Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-2016nr. 62, item 10

10 Wijziging Aanbestedingswet 2012

Aan de orde is de behandeling van: 

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Aanbestedingswet 2012 in verband met de implementatie van aanbestedingsrichtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU ( 34329 ).

De voorzitter:

Ik heet de minister van Economische Zaken van harte welkom. 

De algemene beraadslaging wordt geopend. 

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Voorzitter. Vandaag bespreken wij een wijziging van de Aanbestedingswet die in 2012 is ingegaan. De aanleiding hiervoor is de implementatie van twee technische richtlijnen. Als ik aan aanbestedingen denk, denk ik aan twee belangrijke punten. Ten eerste: de overheid besteedt veel belastinggeld aan maatschappelijk relevante projecten. Hoe voorkomen wij dat die projecten mislukken onder andere doordat het al kan misgaan bij de aanbesteding? De inwoners van Nederland willen dat de juiste mensen met de juiste kennis op de juiste plek voor hen aan het werk gaan. Wij weten dat nog te veel overheidsprojecten mislukken, zeker op het vlak van de ICT. Dat leidt tot hoge faalkosten en daarvoor krijgen onze inwoners de rekening gepresenteerd. 

Het tweede punt waarvoor ik namens de CDA-fractie aandacht vraag bij de behandeling van deze wet, is de vraag hoe het midden- en kleinbedrijf, toch de banenmotor van onze samenleving, voldoende goed toegang krijgt tot al die overheidsopdrachten. De vraag is in hoeverre het leeuwendeel van de opdrachten simpelweg door schaalvoordelen en de effecten daarvan op de prijs, naar de grote partijen op de markt gaat. De minister schrijft dat de positie van het midden- en kleinbedrijf na de invoering van de wet nog nauwelijks is verbeterd. 

Voordat ik op een aantal punten van de wet inga, merk ik nog op dat een andere wet nauw samenhangt met de Aanbestedingswet, namelijk de Wet markt en overheid, die wij dit voorjaar in de Kamer zullen bespreken. De overheid heeft soms de neiging te denken dat zij het zelf beter kan, beter dan de markt door bijvoorbeeld zelf de catering te verzorgen of schoonmaakwerkzaamheden te verrichten. De overheid noemt dit inbesteden. Dit kan naar de mening van mijn fractie best een tandje minder. Ik verwijs naar het beschamende voorbeeld van de scanstraten van het ministerie van OCW en de Belastingdienst. Gelukkig heeft de minister inmiddels beterschap beloofd. Het is te hopen dat onze overheid een echt lerende organisatie is en dat dit soort acties snel tot het verleden gaan behoren. 

Ik zal nu ingaan op de verhoging van de Europese aanbestedingsdrempels, het clusterverbod, het splitsingsgebod en het innovatiepartnerschap. Het CDA pleit al jaren voor verhoging van de Europese aanbestedingsdrempels. Ik heb in april 2014 een motie ingediend waarin de regering wordt verzocht er in Europa voor te pleiten dat de drempels worden verhoogd naar 1 miljoen euro. Op deze manier krijgen decentrale overheden meer ruimte om lokaal overheidsopdrachten in de markt te zetten. Helaas was er toen geen meerderheid voor deze motie van het CDA. Dan hoop je natuurlijk dat partijen later tot hetzelfde inzicht komen. Het doet mij goed dat uit de nota naar aanleiding van het verslag blijkt dat de VVD-fractie nu ook tot dit inzicht is gekomen. Ik ben daar blij mee. 

Ook minister Kamp wil zich hier nu voor gaan inzetten. Hij zal dat doen bij de volgende onderhandelingsronde van een government procurement agreement. Als ik het goed heb gelezen, is die pas in 2019. Dat is nog ver weg. Klopt dit? Mijn fractie roept de minister nu op om de lobby te beginnen, zeker ook omdat onze Europese collega's in eerste instantie nog moeten worden overtuigd. Is de minister bereid dit onderwerp al dit jaar aan de orde te stellen in de Raad Concurrentievermogen? 

Dan de positie van het midden- en kleinbedrijf. 

De voorzitter:

Ik kom nog even terug op het vorige onderwerp. U gebruikte zojuist een erg ingewikkelde Engelse term. Wij hebben een publieke tribune en wij proberen het debat zo veel mogelijk zodanig te voeren dat iedereen het kan snappen. Kunt u toelichten wat dit begrip betekent? 

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Zeker, dat is een internationale onderhandelingsronde waaraan de minister namens Nederland deelneemt. Zo'n onderhandelingsronde wordt de government procurement agreement genoemd. 

Bij de totstandkoming van de Aanbestedingswet 2012 is uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor de positie van het mkb. Dat is terug te zien in een bepaling die moet voorkomen dat opdrachten onnodig worden samengevoegd en in bepalingen die erom vragen dat grote opdrachten juist worden opgedeeld, opdat het mkb ook echt in aanmerking komt voor die opdrachten. Ik wijs hierbij ook op de toepassing van de Gids proportionaliteit, die hiervoor speciaal als richtsnoer is opgezet. 

Het baart het CDA dan ook zorgen dat uit de evaluatie blijkt dat de gunning aan het mkb nagenoeg gelijk is gebleven, terwijl het juist de bedoeling was dat de positie van het mkb zou verbeteren. Overigens ligt dat volgens de minister niet aan de wet zelf, maar aan de toepassing van de aanbestedingsregels. Het CDA vindt het nu juist van belang dat de gunning aan het mkb toeneemt. Onze vraag aan de minister is hoe hij dat nou precies gaat doen. Van verschillende sectoren uit het veld horen wij dat grofweg 90% van de overheidsopdrachten toch wel door de grotere partijen wordt binnengehaald. Hoe zit dat? Klopt dat beeld? Kan de minister ons voorzien van cijfers? Wat is vervolgens de kwaliteit van de uitvoering van de opdrachten? 

Uit de evaluatie van de Aanbestedingswet blijkt verder dat twee derde van de ondernemers de eisen in aanbestedingsprocedures in de afgelopen jaren soms of regelmatig niet proportioneel vond. Dit was voor het mkb ook een reden om überhaupt niet in te schrijven op opdrachten. Het CDA vraagt zich daarom af of de regering vindt dat de eisen in de aanbestedingsprocedures de afgelopen jaren vaak buitenproportioneel waren voor het mkb. Ook hierover ontvangen wij graag cijfers. Heeft de minister deze beschikbaar? 

In het veld zijn geluiden te horen over het instellen van een standaardvergoeding voor aanbestedingskosten ofwel tenderkosten. Het CDA voelt meer voor het verlagen van de aanbestedingskosten voor het mkb dan voor een herverdeling van die kosten. Waar liggen volgens de minister de kansen om de eisen van de aanbestedingsprocedures voor het mkb verder te verlagen? Liggen die bijvoorbeeld in het beter toepassen van het EMVI-criterium? "EMVI" staat voor "economisch meest voordelige inschrijving". De minister zegt dat door de stijging van het percentage van de aanbestedingen waarbij dit criterium is gehanteerd, de offertekosten gemiddeld met pak 'm beet 10% zijn gestegen. Kan de minister schetsen wat zijn verwachting is voor de komende jaren? Het CDA zou het in ieder geval redelijk vinden dat partijen die een serieuze inbreng hebben geleverd voor een aanbesteding die vervolgens door fouten van de aanbestedende overheid door die overheid zelf wordt ingetrokken, toch wel een vorm van schadevergoeding ontvangen. In hoeverre bestaan er in de huidige wet en in de Gids proportionaliteit al vergoedingen voor dergelijke gevallen? Is de minister bereid hiervoor een schadevergoedingsregeling op te nemen, juist om fouten van de overheid te voorkomen en terug te dringen? 

Uit de evaluatie valt ook op dat de aanbestedende diensten niet of nauwelijks ontvankelijk zijn voor suggesties tot aanpassing van contractvoorwaarden. Er wordt gesproken over een gebrek aan wederkerigheid. Hoe zou dit volgens de minister beter kunnen worden opgepakt? 

Tijdens de hoorzitting over aanbesteding die de Tweede Kamer heeft gehouden, kwam naar voren dat er bij aanbestedingen heel veel oog is voor de prijs. Misschien telt de prijs wel zwaarder dan de bedoeling is. Het gevolg is dat er te weinig oog kan zijn voor de kwaliteit. Door de Kenniskring Aanbestedingen werd naar voren gebracht dat de punten die bij aanbestedingen gegeven kunnen worden voor kwaliteit niet altijd voor 100% gegeven worden, terwijl dat bij het prijscriterium wel altijd zo is. Het CDA vindt dat de minister dit tot uitgangspunt van zijn beleid zou moeten maken om de kwaliteit volledig de ruimte te geven. Is de minister daartoe bereid? 

Verder begrepen wij van professor Telgen van de Universiteit Twente dat er meer van dit soort technische verbeteringen mogelijk zijn. Is de minister bereid om dit te onderzoeken, deze verbeteringen voor te leggen aan de Tweede Kamer en ze desgewenst op te nemen in de Gids proportionaliteit? Dit soort maatregelen hoeft misschien niet direct veel te kosten, maar kan wel bijdragen aan een betere positie voor het mkb. Dat is de inschatting van het CDA. 

Verder vraagt het CDA zich af in hoeverre de waslijst aan vele strikte voorwaarden en specifieke keurmerken geëist door aanbestedende diensten in het nadeel werkt van het mkb. Het is toch over het algemeen lastiger voor het mkb om daaraan te voldoen dan voor een grote partij? Graag hoor ik een toelichting van de minister hierop. 

Dan ga ik in op het clusterverbod en het splitsingsgebod. Beide maatregelen dienen de toegang tot de aanbestedingen voor het mkb mogelijk te maken. De minister geeft in zijn beantwoording aan dat uit de evaluatie van de Aanbestedingswet naar voren komt dat er eigenlijk geen significant effect is uitgegaan van het clusterverbod op opdrachten. De Gids proportionaliteit stelt juist dat clusteren in de regel is toegestaan, maar alleen bij logisch samenhangende en onlosmakelijk met elkaar verbonden onderdelen van opdrachten. Het CDA vraagt zich af of in de Gids proportionaliteit niet gewoon moet worden opgenomen dat clusteren in principe verboden is. Wij kregen het voorbeeld van het UWV onder ogen, dat in een aanbesteding acht verschillende diensten clustert. Acht! Dat zijn diensten die niet logischerwijs bij elkaar horen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan schoonmaken, groenvoorziening en beveiliging. Zo komt het mkb natuurlijk nooit aan bod. Het mkb wil ook niet graag terechtkomen in de positie van onderaannemer, want dan houd je echt geen marge meer over. Wat gaat de minister hieraan doen? Hoe wil de minister dit zelf verder verbeteren? 

Ik kom op het onderwerp innovatie. Het CDA vindt het belangrijk dat dit wetsvoorstel meer ruimte gaat geven aan innovatiegericht inkopen. Een van de mogelijkheden waarvan men gebruik kan maken, is het innovatiepartnerschap. Daarmee wordt aan aanbestedende diensten de gelegenheid gegeven om samen met markpartijen naar nieuwe oplossingen te zoeken. De minister geeft aan dat inschrijvers die innovatieve oplossingen zo concreet mogelijk moeten omschrijven. Hoe wordt gewaarborgd dat de aanbestedende dienst daar heel vertrouwelijk mee omgaat in situaties waarin de aanbestedende dienst niet in zee gaat met de specifieke inschrijver van het innovatieve idee? 

