Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-2015nr. 57, item 11

11 Aanpak schijnconstructies

Aan de orde is de behandeling van: 

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten ter verbetering van de naleving en handhaving van arbeidsrechtelijke wetgeving in verband met de aanpak van schijnconstructies door werkgevers (Wet aanpak schijnconstructies) ( 34108 ).

De voorzitter:

Ik heet de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de heer Asscher, van harte welkom. Ik geef als eerste het woord aan de heer Ulenbelt van de SP. 

De algemene beraadslaging wordt geopend. 

De heer Ulenbelt (SP):

Voorzitter. In meer dan 100 jaar strijd van de arbeidersbeweging is heel veel uitbuiting bestreden, zijn misstanden opgeruimd en is de arbeid menselijker gemaakt. Cao's zijn daarbij onmisbaar gebleken. We zien echter al een paar jaar een kentering. De opkomst van malafide uitzendbedrijven en steeds weer nieuwe constructies om loon- en arbeidsvoorwaarden te ontduiken, leiden tot onderbetaling en uitbuiting. De minister was in 2013 heel erg ferm. Hij zei: ik ga al die nieuwe constructies, die schijnconstructies, aanpakken. Met dit wetsvoorstel lost hij een deel van die belofte in. 

Het wetsvoorstel introduceert ketenaansprakelijkheid. De werknemer kan voortaan zijn niet-betaalde loon opeisen, niet alleen bij zijn directe baas, maar ook bij de opdrachtgever van die baas en daar weer de opdrachtgever van, tot aan de hoofdaannemer en de hoofdopdrachtgever aan toe. Je zou dat kunnen beschouwen als de "trap op"-methode. Je begint onderaan en je gaat omhoog. Iedereen die zijn huis zelf schoonmaakt, weet dat als je trap schoonmaakt, je niet onderaan begint, maar bovenaan. Dat is het efficiëntste. Waarom heeft de minister gekozen voor de "trap op"-methode en niet voor de veel efficiëntere "trap af"-methode? Iedere schoonmaker had hem dat kunnen vertellen. Waarom doet de minister dat niet? 

Bij de "trap af"-methode kun je direct de hoofdaannemer, de hoofdopdrachtgever aansprakelijk stellen voor loon dat niet is betaald. Het is dan vervolgens de taak van die hoofdopdrachtgever, die hoofdaannemer om in de keten die hij zelf heeft georganiseerd dat loon te gaan verhalen. In heel veel situaties in Nederland hebben wij dat zo geregeld. Als iemand een huis laat bouwen en er is een gebrek aangebracht door een installateur, dan hoeft hij die installateur niet aansprakelijk te stellen, dan stelt hij de aannemer aansprakelijk en die gaat er dan verder achteraan. Bij auto's idem dito. Als iemand een auto heeft en er een onderdeel defect is, dan hoeft hij niet degene die dat onderdeel heeft gemaakt aansprakelijk te stellen, maar dan stelt hij de producent van die auto aansprakelijk. Zo hebben we dat op veel meer plekken in Nederland geregeld. 

Het is toch uiteindelijk ook de opdrachtgever die voordeel heeft als er ergens in de keten wordt onderbetaald? Op een of andere manier is daardoor een lagere prijs ontstaan, die enkel en alleen in het voordeel is van de opdrachtgever. Er is dus alle reden om die opdrachtgever als eerste aansprakelijk te stellen. Is de minister het met de SP eens dat die "trap af"-methode de beste methode is om die onderbetaling aan te pakken? 

Ik heb uit de afgelopen periode heel sterk de indruk gekregen dat dit ook de voorkeur heeft van de minister. Kan hij dat bevestigen? Door gedoe in de coalitie heeft hij heel veel concessies moeten doen om van trap af, trap op te gaan. Ik wil hem geen trap na geven, dat is niet netjes, maar ik ben wel benieuwd hoe dat gedaan is. Vanochtend konden we collega Mulder horen bij BNR en hij zei dat het nogal wat heen en weer was gegaan en dat zelfs de fractievoorzitters van de coalitiepartijen eraan te pas moesten komen om het probleem op te lossen. Ik denk dat werkend Nederland er recht op heeft om te weten wat daar nu precies is gebeurd. 

Daar komt nog bij dat trap op meer energie kost. Dat betekent dat de werknemer of zijn vakbond allerlei stappen moet zetten om zijn recht te halen. Dat is kostbaar en dat is op zich al een belemmering om dat recht te halen. 

Vanmiddag hebben wij een petitie gekregen van de FNV. De meeste woordvoerders waren daar ook bij. In die petitie staat dat de mensen een goede ketenaansprakelijkheid willen, zodat opdrachtgevers en hoofdnemer verantwoordelijk zijn voor de naleving van de cao en de wetgeving. Dat is eigenlijk precies het tegengestelde van wat er in dit wetsvoorstel gebeurt. De minister twitterde: ze staan te demonstreren voor het aannemen van dit wetsvoorstel. Maar eigenlijk is het amendement dat ik heb ingediend een veel betere uitvoering van hetgeen waarvoor deze mensen stonden die 27.000 handtekeningen kwamen aanbieden. In het amendement dat ik voorstel, kan de onderbetaalde werknemer of zijn vertegenwoordiger de hoofdopdrachtgever of de hoofdaannemer aansprakelijk stellen. 

De heer Kerstens (PvdA):

Ik was vanmiddag ook bij de demonstratie van de vakbond. Kan de heer Ulenbelt zich nog herinneren wat de mensen scandeerden toen hij kritiek op deze wet uitte? 

De heer Ulenbelt (SP):

Ja. Ze zeiden: aannemen, aannemen. Maar dat is niet de tekst waar die 27.000 mensen hun handtekening onder hebben gezet. Dus ja … Ik doe recht aan de tekst. Volgens mij is dat wat zij willen. U doet wat anders, dat weet ik. 

De heer Kerstens (PvdA):

Voorzitter, ik weet niet of de heer Ulenbelt nu beweert dat de grootste vakcentrale van Nederland niet goed heeft opgelet in de aanloop naar deze wet. Ik kan u verzekeren — er stonden aardig wat mensen tussen die ik ken — dat deze mensen terdege op de hoogte zijn van de inhoud van deze wet en dat dat "aannemen" een welgemeend en goed geïnformeerd "aannemen" was. 

De heer Ulenbelt (SP):

Ik constateer alleen maar dat in de tekst van de petitie — veel mensen, die ik overigens ook ken, zeiden "lees die petitie goed" en dat heb ik ook gedaan — staat wat ik net zei. Dat is een andere vraag dan de vraag die met deze wet wordt beantwoord. Daarom heb ik ook dit amendement gemaakt. Dat doet het meeste recht aan die 27.000 mensen die hun handtekening hebben gezet onder de petitie die zij hebben geformuleerd. Dat lijkt mij heel helder. 

De voorzitter:

De heer Ulenbelt gaat verder met zijn betoog. 

De heer Ulenbelt (SP):

Ik wil recht doen aan die petitie. Als we het op die manier hadden geregeld, was het probleem waarmee het allemaal begonnen is — met de Eemshaven, met de projecten van Rijkswaterstaat — snel opgelost. 

De manier zoals verwoord in mijn amendement is ook helemaal niet nieuw. Sinds 1990 werkt de Belastingdienst op basis van de Invorderingswet 1990 op deze manier. Overal in de keten kan men premies en loonbelasting verhalen, zelfs zonder tussenkomst van de rechter. Nu wil ik in dit geval bij het loonverhaal niet zo ver gaan, maar zo raar is het dus allemaal niet om het op die manier te regelen. 

Ik ben geschrokken van de definitie van "ernstige uitbuiting". Bij minder dan 70% van het minimumloon of bij minder dan 50% van het cao-loon is volgens de definitie van deze wet sprake van ernstige onderbetaling. Twee werkgeversorganisaties, in verband met dit probleem niet de geringste, namelijk de aannemersfederatie en de ondernemingsvereniging voor afbouwbedrijven, wijzen ons erop dat er al vanaf 90% onderbetaling — dan wordt er dus 10% minder betaald dan het werkelijke loon — aanmerkelijke kostenvoordelen zijn voor de bedrijven die met deze onderbetaling werken. Deze wet is ook bedoeld om oneerlijke concurrentieverschillen tussen bijvoorbeeld aannemingsbedrijven, tussen aannemers, te voorkomen. Als twee gerenommeerde werkgeversorganisaties ons erop wijzen dat de wet tekortschiet op het punt van het wegnemen van concurrentievoordelen voor onderbetalende werkgevers, moeten wij daarnaar luisteren. Daarom heb ik een amendement ingediend om die grens te hanteren. 

Het verbaast mijn fractie dat alleen het niet uitbetaalde loon kan worden verhaald. In Europese regels spreken we over een harde kern van arbeidsvoorwaarden. Dat is meer dan loon alleen. We kennen in Nederland dat begrip niet in de wetgeving. Ik denk dat het heel belangrijk is voor zowel de werknemer als de concurrerende aannemer die niet onderbetaalt, dat niet alleen loon kan worden verhaald, maar dat ook andere aspecten uit de arbeidsovereenkomst verzilverd kunnen worden. Ook daarvoor heb ik een amendement geformuleerd. Dat is geformuleerd als: alle aspecten van de arbeidsovereenkomst die in geld zijn te waarderen, kunnen verhaald worden in die keten. 

Het verbaast mij dat er niets is geregeld over boetes. Onderbetaling beschouwen we als frauduleus, zeker als het om ernstige onderbetaling gaat. Daarom heb ik voorgesteld om de loonvordering te vermeerderen met 50% van het bedrag en in geval van recidive bij dezelfde werknemer zelfs met 100%. Het bedrag moet daarbij ten goede komen aan de werknemer. Immers, hij heeft lang zonder loon gezeten, kosten gemaakt en misschien schulden gemaakt. Het lijkt mij redelijk om daar deze vorm van compensatie voor te bieden. Als de Fraudewet herzien wordt, zou dit aangepast kunnen worden en in overeenstemming gebracht kunnen worden met de boetes die in die wet staan. 

Uit werkgeverskringen komen nu pleidooien om inhoudingen op het loon, die deze wet onmogelijk maakt, toch mogelijk te laten zijn. Het gaat dan om inhoudingen voor huisvesting, zorg en vervoer. De berichten zijn vooral afkomstig uit de uitzendbranche. Ik begrijp wel waarom men dat wil. Men gebruikt dramatische argumenten, zoals de leefbaarheid en de onverzekerbaarheid, maar dat is een beetje drama dat je op het toneel ziet, maar dat in werkelijkheid niet plaatsvindt. Die inhoudingen zijn namelijk onderdeel geworden van het verdienmodel van uitzendbureaus. Ze bieden huisvesting aan. Men kan daar bijna geen nee tegen zeggen. Die huisvesting is echter veel te duur. Hup, kassa voor het uitzendbureau. Hetzelfde geldt voor zorgverzekeringen. Ik neem aan dat de collega's vanochtend de Volkskrant hebben gelezen over dit punt, het werk van CNV Vakmensen. Dat artikel laat heel duidelijk zien dat er zorgverzekeraars in de Nederlandse markt zijn die zich enkel en alleen richten op arbeidsmigranten en die collectieve contracten aanbieden. Daarbij krijgen de uitzendbureaus korting, maar in plaats van die door te geven aan het personeel, steken ze die in eigen zak. Dan begrijp ik wel dat aan de inhoudingen door uitzendbureaus wezenlijk wordt verdiend en dat dit de werkelijke reden is waarom ze die inhoudingen toch zouden willen plegen. Ik hoop dat de minister niet zwicht voor de geluiden die we straks ongetwijfeld van de VVD zullen horen om daar wat aan te doen. Laat de minister zich niet in de luren leggen door uitzendbureaus en hun woordvoerders hier in de Tweede Kamer. 

In de geschiedenis van de arbeidersbeweging is de strijd tegen de gedwongen winkelnering heel belangrijk geweest. Die strijd had als inzet om onafhankelijk te worden van de werkgever. Op het moment dat we de inhoudingen in stand laten, gaan we wat dat betreft terug in de geschiedenis. De wet biedt de mogelijkheid dat er een Algemene Maatregel van Bestuur uitgevaardigd wordt waarin geregeld is dat toch bepaalde inhoudingen gerealiseerd kunnen worden. Ik vraag de minister waar hij aan denkt en met welke argumenten dat zou kunnen. Het wetsvoorstel stelt giraal betalen verplicht, maar alleen voor het minimumloon. Mijn vraag aan de minister is: waarom niet voor cao-lonen? Anders zijn inhoudingen op het cao-loon toch ook niet te controleren? 

Mijn fractie heeft verzocht om het debat uit te stellen, want dinsdag kwam de minister plotseling met een nota van wijziging op een wet die hier al is aangenomen. Het gaat om een wetswijziging die seizoenswerkgevers tegemoet komt. Seizoenswerkers worden benadeeld bij ontslag. We hebben hierover een paar weken geleden een debat gevoerd. Toen was de minister helemaal niet van zins om dit aan te pakken. De SP was de enige in de Kamer die de minister daarin steunde. Hij zei toen toe dat hij met een brief zou komen. We hadden al een datum geprikt waarop we die zouden kunnen bespreken. Tot mijn grote verrassing kwam de minister dinsdag met die nota van wijziging. Ik zou graag de gevolgen van die nota van wijziging met de minister willen bespreken. Of nog beter, ik had graag de tijd gehad om het allemaal goed uit te zoeken. 

Mijn vragen hierbij zijn: is er overleg geweest met werkgevers en bonden? Wat hebben zij daar gezegd? Stemmen zij in met het voorstel dat de minister nu doet? Waarom is hij niet ingegaan op de suggestie van het CNV om het voor seizoenswerkers bij cao te regelen? Wat betekent dit voor de ontslagrechten van mensen die niet-seizoensgebonden werk doen, zoals uitzendwerk, niet in de tuinbouw, maar in de metaal of in de ziekenzorg? Wat betekent dit voor mensen in het onderwijs die veel opvolgende tijdelijke contracten hebben? Het succes van de minister was dat hij had beloofd dat mensen met tijdelijke contracten gelijk zouden worden behandeld als vaste werknemers. Door dit amendement verdwijnt dat. Ik wil weten in welke sectoren dit speelt, om hoeveel mensen het gaat, en hoeveel geld deze mensen tekortkomen? 

FNV Bouw heeft een film gemaakt over schijnconstructies in de bouw. De heer Mulder en de heer Kerstens hebben die film ook gezien, want zij zaten daar samen met mij. Daarin komt het voorbeeld voor van vier dakdekkers op hetzelfde dak, met hetzelfde werk, maar twee zijn werknemer en twee zijn zzp'er. Deze wet regelt het loonverhaal in de keten voor de werknemers. Maar wat kunnen de zzp'ers als hun factuur door de opdrachtgever niet wordt betaald? Bij wie kunnen zij dan terecht? Zou de minister willen uitzoeken of voor bonafide zzp'ers een soortgelijke regeling kan worden getroffen als hier wordt beoogd voor werknemers? 

Uit mijn vele voorstellen voor verbetering kan men opmaken dat de SP dit wetsvoorstel niet ziet als een keiharde diamant die de arbeidsverhoudingen bijslijpt. Het is wel een mooi geslepen stuk glas. Daar kun je ook nog wel aardige dingen mee doen. Als we er een diamant van willen maken, zou de minister moeten zeggen: die amendementen van de SP, daar heeft de FNV wat aan. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

Ik wil graag een vraag stellen over het een-na-laatste punt van de heer Ulenbelt, namelijk over de brief die wij afgelopen dinsdag kregen. Naar mijn lezing volgde die geheel uit de toezeggingen die de minister enkele weken geleden in het debat over werkgelegenheid deed aan de Kamer. Deze waren door de hele Kamer gevraagd, op de SP na. 

In de brief die wij dinsdag kregen, zegt de minister vrij duidelijk dat het een onbedoeld en ongewenst effect is als het gevolg is dat werknemers die baan niet krijgen. De overweging bij de keuze die hij maakt, is dat hij baanbehoud verkiest boven het verkrijgen van een vergoeding. Kiest de SP voor het omgekeerde? Heeft de SP liever een vergoeding dan baanbehoud? 

De heer Ulenbelt (SP):

Je werkt voor een loon. Dat werk moet lonen. Dat heeft daar dus ook helemaal niks mee te maken. Al die bedrijven zeggen dat ze zulke goede mensen hebben, die ze zo graag willen houden. Ik zeg hun: doe dat dan! Flex heeft een prijs. Als ik mijn vliegtuigkaartje regel voor een vast tijdstip, betaal ik minder dan voor een open ticket. Seizoenwerkers zijn voor werkgevers open tickets, dus voor hen behoren ze meer te betalen. De wet had ook voor deze mensen een betere ontslagvergoeding geregeld, maar die wordt hun nu door de neus geboord. Ik zeg: los dit in de sector op. Men zei dat dit een onbedoeld effect was. Maar het onbedoelde effect zal zijn — hoewel ik dat niet hoop — dat zoiets ook gaat gelden voor de mensen buiten het seizoenswerk, in het onderwijs, in de zorg en bij uitzendbureaus. Het betekent dat iemand met een vast contract straks wel een lang arbeidsverleden heeft en iemand met een draaideurcontract, in een draaideurconstructie, die net zo lang heeft gewerkt, niets krijgt. Dat is het onbedoelde gevolg van die wijziging. Ik wil daar opheldering over. Dat heeft niks te maken met baan of geen baan. Die baas in de tuinbouw moet maar gewoon een beetje meer betalen. En als hij geen mensen ontslaat, kost het hem helemaal niks. Dat is mijn redenering. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

Volgens mij is het bedoelde effect van deze nota van wijziging, waarom de hele Kamer heeft gevraagd, dat een onbedoeld effect van de wet wordt opgelost. Door de belofte van de transitievergoeding was de realiteit voor die mensen: geen baan. De minister heeft het hier ook expliciet gezegd: liever een baan dan die vergoeding. De heer Ulenbelt gaf net een heel lang antwoord, maar geen antwoord op de vraag. Kiest de heer Ulenbelt liever voor het omgekeerde? 

De heer Ulenbelt (SP):

Ik kies voor goedbetaald werk met gelijke rechten voor flexwerkers en vaste krachten. Als ik zou meegaan in de redenering van de heer Heerma, zou ik vinden dat het onbedoelde effect van de wijziging die de minister dinsdag heeft ingediend, is dat heel veel mensen in die vele andere sectoren die niks met seizoenswerk te maken hebben maar waarin wel veel tijdelijke contracten zijn, ook hun ontslagvergoeding mislopen. De bedoeling van de wet was nu juist om flex en vast gelijk te behandelen. Door de wetswijziging wordt dat tenietgedaan. Ik heb daar grote problemen mee. 

De heer Kerstens (PvdA):

De heer Ulenbelt had het eerder in zijn betoog over de Aannemersfederatie Nederland, de club van het midden- en kleinbedrijf in de bouwnijverheid. Heeft de heer Ulenbelt kennisgenomen van het persbericht over de Wet aanpak schijnconstructies dat de Aannemersfederatie vandaag de wereld in heeft gestuurd? 

De heer Ulenbelt (SP):

Nee, dat heb ik niet. Ik baseer mij op de brief die ze een paar dagen geleden naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. 

De heer Kerstens (PvdA):

Ik pak de tekst er even bij. De Aannemersfederatie, dus het midden- en kleinbedrijf in de bouw, heeft vandaag in haar persbericht gesteld dat de Wet aanpak schijnconstructies de volle steun heeft van de Aannemersfederatie en dat een snelle invoering zeer nadrukkelijk gewenst is. 

Ik heb een tweede vraag voor de heer Ulenbelt. Realiseert hij zich dat hij, als hij uiteindelijk tegen deze Wet aanpak schijnconstructies stemt, zich keert tegen de wens van de vakbeweging en van het midden- en kleinbedrijf in een aantal sectoren, terwijl hij dan aan dezelfde kant gaat staan als Bouwend Nederland, de club van de opdrachtgevers in de bouw en de hoofdaannemers, die nu juist het meest gaan voelen van deze wet? 

De heer Ulenbelt (SP):

Ik vind dit nogal demagogisch van de vertegenwoordiger van de Partij van de Arbeid. Ik baseer mij op een keurige brief van deze federatie en nog een andere organisatie. Ik heb geen brief gezien waarin dat wordt ingetrokken. Als ze dit zo belangrijk hadden gevonden, hadden ze me dat ongetwijfeld verteld. Bovendien zijn er allerlei krantenartikelen waarin woordvoerders van die organisaties dat zeggen. Waar komt dat persbericht dus vandaan? Ik weet het niet. Telefoons kunnen worden gehackt, alles kan worden gehackt. Ik heb dat persbericht niet gekregen. En over de vertegenwoordigers van de FNV ben ik volgens mij klip-en-klaar geweest. Ik heb uitgelegd wat er in de tekst van de petitie stond. 27.000 mensen hebben haar getekend. De heer Kerstens verwijst naar 50 man op het Plein. Tja, hij kiest wel vaker voor de verkeerde minderheid en ik kies vaak voor de goede meerderheid. Volgens mij is dat in dit geval ook zo. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Los van wat er allemaal in persberichten staat, moet ik de heer Kerstens toch een beetje bijvallen dat dit wetsvoorstel zeker verbeteringen behelst voor veel werknemers. Misschien gaat het voor de heer Ulenbelt niet ver genoeg. Dat kan. We hebben het volste recht om daarover in deze Kamer te debatteren. Zou de heer Ulenbelt, die zegt dat het hem niet ver genoeg gaat en dat hij hiertegen is, echter de consequentie willen dragen dat dan zelfs geen klein beetje verbetering tot stand wordt gebracht voor die werknemer die nu uitgebuit wordt? 

De heer Ulenbelt (SP):

Als mevrouw Schouten goed heeft geluisterd, heeft zij mij geen eindoordeel over dit wetsvoorstel horen uitspreken. Als ik dat al had, had ik niet aan dit debat mee hoeven doen. Ik heb vragen gesteld aan de minister. Ik heb amendementen ingediend om het voorstel te verbeteren. Vanmiddag werd ook gezegd — dat zeg ik ook tegen de heer Kerstens — dat voorstellen die het verbeteren welkom zijn. Daarom doe ik mee aan dit debat en heb ik vijf serieuze amendementen gemaakt. We zullen wel zien wat daaruit komt. Dat bepaalt uiteindelijk het stemgedrag van mijn fractie. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik meen het oprecht als ik zeg dat ik het in de heer Ulenbelt te prijzen vind dat hij altijd bekijkt hoe hij het wetsvoorstel volgens zijn inzichten beter kan maken. Dat heeft hij nu ook gedaan en we gaan het antwoord van de minister daarop afwachten. Vindt de heer Ulenbelt dit wetsvoorstel echter een verbetering voor de positie van de werknemer die nu uitgebuit wordt, los van de vraag of die amendementen worden aangenomen? 

De heer Ulenbelt (SP):

Als je de manier waarop het nu gaat vergelijkt met wat hier wordt voorgesteld, is dat een stapje voorwaarts. Mijn twijfel is of dat stapje voldoende is om de schijnconstructies en de uitbuiting efficiënt en effectief aan te pakken. Daarover heb ik mijn twijfels. Daarom ben ik daar zo uitvoerig op ingegaan en vraag ik de minister waarom we de trap-op-trap-afmethode niet toepassen. Waarschijnlijk doen we dat niet, omdat de VVD dat niet wil. Dan hoor ik dat graag in het debat en dan weet Nederland ook hoe het zit. Mevrouw Schouten kent de SP-fractie echter. Als er maar een millimeter verbetering is ten opzichte van hoe het was, zijn wij doorgaans geneigd om wetsvoorstellen te steunen. 

De heer Van Weyenberg (D66):

Voorzitter. Ik laat de laatste woorden van de heer Ulenbelt nog even op mij inwerken en bedenk dan dat zijn fractie tegen de quotumwet heeft gestemd. Dat kan ik nog steeds niet helemaal rijmen, maar dat terzijde. 

We bespreken vandaag de Wet aanpak schijnconstructies, maar enkele dagen geleden ontvingen wij een nota van wijziging om een onbedoeld effect uit de Wet werk en zekerheid voor seizoenwerkers te repareren. De heer Ulenbelt had het daar ook al over. De minister geeft daarbij gehoor aan een breed verzoek vanuit de Kamer — ik denk met uitzondering van de Socialistische Partij — om een oplossing te vinden voor een onbedoelde uitkomst, die ertoe dreigde te leiden dat veel seizoenwerkers, die vaak al jarenlang bij een bepaalde baas werken, hun baan gingen verliezen of niet meer werden ingehuurd. Ik ben dus blij dat de minister met die nota van wijziging is gekomen. Ik vind het jammer dat hij een salomonsoordeel moest vellen en de sociale partners er niet uit kwamen, maar ik vind het een zeer te verdedigen oplossing. Voor zover ik het kan inschatten — ik heb ook geen glazen bol — leidt dit ertoe dat mensen die bang waren dat hun baan op de tocht stond en ze niet meer zouden worden ingehuurd, nu opgelucht adem kunnen halen. Ik vraag de minister wel om de vinger aan de pols te houden. Naar huidig inzicht van mijn fractie en de meeste collega's, denk ik, is dit een werkbare oplossing. Ik blijf het echter belangrijk vinden om goed te bekijken of de seizoenwerkers inderdaad niet meer worden ingehuurd of worden ontslagen. Dat willen wij allemaal voorkomen en we moeten bekijken of dat afdoende is geregeld met deze nota van wijziging. Daarom doe ik dit verzoek aan de minister. 

Dan kom ik op de eigenlijke Wet aanpak schijnconstructies. Het is goed dat die wet er komt. Schijnconstructies moet je aanpakken. Malafide constructies leiden tot uitbuiting van vaak kwetsbare werknemers. Vandaag op het Plein en eerder bij allerlei gesprekken hebben we voorbeelden gehoord van mensen die soms heel vervelend in die positie terechtkwamen. Dat mogen we niet laten rusten. De oneerlijke concurrentie is niet alleen slecht voor de werknemers die erdoor worden geraakt, maar ook voor al die werkgevers en werknemers die zich wel aan de wet houden en daarbij minder kans hebben op werk en opdrachten. Daarom zal mijn fractie deze wet steunen; laat ik dat nu meteen maar zeggen. 

Ik heb nog wel een aantal vragen. Mijn eerste vraag betreft het verbod op inhouding op het minimumloon. Het doel van die maatregel heeft mijn steun. Tegen malafide ondernemers die een belachelijk hoge huur inhouden, moet je optreden. Is een verbod daar echter het meest effectieve middel voor? Die vraag is bijvoorbeeld ook door de Raad van State gesteld. Er zijn namelijk ook allerlei bonafide werkgevers die door benutting van die inhoudingen heel netjes huisvesting en zorgverzekeringen aanbieden. Wij moeten voorkomen dat de mensen die daar nu mee werken, van de regen in de drup komen. Volgens de nieuwe wet mag zo'n malafide ondernemer die te hoge huur namelijk nog steeds innen, maar dan met een automatische incasso. Wat is nu het verschil tussen een machtiging tot het inhouden via een incasso en een machtiging tot het automatisch inhouden op het loon voor een werknemer die zo kwetsbaar is dat hij gewoon geen nee kan zeggen tegen dergelijke verzoeken van een werkgever? Zo iemand kan nog steeds worden gedwongen tot iets wat wij niet wenselijk vinden. Dan zegt de werkgever gewoon: als u die incasso niet tekent, huur ik iemand anders in. Is dit verbod op inhouding dus wel voldoende effectief? 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik raak nu een klein beetje in verwarring. Het eerste deel van de vraag van de heer Van Weyenberg lijkt erop te duiden dat hij die inhouding wel mogelijk wil maken. Als ik het verkeerd heb, hoor ik dat graag van hem. Daarna zegt hij echter: met een automatische incasso is het gevaar van onder druk tekenen ook nog steeds aanwezig, dus is dit dan wel de oplossing? Kan ik uit de woorden van de heer Van Weyenberg opmaken dat hij zo'n inhouding ook niet wenselijk vindt? 

De heer Van Weyenberg (D66):

Mijn zorg is dat, waar nu misbruik van de inhouding wordt gemaakt, dit misbruik blijft bestaan, maar dan in de vorm van een incasso, terwijl mensen bij wie de inhouding nu prima en netjes verloopt, daar geen gebruik meer van kunnen maken. Mijn vraag is dus of dit wel effectief is. De incasso heeft volgens mij namelijk ook kwetsbaarheden. De echte malafide boef wordt hiermee misschien niet geraakt, terwijl degenen die er netjes mee willen werken, het instrument niet meer kunnen gebruiken. Daar ben ik bang voor. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Degenen die er netjes mee willen werken — die zijn er; dat moet ik toegeven — kunnen toch net zo goed netjes met een automatische incasso omgaan? Dat is dan toch niet zo'n groot verschil dat daardoor ineens heel veel problemen ontstaan? Erkent de heer Van Weyenberg dat? 

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik krijg wel signalen van mensen die het nu netjes doen en zeggen dat zij met een incasso extra risico's lopen ten opzichte van een inhouding, waardoor zij overwegen om te stoppen met het aanbieden. Dat is mijn zorgpunt. Ik stel vragen aan de minister. Ik zal straks in het bijzonder vragen naar de Algemene Maatregel van Bestuur waar de wet nu zelf een opening toe biedt. Ik ben op dit punt nog zoekende. Nogmaals: ik steun het doel dat wordt nagestreefd, maar ik heb nog vraagtekens bij de effectiviteit. 

Ook van de zorgverzekeraars hebben wij signalen gekregen dat dit ertoe zou kunnen leiden dat veel meer mensen die nu via zo'n inhouding een zorgverzekering hebben, straks geen zorgverzekering meer hebben. Dat zou een ongewenst effect zijn, denk ik. Ik weet dat het kabinet dit niet nastreeft, maar ik vond het signaal dat wij vandaag uit die hoek hebben gekregen, toch wel stevig. De minister erkent eigenlijk ook dat hier sprake is van een risico. Daarom heeft hij in het wetsvoorstel een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt om af te wijken van het verbod op inhouding. Bij Algemene Maatregel van Bestuur kan de minister straks uitzonderingen op het verbod op inhouding toestaan. Tegelijkertijd zegt hij echter dat hij dat niet van plan is. Waarom heeft hij die uitzondering dan opgenomen in de wet? Onder welke omstandigheden zou hij dan wél gebruik willen maken van die Algemene Maatregel van Bestuur? 

De heer Ulenbelt (SP):

De heer Van Weyenberg spreekt over signalen van de zorgverzekeraars. Dan denken de mensen in Nederland meteen aan Menzis en dergelijke, en die staan er al niet zo best op. In dit geval ging het echter niet om die partijen, maar om één heel kleine, gespecialiseerde zorgverzekeraar die apart zorgverzekeringsproducten aanbiedt voor uitzendbureaus met buitenlandse arbeiders. Die zijn goedkoop, want die zijn vaak gezond en weinig ziek. De inhouding wordt dan door de werkgever in de zak gestoken. Dat soort signalen neemt de heer Van Weyenberg toch niet serieus, mag ik hopen? Heeft hij niet gelezen wat daarover vanochtend in de Volkskrant stond? 

De heer Van Weyenberg (D66):

Nee, maar ik loop helemaal niet weg voor de risico's en de mistanden die er nu met de inhoudingen zijn. Mijn punt is dat ik wil voorkomen dat mensen minder verzekerd zijn in de gevallen waarin het wel netjes gaat. Ik weet zeker dat de heer Ulenbelt dat natuurlijk ook absoluut niet wil. 

De heer Ulenbelt (SP):

D66 was de partij van de eigen verantwoordelijkheid. Waarom kunnen Nederlanders dat wel en waarom vertrouwt hij dat een Poolse of Bulgaarse arbeider niet toe? Waarom mag die arbeider niet zelf beschikken over de vraag waar hij zich verzekert? Waarom moet dat via dat uitzendbureau bij zo'n rare zorgverzekeraar? Waarom vertrouwt hij dat die mensen niet toe? De heer Weyenberg zegt altijd dat we geen verschil moeten maken en nu doet hij dat zelf. Dat is niet best, toch? 

De heer Van Weyenberg (D66):

Je kunt gewoon een machtiging voor die inhouding regelen. Je bent daar dan zelf bij. Ik moet overigens vandaag wel een beetje lachen om de heer Ulenbelt. Hij is duidelijk bij een andere demonstratie geweest dan ik. Bij de demonstratie waar ik bij was, riep iedereen hem op om deze wet gewoon aan te nemen, maar blijkbaar hadden die mensen dat toch niet goed begrepen. Nu legt hij mij weer woorden in de mond. Volgens mij ben ik heel helder: ik wil voorkomen dat mensen minder verzekerd worden voor zorg. Ik wil niet dat dit gebeurt en ik weet zeker dat de heer Ulenbelt dat ook niet wil. 

Ik heb nog een specifieke vraag over de Algemene Maatregel van Bestuur. Volgens de tekst kunnen bepaalde betalingsverplichtingen worden uitgezonderd van het inhoudingenverbod. Begrijp ik het goed dat de minister in zo'n AMvB dan kan zetten dat bijvoorbeeld de zorgpremie voor alle werkgevers gewoon niet meer onder het inhoudingenverbod valt? Of is de Algemene Maatregel van Bestuur een instrument om voor bepaalde groepen werkgevers alsnog inhoudingen toe te staan? Of biedt het wettelijk kader beide opties? Zo ja, hoe staat de minister daar dan tegenover? 

