Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-2015nr. 74, item 8

8 Internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen

Aan de orde is het VAO Internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (imvo) (AO d.d. 25/02). 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Wij hebben gesproken over internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen. Kamer en kabinet gaan ervan uit dat bedrijven aan de slag gaan met convenanten om duurzaam ondernemen vast te leggen. Natuurlijk hebben wij goede hoop dat het allemaal goed komt. Mocht het onverhoopt anders lopen en mocht dit er niet van komen, dan kunnen wij terugvallen op de motie die ik nu zal indienen. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat Kamer en regering van bedrijven in risicosectoren verwachten dat zij convenanten afsluiten over internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (imvo); 

constaterende dat de regering voornemens is om vóór de zomer van 2016 een evaluatiemoment in te stellen voor de convenanten van de dertien risicosectoren; 

verzoekt de regering, deze evaluatie aan te grijpen voor aanvullende maatregelen binnen de risicosectoren, waarin onvoldoende vordering is bij het afsluiten van convenanten, en daarbij geen middel uit te sluiten, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jasper van Dijk en Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 202 (26485). 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik zie deze motie als een stok achter de deur, maar we wachten in goed vertrouwen af wat de bedrijven allemaal voor moois zullen maken. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Voorzitter. Een van de interessante uitkomsten van de exercitie die de minister heeft laten doen bij het screenen van alle sectoren op risico's, is dat er een aantal sectoroverstijgende risico's is geïdentificeerd. Die risico's kunnen niet in de context van één bepaald convenant worden opgelost, maar komen in alle sectoren terug. Mijn stelling is dat het kabinet juist voor die sectoroverstijgende risico's een speciale verantwoordelijkheid zou moeten nemen. Daar gaat mijn eerste motie over. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat er sectoroverstijgende risico's zijn die niet binnen individuele sectoren kunnen worden opgelost en dat voor het aanpakken van deze risico's een belangrijke rol is weggelegd voor de Nederlandse overheid; 

verzoekt de regering, een plan van aanpak op te stellen voor de rol die de overheid vanuit haar duty to protect moet vervullen ten aanzien van sectoroverstijgende risico's, en de Kamer hierover te informeren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Ojik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 203 (26485). 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Mijn tweede en laatste motie heeft betrekking op het feit dat we straks moeten wegen — de minister heeft daar tijdens het AO over gesproken — in hoeverre de convenantenaanpak succesvol is. Om dat goed te kunnen doen, moet je van tevoren wel weten wat je ervan verwacht; anders kun je achteraf niet zeggen of het een succes is of niet. Daarom dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de Kamer de regering eerder vroeg om onafhankelijke controle en monitoring op internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen mogelijk te maken en te bevorderen dat indicatoren duidelijk en samenhangend zijn; 

overwegende dat er ten aanzien van de imvo-convenanten geen duidelijke standaard voor monitoring en controle lijkt te zijn; 

verzoekt de regering, met het oog op de gewenste beoordeling en evaluatie van imvo-convenanten, voor deze convenanten een set van concrete, controleerbare doelstellingen te formuleren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Ojik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 204 (26485). 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Voorzitter. De heer Van Dijk heeft net een motie ingediend om ervoor te zorgen dat de minister aanvullende maatregelen neemt, mochten de dertien risicosectoren niet daadwerkelijk vruchten voortbrengen, maar wij wachten dat natuurlijk vol goede moed af. 

Ik dien zelf twee moties in. De eerste motie gaat over de plicht tot rapportage. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat in dertien Nederlandse bedrijfssectoren aanzienlijke risico's bestaan op misstanden in de keten op het gebied van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (imvo); 

overwegende dat naleving van de OESO-richtlijnen van bedrijven vereist dat zij de risico's in de keten opsporen, voorkomen, repareren en rapporteren; 

overwegende dat een wettelijke plicht tot rapportage over de maatschappelijke aspecten gaat gelden voor een beperkte groep bedrijven op basis van de Europese richtlijn voor niet-financiële informatie; 

verzoekt de regering om deze rapportageplicht uit te breiden naar grote bedrijven in de dertien geselecteerde sectoren, waarbij bedrijven met minder dan 250 werknemers of 40 miljoen euro omzet worden uitgezonderd van de verplichting, maar wel worden gestimuleerd om te rapporteren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 205 (26485). 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Mijn tweede en laatste motie gaat over de cacaoketen, een onderwerp waar ik eerder Kamervragen over heb gesteld. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de Nederlandse overheid zich inspant voor verduurzaming van de cacaoketen, onder meer door steun aan het Initiatief Duurzame Handel; 

overwegende dat de gesteunde initiatieven grotendeels gebaseerd zijn op de productiviteitsverhoging en de certificering, maar dat extreme armoede bij cacaoboeren nog steeds realiteit is; 

overwegende dat de cacaoketen een toenemende machtsconcentratie kent en dat de cacaoprijs onvoldoende is om uit extreme armoede te ontsnappen; 

verzoekt de regering, een onderzoek naar machtsconcentratie in de cacaoketen uit te voeren en een "leefbaar inkomen"-calculatie te verplichten bij duurzaamheidsprojecten in de cacaosector die (mede)gefinancierd worden door de Nederlandse overheid, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 206 (26485). 

