokkanen? Daarvan kun je heel goed verdedigen dat het discriminatie is. Dat wilde ik even rechtzetten.

De heer Martin Bosma (PVV):

Ik heb het ook niet gezegd zoals de heer Van Dijk het nu zegt. De vraag ging over meer of minder Marokkanen. Dat ging over criminele Marokkanen, zoals mijn partijleider bij de rechtbank meerdere malen heeft uitgelegd. Het is de heer Van Dijk die geschiedvervalsing pleegt.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Nee hoor, u kunt gewoon uw eigen termijn terugluisteren en dan hoort u dat u daar suggereert dat uw partijleider gezegd zou hebben: willen jullie meer of minder criminele Marokkanen? Dat was precies niet wat hij heeft gezegd.

De heer Martin Bosma (PVV):

Dat heb ik niet zo gezegd. Luister het maar terug.

De voorzitter:

Goed. Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Krol namens 50PLUS.

De heer Krol (50PLUS):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Nu het amendement al zo vaak genoemd is, vroeg ik mij af of ik überhaupt nog aan mijn spreektijd moest beginnen, maar ik doe het toch.

Meer dan 40 jaar heb ik met vele anderen gestreden voor de lhbt-doelgroep. U zult begrijpen dat ik de inspanningen van Vera Bergkamp, Kirsten van den Hul, Nevin Özütok en hun voorgangers van harte onderschrijf en ondersteun. Groepen in Nederland die in Nederland worden gediscrimineerd of dreigen te worden gediscrimineerd moeten kunnen rekenen en steunen op onze Grondwet. 40 jaar lang zette ik mij volledig in voor deze doelgroep. Dat doe ik nu alweer tien jaar ook voor een andere doelgroep die soms evenzeer het onderspit dreigt te delven: de ouderen. Net zoals ik nu vind dat seksuele gerichtheid als non-discriminatiegrond aan de Grondwet moet worden toegevoegd, moet dat in mijn optiek ook met leeftijd gebeuren. Ook ouderen ervaren helaas discriminatie. Ook daar hoort de Grondwet korte metten mee te maken.

Het benoemen van specifieke vormen van discriminatie als non-discriminatiegrond is nodig ondanks de generieke bepaling in artikel 1. Met de generieke bepaling zijn in principe alle vormen van discriminatie verboden, maar het benoemen van specifieke gronden heeft een belangwekkende betekenis, zowel nationaal als internationaal. Dat is overtuigend uiteengezet door de initiatiefnemers. Het benoemen geeft aan dat de samenleving die vormen van discriminatie bijzonder afkeurenswaardig vindt en alle middelen die ons ter beschikking staan wil voorkomen en bestrijden.

50PLUS trekt wel een duidelijke grens als het gaat om pedoseksualiteit. Ik spreek met name niet, zoals collega Bisschop, over pedofilie, maar over pedoseksualiteit, die mogelijkerwijs onder de term seksuele gerichtheid geschaard zou kunnen worden. Deze grens moet, volgens de overtuiging van 50PLUS, ook in dit debat expliciet uitgezonderd worden. Ik krijg graag een reactie van de initiatiefnemers en de minister.

Het voorliggende voorstel tot grondwetswijziging is voor de fractie van 50PLUS een bijzondere gelegenheid om een pleidooi te houden — maar ik hoefde het al bijna niet meer te doen — voor het expliciteren van leeftijd als non-discriminatiegrond in artikel 1. Het is een door ons langgekoesterde wens en we zien de noodzaak groeien. Ik zal de rest van mijn betoog hieraan besteden.

Mevrouw de voorzitter, hier past een groot compliment aan Bureau Wetgeving, dat onze fractie uitstekend heeft bijgestaan. Ik volg nauwgezet de memorie van toelichting van dit wetsvoorstel, die hier uiteraard ons kader vormt. De memorie past als een handschoen en ik hoop ook op een welwillend oor van de collega's hier in de Kamer.

De gevolgen van leeftijdsdiscriminatie zijn voor het slachtoffer en de maatschappij als geheel net zo erg als andere vormen van discriminatie die al wel benoemd zijn in artikel 1 van de Grondwet. Een baan niet krijgen omdat je te oud zou zijn, is net zo erg als een baan niet krijgen omdat je een bepaalde godsdienst, een bepaalde huidskleur of een bepaalde seksuele voorkeur hebt. De omvang van leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt is enorm. Ruim 30% van de werkgevers vermeldt in hun vacatures dat ze op zoek zijn naar schoolverlaters, beginnend personeel of mensen met maximaal drie jaar werkervaring, terwijl dit verboden is op grond van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid.

Het College voor de Rechten van de Mens stelt, ik citeer: "Een jonge kandidaat zoeken is nog te vanzelfsprekend en het benadelen van oudere sollicitanten is alom geaccepteerd. Dit moet anders." In 2017 speelde de zaak van een grote supermarktketen, waarbij het college oordeelde dat die keten zich schuldig had gemaakt aan leeftijdsdiscriminatie. De conclusie van het college luidde dat verboden onderscheid werd gemaakt op grond van leeftijd.

Hoewel leeftijdsdiscriminatie zich op de arbeidsmarkt misschien wel het meest nijpend manifesteert, wordt ook op tal van andere terreinen gediscrimineerd op grond van leeftijd. Ouderen worden weliswaar herontdekt als consument, maar het komt veelvuldig voor dat ouderen worden uitgesloten van producten of diensten of alleen toegang krijgen onder strengere voorwaarden of voor een hogere prijs. De gevolgen voor het slachtoffer zijn evident. Maar ook voor de samenleving zijn er gevolgen. Uitsluiting van diensten kan uiteindelijk leiden tot een sociaal en maatschappelijk isolement, met alle gevolgen van dien.