Ik kom op het kroonjuweel van dit wetsvoorstel: de ketenaansprakelijkheid. Ik ben er inderdaad van overtuigd dat die bijdraagt aan een groter verantwoordelijkheidsgevoel bij opdrachtgevers. Via druk onder in de keten wordt boven in de keten afgedwongen dat iedereen zich aan de regels houdt en dat de opdrachtgever daar beter op gaat letten. Dit roept alleen wel de volgende vraag bij mij op. Had bijvoorbeeld Rijkswaterstaat, als onderdeel van de overheid, op dat punt dan niet gewoon veel eerder zelf maatregelen moeten nemen? De minister vraagt al twee jaar lang terecht aandacht voor dit onderwerp. Hoe kan het dan dat er een wet nodig is om Rijkswaterstaat zover te krijgen om dit ook in zijn eigen aanbestedingen te gaan toepassen? Bij veel schijnconstructies — collega Kerstens heeft in dat kader bijvoorbeeld veelvuldig vragen gesteld over de A2, de A4 en de A15; volgens mij heeft de heer Ulenbelt dat ook gedaan — ging het juist over de overheid als opdrachtgever. Men had dan wel opgenomen: men moet zich aan de wet houden; iedereen die wij inhuren moet zich aan de wet houden. Dat bleek echter helemaal niet te werken. Er was geen controle of dat gebeurde. Er werden geen passende maatregelen genomen. Heeft de minister zijn collega van Infrastructuur en Milieu hier de afgelopen jaren eigenlijk op aangesproken? Wat heeft Rijkswaterstaat de afgelopen jaren veranderd in het aanbestedingsbeleid om die schijnconstructies te voorkomen? Wat gaat Rijkswaterstaat doen na aanname van deze wet? Is het toch eigenlijk niet treurig dat we een wet nodig hebben om ervoor te zorgen dat de overheid zelf borgt dat, als zij opdrachtgever is, de regels ook gewoon worden nageleefd en dat schijnconstructies dan worden voorkomen? 

Kan de minister garanderen dat de Rijksoverheid zelf als opdrachtgever helemaal klaar is om die rol met verve te vervullen als deze wet op 1 juli in werking treedt, hetgeen het streven van de minister is? Kan hij garanderen dat de overheid dit dan allemaal zo netjes doet dat bij de monitoring over een jaar niet zal blijken dat er bij overheidsopdrachten sprake is geweest van aansprakelijkheid omdat er in die ketens toch dingen zijn misgegaan? 

Bij ketenaansprakelijkheid is er ook de mogelijkheid van keurmerken. De minister moet die goedkeuren, als ik het goed begrijp. Wij krijgen berichten dat sectoren niet zo goed kunnen inschatten aan welke criteria de keurmerken moeten voldoen om goedkeuring te krijgen. Herkent de minister dat signaal? Is hij hierover in gesprek met de sociale partners? Zo nee, is hij dan bereid om dat gesprek aan te gaan? 

Ook zonder keurmerk kan een opdrachtgever natuurlijk niet-verwijtbaar zijn als hij alles goed doet wat redelijkerwijs van hem verlangd mag worden om ervoor te zorgen dat zijn opdrachtnemers netjes betalen. Ik vat het zo maar even kort samen. Het wetsvoorstel laat op dat punt nog wel veel ruimte voor interpretatie door de rechter. Volgens mij is dat bewust zo gedaan, maar het is natuurlijk niet de bedoeling dat een opdrachtgever die echt zijn uiterste best heeft gedaan om het netjes te doen, uiteindelijk toch met een dubbele rekening komt te zitten. Maar wat betekent het nu als straks een rechter zegt dat de opdrachtgever laag in de keten niet-verwijtbaar heeft gehandeld? Kan iemand hoog in de keten er dan van uitgaan dat die daarmee ook is gevrijwaard? 

Zie ik het nu goed dat er geen termijn in de wet is opgenomen waarbinnen werknemers hun werkgever moeten aanspreken op bijvoorbeeld onderbetaling? Kan dat niet tot de situatie leiden dat er soms heel veel jaren later alsnog zo'n zaak komt, wat het ook ingewikkeld maakt om dat te achterhalen bij iemand die daarna ook nog bij allerlei andere ketens heeft gewerkt? Het lijkt me lastig werkbaar. Heeft de minister overwogen om een maximale termijn in de wet op te nemen waarbinnen een loonvordering bij een werkgever moet worden gedaan? 

De ketenaansprakelijkheid is mooi, maar we moeten natuurlijk ook voorkomen dat mensen via allerlei bv'tjes toch uiteindelijk om die ketenaansprakelijkheid heen gaan. Er wordt een bv ontbonden, er wordt van eigenaar gewisseld, er zijn faillissementen en de natuurlijke personen weten de wet te omzeilen. Dan zijn alleen regels natuurlijk niet genoeg. De Raad van State wijst daar ook op. De beste manier om dat te voorkomen is dan natuurlijk meer handhaving. De voorzitter van de Sociaal-Economische Raad zei ook in een van de recente adviezen: handhaven, handhaven, handhaven is de manier om schijnconstructies tegen te gaan. 

We zien echter toch dat de inspectie steeds minder controleert. Het aantal controles op arbeidsmarktfraude is in vier jaar gehalveerd: 10.000 in 2010, 5.000 in 2014. Het CNV berekende recent dat de kans dat je een inspecteur langs krijgt eens in de 30 jaar is. Al meer dan drie jaar haalt de inspectie de eigen doelstellingen uit de begroting van Sociale Zaken niet. De minister heeft daarmee dit wetsvoorstel wel twee jaar lang mooi opgewreven, maar de glans gaat er natuurlijk wel wat af als de pakkans niet wordt vergroot. 

D66 heeft in november een voorstel gedaan om de inspectie meer capaciteit te geven. Het ging om 1,5 miljoen en het voorstel was netjes gedekt. Het werd door de minister weggewuifd en door de Partij van de Arbeid weggestemd. Nog geen maand later, bij de presentatie van de wet, klaagt de minister tot mijn verbazing dat het woekeren met capaciteit is bij de arbeidsinspectie. Had dan dat amendement omarmd, dacht ik toen ik naar die persconferentie zat te kijken. Ik zal hier waarschijnlijk in tweede termijn nog wel op terugkomen. Het lijkt mij namelijk cruciaal dat de pakkans wordt vergroot. 

Volgens de minister gaan we met deze wet efficiënter controleren. Maar op mijn vraag of dan met de huidige capaciteit meer gecontroleerd gaat worden, is het antwoord "nee, want er kunnen wel meer complexe zaken zijn". Maar als er meer complexe zaken zijn, dan zouden toch de pakkans en het aantal inspecties waarbij een overtreding wordt geconstateerd, moeten stijgen. Je gaat immers gerichter zoeken. Ook op die vraag was het antwoord echter "nee". Maar als dan het aantal inspecties niet stijgt, de pakkans niet stijgt en de kans op overtreding met gerichter zoeken niet stijgt, roept dit wel de vraag op hoe je nu toch kunt borgen dat deze wet een succes wordt. 

Ik eindig mijn bijdrage met een compliment. De wet bevat een uitgebreide monitor- en evaluatiebepaling: elk jaar een monitor en na drie jaar een evaluatie. Ik ben daar blij mee. Hadden alle wetsvoorstellen dat maar. Maar wanneer is de wet nu geslaagd? Is dat als er meer wordt ontdekt of als het percentage inspecties dat een misstand tegenkomt, wordt verhoogd? Wanneer is de minister nu tevreden? Is hij bereid om in die monitor ook op te nemen alle zaken waarin de overheid zelf via de ketenaansprakelijkheid wordt aangesproken? 

D66 zal deze wet van harte steunen. De wet zal helpen om schijnconstructies tegen te gaan, maar het zal niet genoeg zijn. Alleen regels zijn niet het hele verhaal; extra handhaving en een grotere pakkans zijn nodig. Wij steunen de wet en ik hoop dat de minister ook onze insteek steunt om tot meer inspecteurs en daarmee tot een grotere pakkans te komen. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Voorzitter. Ik zal mij niet bezondigen aan een exegese van de FNV-petitie. Ik heb in mijn fractie, ongeacht die FNV-petitie, de balans opgemaakt en wij zijn heel blij met deze wet. Dat kan ik alvast verklappen. Wij zullen het voorstel ook steunen. 

Ik was helaas niet bij de demonstratie. Daar was mijn collega Jesse Klaver en hij heeft zo'n heel grote, rode tas vol met petities op mijn kamer gezet. Ik neem aan dat ze allemaal hetzelfde zijn en dat ik ze niet allemaal hoef te lezen. Wat er nu precies wel en niet in staat, heb ik nu niet paraat. 

De fractie van GroenLinks zal deze wet graag steunen, omdat zij van mening is dat in de huidige praktijk op minimaal drie fronten iets mis is. Er is iets mis voor al die buitenlandse werknemers die vaak onder het minimumloon lange werkdagen maken zonder dat daar veel toezicht op is en dan van dat karige loon soms ook nog een torenhoge huur moeten betalen voor een wat amateuristisch opgeknapt arbeidershuisje ergens in Oost-Groningen. Of ze moeten — zo las ik ergens — van dat karige loon een tandpastatoeslag betalen. Dat de huidige praktijk voor die mensen goed mis is, hoeft geen toelichting. 

De huidige praktijk is echter ook goed mis voor de Nederlandse werknemer of de Nederlandse werkloze. In de regio Oost-Groningen is er een heel hoge werkloosheid. In de Eemshaven, een van de belangrijkste motoren van werkgelegenheid in die regio, zijn vooral buitenlandse werknemers werkzaam. Dus ook voor de Nederlandse werknemer en specifiek voor de Nederlandse werkloze is de huidige praktijk flink mis. 

De derde groep die gedupeerd wordt door de huidige situatie, is de Nederlandse belastingbetaler. Die betaalt mee aan de werkloosheidspremies van de mensen die eigenlijk verdrongen zijn uit het reguliere werk door mensen die worden uitgebuit zonder dat zij daar ook maar iets aan kunnen doen. Wie profiteren? Dat weten we ook. Dat zijn niet alleen allerlei louche uitzendbureaus ergens ver in de keten, maar dat zijn ook zeer gerespecteerde werkgevers bijvoorbeeld — ik had het over Oost-Groningen — energiebedrijven als Nuon en Essent, maar ook onze eigen Rijkswaterstaat. College Van Weyenberg sprak er zojuist over. Het is inderdaad vrij bizar. Ik sluit mij graag bij zijn woorden aan dat de Nederlandse wetgever wetgeving nodig heeft om uitvoerders van overheidsbeleid, in dit geval Rijkswaterstaat, tot de orde te roepen. Het moet niet gekker worden, zou je bijna zeggen. 

Al met al is het hoog tijd dat er iets gebeurt en het is heel goed dat dit met deze wet aanpak schijnconstructies uiteindelijk gebeurt. Daar zijn wij blij mee. Ik zei al dat wij deze wet ook zullen steunen. 

Dat laat onverlet dat ook de fractie van GroenLinks zich realiseert dat deze wet niet alle misstanden en oneerlijkheid op de arbeidsmarkt in één grote wetgevingsoperatie goedmaakt. We zijn ook best ongerust over het feit dat er na deze wet weer een nieuw kat-en-muisspel op gang kan komen, waarin werkgevers weer zullen proberen de randen van de wet op te zoeken. Ik zal een voorbeeld noemen en dat relateren aan wat collega Ulenbelt zei over de trap van bovenaf of van onderop schoonmaken. 

In de voorliggende wet stopt de aansprakelijkheid voor in de keten de volgende opdrachtgever, bijvoorbeeld na faillissement van een malafide onderaannemer. Je klopt bij iemand aan. Die malafide onderaannemer gaat failliet en is niet meer aansprakelijk, maar dan is degene die daarna komt in het trappenhuis ook niet meer aansprakelijk. Ik meen dat ik de wet op die manier goed heb gelezen. Op deze manier is het gevaar behoorlijk groot dat de hoofdaannemer of de opdrachtgever iedere aansprakelijkheid voor reeds opgetreden malafide praktijken van onderaannemers kan ontlopen. Daarom heb ik veel sympathie voor de gedachte die collega Ulenbelt net uitgebreid heeft toegelicht, namelijk dat je ervoor moet zorgen dat er geen situatie denkbaar is waarin de hoofdaannemer of de opdrachtgever aan de top van het trappenhuis zich onder zijn verantwoordelijkheid uit kan wurmen en dat je wellicht serieus moet overwegen om de trap van bovenaf schoon te vegen. Zo noemde de heer Ulenbelt dat, geloof ik. 

Wij maken ons ook zorgen over de vraag hoe de zorgverzekering in de toekomst zal worden geregeld, door wat er is afgesproken over de girale overmaking et cetera. De collega's voor mij spraken er ook over. GroenLinks is voorstander van keuzevrijheid en eigen regie en vindt het goed dat die straks ook voor arbeidsmigranten gelden. Zij kunnen zo hun eigen zorgverzekering kiezen. Maar dat moet natuurlijk niet tot het onbedoelde effect leiden dat ze zich niet meer verzekeren. Dat zullen wij allemaal vinden. Dat zal de minister ook vinden. Het risico bestaat dat arbeidsmigranten zich niet meer verzekeren, bijvoorbeeld als zij wel weten dat zij een relatief hoge zorgpremie moeten betalen, maar niet op de hoogte zijn van het bestaan van de mogelijkheid om zorgtoeslag aan te vragen. Dat wordt nu vaak centraal geregeld. Ik ken alle ongewenste effecten daarvan. Straks wordt het aan de werknemer overgelaten en heeft hij individuele keuzevrijheid, maar daar hoort dan ook wel kennis bij van de wijze waarop het Nederlandse systeem van de zorgverzekering inclusief het recht op zorgtoeslagen werkt. Ik denk dat er enige reden tot zorg is over de vraag of we kunnen verwachten dat buitenlandse werknemers op de hoogte zijn van al die regelingen, die vaak ook voor Nederlandse werknemers tamelijk ingewikkeld zijn. 

We hebben de brochure Nieuw in Nederland. Heeft de minister een idee van de mate waarin met die brochure nieuwkomers worden bereikt? Is de informatie die in die brochure staat voldoende adequaat? Ik noem één voorbeeld. Er staat bijvoorbeeld niet in, tenminste ik heb het niet kunnen vinden, dat het in Nederland verplicht is om verzekerd te zijn en dat je dus een boete kunt krijgen als je niet verzekerd bent. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de website van het Zorginstituut Nederland, waarop ook veel relevante informatie staat over alles wat met de zorgverzekering te maken heeft. Kan de minister mij toezeggen dat zowel de brochure als de website in relevante talen beschikbaar is? Voor zover ik heb kunnen nagaan is dat nu niet het geval. Het lijkt mij echt mogelijk om de zorg die wij hebben over de zorgverzekering weg te nemen. Wellicht kan daar nog iets meer aan worden gedaan. 

Dan nog heel kort iets over de reparatie van het mogelijke ongewenste effect voor seizoenwerkers van de transitievergoeding. Mijn collega's hebben daar uiteraard ook over gesproken. Seizoenarbeiders die nu regelmatig terugkeren bij een werkgever lopen het risico om straks alsnog dat recht of die mogelijkheid op terugkeer niet meer te hebben, omdat hun werkgever dan bang is dat hij een te hoge transitievergoeding moet betalen. De minister heeft daarvoor een oplossing gevonden door te zeggen dat de werkgever wordt vrijgesteld van het betalen van de transitievergoeding als deze bereid is de werknemer de garantie te geven dat hij kan terugkomen. Dat zou een oplossing kunnen zijn. Ik zeg dat bewust enigszins voorzichtig, want ook voor mijn fractie geldt dat wij er niet uitgebreid naar hebben kunnen kijken. 

Wij hebben wel vragen over een van de andere maatregelen die de minister in zijn brief van een week geleden aankondigt. Ik heb het over de maatregel die bedoeld is om het aantrekkelijker te maken om mensen in vast dienst te nemen. Hij zegt in feite: wij laten het opgebouwde recht op een transitievergoeding vervallen, voor zover die samenhangt met tijdelijke contracten, op het moment dat de werkgever een vast contract aanbiedt. Ik heb daarover twee vragen. Zo'n prikkel gaat pas werken als het om een flink bedrag aan transitievergoeding gaat. Ik neem aan dat de minister dit met mij eens is. Dat duurt wel even, dus hoe groot is het risico dat die prikkel helemaal niet werkt? Als die prikkel wel werkt, betekent het dus dat je een vast contract krijgt. Maar ja, laat ik het huiselijk zeggen: hoe vast is nog een vast contract? Hoe groot is het risico dat je met je vaste contract na een jaar of twee jaar toch weer je baan kwijtraakt, met als enige gevolg dat de transitievergoeding dan lager is dan die zou zijn geweest als de minister niet deze maatregel had genomen? Het is een beetje ingewikkeld, maar volgens mij begrijpt de minister uitstekend wat ik bedoel en dat geldt ongetwijfeld ook voor u, mevrouw de voorzitter, en voor mijn collega's. Ik wilde het hier eigenlijk bij laten. 

De voorzitter:

Dat is helder, mijnheer Van Ojik, dank u wel. 

Dan is nu het woord aan de heer Heerma voor zijn eerste termijn, namens de fractie van het CDA. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

Voorzitter. Het doel van de Wet aanpak schijnconstructies is het tegengaan van oneerlijke concurrentie, schijnconstructies en misbruik van werknemers door onderbetaling. Dat is een prima doel. Het wetsvoorstel lijkt in grote lijnen te gaan doen wat het moet doen. Natuurlijk zijn er kanttekeningen bij te plaatsen en vraagtekens bij te zetten. Ook moeten wij de werking van de wet niet overschatten. 

Op deze punten zal ik zo terugkomen, maar ik wil beginnen met de brief van deze week over de nota van wijziging ten aanzien van de terugwerkende kracht van de transitievergoeding. Ik wil het vooral hebben over de effecten die dit heeft voor seizoenarbeiders. In het algemeen overleg dat wij hierover enkele weken geleden hadden, heb ik de minister gecomplimenteerd voor de toezegging die hij toen deed om het onbedoelde en ongewenste effect dat hierdoor ontstaat, aan te pakken. Intussen ligt de brief er. Ik moet zeggen dat het mij spijt dat het werkgevers en werknemers niet is gelukt om er zelf uit te komen. Dat overleg is geklapt. De minister had aangekondigd dat hij desnoods een salomonsoordeel zou vellen. Hij heeft dit salomonsoordeel ook geveld. Daar wil ik hem wederom mee complimenteren. Door vakbonden en ook door LTO is kritisch op de wettelijke oplossing gereageerd. Gegeven de situatie die is ontstaan en gegeven het ongewenste en onbedoelde effect, is het antwoord dat er ligt niet verkeerd. De problemen met de terugwerkende kracht kunnen ermee worden ondervangen. De minister schrijft in zijn brief dat het om een onbedoeld en ongewenst effect ging. De tweede reden die hij noemde, was dat hij expliciet kiest voor het behoud van banen boven het verkrijgen van een transitievergoeding. Ik denk dat dit een terechte afweging is. 

In navolging van collega Van Weyenberg wil ik toch ook de vraag stellen over de zorg dat dit effect toch nog zal optreden. Ik vond de brief van LTO zeer kritisch, gegeven de behoorlijke beperking van de terugwerkende kracht. LTO voorspelt dat de gevreesde draaideur van seizoenarbeiders zal ontstaan. De minister geeft echter aan dat hij deze maatregel neemt om dat juist tegen te gaan. Deelt de minister de inschatting dat dit zal gebeuren? Gegeven de grote inperking van de terugwerkende kracht zou het niet meer hoeven gebeuren. Is de minister bereid om de Kamer toe te zeggen dat hij de komende maanden de vinger aan de pols zal houden om te zien of die draaideur met seizoenarbeiders onverhoopt niet toch zal ontstaan? Ik stel hem deze vraag ook in verband met zijn motivatie om te kiezen voor behoud van banen boven een transitievergoeding. 

Ik ga terug naar de Wet aanpak schijnconstructies en begin met het belangrijkste onderdeel, de ketenaansprakelijkheid. De vormgeving van de ketenaansprakelijkheid heeft in het voortraject van deze wet nogal wat voeten in de aarde gehad. Er was nog wat overleg binnen de coalitie en daarbuiten met sociale partners. Er is veel gesteggeld en op een laat moment is nog het nodige veranderd. Van wat er nu ligt, kan gezegd worden dat het belangrijkste positieve effect is dat opdrachtgevers zich meer van de situatie bewust zullen zijn en een grotere verantwoordelijkheid zullen krijgen om na te denken over de beantwoording van de vraag of in de keten verschuldigde loon ook op een correcte manier wordt uitbetaald. Daarmee hangt de vraag samen of dit ook kan voor de prijs die zijzelf betalen. De ketenaansprakelijkheid kan een reinigende werking hebben. Dat wordt ook bevestigd omdat niet alleen de werknemers, maar ook diverse kleine werkgevers, kleine mkb-aannemers aangeven dat de reinigende werking er zal komen en dat die tot eerlijker prijzen in de keten zal leiden. Ik geloof wel in dat effect. Ik geloof ook dat die reinigende werking er kan zijn. 

De vraag die blijft hangen is of dit ook een oplossing is voor de echte kwaadwillenden. Voorgaande sprekers hebben het hier ook over gehad. In mijn beleving is dat een kleine minderheid. Die kleine minderheid denkt volgens mij nu al na over de schijnconstructies van morgen. Die constructies zijn vandaag al in de spreekwoordelijke steigers gezet. Acht de minister mij te pessimistisch in dit oordeel over die kleine minderheid van echt kwaadwillenden? Ziet de minister als gevolg van deze wet allerlei nieuwe schijnconstructies ontstaan? Ziet hij een toename van het werken met zzp'ers en van allerlei buitenlandse bv's in de keten met faillissementen in verschillende landen waardoor het opschalen moeilijk rond te krijgen is? Ik krijg hierop graag een reactie van de minister. 

Een aanverwante vraag is of het mogelijk is om de echte kwaadwillenden met een wet als deze aan te pakken. Als wij het zoeken in het steeds strakker maken van de wet, zullen er steeds nieuwe mazen gevonden worden door de echte kwaadwillenden. De overgrote meerderheid van de werkgevers bestaat uit goedwillenden en voor hen zal het vastlopen in de bureaucratie. Dat zou zonde zijn. Dan leidt de wet niet tot minder schijnconstructies, maar tot andere schijnconstructies en tot meer bureaucratie. Dat nog los van het feit — dat geeft de minister in de schriftelijke beantwoording toe — dat dit wetsvoorstel geen oplossing biedt voor allerlei ervaren oneerlijke concurrentie als gevolg van Europese detacheringsregels. Die blijven buiten de scope van deze wet. 

In navolging van de heer Van Weyenberg — ik heb zijn amendement eerder gesteund — wil ik een pleidooi houden voor de inspectiecapaciteit. Die inspectiecapaciteit en noeste werkijver kunnen ertoe leiden dat de kwaadwillenden worden aangepakt. Dan heb je een echte oplossing, in plaats van die mazen waar steeds opnieuw tussendoor geglipt kan worden. Toename van de pakkans en bestrafkans gaat de reinigende werking van de ketenaansprakelijkheid echt vergroten. Ik vraag de minister daarom nogmaals — die suggestie is ook bij de begrotingsbehandeling gedaan — om goed te kijken naar de inspectiecapaciteit, om te bezien of die uitbreiding kan plaatsvinden. 

Bij dit onderdeel van het wetsvoorstel moest ik, toen ik het aan het voorbereiden was, onwillekeurig terugdenken aan de Fraudewet. Daar hebben we met elkaar nogal wat over gesteggeld de afgelopen anderhalf jaar. Juist bij die wet kun je zien wat er gebeurt als ongemak over de geringe pakkans voor die kleine minderheid, ook daar, die willens en wetens de boel bedondert, zich uit in een heel strenge wet. Je kunt dan zien hoe lang wij hier al met elkaar discussiëren, tot een gerechtelijke uitspraak aan toe, over het substitueren van het verhogen van de pakkans door een heel strenge wet die juist al die goedwillenden raakt. Daar hoor ik ook graag een reactie op. 

Na de ketenaansprakelijk wil ik het hebben — dat is mijn laatste centrale onderwerp — over de verrekening met loon. Dat is door diverse sprekers al aangehaald. Ik kan me goed vinden in veel onderdelen van het wetsvoorstel die met het loon en met de loonstrook te maken hebben. Het is juist die vergroting van de transparantie — het feit dat het duidelijk opgeschreven moet worden en er geen onbestemde onkostenvergoedingen op loonstroken mogen staan — die helpt. Dan wordt het zichtbaar en controleerbaar. De uitwerking van een verbod op de inhoudingen en verrekeningen rond het minimumloon kan echter juist haaks staan op dat doel, namelijk die controleerbaarheid en die zichtbaarheid. Als je zichtbaar op een loonstrook een inhouding hebt staan voor huisvesting van €120 per week, zie je dat en weet je dat er iets mis is. Dan heb je een reden om aan de bel te trekken. Een inhouding voor huisvesting van €50 per week is niet onredelijk, zeker niet als die gebaseerd is op de werkelijke kosten die zijn gemaakt. Juist doordat het zichtbaar is op die loonstrook, kan het controleerbaar en handhaafbaar zijn. Verlies je dat niet als het daarvan afgaat? 

Ik snap het principiële punt rondom het minimumloon. Ik snap ook dat het giraal uitbetalen van het minimumloon in de handhaving simpel te controleren is. Ik snap ook — daar werd net ook over gesproken — de strijd tegen de gedwongen winkelnering. Tegelijkertijd blijft bij mij de vraag hangen of het probleem echt wordt opgelost hiermee of dat straks het gevolg van dit onderdeel is dat het in de praktijk minder transparant is geworden. Dat geldt ook voor het gesjoemel met die zorgpolissen. Het weren daarvan van de loonstrook heeft niet het gesjoemel uitgebannen. De vormgeving ervan zal hooguit veranderen. De heer Van Weyenberg sprak daar net ook over. Daarom vraag ik de minister om een reactie hierop. Daarbij wil ik een open vraag stellen. Ik heb de reinigende werking gezien die van de ketenaansprakelijkheid uitgaat. Op dit onderdeel van het wetsvoorstel mis ik de reinigende werking die ervan uit kan gaan. Als die er is, hoor ik dat ook graag van de minister. 

Ik vraag hem er ook bij waarom niet is gekozen voor een andere stap: meer eisen aan de voorkant rondom die inhoudingen en meer transparantie, juist zichtbaar op de loonstrook, en terug naar een situatie waarin je juist maxima gaat stellen aan de bedragen die worden ingehouden. Nogmaals, €50 voor huisvesting per week is echt een ander verhaal dan €120 per week. Het gaat om goed en duidelijk controleerbaar, zichtbaar op de loonstrook voor iedereen. Wat mij betreft kun je dat ook koppelen aan harder optreden wanneer er sprake is van die afgedwongen, geëiste, winkelnering, waarbij een werknemer wordt gedwongen om bepaalde keuzes te maken. 

Ik wil ook nog op een specifiek punt op dit vlak ingaan. De heer Van Weyenberg had het al over de uitzenders en de zorgverzekering. Ik hoor van lokale bestuurders dat zij zich ook zorgen maken. Zij zijn bang dat problemen zich zullen verplaatsen als gevolg van het minder zichtbaar zijn en het minder transparant zijn. Ja, het minimumloon is giraal uitbetaald, maar in de praktijk zullen er weer meer huisjesmelkers komen. Kan de minister uitsluiten dat er meer van zulke problemen zullen ontstaan? Kan hij uitsluiten dat de oplossingen die hier op papier zijn gezet, in de praktijk tot nieuwe problemen zullen leiden? Is hij bereid om die AMvB die in de wet zit, wél in te gaan vullen? Tot nu toe heeft de minister in de schriftelijke behandeling gesteld dat hij niet bereid is, of niet het voornemen heeft om dat te gaan doen. Als die AMvB wel wordt ingevuld, wordt er voor de goedwillende een geconditioneerde mogelijkheid gecreëerd om er wel gebruik van te maken. 

Er is, tot slot, volgens mij in februari een arrest geweest van het Europees Hof. Daarin wordt iets gezegd over de vraag of verrekeningen en inhoudingen überhaupt wel mogen op Europees niveau. Dat is volgens mij relevant voor de discussie die we hier op dit punt voeren. Kan de minister hierop ingaan? Welke implicaties zou dat arrest kunnen hebben voor de mogelijkheid om de AMvB in te vullen zoals ik heb gevraagd? 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Voorzitter. Het komt volgens mij niet vaak voor dat bij de behandeling van een wetsvoorstel in de Kamer heel veel woordvoerders al in ongeveer de eerste zin van hun bijdrage zeggen dat zij het doel van de wet heel erg steunen. Ik kan direct melden dat ook mijn fractie dat doel steunt. 

Toen ik deze wetsbehandeling aan het voorbereiden was, moest ik onwillekeurig toch even terugdenken aan een situatie die ik twee en een half jaar geleden tegenkwam. Ik was op een bouwplaats waar woningen werden gerenoveerd. Het was vrijdagmiddag. Ik liep daar rond met een aantal mensen; ik had een gesprek. Op een gegeven moment zag ik een aantal werknemers samenklitten bij wat een uitvoerder bleek te zijn. Ik dacht eerst dat zij nog even de werkzaamheden voor de komende week aan het doornemen waren, maar de uitvoerder trok al snel een bundeltje uit zijn binnenzak. Dat bundeltje bleek te bestaan uit een aantal bankbiljetten. De mensen werden er te plekke uitbetaald. Ik stond op dat moment, maar figuurlijk viel ik zo ongeveer van m'n stoel toen ik dat zag. Ik vroeg mij af of die mensen ook daadwerkelijk het minimumloon kregen uitbetaald. Ik ging dus naar die uitvoerder, of wat hij ook was. Hij verwees mij al heel snel door naar de aannemer. Ik ging naar de aannemer toe. Hij zei: ja, u moet bij de opdrachtgever zijn. Dit is de kern van het probleem waar heel veel werknemers uit de Midden- en Oost-Europese landen vaak toch mee te maken hebben. Ik werd erg gefrustreerd van het feit dat ik er niet de vinger achter kon krijgen waar het probleem nu zat. 

Ik constateer dat deze wet misschien helaas niet het hele probleem gaat wegnemen, maar in ieder geval wel meer bewustzijn en verantwoordelijkheid gaat creëren voor alle schakels in zo'n keten. Men kan daar niet meer zeggen: ik heb het niet geweten. Men kan niet meer zeggen: het is niet mijn verantwoordelijkheid. Dat is volgens mij de kern. Wat dat betreft is het dus heel goed dat de ketenaansprakelijkheid wordt geregeld. Wat ons betreft is een werknemer zijn loon gewoon waard. 

Het is inderdaad wel de vraag of deze wet niet andere creatieve mogelijkheid gaat creëren om toch weer onder die ketenaansprakelijkheid uit te komen. Ik besef dat met elke wet die wij in de Kamer aannemen, er altijd situaties zullen ontstaan waardoor die wet ontdoken kan worden. Maar een wet is wel een norm, en die norm stellen wij met elkaar in de Kamer. 

Toch vrees ik dat er bepaalde situaties ontstaan waardoor dit nog wel mis kan gaan. Ik hoop dat ze niet ontstaan, maar ik denk dat het wél zal gebeuren. Ik kan me voorstellen dat er bijvoorbeeld na aanname van de wet opeens heel veel zzp'ers in dienst worden genomen. Ik zeg erbij dat het schijn-zzp'ers zullen zijn, want ik geloof niet dat deze mensen dan allemaal opeens zelfstandig bedenken: ik word zzp'er! Wat is de oplossing van de minister voor dat probleem? Gaat hij daar bijvoorbeeld straks meer op controleren? Als we namelijk een wet aannemen, is het ook wel zaak dat die wordt gehandhaafd. 

Dan kom ik vanzelf bij het punt van de inspectie. Een aantal woordvoerders voor mij heeft daar al op gewezen. Wij hebben daar inderdaad vorig jaar bij de begrotingsbehandeling over gesproken. Heeft de inspectie voldoende armslag? Zijn er genoeg inspecteurs om te controleren of de wetten worden nageleefd? Ik denk dat het bij deze wet cruciaal is om te zien of dat het geval is. Daar heb ik zo mijn zorgen over. Ik geef de minister graag de ruimte om die zorgen weg te nemen. Anders — ik zeg dit als een aanmoediging voor hem richting het kabinet — zou het wat ons betreft een goed idee zijn als hij kijkt of hij de inspectie misschien moet uitbreiden, al is het maar om deze wet een goede kans te geven. 

Ik kom bij het punt van de verrekeningen en de inhoudingen op het minimumloon. Ik heb begrepen dat daar toch wel de grootste hiccup zit bij een aantal partijen in deze Kamer. Laat ik er duidelijk over zijn: een werkgever die van goede zin is, hoeft hier geen last van te hebben. Die kan prima met een automatisch incasso ervoor zorgen dat hij zijn huur krijgt en als er bijvoorbeeld collectief iets wordt afgedragen voor de ziektekosten of iets dergelijks, kan dat ook geregeld worden. Ik zie vooral het gevaar dat dit een excuus is om toch weer schimmige constructies rondom het minimumloon op te bouwen. Er zijn voorbeelden — ik meen dat die ook in het verslag staan — dat daar inhoudingen op waren. Ik zeg niet dat dat bij huur zo is. Er zijn echt werkgevers die het goede voor hebben met hun personeel, maar er zijn er ook die dit kunnen misbruiken om weer van dat soort vage regelingen in het leven te roepen. Daar zijn wij pertinent op tegen. Dus alle steun voor dat onderdeel in de wet. 

De heer Ulenbelt kwam ermee dat dit door werkgevers ook gebruikt zou kunnen worden als een soort fiscale constructie. Die verrekening zou bijvoorbeeld van het brutoloon worden ingehouden in plaats van op het nettoloon. Heeft de minister indicaties dat dat gebeurt? 

De heer Heerma gaf al aan dat er in Europa een discussie gaande is over het al dan niet mogelijk zijn van deze verrekeningen. Ik meen dat dat de nieuwe handhavingsrichtlijn detachering is. Als wij straks bijvoorbeeld toch meer ruimte zouden gaan laten voor verrekeningen en inhoudingen op het minimumloon — wat niet mijn wens is — vinden wij Europa dan op onze weg? Kan de minister daarop ingaan? 