De volgende spreker was eigenlijk de heer Taverne van de VVD, maar ik begrijp nu dat hij van zijn spreektijd afziet. In dat geval is het woord nu aan de heer Van Laar van de Partij van de Arbeid. 

De heer Van Laar (PvdA):

Voorzitter. Namens de Partij van de Arbeid dien ik één motie in over de rol van de Autoriteit Consument & Markt en de mededingingsregels die soms afspraken over duurzaamheid onmogelijk maken. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat mededingingsregels of ACM-uitspraken op grond van deze regels incidenteel niet in lijn zijn met de maatschappelijke verwachtingen die op het gebied van mvo en duurzaamheid aan bedrijven worden gesteld; 

verzoekt de regering, te onderzoeken of en hoe deze incidenten structureel ondervangen kunnen worden, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Laar en Jan Vos. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 207 (26485). 

Daarmee komen we aan het eind van de inbreng van de zijde van de Kamer. Ik kijk even of ik het woord al kan geven aan de minister. Zij vraagt om een korte schorsing. Ik verzoek de woordvoerders om wel in de buurt te blijven. 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst. 

Minister Ploumen:

Voorzitter. Ik dank de leden voor het indienen van de moties. 

Ik kom allereerst te spreken over de motie op stuk nr. 202 van de leden Jasper van Dijk en Voordewind. Ik ga mee met de slotwoorden van de heer Van Dijk dat hij met vertrouwen naar het traject kijkt. Op grond daarvan vind ik de motie prematuur en wil ik haar ontraden. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik had de motie juist zo positief geformuleerd in de hoop dat de minister haar dan zou kunnen omarmen. We hebben het hier in het debat over gehad. We hebben gezegd dat we er uiteraard van uitgaan dat de bedrijven goed hun best gaan doen. Mocht dat niet zo zijn, dan zullen we als politiek over kunnen gaan tot wettelijke maatregelen. Dat heeft de collega van de minister op Financiën, de heer Dijsselbloem, ook gezegd. Hij zei: mocht de financiële sector dat niet doen, dan zullen we als politiek over kunnen gaan tot wettelijke maatregelen. Dat wordt in deze motie eigenlijk ook gezegd. Mocht het niet lukken, dan zullen we geen middel uitsluiten om tot stevige convenanten te komen. Daar is toch niets mis mee? 

Minister Ploumen:

De heer Van Dijk is werkelijk een meester in het proberen om mij te verleiden om zijn moties als ondersteuning van beleid te kwalificeren. Ik vind het echt nog een beetje vroeg. We zijn net gestart. Het gaat niet over één sector, maar over dertien sectoren. Ik wil dus ook contextspecifiek zijn. Ik blijf derhalve bij mijn oordeel. Wij komen hier natuurlijk nog veelvuldig over te spreken. Misschien kan ik de heer Van Dijk geruststellen door te zeggen dat een evaluatie natuurlijk nooit zonder gevolgen blijft. Dat biedt hem misschien wat comfort. Voor nu ontraad ik echter de motie. 

De voorzitter:

We zullen het aan hem vragen. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik vind het heel jammer. Eigenlijk zeggen de minister en ondergetekende hetzelfde. De minister zegt dat de evaluaties niet zonder gevolgen zullen blijven. In de motie staat: grijp de evaluatie aan om te kijken wat nodig is. Volgens mij kan de minister met een goed gevoel het oordeel over deze motie aan de Kamer laten. 

Minister Ploumen:

De heer Van Dijk zet mij nu toch weer aan het denken. Dat doet hij elke keer, overigens met wisselend succes. Ik kijk nog even naar het dictum of ik wellicht een kleine wijziging kan suggereren waardoor wij beiden met de motie kunnen leven. Hij heeft natuurlijk wel gelijk dat een evaluatie niet zonder gevolgen moet blijven. Tegelijkertijd heb ik ook gelijk door te zeggen dat het wat prematuur is en dat het allemaal sectorspecifiek is. Ik wil de suggestie doen om te stoppen bij "waarin onvoldoende vordering is bij het afsluiten van convenanten". Wij verwachten dat niet en zien het proces met vertrouwen tegemoet. Er moet dan per sector worden gekeken welke maatregelen nuttig en nodig zouden zijn. Dan houd ik die specificiteit erin, en niet dat hele brede van "we sluiten niets uit", want dat is misschien ook weer een beetje niks zeggen. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dit is heel interessant. 