Het debat over het benoemen van leeftijd in artikel 1 is zeker niet nieuw. De voormalige Commissie Gelijke Behandeling bracht in 2004 op eigen initiatief een advies uit naar aanleiding van de motie-Rouvoet uit 2001. De commissie pleitte ervoor om ook leeftijd op te nemen in artikel 1. Gesteld werd dat de rechter minder strikt toetst als een beroep wordt gedaan op een niet-uitdrukkelijk benoemde grond. Dat werd onderbouwd met een verwijzing naar jurisprudentie. Het kabinet stelde dat de aangehaalde jurisprudentie stamde van voor 2000 en dus van voor de totstandkoming van de Europese richtlijnen tegen discriminatie op grond van onder meer leeftijd. Daarmee zou leeftijd als non-discriminatiegrond voldoende geborgd zijn in de rechtspraak.

Het kabinet concludeerde daarnaast dat de commissie helemaal niet inging op de maatschappelijke opvattingen. Dat was de tweede reden waarom leeftijd geen plek verdiende in de Grondwet. Er werd geen dringende juridische of maatschappelijke noodzaak gegeven voor het wijzigen van artikel 1. In 2005 werd gesteld dat leeftijd niet een bij voorbaat verdachte discriminatievorm is en dus niet thuis zou horen in artikel 1. Echter, we zijn inmiddels jaren verder en er is veel veranderd. Het denken over discriminatie en het bestrijden ervan heeft vleugels gekregen in nationaal en internationaal verband. Leeftijdsdiscriminatie maakt daar een prominent onderdeel van uit. Die internationale en nationale ontwikkelingen — die zal ik straks noemen — bevestigen dat leeftijd wel degelijk behoort tot een bij voorbaat verdachte discriminatievorm. Hoe vaker leeftijdsdiscriminatie een plek krijgt in de nationale en internationale regelgeving, hoe meer de bescherming in de Grondwet gerechtvaardigd is. Dat onderschrijft namelijk dat er een steeds groter maatschappelijk draagvlak bestaat. Hoewel in de memorie van toelichting wordt gesteld dat leeftijd sterk samenhangt met het veranderende karakter ervan, blijft het toch een feit dat het een persoonskenmerk betreft dat je niet kunt veranderen. Je leeftijd is een gegeven. Zij is onlosmakelijk verbonden met je identiteit. Je leeftijd verandert logischerwijs gedurende je leven, maar je kunt er geen invloed op uitoefenen. Je geboortejaar blijft je geboortejaar. Dat ontdekte ook Emile Ratelband bij de rechter.

Internationaal gezien is leeftijd als non-discriminatiegrond onder meer opgenomen in artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 21 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, artikel 10 en 19 van het EU-werkingsverdrag en in de Richtlijn van de Raad instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep. Hoewel leeftijd niet expliciet is opgenomen in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, noemt de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten leeftijd wel expliciet in de inleiding. Hij stelt dat de rechten uit de verklaring aan iedereen toekomen, ongeacht zaken als ras, afkomst, geslacht en ook leeftijd. Het is daarmee werkelijk een universeel geldende verklaring.

In Nederland is er op het gebied van leeftijdsdiscriminatie veel bereikt, in het bijzonder de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid. Organisaties zoals de Inspectie SZW, het College voor de Rechten van de Mens en antidiscriminatievoorzieningen vervullen een belangrijke rol bij het opsporen en het vellen van een oordeel over bij wet verboden leeftijdsdiscriminatie op grond van nationale en internationale regelgeving. Uit het rapport Discriminatiecijfers in 2018 blijkt dat van alle meldingen bij antidiscriminatievoorzieningen 8% discriminatie op grond van leeftijd betreft. Dan hebben we het over 367 meldingen. Van de meldingen die bij het College voor de Rechten van de Mens binnenkomen is dat 15%. Er lopen voorstellen van het kabinet om de taken en bevoegdheden van de antidiscriminatievoorzieningen uit te breiden om leeftijdsdiscriminatie doeltreffender te kunnen bestrijden en om leeftijdsdiscriminatie op de werkvloer tegen te gaan. In het arbeidsrecht worden veel rechtszaken gevoerd naar aanleiding van vermoedens van leeftijdsdiscriminatie bij de vervulling van vacatures. Met al deze zaken is aangetoond dat leeftijd als non-discriminatiegrond maatschappelijk breed gedragen wordt en een uitgekristalliseerde kernwaarde is. Ik gebruik daarbij de woorden van de initiatiefnemers.

De Grondwet is een bijzondere wet waarin zeker geen plaats is voor modeverschijnselen of kortstondige bevliegingen. Alleen breed gedragen maatschappelijke waarden en normen horen daarin thuis. Dat wordt bevestigd door de manier waarop wij de Grondwet wijzigen: in twee lezingen en uiteindelijk met een tweederdemeerderheid. Van de Grondwet gaat een belangrijk signaal uit dat de wenselijkheid en de noodzaak om leeftijdsdiscriminatie tegen te gaan krachtig onderstreept. Het benoemen van leeftijd als non-discriminatiegrond in artikel 1 is nodig ondanks de generieke bepaling. Met de generieke bepaling zijn in principe alle vormen van discriminatie verboden, maar het benoemen van specifieke gronden heeft een belangwekkende betekenis in nationaal en internationaal verband, zoals door de initiatiefnemers overtuigend uiteengezet is in de memorie van toelichting. Expliciete benoeming geeft aan dat de samenleving en de wetgever leeftijdsdiscriminatie bijzonder afkeurenswaardig vinden en met alle middelen die hun ter beschikking staan, willen voorkomen en bestrijden. Het is daarmee geheel in lijn met de argumenten die de initiatiefnemers in de voorliggende Grondwetswijziging gebruiken om handicap en seksuele gerichtheid expliciet op te nemen.