Wanneer er meer dan 50% verschil is tussen de uitbetaling van het loon en het cao-loon is er volgens de wet sprake van ernstige onderbetaling. In dat geval is ook de opdrachtgever aansprakelijk. Tussen de 0% en 50% is alleen de hoofdaannemer aansprakelijk. Is dat niet een heel grote stap voordat de opdrachtgever in beeld komt? Ik kan mij zo voorstellen — ik denk dan weer even aan de situatie waar ik in het begin over vertelde, namelijk de werknemers die contant werden uitbetaald — dat er inderdaad een forse druk is vanuit de opdrachtgever om toch maar wat minder te betalen, al is het maar om een heel scherpe aanneemsom vast te stellen. Daardoor zou de aannemer gewoon knel kunnen komen te zitten. Als we dan zeggen dat dat de verantwoordelijkheid van de aannemer is en niet van de opdrachtgever, vind ik dat toch een beetje te makkelijk. Deelt de minister die mening? Vindt hij zelf ook dat die stap misschien toch wat kleiner gemaakt zou moeten worden? We kunnen een heel debat gaan voeren over welk percentage dat dan moet zijn, maar 50% onderbetaling ten opzichte van het cao-loon vind ik wel een heel grote stap. Wil de minister aangeven waarom hij hiervoor heeft gekozen? 

Ik rond af met een laatste punt en dat betreft de nota van wijziging. Die is er inderdaad gekomen naar aanleiding van onze bezorgdheid over het ongewilde effect dat voortvloeide uit de terugwerkende kracht van de transitievergoeding voor de seizoenwerkers. Ik denk dat de oplossing die nu gekozen is inderdaad een goede weging is van de belangen van werkgevers en die van werknemers. Wij kunnen hierbij dus aangeven dat wij de nota van wijziging steunen. Wel vraag ik de minister om een toelichting op het proces. Hoe is het bijvoorbeeld met de sociale partners gegaan? Wij horen daar wel indirect verhalen over, maar ik hoor ook graag de perceptie van de minister van de manier waarop het is gegaan. Ik denk dat dit een heel werkbare oplossing is en ik dank de minister hiervoor. 

De heer Ulenbelt (SP):

Mijn interruptie heeft betrekking op het laatste punt. De formulering die de minister heeft gekozen in de nota van wijziging, heeft niet alleen betrekking op seizoenwerkers. Het is veel breder. Is mevrouw Schouten, die dit omarmt, niet bang voor onbedoelde effecten in het onderwijs, uitzendwerk, tijdelijke contracten in de metaal, ziekenhuizen, effecten die zij eigenlijk niet wilde toen zij stemde voor de Wet werk en zekerheid? 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Wij hebben gestemd voor de Wet werk en zekerheid en de SP niet. De grap is dat degene die tegen die wet was, nu de grootste pleitbezorger is. Het is in ieder geval een heel mooie constatering dat de SP nu ook binnenboord is. Ik denk dat de minister goed heeft gelet op het gevaar dat wij zien dat juist degenen met een flexcontract en dergelijke hiervan de dupe worden doordat zij hun baan verliezen. De minister heeft hierin een goede weging gemaakt: aan de ene kant het voorkomen van ontslag, baanverlies of wat dan ook om financiële redenen en aan de andere kant bekijken hoe je dit goed kunt toepassen. Ik geloof dat die balans goed is gevonden. 

De heer Ulenbelt (SP):

Mevrouw Schouten zegt nu dat wij voor de wet zijn. In een wet zitten goede en slechte dingen. Dit was een goed dingetje. Dat goede dingetje wordt er nu uitgehaald. Dat is reden om nog meer tegen die wet te zijn. Het is een argument in mijn voordeel in plaats van in mijn nadeel, zou ik zeggen. Is mevrouw Schouten dan niet geïnteresseerd in de vraag wie dit buiten het seizoenwerk allemaal zal treffen? Moet zij dat antwoord niet eerst afwachten voordat zij die nota van wijziging omarmt? 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Die vraag had de heer Ulenbelt zelf volgens mij ook al gesteld, dus het antwoord hoor ik vanzelf wel. Mijn weging is dat er een goede balans is gevonden. Ik geloof dat het erop toeziet dat de onbedoelde effecten die erin zaten en die bijna alle partijen in de Kamer behalve de SP hebben gezien, daarmee getackeld zijn. Bovendien is de minister de werknemers meer tegemoetgekomen dan wij als Kamer in eerste instantie vroegen. Hij heeft het immers teruggebracht tot 2012, zeg ik uit mijn hoofd. Daarmee mag worden gerekend. Ik denk dus dat hij wel degelijk heeft zitten wegen. Ik hoop dat het goede puntje dat de heer Ulenbelt in een wet ziet, hem de volgende keer verleidt om toch maar te kiezen voor zo'n wet, in plaats van heel rabiaat te zeggen: het merendeel deugt niet, dus steunen wij de wet niet. Ik denk dat dat bij deze wet ook het geval is. In mijn interruptie bij het betoog van de heer Ulenbelt hadden we het daar ook al over. Soms moet je kijken naar stappen vooruit in plaats van kiezen voor stilstand. 

De heer De Graaf (PVV):

Voorzitter. Schijnconstructies, schijnconstructies ... We hebben er weleens een grapje over gemaakt, in die zin dat de minister 's morgens al met schijnconstructies zou opstaan en dergelijke. Maar het resultaat ligt voor. De minister is er het afgelopen jaar druk mee geweest, ook met het handen schudden met heel veel imams, natuurlijk. Dat waren de twee hoofdzaken van de minister het afgelopen jaar. Maar de Wet aanpak schijnconstructies, afgekort WAS — we gaan met zijn allen de WAS doen — ligt voor. 

Schijnconstructies — volgens mij heb ik het woord nu zelf ook al vijf of zes keer gebruikt — worden opgetuigd door malafide ondernemers om werknemers uit vooral Oost-Europa, uit Oost-Europese landen, uit te buiten. Van uitbuiting moeten we af. De PVV is het daarmee eens. Dat standpunt delen wij. Maar uitbuiting wordt gefaciliteerd door twee zaken. De eerste zaak is het feit dat onze grenzen nog steeds wagenwijd openstaan voor die bewuste werknemers om hier te kunnen komen werken. De open grenzen scheppen de voorwaarden voor uitbuiting. Technisch gesproken staat "open grenzen" overigens voor het laten vervallen van de tewerkstellingsvergunning. Nadat een land zeven jaar lid is van de EU, gaat die verplichting eraf en kunnen mensen hierheen komen. De tweede zaak is de daadwerkelijke slechtheid van de uitbuiters zelve, die door de open grenzen hun kans schoon zagen om het economisch principe in hun bedrijf op volstrekt amorele wijze in te vullen en mensen op een mensonwaardige manier te behandelen. Zo kan toenmalig Eurocommissaris Bolkestein van de VVD de Dienstenrichtlijn toch niet bedoeld hebben. Noem het een slippertje. De gevolgen daarvan ervaren vele Nederlanders dagelijks, omdat zij hun baan zijn kwijtgeraakt. Ook de vele buitenlanders ervaren die gevolgen middels de uitbuiting waarover we het hadden. 

De Wet aanpak schijnconstructies bestrijdt slechts de symptomen van het onderliggende probleem terwijl het echte probleem niet wordt aangepakt. Zie het als volgt voor je. Nederland heeft een flinke hernia, maar de patiënt krijgt alleen een paracetamolletje terwijl de patiënt plat moet en daarna geopereerd moet worden. Die twee dingen blijven echter achterwege. Er wordt een paracetamol in gestopt, maar de patiënt blijft doorlopen. De rug wordt daardoor alleen maar slechter. Natuurlijk moet die paracetamol er wel in, want pijn gunnen we niemand. Inhoudelijk valt er niet veel aan te merken op deze wet. Er zijn al heel veel vragen gesteld door de collega's. Gezien de weigering van de regering om iets te doen aan de open grenzen voor arbeiders uit Oost-Europa, is deze wet natuurlijk nodig. We zullen deze zeer waarschijnlijk gaan steunen. Er moet echter wel meer gebeuren. 

Nederland telt 645.000 mensen die officieel werkloos zijn. Dat aantal loopt overigens weer op, hoorden we vandaag. Er zijn mensen die tezamen een miljoen kleine banen tussen de één en twaalf uur vervullen. Daarnaast hebben we nog eens meer dan 430.000 mensen in de bijstand. Er kwamen vorig jaar zo'n 24.000 mensen uit Polen naar Nederland, van wie 70% zegt hier te komen werken. Het aantal Roemenen dat kwam, verdubbelde ten opzichte van het jaar ervoor. Het geld dat zij in Nederland beuren wordt in ieder geval voor een deel uitgegeven in het buitenland. Ik gebruik expres het woord "beuren", want in Oost-Europa weet men natuurlijk heel goed dat de uitkeringspotten hier op keurige wijze kunnen worden leeggeroofd. Dan hebben we ook nog het probleem van de criminaliteit: pinpasfraude, Bulgarenfraude. Laten we daar nog maar over zwijgen. Nederland wordt nog steeds leeggeroofd. Dat geld gaat voor een deel naar het buitenland, dus ook economisch gezien hebben we last van deze situatie. Daarom vinden wij het hard nodig — ik herhaal daarmee wat wij als PVV al jaren steeds zeggen — dat de tewerkstellingsvergunning terug wordt ingevoerd. De grenzen moeten gewoon dicht. De gewone Nederlander kan het niet meer aanzien dat een kabinet dat met één pennenstreek 18 miljard aan de Grieken doneert, dat islamitische massa-immigratie blijft faciliteren, dat Oost-Europeanen de banen laat overnemen en dat Nederland onveiliger maakt, komt met een aspirientje tegen die hernia. 

De heer Van Weyenberg (D66):

Even dacht ik dat dit een bijzonder moment was. Ik hoorde de heer De Graaf namelijk zeggen dat er op deze wet niks aan te merken is. Dat is toch een heel nieuw geluid. Maar gelukkig kwam dezelfde tirade die we meestal horen. Ik heb een heel simpele vraag. De heer De Graaf wil de grenzen dicht in Europa. Werken er nu meer Nederlanders in andere Europese landen of meer mensen uit andere Europese landen in Nederland? 

De heer De Graaf (PVV):

Ik vind dit een vraag van geen enkele importantie. Het maakt mij ook niet uit. Ik zeg eerlijk dat ik de cijfers niet precies weet, maar dat maakt mij helemaal niks uit. Het gaat mij erom dat Nederlanders in Nederland hun baan kwijtraken. 

De heer Van Weyenberg (D66):

Dan is de heer De Graaf er straks wel verantwoordelijk voor dat al die Nederlanders in andere landen hun baan kwijtraken. Ik kan hem vertellen dat er meer Nederlanders in andere Europese landen werken dan omgekeerd. De heer De Graaf wil blijkbaar de grenzen dicht. Dan raken al die mensen hun baan kwijt. Dat lijkt mij toch niet de oplossing. 

De heer De Graaf (PVV):

Dat laatste is een onzinconclusie. Als wij de tewerkstellingsvergunning schrappen, hoeven al die andere landen dat natuurlijk niet te doen. Dat moeten al die andere landen zelf weten. Wij gaan over Nederland. Dit is heel simpel. De heer Van Weyenberg trekt echt een kleuterconclusie. Het is echt lagereschoollogica. Maar dat mag hij doen. 

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik dank de heer De Graaf voor het compliment. Hij had geen inhoudelijk antwoord. We kregen de gebruikelijke tirades. Dat zie ik altijd als een bevestiging. Ik vind het heel gek. De heer De Graaf moet consequent zijn. Als hij zegt dat de grenzen dicht moeten, moet hij ook zeggen dat Nederlanders niet meer in andere landen moeten werken. Dat weet hij donders goed. Laat hij dan gewoon eerlijk zijn. 

De heer De Graaf (PVV):

Ik moet helemaal niets zeggen. Ook in D66 zit een marxistische component. Zij vindt dat wij dan dingen moeten zeggen. Daar komt dan de ware aard van de heer Van Weyenberg naar boven. Hij zegt: u moet dingen zeggen. Nee, ik bepaal zelf wat ik zeg. Zo simpel is het. Zo werkt het in een parlement en zo werkt het met de vrijheid van meningsuiting. We bepalen zelf wat we zeggen. We gaan over onze eigen woorden en dus houden we het gewoon bij de kleuterconclusie van de heer Van Weyenberg. 

Polen die hier gekomen zijn, zien dat de levensstandaard in Nederland hoger ligt dan in pakweg Silezië. Zij gaan niet meer weg als zij hun baan hier kwijtraken. Sommigen wel, maar de meesten niet, want de uitkeringen zijn beter dan in Polen. Uit medemenselijkheid zullen we ja zeggen tegen deze wet, zoals ik al zei, maar we zeggen nee tegen de weigering van dit kabinet om de grenzen te sluiten en eindelijk eens op te komen voor Nederlanders in plaats van voor vreemdelingen. Daar laat ik het bij voor de eerste termijn. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Toen er eerst een amendement-Bisschop werd ingediend op dit wetsvoorstel en vervolgens een amendement-Dijkgraaf volgde, steeg natuurlijk de spanning over de vraag wie de SGP zou vertegenwoordigen in het debat van vanavond. Welnu, zoals u ziet, is het geen van beiden. Dat is niet omdat het chefsache is geworden, zoals ik de minister hoor suggereren. De schijn kan ook gewekt zijn dat er twee honden vechten om een been en dat de derde er hard mee heen ging. Het is wat minder poëtisch en wat prozaïscher, namelijk dat dit debat op een zodanig tijdstip plaatsvindt dat noch de heer Dijkgraaf, noch mijn fractiegenoot Bisschop het woord kan voeren. In de avonddienst die ik zelf vervul, is mij het voorrecht ten deel gevallen om een bijdrage aan dit debat te mogen leveren. 

De voorzitter:

Ik zat met bewondering te luisteren, maar er is een interruptie van mevrouw Schouten. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik heb even een punt van orde. Ik heb heel fundamentele vragen bij het amendement-Bisschop en het amendement-Dijkgraaf. Kunnen de heren die fundamentele vragen ook beantwoorden? 

De heer Van der Staaij (SGP):

Het zal moeten blijken of deze naar bevrediging beantwoord kunnen worden, maar het kan ook zijn dat mevrouw Schouten de antwoorden op haar bedenkingen van geen van de drie leden van de SGP-fractie bevredigend vindt. Laten we dat gewoon maar afwachten. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik mag er dus van uitgaan dat deze woordvoerder, de heer Van der Staaij, exact weet wat er in de hoofden van de heer Bisschop en de heer Dijkgraaf is omgegaan, zodat hij een excellent beantwoording kan geven op die vragen? 

De heer Van der Staaij (SGP):

Dat lijkt me een juiste veronderstelling. 

De voorzitter:

Gaat u dan maar verder, mijnheer Van der Staaij. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Om dan toch maar bij mevrouw Schouten te beginnen, ik weet niet of men het gehoord heeft, maar zij heeft een mooie Bijbeltekst in haar betoog vervlochten, zij het in een wat moderne vertaling, namelijk: de arbeider is zijn loon waardig. De werknemer is zijn loon waard, zei mevrouw Schouten, maar dat komt op hetzelfde neer. Ik heb nog even nagekeken waar dat nu eigenlijk staat. Dat is op verschillende plaatsen, onder andere in Lucas 10 en in Timotheüs 5. Het slaat ook nog terug op het Oude Testament, want het is een heel oude gedachte. Daarin wordt zelfs gesteld dat het loon van de dagloner niet mag vernachten. Er moet geen dag overheen gaan. Het lijdt geen uitstel dat die werknemer of die arbeider dat loon zo snel mogelijk moet krijgen. 

Ik denk dat dit een belangrijk uitgangspunt is, dat ons ook aanspreekt in dit wetsvoorstel. De werkgever is verplicht om het in geld vastgestelde loon te voldoen. Dat is een morele verantwoordelijkheid. Het is ook een belangrijk juridisch uitgangspunt. Dit voorstel zorgt er ook voor dat werknemers hun recht op loon beter kunnen waarmaken. Wij vinden het een goede zaak dat de overheid zich zorgen maakt over werknemers die met lege handen komen te staan door werkgevers die zich onttrekken aan hun verplichtingen. Werknemers zijn de kwetsbare schakel in de ingewikkelde economische ketens die inmiddels aan de orde van de dag zijn. 

Niet in mijn eerste zin, maar aan het slot van mijn inleidende opmerkingen kan ik zeggen dat de SGP-fractie de doelstelling van dit wetsvoorstel om misbruik en uitbuiting tegen te gaan deelt. Wij vinden dat het wetsvoorstel veel goede onderdelen bevat, zoals het verplichten van een heldere loonstrook en de girale betaling van het minimumloon, maar wij hebben wel nog wat zorgen en vragen. Wij vinden dat er voldoende recht moet worden gedaan aan de werkgevers, ook kleine, die zich van tijd tot tijd bij ons melden en ons vragen of wij, met al onze goede bedoelingen, hen niet opzadelen met te veel bureaucratie of onrechtvaardigheden in de uitvoering, bijvoorbeeld wanneer zij eigenlijk unfair worden aangesproken op bepaalde zaken. Vanuit die invalshoek heb ik in dit debat nog een aantal kritische vragen te stellen en een tweetal amendementen te verdedigen. 

Nu de trap van de heer Ulenbelt, zij het in een wat andere versie. De tweede trede van een trap komt na de eerste. Als je omhoog wilt, kan het weleens handig zijn om een paar treden over te slaan, maar daardoor kunnen ook makkelijk brokken ontstaan. Het idee van een trap is dat je stap voor stap naar boven loopt. Volgens ons geldt dat ook voor het aansprakelijk stellen van burgers en ondernemers. Wij vinden het een goed uitgangspunt dat de eerstverantwoordelijke het eerst wordt aangesproken. Dat was aanvankelijk het uitgangspunt in het wetsvoorstel en dat werd consequent toegepast, maar later is voorgesteld om juist onder in de keten van werkgever en opdrachtgever hiervan af te wijken. Naast de werkgever wordt nu ook de opdrachtgever direct aansprakelijk. Het wetsvoorstel laat dus de mogelijkheid open dat de werknemer juist degene passeert die het eerst verantwoordelijk is, namelijk zijn werkgever. Waarom vindt de regering dat logisch? In de nota naar aanleiding van het verslag geeft de regering een voorbeeld. Een steigerbouwer die in opdracht van zijn werkgever een steiger bouwt voor de aanleg van een brug, zal in eerste instantie loon vorderen bij zijn werkgever. De regering stelt ook dat de werknemer er goed aan doet om eerst zeker te stellen dat zijn vordering op de werkgever niet strandt. Als zulks de gedachte en het uitgangspunt is, waarom verplicht het wetsvoorstel dan niet gewoon dat de werknemer eerst zijn werkgever aanspreekt? Die gedachte is in feite ook in het amendement-Bisschop neergelegd: de huidige regeling, waarbij hoofdelijke aansprakelijkheid enkel geldt in de situatie van een uitzendovereenkomst, wordt behouden. 

De ketenaansprakelijkheid geldt alleen voor de specifieke werkzaamheden die een werknemer verricht. Klopt het dat hierdoor ongelijkheid kan ontstaan tussen werknemers die voor dezelfde werkgever werken? Heeft de ene werknemer, die toevallig werkt aan een opdracht die voortvloeit uit een keten, meer verhaalmogelijkheden dan een collega die hetzelfde werk buiten deze keten verricht? En wat gebeurt er met een werknemer wiens loon niet langer wordt betaald nadat hij geen werkzaamheden meer verricht binnen een keten? 

Wanneer alleen opdrachtgevers worden getroffen die verwijtbaar hebben gehandeld, valt er op het principe van ketenaansprakelijkheid niet veel aan te merken. Die voorwaarde is wel meteen een probleem bij deze regeling: hoe zorgen we ervoor dat opdrachtgevers niet ten onrechte worden aangepakt? Wij hebben de indruk dat de toelichting nogal wat onduidelijkheid voor ondernemers kan oproepen. De handhavingspraktijk met betrekking tot arbeidsomstandigheden bij arbeid door vreemdelingen geeft ons geen aanleiding tot geruststelling. We horen regelmatig voorbeelden van werkgevers die allerlei inspanningen hebben verricht maar toch aansprakelijk worden gehouden en een fikse boete krijgen. Kan de minister aangeven wat hij eraan doet om te voorkomen dat deze situaties juist door dit wetsvoorstel ontstaan? De regering geeft aan dat de hoofd- of hogere opdrachtgevers niet alle onderliggende schakels hoeven te controleren; zo kan de hoofdopdrachtgever toetsing op het loon door een kettingbeding onder in de keten laten gebeuren. Maar tegelijkertijd wordt gesteld dat van een opdrachtgever mag worden verwacht dat hij controles uitvoert wanneer hij een signaal over onderbetaling ontvangt. Kan de minister toelichten wat er concreet wordt verwacht van een opdrachtgever wanneer hij het signaal krijgt dat er zes schakels lager een probleem zou zijn? Wordt van een opdrachtgever alleen verwacht dat hij de lagere schakel ernaast controleert of juist de schakel die het probleem zou veroorzaken? Kunnen dichterbij gelegen schakels passief blijven wanneer het signaal slechts bij een hogere schakel binnenkomt? 

De regering noemt het keurmerk als belangrijke handreiking jegens opdrachtgevers. Bij het wetsvoorstel passen echter meteen twee flinke relativeringen van deze verwijzing. De regering schrapt allereerst zelf het keurmerk voor de uitzendsector uit de wet, omdat de kwaliteit ervan te wensen overlaat. In andere sectoren zijn er nog geen keurmerken. Bovendien wordt van opdrachtgevers verwacht dat ze onderzoeken of het keurmerk voldoende betrouwbaar is. Wat is nog de status van een keurmerk wanneer gebruikers er in beginsel niet meer op kunnen vertrouwen dat het voldoende waarborgen biedt? Hoever reikt de onderzoekplicht? 

Het wetsvoorstel kent geen termijn voor het aansprakelijk stellen van opdrachtgevers. Werknemers kunnen dus pas jaren later een vordering instellen tegen hogere schakels in de keten. Waarom vindt de regering het verstandig om die mogelijkheid onbeperkt open te laten? 

Het wetsvoorstel regelt de verplichte girale betaling van het minimumloon. Dat vindt de SGP op zichzelf een prima uitgangspunt, dat effectievere handhaving mogelijk maakt. De SGP pleit wel voor voldoende flexibiliteit om werkgevers de mogelijkheid te laten zonder rompslomp en extra risico's goede voorzieningen voor werknemers te organiseren. Wanneer werkgevers op basis van een volmacht voorzien in basale levensbehoeften als huisvesting en een zorgverzekering, wordt juist de doelstelling van het minimumloon gediend. Dat zou volgens de SGP mogelijk moeten zijn. Juist werknemers die slechts korte tijd in Nederland werken, zijn op deze punten kwetsbaar. Dat hebben we neergelegd in het amendement van mijn fractiegenoot Dijkgraaf (34108, nr. 11). Hij geeft ook aan dat er nu al mogelijkheden zijn voor bijvoorbeeld de inhouding van pensioenen. Waarom zouden we dat ook niet voor eerste levensbehoeften als zorg en woonruimte kunnen regelen? 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

De heer Van der Staaij spreekt over een volmacht voor het inhouden van bijvoorbeeld de huur of de zorgverzekering op het loon. Waarom is het echter een probleem om dat niet meteen op de loonstrook te verrekenen, maar dat via een automatische incasso te innen? Daar geeft de werknemer ook toestemming voor en qua administratieve lasten is dat misschien bijna eenvoudiger dan dat een werkgever dat zelf allemaal moet verrekenen op een loonstrook. Waarom kiest hij niet voor de route die in het wetsvoorstel wordt aangegeven? 

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik vind toch dat het een voordeel heeft als je het op deze manier op het loon kunt inhouden. Het is een eenvoudiger route dan apart te werken met een automatische incasso. Bovendien kan een automatische incasso ongedaan worden gemaakt. Het kan dan weer extra onzekerheid opleveren voor de werkgever of het geld wel daadwerkelijk binnenkomt. Ik zie ook het nadeel van wat dit amendement mogelijk wil maken voor de huur van woonruimte of voor de zorgpremie. Heb je dan nog wel mogelijkheden om tegen misstanden — die zijn er, dat ben ik met mevrouw Schouten eens — op te kunnen treden? Daarom is er, wat mevrouw Schouten ongetwijfeld heeft gezien, een lid 2, waarin nadrukkelijk wordt gezegd dat je bij Algemene Maatregel van Bestuur voorwaarden kunt stellen. Wij denken dat je hiermee een evenwichtig pakket hebt. Aan de ene kant zeg je dat je die bonafide werkgevers, die dat op deze manier doen, er niet mee lastig moet vallen. Het kan zelfs het belang van de werknemer dienen. Straks krijg je toch het risico dat mensen een korte tijd onverzekerd raken of evengoed het slachtoffer kunnen worden van malafide huisjesmelkers, bij wie ze dan terecht kunnen komen. Die voordelen van bonafide regelingen houd je in stand. Tegelijkertijd gaan er wel dingen mis en daar moet je grenzen aan kunnen stellen. Die mogelijkheid bieden we met een Algemene Maatregel van Bestuur. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik ben blij dat de heer Van der Staaij ook onderkent dat er een risico aan zit, want dat is de hele discussie die we hier voeren. Hoe minimaliseren we dat risico nou het meest? Is hij het met mij eens dat we dan niet beter de zaak van de andere kant kunnen aanvliegen? Wat levert het minste risico op? En hoe kunnen we daarbinnen de werkgever het meeste ter wille zijn? Het is bijna een soort trap-op-trap-afdiscussie van de heer Ulenbelt aan het worden, maar is de heer Van der Staaij het met mij eens dat we juist daar vanuit moeten gaan redeneren, in plaats van nu alle ruimte te laten en misschien per AMvB nog wat te repareren? 

De heer Van der Staaij (SGP):

Nogmaals, ik denk juist dat dit een evenwichtige mogelijkheid is die beide dingen doet. Wij komen daar als fractie juist op in contacten met ondernemers. Boomkwekers in Boskoop zeggen dat het nu alleen maar lastiger wordt gemaakt om het met seizoenwerknemers goed te regelen. Wij zien ook de risico's als het niet meer op deze manier kan. Dat is ook een achtergrond van ons voorstel. Daar hoef je niet mee te wachten. Ik zeg niet dat je per se moet wachten tot we allerlei misstanden verder zijn om invulling te geven aan die AMvB. Er wordt hier gewoon een mogelijkheid geboden in de wet zelf om er onmiddellijk mee aan de slag te gaan. Ik heb al verschillende dingen gehoord in dit debat. Hoe is de transparantie dan geregeld? Hoe zit het met de vrijwilligheid ervan? Het kan ook gaan om maximumtarieven, waar ik het CDA over gehoord heb. Over de wijze waarop je het wilt invullen, kun je een aparte boom opzetten, maar er is dan in ieder geval een duidelijke wettelijke basis voor. 

De heer Ulenbelt (SP):

In de afgelopen jaren ben ik op heel wat plekken geweest waar buitenlanders zijn gehuisvest. Ik heb ook gevraagd naar de kosten. Als zij gehuisvest worden in een gebouw van de werkgever en de huur — het is geen huur — wordt ingehouden, zijn zij met het einde van de arbeidsovereenkomst niet alleen hun werk, maar ook hun woonruimte kwijt. Als deze mensen een huurovereenkomst zouden tekenen, is dat een waarborg. Die wordt gewoon betaald. Dat betekent dat de huurbescherming in Nederland van toepassing is op deze mensen. Dat is de winst die wij behalen als wij dit uit de inhouding halen en onder de huurbescherming van Nederland brengen. Je kunt daarbij kijken naar het puntensysteem en dergelijke. Wordt er wel genoeg betaald, of juist te weinig? Dat zijn toch grote voordelen? 

De heer Van der Staaij (SGP):

Nogmaals, de AMvB biedt mogelijkheden om voorwaarden te stellen. Die kunnen ook betrekking hebben op de huurbescherming die in zo'n situatie van toepassing moet zijn. 

De heer Ulenbelt (SP):

Waarom moeten wij een buitenlandse arbeider anders behandelen dan een Nederlander als het gaat om huisvesting? Waarom moeten wij een buitenlandse arbeider op zorggebied anders behandelen dan een Nederlander? Is die een ander soort mens? Uit medemenselijkheid, zoals de heer De Graaff het noemde, zou de heer Van der Staaij moeten zeggen: die mensen zijn hier en die behandelen wij op dezelfde manier als Nederlanders, bijvoorbeeld op het gebied van wonen en zorg. Waarom moeten zij zo'n beetje horig blijven aan het uitzendbureau? 

De heer Van der Staaij (SGP):

Het gaat niet alleen om uitzendbureaus. Er zijn ook signalen die geen uitzendsituatie betreffen, maar situaties daarbuitenom. Daar kan het ook aan de orde zijn. Dat voorbeeld heeft de SGP-fractie tot dit amendement gebracht. De heer Ulenbelt vroeg naar het verschil. Soms zijn het mensen die slechts voor de duur van het seizoenswerk daadwerkelijk op zoek zijn naar woonruimte. 

De voorzitter:

Ik zie dat de heer Ulenbelt voor de derde en laatste keer wil interrumperen. 

De heer Ulenbelt (SP):

Dat verbaast mij, want daardoor breng je hen in een andere relatie tot de werkgever dan iedere andere Nederlander. Dat lijkt mij erg ongewenst. Er zijn in Nederland genoeg mogelijkheden om voor twee, drie of vier weken iets te huren. Waarom mag die buitenlandse arbeider daar niet zelf over beslissen? 

De heer Van der Staaij (SGP):

Het is de vraag of dat in elk gebied wel zo makkelijk is als de heer Ulenbelt het nu voorstelt. Ik wijs erop dat dit ook risico's met zich kan brengen. Als de werkgever zijn handen ervan aftrekt, kan een kwetsbare situatie er juist toe leiden dat je terechtkomt in woonomstandigheden waar de heer Ulenbelt ook gillend van zou weglopen. Dan is het een voordeel als je hiervoor wel een nette regeling hebt. Daarmee denk ik dat dit amendement voldoende besproken is. 

Tot slot wil ik nog twee punten maken over de invoeringstermijn. Is juli niet wat kort dag voor de invoering, gelet op wat er allemaal nog bij komt kijken? Om problemen op de arbeidsmarkt bij de bron aan te pakken is Europese afstemming noodzakelijk. Wij horen dat er voor de Detacheringsrichtlijn en de Verordening betreffende de coördinatie van de socialenzekerheidsstelsels wel ambities zijn in Europa, maar dat er nog niet veel vordering is om daarin daadwerkelijk eenzelfde lijn te kiezen. Hoe ziet het kabinet dit traject? Welke mogelijkheden voor versnelling zijn hier voorhanden? Hier wil ik het in eerste termijn graag bij laten. 

De heer Kerstens (PvdA):

Voorzitter. In het voorjaar van 2011, onder het vorige kabinet dus, maakte ik mijn opwachting in de Kamer. Dat was niet als Kamerlid, want ik had toen nog gewoon een baan, maar als voorzitter van FNV Bouw, de grootste vakbond in de bouwsector. Ik was hier toen op uitnodiging van de destijds door de Kamer ingestelde tijdelijke commissie Lessen uit recente arbeidsmigratie. Collega Ulenbelt zal het zich misschien herinneren, want hij zat toen in die commissie. Ik was uitgenodigd omdat de bouwsector steevast in één adem werd genoemd met misstanden bij de inzet van collega's uit het buitenland. Dat was jammer, want de bouw is een ontzettend mooie sector, maar het was wel terecht. De bouw is een van de sectoren die zichzelf in de race om verantwoordelijkheden over de schutting te gooien, zo heeft opgeknipt dat niemand nog echt de regie heeft, met alle gevolgen van dien. Denk aan grote ongevallen als het instorten van de zogenaamde B-tower in Rotterdam of van het dak van voetbalstadion De Grolsch Veste in Enschede. Denk ook aan het fenomenale bedrag van minstens 7 miljard euro aan faalkosten per jaar in de bouw. Dat is meer dan het dubbele van de hele loonsom in de sector. 

De bouw is een van de sectoren waarin concurrentie bijna uitsluitend op prijs plaatsvindt. Te veel werkgevers kunnen blijkbaar niet meer creativiteit aan de dag leggen dan het nog verder drukken van de prijs over de rug van hun grootste kapitaal, namelijk hun werknemers. Daardoor waren zaken als uitbuiting van buitenlandse collega's, oneerlijke concurrentie ten aanzien van bedrijven die zich wel aan de regels houden en verdringing van Nederlandse werknemers die als te duur aan de kant werden gezet — voor dezelfde prijs heb je immers twee Polen, drie Bulgaren of vier Roemenen — helaas aan de orde van de dag. Dat is overigens nog steeds zo. Er is eerder meer sprake van dan minder. 

In het najaar van 2012 maakte ik opnieuw mijn opwachting in de Kamer, maar toen als Kamerlid. Tijdens de begrotingsbehandeling van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dik twee maanden daarna, diende ik mijn eerste twee moties in. In de ene motie vroeg ik het kabinet om meer arbeidsinspecteurs in te zetten om uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing aan te pakken. In de andere motie riep ik het kabinet op om met een veelomvattender plan van aanpak tegen uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing te komen. Dat moet niet gebeuren door de pijlen te richten op mensen uit Midden-, Oost- of Zuid-Europa die huis en haard verlaten om ver weg, namelijk hier, een fatsoenlijke boterham voor zichzelf en hun gezin te verdienen, collega's dus. Zij moeten zich daarbij veel laten welgevallen, omdat protesteren, het opkomen voor je rechten, een enkeltje Boekarest, Warschau of Lissabon betekent. Het moet wel gebeuren door schijnconstructies aan te pakken. Het gaat daarbij om foute werkgevers en louche uitzendbureaus die bij het Europa horende vrije verkeer van werknemers misbruiken om over de ruggen van mensen die hard voor hen werken grof geld te verdienen. 