De voorzitter:

Ik hoor graag een kort "ja" of "nee". 

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik wil de precieze woorden van de minister graag teruglezen in het stenogram. Dan zal ik bekijken hoe ik de motie kan aanpassen. Dan merkt de Kamer dat vanzelf. 

Minister Ploumen:

Het is altijd weer een plezier om met de heer Van Dijk te werken. 

Dat geldt overigens ook voor de heer Van Ojik, maar hij kan mij, wat betreft zijn motie op stuk nr. 203 inzake duty to protect nergens toe verleiden. Wij doen namelijk al wat hij wil. Ik neem al twee typen maatregelen om tegemoet te komen aan wat hij wil. Ten eerste, wij hebben specifiek beleid op onder meer kinderarbeid, landrechten en vrouwenrechten. Ten tweede — en dat sluit hier misschien nog specifieker bij aan — wij hebben het Nationaal actieplan bedrijfsleven en mensenrechten waarin juist de duty to protect verder is uitgewerkt. In het nieuwe instellingsbesluit voor het NCP heb ik bovendien mogelijk gemaakt dat het kabinet het NCP ongeveer één keer per jaar zelf om een onderzoek kan verzoeken naar juist die bedrijfsoverstijgende kwesties. Ik wil niet weer een actieplan. Ik wil gewoon actie. De motie is overbodig en daarom ontraad ik haar. 

De heer Jasper van Dijk (SP):

U hebt het over de tweede motie? 

Minister Ploumen:

Ja, van de zes ingediende moties is dit de tweede motie. Het betreft de motie op stuk nr. 203. 

Ik kom op de motie-Van Ojik op stuk nr. 204. Die zou ik als ondersteuning van beleid willen zien. Ik wil het oordeel over deze motie aan de Kamer laten als ik haar als volgt mag preciseren. Wij willen per convenant, dus per sector concrete en controleerbare doelstellingen formuleren. Dat willen wij net zo goed als de heer Van Ojik. Wij willen dus geen generieke doelstellingen maar specifieke doelstellingen. Wij willen die doelstellingen vaststellen aan het einde van het proces, dus als we die convenanten hebben afgesloten. Als ik de motie zo mag lezen dat een en ander specifiek is en niet generiek, en dat de doelstellingen als onderdeel van het convenantenproces worden vastgesteld, dan is de heer Van Ojik mijn man. Dan is de motie ondersteuning van beleid. 

De voorzitter:

De heer Van Ojik heeft een vraag. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

De spanning stijgt, zegt collega Van Dijk. 

De minister biedt een opening om haar man te zijn. Wie zou dat koud kunnen laten? Ik denk dat we hetzelfde bedoelen. Ik zou bij wijze van spreken het woord "specifiek" kunnen toevoegen aan de motie, om het nog duidelijker te maken. Maar ik denk niet dat dat nodig is, aangezien de Handelingen voldoende helder zijn. Het gaat mij er inderdaad om dat we onszelf het instrumentarium verschaffen om straks te kunnen zeggen of het hele convenantencircus — ik noem het maar even oneerbiedig zo — geslaagd is of niet. Daar dient deze motie toe. Ik neem aan dat de minister ons, als uitvloeisel van deze motie, zal informeren over de criteria: wat is die heldere set criteria? Dat hoort er dan uiteraard bij. 

De voorzitter:

Dat zal dan na de stemmingen zijn, maar het verbond tussen u beiden is in ieder geval duidelijk. 

Minister Ploumen:

Ik zal de Kamer graag hierover informeren. Ik denk dat het niet alleen duidelijk moet zijn, als onderdeel van het convenantenproces, wat de specifieke doelstellingen per sector zijn, maar dat het ook duidelijk moet zijn hoe we de monitoring zullen inrichten. Tegen die tijd komt daar een Kamerbrief over. 

Ik kom op de motie-Voordewind op stuk nr. 205. Die motie vind ik wat voorbarig. Teruggrijpend op wat we net hebben besproken over de sectorspecifieke convenanten, wil ik tegen de heer Voordewind zeggen dat we juist binnen de sector in het kader van het convenant willen bekijken op welke manier er gerapporteerd moet worden. Soms zullen kleinere bedrijven juist heel graag willen rapporteren. Dat doen ze dan heel gemakkelijk. Soms zullen wij het van ze willen vragen, omdat de sector vooral uit kleinere bedrijven bestaat. Ik kan zeggen dat de motie prematuur is en haar daarmee ontraden, maar de heer Voordewind kan ook overwegen om de motie later in het proces nog eens in te brengen, wellicht in een iets gewijzigde vorm. 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Nu probeert de minister mij te verleiden. 