Het CDA vindt ruimte voor innovatie van belang en vindt dat die tot nu toe nog onvoldoende uit de verf is gekomen. Bij veel aanbestedingen moet een bedrijf heel uitgebreid aangeven welke ervaringen het allemaal heeft, soms wel tot honderd jaar geleden met drie cijfers achter de komma. Voor mkb'ers is dit van belang, maar ook voor start-ups. In de praktijk werken zulke eisen toch gewoon belemmerend voor het stimuleren van innovatie? Ik wil daar graag een reactie op van de minister. Wat vindt de minister ervan dat staatssecretaris Van Rijn in zijn eigen wetgeving ook aanbestedingsregels gaat opnemen? Zou dat niet allemaal in deze wet moeten staan en via deze wet toegepast moeten worden? 

Het CDA hoopt natuurlijk dat de minister al onze punten heel voortvarend oppakt en dat daarmee de kwaliteit van de overheid en de bijdrage van de overheid aan de samenleving kunnen worden verbeterd. 

Ik geloof dat ik daarmee ruim binnen mijn tijd ben geëindigd. 

De voorzitter:

Binnen de door u opgegeven tijd zeker. 

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voorzitter. Ik sluit niet uit dat ik mijn afgesproken tijd misschien iets ga overschrijden. 

De voorzitter:

Wat ik nu zeg is levensgevaarlijk, maar het betreft hier wetgeving en dat kan dus. 

Mevrouw Gesthuizen (SP):

U mag niets doen en daarom durf ik het ook te zeggen, voorzitter. 

Laat ik beginnen met te stellen dat ik het spijtig vind dat er nog geen brief is over de voortgang van het plan voor beter aanbesteden naar aanleiding van de evaluatie van de Aanbestedingswet. Eigenlijk is het meer dan jammer dat we deze wet vandaag behandelen, terwijl de brief er nog niet is. Als ik het goed heb, had die brief eigenlijk al drie maanden geleden bij de Kamer moeten liggen. Hoe kan het dat wij die brief nog niet hebben ontvangen? Ik ben heel benieuwd naar de plannen en naar de vorderingen die deze minister maakt voor wat betreft de evaluatie en datgene wat daaruit voort zou moeten komen. Ik heb een beetje haast. Het is namelijk vreemd om te spreken over allerlei aanpassingen van een wet, terwijl we nog niet eens goed hebben kunnen spreken over het functioneren daarvan. Maar goed, nu moeten we dat toch doen. Laat ik daarom beginnen met mijn bijdrage aan de wetswijziging die we vandaag behandelen. 

Ik begin met de gunningscriteria. De minister heeft ervoor gekozen om de economisch meest voordelige inschrijving te vervangen door drie gunningscriteria: de beste prijs-kwaliteitverhouding, de laagste kosten op basis van kosteneffectiviteit, de laagste prijs. In antwoord op onze vragen hierover heeft de minister geschreven dat er bij het criterium van de laagste kosten op basis van kosteneffectiviteit moet worden uitgegaan van een kwalitatief beter product of betere dienst. Als het criterium op deze manier moet worden geïnterpreteerd, vraag ik me af waarom het afzonderlijk is gedefinieerd. Zoiets zou toch eigenlijk al onder het eerste criterium moeten vallen? Naar de uitleg van de minister is dit eigenlijk een variant op de beste prijs-kwaliteitverhouding. Omdat het tweede criterium ten aanzien van de kosteneffectiviteit niet hoeft te worden gemotiveerd, vraag ik me af of het nodig is om dit criterium op deze manier te handhaven. Dat zou namelijk door de aanbestedende diensten weleens anders kunnen worden gedefinieerd. Daarmee bedoel ik uiteraard dat de aanbestedende diensten daar op zo'n manier gebruik van kunnen maken dat ze juist alleen maar gunnen op de laagste prijs, waardoor ze niet hoeven te motiveren. Deelt de minister onze mening dat daarom ook dit criterium zou moeten worden gemotiveerd? Ik heb hiervoor een amendement ingediend, want ik ben de mening toegedaan dat dit wel het geval moet zijn. Ik hoop dat dat amendement inmiddels is rondgestuurd, anders zal het heel snel komen. Dat amendement is ingediend mede namens de ChristenUnie en D66. 

De voorzitter:

Als ik het goed zie, is dat het amendement op stuk nr. 11. 

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Dank u wel. 

De minister geeft zelf aan dat de aanbestedingspraktijk nodig moet worden verbeterd. Hij kondigde bij de evaluatie van de Aanbestedingswet aan dat hij met een plan zou komen. Intussen blijken er vele problemen te zijn, zoals met de naleving. Die problemen hadden kunnen worden voorkomen door een betere toepassing door aanbestedende diensten. Wat ik in de documenten bij de evaluatie lees, vind ik vaak ronduit schokkend. Overheden leven slecht na en ondernemers en aanbestedende diensten geven aan dat zij meer tijd kwijt zijn aan het aanbesteden en aan de motivering van het afwijken van de economisch meest voordelige inschrijving, wat maar in de helft van de gevallen gebeurt. 

Verder wijs ik de minister erop dat twee hoogleraren in januari hebben gepleit voor het instellen van een aanbestedingsautoriteit, die niet alleen de juridische kant maar ook de inkooptechnische kant van het aanbesteden zou moeten verbeteren. De Europese richtlijnen maken zo'n autoriteit mogelijk, maar de minister heeft deze mogelijkheid niet aangegrepen. Heeft de minister kennisgenomen van het artikel van de hoogleraren? Waarom stelt hij zo'n autoriteit eigenlijk niet in? Wij hebben immers al het expertisecentrum van PIANOo en ook de Commissie van Aanbestedingsexperts. Waarom zouden we die niet samenvoegen en daar een volwaardige autoriteit van maken? Ik heb op dit punt ook een amendement in voorbereiding. Voor mij is het een belangrijk punt. Dat amendement wordt op dit moment nog geschreven. 

De Europese uniforme eigen verklaring wordt ook van toepassing op aanbestedingen onder de Europese aanbestedingsgrens. Dat is niet per se nodig. De minister schrijft dat hij dit wil doorvoeren om het aanbestedingsproces te uniformeren. De Europese uniforme eigen verklaring — ik blijf deze term helemaal uitspreken, voorzitter, om u niet boos te maken met afkortingen — leidt echter tot een lastenverzwaring, omdat een bedrijf door aanbestedende diensten kan worden gevraagd om aan te geven op welke wijze het voldoet aan de gestelde eisen. In de Nederlandse eigen verklaring hoeft alleen worden aangegeven dat aan de eis is voldaan. Hoe wordt voorkomen dat dit tot een grote lastenverzwaring leidt? Ik vraag me af of het niet beter is om de Nederlandse eigen verklaring te handhaven voor niet-Europese aanbestedingen, om zo deze lastenverzwaring voor ondernemers te voorkomen. 

Dan kom ik op het gebruik van de Gids proportionaliteit door speciale sectorbedrijven. De minister schrijft dat de gids door de helft van deze bedrijven wordt gebruikt, maar dat hij geen aanleiding ziet om dit voor hen verplicht te stellen. Ik meen een amendement voorbij te hebben zien komen van de heer Ziengs en de heer Bruins dat hierover gaat. Wat mij betreft zal de SP-fractie dit steunen. 

De voorzitter:

Dat is het amendement op stuk nr. 9. 

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik ben benieuwd naar de redenering van de minister om dit niet aan te passen. In de stukken die hij ons heeft gestuurd, lees ik die niet. 

In de Gids proportionaliteit staat dat een vergoeding proportioneel is als een ondernemer die inschrijft op een aanbesteding evidente kosten moet maken. Toch wordt dit nauwelijks gedaan. Die vergoeding wordt nauwelijks gegeven. Daarom gaan er geluiden op, onder meer bij ondernemers, dat er dan maar een generieke tendervergoeding moet komen. Hoe denkt de minister daarover? Ik zeg niet dat ik een groot voorstander ben van een dergelijke generieke tendervergoeding, maar ik ben er wel voor dat de kosten die worden gemaakt om mee te kunnen doen aan een aanbesteding, vergoed worden. Ik krijg graag een reactie van de minister op dit punt. 

De Commissie van Aanbestedingsexperts heeft een behoorlijk aantal klachten binnengekregen, maar toch is het aantal rechtszaken over aanbestedingen niet gedaald. In de brief van de commissie bij haar eigen evaluatie lees ik ook dat zij weinig gebruikmaakt van experts, met als reden dat deze experts onvoldoende in staat zijn om een vonnis te schrijven. Is het schrijven van een vonnis echter wel het doel van deze experts? Zou het de leesbaarheid van uitspraken van de commissie niet verbeteren als de experts er juist meer bij betrokken worden? Op die manier wordt niet alleen het indienen van een klacht laagdrempelig, maar ook het lezen van de uitspraak. 

Ik ben benieuwd naar de verwachte ingangsdatum van deze wet en alle technische wijzigingen die het wetsvoorstel met zich meebrengt. Kan de minister aangeven of zijn aanbestedingsplatform op tijd de wijzigingen heeft doorgevoerd, zodat de drie gunningscriteria ook gebruikt kunnen worden? 

Verder ben ik nog benieuwd naar het gebruik van TenderNed. De minister en ik hebben daar in het verleden al vaak de degens over gekruist. Zijn ondernemers en aanbestedende diensten nu tevreden over het gebruik van TenderNed? In de eerste helft van het vorige jaar was er een aanzienlijk aantal storingen. In antwoord op mijn vragen heeft de minister geantwoord dat dit in de tweede helft is verbeterd. Zit er nog steeds een stijgende lijn in? 

Ik begrijp van gebruikers dat er heel wat klachten zijn over de gebruiksvriendelijkheid van TenderNed. Zo wordt op dit moment hard gewerkt aan het verbeteren van de kennis en kunde over TenderNed en over aanbestedingen bij de medewerkers van de servicedesk. Blijkbaar is die kennis nu niet voldoende. Ook zijn er klachten over de mogelijkheden die TenderNed biedt, of beter gezegd, niet biedt. Denk aan de mogelijkheid om een beslissing over een gunning tussentijds op te slaan — dat kan nu niet — en het kunnen instellen van zaken die standaard moeten worden ingevuld bij iedere nieuwe aanbesteding. Wat dit laatste betreft: andere mensen dan de beheerder kunnen zaken aanpassen. Al deze klachten zorgen ervoor dat gebruikers van TenderNed niet tevreden zijn. De afhandeling van de klachten verloopt zonder meer traag. Hoe kijkt de minister hiertegen aan? Klopt het dat sommige gemelde problemen jaren later nog niet verholpen zijn? Dit kan toch niet, zeker niet bij een systeem — ik zeg het nog maar een keer — dat vele malen duurder is dan het systeem dat de marktpartijen eerder exploiteerden. 

De heer Bruins (ChristenUnie):

Voorzitter. Jaarlijks is er 60 miljard euro gemoeid met de overheidsinkoop van producten en diensten. Dat biedt enorme kansen. De overheid kan launching customer zijn; voor het publiek en de voorzitter zeg ik: een launching customer is een eerste klant die het aantrekkelijk maakt om te investeren in innovatie en die vertrouwen kweekt in een nieuw product van het bedrijfsleven. De overheid kan het innovatief vermogen van het bedrijfsleven inzetten bij maatschappelijke vraagstukken. De overheid kan sociale en duurzame veranderingen in gang zetten. Het Nederlandse bedrijfsleven heeft de overheid veel te bieden, zoals slimme producten en belangrijke diensten. Het is daarbij belangrijk dat ieder bedrijf eerlijk toegang heeft tot aanbestedingen. Daar heeft de overheid ook baat bij. Immers, hoe groter de markt, hoe meer concurrentie op innovatieve ideeën en op prijs. Het is ook belangrijk dat de administratieve lasten laag zijn en dat het proces transparant is. Ook is het van belang dat ondernemers een sterke rechtspositie hebben als zij zich benadeeld voelen. 