Weer een paar maanden later kwam hetgeen waarvoor ik als vakbondsvoorzitter en als Kamerlid had gepleit samen. Sociale partners en politiek vonden elkaar in het in april 2013 gesloten sociaal akkoord. Er kwamen toen extra arbeidsinspecteurs. Als bijlage van het sociaal akkoord werd een stevig actieplan gepresenteerd met zowat alle maatregelen waarvoor ik al die jaren had gepleit. Dat was inclusief zaken als het met naam en toenaam noemen van werkgevers die de regels aan hun laars lappen, meer handhavingshandvatten voor de inspectie, betere samenwerking tussen de inspectie en de sociale partners en niet in de laatste plaats het onder voorwaarden aansprakelijk kunnen stellen van de hoofdaannemer en zelfs de opdrachtgever, zeker ook als de overheid zelf dat is. 

Het heeft vervolgens nogal wat voeten in de aarde gehad en links en rechts wat zweetdruppels en dus tijd gekost — laten we immers wel wezen: niet iedereen zit op deze wet te wachten; we kunnen wel raden wie niet en we weten ook waarom — maar nu is het dan zover. Vandaag behandelen we de Wet aanpak schijnconstructies. 

De heer Van Weyenberg (D66):

De heer Kerstens geeft een hele opsomming van hetgeen is bereikt. Daarbij noemde hij net ook de extra inspecteurs. Mag ik daaruit opmaken dat hij wel een beetje spijt heeft van de tegenstem van de Partij van de Arbeid toen wij vorig jaar voorstelden om daarvoor nog 1,5 miljoen extra beschikbaar te stellen? Nu is het aantal inspecteurs ongeveer gelijk gebleven, maar met ons voorstel zouden er ook echt extra inspecteurs bij zijn gekomen. 

De heer Kerstens (PvdA):

Ik had het net over de motie die ik indiende en de afspraken die later in het sociaal akkoord zijn gemaakt. Die afspraken leiden tot 35 extra arbeidsinspecteurs tot ergens in 2017. Het gaat om 35 extra arbeidsinspecteurs ten opzichte van de situatie die we hadden als die afspraak niet zou zijn gemaakt en als mijn motie niet zou zijn ingediend. Ik ben dus blij met de 35 arbeidsinspecteurs extra ten opzichte van de situatie die er zou zijn geweest als we dat niet hadden afgesproken. Volgens mij maakt deze wet het de Inspectie SZW eenvoudiger om misstanden aan te pakken. Ik zal er later in mijn betoog nog meer over zeggen. Deze wet maakt een aantal tot nu toe onwenselijke situaties ook echt onwettig en geeft de arbeidsinspectie meer handvatten om goed te handhaven. Ik ga ervan uit dat de minister in 2017, als de termijn waarvoor die extra arbeidsinspecteurs zijn aangetrokken, afgelopen is, zal bekijken of deze wet inderdaad leidt tot een situatie waarin we met hetzelfde aantal arbeidsinspecteurs meer doen of dat we wellicht toch moeten nadenken over extra inspecteurs of het verlengen van die afspraak. 

De heer Van Weyenberg (D66):

Dat is een heel lang antwoord, maar het is geen antwoord op mijn vraag. De heer Kerstens spreekt terecht over die extra inspecteurs, maar er stond een ongelooflijke daling in de boeken. Dankzij die extra inspecteurs — alle eer daarvoor gaat naar de heer Kerstens, de indiener van die motie — is het aantal gelijk gebleven. Dat blijkt ook uit alle cijfers. Wij stelden voor dat er meer inspecteurs moesten komen. Er moest daarbovenop dus extra geld komen. Toen stemde de Partij van de Arbeid gewoon tegen. 

De heer Kerstens (PvdA):

De heer Van Weyenberg stelde mij in eerste instantie de vraag of ik daar spijt van heb. Die ben ik in mijn heel lange antwoord vergeten te beantwoorden. Nee, daar heb ik geen spijt van. De reden daarvoor heb ik net, weliswaar een beetje uitvoerig, uit de doeken gedaan. 

Ik vervolg mijn betoog. Men snapt dat het me goed deed om mijn oud-collega's en oud-kaderleden van FNV Bouw, werknemers uit de bouw, eerder vandaag hier op het Plein te zien. Want wat hebben ze gestreden voor deze wet! En wat hebben bouwvakkers maar ook vrachtwagenchauffeurs en mensen die bijvoorbeeld in de vleesverwerking werken, er een last van gehad dat die wet er niet eerder was! Vandaag is het dan ook hun dag. 

Het vrije verkeer van werknemers hoort bij het Europa waar wij als Partij van de Arbeid voor staan. We weten ook dat Europa het moeilijk heeft. Het is een Europa met een broos draagvlak. Daar zijn niet onze collega's uit andere Europese landen die hier in de slag willen, schuldig aan, maar malafide uitzendbureaus en foute bazen die van hen profiteren, die profiteren van Europa, en niet zo'n beetje ook, en die datzelfde Europa tegelijk een heel slechte dienst bewijzen. De Partij van de Arbeid vindt dus dat het vrije verkeer van werknemers bij dat ene Europa hoort. Onze mensen zelf maken er ook gebruik van. Dagelijks pendelen tienduizenden Nederlanders heen en weer over de Duitse of de Belgische grens. In de jaren tachtig gingen vele duizenden bouwvakkers dagelijks, soms één keer per week omdat ze daar een hele week bleven, de grens over naar onze oosterburen. 

Maar we vinden ook dat we onze ogen niet mogen sluiten en dat we niet doof mogen zijn voor de schaduwkanten van dat vrije verkeer. Die schaduwkanten zijn er en die zijn soms pikzwart. Die schaduwkanten niet benoemen en ze niet willen aanpakken, draagt ook bij aan het verder afbrokkelen van het draagvlak onder Europa en overigens ook aan een verdere tweedeling op onze arbeidsmarkt. Net zoals we dat in relatie tot die tweedeling niet doen en ons verzetten tegen de race to the bottom op de arbeidsmarkt, zo kijkt de PvdA ook hier niet weg. Maar wij waken er ook tegen om mensen op het verkeerde been te zetten door te suggereren, te roepen of te doen alsof er gemakkelijke oplossingen zijn die de problemen in één klap als sneeuw voor de zon zouden laten verdwijnen. Uit de EU stappen is er bijvoorbeeld zo een, de grenzen dichtgooien of een muur om Nederland heen zetten. Het klinkt allemaal zo stoer, maar het is volksverlakkerij. Natuurlijk zou het bouwen van een muur om Nederland heel veel werk opleveren voor al die bouwvakkers in Nederland, maar het is geen oplossing. Dat weten we eigenlijk allemaal. 

Wij kiezen ervoor om naar echte oplossingen te zoeken en daarbij richten wij ons — ik zei het zojuist al — niet op onze collega's. Juist omdat het onze collega's zijn, maken we ons er sterk voor dat zij krijgen wat wij krijgen, dat wil zeggen gelijk loon voor gelijk werk. Zo noemden we dat bij de vakbond. Ook deze minister noemt dat zo, evenals onze Koning in zijn Troonrede afgelopen september. Gelijk loon voor gelijk werk door ons te richten op wat daaraan in de weg staat, Brusselse regeltjes bijvoorbeeld. 

Sinds ik in de Kamer zit, heb ik er bij de minister op aangedrongen om ook in Brussel een tandje bij te zetten ten opzichte van zijn voorgangers. En dat doet hij. Sinds kort is er naast de zogenaamde Detacheringsrichtlijn ook een Handhavingsrichtlijn. Dat is belangrijk, want regels stellen pas echt wat voor als ze worden gehandhaafd en worden nageleefd. Maar dat is nog niet genoeg. De Detacheringsrichtlijn zelf moet namelijk ook verbeterd worden. Inmiddels staan ook wat dat betreft en mede dankzij de inspanningen van deze minister de Europese neuzen meer dezelfde kant op en is door Brussel een review, een herziening, van de Detacheringsrichtlijn aangekondigd. Ik dring er hierbij bij de minister op aan om het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie in 2016 te gebruiken om Europa daarin stappen te laten zetten. Ik roep hem op om decent work — fatsoenlijk werk — en eerlijk werk tot een van de speerpunten van het Nederlandse voorzitterschap volgend jaar te maken. Ik weet bijna zeker dat dit niet tegen dovemansoren gezegd is. 

Aan de weg naar gelijk loon voor gelijk werk staan ook malafide uitzendbureaus, foute werkgevers en de door hen gebruikte schimmige constructies. Ook die worden met deze wet aangepakt, net zoals opdrachtgevers die zich vaak met een jantje-van-leiden van hun verantwoordelijkheid afmaken en gewoon voor de laagste prijs gaan, in de wetenschap dat daarvoor bijvoorbeeld niet een cao kan worden nageleefd. Het wetsvoorstel dat wij vanavond bespreken, bevat stuk voor stuk maatregelen die naar de mening van de PvdA stevig helpen in de strijd tegen uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing. 

Ik ben dus blij met de maatregelen die het door de inspectie handhaven van het wettelijke minimumloon makkelijker maken. Ik ben blij met de verplichting voor werkgevers om loonstrookjes, maar ook onkostenvergoedingen transparant en inzichtelijk te maken en te specificeren, zodat voor de werknemer helder is wat hij waarvoor krijg, het voor vakbond en inspectie eenvoudiger is om na te gaan of aan de wet wordt voldaan en er een einde komt aan de praktijk van allerlei vage vergoedingen, die eigenlijk boven op het loon zouden moeten worden betaald in plaats van in plaats daarvan. Ik ben blij met de verplichting voor werkgevers om het loon straks gewoon op een bankrekening te storten, zodat er een einde komt aan de praktijk van het niet te controleren handje-contantje, waarbij soms iemand anders tekent voor een salaris dat door de werknemer zelf nooit ontvangen is of waarbij deze tekent voor een te hoog bedrag of een bedrag dat achteraf op papier wordt verhoogd. Ik ben blij met het niet langer onbeperkt toestaan van verrekeningen en inhoudingen, waardoor er een einde komt aan de praktijk dat werkgevers een heel hoge huurprijs afdwingen voor een beroerd onderkomen, dat ook nog eens met zes man moet worden gedeeld. Dat is een constructie waarbij werknemers ook nog eens dubbel afhankelijk zijn: als zij klagen over hun loon, verliezen zij ook het dak boven het hoofd en klagen zij over hun huisvesting, dan loopt ook hun baan gevaar. Bij protesteren — ik zei het al — dreigt vooral een enkeltje Warschau. 

Er komt een einde aan de praktijk dat werkgevers fikse bedragen voor allerlei vage administratieve kosten in hun zak steken, dat zij collectiviteitskorting op de ziektekostenverzekering van hun mensen bedingen maar vervolgens gewoon de volle mep bij die mensen in rekening brengen. Het mag helder zijn dat ik dus niet zo onder de indruk ben van het pleidooi van de uitzendbranche om de inhoudingen overeind te houden, hoewel ik overigens ook zie dat het soms wel goed gaat. 

Ik ben blij met de stevige boetes die worden uitgedeeld en met het openbaar maken van inspectiegegevens, met naming-and-shaming van bedrijven die de fout ingaan. Ik ben ervan overtuigd dat kwaadwillende werkgevers zich daardoor wel twee keer zullen bedenken en in veel gevallen vervolgens eieren voor hun geld zullen kiezen en zich aan de regels zullen houden. Dat is pure winst. Neemt men toch de gok en loopt men dan tegen de lamp, dan weten we dat met zijn allen en doet de publiciteit vervolgens zijn werk. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

De heer Kerstens is niet onder de indruk van dat pleidooi, maar het feit dat bepaalde inhoudingen niet meer mogen, is toch geen oplossing voor het probleem dat hij hier schetst, voor het gesjoemel dat door een deel wordt gedaan? Dat is toch een verplaatsing van de manier waarop het gebeurt? Het feit dat het niet meer mag worden ingehouden op de loonstrook, betekent toch niet dat het op een andere manier niet net zo goed kan gebeuren? Dat verplaatst het probleem toch alleen maar? 

De heer Kerstens (PvdA):

Ik denk dat het wel degelijk de problemen oplost die ik net schetste, namelijk dat mensen uiteindelijk te weinig in handen krijgen en dat ze nauwelijks controle hebben op de bedragen die voordat zij het salaris krijgen, daarvan af zijn gegaan op basis van allerlei vage inhoudingen. Ik denk dat het niet langer onbeperkt toestaan van die verrekeningen en inhoudingen wel degelijk een aantal problemen oplost. Ik zie het ook niet als het verschuiven van problemen. Net zoals mevrouw Schouten ben ik van mening dat als een uitzendbureau keurige huisvesting verzorgt, dat ook in de toekomst nog wel zou moeten kunnen, maar dat daar ook het middel van de zogenaamde automatische incasso voor openstaat. Dat betekent in ieder geval dat de werknemer eerst wel gewoon datgene in zijn handen krijgt waar hij recht op heeft en dat hij een iets minder afhankelijke positie zal hebben dan hij tot nu toe heeft. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

Maar dit is echt een volslagen drogredenering! Mijn vraag gaat over de kwaadwillenden, maar het antwoord van de heer Kerstens is: de goedwillenden gaan er geen misbruik van maken. Daar gaat het niet om. De vraag gaat niet over de suggestie dat mensen die het nu netjes doen, het niet netjes zullen blijven doen. Het gaat erom dat de heer Kerstens zegt dat er bedrijven zijn die er misbruik van maken. Ik zeg dat ook; dat is een kleine minderheid. Over die bedrijven gaat het. Ik heb de minister gevraagd of er van deze regeling ook een reinigende werking uitgaat. De heer Kerstens zegt het en ik geloof het, maar leg het eens uit. Leg eens uit waarom een kwaadwillend bedrijf dat wil uitbuiten, dat door die automatische incasso niet nog steeds zou doen. Het verschil is dan dat het niet meer zichtbaar is. Als die €120 voor huisvesting op de loonstrook zichtbaar is, kunnen we allemaal zeggen: die €120 per week voor huisvesting is raar. Maar dat is dan verdwenen, dus de transparantie is minder geworden. Dan heeft het probleem zich toch verplaatst? 

De heer Kerstens (PvdA):

Ik denk ik de heer Heerma in eerste instantie verkeerd heb begrepen. Het was niet mijn bedoeling om een drogredenering op te hangen. Ik ben het overigens niet met hem eens dat slechts een minderheid zich niet aan de regels houdt. We weten het allemaal wel uit de praktijk. Er zijn voorbeelden te over waaruit blijkt dat er vaak misbruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om inhoudingen toe te passen. Het leidt er vaak toe dat je veel minder salaris in je hand krijgt dan waar je recht op hebt, terwijl je niet precies weet hoe en wat. Het is overigens een van de maatregelen waarmee kwaadwillende werknemers worden aangepakt, en niet de enige maatregel. Ik ben dus blij met het niet langer onbeperkt toestaan van verrekeningen en inhoudingen. 

De heer Van Weyenberg (D66):

De vraag van de heer Heerma betreft de vraag of het effectief is. We zijn het eens over het doel. In dit wetsvoorstel staat echter de mogelijkheid tot een Algemene Maatregel van Bestuur. Die zal er niet voor niets in staan. Blijkbaar zijn er situaties denkbaar waarin je iets wilt bedenken opdat inhoudingen wel op een nette manier kunnen. Dat wil je dan ondersteunen. Is de heer Kerstens een voorstander van het bestaan van de mogelijkheid tot die AMvB? Of zegt hij eigenlijk: ik zou die hele mogelijkheid uit de wet willen halen? Het moet van enen twee zijn. 

De heer Kerstens (PvdA):

Het hoeft niet per se van enen twee te zijn. Je kunt ook zoeken naar een genuanceerde oplossing. U hebt mij niet mijn bezwaren horen uiten, omdat ik ze ook niet heb, tegen de mogelijkheid die de wet in zich heeft om een Algemene Maatregel van Bestuur uit te vaardigen waarin nadere regels worden gesteld rondom het inhouden. Ik verzet mij tegen de hel en verdoemenis die de uitzendbranche nu over ons uitstort door te zeggen: als die inhoudingen niet meer mogen, leidt het tot één grote ellende in Nederland. Ik ben er dus geen voorstander van om nu frank en vrij onbeperkt die verrekeningen en inhoudingen weer toe te staan. Juist omdat wij weten dat het heel vaak fout gaat maar soms ook goed, en wij geen nieuwe misstanden willen creëren, verzet ik mij niet tegen het nadenken van deze minister over de vraag of een Algemene Maatregel van Bestuur daar mogelijkerwijs enige verlichting of oplossing voor zal brengen. 

De heer Van Weyenberg (D66):

Dat lijkt mij mooi, want het gaat inderdaad ook vaak goed. Een punt van zorg is bijvoorbeeld dat mensen minder verzekerd raken wat betreft de zorgverzekering. Dat willen wij beiden niet. Zou de heer Kerstens dan kunnen ingaan op de vraag in welke gevallen naar zijn mening die inhoudingen wel prima zijn? Hoe moet wat hem betreft die AMvB er ongeveer uitzien? Aan welke inhoudingen moeten wij denken waarvan ook de heer Kerstens zegt: in dat geval vind ik het wel verstandig? 

De heer Kerstens (PvdA):

Vooralsnog denk ik aan geen enkele inhouding. Ik ben er op dit moment nog niet van overtuigd dat de misstanden die de uitzendbranche probeert tussen onze oren te krijgen, zich ook echt gaan voordoen. Ik ben er echter niet op tegen dat de minister de komende tijd, als deze wet in werking is getreden, gaat bezien of zich wellicht toch misstanden voordoen of dat er druk op gemeenten komt te liggen. Volgens mij heeft de minister in de schriftelijke beantwoording van vragen al aangegeven dat hij een eventuele Algemene Maatregel van Bestuur met ons gaat bespreken. Als hij van mening is dat er nieuwe misstanden zijn, ben ik uiteraard bereid om daar serieus naar te kijken. 

De heer Van Weyenberg (D66):

De heer Kerstens heeft het steeds over de uitzenders. Nu heb ik niets tegen uitzendbureaus, maar de kern van mijn zorg ging natuurlijk over de zorgverzekering. Deelt de heer Kerstens het feit dat Zorgverzekeraars Nederland — ik heb het dus niet over uitzendbureaus — nu ook zegt: er dreigt echt een groep minder verzekerd te worden? Dat is iets wat mij wel degelijk zorgen baart. 

De heer Kerstens (PvdA):

Daarvoor geldt wat mij betreft hetzelfde als wat ik heb aangegeven ten aanzien van de uitzendbureaus die zich de afgelopen weken met name op de huisvesting hebben gericht in hun lobby, om het zo maar te zeggen. Ik zou dan toch eerst willen zien of de zwarte scenario's die worden geschetst zich in de praktijk gaan voordoen. Ik heb al aangegeven dat ik er niets op tegen heb dat de minister daar de komende tijd eens goed naar gaat kijken. 

Ik ben blij met de verbetering van de naleving en de handhaving van de cao-afspraken die deze wet gaat brengen. Dat geeft die afspraken namelijk pas echt betekenis. Door het verlengen van de algemeenverbindendverklaring kunnen in de cao gemaakte afspraken over beloning in een hele sector toch van toepassing zijn als er een tijdje geen cao is. Dan kan er niet ineens onder die salarissen worden gedoken. Ik ben blij met het kunnen gebruiken van door de inspectie bij andere onderzoeken boven tafel gebrachte gegevens. 

Blij ben ik ook met het nog verder verbeteren van de informatie-uitwisseling tussen de inspectie en cao-partijen. Vermoedens over het niet-naleven van cao's na onderzoek door de inspectie kunnen worden doorgegeven aan de cao-partijen, waardoor hun werk bij de handhaving van de cao-afspraken wordt vergemakkelijkt. Overigens wordt zowel in de tekst van het wetvoorstel als in de memorie van toelichting gesproken over het kunnen verstrekken van die gegevens. Ik vind dat er op dit punt geen mist moet blijven bestaan. Ik vind gewoon dat de inspectie die gegevens gewoon zou moeten verstrekken aan cao-partijen, tenzij daartegen wellicht in een individueel geval juridische bezwaren bestaan. Ik hoor de minister daar graag over. 

Blij ben ik met de straks op de werkgever rustende verplichting om actief mee te werken aan het vaststellen van de identiteit van werknemers, op straffe van een boete. 

Hartstikke blij ben ik met het introduceren van een uitgebreide ketenaansprakelijkheid voor het aan een werknemer uit te betalen loon. Dit biedt de werknemer veel meer mogelijkheden om te krijgen waar hij recht op heeft. Hij krijgt de mogelijkheid om niet alleen zijn eigen werkgever aan te spreken, maar ook alle andere werkgevers die zich tussen zijn werkgever en de uiteindelijke opdrachtgever bevinden, tot en met de opdrachtgever zelf aan toe. Mijn partij heeft daar jarenlang voor gepleit. Ik ben ervan overtuigd dat met zo'n ketenaansprakelijkheid echt dingen gaan verbeteren. Ik heb dat collega's gelukkig ook horen zeggen. Opdrachtgevers en hoofdaannemers zullen hun verantwoordelijkheid moeten nemen. Zij kunnen niet langer de andere kant op kijken, hun schouders ophalen en hun handen in onschuld wassen. Zij zullen echt aan de bak moeten en al het mogelijke moeten doen om te borgen dat werknemers, die uiteindelijk ook gewoon voor hen aan het werk zijn, krijgen waar zij recht op hebben, onder het motto: samen het profijt van het werk van de werknemer, dan ook samen verantwoordelijk voor diens loon. 

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel laat zien wat er bovenaan in de keten zoal moet gaan gebeuren. Dat is heel wat. De opdrachtgever moet gaan zorgdragen voor een verantwoordelijke opdrachtverlening, waardoor een bonafide keten ontstaat, waarin wet en cao worden nagekomen. Dat betekent bijvoorbeeld dat hij niet meer een prijs kan opleggen waarvoor het werk moet worden gedaan waarvan hij op zijn klompen kan aanvoelen dat daarvoor niet de toepasselijke cao-lonen kunnen worden betaald. Hij zal in de af te sluiten contracten moeten opnemen dat de toepasselijke cao wordt nageleefd, niet alleen door zijn directe contractpartner, maar door alle werkgevers daaronder. Hij moet afspreken dat hoofd- en onderaannemers meewerken aan controles op bijvoorbeeld loonvalidatie namens cao-partijen en dat bij misstanden zal worden opgetreden. Hij zal alleen in zee mogen gaan met bedrijven die zijn geregistreerd in het Handelsregister enzovoorts, enzovoorts. Dan nog is het uiteindelijk aan de rechter om te bepalen of dat allemaal genoeg is geweest. Achterover leunen is er dus niet langer bij. 

Dat een en ander veel gevallen van onderbetaling zal voorkomen, staat voor mij en mijn partij als een paal boven water, net zoals naast de forse preventieve werking van de ketenaansprakelijkheid de kansen van de werknemer om zijn geld te krijgen als het toch misgaat, fors toenemen. Hij kan straks direct zowel zijn eigen werkgever als de opdrachtgever van de werkgever hoofdelijk aanspreken. Dat zal echt het verschil maken. Je hebt twee keer zo veel kans om je geld te krijgen. Lukt het dan nog niet, dan kan hij stap voor stap verder omhoog tot en met de plekken waar zeker geld is, bij de hoofdaannemer en de uiteindelijke opdrachtgever. Als er sprake is van grove onderbetaling, kan de werknemer zelfs rechtstreeks bij de opdrachtgever terecht. 

Overigens heb ik hierover wel een vraag aan de minister. Door sommige collega's is gesproken over de vraag wanneer er sprake is van grove onderbetaling. Is de minister bereid om bij de al toegezegde evaluatie van deze wet te kijken of dat percentage ook doet wat het zou moeten doen of dat wellicht een ander percentage logischer en beter is? 

Ik stel tevreden vast dat de minister met de ketenaansprakelijkheid in deze wet een stuk verdergaat dan Europa van hem vraagt. Door het onverkort toepassen van die ketenaansprakelijkheid op buitenlandse bedrijven die hier actief zijn — waarmee hij en passant nog weer een schijnconstructie de pas afsnijdt — zoekt hij de maximale ruimte op en zo hoort het ook. 

De heer Ulenbelt (SP):

De heer Kerstens vraagt de minister om te kijken of die 50-70-bepaling te zijner tijd wel goed heeft uitgepakt. Ik heb voorgesteld om daar 90% van te maken, zodat je eerder bij de hoofdaannemer terecht kan. Dat is een verbetering van de wet die wij nu kunnen aanbrengen. Daarmee hoeven wij niet te wachten. Steunt de heer Kerstens mijn voorstel? 

De heer Kerstens (PvdA):

Nee, dat doen wij niet. De heer Ulenbelt zegt terecht dat ik de minister heb gevraagd om bij de evaluatie van de wet te kijken hoe dit percentage uitwerkt en of hij zo nodig bereid is om na te denken over een ander percentage. Op dit moment kunnen wij ons vinden in het percentage dat in de wet is genoemd ten aanzien van grove onderbetaling. 

De heer Ulenbelt (SP):

In de brief van de aannemingsfederatie staat dat, ook als die grens gerespecteerd wordt, er een heel groot concurrentieverschil blijft voor de bonafide aannemers. De aangesloten aannemers steunen de wet. Dat staat ook in het persbericht, maar de brief is veel gedetailleerder. Daarin stellen zij dit concreet voor. Die aannemers spelen op dat veld. Zij doen nu al het voorstel dat ik in een amendement heb opgenomen. De heer Kerstens vraagt om er bij de evaluatie naar te kijken. Dan lijkt het mij het meest logisch dat hij nu zegt dat de SP op dit punt misschien wel een beetje gelijk heeft en dat hij niet drie jaar hoeft te wachten, maar het voorstel nu al kan steunen. 

De heer Kerstens (PvdA):

Laten wij niet doen alsof je alleen maar bij de opdrachtgever terecht kunt als er sprake is van grove onderbetaling. In die situatie kun je rechtstreeks bij de opdrachtgever terecht. Ik heb net aangegeven dat het aantrekkelijke van deze wet ook is dat je sowieso bij die opdrachtgever terecht kan komen, maar dan in stapjes. Die twee mogelijkheden, het in stapjes bij de opdrachtgever terecht komen of het rechtstreeks bij de opdrachtgever terecht komen bij grove onderbetaling, zijn voor mijn partij voldoende om op dit moment genoegen te nemen met het percentage dat in de wet wordt genoemd. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik heb een vraag op hetzelfde punt. Ik vind het ook heel goed dat de gedupeerde in die keten uiteindelijk rechtstreeks bij de opdrachtgever terecht kan komen. Hoe eerder hoe beter, zou ik zeggen. Dat geldt echter alleen als die keten intact blijft. Als die keten onderbroken wordt doordat bijvoorbeeld een bedrijf in die keten failliet gaat, is het op basis van de huidige wet heel lastig of zelfs onmogelijk om daar doorheen te gaan en verder in die keten omhoog te gaan. De heer Kerstens vindt het, net als ik, heel belangrijk dat je aan die top kunt uitkomen. Zo'n belemmering, zo'n barrière, letterlijk, zou ik willen wegnemen. 

De heer Kerstens (PvdA):

Ik hoorde de heer Van Ojik in zijn bijdrage het een en ander zeggen over een faillietgaande schakel in die keten. Hij zei dat dat ertoe zou leiden dat de werknemer altijd met lege handen blijft staan. Ik waag dat betwijfelen en ik nodig de minister graag uit om ons straks even mee te nemen in de manier waarop met die situaties wordt omgegaan of in wat die situaties betekenen voor de rechten van de werknemer, die — ik zeg het nog maar een keer — door dit wetsvoorstel heel erg versterkt worden. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik ben ook, net als de heer Kerstens, geïnteresseerd in het antwoord van de minister. Ik concludeer uit zijn antwoord — dat verifieer ik nog even — dat als zou blijken dat bijvoorbeeld zo'n faillissement echt een belemmering is voor de gedupeerde om door te gaan omhoog in de keten, hij, net als ik, vindt dat die belemmering moet worden weggenomen. Dat heb ik toch goed begrepen van de heer Kerstens? 

De heer Kerstens (PvdA):

Ik denk dat ik me iets genuanceerder heb uitgedrukt — dat heb ik althans geprobeerd — dan de conclusie die ik nu hoor uit de mond van de heer Van Ojik. Er zit immers een verschil tussen een belemmering en het na een faillissement in geen enkele situatie meer hogerop kunnen. Ik laat graag eerst de minister zijn antwoord geven, om vervolgens wellicht samen met de heer Van Ojik en andere collega's eens na te denken over wat dat dan feitelijk betekent. 

Ik heb nog een aandachtspunt rondom de ketenaansprakelijkheid voor de minister. Een beroep op de ketenaansprakelijkheid kan gedaan worden door een werknemer, dus iemand met een dienstverband, en een werkgever. Dat kan een gewone werkgever zijn of een uitzendbureau, hier vandaan of uit het buitenland. Daarmee krijgt ook de schijnzelfstandige extra mogelijkheden om zijn geld te krijgen, want die is immers eigenlijk gewoon werknemer. Het lastige is echter dat het onderscheid tussen een echte zelfstandige en iemand die gedwongen in die situatie zit — iemand die feitelijk werknemer is, maar geen van de bij het werknemerschap behorende rechten krijgt en dus een stuk goedkoper is — niet altijd even makkelijk te maken is. Daarom roep ik de minister hier nog eens op om, als dit wetsvoorstel is aangenomen, zijn tanden te gaan zetten in de aanpak van die schijnzelfstandigheid. Ik hoor graag van hem of hij daartoe bereid is en of hij daar al nadere ideeën over heeft. 

Ik wil de minister ook vragen of hij wil onderzoeken of als bijvoorbeeld in een cao minimumtarieven voor zelfstandigen zonder personeel zijn afgesproken — dat kan juridisch — door de zzp'er in kwestie een beroep kan worden gedaan op die ketenaansprakelijkheid. Er is dan immers een tarief, een "loon", waar die zelfstandige zich op basis van de cao op kan beroepen. 

Als we deze wet eerder hadden gehad, zouden er niet zulke grote misstanden zijn geweest bij de aanleg van de Eemshaven in Groningen, bij de aanleg van de Tweede Maasvlakte, bij de werkzaamheden aan de A2, de A4 en de A15, in de transportsector, in de metaal, in de pluimveesector, bij varkensslachterijen, in de visverwerkende industrie, bij champignonkwekers, in het Westland, in de land- en tuinbouw, in de uitzendbranche, enzovoorts. Dan zou er een stuk minder onderbetaling hebben plaatsgevonden en zou er een stuk minder oneerlijke concurrentie zijn geweest ten aanzien van werkgevers die zich wel aan de regels houden. Dat zijn bijvoorbeeld heel veel werkgevers uit het midden- en kleinbedrijf in de bouw die hun werknemers op waarde weten te schatten en die graag met vaste krachten werken, maar die zien dat het steeds moeilijker wordt als ze oneerlijk worden weggeconcurreerd. Als deze wet er eerder zou zijn geweest, had de schatkist een stuk minder uitkeringen hoeven verstrekken, omdat een stuk minder Nederlandse werknemers werkloos thuis op de bank zouden hebben gezeten doordat ze uit de markt waren geprijsd. Het is toch een geweldig gevoel dat deze wet bijvoorbeeld zijn werking zal hebben bij de op stapel staande grote renovatie van de gebouwen op en rond het Binnenhof of bij de renovatiewerkzaamheden naar aanleiding van de door aardbevingen veroorzaakte schade in Groningen, waarvoor het kabinet onlangs 50 miljoen euro heeft uitgetrokken. 

Samenvattend, de Partij van de Arbeid complimenteert de minister met dit huzarenstukje. Eindelijk wordt er een flinke stap gezet bij een serieuze aanpak van een van de grootste misstanden op onze arbeidsmarkt. Het is een stap waarop de Partij van de Arbeid stevig heeft aangedrongen. Ik wil dan ook afsluiten met het volgende citaat, woorden die mijn oude vakbond eerder deze week op zijn website zette. "De FNV roept de Tweede Kamer op, in te stemmen met de Wet aanpak schijnconstructies." Wat de Partij van de Arbeid betreft is dat niet aan dovemansoren gezegd. 

De heer Ulenbelt (SP):

In dezelfde kringen hoor je ook dat dit nog maar een heel klein stapje is. Nu heb ik voorstellen gedaan om de maatregelen fors uit te breiden. In de petitie die wij vanmiddag in ontvangst hebben genomen en die ik hier in mijn hand heb, staat dat het zo geregeld moet worden dat de opdrachtgever en de hoofdaannemer verantwoordelijk zijn voor de naleving van de cao. Nu weet de heer Kerstens net zo goed als ik dat een cao over meer gaat dan alleen over loon. Ik hoef hem niet te vertellen waar het in een cao allemaal over gaat. Ik heb een amendement gemaakt waardoor dit ook kan worden meegenomen in die aansprakelijkheid. Als we doen wat de FNV vraagt, dan zou dat toch moeten betekenen dat de heer Kerstens op z'n minst dit amendement moet steunen? Dan moet de heer Kerstens het toch steunen dat we niet alleen naar het loon kijken, maar dat de hele cao en wat daarin geldt, gewaardeerd kan worden? 

De heer Kerstens (PvdA):

Ik heb in de kringen waar de heer Ulenbelt aan refereert niemand horen zeggen dat dit maar een heel klein stapje is. Ik heb mensen daar vooral horen zeggen dat het een heel grote stap is. Volgens mij heeft de heer Ulenbelt dat vanmiddag ook gehoord, toen hij werd aangemoedigd om dit wetsvoorstel aan te nemen. De vakbeweging, die heel lang op dit wetsvoorstel heeft aangedrongen, is hier blij mee. Ik ben er ook blij mee. Toch vind ik inderdaad dat er meer moet gebeuren. Ik heb de minister opgeroepen om in Brussel een tandje bij te zetten. Ik heb hem opgeroepen om werk te gaan maken van de aanpak van schijnzelfstandigheid. Met deze wet, in deze vorm, ben ik echter, net als de vakbeweging, hartstikke blij. Dat de vakbeweging er ook blij mee is, hoorden we vanmiddag op het Plein. 