Het benoemen van leeftijd als non-discriminatiegrond geeft de burger bescherming tegen de wetgever. Het geeft maatschappelijke bescherming en bescherming door de rechter. Niet alleen de nationale rechter, maar ook internationaal toezichthoudende colleges, zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het VN-Mensenrechtencomité, maken voor wat betreft de wijze en de intensiteit van toetsen een verschil tussen benoemde en onbenoemde gronden.

De heer Renkema (GroenLinks):

Dit is een lang betoog over leeftijdsdiscriminatie. Ik heb er iets over gezegd in mijn bijdrage, naar aanleiding van de vraag ...

De voorzitter:

Hij is nog niet klaar, hoor.

De heer Renkema (GroenLinks):

Ik heb een vraag over de procedure. Het amendement is verspreid. Ik vroeg me wel af waarom er is gekozen voor een amendement bij een initiatiefwetsvoorstel dat een aantal andere zaken probeert te regelen, en niet voor een eigen initiatiefwetsvoorstel dat ook langs de Raad van State had kunnen gaan.

De heer Krol (50PLUS):

Het antwoord lijkt me klip-en-klaar, als je ziet hoe lang dít geduurd heeft. Dan lijkt mij deze procedure een stuk eenvoudiger.

De heer Renkema (GroenLinks):

Maar is dat serieus de reden, de snelheid van de procedure van een amendement indienen bij een ander initiatiefwetsvoorstel?

De heer Krol (50PLUS):

Het is nu een mooi moment om erbij aan te haken. Ik spreek ook mijn waardering uit voor dit initiatief. Ik ben daar werkelijk erg gelukkig mee. Maar u zult mij, als eerste man bij 50PLUS, niet kwalijk nemen dat ik mij ook voor deze doelgroep inzet.

De voorzitter:

En pragmatisch zijn, helpt soms ook wel. Gaat u verder.

De heer Krol (50PLUS):

Opname in de Grondwet geeft een signaal dat discriminatie op grond van leeftijd onaanvaardbaar is. Het vervult eveneens een belangrijke, symbolische waarde bij het verder tegengaan van leeftijdsdiscriminatie, in een steeds verder vergrijzende samenleving. Vergeet niet — heel veel mensen weten dat niet — dat tientallen landen ons voorgingen. Onder meer Zwitserland, Zweden, Finland, Portugal, Servië, Nieuw-Zeeland, Canada en Zuid-Afrika hebben leeftijd al expliciet opgenomen als non-discriminatiegrond in hun grondwet. Het is tijd dat Nederland ook in die rij gaat meedoen, zeker nu de discussie ook speelt in onze buurlanden.

Ten slotte. Zoals bekend bij een aantal woordvoerders, is mijn fractie bezig met een initiatiefwet om leeftijdsdiscriminatie strafbaar te stellen. Het debat over de noodzaak van strafbaarstelling voer ik graag op een ander moment met u. Het staat nu wel onomstotelijk vast dat leeftijdsdiscriminatie een hardnekkig probleem is, waar de wetgever in binnen- en buitenland terecht bijzondere aandacht voor heeft. Ons amendement over leeftijd is zeker niet bedoeld als koekoeksjong, maar een even noodzakelijke aanvulling op artikel 1 als de gronden handicap en seksuele gerichtheid.

Hoe dan ook: mag ik eindigen — en dan spaar ik toch zeven minuten van onze tijd uit — met het nogmaals hartelijk, en uit de grond van mijn hart, complimenteren van de initiatiefnemers?

Dank u zeer.

De voorzitter:

Ook dank aan de heer Krol. De heer Van der Molen heeft een vraag.

De heer Van der Molen (CDA):

Ik stel voorop dat leeftijdsdiscriminatie, waar de heer Krol denk ik terecht aandacht voor vraagt, natuurlijk ook discriminatie van mensen met een jonge leeftijd kan inhouden.

De heer Krol (50PLUS):

Zeker.

De heer Van der Molen (CDA):

In dat geval heb ik nog wel de volgende vraag, die ook in mijn inbreng naar voren kwam en ook bij de heer Van Dijk. Ik gebruik maar even het voorbeeld van veel kerstballen in de kerstboom. Als wij elke keer gronden expliciteren en naar zo'n lange lijst gaan, dan zou je op een gegeven moment misschien een grote opruiming moeten houden. Zou u daar eens naar willen kijken? Want u voegt aan twee gronden die denk ik breed gesteund worden in de Kamer, er toch weer één toe. Hierdoor zou het argument om opruiming te houden weleens groter kunnen worden dan we misschien met elkaar zouden willen. Hoe kijkt u daartegen aan?

De heer Krol (50PLUS):

Die discussie voer ik al 40 jaar. Al 40 jaar geleden, toen ik nog hoofdredacteur van de Gay Krant was, was dit ook precies waar we steeds over spraken. Moeten we dit nou wel doen, of inperken, of juist niet? Uiteindelijk heeft het expliciet benoemen van deze gronden een aantal voordelen. Die heb ik benoemd in mijn betoog en ik ben daarvan overtuigd. Als je kijkt naar het buitenland en in hoeveel landen leeftijd inmiddels genoemd wordt in de grondwet, zou ik zeggen: je hoeft niet zo bang te zijn voor een kerstboom die krom gaat staan vanwege de kerstballen. Hoe meer kerstballen in de boom, hoe mooier de boom is.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Krol. Dan geef ik nu het woord aan de heer Bouali namens D66.