Vorig jaar is de Aanbestedingswet geëvalueerd. De onderzoeken geven een gemengd beeld. We horen heel positieve geluiden over de Gids proportionaliteit. De lasten lijken te zijn gedaald. We zien echter ook grote tekortkomingen. De inschrijfkosten zijn gestegen, het aandeel van het mkb in de gunning van overheidsopdrachten is niet gegroeid en de toepassing van de EMVI-criteria — EMVI staat voor economisch meest voordelige inschrijving — schiet vaak haar doel voorbij. Waarom laat de minister de kans liggen om deze zaken nu te verbeteren, te beginnen bij de overheid zelf? Zoals iedere ondernemer weet, hoor je je immers aan de wet te houden. Waarom doen overheden dat dan niet? 

Het verbod op het onnodig samenvoegen van opdrachten, het clusterverbod, wordt massaal overtreden. Volgens MKB INFRA is het onnodig clusteren vorig jaar toegenomen van 18% naar 27%. Ik noem ook het voorbeeld van het meerjarig onderhoud van het areaal van Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid. Mijn collega Carola Schouten heeft hierover vorig jaar in het vragenuur vragen gesteld. Door clustering was er sprake van één groot contract waardoor het mkb bij voorbaat werd uitgesloten. Hoe wil de minister de naleving van de regels verbeteren, zowel bij het Rijk als bij andere overheden? Wat vindt de minister van het idee van een toezichthouder die deze oneerlijke aanbestedingspraktijken tegengaat? Ik denk bijvoorbeeld aan een aannemingskamer en aan een jaarlijkse rapportage. Dit zou ook onder PIANOo kunnen vallen. Graag krijg ik op dit idee een reactie van de minister. 

De heer Verhoeven (D66):

Ik hoorde net mevrouw Mulder er gelukkig al over spreken, de heer Bruins doet dat nu ook en ik zal straks ook nog iets zeggen over het onnodig clusteren. Dit is het onnodig samenvoegen, het onnodig op één hoop gooien van allerlei feitelijk meer in natuurlijke zin losse opdrachten, waardoor kleine ondernemers geen kans meer hebben. We hebben daar ooit een amendement over ingediend en aangenomen en daar stond onnodig clusteren in. Dat lijkt te zacht te zijn, getuige het verhaal van de heer Bruins. Zou de heer Bruins voorstander zijn van de indiening van een amendement dat gewoon het clusteren gaat verbieden? 

De heer Bruins (ChristenUnie):

Met het zomaar ongebreideld verbieden van clusteren geef je het bedrijfsleven misschien ook wel moeilijkheden, denk ik. Ik denk dat je daarbij toch het woord onnodig nodig hebt. Wat je wel nodig hebt, is een onafhankelijk lichaam dat beoordeelt of iets onnodig is of niet. Het tegengaan van clusteren mag niet leiden tot een versplintering van superkleine opdrachten als dat niet nodig is. 

De heer Verhoeven (D66):

Daar heeft de heer Bruins helemaal gelijk in. Het opknippen van opdrachten mag ook niet. Daar hebben we het de vorige keren bij de behandeling van deze wet uitgebreid over gehad. Dat mag niet en dat willen we ook niet. We willen alleen niet dat het bijeenvoegen gebeurt. Volgens mij leeft de wens breed in de Kamer om dat op te lossen. Het woord onnodig heeft het te ruim gemaakt. Is de ChristenUnie het met D66 eens dat we naar een oplossing moeten zoeken om een eind te maken aan het clusteren van die opdrachten en aan het "massa is kassa"-gedrag van gemeenten en provincies? 

De heer Bruins (ChristenUnie):

Ik ben bereid om te zoeken naar een verstandige tekst, waarbij we deze intentie zichtbaar zouden kunnen maken. 

De voorzitter:

Als u dan toch zoekt naar een tekst, neem dan mijn suggestie mee om het woord "samenvoegen" te gebruiken in plaats van "clusteren". 

De heer Bruins (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter, daar ben ik heel blij mee. Ik zal kijken of ik dat ook online in de tekst kan toepassen. En dan is online weer een Engels woord natuurlijk. 

Hoe kijkt de minister aan tegen de opkomst van inkoop- en aankoopcentrales? In de praktijk leidt dit vooral tot het onnodig samenvoegen van opdrachten, bijvoorbeeld door gemeenten. Hoe rijmt hij dat met het wettelijk vastleggen van de aankoopcentrale? 

Dan de administratieve lasten. De Nederlandse uniforme eigen verklaring zal gaan sneuvelen en er komt een uniform Europees aanbestedingsdocument voor terug. Ook de minister erkent dat deze Europese standaard ongunstig uitpakt voor de lasten van de ondernemer. Dat is dus geen verbetering maar een verslechtering van de wet. Waarom kunnen we de Nederlandse eigen verklaring niet blijven toepassen binnen de Europese regels? 

Ik wil de minister uitdagen om de administratieve lasten nog verder te verlagen. Kan hij toezeggen dat de nieuwe wet tot lagere administratieve lasten zal leiden voor ondernemers en overheden? Hoe kijkt de minister in dit verband terug op het veelvuldig en onnodig toepassen van EMVI-criteria? Heeft dat niet tot veel meer overbodige bureaucratie geleid terwijl uiteindelijk gewoon op de laagste prijs werd gegund? Kijk naar de toegenomen offertekosten met 63% door het gebruik van EMVI. De minister concludeert zelf in zijn brief dat door sluw toepassen van de gewichten ook het gunningscriterium beste prijs-kwaliteitsverhouding in de praktijk neerkomt op de laagste prijs. De ChristenUnie is het met de minister eens dat dat geen goede uitvoering van de wet is. We zijn het ook met hem eens dat aanpassing van de wet op dit punt niet nodig is, maar de uitvoering moet wel sterk verbeterd worden. Nu wint in de praktijk veelal de inschrijver met de laagste prijs, maar de administratieve last voor ondernemers is sterk toegenomen, omdat er veel papierwerk nodig is om de kwaliteit te onderbouwen die in de gewichten nauwelijks meetelt. De Commissie van Aanbestedingsexperts heeft betoogd dat de waardering van de kwalitatieve aspecten van inschrijvingen een significante invloed moet hebben op de rangorde ervan. Ik zou erg graag zien dat de minister dat handhaaft, op zijn minst bij aanbestedingen van overheden. 

De ChristenUnie roept de minister op om op dit punt meer te doen dan voorlichting. Aanbestedende diensten moeten serieus werk maken van het gunningscriterium beste prijs-kwaliteitsverhouding, en ze moeten ook niet bang zijn om een ander gunningscriterium te kiezen en te motiveren. De ChristenUnie is voorstander van het principe "beste prijs-kwaliteitsverhouding, tenzij", ook nu de gunningscriteria worden uitgebreid met het criterium kosteneffectiviteit. Mijn naam staat daarom onder het amendement van collega Gesthuizen. 

De ChristenUnie heeft ook sterk aangedrongen op de instelling van de Commissie van Aanbestedingsexperts en op voldoende financiële middelen om ondernemers snel duidelijkheid te geven. Ondernemers stappen niet snel naar de rechter, dus een onafhankelijke ombudsfunctie is heel belangrijk. De evaluatie laat positieve resultaten zien, maar heeft de commissie wel voldoende financiële armslag om snel uitspraak te kunnen doen? De signalen hierover zijn zorgelijk. Ook hoor ik signalen dat sommige overheden de uitspraken van deze commissie zomaar naast zich neerleggen. Wat vindt de minister daarvan? Graag hoor ik van de minister hoe hij deze commissie wil versterken. 

Door het gebruik van allerlei nieuwe aanbestedingsprocedures, contractvormen en EMVI-criteria lopen de kosten voor ondernemers op, zo krijgen wij te horen. In de Gids Proportionaliteit en in het Aanbestedingsreglement Werken staat dat er bij aanzienlijke kosten een tendervergoeding voor de ondernemer aan de orde moet zijn. Wil de minister een proportionele vergoeding nadrukkelijker agenderen bij aanbesteders? En zou dit niet veel uniformer vastgesteld moeten worden, bijvoorbeeld door een scherpere tekst in de Gids Proportionaliteit? Graag een reactie. 

In 2012 is die gids in de wet verankerd door een amendement van ChristenUnie en VVD, het amendement-Schouten/Ziengs. Verplichte toepassing van de gids zorgt voor meer transparantie en eerlijke aanbestedingsprocessen. Bedrijven zijn er positief over. Het gaat hoge uitsluitingsgronden en geschiktheidseisen tegen. Als de omzeteisen hoog zijn of de eisen aan referentieprojecten doorschieten, kan een groot deel van de markt bij voorbaat niet meedingen. Vooral het mkb is hiervan de dupe. In 2012 is de wettelijke borging gaan gelden voor aanbestedende diensten. De ChristenUnie en de VVD willen dat nu ook laten gelden voor bedrijven uit speciale sectoren zoals ProRail, TenneT, NS, Schiphol, de NAM en Havenbedrijven. Dit zorgt voor meer duidelijkheid en een gelijk speelveld. Op dit moment maakt bijna de helft van de specialesectorbedrijven gebruik van de gids. Daar is de minister positief over, maar ik zeg: de andere helft gebruikt de gids dus nog niet. Ik hoop daarom op steun van de minister en de Kamer voor dit amendement. Ik word op dit moment bestookt door specialesectorbedrijven om dit amendement niet in te dienen. Dat bevestigt voor mij dat het dus nodig is om het in te dienen. Als men de gids al zou gebruiken, zou men geen probleem hebben met dit amendement. 

De nieuwe wet moet ook meer mogelijkheden geven voor innovatief en duurzaam inkopen. Mij valt op dat vooral de bestaande praktijk wettelijk wordt vastgelegd. Daar zitten zeker positieve elementen in. Zo mogen keurmerken explicieter opgenomen worden in de aanbestedingsprocedure en ook kunnen meer eisen worden gesteld aan de milieubelasting van de productiemethoden en de mate van recycling. Gaat dit wel ver genoeg? De ChristenUnie vindt dat overheidsopdrachten juist dé kansen bieden om te innoveren en te verduurzamen. Hoe gaat de rijksoverheid meer werk maken van duurzaam inkopen? Innovatiegericht inkopen zou eigenlijk de standaard moeten zijn. Het bedrijfsleven is hier al veel verder in dan de overheid. De mogelijkheid van marktconsultatie moet vaker worden toegepast. Niet van bovenaf de aanbesteding dichttimmeren, maar bedrijven de ruimte geven om met nieuwe oplossingen te komen. Wil de minister doelstellingen formuleren op het gebied van innovatief aanbesteden? 

Het nieuwe innovatiepartnerschap maakt mij helemaal enthousiast. Een product kan vanaf de ontwikkelfase exclusief worden ontwikkeld en daarna door de overheid worden ingekocht. Dit kan ook kansen bieden voor lokale pilots, voor startprojecten met mkb-bedrijven. Partnerschappen hoeven niet alleen publiek-privaat te zijn, maar kunnen ook tussen bedrijven onderling ontstaan. Waterschappen zijn hier al mee bezig. Ziet de minister het innovatiepartnerschap ook op deze manier? Wil hij aan de slag met pilots waarin mkb-bedrijven samenwerken bij aanbestedingen om tot innovatieve oplossingen te komen? 

Laten we dit debat vandaag gebruiken om de administratieve last voor het bedrijfsleven te verlagen en tegelijkertijd de overheid te gebruiken als aanjager voor innovatie in het Nederlandse bedrijfsleven. Alleen dan levert aanbesteden meer op dan het kost. 