De heer Ulenbelt (SP):

Het moet een vakbondsman toch ongelooflijk aan zijn hart gaan dat je met de cao die je hebt afgesloten, alleen maar verder de keten in kunt voor het loon, en niet voor andere arbeidsvoorwaarden? De FNV vraagt in deze petitie gewoon om dat mogelijk te maken. 27.000 mensen tekenen die petitie. De SP dient vervolgens een amendement in om dat mogelijk te maken. De heer Kerstens zegt ook dat verdere verbeteringen mogelijk zijn. Ik bied hem die aan. Ze vliegen hem bij wijze van spreken als een gebraden haan in de mond. Ik zou zeggen: mijnheer Kerstens, happen. Happen! Of mag dat niet van de VVD? 

De heer Kerstens (PvdA):

Ik heb het de heer Mulder eerlijk gezegd nog niet gevraagd. Ik kan de heer Ulenbelt echter vertellen dat dat ook niet zo relevant is voor mijn fractie. Wij staan voor een goede Wet aanpak schijnconstructies. Daar hebben wij ons heel hard voor gemaakt. Ik ben ontzettend blij dat de VVD ook voor deze wet gaat stemmen. We hebben dat nog niet gehoord van de heer Mulder, maar ik heb zo'n vermoeden dat zijn fractie voor de wet zal stemmen. Dat mag zij van de PvdA, als het gaat om de vraag wie van wie wat mag. Ik ben blij met het wetsvoorstel dat nu voorligt. Natuurlijk, als mijnheer Ulenbelt en ik de wet samen hadden bedacht, hadden er wellicht wat andere zaken in gestaan. De partij van mijnheer Ulenbelt en mijn partij hebben in dit huis echter samen geen 76 zetels. Ik heb liever een wet die een heel grote stap voorwaarts mogelijk maakt, dan geen wet omdat ik, net als wellicht de partij van de heer Ulenbelt, tegen die forse verbetering zou stemmen. Dat heeft het effect dat er niets verandert, opdrachtgevers en hoofdaannemers in hun vuistje lachen en de heer Ulenbelt op de thee uitnodigen om hem te bedanken dat hij tegen een wet heeft gestemd die zij eigenlijk ook niet willen. 

De voorzitter:

Ik zie de heer Ulenbelt voor de derde keer bij de interruptiemicrofoon staan. Eigenlijk doen we interrupties in tweeën, maar ik kan me voorstellen dat de laatste woorden van de heer Kerstens wel weer vragen om een reactie van de heer Ulenbelt. 

De heer Ulenbelt (SP):

Maar het moet een vakbondsman toch pijn doen dat hij alleen maar voor loon aansprakelijk kan stellen en niet voor alle andere dingen die in de cao staan? Het is een cao waar heel veel mensen hun best voor hebben gedaan. Dat doet pijn John, mijn vriend! 

De voorzitter:

Het woord is aan de héér Kerstens. 

De heer Kerstens (PvdA):

Vriend Paul, kameraad, deze wet biedt cao-partijen sowieso meer mogelijkheden om naleving van de cao waar te maken. Dat heb ik zojuist ook al gezegd. De inspectie gaat straks gegevens waar zij tegen aanloopt en die vermoedens of soms keiharde bewijzen leveren van het niet naleven van de cao, doorgeven aan de cao-partijen. De inspectie gaat nog nauwer samenwerken met die cao-partijen. De ketenaansprakelijkheid heeft betrekking op het loon. Al die andere zaken worden dankzij deze wet voor cao-partijen en voor vakbonden een stuk makkelijker aan te pakken. 

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik sla nog even aan op iets dat de heer Kerstens zei. Hij is blij met deze wet, dat is mij inmiddels helder geworden. Ik ook. Maar hij zei in een bijzin dat als deze wet er eerder was geweest, heel veel mensen niet thuis hadden gezeten. Nu houd ik van heldere doelen bij een wet en dat je van tevoren aangeeft wanneer je tevreden bent. Hoeveel extra banen verwacht de heer Kerstens dat er door deze wet zullen ontstaan? Hij was daar zeer uitgesproken over. 

De heer Kerstens (PvdA):

Dat lokt natuurlijk een tegenvraag uit, want de heer Van Weyenberg is (bijna) net zo blij als de Partij van de Arbeid met deze wet. Hoeveel extra banen verwacht de heer Van Weyenberg hiervan? Net als dat voor hem het geval zal zijn, is dat ook voor mij moeilijk om aan te geven. Dat komt omdat het hier gaat om het aanpakken van schijnconstructies, die uiteraard wat lastig te turven zijn en waarbij het lastig is om vast te stellen om hoeveel banen het precies gaat. Ik denk dat de heer Van Weyenberg het met mij eens is dat als we ervoor zorgen dat de regels vaker worden nageleefd, dat een effect zal hebben op de lonen die betaald worden. Dat leidt tot een minder groot verschil tussen een Poolse bouwvakker en een Nederlandse bouwvakker, tot een minder groot verschil tussen een Hongaarse vrachtwagenchauffeur en een Nederlandse vrachtwagenchauffeur. Ik kan daar geen precieze cijfers aan plakken, maar ik ben er vast van overtuigd dat deze wet niet alleen leidt tot het aanpakken van onderbetaling en tot het tegengaan van oneerlijke concurrentie, maar ook tot het verminderen van verdringing. 

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik ben wel een stuk voorzichtiger dan de heer Kerstens. Ik heb gezegd dat er ook moet worden gehandhaafd. Ik kom daar nog op terug en ik reken op de steun van de fractie van de Partij van de Arbeid als wij daar moties over indienen. Mijn fractie heeft echter steeds gezegd: we gaan vooral onderbetaling en uitbuiting aanpakken en voorkomen. Leidt dat tot extra banen? Ik hoop het, maar ik weet het niet. De heer Kerstens was echter heel uitgesproken. Hij zei dat heel veel mensen met deze wet niet thuis zouden hebben gezeten. Dan vind ik ook dat de heer Kerstens de dure plicht heeft om aan te geven om hoeveel banen het dan gaat. 100, 1.000, 10.000 of nog meer? Wanneer is de heer Kerstens tevreden? 

De heer Kerstens (PvdA):

De heer Kerstens is tevreden met elke Nederlandse vrachtwagenchauffeur, met elke Nederlandse bouwvakker die straks een eerlijkere kans op de arbeidsmarkt krijgt, omdat het grote loonverschil dat er nu vaak toe leidt dat er niet voor hem wordt gekozen, maar voor andere mensen, er niet meer is. Laten we niet vergeten dat die constructies natuurlijk maar één doel hebben — dat zal de heer Van Weyenberg met mij eens zijn — namelijk arbeid zo goedkoop mogelijk maken, zeker in sectoren waar alleen op prijs wordt geconcurreerd. Ik ben dus blij met elke bouwvakker en elke vrachtwagenchauffeur die ik tegenkom en die zegt: door deze wet krijg ik een eerlijkere kans op de arbeidsmarkt. 

De voorzitter:

Bent u aan het eind van uw betoog? 

De heer Kerstens (PvdA):

Ja. 

De voorzitter:

Een heel korte vraag dan nog, mijnheer Van Weyenberg. 

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik ben ook blij met elke schijnconstructie die we weten tegen te gaan en met elke persoon die niet wordt uitgebuit. Ik vind echter dat als je zulke grote woorden gebruikt, je wat preciezer moet zijn. Ik hoop dat de heer Kerstens gelijk heeft, maar ik hoop ook dat hij door heeft dat het zonder extra inspecteurs moeilijk wordt. 

De voorzitter:

Ik hoorde geen vraag. De heer Heerma wil ook nog een interruptie plaatsen. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

De heer Kerstens heeft gezegd dat hij niet denkt dat het om een kleine minderheid van de werkgevers gaat. Sterker nog, hij heeft de suggestie gewekt dat er heel veel werkgevers zijn die dit soort constructies gebruiken en die de regels ontwijken. Daarmee heeft hij gesuggereerd dat een meerderheid van de werkgevers willens en wetens fraudeert. Nu heb ik zij aan zij geknokt met de heer Kerstens om die andere wet, die Fraudewet, waarbij de VVD soortgelijke retoriek gebruikt, namelijk dat de meerderheid van de mensen die een uitkering krijgt willens en wetens zou frauderen, te herstellen. Daar is nu beweging in gekomen. Zou de heer Kerstens dan spiegelbeeldig richting werkgevers niet dezelfde zorgvuldigheid moeten betrachten die hij bij die Fraudewet richting mensen met een uitkering heeft betracht? 

De heer Kerstens (PvdA):

Volgens mij doe ik dat ook. Toen ik daarnet even reageerde op de heer Heerma, ging dat over zijn opmerking dat het bij inhoudingen en verrekeningen maar in een heel klein aantal gevallen fout gaat. Daar doelde ik op met mijn opmerking. Ik denk dat het vaker fout gaat dan in een paar of een handjevol gevallen. Ten aanzien van werkgevers in Nederland ben ik harstikke blij dat een groot deel van de werkgevers, een meerderheid, zich keurig aan de regels houdt. Ik denk dat met name die meerderheid van werkgevers ook hartstikke blij is met deze wet. Die voorkomt immers dat zij oneerlijk beconcurreerd worden door dat clubje werkgevers dat zich niet zo nauw aan de regels houdt. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

De heer Kerstens zegt dus het volgende. Net zoals bij de Fraudewet moet je opletten om voor een kleine minderheid die echt kwaadwillend is, geen wet te maken die de grote groep treft. Ook hier heb je te maken met een kleine minderheid kwaadwillenden. Je moet er dus alert op zijn om de grote meerderheid van goedwillende werkgevers niet te treffen. Het gaat ook in dit geval om een kleine minderheid van kwaadwillenden. 

De heer Kerstens (PvdA):

Uiteraard is het niet mijn bedoeling om goedwillende werkgevers te raken met deze wet, anders dan dat we met deze wet doen waar zij zelf om vragen. Ik citeerde net de Aannemersfederatie Nederland en het midden- en kleinbedrijf in de bouw. Zij, en ik met hen, zijn ervan overtuigd dat deze wet hen zal helpen om te concurreren, niet langer alleen op prijs, maar ook op innovatief vermogen, op kwaliteit van mensen en noem maar op. Als we de minderheid die zich niet aan de regels houdt, haar gang laten gaan, heeft de meerderheid daar onnoemelijk veel last van. Dat is wel zo. Deze wet — dat is het mooie ervan en wellicht hebben PvdA en VVD elkaar daarom gevonden — helpt niet alleen werknemers maar ook goedwillende werkgevers. 

De heer Anne Mulder (VVD):

Voorzitter. Er is al veel gezegd over deze wet. Om te beginnen wil ik, net als een aantal andere sprekers, graag stilstaan bij de transitievergoeding en de terugwerkende kracht die is gerepareerd. Twee weken geleden hebben we daarover gesproken. Wat de VVD betreft heeft de minister dit heel netjes opgelost. Dank daarvoor en ook complimenten. Dit is immers goed voor ondernemers en voor seizoenwerkers. De VVD onderschrijft net als collega Schouten het doel van deze wet: het tegengaan van uitbuiting door onderbetaling. Tegelijkertijd vindt de VVD het belangrijk dat ondernemers en bedrijven met deze wet uit de voeten kunnen. Een belangrijk element uit deze wet is de ketenaansprakelijkheid. Wij zijn blij dat er is gekozen voor een zogeheten volgtijdelijke keten. Als je in plaats daarvan te maken hebt met hoofdelijke aansprakelijkheid, waarbij een onderbetaalde werknemer direct elke schakel kan aanspreken, zal de werknemer direct gaan naar de meest bonafide schakel, de schakel met het meeste geld. Dan wordt goed gedrag eigenlijk afgestraft. Wij vinden het dan ook goed dat er is gekozen voor een volgtijdelijke keten. 

Wij zijn ook blij dat in de memorie van toelichting duidelijk staat welke maatregelen en welke voorzorgsmaatregelen bedrijven en ondernemers kunnen nemen om succesvol bij de rechter een beroep te kunnen doen op niet-verwijtbaarheid als zij geconfronteerd worden met onderbetaling in de keten. Dat geeft ondernemers zekerheid en houvast en daar hebben zij behoefte aan. Als een ondernemer dat niet heeft en angst voelt, zal hij ofwel niet ondernemen ofwel heel veel voorzorgsmaatregelen nemen. Hij moet dan heel veel extra mensen aantrekken, alleen maar voor controle en niet voor ondernemen. Wij zijn blij dat dit staat in de wet en de memorie van toelichting. Die houvast wordt gegeven. Er wordt gezegd: als u werkt met een gecertificeerde aannemer of met een bedrijf met een keurmerk, helpt dat bij niet-verwijtbaarheid. Dat geldt ook als er afspraken in contracten worden gemaakt over betaling en naleving van arbeidsvoorwaarden. Als er wat aan de hand is, moet er adequaat worden opgetreden. Er moet zaken worden gedaan met bedrijven die geregistreerd staan in het handelsregister. Wat de VVD betreft, is de wet ook zo bedoeld dat de rechter de memorie van toelichting betrekt bij zijn rechterlijke uitspraak. De VVD is blij dat VNO-NCW, de werkgeversvereniging, deze wet steunt. Dat geeft haar het gevoel dat deze uitvoerbaar is voor ondernemers en bedrijven. 

De Raad van State geeft in zijn advies aan dat aard en omvang van het op te lossen probleem bij deze wet niet duidelijk zijn. Dan is de vraag hoe wij over enige tijd, als deze wet wordt geëvalueerd, kunnen beoordelen of de wet effectief is. Welke criteria is de minister voornemens te hanteren bij de evaluatie van de wet? 

Over de uitvoering van de wet heb ik twee punten. Je mag geen inhoudingen doen op het minimumloon, maar wat doe je dan bijvoorbeeld bij loonbeslag? Het kan zijn dat een werknemer schulden heeft en dat de gerechtsdeurwaarder een werkgever verplicht dat loonbeslag uit te voeren en een inhouding te doen op het loon. Hoe verhoudt zich dat met deze wet? De wet spreekt ook over het giraal uitbetalen van het netto wettelijk minimumloon, maar we kennen dat begrip niet. We kennen wel het wettelijk bruto minimumloon. Hoe doe je dat precies? Waar pas je de heffingskorting toe als iemand twee banen heeft? Hoe kun je dat controleren? Het zou jammer zijn als dit soort problemen opdoemen in de uitvoering. Ik krijg daarover graag opheldering van de minister. 

Ik kom te spreken over het mogelijke probleem van inhoudingen op huisvesting en de betaling van de premie voor de zorgverzekering. Eigenlijk alle collega's zijn daarop ingegaan. Wij krijgen die signalen ook van bedrijven. Zij zeggen: als we die niet meer mogen inhouden, lopen we de kans dat we werknemers in handen van huisjesmelkers drijven. Ik ben in 2002 mijn carrière als volksvertegenwoordiger begonnen in de gemeenteraad van Den Haag. Ik was daar woordvoerder wonen en huisjesmelkers. Ik heb daar wel wat gezien. Ik ging met wijkagent Janz mee in Transvaal. Daar kwam ik in een huis waarin tien Polen werden gehuisvest — beter gezegd: opgehokt — onder mensonterende omstandigheden. De buren hadden daar last van. Ik stond bij een mevrouw aan de deur die een groot pak kalmeringsmiddelen had, omdat zij niet kon slapen door de overlast. Als je de huisvesting niet goed regelt, heeft dat enorme effecten op de leefbaarheid in grote steden. Dat, mijnheer Ulenbelt, is geen dramatisch beeld. Dat is gewoon zo als je kijkt in die wijken. Herkent de minister dit probleem? Wil hij daar iets aan doen? Zo ja, wat dan en wanneer? De tijd dringt. Zoals al door collega's is gezegd, heeft de minister daarvoor de mogelijkheid van een AMvB. 

De heer Ulenbelt (SP):

Ik ken die situaties. Ik heb er meer gezien dan u. Ik ben niet alleen in Den Haag geweest, maar in het hele land. Het systeem van inhoudingen heeft er niet voor gezorgd dat het daar beter is. Je lost dat daarmee niet op. Als de mensen zelf de beschikking over hun loon hadden gehad, hadden ze misschien niet daar gewoond maar heel ergens anders. U klaagt woningtoestanden aan. Terecht. Ik heb hier in de Tweede Kamer niet anders gedaan. Maar die toestanden hebben toch niks te maken met inhoudingen? Inhoudingen hebben die niet voorkomen, dus kunt u ook niet pleiten voor het behoud van inhoudingen van huisvestingskosten. 

De heer Anne Mulder (VVD):

Even heel precies: ik pleit daar niet voor. Ik constateer wel dat als werkgevers voor goede huisvesting zorgen, kwetsbare mensen niet in handen komen van huisjesmelkers met alle mensonterende taferelen die daarbij horen. Als de heer Ulenbelt dat heeft gezien, zou hij ook moeten pleiten voor een oplossing. Anders ben je als SP feitenresistent. 

De heer Ulenbelt (SP):

Feitenresistent? 

De heer Anne Mulder (VVD):

Ja. Dat je de werkelijkheid ziet, dat je je daar niks van aantrekt en dat je er niks aan wilt doen. 

De heer Ulenbelt (SP):

Dit neem ik de heer Mulder hoogst kwalijk. Ik heb hier in de Tweede Kamer voorgesteld om alle problemen rond de arbeidsmigratie, zoals huisvesting, lonen en uitbuiting, te onderzoeken. Dat heeft de Kamer gedaan. Er is een debat over geweest. Er zijn uitkomsten geweest. Die hebben geleid tot initiatieven rond huisvesting. Ik neem het u kwalijk, mijnheer Mulder, dat u mij verwijt alsof ik feitenresistent ben voor huisvestingsproblemen. Ik vraag u heel beleefd en vriendelijk om dat terug te nemen. 

De heer Anne Mulder (VVD):

Nee, integendeel. Wij worden gewaarschuwd dat dit kan gebeuren. Ik zou zeggen: een gewaarschuwd mens telt voor twee. Dat zou u zich moeten aantrekken. 

De voorzitter:

In laatste instantie, mijnheer Ulenbelt. 

De heer Ulenbelt (SP):

De heer Mulder moet niet denken dat hij omdat hij in Den Haag een situatie heeft gezien, de wijsheid in pacht heeft om daarover te oordelen. Er zijn uitvoerige Kamerdebatten over geweest. Nogmaals, ik heb het initiatief genomen om huisvestingsproblemen hier op de agenda te zetten. Er zijn maatregelen getroffen. Hij kan mij niet verwijten dat ik blind ben voor die situaties. 

De voorzitter:

En uw vraag is? 

De heer Ulenbelt (SP):

Of hij wil erkennen dat ik niet blind ben voor die huisvestingssituaties. 

De heer Anne Mulder (VVD):

Laat ik dat erkennen, als hij ook maar niet blind is voor de oplossing. Ik heb ook mijn best gedaan om dat hier op de agenda te krijgen. Ik heb de toenmalige minister van Wonen, de heer Kamp, naar de wijk gehaald en gezegd: dit gebeurt er in Den Haag, beste minister, doe er wat aan. Langzamerhand wordt dat probleem, ook door de inzet van wethouder Norder in Den Haag, teruggedrukt. Gelukkig is de heer Ulenbelt niet blind voor de problemen, als hij ook maar niet blind is voor de oplossing. 

De voorzitter:

De heer Mulder vervolgt zijn betoog. 

De heer Anne Mulder (VVD):

Mijn tweede punt is de zorgpremie. 

De voorzitter:

Niet helemaal zie ik, want ik zie een interruptie van de heer Heerma. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

Ik ben wel een beetje afgunstig op de heer Ulenbelt, die zo'n mooie verwensing naar zijn hoofd kreeg, dus ik ga ook een poging wagen … 

De heer Anne Mulder (VVD):

U bent aan het solliciteren. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

Misschien is er nog iets mooiers dan "feitenresistent". De heer Mulder heeft afgelopen weekend via NU.nl vrij zware woorden uitgesproken over dit probleem en gesteld dat de mensen ten prooi zullen vallen aan huisjesmelkers en dat zij op straat zullen gaan zwerven. Dat is de voorspelling die hij heeft gedaan, als dit op deze manier gebeurt. Hij stelt nu een aantal vragen aan de minister. Collega Van Weyenberg en ik hebben soortgelijke vragen gesteld. De SGP is nog verder gegaan en heeft een amendement ingediend. Als de heer Mulder zulke grote woorden spreekt, zegt hij dan ook dat het voor de VVD onacceptabel is als hier niet iets gaat gebeuren? 

De heer Anne Mulder (VVD):

Volgens mij trekken wij aan dezelfde kant van het touw en willen we dat voorkomen. We weten allemaal dat het woord "onacceptabel" buitengewone politieke gevolgen kan hebben. Ik vertrouw erop dat wij het antwoord van de minister zullen horen; hoe hij ernaar kijkt. Dat wachten we af. Ik zie bij mijn collega van de Partij van de Arbeid hetzelfde. Hij zegt het wat minder, maar ook daar zie je aandacht voor dat probleem. Als wij bijna allemaal aandacht hebben voor dat probleem, denk ik dat de minister met antwoorden komt die tot bevrediging zullen leiden. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

Ik snap dat de heer Mulder hier niet het woord "onacceptabel" gaat uitspreken, dus ik zal dat niet nogmaals vragen, maar laat ik het anders formuleren. De heer Mulder is zo duidelijk over de negatieve gevolgen die dit gaat hebben, zijn ervaringen rondom die huisjesmelkers en zijn voorspelling dat dit weer dreigt te gebeuren. Hij gaat er dus van uit dat deze minister via die AMvB daadwerkelijk iets gaat doen om dat te voorkomen? 

De heer Anne Mulder (VVD):

Ik heb de minister gevraagd of hij dat probleem herkent en of hij bereid is om daar wat aan te doen. We gaan die antwoorden beluisteren. 

Dat geldt ook voor de zorg. 

De heer Van Weyenberg (D66):

De heer Ulenbelt is misschien feitenresistent, maar het lijkt erop dat de heer Mulder inconsequent is. Dat kan toch niet waar zijn? Hij trok een heel grote broek aan in de media, want er dreigde hel en verdoemenis, maar de heer Mulder ging dat voor de mensen oplossen. Ik heb vragen gesteld, maar de heer Mulder heeft uitroeptekens gezet. En dan kun je er echt niet mee aankomen dat je eens rustig naar de minister gaat luisteren. Kom op. 

De heer Anne Mulder (VVD):

We zullen zien en horen wat er gebeurt. 

De voorzitter:

Ik zie dat de heer Van Weyenberg in tweede instantie wat wil zeggen. 

De heer Van Weyenberg (D66):

De heer Mulder had een heel verhaal over wat hij allemaal gezien had. Hij wist zeker wat er ging gebeuren. Dat moest worden opgelost. En nu zegt hij: ik wacht op de minister. De heer Mulder is toch gekozen om zijn opvattingen en ideeën in deze Kamer te bewerkstelligen en niet alleen maar om te zeggen dat hij zeker weet dat het misgaat en aan de minister te vragen of hij dat ook vindt en verder wel te zien? 

De heer Anne Mulder (VVD):

Ik laat me verder niet op de kast jagen door de heer Van Weyenberg en ik wacht rustig af. 

De voorzitter:

U gaat nu verder met uw betoog, begrijp ik. 

De heer Anne Mulder (VVD):

Dan kom ik op de zorgpremie. Ook daar wordt gewaarschuwd: pas op, als er geen inhoudingen kunnen gebeuren, loop je het risico van onverzekerden en wanbetalers. Dat is natuurlijk een groot probleem. Ik heb als woordvoerder voor zorg een aantal debatten gevoerd over wanbetalers en onverzekerden. Deze tasten de solidariteit van het stelsel aan. Het is ook niet goed als mensen onverzekerd zijn. Als je heel veel onverzekerden krijgt, wordt de SP weer heel boos en gaat op hoge toon de minister van VWS ter verantwoording roepen. Ik zou daarom zeggen: Meneer Ulenbelt, probeert u dat te voorkomen. Ik heb dezelfde vraag aan de minister ... 

De voorzitter:

De heer Van Weyenberg wil u interrumperen. 

De heer Anne Mulder (VVD):

Ik probeerde de heer Ulenbelt uit te lokken. 

De voorzitter:

Misschien is het verstandig om dat wat minder te doen; dat zou de voortgang bevorderen. 

De heer Anne Mulder (VVD):

Maar hij deed het ook een beetje! 

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik vind dit ook echt een opzichtig trucje. De heer Mulder zit nu vast in een web. Hij is daar niet blij mee en probeert met allerlei dingetjes de aandacht af te leiden. Ik ga hem gewoon dezelfde vraag stellen over de zorgverzekeringen: wat gaat hij voorstellen? Dan kunnen we die drie minuten herhaling van de huisjesmelkers gewoon overslaan. Wat wil hij nou? 

De heer Anne Mulder (VVD):

Ik ga de minister hetzelfde vragen als over de huisjesmelkers: vindt hij dat herkenbaar en wil hij daar wat aan doen? Wij willen namelijk niet dat de minister hier zegt dat er meer wanbetalers zijn, waarop de rest van de Kamer weer zegt dat hij maatregelen moet nemen. 

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik wil gewoon weten hoe ik de artikelen van de heer Mulder voortaan moet wegen. Misschien moet hij erbij zetten dat hij het allemaal nog niet zo weet en dat hij het nog wel zal zien in het debat. Dan weet ik voortaan dat ik een artikel van de heer Mulder gewoon niet meer hoef te lezen. Dit is grote woorden spreken in de pers, maar hier zachtjes spinnen achter het katheder. 

De voorzitter:

Ik hoorde geen vraag. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

De heer Mulder was in de pers echt heel stevig. Ik hoor bij herhaling dat we eens goed moeten luisteren naar de minister. Dat doen we allemaal. Bij mij kwam er dit omhoog: glas, plas en de was bleef gewoon de was. Is dat zo? Wat gaat de heer Mulder ermee doen? 

De heer Anne Mulder (VVD):

Ik kijk dit probleem rustig aan. Althans, niet rustig, maar echt met overtuiging. Die wanbetalers zijn immers een aanslag op de solidariteit. En let op de huisjesmelkers. Ik hoor meer collega's dat zeggen, bijna allemaal. Ik ga rustig luisteren naar het antwoord van de minister. 

Voorzitter, ik ben klaar met mijn betoog. 

De heer Kerstens (PvdA):

Mijn vraag is absoluut niet zo vervelend als sommige vragen van de collega's. Hij gaat over de huisjesmelkers en de angst die ook de heer Mulder misschien een beetje heeft, namelijk dat die een grote slag zullen slaan als het met de inhoudingen anders gaat lopen dan tot nu toe. Is de heer Mulder niet ontzettend trots op zijn minister Blok, die vorig jaar een stevige wet aangenomen heeft gekregen, waardoor die huisjesmelkers echt stevig worden aangepakt? Is hij het niet met me eens dat alleen dat feit al de kans op misstanden een stuk kleiner maakt, dus dankzij zijn minister? 

De heer Anne Mulder (VVD):

Dank voor de complimenten aan minister Blok. Ik geef ze graag terug aan wethouder Norder van de Partij van de Arbeid, hier in Den Haag. Maar het is precies wat de heer Kerstens zegt. Ik begon hiermee in 2002, in de gemeenteraad. Ik was echt niet de enige, ook andere partijen deden dat. We zijn nu dertien jaar verder. Het duurt zo verschrikkelijk lang voordat je dit soort misstanden te pakken hebt. Daarom moet je ook heel voorzichtig zijn met maatregelen die dit misschien weer terug drukken, juist omdat je als politicus eindeloos moet duwen en trekken om dit probleem te agenderen, om er geld bij te halen, en om plannen en regelgeving te maken. Nu lijkt het dertien jaar later te lukken. Je moet niet de kans willen lopen dat dat weggaat. Dat is mijn punt. 

De voorzitter:

Ik heb van de minister begrepen dat hij behoefte heeft aan zo'n 20 minuten voorbereiding van zijn eerste termijn namens de regering. Ik constateer dat de Kamer daarmee instemt. 

De vergadering wordt van 21.42 uur tot 22.05 uur geschorst. 

Minister Asscher:

Voorzitter. In ieder beroep heb je goede en minder goede dagen. De bespreking van dit wetsvoorstel, de Wet aanpak schijnconstructies, is echter werkelijk een mooi moment, waarop ik me dankbaar voel om minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te zijn. Deze wet draagt bij aan een fatsoenlijke arbeidsmarkt in Nederland, waar werkers het loon ontvangen dat zij verdienen en de wet biedt hun mogelijkheden om, als zij een te laag loon hebben gekregen, dat verdiende loon alsnog te halen. 

Met dit wetsvoorstel pakken we oneerlijke concurrentie tussen bedrijven aan. We pakken de concurrentie aan op lonen onder het niveau dat in Nederland is afgesproken. We pakken ook de oneerlijke concurrentie tussen werknemers aan, waarbij de ene werknemer tegen de andere wordt opgezet. Met dit wetsvoorstel maken we het de nette bedrijven weer gemakkelijker om zaken te doen en maken de Nederlandse werkzoekenden weer kans. Dit wetsvoorstel draagt bovendien bij aan het behouden van het in Nederland opgebouwde sociale stelsel. 

De wet bevat maatregelen die ervoor zorgen dat een aantal schijnconstructies niet meer mogelijk zijn. Schijnconstructies zijn constructies die tot op heden niet verboden, maar wel onwenselijk zijn. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van het ontwijken van belastingheffing, waardoor een voordeel kan worden behaald ten opzichte van andere ondernemers. De wet maakt de handhaving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) en van de cao gemakkelijker. 

Schijnconstructies zijn constructies die bewust buiten het zicht van handhavers worden gehouden. Daardoor is het moeilijk om de omvang van de problematiek van schijnconstructies in algemene zin exact in beeld te hebben. Dat is inherent aan het probleem en daarmee ook vergelijkbaar met andere vormen van ongewenst maatschappelijk gedrag. De exacte omvang van het aantal diefstallen in ons land is niet bekend en de exacte omvang van het aantal schijnconstructies is ook niet bekend. Dat het een probleem is, staat voor dit kabinet echter als een paal boven water. 

Uit de sectoren die de inspectie controleert en waarvoor de sociale partners een actief cao-handhavingsbeleid uitvoeren, komt het beeld naar voren van een grote hoeveelheid overtredingen. Voor de uitzendsector hebben we sinds 2012 het Meldpunt Malafide Uitzendbureaus. Binnen twee jaar kwamen daar 1.500 meldingen binnen, in hoofdzaak over onderbetaling. De uitzendsector heeft zelf een sterk cao-handhavingsorgaan. Daar is voor een bedrag van ruim 37 miljoen euro aan ten onrechte niet aan uitzendkrachten betaalde looncomponenten vastgesteld. Daarnaast is voor een bedrag van ruim 21 miljoen aan schadevergoedingen berekend. In 2012 en 2013 is door de Inspectie SZW en door de Belastingdienst, UWV en de SNCU opgeteld voor 105 miljoen aan corrigerende maatregelen zoals boetes, naheffingen, schadevergoedingen en nabetalingen opgelegd aan overtreders in de uitzendbranche. Dat is ruim 50 miljoen per jaar. Hoeveel onderbetaling er desalniettemin buiten beeld gebleven is, weten we niet. We weten echter dat we nu niet alles pakken. 

Daarnaast zijn er verschillende incidenten met problemen met de arbeidsvoorwaarden, die aanleiding geven om maatregelen te treffen tegen het ontduiken van het minimumloon en het cao-loon. In het SER-advies "Arbeidsmigratie" is bijvoorbeeld de situatie bij de Eemshaven onderzocht. De heer Van Ojik noemde dit en ik en velen van u zijn daar ook geweest. Daar zijn misstanden geconstateerd bij onderaannemers. Een Turks en een Pools bedrijf zijn daar daadwerkelijk veroordeeld voor onderbetaling van grote, aanzienlijke groepen werknemers. Daar past ook een compliment voor het volhardingsvermogen van de werknemers, maar ook van de vakbonden, die hebben doorgestreden. 

Dit wetsvoorstel is een uitwerking van het Actieplan bestrijden van schijnconstructies dat ik in april 2013 als onderdeel van het sociaal akkoord aan de Kamer heb aangeboden. Het actieplan is tevens een reactie op de motie-Kerstens/Azmani (33400-XV, nr. 40) en op een oproep van sociale partners om te komen tot een dergelijk plan. De sociale partners hebben hun rol gespeeld. Zij hebben een flink aantal maatregelen genoemd, die wij vervolgens in het actieplan en nu in het wetsvoorstel hebben opgenomen. Denk daarbij aan het tegengaan van fraudes met contante betalingen. Denk daarbij aan de ketenaansprakelijkheid, waar ik vanzelfsprekend op terugkom. Denk daarbij aan de betere samenwerking en de informatie-uitwisseling tussen de publieke en de private handhavers. 

Daarmee is dit wetsvoorstel, naast zijn eigenstandige betekenis, ook een belangrijk onderdeel van het sociaal akkoord. Het actieplan heeft niet alleen geleid tot dit wetsvoorstel. Er wordt meer gedaan om schijnconstructies aan te pakken. Er wordt meer ingezet op handhaving. Er zijn extra inspecteurs bij de inspectie aangesteld. Internationaal wordt meer samenwerking gezocht met andere lidstaten om dit soort constructies tegen te gaan. De samenwerking tussen private en publieke handhavers is verbeterd. Onlangs heb ik de derde voortgangsrapportage aanpak schijnconstructies aan de Kamer gestuurd. Daarin ben ik uitgebreid ingegaan op alle activiteiten die wij naast wetgeving ondernemen. Ik dank de Kamer voor haar schriftelijke inbreng en voor haar mondelinge inbreng in eerste termijn. Als ik optimistisch ben — daar moet je als minister altijd heel voorzichtig mee zijn — meen ik zelfs enige steun te proeven voor dit wetsvoorstel. Dat is een goede zaak. 