De heer Bouali (D66):

Dank u wel, voorzitter. Het verheugt mij zeer om dit initiatiefwetsvoorstel vandaag in deze Kamer te bespreken. Laat ik allereerst mijn dank uitspreken aan de voormalige leden Van der Ham, Azough en Timmer. Dankzij hun inzet spreken wij vandaag in de Kamer over dit onderwerp. We bespreken hier niet zomaar iets. Het gaat om een grondwetswijziging. Bij zo'n wijziging hoort terecht een heel zorgvuldig proces. Uit de stukken blijkt dat deze initiatiefnemers ook niet over één nacht ijs zijn gegaan. Mijn complimenten daarvoor. Maar ook mijn hele bijzondere complimenten — dan kijk ik een rij naar achteren — voor de medewerkers die dit mogelijk hebben gemaakt. Dat is toch een heel bijzondere inspanning. Voor hen is het ook een heel bijzondere ervaring om hier te zitten.

Voorzitter. In het regeerakkoord staat: "Emancipatie en het beschermen van onze waarden hebben continu onze aandacht nodig." Dit initiatiefwetsvoorstel is daar een concrete invulling van. Het is ook als zodanig opgenomen in het regeerakkoord. Waarom is de tijd rijp om de Grondwet nu op dit punt aan te passen? Allereerst staan in de lange lijst van landen die is opgenomen in de memorie van toelichting, op dit moment slechts twee landen die handicap niet opgenomen hebben in de Grondwet als grond waarop niet gediscrimineerd mag worden. Nederland is er daar helaas één van. Ik zal heel eerlijk zijn: daar schrok ik nogal van. Nederland is een land van vrijheid, gelijkheid en tolerantie. Nederland is een land van gelijke kansen voor iedereen. Nederland is ook een land waar iedereen de kans hoort te krijgen om mee te doen. In een samenleving die D66 wil, is er ruimte voor diversiteit. In mijn ogen is het een logische stap dat we in Nederland handicap opnemen in artikel 1 van de Grondwet.

In 2016 is het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap geratificeerd. Het heeft het kabinet-Rutte II vier jaar gekost om dit voor elkaar te krijgen. Laten we niet weer zo lang wachten met de volgende stap. Het doel van dit verdrag is het verbeteren van de positie van mensen met een handicap. Het opnemen van de term "handicap" in artikel 1 van onze Grondwet is een grote, mooie en zeer wenselijke stap tegen discriminatie van mensen met een handicap. Wat mij betreft is het een stap in een hele goede richting.

Voorzitter. In 2001 was Nederland het eerste land ter wereld dat het burgerlijk huwelijk openstelde voor paren van gelijk geslacht; een wetswijziging waar D66'er Boris Dittrich destijds zes jaar lang voor gestreden had. Inmiddels zijn er bijna 30 landen ter wereld die dit voorbeeld gevolgd hebben. Nederland diende destijds als voorbeeldland. Dat is heel positief. Het past bij de waarden vrijheid en tolerantie die voor Nederlanders hoog in het vaandel staan. Daarom willen wij hier ook graag leidend in blijven.

Op dit moment zijn er wereldwijd negen landen die grondwettelijke bescherming bieden tegen discriminatie op grond van seksuele gerichtheid. D66 is van mening dat Nederland zich bij deze landen dient aan te sluiten. Artikel 1 van de Grondwet vinden we dusdanig belangrijk dat het op de gevel van het Tweede Kamergebouw gedrukt mag staan. Hoe mooi zou het zijn als straks voor iedereen die buiten langs dit gebouw loopt, te zien is dat Nederland discriminatie op grond van handicap of seksuele gerichtheid niet tolereert?

Voorzitter. Mij rest een aantal vragen. Om kansengelijkheid te creëren, is het soms nodig om bepaalde mensen extra te beschermen. Mensen hebben andere kansen nodig, juist omdat iedereen zo verschillend is. Mijn collega van de Partij van de Arbeid bracht dat ook al op. Dan denk ik aan een tijdelijk vrouwenquotum om meer vrouwen op topposities te krijgen. Dan denk ik aan het bevorderen van diversiteit bij de politie. Dan denk ik aan een voorkeursbeleid om gelijke kansen op de arbeidsmarkt te creëren voor mensen met een handicap. Het is in het belang van Nederland dat de samenleving inclusief is en dat iedereen kan participeren op de werkvloer en op sociaal en cultureel vlak. Daarom zou ik graag aan de initiatiefnemers vragen of zij denken dat het na deze grondwetswijziging mogelijk is en blijft om voorkeursbeleid te hanteren. Blijft het mogelijk om voor achtergestelde groepen kansen te creëren? In dat geval zou de wet namelijk onbedoeld tegenstrijdig kunnen zijn.

Voorzitter. Verder is er opgemerkt dat onze Grondwet een sober karakter heeft. Denken de initiatiefnemers dat deze grondwetswijziging dit sobere karakter mogelijk schaadt?

Voorzitter, ik concludeer. D66 wil actief kansen scheppen voor mensen om hun talenten te benutten en hun kennis toe te passen. Voor D66 zijn de fundamentele waarden van onze samenleving vrijheid en gelijkwaardigheid, de vrijheid voor ieder mens om zich naar eigen inzicht te kunnen ontplooien. Deze grondwetswijziging zorgt ervoor dat dit streven, waar we ons allemaal in de huidige praktijk al voor inzetten, een plek krijgt in artikel 1 van onze Grondwet. Daarom krijgt deze onze volledige steun.

De heer Martin Bosma (PVV):

De heer Bouali zegt: Nederland is het land van gelijke kansen. Maar D66 staat gewoon voor discriminatie. Als de universiteit van Eindhoven zegt "wij nemen geen mannen meer aan", dan is D66-minister Van Engelshoven, die gaat over hoger onderwijs, daar zeer enthousiast over. Mannen hebben daar nul kansen. Is nul kansen hetzelfde als gelijke kansen? Begrijp ik dat goed?

De heer Bouali (D66):

Nee, dat begrijpt u niet goed. Ik ben bijna bang om een Engels woord te gebruiken, mevrouw de voorzitter.

De voorzitter:

Nou, vooruit.

De heer Bouali (D66):

Level playing field. Uiteindelijk gaat het erom dat we ...