De heer Monasch (PvdA):

Voorzitter. Door een nieuwe Europese richtlijn is een wetsaanpassing van de Aanbestedingswet voorzien, die we vandaag bespreken. De wetswijziging is gericht op deze Europese aanpassingen en niet op de uitgangspunten van de wet zelf. Daarvan is in de brief een grondige evaluatie in 2019 aangekondigd, ook in EU-verband. Daar kom ik straks op terug. 

De Partij van de Arbeid steunt het doel om de kansen van het mkb te versterken bij het meedingen naar aanbestedingen van de overheid. Ik geloof dat er weinig onderwerpen in dit huis worden besproken waar Kamerbreed zo veel enthousiasme en steun voor is. Toch zijn er nog veel apen en beren op de weg en zijn er veel problemen. Aanbestedingen dienen wat ons betreft iets anders te zijn dan een race to the bottom voor de laagste prijs, waarbij normen die we in wetgeving op andere terreinen met elkaar afspreken met voeten worden getreden. Innovaties willen we stimuleren en die mogen niet geremd worden door een bureaucratische marktordening vanuit Brussel. Aanbestedingen in het kader van de opvang van asielzoekers, waar lokaal draagvlak meer dan ooit van belang is, moeten gericht zijn op actieve deelname door het lokale en regionale bedrijfsleven. Al te vaak horen we dat het tegenovergestelde het geval is. Vanuit dit licht bezien, en mede naar aanleiding van de uitgebreide schriftelijke voorbereiding, hebben wij nog een aantal vragen en zorgen. We horen graag de reactie van de zijde van het kabinet. 

De minister geeft aan dat mede door de Gids Proportionaliteit opdrachten kunnen worden afgebakend en opgedeeld in percelen. Daardoor zouden er meer mogelijkheden zijn voor het mkb. Het aantal gunningen aan dat mkb blijft echter achter. Dat baart ons grote zorgen. Kan de minister nog eens aangeven hoe hij denkt dat dit de komende jaren zal gaan verbeteren? Wat is het beleid van het Rijk zelf? Kijk naar de aanbesteding die de Belastingdienst heeft gedaan richting de post. Dat wordt ook een race naar de bottom. Wat is dan de positie van het mkb en van het personeel? Hoe werkt het ministerie van I en M het principe van proportionaliteit uit bij het aanbesteden van infrastructurele werken? I en M is een van de grootste aanbesteders en het enige wat we horen is dat daar voortdurend clusterend en samenvoegend grote opdrachten worden gegeven waar de kansen voor het mkb buitengewoon klein zijn. Kan de minister aangeven hoe het zit bij het ministerie van Defensie als het zijn taak in dezen invult? Bij aanbestedingen in Middelburg zagen we onlangs dat Defensie koos voor het zogenaamde DBFMO. Dat zijn opdrachten die onder andere onderhoudscontracten van 25 jaar vereisen. Daarom zijn ze vaak te groot, te complex en dus onbereikbaar voor het lokale mkb. Wat gaat het kabinet daaraan doen? 

De aanbestedingen tegen louter de laagste prijs komen volgens velen nog te vaak voor. We maken ons nog steeds zorgen over aanbestedingen volgens het EMVI-principe die uiteindelijk alleen leiden tot gunning op de laagste prijs. Mijn collega's hebben daar ook al op gewezen. De wetsaanpassingen trachten dit te relativeren. Kan de minister aangeven of de voorziene maatregelen echt voldoende kansen gaan geven aan het mkb? Ook hierbij wil ik graag een reflectie op de rol en de inzet van de rijksoverheid zelf. Ik heb een aantal departementen genoemd en daar is volgens de fractie van de Partij van de Arbeid een wereld te winnen. 

De staatssecretaris van VWS, de heer Van Rijn, heeft onlangs besloten, zo lazen we in de media, dat men bij aanbestedingen in bijvoorbeeld de thuiszorg moet uitgaan van een fatsoenlijke beloning voor het personeel, bijvoorbeeld gebaseerd op de kaders in wettelijke afspraken, bijvoorbeeld in een cao. Men moet dus niet uitgaan van waar de aanbieder op inschrijft, maar van ten minste het wettelijk afgesproken kader. Dat moet leidend worden, aldus de staatssecretaris. Gaat het kabinet dit voorstel overnemen ten aanzien van tal van andere sectoren? Had dit bovendien inderdaad niet ook al in deze wet moeten worden opgenomen? Ik hoor graag een reactie van de minister. 

Er zijn ook zorgen over de aanbestedingsmogelijkheden van gemeenten in het kader van de opvang van asielzoekers. Het COA werkt met tendercontracten die landelijke bedrijven bevoordelen. Daardoor staat het lokale bedrijfsleven aan de kant of kan het slechts als onderaannemer meedoen. Kan de minister zeggen hoe gemeenten, met deze wet in de hand, eventueel zelf aanbestedingen voor de vluchtelingenopvang ter hand kunnen nemen? Dat zou in samenwerking met het COA kunnen gebeuren. Kunnen gemeenten daarin gewoon het initiatief gaan nemen? Ik hoor graag een reactie. 

Er zijn zorgen geuit over de situatie dat eenmaal gewonnen aanbestedingen tot een format dwingen waar gedurende de uitvoering nauwelijks van mag worden afgeweken. Daardoor wordt innovatie gedurende de looptijd van het contract geremd dan wel onmogelijk gemaakt. Verandering van de aanpak zou namelijk volgens de regels in voorkomende gevallen tot een nieuwe aanbesteding moeten leiden. Kan de minister aangeven hoe binnen de kaders van deze wet innovatie die moet leiden naar nog onbekende oplossingen of nog onbekende producten, toch ruim baan krijgt? Dat zou moeten gebeuren, maar nu is er sprake van een bureaucratische rem waardoor het verboden zou zijn dat dit soort producten dan vervolgens worden ontwikkeld. Is hier een amendement voor nodig? Of zegt de minister: met deze wet in de hand is dat niet nodig en geven wij voldoende ruimte voor innovatie gedurende het proces? Is er hiervoor dus volgens de minister voldoende ruimte nadat de aanbesteding al is afgerond en is gegund aan een uitvoerende en ontwikkelende partij? 

Ik heb nog een aantal losse punten. Mijn collega Vermeij heeft samen met de heer Van Weyenberg een motie ingediend tijdens het overleg met Sociale Zaken over de aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie. In het dictum van die motie wordt de regering verzocht, te onderzoeken hoe uitsluitingsgronden wegens aantoonbare arbeidsmarktdiscriminatie in de Aanbestedingswet kunnen worden verruimd. Verder wordt de regering verzocht, daarbij te kijken naar een grotere rol voor de Inspectie SZW en het College voor de Rechten van de Mens. Kan de minister zeggen wat de stand van zaken is rond de uitvoering van deze motie? 

Er zullen ook aanpassingen zijn waarbij gelukkig vaker de werking van de aanpak van schijnconstructies aan de orde zal komen. Het mag duidelijk zijn dat dit ook vaak voor overheden en inschrijvende ondernemingen zal gelden en dat daarop moet worden gecontroleerd. In hoeverre stuit het waarborgen van de Wet aanpak schijnconstructies in de Aanbestedingswet op problemen met Europese regelgeving? Is het zo dat op grond van Europese regelgeving de laagste prijs het enige gunningscriterium is dat je verplicht kan stellen? Kunnen ook sociale gunningscriteria en criteria op het terrein van duurzaamheid wel worden opgenomen, maar kunnen die niet verplicht worden gesteld als enige gunningscriterium? Ik hoor hierop graag een reactie en ik hoor graag een verduidelijking van deze wat technisch-juridische vraag. 

Is het ook mogelijk om de wet te amenderen opdat het Rijk in de eigen aanbestedingen overgaat tot duurzaam inkopen? Voor die keuze zijn inmiddels een aantal moties in de Kamer aangenomen, maar dit heeft zich nog niet vertaald in beleid. Kan dat via deze wet wel? Of moet dat in andere regelgeving alsnog worden vastgelegd? Ik hoor hierop graag een reactie. 

Op dit moment zit de heer Elias in de voorzittersstoel. Het zal hem niet onbekend zijn dat er een commissie-Elias is geweest. Ik durf de conclusies van die commissie bijna niet samen te vatten in twee of drie regels, want dan gaat de voorzitter mij vast tot de orde roepen. Toch ga ik het proberen. Uit de commissie-Elias is naar voren gekomen dat het vaak grandioos mis is gegaan bij aanbestedingen rond de vormgeving van ICT. Op welke wijze hebben de bevindingen uit het rapport van de commissie-Elias hun weerslag in deze wet gekregen, vraag ik via de voorzitter aan de minister. Misschien vraag ik het wel namens de voorzitter aan de minister, maar dat mag ik niet zeggen. 

Collega's hebben al gewezen op de hoge kosten bij het tenderen en bij het uitzetten van aanbestedingen. We willen veel, de boekwerken worden steeds dikker en ingewikkelder en de kosten vliegen omhoog. Wij zijn er zeer huiverig voor om tendervergoedingen te gaan vragen, want voor je het weet ontstaan er bureautjes die zich gaan specialiseren in inschrijvingen en daar weer vergoedingen voor krijgen. Tegelijkertijd zien we dat de kosten door het dak gaan. Hoe gaan we hierin wat meer evenwicht aanbrengen, zodat het voor mkb-bedrijven interessant blijft om zich in te schrijven voor aanbestedingen? 

Mijn collega van de ChristenUnie wees er al op dat de eigen verklaring, zoals we die onder Nederlands recht hebben, moet worden ingewisseld voor een Europese modelverordening, wat alleen maar leidt tot hogere kosten. Waarom is dat nodig? Hebben we niet op zitten letten in Europa? Kunnen we daarvan niet alsnog afwijken? Waarom kunnen we dat niet gewoon met elkaar in Nederland organiseren? 

Ik wees er in het begin al op dat er een evaluatie van de Commissie aankomt van de fundamentele uitgangspunten bij deze Aanbestedingswet. Daarnaar kijken we reikhalzend uit. Hoe worden de lidstaten in dit proces betrokken? Op welke wijze zijn minister en ministerie al bij dit proces betrokken? In welke fase gaat de Kamer hierover het debat voeren? Wij denken namelijk dat dat wel eens een grondige evaluatie zal zijn. Het lijkt erop dat we hier allemaal het mkb willen steunen en dat we allerlei goede doelen afspreken, maar als we het over een aanbesteding gaan hebben, gaan we de ingewikkeldste en meest bureaucratische marktordening creëren, terwijl het heel simpel is: we willen een aantal zaken als Kamermeerderheid, of het nu gaat om duurzaam inkopen of om andere punten. Vervolgens maken we het met elkaar ongelooflijk ingewikkeld om alsnog dat doel te bereiken via onze Aanbestedingswet. 

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Mijnheer Monasch heeft heel waardevolle dingen gezegd over de voorwaarden waaronder wordt uitbesteed en de mensen die een opdracht uitvoeren voor een opdrachtnemer. Ik ben daar heel blij mee. Maar ik ben ook geïnteresseerd in de visie van de PvdA op het voornemen van deze regering om het gunnen van speciale opdrachten aan SW-bedrijven ook mogelijk te maken als er niet 50%, maar 30% sociale arbeidsplaatsen aanwezig is binnen dat soort bedrijven. Wat vindt de Partij van de Arbeid daarvan? 

De heer Monasch (PvdA):

Ik wil daar eerst de reactie van de minister op afwachten. Daarna zal ik daarop in tweede termijn terugkomen. 

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Akkoord. 