Minister Ploumen:

De heer Voordewind heeft het door! 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik zal hier toch even op reageren. Dit voorstel is gericht op de OESO-richtlijnen. Daarin wordt gevraagd om over te gaan tot een wettelijke plicht tot rapportage, maar dat is specifiek gericht op beursgenoteerde bedrijven. Daarom heb ik deze motie ingediend. Daarbij gaat het niet zozeer om convenanten. Het gaat om het Nederlandse bedrijfsleven, maar dan een stapje eronder. Vandaag is hier over ABN AMRO gesproken. Die bank is niet beursgenoteerd, althans nog niet. ABN AMRO zou een voorbeeld zijn van een organisatie die onder de financiële sector valt en waar de minister naar kijkt. De rapportageplicht zou dan ook voor de niet-beursgenoteerde bedrijven gelden. Dat is de achtergrond van deze motie. 

Minister Ploumen:

Ik dank de heer Voordewind voor de toelichting. Ik houd toch even vast aan mijn antwoord. In de convenanten gaan wij het onderscheid tussen beursgenoteerd en niet-beursgenoteerd niet a priori maken, om het zo even te zeggen. Wij maken binnen zo'n convenant afspraken met de hele sector. Dat wij dan enige coulance betrachten jegens kleinere bedrijven, daar kan de heer Voordewind zich van alles bij voorstellen. Het lijkt mij toch meer iets voor de eindfase van de convenanten, mocht de heer Voordewind het gevoel hebben dat bedrijven de dans ontspringen, als ik het even heel onsympathiek mag zeggen. Ik vind het nu echt wat prematuur en het strookt ook net niet met de inzet van de convenanten. 

De motie-Voordewind op stuk nr. 206 zie ik als ondersteuning van beleid en daarover laat ik dus het oordeel aan de Kamer, met één klein amendementje daarbij, als dat zou mogen van de heer Voordewind. Ik kan mij vinden in de "leefbaar inkomen"-calculatie. Voor een deel is het al staande praktijk en waar dat niet zo is, breid ik het heel graag uit. Met de heer Voordewind vind ik dat wij moeten opkomen voor leefbaar inkomen, ook in de cacaosector, gegeven de problemen die de heer Voordewind ook schetste. Wat betreft het onderzoek naar de machtsconcentratie in de cacaoketen zou ik, met goedvinden van de heer Voordewind, een stapje terug willen doen en de motie zo willen lezen dat ik verken wat de mogelijkheden zijn. Daar hoort natuurlijk ook bij dat wij kijken naar wat er al is en of wij geen dubbel werk doen. Als ik dus de motie mag lezen als het verzoek om te verkennen of een en ander mogelijk is, en daar natuurlijk over terug te rapporteren, zou ik de motie graag willen lezen als ondersteuning van beleid en laat ik het oordeel aan de Kamer over. 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

De minister mag de motie inderdaad zo lezen dat het een verkenning zou kunnen zijn. Het een is natuurlijk gekoppeld aan het ander. Waarom doen wij zo'n verkenning? Dat heeft natuurlijk ook weer met dat leefbaar inkomen te maken. De boeren krijgen een heel lage prijs, maar daarbovenop verdienen de handelaren weer heel veel. Dat moeten wij eerlijker verdelen. Daarover zijn wij het denk ik met elkaar eens. 

Minister Ploumen:

Dat zijn wij zeker. Mijn streven zou zijn om niet alleen te kijken naar de interventies en de financiële steun die Nederland aan die sector geeft, maar om te bezien of je globaal de hele keten kunt verbeteren. Dat is denk ik ook de inzet van de heer Voordewind. 

In de motie-Van Laar/Jan Vos op stuk nr. 207 wordt de regering verzocht, te onderzoeken of de ACM-uitspraken in lijn zijn met de maatschappelijke verwachtingen op het gebied van imvo en duurzaamheid. Die motie zie ik als ondersteuning van beleid. Het oordeel over deze motie laat ik graag aan de Kamer over. 

De voorzitter:

Voor de volledigheid: de motie op stuk nr. 4 vond u prematuur. Uw advies is dat u de aanneming ervan ontraadt? 

Minister Ploumen:

Dat klopt. 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Omdat de motie prematuur is, zal ik deze aanhouden. 

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Voordewind stel ik voor, zijn motie (26485, nr. 205) aan te houden. 

Daartoe wordt besloten. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Wij zullen aanstaande dinsdag stemmen over de ingediende moties. 

De woordvoerders voor het volgende overleg zijn al aanwezig, dus wij kunnen meteen door met volgende VAO.