De voorzitter:

Een gelijk speelveld: dat is een heel mooi Nederlands woord.

De heer Bouali (D66):

Ik denk inderdaad dat we een gelijk speelveld moeten creëren. De voorzitter schiet me altijd te hulp. In het specifieke geval uit uw vraag gaat het inderdaad om het creëren van gelijke kansen. Als dat lang niet het geval is geweest, is het denk ik heel goed dat je ervoor zorgt dat dat gelijke speelveld er wel is.

De heer Martin Bosma (PVV):

Nee, er is geen gelijk speelveld, want mannen mogen niet solliciteren. Dat hebben we ook gezien bij de selectie van de burgemeester van Amsterdam. Dat mocht ook geen man worden. Ook bij de selectie van de burgemeester van Den Haag hebben we dat gezien. Ook daar mocht het geen man worden. Het is toch wel heel orwelliaans om te pleiten voor gelijke kansen en dan te zeggen dat 50% van de bevolking niet mee mag doen.

De heer Bouali (D66):

We kunnen hier heel lang over praten. U noemt nu twee voorbeelden. Ik denk dat ik u veel meer voorbeelden kan noemen van steden of dorpen waar mannelijke burgemeesters de scepter zwaaien. Laten we er inderdaad voor zorgen dat iedereen een gelijke kans krijgt op een baan. Als we een geschikte man of vrouw vinden, moeten we die aanstellen. Op bepaalde plekken zijn er gewoon minder vrouwen. Dat kunnen we allemaal zien. Wat dat betreft ben ik ook heel blij dat we dat vrouwenquotum hebben ingesteld, zodat we ervoor kunnen zorgen dat we het allemaal gelijktrekken, en daarmee gelijke kansen bieden voor iedereen creëren.

De heer Martin Bosma (PVV):

Ik ga ook een paar woorden Engels gebruiken, maar ik zal ze meteen vertalen. Ten tijde van de oorlog in Vietnam was er een Amerikaanse generaal die zei: "We had to destroy the town in order to save it." Oftewel: we moesten het dorpje vernietigen om het te behouden. Als u orwelliaans pleit voor gelijke kansen maar tegelijkertijd zegt dat de helft van de bevolking niet mee mag doen, bent u toch bezig met de vernietiging van uw eigen argument? Je kunt toch niet volhouden dat het gaat om gelijke kansen als de helft van de bevolking niet meedoet?

De heer Bouali (D66):

Volgens mij blijft u er maar omheen draaien. Ik wil juist die gelijke kansen. Ik wil ervoor zorgen dat zowel mannen als vrouwen, maar ook bijvoorbeeld mensen met een handicap, gelijk mee kunnen doen. Als dat heel lang niet het geval is geweest, moeten we dat repareren.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Bouali.

De heer Bouali (D66):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Dik-Faber namens de ChristenUnie.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst wil ik mijn complimenten en waardering uitspreken aan de indieners van dit wetsvoorstel, de vertegenwoordigers van D66, GroenLinks en de Partij van de Arbeid die het voorstel in het verleden hebben verdedigd en de medewerkers van deze fracties. Het is niet zomaar een initiatiefwet die hier voorligt. Het gaat om een wijziging van het allereerste artikel van de Grondwet, die ruim negen jaar geleden al is ingezet. Ook anderen hebben dit gememoreerd.

Voorzitter. De ChristenUnie hecht grote waarde aan onze Grondwet en de normen en waarden waardoor deze is geïnspireerd. Vanuit de christelijke traditie benoemen wij als gemeenschappelijke waarden van onze samenleving: menselijke waardigheid, gelijkwaardigheid, naastenliefde, verdraagzaamheid, zorg voor de schepping en geloofsvrijheid. Dat vertaalt zich ook in de verschillende grondwettelijke vrijheidsrechten, zoals geloofsvrijheid, vrijheid van meningsuiting, onderwijsvrijheid en het recht op gelijke behandeling. Deze vrijheden zijn ons dierbaar. Deze vrijheden hebben geen rangorde. Ze zijn stuk voor stuk van waarde. Je zult altijd in de praktijk een weging hebben tussen de verschillende vrijheden.

We moeten als samenleving ons rekenschap blijven geven van de ontstaansgeschiedenis van Nederland en zijn dragende waarden. De Grondwet en het Statuut van het Koninkrijk spelen voor de ChristenUnie daarin een belangrijke rol. Gezien de aard van het voorstel — het is immers niet zomaar een wetsartikel dat we hier behandelen, maar de Grondwet — is mijn eerste vraag aan de indieners wat hun visie is op onze Grondwet. Welke rol vervult deze Grondwet in onze samenleving?

Voorzitter. Onze Grondwet begint met het recht op gelijke behandeling en het verbod op discriminatie. Daarbij is gekozen voor een niet-limitatieve lijst van discriminatiegronden. De initiatiefnemers stellen voor om aan deze lijst twee gronden toe te voegen: handicap en seksuele gerichtheid. Ik zal er niet geheimzinnig over doen en ik zal de initiatiefnemers ook niet lang in spanning laten, want wellicht hebben zij ons verkiezingsprogramma gelezen en dan weten zij ook dat wij dit voorstel van harte zullen ondersteunen. Al in 2001 werd in de motie-Rouvoet — en het is goed om te zien dat vele anderen dat hebben gememoreerd — opgeroepen om te bezien of aan artikel 1 de gronden handicap en chronische ziekte kunnen worden toegevoegd.