De heer Ziengs (VVD):

Ik was onder de indruk van het betoog van de heer Monasch. Een tijd geleden stond hier nog een andere woordvoerder van de PvdA, die vond dat als het om aanbestedingen ging, bedrijven kennelijk "uit die grote ruif van de overheid wilden vreten". Toen vroeg ik me af "wat gebeurt hier nu?". Waarop doel ik? Op het zogenaamde inbesteden. Er ligt op dit moment een initiatiefnota op het gebied van de Wet markt en overheid, van de hand van D66 en VVD, welke nota een directe relatie heeft met de Aanbestedingswet. We zien namelijk een enorme beweging op het gebied van inbesteden. Wat vindt de heer Monasch van het voorstel om de bepaling van algemeen belang daaruit te slopen, zodat bedrijven veel meer de kans krijgen om mee te doen aan aanbestedingen? 

De heer Monasch (PvdA):

Ik zou daarover een fantastisch debat willen beginnen met de heer Ziengs, maar hier zit heel veel achter. Zijn collega Verhoeven weet dat het begrip "algemeen belang" in het kader van de volkshuisvesting allerlei consequenties heeft. Ik wil daar best op ingaan, maar het lijkt me verstandig die discussie op een later moment te voeren. Ik vind ook het algemeen belang van grote waarde. In de volkshuisvesting zijn heel waardevolle dingen gebeurd die door de markt nooit waren gerealiseerd. Laten we dat van casus tot casus bezien. 

De heer Ziengs (VVD):

Ik zal daar niet verder op doorvragen. Wel wil ik nog vragen, als de heer Monasch zou moeten kiezen voor aan- of inbesteden, welke keuze hij dan maakt. 

De heer Monasch (PvdA):

Weet u, we gaan allemaal los van onze portefeuille vaak bij bedrijven op bezoek. De afgelopen tijd ben ik, in het kader van mijn nieuwe woordvoerderschap, bij een hele reeks bedrijven op bezoek geweest. Daar maakte een uitzendbureau zich zorgen over met name het beleid van een gemeente, waarbij alle opdrachten in het kader van het uitzendwerk of werk om mensen weer te reactiveren, bij een heel groot uitzendbureau neergezet worden, waardoor dat uitzendbureau daar niet meer bij komt. Dat soort signalen vind ik op dit moment van veel groter belang. Nogmaals: ik wil best het debat aangaan over inbesteden of aanbesteden, maar laten we dat doen op het moment dat dat wetsvoorstel er ligt. Ik vind het fantastisch dat mijn collega's dat initiatief hebben genomen, maar laten we het debat op dat moment voeren. 

De voorzitter:

Ik heb niks tegen debat in deze zaal. Gaat u dus rustig uw gang. 

De heer Monasch (PvdA):

Zo ken ik u, voorzitter. 

De heer Verhoeven (D66):

Ik zie het enthousiasme over dit onderwerp bij u, voorzitter, en ook bij de heer Monasch en bij de heer Ziengs. Ik wil daarom toch nog een korte vraag hierover aan de heer Monasch stellen. Hij had namelijk een mooi betoog over de positie van het mkb en van de werknemers. Hij wil geen race to the bottom, maar een echte race to the bottom dreigt te ontstaan doordat veel gemeenten, op basis van het open artikel over algemeen belang in de Wet markt en overheid, juist heel veel opdrachten zelf doen in plaats van ze aan het mkb te geven. Wat vindt de heer Monasch daar in algemene zin van? In zijn eigen betoog zei hij dat het mkb juist een goede kans moet krijgen. 

De heer Monasch (PvdA):

Dat zal echt van geval tot geval verschillen. We hebben met elkaar prachtige debatten over de volkshuisvesting gevoerd. We weten allebei dat veel daarvan niet gerealiseerd was als we dat alleen aan de markt hadden overgelaten. Tegelijkertijd zien we soms marktfalen waarbij we denken: waarom pakt de markt dat niet op, zou de overheid dat dan niet moeten doen? De overheid mag dat echter niet. Het is dus een tamelijk complexe aangelegenheid. Voor mij is het geen principiële aangelegenheid. Ik denk dat we van geval tot geval moeten bekijken waar we op zoek kunnen gaan naar de beste uitvoerder. Mijn ervaring is, maar ik spreek hier ook als oud-ondernemer, dat je dat in het algemeen beter aan het bedrijfsleven kunt overlaten. Daar wil ik dan wel goede afspraken met elkaar over maken, want het mag niet zo zijn dat vervolgens de uitvoering een race to the bottom wordt of dat alleen het laaghangend fruit door het bedrijfsleven gedaan wordt. Evenwicht is dus ontzettend belangrijk. Je moet marktfalen goed in de gaten houden. Wij staan voor het realiseren van dingen in het publieke domein. Als de markt het niet doet, gaan we het als overheid doen. 

De heer Verhoeven (D66):

Ik was altijd al heel enthousiast over de heer Monasch als woordvoerder wonen, maar ik begin ook heel enthousiast te worden over de heer Monasch als woordvoerder economische zaken. Ik zie hier namelijk een goede beweging bij de Partij van de Arbeid, die wat meer richting het vertrouwen in het bedrijfsleven gaat in plaats van altijd maar paternalistische afschermen en alles door de overheid laten doen. Dat is mooi; complimenten daarvoor. 

We hebben twee open artikelen die het mkb veel pijn doen. We hadden het zojuist al over het artikel over algemeen belang in de Wet markt en overheid. Er is ook het open artikel over het onnodig clusteren, waarover ik het zojuist met de heer Bruins had. Dat artikel geeft te veel ruimte voor verkeerd gedrag dat mkb'ers schaadt. Wil de heer Monasch samen met mij op dat tweede punt iets doen dat echt betekenisvol is voor het midden- en kleinbedrijf? Wil hij meezoeken naar een manier om dat clusteren te voorkomen? 

De heer Monasch (PvdA):

Absoluut. Het leek zojuist een semantische discussie, maar het was wel terecht om te discussiëren over de vraag wat er tussen "onnodig" en "verbieden" ligt. Daar ligt het een en ander tussen. Ik ben ook benieuwd naar wat de minister daarover te zeggen heeft. Ik geloof dat ik in mijn betoog vrij duidelijk heb aangegeven dat ook de rijksoverheid goed naar zichzelf moet kijken en dat er niet op tal van verschillende wijzen te veel zaken bij elkaar gevoegd worden. Dat heet, met een duur woord, "clusteren". De overheid moet dat zo veel mogelijk voorkomen. 

De voorzitter:

De heer Verhoeven nog? Toch niet. Mevrouw Gesthuizen ook niet? 

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik wel, voorzitter, maar ik had niet in de gaten dat de heer Verhoeven nog een keer zou mogen, want ik wilde dit draadje nog even oppakken. Het is namelijk allerminst een semantische discussie. Daar hebben we in de Kamer onder minister Verhagen uitgebreid bij stilgestaan; de heer Verhoeven herinnerde mij daar zojuist even aan. In eerste instantie lag er een amendement van de heer Verhoeven en mijzelf om niet te clusteren. Op verzoek van de regering is daar "onnodig clusteren" van gemaakt. Dat heeft niet het effect gesorteerd dat wij hadden gehoopt. Het zou dus mooi zijn als er in de Tweede Kamer een meerderheid ontstaat die zegt: we moeten toch bekijken of we nog wat meer kunnen doen, dus maken we wél een amendement waarin we stellen dat er niet geclusterd mag worden. Hoe kijkt de fractie van de Partij van de Arbeid daartegen aan? 

De heer Monasch (PvdA):

Wat dat betreft zat ik met veel interesse naar u te luisteren, omdat de heer Bruins vervolgens terecht aangaf wat niet-samenvoegen dan betekent. We willen allemaal duidelijkheid. Volgens mij hoeven we elkaar hierover niet de maat te nemen. Dat mag, maar volgens mij is dat niet aan de orde. De vraag is hoe wij dat doel bereiken. Als we zeggen dat er niet geclusterd mag worden, dan is vervolgens bijna de vraag of je wel de hamers mag aanbesteden maar niet de spijkers. Moeten die apart worden aanbesteed — ik maak het even heel klein, want dan is dat tenminste voor iedereen duidelijk — of mag je de hamers en de spijkers wel in één pakket aanbieden? We moeten oppassen dat dat niet iets ridicuuls in zichzelf wordt. Dus laten we, ook in het debat met de minister, enerzijds voorkomen dat zaken worden samengevoegd die niet samengevoegd zouden moeten worden, en anderzijds bekijken waar dat wel een kans zou moeten krijgen om zaken verder efficiënt te laten verlopen. 

De voorzitter:

Dat was net niet helemaal het antwoord dat mevrouw Gesthuizen wilde horen, heb ik de indruk. 

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Hoe raadt u het zo, voorzitter? Het is allerminst ridicuul en het is ook geen semantische discussie. Dat voorbeeld van die hamers en die spijkers staat hier buiten. Het gaat erom dat er wel degelijk opdrachten worden samengevoegd, waardoor ze bijvoorbeeld te groot worden voor een mkb-onderneming. Die moet dan weer met ingewikkelde constructies gaan werken, samen met andere bedrijven, om toch voor zo'n opdracht in aanmerking te komen. Dat is een kwalijke zaak, en exact daarover hebben wij het. Uiteraard is er altijd wel ergens een grijs gebied, maar dit principe van het clusteren van opdrachten, waardoor je eigenlijk 95% van je bedrijfsleven buitenspel zet — dat is het aandeel van het mkb in Nederland — is dat iets waarvan de PvdA-fractie zegt "daar voelen wij wel voor"? 

De heer Monasch (PvdA):

Ik sta open voor die richting, maar ik wil wel eerst het debat goed voeren, in eerste en in tweede termijn. Wij moeten immers niet het tegenovergestelde bereiken. 

De heer Verhoeven (D66):

Voorzitter. Ik begrijp dat de heer Graus als laatste zal optreden. 

De voorzitter:

Begint u maar gewoon met uw verhaal. Ik doe de orde wel, dat komt wel goed. 

De heer Verhoeven (D66):

Ik vroeg naar de orde. 

De voorzitter:

De heer Graus is als laatste. 

De heer Verhoeven (D66):

Fijn! 

Voorzitter. 60 miljard. De heer Bruins zei het ook al, elk jaar geeft de totale overheid in Nederland ruim 60 miljard euro uit aan de inkoop van producten en diensten. 60 miljard! Dat is echt een hoop geld en daarom is het heel belangrijk dat er goede regels zijn over de manier waarop het geld wordt uitgegeven. Dat regelt de Aanbestedingswet en daarmee is deze wet een heel belangrijke wet, misschien wel een van de belangrijkste wetten die wij kennen, in ieder geval voor het midden- en kleinbedrijf. Vandaag praten wij over de implementatie — ik geloof dat dat woord nog net kan, voorzitter — van … 

De voorzitter:

Ja hoor. 

De heer Verhoeven (D66):

… een tweetal Europese richtlijnen om de huidige Aanbestedingswet te verbeteren. Dat is ook hard nodig, zoals blijkt uit de evaluatie van de huidige Aanbestedingswet. 

Het algemene beeld is gematigd positief, maar er zijn ook heel veel kritische noten te kraken. Ik noem er een paar. Het aandeel van het midden- en kleinbedrijf in de gunning van overheidsopdrachten is tussen 2012 en 2014 nauwelijks of zelfs helemaal niet gestegen. Mkb'ers die inschreven op overheidsopdrachten, wonnen verhoudingsgewijs minder vaak dan grote ondernemingen. Het mkb oordeelt kritisch over zijn eigen toegang tot overheidsopdrachten. Twee derde van de ondernemers vond de gestelde eisen te hoog, niet proportioneel. Ook zijn innovatie en duurzaamheid relatief weinig gehanteerd als beoordelingscriteria op basis waarvan een overheidsdienst al dan niet overgaat tot gunning aan een bepaald bedrijf. Ook blijkt uit de evaluatie van innovatief inkopen dat wij eigenlijk geen idee hebben of het doel van 2,5% innovatief inkopen eigenlijk wel wordt gehaald. 