Ik begrijp dat er nog vragen zijn en ook dat is een goede zaak, want het is wel degelijk een belangrijk wetsvoorstel. Je kunt enorm discussiëren over de vraag hoe belangrijk het is. Nee, niet alle schijnconstructies behoren hiermee tot het verleden. Ja, er zullen altijd kwaadwillenden zijn die op zoek gaan naar nieuwe mogelijkheden. Nee, we zijn nog niet klaar: we moeten Europa in om over het minimumloon te praten en we moeten de schijnzelfstandigheid aanpakken. Ja, het is wel degelijk een heel belangrijke wet. Ik ben de mensen die hun handtekening hebben gezet daar ook zeer erkentelijk voor. Ik ben blij dat er is opgeroepen tot het aannemen van de wet. Ik ben de aannemersfederatie en de vakbonden dankbaar. Ik weet dat ik nog niet zo heel lang minister ben, maar demonstraties voor een wet heb ik niet vaak gezien. Vandaag was er zo'n demonstratie. Ik ben ongelooflijk trots dat wij op dit punt zijn gekomen en dat ik nu inhoudelijk het debat mag voeren met de Kamer. 

Ik begin met de vragen die zijn gesteld over het wettelijk minimumloon. Iedere werknemer in Nederland hoort ten minste het wettelijk minimumloon te verdienen. Dat hebben we geregeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Het doel van die wet is het stellen van een norm voor een minimale beloning van werknemers. Dat wettelijk minimumloon is een maatschappelijk aanvaarde, minimale tegenprestatie voor de verrichte arbeid. Daar begint de betekenis van wetgeving: het stellen van een norm. Ik kom daar straks op terug bij de ketenaansprakelijkheid. We stellen een norm en dat heeft betekenis. De wet die kinderarbeid onmogelijk maakte, was er niet op gericht om een maximaal aantal rechtszaken wegens overtreding van het verbod op kinderarbeid uit te lokken, maar om een norm te stellen. Nu kijk je erop terug en zeg je: ja, dat is logisch. Hetzelfde geldt voor het minimumloon. Dat vinden we in Nederland een logische, maatschappelijk aanvaarde norm. Zo zal het, zo is mijn verwachting, ook gaan met de Wet aanpak schijnconstructies. Je stelt een norm. Er zullen altijd mensen zijn die die norm overtreden, maar het is wel belangrijk. 

Door de jaren heen is de Wet minimumloon steeds meer een instrument geworden, een stuk gereedschap waarmee je oneerlijke concurrentie op loon kunt tegengaan. Daarbij blijkt echter steeds vaker — daarover heb ik de Kamer het afgelopen jaar ook een aantal keer moeten informeren, omdat we door de rechter werden teruggefloten — dat de WML eigenlijk niet meer voldoet aan de eisen van de huidige arbeidsmarkt en de huidige arbeidsverhoudingen. We zullen de Wet minimumloon dus moeten herzien. Op sommige onderdelen hoeven wij echter niet te wachten op die herziening om de zaak te verbeteren. Hoe eerder we misstanden kunnen aanpakken en hoe eerder we ervoor zorgen dat ontduiking van de WML wordt aangepakt, hoe beter het is. Daarom zitten er in het wetsvoorstel ook al aanpassingen van de WML om de naleving en de handhaving te verbeteren. 

Om ervoor te zorgen dat duidelijk is of een werknemer ten minste het minimumloon ontvangt, moet de loonstrook transparant zijn. De werknemer kan dan zelf controleren of hij het juiste loon heeft ontvangen, wat er van zijn loon is ingehouden en welke onkostenvergoeding hij heeft gekregen. Er mogen dus geen onduidelijke onkostenvergoedingen en verrekeningen met of inhoudingen op het minimumloon meer op de loonstrook staan. Alles moet glashelder gespecificeerd zijn. Met zo'n transparante loonstrook, waarop staat hoeveel aan loon is betaald, kan de Inspectie SZW effectiever controleren of de werkgever ten minste het wettelijk minimumloon betaalt. Zo prozaïsch is het ook soms. Als onze inspectie niet simpel kan vaststellen of het wettelijk minimumloon betaald wordt, staan we op achterstand. Door dat makkelijker te maken, wordt de handhaving beter en wordt de norm gesteld. 

De meeste werknemers in Nederland krijgen hun loon op een bankrekening gestort. Als het loon contant wordt uitbetaald, is het moeilijk om zeker te weten dat dit ook correct wordt uitbetaald. Mevrouw Schouten gaf daar een sprekend voorbeeld van. Bij sommige voorbeelden — ik zal er meer noemen in mijn eerste termijn — vraag je je af: kijk ik naar plots opduikende filmbeelden uit de negentiende eeuw of is dit echt modern Nederland? Het blijkt dan echter modern Nederland te zijn. Daarom is die wet ook nodig. Dit betekent niet dat contante betalingen altijd fout zijn. Zij zijn echter wel fraudegevoelig. Het is kwetsbaar. Het gebeurt dat werknemers een verklaring moeten tekenen dat zij het volledige loon hebben ontvangen, maar daarna contant veel minder krijgen. Daarom laten wij voortaan minimaal het wettelijk minimumloon giraal betalen. 

De SP heeft gevraagd waarom dat eigenlijk alleen tot het niveau van het wettelijk minimumloon gaat en niet voor het hele cao-loon geldt. De WML voorziet in de maatschappelijk aanvaardbare minimumbeloning waarmee de werknemer in zijn primaire levensbehoeften kan voorzien. Wij willen dat die volledig wordt uitbetaald. Daar heeft ook de Inspectie SZW een directe taak bij via de bestuursrechtelijke handhaving. Voor het bovenwettelijke deel bestaat contractsvrijheid tussen werkgever en werknemer. Daartoe behoren ook afspraken over de hoogte en de wijze van de uitbetaling van het loon. Het BW, het Burgerlijk Wetboek, geeft daar de randvoorwaarden voor en de regering treedt daar niet in. Om die reden stellen wij dus meer eisen ten aanzien van betaling van het wettelijk minimumloon dan ten aanzien van betaling van het cao-loon. 

De heer Mulder vroeg namens de VVD hoe het zit met nettoloon versus brutoloon. Waarom is hierbij gekozen voor het nettoloon? Welnu, het nettoloon is hetgeen de werknemer van zijn werkgever ontvangt. Dat is niet voor iedere werknemer hetzelfde in verband met loonbelasting en premies. Afhankelijk van de van toepassing zijnde heffingskortingen kan het nettoloon dus verschillen, maar het moet giraal worden uitbetaald, want aan de hand van het nettoloon en een heldere verklaring van de wijze waarop dat tot stand is gekomen op de loonstrook, kan de inspectie vaststellen of het wettelijk minimumloon wel of niet is betaald. Het zou ingewikkeld zijn als je werkgevers zou verplichten tot het overmaken van een brutoloon, omdat dat niet naar de werknemer gaat. Die krijgt immers alleen het nettoloon. 

Er is veel gesproken, niet in het minst ook door actieve lobby's, over inhoudingen. In het wetsvoorstel wordt geregeld dat inhoudingen op en verrekeningen met het wettelijk minimumloon voortaan niet meer zijn toegestaan. Het komt immers voor dat werknemers minder dan het wettelijk minimumloon ontvangen omdat er allerlei kosten worden verrekend met of worden ingehouden op het minimumloon. Onze inspectie ziet in de praktijk allerlei hoge bedragen — in sommige gevallen gaat het om bizarre bedragen — voor huisvesting en voor boetes die een werknemer worden opgelegd. Ik heb het dan niet over een boete voor het rijden door rood. Als een dergelijke boete door de werknemer is veroorzaakt, zou ik het nog begrijpen dat die ook door hem zou moeten worden betaald. Nee, ik heb het over boetes voor het niet buiten zetten van het vuilnis. Ik heb het over boetes voor te hard praten. Dat soort boetes wordt aangewend om minder dan het minimumloon uit te betalen aan de werknemer en om zo opnieuw oneerlijk te concurreren met andere ondernemers. 

De inspectie komt ook voorbeelden tegen van een werkgever die zorgpremies inhoudt, maar nalaat de werknemer te verzekeren of van een uitzendbureau dat maandelijks een bedrag inhoudt aan "servicekosten" zonder dat duidelijk is welke diensten of service het daarvoor geleverd heeft. De inspectie komt ook voorbeelden tegen van een uitzendbureau dat zo veel aan huisvestingskosten, boetes, algemene heffingen en maaltijdvergoedingen inhield dat de werknemer op een negatief loon uitkwam. Met andere woorden: hij moest betalen om te mogen werken. Andere bekende voorbeelden zijn het loopgeld, wegens het lopen over een weg die dan zou kunnen slijten. Dat zijn allemaal inhoudingen waarvan ik niet meteen zie hoe ze bijdragen aan het bestrijden van malafide constructies. Ik heb gelezen dat er van de zijde van de uitzenders pleidooien zijn gehouden die erop neerkomen dat die inhoudingen eigenlijk de kurk zijn waar onze fatsoenlijke arbeidsmarkt nu op drijft. Dat strookt niet helemaal met het beeld dat wij van onze inspectie krijgen. 

Dit verbod geldt overigens alleen tot en met het minimumloon. Met dat deel van het loon dat boven het wettelijk minimumloon uitkomt, kan er nog wel verrekend worden en daarop kunnen inhoudingen plaatsvinden indien voldaan wordt aan de vereisten die het Burgerlijk Wetboek daaraan stelt. Het verbod op de verrekeningen en inhoudingen geldt voor het wettelijk minimumloon, omdat dat loon het wettelijk vastgestelde minimum is voor een werknemer om in zijn levensbehoefte te voorzien. 

D66 vraagt bij monde van de heer Van Weyenberg of dat verbod het meest geschikte middel is om misbruik van bijvoorbeeld hoge huurkosten tegen te gaan. Wat is nu het verschil tussen die inhouding en een automatische incasso? Inhoudingen op het loon verhouden zich slecht tot het uitgangspunt dat iedereen die arbeid verricht verzekerd moet zijn van de uitbetaling van ten minste het wettelijk minimumloon. Die garantie willen we zekerstellen. Vervolgens is het aan de werknemer om zijn loon te besteden naar eigen inzicht. Je zou het met een beetje goede wil ook een liberaal beginsel kunnen noemen dat een werknemer zelf over zijn loon mag beschikken. Indien die werknemer vervolgens, dus nadat hij zijn loon heeft ontvangen, via de werkgever de huur wil betalen, dan is dat zijn vrije keuze. Dan moet hij daar via een automatische incasso ook actief de opdracht toe geven. Juist die garantie van het uitbetalen van het loon ontbreekt bij de inhouding en is er wel bij de incasso. 

Het is niet zo dat bij het toestaan van een inhouding misbruik is uitgesloten. Die indruk zou gewekt kunnen worden uit sommige pleidooien. Immers, ook als huur ingehouden wordt op het loon, kan men te maken hebben met huisjesmelkers. De voorbeelden waar zo beeldend over gesproken werd uit de Haagse praktijk en elders in het land, komen volgens mij uit een periode dat inhouding was toegestaan. Wel of niet inhouden is dus niet de kern van de zaak. Met het voorgestelde verbod op inhoudingen bereiken we dat de werknemer in ieder geval zijn loon volledig vangt en zelf kan bepalen waaraan hij dat uitgeeft. 

De heren Ulenbelt en Van Weyenberg zeggen: In de wet staat de mogelijkheid van een AMvB; die staat er vast niet voor niets. Waar wordt dan aan gedacht? Welnu, ik heb dat nog niet uitgewerkt in een voorstel, omdat de hoofdregel is dat het minimumloon volledig aan de werknemer wordt uitbetaald. Dat is echt van belang. Ik kan me echter voorstellen dat het onder bepaalde omstandigheden aanvaardbaar is dat er wel bepaalde betalingen worden ingehouden. Met de bepaling dat bij AMvB dat soort inhoudingen kan worden toegestaan, al dan niet onder nadere voorwaarden, is de wet dus toekomstbestendiger geworden. Waar moet je dan aan denken? Ik zou de inbrengen van de verschillende Kamerleden willen interpreteren als een verzoek om die voor- en nadelen serieus te overwegen en de Kamer daarover te informeren. Als je het zou doen, zou je dat ter bescherming en bevordering van de bonafide inhoudingen doen. Dan moet je daar voorwaarden in opnemen rond de maximale huurprijs, rond de aanbieders en rond kenbaarheid van die aanbieders. Dat zijn allemaal onderdelen die de handhaafbaarheid en de bescherming van de werknemer versterken. Daarbij moet dan ook de juridische beoordeling van het recente arrest worden betrokken. Dat arrest lijkt erop te wijzen dat ook op Europees niveau wordt gezegd dat we maar geen inhoudingen op het minimumloon moeten hebben. Tegelijkertijd kan ik me voorstellen dat je de regel dat de inhouding verboden is zo interpreteert, dat inhouding op het minimumloon is verboden tenzij je aan een groot aantal voorwaarden voldoet die evident in het belang van de werknemer en daarmee ook in het belang van fatsoenlijke huisvesting voor een fatsoenlijke prijs zijn. Daarbij moet altijd de afweging worden gemaakt tussen de voor- en nadelen, zoals zij door de Kamer geschetst zijn. Aan de ene kant is er het voordeel van een heldere, transparante voorziening en aan de andere kant is er toch het nadeel van een sterkere afhankelijkheid, die door verschillende leden genoemd is. 

Een vraag die bij interruptie gesteld zou kunnen worden, is wanneer ik die brief dan aan de Kamer stuur. Dat zal ik voor 1 juni doen. Dat is niet te laat, want deze wet gaat per 1 juli in als zij door beide Kamers wordt aangenomen. Deze bepaling, het inhoudingsverbod, gaat per 1 januari volgend jaar in. Als ik voor 1 juni de Kamer een brief stuur met daarin de voor- en nadelen en de overwegingen ten aanzien van de mogelijke AMvB, is dat nog ruim op tijd om daartoe te beslissen voordat deze bepaling in werking treedt. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

Dank voor dit laatste antwoord, want dan kunnen we daar inderdaad naar gaan kijken. Ik ben getriggerd door de beeldende voorbeelden die de minister in zijn betoog heeft gegeven. Dat kunnen inderdaad schandelijke inhoudingen zijn. De minister zei echter dat dit op de loonstroken werd geconstateerd en daar zit precies mijn vraag. Juist doordat het zichtbaar was dat dit soort inhoudingen plaatsvond, konden ze worden aangepakt. Ik heb het hierbij bijvoorbeeld over het loopgeld en het te hard praten. Dat soort dingen werd zichtbaar omdat ze op de loonstrook stonden. Hoe voorkom je dat het materieel nog steeds gebeurt, maar op een andere manier, als het niet meer mag en dus niet meer zichtbaar is? Hoe pakt het niet meer op de loonstrook mogen zetten van dit soort schandelijke dingen materieel uit? 

Minister Asscher:

Kwaadwillenden zullen er altijd blijven en gesjoemel zal er, vrees ik, altijd zijn. Maar als je een kwaadwillende uitzender of een kwaadwillende werkgever bent en je bij die werknemer voor enige honderden euro's aan quasi-inhoudingen wil terughalen als onderdeel van je businessmodel, wordt het toch aanzienlijk moeilijker om dat te krijgen nadat je hem het wettelijk minimumloon hebt uitbetaald. Dan moet je die werknemer vragen om dat aan je over te maken en dan verander je enorm de verhouding tussen werkgever en werknemer op dat punt. En nee, dingen die nu onzichtbaar gebeuren, kunnen straks ook onzichtbaar gebeuren, maar hier wordt in sommige gevallen vrij standaard met die inhouding gewerkt. De werknemer, zeker als hij de Nederlandse taal niet goed machtig is, ziet wat hij op zijn rekening krijgt, heeft daar verder nauwelijks erg in, trekt niet aan de bel en weet soms ook niet waar hij allemaal — ten onrechte — voor betaalt. Juist de garantie dat iedereen die hier werkt het wettelijk minimumloon daadwerkelijk uitbetaald krijgt, is een belangrijke voorwaarde. Nogmaals, ik ben bereid om de Kamer in de brief de voor- en nadelen van deze AMvB te schetsen, want ik zie namelijk heel goed het belang van nette huisvesting — waarvoor collega Blok zich inzet — vanuit het perspectief van de werknemer, maar ook vanuit het perspectief van leefbaarheid. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

Dat laatste is sowieso goed, omdat daarmee de reinigende werking kan worden gestimuleerd: onder heel goede voorwaarden, als je alles heel netjes doet, dan mag het. Dan kan er een positieve prikkel van uitgaan en om die reden wil ik die AMvB graag verkennen. De minister beantwoordt echter niet precies de vraag die ik stel, hoewel hij gepassioneerd zijn antwoorden geeft. Ik probeer mijn vraag dus specifiek te stellen. De inspectie ziet dat er misstanden zijn en dat er rare dingen gebeuren, omdat het op de loonstrook staat. Als je weet wat er uitgekeerd is en je die loonstrook ziet, zie je ook dat er rare inhoudingen zijn geweest. Dan kun je daarop acteren. Dan is het niet onzichtbaar, zoals de minister zegt, maar dan is het zichtbaar. Juist omdat het zichtbaar is, kan er gehandhaafd worden. Als het niet meer zichtbaar is, kunnen juist door het principiële standpunt dat wordt ingenomen, schijnconstructies en uitbuiting meer onzichtbaar worden. De voorbeelden van de ingehouden boetes zijn nu namelijk zichtbaar op die loonstrook. Je kunt zien dat er negatief loon is uitbetaald. Dan kun je er toch op acteren omdat het zichtbaar is? 

Minister Asscher:

Het is niet alleen principieel. Het is ook pragmatisch. Laten we alsjeblieft niet vergeten dat de inspectie niet alle loonstrookjes ziet. Er moet al iemand aan de bel getrokken hebben en er moet al zo'n loonstrookje opduiken, wil de inspectie, of het nou een cao-handhaver is of onze inspectie, kunnen constateren dat er wat aan de hand is. Het verschil betreft dus niet een loonstrookje dat je bekijkt of een onzichtbare transactie. Nee, het verschil betreft de vraag: wie merkt er dat er iets gebeurt wat niet deugt? Bij dat loonstrookje heeft de werknemer vaak niet door dat hij onheus bejegend wordt. Als diezelfde werknemer apart moet tekenen voor een automatische incasso van het loopgeld, is de kans veel groter dat hij zich afvraagt of het normaal is en dat hij aan een collega vraagt: heb jij dit ook moeten tekenen? Dan is de kans misschien wel groter dat het aan het licht komt, dat men naar de inspectie stapt en dat het wordt geconstateerd. Het is dus niet alleen principieel. Het is juist ook pragmatisch. 

We keren het hier om. Het is voortaan verboden, tenzij het onder voorwaarden in zo'n AMvB mogelijk is gemaakt. Waarom zouden de goede werkgevers, die gelukkig ook ten tonele worden gevoerd, die het netjes voor hun werknemers willen regelen, er nu precies mee stoppen? Dat heb ik nog niet begrepen. In het normale maatschappelijke verkeer zijn er allerlei vormen waarbij je een dienst verleent of iemand een product geeft, zonder dat je het op zijn nettominimumloon hoeft in te houden. De fatsoenlijke werkgever, zeker die fatsoenlijke werkgever of het fatsoenlijke uitzendbureau dat het als een onderdeel van zijn werving in Zuid-Silezië ziet om te zeggen "u krijgt niet alleen een baan, maar ook huisvesting", kan toch die automatische incasso wel regelen? Nogmaals, het is terecht dat we hier de koers verleggen, maar ik wil bekijken of je toch onder omstandigheden een nog positievere prikkel voor goede werkgevers kunt installeren. 

De heer Van der Staaij (SGP):

De minister zegt in feite toch al: als je aan deze regel van een absoluut verbod vasthoudt, kan het ertoe leiden dat bonafide ondernemers ook negatief geraakt worden. Hij zegt ook dat we daarom toch moeten kijken of we met de AMvB bepaalde uitzonderingen kunnen creëren. Maar is het niet beter om nu al te overdenken op welke gevallen het kan slaan? Ik hoor met name dat het gaat om huur en zorgpremie. Is het niet beter om dit dan al gelijk op het niveau van wet te regelen? 

Minister Asscher:

Mijn betoog strekt ertoe om het omgekeerde te zeggen. Ik denk namelijk dat bonafide werkgevers ook met de thans voorliggende wet prima uit de voeten kunnen en kunnen doorgaan met de bonafide praktijken. Ik denk niet dat het prohibitief hoeft te zijn voor een werkgever als hij niet kan inhouden maar als het via automatische incasso zou moeten gaan. Het kan best zijn dat het in sommige businessmodellen een nadeel oplevert, maar dat nadeel weegt niet op tegen de winst die je boekt voor de versterking van de positie van de werknemer die het loon krijgt uitbetaald. Met alle respect, ik maak een andere keuze dan de heer Van der Staaij voorstelt. Hij zegt: regel dat nou bij wet. Maar ik denk dat de wet hier de norm moet stellen dat iedereen zijn minimumloon krijgt uitbetaald en daar vrijelijk over kan beschikken. Ik zal heel zorgvuldig de voor- en nadelen bezien. Ik hoop dat de Kamer mij ook zo kent. Als ik denk dat het bijdraagt, zal ik wel degelijk zo'n AMvB voorstellen, maar laat het de uitzondering zijn in plaats van de regel. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Maar als de minister puur en alleen zegt dat de incassopraktijk uitkomst kan bieden, dan is er toch geen uitzondering of regeling bij AMvB nodig? Het kan eigenlijk sowieso al. 

Minister Asscher:

Inderdaad. Ik ben er nu nog niet van overtuigd dat het er zou moeten zijn. Daarom wil ik de voordelen en de nadelen van zo'n AMvB bezien. Anders had ik hem al voorgesteld. Gehoord wat de Kamer in eerste termijn heeft betoogd, wil ik wel degelijk een dergelijke analyse maken en daar de juridische aspecten in meenemen. Maar vooralsnog denk ik dat de bonafide partijen prima uit de voeten kunnen met de wet zoals hij voorligt. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter ... 

De voorzitter:

Heel kort, mijnheer Van der Staaij, u hebt vanavond nog niet een derde instantie gehad van mij. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Even heel praktisch op het punt van de zorgpremie: is het risico niet gewoon aanwezig dat een werknemer zegt "aan automatische incasso doe ik niet mee, voor mij hoeft het niet", met het risico dat er om die reden onverzekerdheid optreedt? 

Minister Asscher:

Het voordeel van de zorgpremie is dat die mag worden ingehouden. Het bedrag is niet hoger dan de wettelijke minimumvakantiebijslag. Die kan men gewoon inhouden. Sterker nog, dit heeft als aanvullend voordeel dat dan in ieder geval het vakantiegeld wordt betaald, waar ook niet altijd sprake van is. Het probleem van de zorgverzekering kan ook onder deze wet worden opgelost, doordat men de premie inhoudt op het vakantiegeld en dus niet op het netto minimumloon zelf. Het probleem van de huur betreft een hoger bedrag. Dat zou niet kunnen, maar vooralsnog ben ik er niet van overtuigd dat dit noodzakelijk is. Ik acht de kans wel aanwezig dat het nuttig is, vandaar de mogelijkheid van een AMvB in de wet. Die staat er inderdaad niet voor niets in. Ik zeg de Kamer toe om er voor 1 juni op terug te komen. 

De heer Van Weyenberg (D66):

Dat laatste punt, over de zorgverzekering, heb ik zo niet in de beantwoording door het kabinet tot nu toe gelezen. Het kan natuurlijk aan mij liggen, maar ik zou het op prijs stellen als de minister dit in de aanloop naar de stemmingen iets preciezer voor ons op papier zet. Voor mij is dit een aanvulling op wat ik tot nu toe heb gehoord. Dat is een verzoek. 

Mijn concrete vraag is de volgende. Tot nu toe schreef de minister in de nota naar aanleiding van het verslag "Ik ben niet voornemens". Nu zegt hij: ik ga nog een keer goed kijken. Ik ken deze minister en mag er dus van uitgaan dat hij dit met een open blik gaat doen. "Nee ik ben het niet van plan" is veranderd in: "Ik ga nog eens heel goed kijken. Ik moet nog overtuigd worden, maar alle opties zijn wel open." Ik ga er ook van uit dat de minister dit doet samen met die bonafide partijen, tot en met de zorgverzekeraars, die wel degelijk tegenover ons hun forse zorgen hebben geuit dat zij door dit wetsvoorstel potentieel in de problemen zouden komen. Gaat hij die partijen erbij betrekken? 

Minister Asscher:

Ik zal voor de stemmingen over het wetsvoorstel dit antwoord dat ik zojuist gaf, schriftelijk aan de Kamer doen toekomen. 

Wat de tweede vraag betreft: zeker, ik ben het niet voornemens, want anders zou ik gewoon hebben aangekondigd dat er een AMvB komt. maar ik ga er met een open blik naar kijken. Daarbij neem ik mee wat wij hier met elkaar hebben besproken en let daarbij op de voor- en nadelen. Ik doe dat ook met een zekere relativering van de noodkreet die door de ABU is geslaakt. Die relativering staat de Kamer mij misschien toe, maar ik ga er wel degelijk met een open blik naar kijken. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik probeer het toch iets scherper te krijgen, want het is wel een wezenlijk onderdeel van het debat. Ik hoor de minister zeggen dat hij het niet voornemens is, maar dat hij het ook niet uitsluit. Wij gaan straks wel over het wetsvoorstel stemmen, terwijl wij niet weten hoe die AMvB eruit komt te zien. Wij kunnen die dus nog niet afwegen bij het wetsvoorstel. Waarom heeft de minister dit niet al eerder meegenomen? Waarom komt hij daar nu pas mee? 

Minister Asscher:

Ik heb het wel degelijk meegenomen, want de mogelijkheid van de AMvB zit in de wet. Ik zal de AMvB aan de Kamer voorleggen. Wij zullen daar een voorhang voor organiseren. Ik ga de Kamer geen verrassingen achteraf bezorgen. Ik denk dat het wetsvoorstel zoals het is, goed is, maar ik zie het probleem dat zou kunnen ontstaan als er veel minder sprake zou zijn van aangeboden fatsoenlijke huisvesting. Ik denk dat dit met andere incassomogelijkheden oplosbaar is. Gezien het debat in eerste termijn en luisterend naar de Kamer, heb ik de Kamer toegezegd om de voor- en nadelen van een dergelijke AMvB voor 1 juni aan de Kamer te doen toekomen, voorzien van een conclusie van de regering en een beoordeling van het juridische kader. Dit is een onderdeel in de wet om ervoor te zorgen dat je kunt reageren op ontwikkelingen in de samenleving. Zo'n AMvB kun je ook maken nadat de wet in werking is getreden, omdat je dingen ziet die je niet bevallen. Ook als wij in juni tot de conclusie zouden komen dat een AMvB nu niet aan de orde is, blijft de mogelijkheid in de wet. Dan kun je ook een jaar of twee jaar later, voordat de officiële evaluatie plaatsvindt, zeggen: wij zien nu toch dingen waardoor wij zo'n AMvB zouden willen gebruiken. Dat is de reden waarom die er nu niet in zit. Ik ben het niet voornemens en ik ben er vooralsnog niet van overtuigd dat het nodig is, maar het zou wel nuttig kunnen zijn. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik hoor de minister goed en dat stelt mij gerust. Wij hebben hier wel eens debatten gevoerd over AMvB's die in de strijd werden gegooid om een wezenlijk element van een wet er doorheen te krijgen. Ik hoop dat dit in dit geval niet gebeurt. Ik heb de minister goed gehoord en ik dank hem voor de toezegging dat hij de AMvB zal voorhangen. Als dat niet gebeurt, kan er twijfel ontstaan over de richting die men met dit artikel wil opgaan. Ik dank de minister. 

Minister Asscher:

Ik denk dat ik de heer Van der Staaij niet verras als ik zeg dat ik het amendement van de SGP ontraad. Dat voorziet immers in een wettelijke bepaling die de inhouding voor deze kosten wel mogelijk maakt. Wij hebben bewust voor de mogelijkheid van de AMvB gekozen. Ik heb dat zojuist toegelicht. Daarom adviseer ik negatief over dit amendement. 

Een expliciete regeling voor de inhouding van de premie voor de Zorgverzekeringswet is niet nodig, want die kan worden ingehouden op de wettelijke minimumvakantietoeslag. Het gaat om de mogelijkheid voor inhoudingen boven het wettelijk minimumloon. Zoals zojuist toegezegd, zal ik dit ook nog op papier zetten. Dat neemt wellicht een zorg van de fractie van de SGP weg. Over die andere zorg heb ik zojuist gesproken. Ik hoop dat dit de goesting van de SGP met haar prachtige Bijbelse fundament onder goed werk niet verpest. 

De heer Van Ojik heeft gevraagd of ik de site Nieuw in Nederland ken en of ik de informatie over zorgverzekeringen afdoende vind. Ik ken die site; het is een site van de rijksoverheid. Ik wil niet beweren dat ik alle sites van de rijksoverheid ken, maar deze wel. De informatie op die site wordt in alle talen van de Europese Unie vertaald. De informatie op de site is toegankelijk en dat is natuurlijk ook de bedoeling. 

De informatie over de zorgverzekeringen vind ik op zichzelf helder. Gelet op de inbreng van de heer Van Ojik over boetes bij niet-verzekeren, weet ik niet of men expliciet genoeg is over de bijzonderheden van het Nederlandse stelsel. Ik zal nog eens kijken of die informatie niet beter kan dan zij nu is. De site is vertaald in alle talen van de EU en er staat informatie over de zorgverzekeringen op, maar ik wil zeker kijken of dat niet nog beter kan. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Mijn vraag was niet of de minister de brochure of de website kent. Ik nam aan dat dit het geval was. Het is wel heel goed om nog eens naar de inhoud te kijken. Dat heeft de minister ook toegezegd. Ik heb het voorbeeld genoemd van de boete die je krijgt als je niet verzekerd bent. Die verzekering is in Nederland verplicht. Het Zorginstituut heeft ook een website. Dat is geen site van de overheid maar van de gezamenlijke zorgverzekeraars. Omdat wij ons allemaal zorgen maken over de vraag of de mensen wel verzekerd zijn, vraag ik mij af of die informatie wellicht ook in meerdere talen beschikbaar moet zijn. 

Minister Asscher:

Wij kunnen een opvatting hebben over de vraag of sites van private partijen in meerdere talen beschikbaar moeten zijn, maar het is niet aan ons om dat te organiseren. Belangrijk is dat de informatie op de site Nieuw in Nederland toegankelijk is. Nogmaals, ik zal kijken of daar nog verbeteringen mogelijk zijn. 

De heer Mulder vraagt hoe het zit met loonbeslag als inhoudingen verboden zijn. Loonbeslag is altijd mogelijk tot het niveau van de beslagvrije voet. Daar doet het verbod op inhoudingen niets aan af. Dat blijft zo. 

Door de Wet aanpak schijnconstructies kan de inspectie straks resultaten van onderzoeken openbaar maken. Het handelen van de inspectie wordt daarmee transparanter. Er is al een aantal jaren discussie over. Het is een door ons al eerder geuite wens. Ver voor dit kabinet, in 2005, is in de kaderstellende visie op toezicht aangegeven dat men zou moeten streven naar meer openbaarheid. Ik heb daar in de memorie van toelichting ook naar verwezen. Ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft aangegeven dat met meer openbaarheid het vertrouwen van de burger in de overheid kan worden verbeterd. Met dit voorstel komen wij tegemoet aan de wens van meer transparantie en meer openheid over de resultaten van de inspectie. Het wordt geen zwarte lijst van alleen de bedrijven die beboet zijn. Alle inspectieresultaten worden gepubliceerd. Er zijn dus ook bedrijven die vol trots zullen kunnen verwijzen naar de inspectie bij hen. Zo wordt volledige transparantie bereikt over de resultaten van inspecties. 

Daarmee — ik zeg het de heer Heerma en anderen na — is de wet niet alleen bedoeld om daadwerkelijke onderbetaling tegen te gaan en om een sanctie aan de slechterik te kunnen opleggen. Ook de preventieve werking, de normstellende werking van openbaarmaking en van optreden op grond van deze nieuwe bepalingen, zal daardoor worden versterkt. De inspectie zal niet alleen op het minimumloon handhaven, maar ook op discriminatie op de arbeidsmarkt en allerlei andere wettelijke eisen die we hebben gesteld. Het preventieve effect van deze bepaling gaat dus in mijn ogen nog verder dan alleen dat waarover wij het hebben bij schijnconstructies, maar betreft de hele fatsoenlijke arbeidsmarkt. Daar waar de inspectie constateert dat daar geen sprake van is, zal dat openbaar zijn en zal dat zijn effect hebben, ook op de consument en via de media. 

Persoonsgegevens en bedrijfs- en fabricagegegevens worden vanzelfsprekend van die verplichting tot transparantie uitgezonderd. Openbaarmaking vindt pas plaats als het onderzoek definitief is afgerond en in het geval van sanctiebesluiten als de belanghebbende de gelegenheid is geboden om een zienswijze te geven en na afloop van de termijn waarbinnen een voorlopige voorziening kan worden ingesteld tegen de openbaarmaking. Daarmee hebben we balans aangebracht. Als je ten onrechte met een sanctie wordt geconfronteerd, kan dat immers ook weer schade toebrengen. Een bedrijf kan dus naar de rechter stappen om die openbaarmaking te voorkomen. Als die termijn verstreken is, komt het op de site. 

Betere naleving van wet- en regelgeving zullen hierdoor bevorderd worden. Bedrijven zullen meer doen om overtredingen te voorkomen. Het is een additioneel belang om niet in de publiciteit te komen als wanbetaler of iemand die zich slecht gedraagt op de arbeidsmarkt. Bedrijven en consumenten worden geïnformeerd over wie zich wel en niet aan de regels houdt, over waar je wel en niet zou moeten kopen om het huiselijk te zeggen. Het openbaar maken van inspectiegegevens dient dus ook het belang van derden. 