Voorzitter. Er blijft natuurlijk wel een dilemma bestaan dat ook nu al in artikel 1 aanwezig is. Aan de ene kant hechten wij eraan om specifieke gronden te benoemen zoals godsdienst, geslacht en ras. Aan de andere kant willen wij dat ook oneigenlijk onderscheid op andere gronden zoals burgerlijke staat of nationaliteit wordt voorkomen. Kunnen de initiatiefnemers beargumenteren waarom zij het van waarde vinden om wel deze twee specifieke gronden te hanteren? Hoe wordt voorkomen dat discriminatie op andere gronden — ik heb zojuist ook goed geluisterd naar het betoog van de heer Krol — onbedoeld als minder erg wordt gezien? Wat is wat dat betreft voor de initiatiefnemers bijvoorbeeld de verhouding van artikel 1 tot de Algemene wet gelijke behandeling, maar ook tot het Wetboek van Strafrecht en de discriminatiegronden die in artikel 137 zijn opgenomen? Deze vraag stel ik ook aan de minister.

Voorzitter. Terecht benoemen de initiatiefnemers dat de positie van mensen met een handicap nog niet goed is. Dat werd de afgelopen week ook nog pijnlijk duidelijk. Het is niet makkelijker, maar het is moeilijker geworden voor mensen met een beperking om volwaardig mee te kunnen doen in onze samenleving. Kunnen de initiatiefnemers aangeven waarom enkel is gekozen voor handicap? Klopt het dat hieronder ook een chronische ziekte mag worden verstaan? Welke afweging lag eraan ten grondslag om dit, een chronische ziekte, niet expliciet op te nemen?

Voorzitter. Lhbti'ers voelen zich nog vaak niet veilig in ons land. En op scholen is "homo" nog steeds het meest gebruikte scheldwoord. Afgelopen zomer voelde een transgender stel uit Heerlen zich nog gedwongen om te verhuizen, omdat ze stelselmatig worden gepest en bedreigd. De ChristenUnie vindt dat iedereen zich in ons land veilig moet voelen, ook minderheden. Het plegen van een misdrijf vanwege wie iemand is, vanwege wie jij bent, moet hard bestraft worden. Dat is ook de reden waarom de ChristenUnie met GroenLinks aan de slag is met een strafverzwarende grond voor het plegen van zogeheten hatecrimes.

Bij maatschappelijke organisaties en initiatiefnemers wordt de hoop uitgesproken dat door het opnemen van handicap en seksuele gerichtheid bewustzijn over gelijke behandeling bij overheidsorganen wordt bevorderd en dat het aanmoedigt om in onze wetgeving blijvende zorg te dragen om ongelijkheid van kansen weg te nemen. De ChristenUnie onderschrijft dit streven en het is één van de redenen waarom wij met de PvdA en D66 het initiatiefwetgevingstraject zijn gestart tot erkenning van de Nederlandse gebarentaal.

Ik heb nog twee vragen aan de minister. Kan de minister aangeven of hij de verwachting deelt dat met deze wijziging het bewustzijn over gelijke behandeling bij overheidsorganen wordt bevorderd? Wil hij hier ook persoonlijk oog voor houden?

Tot slot heb ik nog een heel praktische vraag. De heer Bouali — ik zie hem nu even niet — opperde zojuist dat de nieuwe rechten, het nieuwe artikel 1 van de Grondwet, met grote letters op het Tweede Kamergebouw worden geschreven. Nu staat er buiten op de Hofplaats al de Grondwetbank. Hoe voorzien de initiatiefnemers dat de nieuwe rechten in artikel 1 ook op deze Grondwetbank een mooie plek mogen krijgen?

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Dik-Faber. Dan geef ik nu het woord aan de heer Van Gent namens de VVD.

De heer Van Gent (VVD):

Voorzitter. Allereerst wil ik mijn collega's prijzen en danken voor hun wetsvoorstel. Het heeft een heel lange voorgeschiedenis gehad, maar gelukkig kunnen wij het nu behandelen. Ik dank hen vooral ook omdat het ons de gelegenheid biedt om over de Grondwet te praten en in het bijzonder nog eens artikel 1. Alle artikelen zijn ons dierbaar, maar het non-discriminatiebeginsel houdt de erkenning van en het respect voor de menselijke individualiteit in en vormt een van de fundamenten van onze rechtsstaat.

De laatste wijziging van artikel 1 vond plaats begin jaren tachtig; er is al eerder naar verwezen. Toen was er ook een enorme discussie over de formulering. De huidige tekst danken we aan niemand minder — collega Bosma gaf het al aan — dan Marcus Bakker, die een zo breed mogelijke reikwijdte van de wet nastreefde en die een amendement wist aangenomen te krijgen waarmee werd toegevoegd dat discriminatie op welke grond dan ook niet is toegestaan. In aanvulling op de heer Bosma: volgens mij was de heer Bakker niet verantwoordelijk voor de categorieën die daarnaast werden genoemd, maar dit terzijde.

Soms is het goed om eens in de geschiedenis te duiken. Als je kijkt naar de behandeling van het wetsvoorstel, dan zie je toch een hoop elementen terug die nu nog steeds heel wezenlijk zijn. Ook toen had men oog voor de onvolkomenheden van het recht. Er werd gesteld — heel vrij vertaald — dat een grondwetsartikel van iemand die discrimineert nog geen beschaafd mens maakt. Maar ook werd gezegd dat de openingsregels van de Grondwet houvast zouden bieden aan degenen die gediscrimineerd worden en hen ook de zekerheid zouden geven dat zij in hun verzet hiertegen in het recht staan en dit ook zouden kunnen opeisen.

Daarom begrijpt de VVD de behoefte heel goed om artikel 1 uit te breiden met de expliciete vermelding dat discriminatie op grond van handicap en seksuele gerichtheid niet is toegestaan. Het heeft een belangrijke symbolische waarde en er gaat een krachtig signaal van uit voor de acceptatie van burgers in ons land die zich door hun handicap of seksuele gerichtheid uitgesloten voelen. Zij verdienen onze aandacht en steun. De VVD staat dan ook positief tegenover het wetsvoorstel.