Men kent D66 als een duurzame partij die het klimaat een warm hart toedraagt; onze vingers zijn groen. Daarom begin ik met duurzaamheid als beoordelingscriterium. Uit de evaluatie van de Aanbestedingswet blijkt namelijk dat duurzaamheid slechts in 13% van de gevallen een beoordelingscriterium bij overheidsopdrachten is, terwijl wij juist met elkaar hebben vastgesteld, bijna Kamerbreed, dat wij onze economie groener moeten maken en dat het budget van in totaal 60 miljard aan overheidsinkoop daaraan een belangrijke bijdrage kan leveren. Kortom, dat moet beter. 

D66 heeft als uitgangspunt dat bij alle aanbestedingen duurzaamheid een beoordelingscriterium is en dat het voor bedrijven echt loont om duurzaam te zijn. Het is voor de overheid immers logisch om rekening te houden met de maatschappelijke kosten van niet-duurzame producten of diensten, zoals de maatschappelijke kosten van CO2-uitstoot. Daarom heb ik twee amendementen ingediend. Ik weet niet wat de nummers zijn, maar misschien kunt u dat zeggen, voorzitter. 

De voorzitter:

12 en 13. 

De heer Verhoeven (D66):

Daarmee moet het gebruik van duurzaamheidscriteria makkelijker worden gemaakt, bijvoorbeeld door duurzaamheidscriteria expliciet als mogelijkheid in de wet op te nemen, binnen het nieuwe gunningscriterium in deze wet van de beste prijs-kwaliteitverhouding. Dat was al mogelijk, maar het staat gek genoeg nog niet expliciet in de wet. Als dat wel het geval is, dan verwacht ik dat aanbestedingsdiensten hier meer rekening mee houden en dat zij duurzaamheid vaker als beoordelingscriterium zullen gebruiken. 

Daarnaast heb ik een amendement ingediend over het berekenen van de laagste kosten binnen het gunningscriterium op basis van kosteneffectiviteit. Zo wordt expliciet in de wet opgenomen dat er rekening gehouden moet worden met maatschappelijke kosten als gevolg van CO2-uitstoot. De CO2-Prestatieladder is een mooi voorbeeld van de wijze waarop dat kan worden meegenomen bij aanbestedingen. 

De mogelijkheid geven alleen is niet genoeg. Aanbestedingsdiensten moeten ook gestimuleerd worden om deze mogelijkheid te gebruiken, want zoals ik al zei, wordt duurzaamheid slechts in 13% van de gevallen als een beoordelingscriterium gebruikt. Is de minister het met D66 eens dat duurzaamheid eigenlijk bij alle aanbestedingen een beoordelingscriterium moet zijn? Is de minister bereid om zich tot doel te stellen dat duurzaamheid bijvoorbeeld in 2020 bij 50% en dus niet 13% van de aanbestedingen, een beoordelingscriterium is? Is de minister bereid om concrete stappen in die richting te zetten? 

Mijn volgende punt gaat over de start-ups. Uit de evaluatie blijkt namelijk dat er nog veel te winnen is op het gebied van innovatief inkopen. Ik ben blij dat daar in deze twee Europese richtlijnen expliciet aandacht voor is, maar ik vraag me wel af of de wijzigingen in dit wetsvoorstel voldoende zijn om die twee richtlijnen te implementeren. Bij het rondetafelgesprek dat de Kamer een paar maanden geleden heeft georganiseerd, zijn er door verschillende sprekers vraagtekens geplaatst bij een aantal onderdelen van dit wetsvoorstel. Er zouden bijvoorbeeld te veel eisen aan het innovatiepartnerschap worden gesteld. Volgens artikel 2.22, tweede lid, moet bijvoorbeeld de geraamde waarde van de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten berekend worden. Is dat eigenlijk wel mogelijk als een innovatieve oplossing voor een bepaald probleem nog niet gevonden is? Hoe kun je de waarde van de onderzoeksactiviteiten dan bepalen? Ook is geopperd om het ontwikkelen van innovatieve ideeën of prototypes uit te zonderen van de aanbestedingsplicht. Hoe kijkt de minister tegen deze suggestie aan? 

De overheid heeft als doel om 2,5% van alle inkopen door de overheid — dat is dus van die 60 miljard; dat getal mogen we niet vergeten — te besteden aan innovatieve producten en diensten. Waarom is gekozen voor 2,5%? Zouden we niet veel meer kunnen doen om innovatie te stimuleren, bijvoorbeeld door de streefwaarde te verdubbelen van 2,5% naar 5%? Is de minister daartoe bereid? Dan streven we een innovatief land als de Verenigde Staten voorbij. 

Een andere zeer relevante vraag is: hoeveel geven we nu eigenlijk uit? In de Voortgangsrapportage innovatiegericht inkopen staat dat niet aangegeven kan worden of het richtgetal van 2,5% in bedragen ook gehaald is en dat de monitoringssystematiek verder moet worden ontwikkeld om daar inzicht in te krijgen. Hoe staat het met de ontwikkeling van de monitoringssystematiek? Hoeveel geven we nu precies uit aan innovatief inkopen? 

D66 pleit al jaren voor het uitbreiden van het gebruik van de zogenaamde SBIR-regelingen. SBIR staat voor Small Business Innovation Research. Met deze regelingen wordt innovatief onderzoek door kleinere bedrijven gestimuleerd. Ik denk dat ik nu wel geslaagd ben voor de test "begrijpelijk taalgebruik door parlementariërs". 

De voorzitter:

Ik zou het mkb-innovatie noemen. 

De heer Verhoeven (D66):

U zegt het nog wat kernachtiger, voorzitter, maar laten we er geen wedstrijd van maken, want we zijn bezig met een serieus debat vol ingewikkelde termen en dat debat is erop gericht om de praktijk voor het midden- en kleinbedrijf beter te maken. 

Die SBIR-regelingen, die regelingen voor innovatief mkb-onderzoek, zijn er dus om innovatieve oplossingen voor maatschappelijke problemen te vinden. Er wordt bijvoorbeeld gebruik van gemaakt om drones die over verboden gebieden vliegen uit de lucht te kunnen halen of om mensen met een verstandelijke beperking beter te laten omgaan met de complexiteit van het moderne leven. Daar worden oplossingen voor gezocht. Ook het Centraal Planbureau onderstreepte onlangs het belang van de SBIR-regelingen in zijn rapport Kansrijk innovatiebeleid. Onderschrijft de minister deze conclusie van het Centraal Planbureau? 

Bij de begrotingsbehandeling in 2014 heb ik voorgesteld om op elk van de vijf thema's van de wetenschapsagenda ook zo'n SBIR-regeling in te zetten. De minister vond dat destijds een interessant idee, maar hij vond het ook wat voorbarig, omdat de Wetenschapsagenda destijds nog niet was gepubliceerd. Inmiddels is dat wel zo, met mooie maatschappelijke vragen als gevolg. Ik citeer er drie. Hoe kunnen we energie duurzaam en efficiënt opslaan? Hoe ontwikkelen we minder ingrijpende technieken en interventies voor de diagnose, prognose en behandeling van patiënten? En, over big data: kunnen we de grote datasets en het verzamelen daarvan benutten voor het realiseren van waarden, het genereren van inzichten en het verkrijgen van antwoorden? Is de minister bereid om op elk van deze thema's bij de beantwoording van deze interessante, door burgers en bedrijven ingediende vragen, minstens één SBIR-regeling te starten? Ik vraag het hem dus eigenlijk opnieuw, nu we een stap verder zijn in de tijd. 

Mijn volgende punt is de toegankelijkheid voor het midden- en kleinbedrijf bij aanbestedingsopdrachten. Het is zeer teleurstellend dat het aandeel van het midden- en kleinbedrijf in de gunning van overheidsopdrachten niet gestegen is, terwijl de deelname nagenoeg gelijk is gebleven. De collega's Mulder, Ziengs, Bruins en Gesthuizen zeiden het al. Hoe verklaart de minister dat nou? We hebben het heel vaak over de positie van het midden- en kleinbedrijf. Of het nu gaat om fiscale regelingen, aanbestedingen of de regeldruk op ondernemers, altijd gaat het om de positie van het mkb. En vaak slagen we er niet in om die echt te verbeteren. Ik weet dat deze minister dat wel wil, dus hoe verklaart hij dat? De minister heeft al gezegd dat de implementatie van deze richtlijn waarschijnlijk nauwelijks invloed heeft op de positie van het midden- en kleinbedrijf en dat de ruimte voor verbetering met name in de toepassing van de wet zit. Hoe wil de minister ervoor zorgen dat de wet beter toegepast gaat worden? Welke acties gaat hij daartoe precies ondernemen? 

Collega Gesthuizen heeft al enkele — ja, het staat er echt — verstandige dingen gezegd, bijvoorbeeld over een aanbestedingsautoriteit. Ik sluit me daar geheel bij aan. Ik sluit me dus aan bij de woorden van mevrouw Gesthuizen over een aanbestedingsautoriteit. Die kan een rol vervullen in de controle op naleving, zou een plek kunnen geven aan de Commissie van Aanbestedingsexperts en kan de professionalisering van de aanbestedingspraktijk ook echt verbeteren. Ik hoor graag van de minister hoe hij tegen een aanbestedingsautoriteit aankijkt. 

Ook sluit D66 zich aan bij het amendement van de SP, dat tot doel heeft om de motivatieplicht bij de laagste prijs ook in te stellen bij het nieuwe criterium dat nu gecreëerd wordt, van de laagste kosten op basis van kosteneffectiviteit. Dit om het "economisch meest voordelige inschrijving, tenzij"-principe te handhaven. Dat is heel goed voor het midden- en kleinbedrijf. 

Ik heb nog twee laatste punten. Ik begin met arbeidsmarktdiscriminatie. Volgens mij heb ik dezelfde vraag als de heer Monasch over de motie van mijn collega Van Weyenberg over de uitsluitingsgronden wegens aantoonbare arbeidsmarktdiscriminatie. Die kunnen in de Aanbestedingswet worden verruimd, bijvoorbeeld door een grotere rol te geven aan de Inspectie SZW, het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het College voor de Rechten van de Mens. Wanneer verwacht de minister dat dit onderzoek afgerond kan zijn? 

Tot slot kom ik op het clusteren en samenvoegen. Ik heb altijd gedacht dat dat opgelost zou zijn door de combinatie van de Gids Proportionaliteit van ChristenUnie en VVD en het amendement-Verhoeven/Gesthuizen om het clusteren te verbieden. Dat is naïef geweest. Het is tekentafelpolitiek geweest, want we krijgen inderdaad nog steeds heel veel klachten over het clusteren. Ik weet ook wel dat helemaal niet meer clusteren misschien wel leidt tot het andere uiterste, waarbij helemaal niks meer mag en we nog verder van huis zijn; daar heeft de heer Monasch gelijk in. We moeten daar dus inderdaad goed over nadenken. Dat ben ik met de heer Monasch eens, maar de huidige situatie leidt tot te veel onnodige clusteringen en onnodige samenvoegingen van opdrachten, die leiden tot grotere opdrachten die leiden tot minder kansen voor mkb'ers. Dat willen we allemaal niet in deze Kamer. Ik zal straks proberen om daarover een constructieve motie in te dienen, zoals de minister van mij gewend is, die ervoor kan zorgen dat we met z'n allen gaan bekijken hoe we dit op een verstandige manier kunnen oplossen zonder het ene uiterste te verruilen voor het andere uiterste, maar wel de positie van het midden- en kleinbedrijf bij deze opdrachten te verbeteren in relatie tot de manier waarop overheden die in de markt zetten. 