Ik kom bij de ketenaansprakelijkheid. De ketenaansprakelijkheid voor het verschuldigd loon is een zeer belangrijk onderdeel, misschien wel het belangrijkste, van de Wet aanpak schijnconstructies. Het doel is te zorgen voor bonafide ketens waarin werknemers het juiste loon ontvangen. Steeds meer zien we dat onderbetalingen worden geconstateerd en dat mensen die onderbetaald worden het werk verrichten voor een andere partij, bijvoorbeeld voor de opdrachtgever van de werkgever of voor de hoofdopdrachtgever. Degene die daadwerkelijk onderbetaalt, is de werkgever. De arbeid wordt echter feitelijk verricht voor een opdrachtgever in de keten. Bedrijven besteden namelijk regelmatig bepaalde werkzaamheden uit aan andere bedrijven, die op hun beurt weer bepaalde onderdelen uitbesteden aan weer andere bedrijven. Zo ontstaan soms lange ketens van verschillende opdrachtgevers, van verschillende schakels. Er zijn allemaal verschillende werkzaamheden, stukjes werk, die steeds verder van de hoofdopdrachtgever af verricht worden, maar die wel degelijk uiteindelijk worden verricht ten behoeve van die hoofdopdrachtgever. Helaas zien we in dat soort ketens voorbeelden van onderbetaling van werknemers. Ik noemde al even de Eemshaven, de bouw van de energiecentrale. Daarbij hebben we gezien dat honderden werknemers — dit is geconstateerd door de rechter — te weinig loon kregen uitbetaald. 

Op dit moment zijn andere schakels in de keten niet aansprakelijk voor eventuele onderbetaling van werknemers in de keten. Als er wordt onderbetaald, kan de werknemer uitsluitend zijn werkgever aanspreken. Door de invoering van de ketenaansprakelijkheid kan een werknemer straks ook opdrachtgevers in de keten aansprakelijk stellen als hij onderbetaald is. We verwachten hier drie effecten van. 

Het eerste is een preventief effect, omdat opdrachtgevers ervoor zullen zorgen dat er al bij de aanbesteding aandacht is voor fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en men zich van tevoren bewust wordt van het belang van nette arbeidsvoorwaarden in de keten. Het tweede is een correctief effect: het oplossen van problemen bij geconstateerde onderbetaling. Thans is het zo dat als er onderbetaling wordt geconstateerd, men soms schaapachtig voor zich uit kijkt of wegkijkt. Straks zal het zo zijn dat er bij gerezen problemen veel eerder een oplossing zal komen. Het derde punt is ultimum remedium, namelijk de mogelijkheid om via de rechter nabetaling af te dwingen. 

Hoe vaak zullen werknemers, ondersteund door vakbonden, nu daadwerkelijk gebruik gaan maken van die juridische kant van de ketenaansprakelijkheid? Dat is moeilijk te voorspellen. Ik verwacht geen zee aan rechtszaken. Ik denk dat die preventieve werking het belangrijkste effect zal zijn van deze bepaling in de wet. Die preventieve werking komt er echter niet zonder het risico om in rechte te worden aangesproken. 

Hoe werkt het in de praktijk? Een werknemer die wordt onderbetaald, kan straks in eerste instantie zijn werkgever aanspreken, maar tegelijk ook de directe opdrachtgever van zijn werkgever. Daar zit hoofdelijke aansprakelijkheid. Op de onderste twee treden van de trap — ik gebruik die metafoor maar — kan de werknemer direct aanspreken. De werknemer kan dus een keuze maken. Of hij stelt zijn werkgever aansprakelijk, of hij stelt de opdrachtgever van zijn werkgever aansprakelijk, of hij pakt ze meteen allebei. De werkgever en diens opdrachtgever worden met dit wetsvoorstel hoofdelijk aansprakelijk voor het verschuldigde loon. 

Op het moment dat de werknemer zijn werkgever, diens opdrachtgever of beiden aansprakelijk stelt, kan hij tevens de hoofdopdrachtgever op de hoogte brengen van die vordering. Dat is belangrijk. Hier kan het correctieve effect van de wet gaan optreden. De hoofdopdrachtgever kan dan namelijk, vanuit zijn rol, druk uitoefenen op andere schakels in de keten om het probleem op te lossen en om te gaan betalen. Huiselijk gezegd zal de hoofdopdrachtgever zijn aannemer aanspreken. Hij zal zeggen: wat overkomt mij nou? Hij zal zeggen: ik krijg een vordering opgestuurd namens een aantal werknemers en als die vordering klopt, worden die werknemers grof onderbetaald. Hij zal zeggen: ik heb niet voor niets in mijn aanbesteding de volgende voorwaarden gesteld, dus ik wil dat je als de wiedeweerga aan de gang gaat om dit probleem op te lossen. Hij zal zeggen: ik wil er niks meer van horen, ik wil dat het wordt opgelost. Zo zal het in de praktijk gaan werken. Dit is een heel belangrijk element. 

Als de werknemer, ondanks de aansprakelijkstelling, zijn loon toch niet ontvangt van de werkgever of diens opdrachtgever, dan kan hij onder bepaalde voorwaarden de volgende opdrachtgever aanspreken op betaling van het loon. Op die manier kan hij, stap voor stap, een steeds hogere opdrachtgever aanspreken en uiteindelijk bij de hoofdopdrachtgever uitkomen. 

Er zijn twee uitzonderingen op de hoofdregel waardoor de werknemer eerder de hoofdopdrachtgever zelf kan aanspreken. De eerste is de situatie dat de werknemer, een jaar nadat hij de hoofdopdrachtgever op de hoogte heeft gebracht, nog steeds niets heeft ontvangen. De tweede uitzondering is de situatie waarin er sprake is van ernstige, grove onderbetaling, dat wil zeggen als ten minste drie maanden minder dan de helft van het verschuldigd loon of minder dan 70% van het wettelijk minimumloon is betaald. Bij dergelijke ernstige onderbetaling kan de werknemer de hoofdopdrachtgever zes maanden nadat hij de hoofdopdrachtgever daarover heeft geïnformeerd aansprakelijk stellen. 

Mijn verwachting is dat opdrachtgevers verschillende maatregelen zullen nemen om verwijtbaarheid te voorkomen. Die verwachting is ook gebaseerd op wat ik heb gehoord in de vele gesprekken die ik over dit onderdeel van de wet heb gevoerd. Opdrachtgevers willen niet-verwijtbaarheid zo veel mogelijk van tevoren regelen. Dat is niet alleen fatsoenlijk, maar ook logisch, gezien vanuit het bedrijfsbelang. Alleen al daardoor zal onderbetaling minder gaan voorkomen. Dit is dus het preventieve effect waarover ik zojuist sprak. 

In de memorie van toelichting heb ik voorbeelden gegeven van maatregelen die een opdrachtgever zou kunnen treffen. De heer Mulder vroeg mij of de rechter dat wel zal lezen. Welzeker. De rechter gebruikt bij de interpretatie van de wet de hele wetsgeschiedenis, inclusief de memorie van toelichting. Dit onderdeel van de wet zal ongetwijfeld worden gelezen en worden betrokken bij de beoordeling van de feiten van een geval. Er is wel bewust voor gekozen om die voorbeelden niet in de wettekst zelf op te nemen, want dan zouden het geen voorbeelden meer zijn, maar zou het een verplicht rijtje zijn. De punten erop zouden dan door opdrachtgevers worden afgevinkt, waarna ze achterover zouden kunnen leunen. Dat willen we nou juist niet. Dat wil de heer Mulder niet en dat wil het kabinet ook niet. We willen dat de opdrachtgevers actief optreden als er iets mis is gegaan onderin de keten. 

Dat is ook het grote verschil tussen enerzijds de niet-verwijtbaarheid, die we in de wet hebben opgenomen, en anderzijds de vrijwaring vooraf, die door sommigen is bepleit. Bij de vrijwaring vooraf gaat het vooral om het lijstje afvinken, waarna je er niks meer mee te maken hebt. Bij de niet-verwijtbaarheid heb je, op het moment dat er iets wordt gemeld, nog steeds de plicht om er iets aan te doen. Er is immers nog steeds een restrisico dat je toch aansprakelijk wordt gesteld. Dankzij die voorbeelden kunnen de opdrachtgevers er ook voor kiezen andere maatregelen te nemen. Dat is goed, want sectoren en branches verschillen. Wat in de ene sector een prachtige manier is om onderbetaling te voorkomen, kan in een andere sector weer heel anders worden opgelost. Die vrijheid heeft men. Ik denk dat dat ook goed is. Door dit soort maatregelen vooraf en achteraf te nemen, krijgen opdrachtgevers meer zekerheid dat ze niet verwijtbaar zijn als er toch onderbetaling voorkomt. Uiteindelijk is dit aan de rechter om te beoordelen. Ik denk — ik citeer de heer Heerma — dat we daarmee de bureaucratie tot een minimum beperken en de preventieve werking juist maximaal proberen te krijgen. 

Aan wat voor maatregelen moet je dan denken? Contractuele bepalingen die ertoe strekken dat opdrachtnemers of aannemers handelen conform wet- en regelgeving en cao. Afspraken in zo'n contract over periodieke controles, bijvoorbeeld via een audit. Alleen zaken doen met in het register geregistreerde bedrijven. Dit zijn een aantal voorbeelden die de heer Mulder ook heeft aangestipt. Ook het gebruik van een keurmerk of een certificaat kan een manier zijn om invulling te geven aan het doel van de ketenaansprakelijkheid: tegengaan van onderbetaling en van oneerlijke concurrentie. Door te werken met opdrachtnemers die een certificaat of keurmerk hebben, krijgen opdrachtgevers meer zekerheid dat ze te maken hebben met een bonafide partij. Zo'n keurmerk of certificaat bestaat nu nog niet, maar kan ontwikkeld worden. Maar ook bij het certificaat geldt wat ik hiervoor al zei, namelijk dat opdrachtgevers na de opdrachtverlening, als er ondanks het certificaat toch onderbetaling wordt geconstateerd, actie dienen te ondernemen om het op te lossen. Uiteindelijk is het dan aan de rechter om te beoordelen of in zo'n situatie het werken met een gecertificeerde opdrachtnemer, in combinatie met die ondernomen actie na de geconstateerde onderbetaling, voldoende is voor de niet-verwijtbaarheid. 

De SP vroeg waarom niet voor hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gehele keten is gekozen. Het voorliggende model legt druk op de hoofdopdrachtgever en andere schakels in de keten om onderbetaling te voorkomen en in voorkomende gevallen te herstellen. Bij een hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hele keten zou veel van de druk op de lagere schakels in de keten vervallen, omdat men meteen naar de hoofdopdrachtgever loopt. Dat doet af aan de effectiviteit, omdat dat juist de schakels zijn die de onderbetaling veroorzaken. Het probleem van onderbetaling zal zo veel mogelijk daar waar het ontstaat, onder in de keten, moeten worden opgelost. Daarom zijn zowel de werkgever als diens opdrachtgever hoofdelijk aansprakelijk. In de woorden van de heer Ulenbelt: het is een combinatie van trap af en trap op. De eerste twee treden zijn tegelijk aan de beurt. De opdrachtgever voelt tevens een verantwoordelijkheid, want die krijgt die verordening. Dus in plaats van dat we moeten kiezen of we trap op- of de trap afgaan, gooien we er een emmer sop overheen en kunnen de eerste twee treden tegelijk worden benaderd. Het werkt dus preventief en correctief en, bij daadwerkelijke onderbetaling, kan het loon opgehaald worden. 

Het wetsvoorstel biedt daarmee balans tussen het versterken van de rechten van de werknemers, het daadwerkelijke preventieve effect van de maatregel en het niet onnodig belasten van de opdrachtgevers. Deze vormgeving bevordert dat werknemers snel het achterstallig loon kunnen vorderen, het voorkomt onnodige administratieve lasten en het stimuleert preventief en corrigerend handelen. 

Dat betekent dat ik het amendement van de SP, waarbij de hoofdopdrachtgever direct aansprakelijk gesteld zou worden, moet ontraden. Het voorliggende model legt de druk meteen onder in de keten en bij de opdrachtgever die die loonvordering krijgt. Ik ben bang dat het amendement niet de werking zal hebben die de heer Ulenbelt eraan toeschrijft. 

De heer Ulenbelt (SP):

De hoofdopdrachtgever of de hoofdaannemer voert de regie over de kwaliteit van het werk. Als er een steiger niet deugt is er altijd iemand die kijkt, enzovoort. Bij het bouwen van een auto geldt dat ook. We hebben geregeld dat de opdrachtgever aansprakelijk als hij een huis bouwt, ongeacht welke onderaannemer een fout heeft gemaakt. Ik heb het voorbeeld van de auto genoemd. Daar geldt dit idem dito. Waarom dan niet ook in het domein van de arbeid? Volgens mij was de minister oorspronkelijk voor het idee van het hoofdelijk aansprakelijk stellen. Ik neem aan dat hij er nog steeds voor is. Nu maakt hij van de werknemer een acrobaat, want die kan tegelijkertijd de trap op en de trap af. Dat biedt weinig vertrouwen. Waarom? 

Minister Asscher:

Ik vind het heel jammer dat dit gebeurt. Ik ben er juist inhoudelijk op ingegaan met de verdediging waarom dit model effectiever is dan het model dat de heer Ulenbelt voorstelt. Hij zegt: ik weet dat de minister eigenlijk iets anders wil. Hij zegt: ik weet dat die demonstranten weliswaar "aannemen" scanderen maar eigenlijk iets anders willen. Hij zegt: ik weet dat iedereen eigenlijk iets anders wil dan hij hier zegt. Maar dat is niet zo. Ik verdedig deze wet. Deze wet is goed. Het is een grote stap. Ik heb heel veel waardering voor de heer Ulenbelt in het bijzonder en de SP in het algemeen. Dit is een wet waarbij het zure "het is geen diamant maar een glaasje" echt niet aan de orde is. Hier past, denk ik, de constructieve houding waarmee de SP tegenwoordig adverteert. Laat die zien. Het is een goede wet, doe er niet zo zuur over. Het is ook een goed model voor de aansprakelijkheid. 

De heer Ulenbelt (SP):

Ik doe niet zuur, ik heb een concreet voorstel. Ik heb het voorbeeld van de Belastingdienst gegeven. De Belastingdienst kan in de hele keten premies en belastingen halen. Ik stel voor — dat is niet zuur maar juist constructief — om de werknemer in precies dezelfde positie als de Belastingdienst te brengen als het om zijn loon gaat. Hij kan dan kiezen waar in de keten. De minister gelooft er niet in, maar trap af is echt makkelijker dan trap op, overal. Of je moet een lift hebben naar de allerbovenste, dat kan ook nog. Maar dan begin je wel weer bij de bovenste. 

Minister Asscher:

De SP gaat niet in op mijn argument dat je daarmee de druk op de onderste twee schakels in de keten te veel wegneemt. Daar moet die druk wel liggen. Daar gaat het mis. Zeker, er is een verantwoordelijkheid voor de hoofdopdrachtgever. Die heeft misschien een aanneemprijs goed gevonden waarvan hij eigenlijk had kunnen weten: dit klopt niet. Zeker, als hij een telefoontje krijgt "hier worden Bulgaren of Portugezen onderbetaald", moet hij iets doen. Dat zit ook in de wet. Dan krijgt hij loonvordering en moet hij gaan optreden. Maar als je meteen aansprakelijk kunt stellen, uitgezonderd die twee gevallen waarin het wel zou moeten, is het effect op de onderste twee schakels weg, maar dat moet je wel hebben. Je moet niet kiezen "ga ik van boven naar beneden of van beneden naar boven", je moet het zo inrichten dat de druk op de hele keten ligt. De opdrachtgever die de loonvordering krijgt, ziet: als ik nu niet optreed, kan ik daar later spijt van krijgen. Let wel, het komt nog in de krant ook, het wordt openbaar gemaakt. De onderste twee schakels in de keten weten: we kunnen allebei hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld, misschien zelfs wel tegelijk; wat is hier aan de hand? 

De heer Ulenbelt (SP):

Voorzitter. 

De voorzitter:

De minister vervolgt zijn betoog. 

Minister Asscher:

De heer Ulenbelt heeft als een soort verklaring voor het feit dat ik niet voor zijn voorstel ben, dat ik zijn voorstel eigenlijk beter vind, maar dat om welke reden dan ook niet kenbaar maak. Dat is niet zo. Ik vind dit voorstel beter. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

Ik heb in mijn eerste termijn uiteengezet waarom ik denk dat er sprake is van een preventieve werking van deze wet. De minister heeft het mooie van het civiele recht nog beter verwoord door het collectieve element eraan toe te voegen. Hij heeft het vervolgens nog mooier gemaakt door te zeggen: eigenlijk gaat het niet om zo veel zaken, omdat die eerste twee stappen zo belangrijk zijn. Nu zit in deze wet ook een stukje over de Wet arbeid vreemdelingen. Die kent geen ketenaansprakelijkheid maar wel een ketenbepaling. Dat is bestuursrecht en dat werkt nu net anders. Bij de discussie rondom de Fraudewet en de werking van de boetebepalingen hebben we gesproken over boetes in het kader van het bestuursrecht van die ketenbepaling. Kan die bestuursrechtelijke ketenbepaling van de Wet arbeid vreemdelingen wat leren van deze civielrechtelijke ketenaansprakelijkheid waarvan de minister zo eloquent alle voordelen uitlegt? 

Minister Asscher:

Ja, ik bezing hier de lof van het civiele recht in Nederland. Zeker met dit nieuwe element erin, dat echt een ongebruikelijk element is in het civiele recht, denk ik dat het zijn werking zal hebben. Het arbeidsrecht is nooit normaal civielrecht geweest door die ongelijkheid tussen partijen. Er is altijd sprake geweest van een bescherming van een zwakkere partij. Zeker, je moet in de verschillende rechtsgebieden telkens kijken naar de vraag wat effectief is. Ten aanzien van de positie rond de Wet arbeid vreemdelingen spelen natuurlijk ook weer andere belangen een rol. In de eerste plaats zal een vreemdeling zelf nooit aan de bel trekken. Hij heeft er immers belang bij dat hij zonder die tewerkstellingsvergunning mag werken. Extreme uitbuiting laat ik even terzijde. 

In de tweede plaats heb je ook een enorm maatschappelijk belang om af te dwingen dat men zich zeer bewust is van dat risico. Ook hierbij heb je bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sanctiemogelijkheden, maar die werken niet op dezelfde manier als de Wet arbeid vreemdelingen. Die werken na constatering door de inspectie. Het korte antwoord is: het kan. We moeten telkens bekijken hoe we dit soort wetgeving zo effectief mogelijk inrichten. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

Dit is mij een net iets te algemeen antwoord. We hebben in het kader van de Fraudewet steeds die discussie gevoerd. We hebben moeten constateren door rechterlijke uitspraken dat daar niet alles helemaal gaat zoals het moet. Dat is bestuursrecht. Daarbij gaat het niet om de preventieve werking of de bewustwording dat je het moreel goede moet doen. Er worden boetes opgelegd die soms onuitlegbaar zijn. Dat geldt bij het bestuursrecht in de Wet arbeid vreemdelingen soms ook. Ik verwijs nogmaals naar deze lofzang op het civielrecht; ik snap dat dit anders is dan de Wet arbeid vreemdelingen. Kunnen we dan toch ook eens naar die wet kijken, net zoals we naar de Fraudewet kijken, hoe voorkomen kan worden dat mensen daar met onuitlegbaar hoge boetes te maken krijgen? Samen met de heer Van Weyenberg heb ik een motie ingediend op dit punt om te voorkomen dat er dat soort hoge boetes worden opgelegd zonder dat er een bewustwording, een preventieve werking of een correctie optreedt. Dat is nu net zo mooi aan dit onderdeel van die wet. Is op dat punt nog verbetering mogelijk? 

Minister Asscher:

Ik heb toegezegd om met voorstellen te komen rond de Fraudewet. Laat ik eraan toevoegen dat ik de gedachten die we met elkaar ontwikkelen over effectiviteit betrek bij die brief, zonder iets af te doen aan de wezenlijk verschillende karakters van die stelsels. In dit geval heb ik in de vele besprekingen hierover die andere modellen verkend. Maar als je je voorstelt dat er wel hoofdelijke aansprakelijkheid is in de hele keten tot en met de opdrachtgever, kun je je nauwelijks een systeem voorstellen zonder vrijwaring. Als je geen vrijwaring hebt en dus iedereen bij de rechter zijn niet-verwijtbaarheid zou moeten aantonen voor de hele keten, riskeer je wel degelijk een enorm controlegedoe, ook waar dat niet nodig is. Dan riskeer je dat iedere transactie door de hoofdopdrachtgever zal worden gecontroleerd zonder dat dit ten bate is van de werknemer. Dan slibt het dicht. Je komt dan uiteindelijk toch op zo'n vrijwaring. Dan heb je, denk ik, symboolwetgeving. Dan heb je wel die hoofdelijke aansprakelijkheid, maar met een afvinklijstje. Waar we naar hebben gezocht — in deze wet ligt het resultaat van die zoektocht — is: ja, men kan aansprakelijk gesteld worden; nee, je wilt die druk niet weghalen met een afvinklijstje via de vrijwaring. Het moet een systeem zijn met open normen, maar zonder overdreven administratieve lasten. 

Het amendement van de SP over de percentages, dat op stuk nr. 5, ontraad ik. De ketenaansprakelijkheid beoogt vooral het voorkomen van onderbetaling. Dat komt tot uitdrukking in de vormgeving. We hebben daar net over gesproken. De hoofdopdrachtgever kan relatief snel aansprakelijk gesteld worden als er sprake is van ernstig onderbetalen. Meestal ligt het veel meer voor de hand dat de werknemer zijn loon eerst onder in de keten vordert. Doorgaans is het daar namelijk misgegaan. Bij misstanden van onderbetaling zijn de mogelijkheden voor de werknemer onder in de keten verruimd, door de invoering van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de opdrachtgever van de werkgever. Het is belangrijk dat het probleem van onderbetaling daar wordt opgelost waar het ontstaat. Ik begrijp het pleidooi voor de andere percentages goed. Ik ben ook van mening dat de hoofdopdrachtgever bij iedere onderbetaling, ongeacht of die laag of hoog in de keten is, in actie moet komen om die te herstellen of te laten herstellen. Dat zit ook in het model. Dat is de correctieve werking ervan. 

Mevrouw Schouten heeft gevraagd of de stap naar de hoofdopdrachtgever niet wat makkelijker gemaakt moet worden. Is die 50% niet een te hoge drempel? Hiervoor geldt grosso modo dezelfde redenering. Ik geef onmiddellijk toe dat je ergens een niveau zoekt — 50%, 55% — waarvan je zegt: ja, maar dit wordt zo gortig; je moet daar direct naartoe kunnen. Het doel is vooral de preventieve werking. Daarbij weet je dat een hoofdopdrachtgever wat zal moeten doen als hij de loonvordering in de onderste twee schakels van de keten op zijn bureau aantreft. Ik denk dat dit de betekenis is en dat je daarom de drempel ook niet te laag zou moeten maken. Dan is het correctieve effect namelijk minder aantrekkelijk. Dan denk je: see you in court; ik merk het wel. Hij wil dat voorkomen en hij treedt daarom op op het moment dat die melding binnenkomt. 

De voorzitter:

Het advies dat de minister zojuist gaf, betrof het amendement op stuk nr. 14. Ik kijk even naar de heer Ulenbelt of dat correct is. De minister zegt 5, maar het zal 14 zijn. 

Minister Asscher:

De voorzitter heeft altijd gelijk, dus heeft de voorzitter gelijk. 

De voorzitter:

Dat vind ik een fantastisch uitgangspunt. 

Minister Asscher:

Dan is er een amendement van de SP, waar de voorzitter zo het juiste nummer bij zal geven, waarbij een opdrachtgever door de rechter wordt veroordeeld tot nabetaling van verschuldigd loon, met een boete van 50% van de loonsom en bij recidive 100%. Ik ontraad dat. Het doel is hier nu niet om te straffen. Daar hebben we andere systemen voor. Ik refereer even aan de discussie van daarnet. Het doel is om onderbetaling te voorkomen en in geval van een misstand deze te laten herstellen. Het gaat erom dat de werknemer het loon krijgt en dat de keten bonafide en fatsoenlijk wordt. Dat willen we hiermee bereiken. Op het moment dat men de wet heeft overtreden, kan de inspectie vanzelfsprekend ook sancties opleggen. 

De voorzitter:

Dit was het amendement op stuk nr. 15. 

Minister Asscher:

Dit duet gaat goed zo. 

D66 vroeg, bij monde van de heer Van Weyenberg, wat Rijkswaterstaat gaat doen na aanneming van de wet en hoe het is gegaan tussen mij en collega Schultz in de afgelopen periode. Rijkswaterstaat zal zijn opdrachtnemers in algemene zin via wettelijke voorschriften en beschikkingen verplichten om de geldende regels na te leven. Dit wetsvoorstel, zeg ik ter geruststelling, is tot stand gekomen in buitengewoon goed en constructief overleg met mijn collega van Infrastructuur en Milieu. Rijkswaterstaat is nauw betrokken geweest bij de voorbereiding van het voorstel en heeft zelf ook contractbepalingen geformuleerd voor de tenuitvoerlegging van de ketenaansprakelijkheid. Ik zal niet zeggen dat men zich erop verheugt, maar ik denk dat er goede uitvoering zal worden gegeven aan deze wet. Men krijgt ook meer handvatten om onderbetaling in de keten te voorkomen. Ook voor Rijkswaterstaat is het niet prettig om in de krant te komen, zoals in de afgelopen periode nu en dan is gebeurd. Als hij aansprakelijk gesteld zou worden na aanneming van dit wetsvoorstel, is het ook weer makkelijker om verhaal te halen bij lagere schakels in de keten. Hij kan daar ook mee aan de slag. 

Dan het amendement van de SP om de ketenaansprakelijkheid niet te beperken tot het loon, maar te laten gelden voor alle in geld waardeerbare arbeidsvoorwaarden. Ik ontraad dat amendement. 

De voorzitter:

Dit is volgens mij het amendement van de heer Van Weyenberg op stuk nr. 16. 

Minister Asscher:

Nee, dit is echt een SP-amendement. 

De voorzitter:

Welke is het? Ik denk dat het goed is voor de Handelingen om vast te stellen over welk amendement we spreken. 

Minister Asscher:

13. 

De voorzitter:

13, fantastisch. Dank u wel. 

Minister Asscher:

Ik ontraad het. Het loon is een arbeidsvoorwaarde waarvan relatief makkelijk vastgesteld kan worden of een werknemer dat wat verschuldigd was, ook heeft ontvangen. Het loonstrookje maakt inzichtelijk waar recht op bestaat. Dat geldt niet voor alle in geld waardeerbare arbeidsvoorwaarden. Een eventuele verbreding leidt ertoe dat het toepassingsbereik van de ketenaansprakelijkheid minder duidelijk wordt. Daarbij komt dat niet altijd duidelijk wordt of een arbeidsvoorwaarde wel of niet in geld waardeerbaar is en indien dat zo is, wat dan de economische waarde daarvan is. Voor opdrachtgevers zal het heel ingewikkeld zijn om zicht te hebben op alle overeengekomen arbeidsvoorwaarden van individuele werknemers in zo'n keten. Er is bewust voor gekozen om de ketenaansprakelijkheid te laten gelden voor het loon. Het loon is de meest elementaire arbeidsvoorwaarde en de arbeidsvoorwaarde waar de opdrachtgever ook het meest zicht en grip op kan hebben. De Europese regelgeving rond ketenaansprakelijkheid gaat ook uit van loon. Dit was allemaal argumentatie voor het preadvies. 

Ik kom bij het preadvies van de SGP op stuk nr. 8. 

De voorzitter:

Maar er is eerst een interruptie van de heer Van Weyenberg. 

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik wilde al eerder interrumperen, maar dat ging even mis, namelijk toen het ging over Rijkswaterstaat. Dit ging mij te snel. Het ziet ernaar uit dat men dit heel goed gaat toepassen. Is de minister het met mij eens dat het toch wel treurig is dat wij al twee jaar over misstanden praten en dat er blijkbaar een wet door het kabinet moet worden gemaakt die meer handvatten biedt? We hebben blijkbaar twee jaar moeten wachten, tot we bij wet dingen konden regelen, zodat Rijkswaterstaat die opdrachtgeversrol veel serieuzer gaat invullen. Ik vind dat toch echt teleurstellend. 

Minister Asscher:

Ik neem kennis van die teleurstelling. Ik heb net een paar schokkende voorbeelden van onderbetaling genoemd, maar ook de minder schokkende vind ik niet acceptabel. Zoiets past niet in Nederland. We hebben niet voor niets het minimumloon en de cao. Of de uiteindelijke opdrachtgever de overheid of een niet-overheid is, maakt mij daarbij niet uit. Ik vind dat we moeten kiezen voor een fatsoenlijke arbeidsmarkt, voor goed en eerlijk werk. Dat betekent dat ik heel blij ben met dit wetsvoorstel. Rijkswaterstaat is gemotiveerd om er goed mee om te gaan en wil een goede opdrachtgever zijn. Alle voorbeelden van onderbetaling en van schijnconstructies zijn mij, net zoals de heer Van Weyenberg, een doorn in het oog. 

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik hoor nu dat Rijkswaterstaat het allemaal anders gaat doen. We hebben die wet. Het klopt dat hij extra handvatten geeft. Ik ben nog steeds heel nieuwsgierig naar welke acties Rijkswaterstaat concreet gaat ondernemen bij die grote projecten. Ik vind het prima als de minister zijn collega vraagt om ons daarover te informeren. We moeten dit eens goed gaan regelen. Dat vereist niet alleen maar weten dat die wet er is, maar het vereist ook heel veel van het optreden van Rijkswaterstaat. Ik ben hier erg nieuwsgierig naar en zou graag weten hoe het nu gaat veranderen. 

Minister Asscher:

Net als andere opdrachtgevers zal men zich voorbereiden op de wet. Ik zal zo iets zeggen over de inwerkingtreding op 1 juli; dat is heel snel. Als de wet volgende week wordt aangenomen, ga ik meteen beginnen met voorlichting. Als ik de meerderheid, die ik zonet in de eerste termijn meende te ontwaren, niet heb verkwanseld, heb ik ook enig vertrouwen in de behandeling in de Eerste Kamer. Men moet zich dus goed voorbereiden. De opdrachtgevers gaan dan kijken naar hun standaardvoorwaarden, de contracten, het proces van aanbesteding. Ze gaan zich ook voorbereiden op de omgang met zo'n melding van onderbetaling. Hoe reageer je? Wat spreek je af over controles? Die gaan steekproefsgewijs in de keten; we gaan niet alles en iedereen controleren. Dat zal gelden voor Rijkswaterstaat en voor alle grote opdrachtgevers die hiermee te maken krijgen. Dat is een goede zaak, want het zal bijdragen aan schone ketens, waarin men gewoon betaalt wat men verschuldigd is. 

De heer Kerstens (PvdA):

Net zoals de minister verwacht ik dat de ketenaansprakelijkheid in deze Wet aanpak schijnconstructies ervoor gaat zorgen dat een hoofdopdrachtgever heel veel dingen gaat doen: zijn contracten steviger opstellen, ervoor zorgen dat die door de hele keten worden nageleefd, erop afgaan bij misstanden. Nu hoop ik ook dat de hoofdopdrachtgever iets bepaalds niet meer zal doen: werk aanbesteden tegen een prijs waarvan hij op zijn klompen kan aanvoelen dat daarbij de cao en cao-lonen niet kunnen worden betaald. Heeft de minister ook die opvatting? 

Minister Asscher:

Het lijkt mij volstrekt vanzelfsprekend dat een partij die een groot werk aanbesteedt, daarvoor een redelijke prijs betaalt. Een redelijke prijs moet het mogelijk maken dat mensen fatsoenlijk worden betaald. 

De heer Kerstens (PvdA):

Deelt de minister mijn opvatting dat je, als er niet zo'n redelijke prijs wordt neergelegd, als het proces met een te lage prijs is begonnen terwijl allerlei zaken wel in het contract zijn gezet, het heel moeilijk zult moeten krijgen om de rechter ervan te overtuigen dat je niet verwijtbaar hebt gehandeld? 

Minister Asscher:

Dit is een goed voorbeeld om te illustreren dat het terecht is dat de rechter uiteindelijk oordeelt over de verwijtbaarheid. Je kunt je een casus voorstellen waarin een werkgever dit niet in zijn standaardcontract heeft opgenomen, maar wel heel netjes met zijn werknemers is omgegaan, heel netjes heeft gecommuniceerd, heel netjes is opgetreden, en de rechter hem uiteindelijk niets verwijtbaar acht. Je kunt je ook omstandigheden voorstellen waarin men een prijs is overeengekomen waarvan een kind, met de vandaag hier geïntroduceerde kleuterlogica, kan zien dat het werk daarvoor niet kan. In zo'n geval zou een rechter kunnen zeggen dat die partij wel verwijtbaar is, alle andere dingen die zij heeft gedaan ten spijt. De wet zou op dit punt dus ook een preventief effect kunnen hebben. 

Ik ga verder met het amendement op stuk nr. 8, van de heer Bisschop van de SGP. Ik ontraad dat amendement. Ik heb zojuist de lof gezongen van die hoofdelijke aansprakelijkheid van de opdrachtgever van de werkgever. Het is juist een principieel onderdeel van het systeem om die druk onder in de keten op te bouwen, waar het misgaat. De directe opdrachtgever van de onderbetalende werkgever wordt geacht daar veel meer zicht op te hebben dan mensen elders in de keten. Die moet dus ook direct kunnen worden aangesproken. 

Ik kom bij de vragen over de zelfstandigen zonder personeel. 