Voorzitter. Dit roept tegelijkertijd wel een vraag op. Er zijn meer personen en groepen die zich buitengesloten voelen, maar wier discriminatiegronden niet expliciet in artikel 1 worden genoemd. De heer Van Dijk heeft daar ook al naar verwezen. Ik heb ook zelf wat andere discriminatiegronden bedacht; er zijn er natuurlijk gewoon veel meer. Geldt voor hen ook niet het gelijkheidsbeginsel? Ik ben erg nieuwsgierig naar de reactie van de indieners.

Tot slot, voorzitter. Er is door mijn collega van de ChristenUnie al verwezen naar de Grondwetbank. Dit is de eerste lezing. Er rest ons nog enige tijd voordat de finale lezing komt. Het lijkt mij verstandig om alvast een voorwaarschuwing te laten uitgaan naar de lagere overheden, want in menig provinciehuis en raadszaal prijkt artikel 1 op de muur. Dat zal te zijner tijd moeten worden gewijzigd.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Misschien is dat iets voor een motie van de VVD, maar dat terzijde. Wat is nou precies het standpunt van de VVD rond deze wet? Deelt u de mening dat het artikel moet worden aangevuld of zegt u: nee, dan krijg je het zogenaamde kerstboomeffect, dan komt er een oneindige reeks aan categorieën en dat moeten we niet hebben?

De heer Van Gent (VVD):

Wij staan positief tegenover het wetsvoorstel, maar we zien inderdaad wel het risico dat ook anderen daarop aanspraak kunnen maken.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Gaat u bijvoorbeeld het amendement van 50PLUS steunen dat ook leeftijd eraan toegevoegd mag worden?

De heer Van Gent (VVD):

Als u de nota naar aanleiding van het verslag hebt gelezen, hebt u kunnen zien dat wij die vraag expliciet hebben gesteld. Ik heb het amendement gisteren binnengekregen. Een grondwetswijziging moet je natuurlijk zorgvuldig doen. Ik ben ook erg nieuwsgierig naar de reacties. Ik kan wel zeggen dat je ten principale natuurlijk geen onderscheid moet maken tussen discriminatiegronden.

De heer Martin Bosma (PVV):

Als dat amendement wordt aangenomen, moet meneer Krol zelf de Grondwetsbank hier buiten opnieuw beitelen. Het lijkt mij dat hij dat wel verdiend heeft. Wij zien een aantal tendensen. Wij zien dat er steeds nieuwe categorieën bij komen. Iedereen verzint weer een groep waarbij hij of zij zich populair wil maken. Een andere tendens is dat die groepen steeds breder worden. Ras betekent ook al nationaliteit, want Marokkanen zijn volgens de rechter ook al een ras. We komen nu ook al — zie mevrouw Dik-Faber — op de vraag: wat is een handicap? Nou, zegt mevrouw Dik-Faber, chronisch zieken moeten daar ook onder vallen. Kan de heer Van Gent, die enthousiast is over deze toevoeging, "handicap" even voor mij definiëren?

De heer Van Gent (VVD):

Ik wil eerst even reflecteren op wat de heer Bosma eerder zei. Het verzinnen van groepen, dat vind ik nogal wat. Er zijn groepen die zich daadwerkelijk gediscrimineerd voelen op bepaalde gronden; dat verzin je niet. "Handicap" zou je ook kunnen omschrijven als: fysieke gesteldheid. Dat is ook een hele brede definitie. Daar valt natuurlijk veel meer onder dan alleen maar een lichamelijke beperking in de zin dat je bijvoorbeeld niet goed kunt zien of moeilijk kunt bewegen. Je zou kunnen zeggen dat als mensen grijs haar hebben, dat ook een vorm van fysieke gesteldheid is, of zonder haar.

De heer Martin Bosma (PVV):

Dan is de doos van Pandora natuurlijk wel mooi opengetrokken. Stel, je kunt je niet goed bewegen en je wilt toch in het Concertgebouw spelen, of je hebt allemaal eisen en je zegt: ja, maar wacht eens even, ik word gediscrimineerd, want dat komt door mijn handicap. Nou, dan kun je dus volop gaan procederen. Dat is blijkbaar wat de VVD wil.

De heer Van Gent (VVD):

Dat kan op basis van wat er nu al staat, in ieder geval in de Grondwet, maar goed, dat heeft weer zijn vertaling in de strafwet, zoals de heer Bisschop ook zei. Maar dat kan op welke grond dan ook. Daar valt dus in theorie alles onder.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Mijn fractie heeft echt wel geworsteld met het amendement van de heer Krol. Ik zie namelijk inderdaad ook wel dat er in de Grondwet de cumulatiebepaling is opgenomen — volgens mij heet het officieel zo — dat discriminatie op welke grond dan ook is uitgesloten, en dat die cumulatiebepaling op het moment dat de lijst van discriminatiegronden langer wordt, aan betekenis verliest. Dat is wat de Raad van State gezegd heeft. Ik worstel daar dus mee. Ik hoor dezelfde worsteling bij de VVD-fractie. Zou het een idee zijn om het amendement van de heer Krol voor te leggen aan de Raad van State, zodat die daar nog op kan reageren en wij de afweging van de Raad van State bij het debat kunnen betrekken?

De heer Van Gent (VVD):

Ik vind een grondwetswijziging zo wezenlijk dat ik daar inderdaad graag ook het advies van de Raad van State over hoor.

De voorzitter:

Oké. Was u klaar?

De heer Van Gent (VVD):

Ja.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Gent. Dan geef ik tot slot het woord aan mevrouw Van Kooten-Arissen.