Daarmee ben ik gekomen aan het eind van mijn eerste termijn, voorzitter. 

De heer Ziengs (VVD):

Ik verwijs in dit verband even naar de discussie over de omzeteisen, waarbij we destijds gezegd hebben: leg uit of pas toe, dus comply or explain. Zou dat wellicht een uitkomst bieden voor de situatie rond het clusterverband? 

De heer Verhoeven (D66):

Dat is een interessante suggestie. 

De voorzitter:

Dit wordt vervolgd, zo heb ik de indruk. 

De heer Ziengs (VVD):

Voorzitter. De behandeling van de Aanbestedingswet in 2012 lijkt nog maar kort geleden. Hoewel er destijds voorstellen tot ons kwamen om met de toenmalige behandeling te wachten totdat de Europese richtlijn geïmplementeerd kon worden, hebben wij toch doorgezet. Dat is maar goed ook, want met de ervaringen die wij vanaf 2012 opgedaan hebben en die in 2015 al geëvalueerd werden, kunnen wij de wet verbeteren. Het uitgangspunt van de VVD was en is dat het midden- en kleinbedrijf ruimschoots toegang moet hebben tot de overheidsaanbestedingen. Daar hebben andere woordvoerders ook al het een en ander over gezegd, want de evaluatie geeft op dat punt nog niet direct reden tot grote vreugde. 

Hoewel een duidelijke meerderheid van het mkb aangeeft dat de destijds genomen maatregelen worden gewaardeerd, is het aandeel opdrachten dat aan het mkb wordt gegund, niet gegroeid. De minister geeft aan, niet goed te kunnen beoordelen of dit aan de economische situatie in de jaren daarvoor zou kunnen liggen. Monitoring in de komende jaren zal moeten uitwijzen of er verbetering gaat optreden. Met welke frequentie wil de minister deze monitoring met de Kamer delen? Heeft hij al opties in beeld om bij een gelijkblijvend percentage in te grijpen? Kan de toezegde brief Beter aanbesteden, die ik niet in de stukken heb kunnen ontdekken, wellicht uitsluitsel geven? 

In 2012 werd de proportionaliteitsgids onderdeel van de wet dankzij het amendement-Schouten/Ziengs. Het is dan ook goed om te lezen dat deze gids een belangrijke bijdrage levert aan de proportionaliteit van de aanbestedingspraktijk. Zelfs bijna de helft van de specialesectorbedrijven maakt gebruik van deze gids. Ook andere woordvoerders hebben daarop gewezen. De waarde ervan is daarmee bewezen, aldus de VVD. 

De minister ziet echter in de uitkomst van de evaluatie geen aanleiding voor een wettelijke verplichting voor de specialesectorbedrijven. De VVD denkt daar anders over. Om die reden ligt er het amendement-Bruins/Ziengs op stuk nr. 9 dat mijn collega van de ChristenUnie al heeft aangekondigd. In dit amendement wordt geregeld dat de specialesectorbedrijven de proportionaliteitsgids gaan volgen. Ik hoor graag van de minister of hij dit amendement steunt. 

Dan hebben wij nog de economisch meest voordelige inschrijving, die ik verder EMVI zal noemen. Het mkb was in 2012 laaiend enthousiast dat dit criterium als eerste gehanteerd werd bij de aanbesteding. Maar de praktijk blijkt toch weerbarstiger te zijn. De afgelopen jaren leidde dit criterium juist tot hogere administratieve lasten bij zowel de aanbestedende dienst als bij de inschrijver. Dat was zeker niet de bedoeling. Het is daarom goed dat de minister gaat inzetten op betere voorlichting om dit gunningscriterium een betere kans van slagen te geven. EMVI zou ook moeten leiden tot meer innovatie. Het gaat daarbij om nieuwe technieken die door bijvoorbeeld start-ups ontwikkeld zijn. Ik vertaal dit even: de innovatieve starters op de markt. Het is onduidelijk of die start-ups daadwerkelijk een kans krijgen en of overheden zich willen gaan opstellen als de eerste gebruiker van een dergelijke techniek, dus als launching customer. 

De start-upagenda van collega Lucas heeft ertoe geleid dat mevrouw Kroes dit onderwerp breed heeft geagendeerd. Met StartupDelta verzoekt zij dan ook per brief om de initiatieven op dat gebied door de vijf grote gemeentes en door de overige best practices in de loop van volgend jaar te evalueren. Ik ben benieuwd hoe de minister hiertegen aankijkt. 

Dan kom ik op de Commissie van Aanbestedingsexperts. De naam zegt het al: dit zijn experts op het gebied van aanbestedingen. In het debat van 2012 heb ik aangedrongen op een commissie met tanden. De andere woordvoerders dringen daar tijdens dit debat inmiddels ook stevig op aan. De toenmalige minister verzekerde mij dat een dergelijke commissie van experts door de overheid zeer zeker serieus genomen zou worden. Vergaande bevoegdheden waren daarvoor niet nodig. De ervaring heeft ons inmiddels anders geleerd. De commissie oordeelde dat de aanbesteding van een scanstraat door de Belastingdienst, zo-even ook genoemd door collega Mulder, onjuist was. Desondanks legde dezelfde overheid deze uitspraak naast zich neer. De Commissie van Aanbestedingsexperts heeft haar waarde bewezen. Er is geen sprake geweest van een toename van het aantal rechtszaken. Wel is het aantal bij de commissie aangemelde zaken gestegen. Bij brief van 13 juli 2015 geeft de minister ook aan dat de commissie zeer gewaardeerd wordt door de betrokkenen. In die brief kondigt de minister een uitbreiding aan van de commissie en spreekt hij van een verdere professionalisering. Hoe moet ik dat duiden? In hoeverre zal een verdere professionalisering van deze experts leiden tot uitspraken die door de overheid niet terzijde gelegd kunnen worden maar wellicht bindend kunnen zijn? Hoe kijkt de minister hiertegenaan? 

Ik ga nu in op de zogenaamde eigen verklaring. Die is in 2012 al in de wet opgenomen en was onmiddellijk een succes bij de terugdringing van de administratieve lasten. Uit de stukken maak ik op dat hier in 2016 een Europees model voor komt. Ik hoorde andere woordvoerders net al melden dat het om een lastenverzwaring gaat. Ik heb dat niet direct zo kunnen lezen, maar misschien kan de minister er duidelijkheid over geven. Gaat het om een lastenverlichting of juist om een lastenverzwaring? 

Het voornemen van de minister om de termijn tussen de laatste nota van inlichtingen en de uiterste datum voor het indienen van zes dagen naar tien dagen te verhogen, kan de VVD ondersteunen. Ook de voorgestelde wijzigingen om een concurrentiegerichte dialoog in te voeren, om met maatregelen belangenconflicten te voorkomen en om mogelijkheden van marktconsultatie nu expliciet in de wet op te nemen, hebben onze volledige steun. 

Met de invoering van de Aanbestedingswet 2012 is door de gunning op basis van EMVI de situatie ontstaan dat er veel vaker een kwaliteitsdeel moet worden uitgewerkt in de aanbieding. De kosten voor ondernemingen zijn hierdoor substantieel gestegen. Het gaat dan vaak om plannen van aanpak, visies, risicoanalyses en soms om maquettes, presentaties of delen van ontwerpen. Het is niet onredelijk om hiervoor een vergoeding toe te kennen, waartoe de wet ook een mogelijkheid biedt. De minister heeft nu toegezegd dat de rijksinkoopvoorwaarden worden aangepast, zodat ook dergelijke kosten vergoed kunnen worden. Kan de minister al aangeven op welke termijn deze voorwaarden aangepast worden? 

Tot slot. De VVD en D66 hebben een initiatiefnota ingediend over de Wet markt en overheid. Middels deze wet moet het zogenoemde inbesteden op basis van het algemeen belang ingeperkt worden. Deze bepaling van algemeen belang is 2010 in de wet geamendeerd door het CDA en de PvdA. Alleen de VVD stemde tegen deze wet. Ik hoor nu gelukkig dat het CDA ook stelt dat het een tandje minder kan. Ik stel vast: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. Kan de minister aangeven op welke termijn een evaluatie van die wet naar de Kamer komt vanwege het directe verband met het aanbesteden? 

Tot zover mijn bijdrage. 

De voorzitter:

Mevrouw Gesthuizen spoedde zich naar de microfoon. 

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Er zijn al een aantal interruptiedebatjes geweest over clusteren. Heel af en toe levert D66 een heel zinvolle bijdrage in dit soort debatten door hier nog een keer op te wijzen. Hoe kijkt de VVD-fractie ertegenaan dat er, bijvoorbeeld om te voorkomen dat er onnodig en naar onze smaak verkeerd wordt geclusterd, wat meer richting zou worden gegeven door er bijvoorbeeld iets over op te nemen in de Gids Proportionaliteit? 

De heer Ziengs (VVD):

Ik gaf daar net volgens mij al een kleine aanzet toe in de vraag die ik stelde aan de heer Verhoeven. Ik heb het debat destijds meegemaakt en weet dat we uiteindelijk allemaal de intentie hadden dat er niet geclusterd zou worden, met de wetenschap dat het soms niet anders kan. Vandaar dat ik het voorstel deed om iets toe te voegen in de trant van: leg uit of pas toe, comply or explain. Als in die vorm gedacht wordt, denk ik dat we het een heel eind met elkaar eens kunnen worden. Wellicht kan het in de proportionaliteitsgids verwerkt worden. 

De heer Graus (PVV):

Voorzitter. Wie de evaluatie van de Aanbestedingswet van een jaar geleden leest, zou denken dat het allemaal prima gaat met de aanbestedingen in ons land. In het rondetafelgesprek, dat ik nota bene zelf mocht voorzitten, dat we hier een aantal maanden terug over hadden, werd echter een heel ander beeld geschetst. Dat kwam heel duidelijk naar voren. Ik neem aan dat de mensen van de minister dat gevolgd hebben. Alle genodigden hadden meerdere zaken aan te merken op de huidige wet, of het nu gaat om het onnodig samenvoegen — ik zal het niet clusteren noemen — de kosten van EMVI, het ontbreken van tendervergoedingen, lage deelname van het midden- en kleinbedrijf, gebrekkige transparantie — dat werd ook vaak genoemd — het stellen van disproportionele eisen, een overheid die steeds vaker inbesteedt en ga zo maar door. De mensen vragen zich weleens af waar EMVI voor staat. Dat wil zeggen: economisch meest voordelige inschrijving. Dat wil ik even gezegd hebben. Ik zal stoppen met het lijstje, maar ik kan nog wel even doorgaan. De collega's zijn er allemaal bij aanwezig geweest. Zij kunnen het beamen. 

Mijn eerste vraag is hoe de minister het verschil verklaart tussen de positieve evaluatie van de Aanbestedingswet van vorig jaar en het toch wel vrij negatieve beeld dat de experts die wij gehoord hebben naar voren brachten bij het rondetafelgesprek eind vorig jaar. Daar zaten niet de eersten de besten. Er zaten toch echt wel mensen die weten waar het over gaat, net als deze minister. Ik onderschat de minister en zijn mensen niet. 

Een ander punt dat tijdens het rondetafelgesprek aan bod kwam en waar we de minister in de schriftelijke inbreng mee geconfronteerd hebben, is de hoge mate waarin ondernemers corruptie ervaren bij openbare inkoop. Daar krijg ik graag een reactie op. In het Eurobarometeronderzoek stelt maar liefst 52% van de ondernemers dat corruptie wijdverbreid is bij de inkoop door lokale of regionale overheden. In de schriftelijke beantwoording geeft de minister aan dat wij op de meeste punten beter scoren dan het Europese gemiddelde. Dat zal best zo zijn. Wacht maar tot Oekraïne erbij komt, dan zullen we het allemaal merken. 