Mevrouw Van Kooten-Arissen (vKA):

Voorzitter, dank u wel. Allereerst wil ik veel dank uitspreken aan de leden van D66, GroenLinks en de PvdA voor het indienen van dit initiatiefwetsvoorstel om handicap en seksuele gerichtheid als non-discriminatiegrond op te nemen in artikel 1 van onze Grondwet. Het kost veel tijd om een initiatiefwetsvoorstel te schrijven, meermaals aan te passen en alle voors en tegens dusdanig af te wegen dat er een gedegen initiatiefwetsvoorstel ligt. Daar dank ik de indieners en hun ondersteuning uiteraard van harte voor.

Voorzitter. Ik ben heel blij met deze voorgenomen grondwetswijziging. Het zou vanzelfsprekend moeten zijn dat wij niet discrimineren op grond van handicap of seksuele gerichtheid, maar de verdrietige werkelijkheid is dat mensen in Nederland nog steeds op die gronden gediscrimineerd worden. Nog steeds hebben mensen te maken met vooroordelen, stigmatisering en soms zelfs haat. Het is belangrijk om hen te beschermen en extra steun te bieden met het expliciet noemen van juist deze discriminatiegronden. Het discrimineren op grond van handicap of seksuele gerichtheid zou absoluut geen plaats mogen hebben in onze samenleving.

Voorzitter. Het is al gezegd: er is lang op dit initiatiefwetsvoorstel gewacht. Ik sluit mij aan bij de al gestelde vraag waarom het negen jaar heeft moeten duren. Ik wil de indieners vragen om hier nu echt spoed achter te zetten. Bij een grondwetswijziging duurt het op zichzelf al lang genoeg voordat die in werking treedt, dus graag aandacht daarvoor.

Voorzitter. Ik begrijp de gedachtegang van voorgaande sprekers, die beargumenteren of wij dan niet veel meer non-discriminatiegronden moeten opnemen in de Grondwet. Mensen worden gediscrimineerd op grond van van alles: nationaliteit, burgerlijke staat, leeftijd, vermogen, van alles. Moeten we juist niet meer schrappen? De Grondwet zou sober moeten zijn en blijven. De heer Bosma noemde het een kerstboom met steeds meer ballen. Het zou inderdaad beter zijn als we een algemeen discriminatieverbod zouden hebben en daar genoeg aan zouden hebben, want niemand mag gediscrimineerd worden, op welke grond dan ook. Punt. Helder. Dat zou super zijn. Daar ben ik het volledig mee eens, maar dat is niet de huidige stand van de wet waar wij mee te maken hebben. Er hangen immers al een aantal ballen in de kerstboom. Dat de non-discriminatiegronden handicap en seksuele gerichtheid daaraan worden toegevoegd, ondersteun ik daarom van harte.

Overigens ben ik er ook tegen dat mensen steeds verder worden ingedeeld in groepen. Je zou kunnen zeggen: we leven met zo'n 7 miljard mensen op deze aarde, ieder met zijn/haar eigen identiteit; laten we spreken over individuen en zeggen dat deze niet mogen worden gediscrimineerd op welke grond dan ook. Dat even als een soort zijstap.

Ik ben het wel van harte eens met het initiatief van de indieners. Het is namelijk een heel sterk signaal. Het bevestigt een kernwaarde in onze samenleving en de juridische relevantie ervan is meermaals bevestigd. Juist de expliciete vermelding van een non-discriminatiegrond in artikel 1 van de Grondwet, zoals dat nu al het geval is wat betreft godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras en geslacht, wordt juridisch gezien als een nadrukkelijke vingerwijzing aan de wetgever. Het opnemen van deze non-discriminatiegronden in de Grondwet is een garantie dat wetgeving, beleid en voorzieningen voor mensen met een handicap of beperking en lhbti'ers gehandhaafd blijven, uitgebreid en verbeterd worden. Het is nodig, ook volgens de belangenorganisaties, om de zwaar bevochten rechten veilig te stellen in de Grondwet, hoewel het ook duidelijk mag zijn dat het veiligstellen van rechten met het opnemen van een non-discriminatiegrond in de Grondwet niet klaar is. Ook dan kunnen wij niet achteroverleunen, maar het is wel een belangrijks stap.

Voorzitter. Ik wil de indieners erop wijzen dat het ook belangrijk is om te verduidelijken dat de verboden discriminatiegrond geslacht in artikel 1 Grondwet ook beschermt tegen discriminatie op grond van geslachtskenmerken, genderidentiteit en genderexpressie. Het lijkt me heel belangrijk om dit nog eens te bevestigen. Willen de indieners daar ook nog iets over zeggen? Willen de indieners uitleggen hoe transgender- en interseksepersonen grondwettelijke bescherming krijgen? Is het wellicht mogelijk om daar aanvullende voorstellen voor te doen of zijn hun rechten op dit moment al voldoende geborgd?

Voorzitter. Ook vraag ik mij af of positieve discriminatie voor de kwetsbare groepen die dat nodig hebben, nog mogelijk is als dit wetsvoorstel wordt aangenomen. Het is al eerder gevraagd door D66 en GroenLinks, maar ik vraag mij dat ook af. Dat zullen de indieners vast zeker goed hebben overdacht, want sommige kwetsbare groepen waarvan de emancipatiestrijd nog niet uit gestreden is, hebben het soms nodig om positief gediscrimineerd te worden, hoe jammer dat ook is. Dat is bijvoorbeeld nodig op de arbeidsmarkt, in de top van het bedrijfsleven. Graag een uitleg daarvan.

Voorzitter. Ik wil tot slot de indieners heel veel succes wensen met het vervolg van de procedure en de voorbereiding op hun eerste termijn, en nogmaals, heel veel dank.

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn wij aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik dank de Kamerleden en natuurlijk de initiatiefnemers. Die moeten nog alles gaan voorbereiden, dus een echt dankwoord komt helemaal aan het eind.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Ik schors zo meteen de vergadering. Daarna gaan we eerst stemmen en dan komt de regeling.

De vergadering wordt van 12.31 uur tot 13.22 uur geschorst.