Ik wil er toch nog iets over zeggen. Ik heb de minister jaren geleden erop attent gemaakt dat franchisenemers in de knel zaten. Toen zei de minister dat dat niet zo was, omdat hij er niets vanaf wist. Na een paar jaar bleek dat ik gewoon gelijk had. Inmiddels is er een gedragscode en alles opgesteld. Ik had gewoon een punt. Daarna heb ik de minister hier in de plenaire zaal geconfronteerd met wanbetalende gemeenten. Dat was jaren geleden. Toen kwam de minister met een lijstje en zei hij: kijk maar, ze betalen hartstikke goed. Toen bleek dat het heel slecht was gesteld met het betalingsgedrag van de gemeenten. Ik krijg graag een reactie op die 52%, want mogelijk zal de minister dat wegwuiven en zeggen: daar komt de PVV weer met onzin. Maar we hebben gelijk gekregen bij die franchisenemers, toen de minister ook vanuit vak-K zei dat het niet waar was, en bij de wanbetalende gemeenten. Vandaar dat ik er nadruk op leg. De minister moet ons wel serieus blijven nemen. 

De heer Verhoeven (D66):

Ik hoorde de heer Graus net zeggen: wacht maar tot Oekraïne erbij komt. Ik vraag me af wat hij daar precies mee bedoelde. 

De heer Graus (PVV):

Ik had het over corruptie, dus vandaar. Mogelijk heeft de heer Verhoeven niet gehoord wat ik net zei, namelijk dat de minister in een schriftelijke reactie heeft laten weten dat we het best goed doen ten opzichte van het Europese gemiddelde. Ik zei eigenlijk een beetje als grapje — waar is de humor van de heer Verhoeven gebleven? — dat dat inderdaad best zal en dat we het helemaal goed zullen gaan doen als Oekraïne er dadelijk bij komt. De heer Verhoeven begrijpt wel wat ik bedoel, of niet? Ik wil het hem best dadelijk onder het genot van een gevulde koek uitleggen buiten de zaal. De mensen hier snappen het wel allemaal. Ik wil het hem best even uitleggen. 

De heer Verhoeven (D66):

Dan snappen de mensen in de zaal het beter dan ik. Mijn gevoel voor humor is er nog steeds, maar het lijkt mij goed om het even duidelijk te krijgen. De voorzitter en u trekken samen op in het verduidelijken van het debat, dus ik wil ook even wat verduidelijken. U zei net: Oekraïne komt erbij. Ik stel een heel simpele vraag: waar komt Oekraïne bij? 

De heer Graus (PVV):

We hebben het over Europa en de Europese Unie en daar gaat het nu om. Daar maakte ik even een grapje over: wacht maar eens tot Oekraïne erbij komt, dan gaan wij het nog beter doen. Mijnheer Verhoeven, ik zal mijn Limburgse humor achterwege laten, want volgens mij hebt u geen gevoel voor humor. 

De heer Verhoeven (D66):

Er zijn weinig mensen die mij betichten van geen gevoel voor humor, dus dat laat ik maar even aan de heer Graus. Ik vind grapjes leuk, maar het is voor de heer Graus dus ook een grapje om te zeggen dat Oekraïne bij de Europese Unie komt. Hij meent dat niet. Hij weet net zo goed als ik dat Oekraïne niet bij de Europese Unie komt. Alle mensen hier op de tribune weten dat. Alle mensen die het debat volgen, weten dat. Laten wij los van ons gevoel voor humor samen vaststellen dat Oekraïne niet bij de Europese Unie komt. 

De voorzitter:

Daarop gaat de heer Graus kort antwoord geven en dan gaan wij daarna weer door over de Aanbestedingswet. 

De heer Graus (PVV):

Wij zijn de laatsten die Oekraïne erbij willen, wij willen zelfs uit de Europese Unie. Zolang wij in die ellende zitten, willen wij dat er helemaal niks meer bij komt. Ik zei alleen: zeker als Oekraïne erbij komt. 

De voorzitter:

Aan de orde is de Aanbestedingswet. 

De heer Graus (PVV):

Hij moet er toch om lachen, voorzitter. Ik heb hem toch aan het lachen gekregen. 

De voorzitter:

Mijnheer Graus, aan de orde is de Aanbestedingswet. 

De heer Graus (PVV):

Hij wil het niet toegeven, maar een PVV'er heeft een D66'er aan het lachen gekregen. 

De voorzitter:

Mijnheer Graus, wij gaan verder met de Aanbestedingswet. 

De heer Graus (PVV):

Voorzitter, u mag ook wel een beetje gevoel voor humor tonen. 

De voorzitter:

Nee, want de hele Kamer zit te wachten op een stemming. U gaat gewoon door nu. 

De heer Graus (PVV):

Zeker, voorzitter. Wat de Partij voor de Vrijheid betreft zou deze wetswijziging er daarom in de eerste plaats op gericht moeten zijn om het beeld van ontbrekende transparantie en van corruptie te verbeteren. Dat kan door objectieve transparante eisen te stellen, geen aanbestedingen meer op maat te schrijven en opdrachten te gunnen op basis van concrete, meetbare criteria. 

Het wetsvoorstel faciliteert de mogelijkheid voor aanbestedende diensten om meer subjectieve eisen te stellen op het gebied van duurzaamheid, hetgeen voor de heer Verhoeven heel belangrijk is, sociale criteria of arbeidsomstandigheden. Weliswaar stelt de minister dat deze eisen wel proportioneel moeten zijn, maar zonder toezichthouder is er niemand die daarop controleert. Van de minister hoor ik graag waar de grens ligt tussen proportioneel en disproportioneel; dat vraag ik al tien jaar aan bewindspersonen. Niemand kan me hierop ooit antwoord geven. Er wordt ook gesproken over "significant" en "niet significant". Het wordt allemaal genoemd, maar waar ligt de grens? Ik zou graag weten waar de minister de grens legt tussen proportioneel en disproportioneel. Daar ben ik heel benieuwd naar. Ook krijg ik graag een reactie op de kwestie van de toezichthouder. Er is namelijk niemand die erop controleert; ook hierop graag een reactie. 

Nu kunnen ondernemers tegen die disproportionele eisen — de minister gaat dadelijk zeggen wat dat inhoudt — wel beroep aantekenen bij de Commissie van Aanbestedingsexperts, maar doordat aanbestedende diensten zo veel selectieve mogelijkheden hebben om bepaalde ondernemers uit te sluiten, is het risico groot dat de klagende ondernemer helemaal niet meer in aanmerking komt voor opdrachten. Ook daarop zou ik graag een reactie krijgen van de minister. 

De PVV vindt dit een onwenselijke ontwikkeling en wil juist de selectiemogelijkheden voor aanbestedende diensten inperken. Ons grootste bezwaar is de nieuwe mogelijkheid voor aanbestedende diensten om opdrachten voor te behouden aan ondernemingen die ten minste 30% kansarmen in dienst hebben. Daarbij kunnen de aanbestedende diensten zelf ook nog eens bepalen welke groepen onder "kansarmen" worden verstaan. Wat verstaat de minister onder "kansarmen"? Daarop krijg ik ook nog graag een antwoord. 

De voorzitter:

Als de leden met elkaar willen overleggen, zouden zij dat dan buiten de zaal willen doen? Gaat u verder, mijnheer Graus. 

De heer Graus (PVV):

Onzes inziens wordt de mededinging daar verder door beperkt. Ook hierop krijg ik graag een reactie. 

Vertegenwoordigers van diverse ondernemersorganisaties lieten ons de laatste weken en maanden weten dat de mededinging hierdoor verder wordt ingeperkt. Ook hierop zou ik graag een reactie krijgen. De PVV vindt het onwenselijk dat ondernemers worden opgezadeld met dergelijke quota. Volgens mij was de minister vroeger, als Kamerlid, ook altijd tegen quota en dat soort zaken, maar misschien vergis ik me. Waarom kiest de minister voor die quota en voor het kansarmenquotum? Wij hebben daar een andere oplossing voor. Wij hebben gewoon gezegd dat wij geen bezuinigingen willen op sociale werkplaatsen, geen herkeuringen en geen kortingen op de WSW'ers. Wij hebben er dus andere oplossingen voor, maar willen het niet op deze manier doen. Wij willen niet dat ondernemers hiervan de dupe worden. 

Ook het eisen van een keurmerk is weer een mogelijkheid om bepaalde ondernemers uit te sluiten. Dit zal met name kleinere mkb'ers treffen, omdat de kosten van zo'n keurmerk behoorlijk kunnen oplopen. Het schijnt dat die echt fors kunnen oplopen. Nu is er natuurlijk op zich niets mis met een keurmerk. Het merkwaardige is echter dit: zelfs als er een keurmerk wordt geëist, moeten inschrijvers altijd de mogelijkheid hebben om het te omzeilen. Dat roept de vraag op waarom je eerst ondernemers op kosten zou jagen om zo'n keurmerk te behalen, als het vervolgens omzeild kan worden. Wat is volgens de minister dan nog het nut van zo'n keurmerk? 

Ik kom tot een afronding. De PVV vindt het wetsvoorstel een stap in de verkeerde richting. Dat mag duidelijk zijn; naar die conclusie heb ik de hele tijd toegewerkt. Aanbestedende diensten krijgen nog meer ruimte om op basis van willekeur en subjectieve eisen aanbestedingsopdrachten op maat te schrijven. Dit wetsvoorstel is onzes inziens echt een verslechtering van de huidige aanbestedingspraktijk. Dat is wat de PVV betreft onacceptabel. Gelukkig staan wat dit betreft veel deskundigen achter ons. Wij zeggen dit niet alleen, nee, wij hebben ook goed geluisterd naar deskundigen en naar de ondernemers. Ik hoop dat de minister dat ook doet. Ik zal in ieder geval de fractie adviseren om tegen deze wet te stemmen. 

Tot slot heb ik nog een korte vraag voor de minister. Ik heb ooit gezegd: wij zouden veel meer aan onze eigen mensen en bedrijven moeten gunnen. Nationalisme wordt heel vaak negatief in beeld gebracht, door het Duitse nationaalsocialisme, maar je mag best een beetje patriot zijn en je mag best je eigen bedrijven wat meer gunnen. Sommige landen doen dat ook. Ik geef het voorbeeld van de Mini's; ik heb eerder mijnheer Van der Leegte genoemd — die naam mag ik noemen — die die fabrieken heeft gered en daarmee duizenden arbeidsplaatsen bij Nedcar in Born. Ik heb weleens gevraagd: ga eens bekijken hoe wij die Mini's "born in Born" — ze worden in Born gemaakt; dat ligt op de grens van Zuid- en Midden-Limburg — meer kunnen inzetten als overheidsauto. Die motie heeft het niet gehaald; dat zeg ik er eerlijk bij. Toch doe ik een moreel beroep op de minister: ga nu eens kijken hoe wij iets terug kunnen doen voor mensen die ons toen hebben geholpen. Dat is heel goed voor onze economie en onze werkgelegenheid. Mogelijk werken daar dadelijk in plaats van 3.000 tot 4.000 mensen wel 7.000 tot 8.000 mensen. Ik mag best zeggen: eigen Mini's eerst. Daar zou ik mee willen eindigen. 

De algemene beraadslaging wordt geschorst. 

De voorzitter:

Hiermee zijn wij gekomen aan het einde van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst. 

Voorzitter: Arib