De heer Kerstens (PvdA):

Ik heb toch nog een vraag over de ketenaansprakelijkheid. De minister heeft iets gezegd over de ernstige onderbetaling en dat dat een reden is om bij wijze van spreken rechtstreeks naar de hoofdopdrachtgever te gaan. Hij heeft ook iets gezegd over de vraag wanneer er sprake is van zo'n ernstige onderbetaling. Dat heeft met dat percentage te maken. Ik ben het met de minister eens dat het percentage dat nu in de wet staat, kan blijven. Dat heb ik geantwoord op een vraag van de heer Ulenbelt. Ik heb de minister echter ook gevraagd of hij in zijn al in de wet toegezegde evaluatie ook gaat bekijken hoe dat percentage uitwerkt in de praktijk. 

Minister Asscher:

Zeker. Als Kamerleden of kijkertjes thuis nu angst hebben dat ik klaar was met de ketenaansprakelijkheid, kan ik hen geruststellen: zover is het nog niet. Ik wilde daar nog even met u over doorgaan. Er komt nog een heel stapeltje over de ketenaansprakelijkheid. Ik weet dat onze voorzitter daar ook bijzonder aan hecht, dus dat moeten we niet afraffelen. 

Daarom kom ik bij de vraag van de heer Ulenbelt over ketenaansprakelijkheid voor de zzp'er. In dit voorstel is die gekoppeld aan loon op basis van een arbeidsovereenkomst. Zzp'ers kunnen daar geen beroep op doen. Zij zijn geen werknemer en ontvangen geen loon. De gezagsverhouding tussen de werkgever en de werknemer zorgt ervoor dat de werknemer zich in een afhankelijke relatie bevindt ten opzichte van de werkgever. De werknemer moet zijn arbeid op basis van de arbeidsovereenkomst persoonlijk verrichten, terwijl zijn werkgever contracten aangaat met opdrachtgevers voor wie de arbeid uiteindelijk wordt verricht. De extra rechtsmiddelen die de werknemer krijgt met de ketenaansprakelijkheid passen bij die afhankelijke positie. Een echte zzp'er — daar gaan we dan dus van uit — bepaalt zelf met wie en tegen welk tarief hij of zij een contract wil afsluiten en hoe en door wie het werk wordt verricht. Als de cao een minimumtarief bevat voor de inhuur van zzp'ers, dan is daar volgens het wetsvoorstel geen ketenaansprakelijkheid op van toepassing. Er is immers geen sprake van werknemerschap en loon. Een zzp'er kan alleen de contractsom in rechte opeisen bij de directe opdrachtgever. 

Dat neemt niet weg dat het belangrijk is om schijnzelfstandigheid aan te pakken, juist om verdringing van werknemers door zzp'ers tegen te gaan. Daar ging het Ulenbelt en ook Kerstens om. Zzp'ers zitten dan feitelijk wel in een afhankelijke situatie, met een zogenaamde opdrachtgever. Schijnzelfstandigen die het rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst inroepen, kunnen wel gebruikmaken van de ketenaansprakelijkheid voor loon. Bij een fictieve casus kun je dat niet vaststellen, maar als de afhankelijke relatie er wel is, dusdanig dat er sprake is van een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst, geldt de ketenaansprakelijkheid dus wel. 

Ik wil best bekijken of het op termijn denkbaar is om de elementen waarbij er sprake is van prijsafspraken en loon, hier onder te brengen. Ik wil dat echter niet meteen doen en ook niet meteen toezeggen dat wij dat gaan doen. Het is een van de onderwerpen waar ik naar wil kijken. Juridisch moet je hierbij ook goed rekening houden met de afbakeningsproblemen. Een zzp'er bestaat eigenlijk niet. Dat is geen juridisch fenomeen. Je hebt ondernemers en je hebt werknemers. Een zzp'er is de afgelopen jaren een apart beestje geworden. Dat is niet zo eenvoudig. Ik wil daar wel naar kijken. We zijn als kabinet natuurlijk ook bezig om voorstellen te ontwikkelen om schijnzelfstandigheid beter tegen te gaan. In het licht daarvan wil ik op die vraag terugkomen. 

De heer Kerstens (PvdA):

Wellicht ten overvloede, want ik wilde de minister vragen wanneer hij ernaar gekeken heeft en het met de Kamer gaat delen. Ik dacht dat ik hem echter in zijn laatste zin hoorde zeggen dat we er rekening mee kunnen houden dat hij dat doet in het kader van de bredere discussie die we gaan hebben over zzp'ers en schijnzelfstandigheid. Maar toen had ik de vinger al aan de knop. 

Minister Asscher:

Ja. In het kader van het managen van de verwachting: ik heb een aantal belemmeringen en beren op de weg geschetst. Ik snap de vraag echter en om die reden wil ik ernaar kijken in dat kader. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Nu vind ik het weer een beetje onduidelijk worden. Dat ibo komt binnenkort, voor de zomer. Dat is echter helemaal niet toegesneden op de specifieke vraag of er straks opeens allemaal schijnzelfstandigen zijn. Dat is een veel bredere discussie, die veel meer een insteek vanuit de Nederlandse zzp'er heeft, terwijl het straks misschien wel gaat over de zogenaamde zzp'ers die uit de MOE-landen komen. Ik vind het niet zo handig om dat aan elkaar te verbinden. Deelt de minister die mening? 

Minister Asscher:

Het leek mij wel handig, maar ik kan mij natuurlijk vergissen. In het interdepartementaal beleidsonderzoek (ibo) naar zzp'ers als fenomeen gaat het om een veelheid van vragen. Het gaat over de bescherming van zzp'ers, het doorgroeien van ondernemers, de fiscale behandeling. Het gaat ook over het kleine percentage — we weten niet precies welk percentage — dat eigenlijk geen zzp'er is. Dat zijn de schijnzelfstandigen. Iedereen is het erover eens dat we dat willen aanpakken en willen voorkomen, ten behoeve van de echte zzp'ers. In dat kader kan het interessant zijn om de vraag die de fracties van de SP en de PvdA hebben opgeworpen, mee te nemen. Op het ibo komt een kabinetsreactie. Mijn toezegging was om die vraag daarbij te betrekken, zonder daarover van tevoren te veel te hoge verwachtingen te wekken. In mijn ogen is dat niet onhandig of onlogisch. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Wij hadden die expliciete vraag ook. Omdat de zzp'ers nu niet onder deze wet vallen, zal ik niet raar opkijken als er opeens heel veel zzp'ers in deze sectoren werkzaam zijn. Ik denk dat de minister daar nu al veel alerter op moet zijn; hij moet niet eerst een ibo, een kabinetsreactie en een debat afwachten. Wat gaat hij concreet doen om nu al te monitoren of dat effect zal optreden als deze wet wellicht op 1 juli aanstaande ingaat? 

Minister Asscher:

Ik ben het ermee eens dat we daar scherp op moeten zijn. Schijnzelfstandigheid kan evenzeer bijdragen aan schijnconstructies, ontduiking enzovoorts. Daarom geldt de ketenaansprakelijkheid al bij het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst, als het helemaal geen onafhankelijke zzp'er is die in vrijheid bepaalt met welke opdrachtgever hij tegen welke prijs in zee gaat. Als het loopt als een eend, zwemt als een eend en kwaakt als een eend, is het meestal ook een eend, in dit geval een arbeidsovereenkomst. Dan geldt de ketenaansprakelijkheid al. Deze wet regelt zaken betreffende de arbeidsovereenkomst en het loon. Daarmee zijn niet alle problemen opgelost, ook niet die met betrekking tot schijnzelfstandigheid. Daar is meer voor nodig. Daar moeten we scherp op zijn. In dat kader is het ibo wel degelijk van belang, want dat gaat over de hele positionering van de zzp'ers. Je moet ook niet doen alsof alle zzp'ers eigenlijk slachtoffer van uitbuiting zijn, maar er is een categorie die helemaal niet echt ondernemer is. Die mensen kunnen kwetsbaar zijn. Dat kan ook een rol spelen bij dit soort schijnconstructies. In dat licht wil ik de gedane suggestie bekijken. Het kan eraan bijdragen, maar misschien ook niet. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

De minister beantwoordt de vraag niet. De vraag gaat niet specifiek over de toezegging. De vraag is een andere en die is door meerdere mensen in eerste termijn gesteld. Wat nou als de kwaadwillenden, kijkend naar deze wet, constructies bedenken die deze wet niet raken? Dat kan via buitenlandse bv's. Die suggestie heb ik zelf gedaan. Door verschillende mensen is ingegaan op de vraag of we een toename aan zzp'ers zullen zien omdat mensen de wet willen ontwijken. Voor het antwoord op die vraag naar het gevolg van deze wet kan niet naar het ibo verwezen worden. Volgens mij was dat de vraag van mevrouw Schouten en moet daar nog een antwoord op komen. 

Minister Asscher:

Dat klopt. Mevrouw Schouten interrumpeerde mij echter bij de beantwoording van een andere vraag. De heer Heerma moet mij niet verwijten dat ik die andere vraag beantwoordde. Die vraag was of je, omwille van diezelfde reden, dit element van de ketenaansprakelijkheid niet moet uitbreiden. Daarnaast is een andere vraag gesteld door de heer Heerma van het CDA en mevrouw Schouten van de ChristenUnie: leidt de wet niet tot nieuwe schijnconstructies en worden de echte kwaadwillenden aangepakt? Het antwoord op die vraag zit in mapje acht. Voorzitter, staat u mij toe om nu een compliment te maken aan de ondersteuning die de minister ontvangt bij dit soort wetstrajecten, want die maakt dat ook bij een mogelijk ongemakkelijke interruptie, in mapje acht een bevredigend antwoord te vinden is. 

De heer Van Weyenberg vroeg of de wet wel per 1 juli 2015 kan ingaan als er dan nog geen sprake is van die keurmerken. Ja, dat kan. Het is niet nodig dat die keurmerken of certificaten er dan al zijn. Het is een mogelijkheid die geboden wordt om de niet-verwijtbaarheid te construeren en te adstrueren. Maar dankzij de voorbeelden uit de memorie van toelichting kun je als werkgever ook zonder zo'n keurmerk laten zien niet-verwijtbaar te zijn. Dit is een mogelijkheid die men kan gebruiken om zijn positie daarin te versterken. 

De SGP vroeg naar de status van een keurmerk als gebruikers er niet meer op kunnen vertrouwen dat zo'n keurmerk ook de waarborg biedt van niet-verwijtbaarheid. Het wordt opgezet door private partijen. Die stellen zelf een set van eisen op waaraan moet zijn voldaan om het keurmerk te kunnen krijgen. De regering heeft in de toelichting op het wetsvoorstel een aantal voorbeelden gegeven van maatregelen waarmee een beroep op niet-verwijtbaarheid kan worden onderbouwd. Het ligt zeer voor de hand dat dat soort maatregelen terechtkomen in zo'n certificaat. Maar de eisen kunnen ook afhankelijk zijn van de usance in een bepaalde sector. 

Het keurmerk onderscheidt zich niet alleen door de eisen die worden gesteld aan degene die het keurmerk heeft, maar ook door de manier waarop wordt gecontroleerd of wordt voldaan aan de eisen van het keurmerk. Als een keurmerk alleen een papiertje is en in de praktijk niets betekent, dan zullen we het er snel over eens zijn dat daar ook niet een waarborg aan zou moeten kunnen worden ontleend. Als men alleen maar theoretisch en fictief aan de eisen van zo'n keurmerk voldoet, dan is het terecht dat dat keurmerk ook bij de rechter niet zal leiden tot niet-verwijtbaarheid bij de ketenaansprakelijkheid. 

Dus als bijvoorbeeld tijdens een procedure zou blijken dat het keurmerk helemaal niet voldoet, omdat misstanden van onderbetaling bij houders van het keurmerk gewoon voorkomen, dan kun je je ook voorstellen dat de aan het keurmerk verbonden partijen daar wat mee zullen willen doen en ook niet meer zullen volstaan met "we hebben een keurmerk". Nee, daar moet wel wat mee gebeuren. Dat is de reden waarom ook dit niet kan gelden als een vrijwaring, maar het is wel degelijk een mogelijkheid. Ik hoop ook dat sectoren daar gebruik van maken. Dat verbetert weer het preventieve effect van de wet om bij te dragen aan de niet-verwijtbaarheid. 

De heer Van Weyenberg vroeg waarom het in de memorie van toelichting stond, en niet in de wet. Ik heb dat zojuist al beargumenteerd. 

Hij vroeg voorts of als een schakel niet-verwijtbaar is, een hogere schakel dan ook niet-verwijtbaar is. Als een lagere schakel wordt aangesproken door een werknemer en zich succesvol beroept op niet-verwijtbaarheid, dan kan de werknemer een hogere schakel aansprakelijk stellen. Indien die hogere schakel zich beroept op niet-verwijtbaarheid, zal de rechter moeten nagaan of dat beroep ook kan slagen. Dat hangt af van de omstandigheden van het geval en de inspanningen van die schakel om de betaling in de keten te voorkomen of te herstellen. Niet-verwijtbaarheid onderin betekent dus niet dat de ketenaansprakelijkheid daarmee altijd ophoudt. De waarschijnlijkheid neemt natuurlijk weer erg af als bijvoorbeeld zes schakels in de keten allemaal niet verwijtbaar zijn, terwijl de zevende iets heel erg verkeerd heeft gedaan. De garantie, de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat er fatsoenlijk betaald wordt, blijft nog steeds bestaan, voor iedere schakel in de keten. 

D66 vraagt ook wat het betekent dat geen termijn is afgesproken waarbinnen werknemers een vordering moeten instellen. Die termijn staat gewoon in het Burgerlijk Wetboek. Dat is de vijfjaarstermijn, waarbinnen een vordering moet worden ingesteld. Dat geldt ook voor loonvordering. Ik acht het niet van toegevoegde waarde om die termijn in te korten in het kader van deze wet. De gewone, normale termijnen uit het burgerlijk recht gelden. Overigens zal een werknemer zo'n vordering natuurlijk eerder sneller dan langzamer instellen. Die termijn zal in die zin niet snel gehaald worden. Ik denk niet dat er loonvorderingen zullen komen van veel langer geleden. Immers, een werknemer die onderbetaald wordt, heeft er belang bij dat het zo snel mogelijk gecorrigeerd wordt. 

GroenLinks en de PvdA hebben gevraagd hoe dit bij een faillissement gaat. De ketenaansprakelijkheid stopt niet bij faillissement. De wet voorziet er juist in dat de ketenaansprakelijkheid niet met plof-bv's of strategische faillissementen kan worden ontweken. Bij een faillissement van een lagere schakel kan de hogere schakel worden aangesproken als de boedel ontoereikend blijkt voor voldoening van het verschuldigde loon. Een hogere schakel wordt ook op die manier gestimuleerd om zaken te doen met bonafide opdrachtnemers. 

De heer Van der Staaij heeft gevraagd waarom de hoofdelijke aansprakelijkheid het mogelijk maakt dat de werkgever wordt overgeslagen bij ketenaansprakelijkheid. Dat is om die prikkel onder in de keten zo maximaal mogelijk te maken. Je mag namelijk veronderstellen dat de directe opdrachtgever van de werkgever zich ook verantwoordelijk voelt voor het loon dat daar betaald wordt. Door de hoofdelijke aansprakelijkheid krijg je juist daar de druk waar je die ook wilt. We zien namelijk in de praktijk in de onderste twee schakels de misstanden ontstaan. Het is niet de opdrachtgever die opdracht geeft om X of Y maar te weinig te betalen, wel zijn er opdrachtgevers die wegkijken of die de verantwoordelijkheid voor wat er verderop in de keten gebeurt niet optimaal voelen. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik kom nog even terug op het faillissement in de keten. Als gedupeerde werknemer heb je twee mogelijkheden. Je kunt proberen uit de failliete boedel alsnog je recht te krijgen De Raad van State heeft daarover gezegd dat je daarvoor van hogen huize moet komen, omdat je wel in de rij staat maar bepaald niet vooraan. Je kunt ook proberen een trapje hoger te gaan. Dat gaat echter weer niet als de opdrachtgever van de werkgever — daar zijn we dan aangeland — zich kan beroepen op niet-verwijtbaarheid. Ik heb nog geld tegoed, maar degene bij wie ik het moet halen, is failliet. Dan moet ik een stapje hoger, naar de opdrachtgever, maar die zegt dat hij er niets aan kan doen. Ziet de minister niet ook dat gevaar? 

Minister Asscher:

Daar zitten twee kanten aan. In de eerste plaats is loonvordering wel degelijk preferent bij een faillissement. Als het een normaal faillissement is, is het helemaal niet zo hopeloos. Alleen de fiscus gaat daar weer boven, maar het is wel degelijk een preferente vordering. De Raad van State heeft het over die gevallen, waarin men bewust een plof-bv gebruikt waar ook niets inzit. Dan zou het anders kunnen zijn. 

In de tweede plaats is er een belang van de werkgever en de opdrachtgever. Als je niet-verwijtbaar bent, ben je niet-verwijtbaar. Dan heb je er alles aan gedaan om niet verwijtbaar te zijn en heb je dus met een net bedrijf gewerkt en heb je gereageerd, maar is onderin iemand failliet gegaan. Dan kan er inderdaad een omstandigheid zijn waarin de werknemer bot vangt. Wat we met deze wet beogen, is maximaal te bevorderen dat men zich in die keten netjes gedraagt en dat onderbetaling gecorrigeerd wordt. Als men niet-verwijtbaar is en de rechter dat uiteindelijk ook constateert, moeten ook de opdrachtgever en de werkgever weten dat zij hebben gedaan wat zij moesten en konden en willen zij niet aansprakelijk gesteld kunnen worden voor de fouten of de pech van een ander. Daar zit een balans in. Dat is waar. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Verschillende collega's hebben gesproken over de mogelijkheid dat er nieuwe dingen worden verzonnen om onder die aansprakelijkheid uit te komen. Ik heb het een kat-en-muisspel genoemd. Dat willen we allemaal niet. Een van de manieren om dat te doen, zou middels een faillissement kunnen zijn. Dat kan al dan niet geforceerd, maar het zou dus kunnen worden geforceerd in die keten, waardoor de schakels boven in die keten kunnen zeggen: sorry, maar ik kan er niets aan doen. Dat zijn dan spelers die wel hebben geprofiteerd van het loonvoordeel, maar die zich kennelijk met succes kunnen beroepen op de niet-verwijtbaarheid. Dat zou niet thuishoren bij een echte ketenaansprakelijkheid. 

Minister Asscher:

Ik denk dat in het voorbeeld van de heer Van Ojik de rechter ook niet zo snel zou meegaan in het goedkeuren van de niet-verwijtbaarheid. Dit klinkt alsof het een businessmodel is, alsof het een bewuste keuze is om verderop in de keten een bv te gebruiken die zal ploffen. Let wel: de directe opdrachtgever van die plof-bv is hoofdelijk aansprakelijk. Hij moet meteen hangen voor het achterstallig loon. De schakels daarboven kunnen zich niet te makkelijk verschuilen. Als het is zoals de heer Van Ojik net heeft geschetst, dan zal de rechter zeggen: maar daar trap ik niet in; hier is geen sprake van niet-verwijtbaarheid. Met andere woorden: er is geen absolute garantie, want als een werkgever het wel allemaal netjes heeft gedaan en hij niet-verwijtbaar is, dan hoeft hij ook niet te rekenen op dat probleem. 

Het volgende is wel een vooraankondiging van het antwoord op de vraag uit mapje 8. Natuurlijk moeten we rekening blijven houden met nieuwe constructies. Mensen die kwaad in de zin hebben, gaan er niet mee ophouden als deze wet wordt aangenomen. Kwaad is immers heel banaal. Er zijn mensen die misschien genegen zijn tot het goede — de geest is gewillig, maar het vlees is zwak — maar die denken: als zij het voor die prijs kunnen, zal het wel goed zijn; ik kijk de andere kant op. Daarbij wil je effect bereiken. De echte criminelen zullen niet onmiddellijk hun leven beteren, maar er zal wel een hogere pakkans zijn. Een aantal keren is gezegd dat je de vinger aan de pols moet houden. Je moet wel de vinger aan de pols houden om ook de nieuwe constructies die zullen ontstaan, effectief te bestrijden. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Nog even op het punt waar de minister op inging voordat de heer Van Ojik zijn interruptie plaatste. De minister gaf aan dat het om de prikkel maximaal te laten zijn, noodzakelijk is dat de opdrachtgever hoofdelijk aansprakelijk is. Maar mijn vraag was en blijft: waarom wordt niet eerst de werkgever aangesproken? Waarom is die volgtijdelijkheid verlaten? 

Minister Asscher:

Dat heeft te maken met de discussie die ik net met de heer Ulenbelt voerde. Je zoekt er in deze wet naar om het effect zo groot mogelijk te maken en tegelijkertijd de administratieve lasten en de ondernemersangst die kan ontstaan, bij de bonafide werkgevers zo beperkt mogelijk te houden. In dat kader kun je constateren dat het bij de onderste twee schakels in de keten het meest misgaat. Daar zien we de constructies die de heer Van Ojik net beschreef. Daar zien we de schrijnende voorbeelden die we kennen. Dat betekent dat je daarbij die hoofdelijke aansprakelijkheid heel goed kunt gebruiken. Als je je verplaatst in de positie van de onderbetaalde werknemer, kan daarbij het snelst soelaas worden geboden. Voor het standpunt om niet in de hele keten hoofdelijke aansprakelijkheid in één keer te organiseren, geldt het argument dat de druk er wel degelijk is — de opdrachtgever weet immers dat hij wat moet doen om onderbetaling te herstellen — maar dat de opdrachtgever niet meteen in rechte zal worden aangesproken. Wij hebben dus gezocht naar een balans waarbij aan de ene kant de volgtijdelijkheid erin zit, maar waarbij aan de andere kant onder in de keten, bij de laagste twee schakels, de druk maximaal is. 

Je had het ook geheel volgtijdelijk kunnen doen. Dat is de suggestie die in de vraag van de heer Van der Staaij besloten ligt. Mijn vrees zou zijn dat je dan het risico op plof-bv's en malafide ondernemers in de laatste schakel heel groot maakt. Dat terwijl juist de opdrachtgever van die bv vaak heel goed weet met wie hij te maken heeft. Hij staat voor de keuze: kies ik deze louche club om de laatste kosten eruit te halen of kies ik voor die normale, fatsoenlijke ondernemer. 

De SGP vroeg ook of er niet een ongelijkheid kan ontstaan tussen werknemers bij dezelfde werkgever, omdat de een wellicht in een keten werkt en de ander niet. Dat kan ongelijkheid opleveren, maar het is ook een ongelijke situatie. De werknemer in een keten verricht werkzaamheden via zijn werkgever voor een derde. De werkgever is voor zijn inkomsten van die opdrachtgever afhankelijk. Daarom biedt de ketenaansprakelijkheid voor die werknemers deze extra bescherming. Als een werknemer niet wordt ingezet in een keten, is die afhankelijkheid van die derde er dus niet. Dan zijn er dus ook geen partijen die naast de werkgever aangesproken kunnen worden. Het is voor iedere werknemer, ook voor de werknemer die niet in een keten werkt, mogelijk om onderbetaling bij de rechter aan te kaarten. Recentelijk hebben wij daar een voorbeeld van gezien bij V&D; daarbij was er sprake van een werkgever die aankondigt niet meer te betalen wat was overeengekomen. Dan kun je in rechte vorderen dat dit alsnog gebeurt. 

De SGP vroeg ook hoe wij voorkomen dat de verkeerde aansprakelijk wordt gesteld. In het wetsvoorstel is bepaald dat een opdrachtgever die wordt aangesproken altijd een beroep kan doen op niet-verwijtbaarheid, op disculpatie. Dat is van belang voor iedere opdrachtgever, om te voorkomen dat hij ten onrechte aansprakelijk wordt gesteld. Vandaar het antwoord dat ik zojuist gaf aan de heer Van Ojik. Als een opdrachtgever het allemaal netjes heeft gedaan en niets verwijtbaars heeft gedaan, kan hij niet verantwoordelijk zijn voor de betaling. De rechter kijkt naar de omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld de plaats in de keten. Hij kan ook rekening houden met de omvang van de onderneming. Je mag van een heel grote onderneming natuurlijk meer verwachten dan van een heel klein bedrijfje, zeker als het gaat om het controleren en auditen van wat er verderop in de keten gebeurt. Hij kan ook bezien wat er gedaan is om een eventueel geconstateerde onderbetaling op te lossen. Een werkgever of een opdrachtgever die de telefoon pakt en er iets aan gaat doen heeft natuurlijk een veel beter verhaal dan iemand die zijn schouders ophaalt. Ik denk dat het voorstel rekening houdt met de mogelijkheid om te wegen of er sprake is van verwijtbaarheid of niet. Dat moet ook een geruststelling zijn. Iemand kan niet zomaar onterecht worden aangesproken. Dat terecht of onterecht is uiteindelijk aan de rechter om te bepalen, maar in de memorie van toelichting hebben wij wel geschetst waar een opdrachtgever aan zou kunnen denken. 

Wat kan een hoofdopdrachtgever doen als er ver onderin de keten iets gebeurt? Hij kan ervoor zorgen dat alle schakels in de keten zich eraan houden door het contractueel vast te leggen. Hij krijgt mogelijkheden om partijen ook ertoe te bewegen om het loon uit te betalen en anders corrigerend op te treden. Hij kan ook direct schakels in de keten aanspreken om hen ertoe te bewegen alsnog verschuldigd loon uit te betalen. Hoofdopdrachtgevers kunnen de hoofd- en onderaannemers stimuleren een controlemechanisme in het leven te roepen waarmee ervoor wordt gezorgd dat het cao-loon wordt betaald. Zij worden dus expliciet betrokken bij het tegengaan van onderbetaling. Ik denk dat het voorkomen daarvan veel beter is dan het in rechte worden aangesproken op zo'n onderbetaling. 

Ik kom toe aan de informatie-uitwisseling met cao-partners. De heer Kerstens vroeg of er bezwaren tegen zijn dat de inspectie vermoedens aan sociale partners moet verstrekken in plaats van kan verstrekken. In de wet staat "kan", en hij vraagt: waarom is dat eigenlijk niet "moet" of "zal"? Geregeld is dat de inspectie bij de handhaving van bijvoorbeeld de WML signalen van cao-ontduiking kan doorgeven aan de private cao-handhavers. Als de inspectie constateert dat wel het minimumloon wordt betaald, maar niet het cao-loon, wordt dat signaal onmiddellijk doorgegeven. Daar mag de heer Kerstens van uitgaan. De vraag betreft precies het doel van het wetvoorstel, te weten het aanzienlijk verbeteren van de publiek-private samenwerking bij de cao-handhaving. De informatie-uitwisseling over ontduiking van de cao wordt versterkt. Met andere woorden: wat de heer Kerstens met zijn vraag beoogt, wordt geregeld. Praktisch gezien is een verplichte verstrekking iets waar je je zorgen over maakt. Er moet altijd een mogelijkheid zijn om rekening te houden met omstandigheden, waarbij die informatie-uitwisseling niet meteen plaatsvindt. Maar de intentie van de regering en van de inspectie is, dit soort informatie wel degelijk onverwijld uit te wisselen. Daar hebben wij een wederzijds belang bij, ook in het kader van de pakkans. 

Ik kom bij de discussie over de transitievergoeding. Ik erken dat dit een vreemde eend in de bijt is. Er zijn zorgen geuit over de onmiddellijke werking van de regeling van de transitievergoeding bij ketens die onder het oude recht toegestaan waren, maar die onder het nieuwe recht zouden leiden tot een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt niet met terugwerkende kracht ingevoerd. De transitievergoeding op basis van het arbeidsverleden is daar wel op berekend. Dat nu heeft bij een aantal ondernemers tot zorgen geleid over het effect daarvan, ook op hun werknemers. 

Deels is er sprake van onbegrip, omdat men kennelijk in de veronderstelling was dat er altijd een overgangsrecht zou worden getroffen. In de brief van afgelopen dinsdag heb ik uitgelegd waarom wij daar niet voor hebben gekozen. Die redenen zal ik niet herhalen. Ik heb in het algemeen overleg toegezegd om onbedoelde effecten van de regeling tegen te gaan. Daarmee bedoel ik dat tijdelijke werknemers als gevolg van de terugwerkende kracht van die specifieke verandering in de ketenbepaling — werkgevers en werknemers hebben daar tevoren geen rekening mee kunnen houden — in die zin met een verslechtering van hun positie te maken kunnen krijgen dat zij noch de baan noch de vergoeding zouden krijgen. Het is niet een keuze tussen een vergoeding of een baan, maar het effect kan zijn dat men noch de vergoeding noch de baan krijgt. Daar waren die constructies op gericht. In dat geval is er inderdaad sprake van een onbedoeld effect. Om die reden heb ik in de tweede nota van wijziging een aantal maatregelen voorgesteld. Uit de eerste termijn van de Kamer maak ik op dat zij in grote lijnen van mening is dat daar balans in zit en dat het een evenwichtige oplossing is. 

In de eerste plaats is er de mogelijkheid om de verschuldigde transitievergoeding uit te stellen door bij het aflopen van het contract alvast een volgend contract in het vooruitzicht te stellen. Daarmee wordt voorkomen dat een werkgever meteen die transitievergoeding moet betalen. De werknemer verliest zijn recht daarop niet, maar krijgt in ruil daarvoor de zekerheid van toekomstige inkomsten. De zekerheid over het voortzetten van de arbeidsrelatie is dan inderdaad te prefereren. 

In de tweede plaats heb ik gekozen voor een vorm van overgangsrecht. Tijdelijke arbeidsovereenkomsten die elkaar voor 1 juli hebben opgevolgd tellen niet mee als zij zijn onderbroken door een periode van langer dan drie maanden of de termijn die volgens de cao gold. Tegelijkertijd raken tijdelijke werknemers niet al hun arbeidsverleden kwijt. Daarom heb ik gekozen voor 1 juli 2012. 

In de derde plaats is er een regeling die gericht is op het bevorderen van het aangaan van een vast contract. Indien een werkgever daartoe overgaat, tellen ook de tijdelijke contracten van voor 1 juli 2015 niet mee als zij niet kunnen worden samengeteld. Daar staat dan de zekerheid van een vast contract tegenover. 

De heer Van Ojik is van mening dat die prikkel alleen werkt als het bedrag hoog genoeg is. Die afweging kan ik niet voor een werkgever maken. Ook vraagt de heer Van Ojik zich af hoe vast een vast contract eigenlijk is. Ik denk dat hij en ik beiden van mening zijn dat dit toch wel een grote waarde vertegenwoordigt. Als voorstemmer van de Wet werk en zekerheid weet de heer Ojik ook dat de ontslagbescherming ongewijzigd is; dezelfde gronden en dezelfde bescherming. Wel zijn de vergoeding bij ontslag en de procedure veranderd. De bescherming tegen willekeurig, ongerechtvaardigd ontslag is er. Die bescherming kan een werknemer heel veel waard zijn, meer dan misschien een transitievergoeding die beperkt is omdat zij tussen 2012 en 2015 is opgebouwd. Ik denk dat het voor een werknemer meer waard is als een werkgever overgaat op een vast contract. 

Hebben wij daar nu een balans in gevonden en is het proces met de sociale partners goed verlopen? Ik heb gepoogd de belangen van werkgevers en werknemers in balans te brengen. De terugwerkende kracht blijft in termen van het arbeidsverleden van tijdelijke werknemers, maar die is beperkt. Die beperking is zodanig dat het werkgevers niet hoeft af te schrikken om die mensen weer in dienst te nemen. Het sluiten van een vast contract dat een werknemer meer zekerheid biedt, wordt gestimuleerd. 

De heer Van Weyenberg vraagt: gaat het werken? Daar ga ik van uit, maar het hangt wel weer af van de manier waarop werkgevers daarmee omgaan. Werkgevers hebben belang bij het weer kunnen inhuren van werknemers die ze jarenlang ten dienste hebben gestaan. De voorbeelden die werden opgevoerd in het algemeen overleg betroffen uitsluitend goede werkgevers die niets liever wilden dan doorgaan met hun tijdelijke krachten. Die werkgevers zijn hierdoor geholpen. Die kunnen dat doen. Die kunnen gebruikmaken van nieuwe tijdelijke contracten of van een vast contract, een vast contract dat is toegespitst op de vereisten van de seizoensarbeid. 

LTO Nederland heeft aangegeven de oplossing niet werkbaar te vinden, omdat er nog steeds een vergoeding verschuldigd is. Wat vinden we nu van die brief van LTO? Laat ik het netjes zeggen: die brief verbaast me. Het feit dat een vergoeding verschuldigd zou zijn, was altijd al bekend. Dat is afgesproken bij het sociaal akkoord, waar LTO een sierlijke handtekening onder heeft gezet. Ik ben niet bereid om deze regeling ten nadele van werknemers verder aan te passen. Ik ben van mening dat als deze wet wordt aangenomen, inclusief deze nota van wijziging, het tijd wordt voor alle werkgeversorganisaties, inclusief LTO Nederland, om de leden, de vertegenwoordigde bedrijven, bij te staan en te begeleiden in het op een correctie manier toepassen van de wet, om ze te wijzen op de mogelijkheden om juist wel mensen in dienst te nemen en te houden, om ze te wijzen op de mogelijkheden om mensen wel zekerheid te bieden en om te stoppen met het lobbyen voor gratis ontslag en voor gratis seizoensarbeid. We kiezen met de Wet werk en zekerheid niet voor niets voor een ander model, voor een fatsoenlijke arbeidsmarkt. Ik ben de werkgevers, die er inderdaad zijn, die gedupeerd konden worden door de terugwerkende kracht van dit element — ik zal dat niet in zijn geheel herhalen — tegemoet gekomen en daarmee basta. 

Zeker, we moeten de vinger aan de pols houden. Als dan blijkt dat dingen niet goed zijn, hoop ik dat we met zijn allen de burelen van LTO Nederland binnenschrijden om daar uit te leggen dat zij ook een verantwoordelijkheid hebben, dat het tekenen van een sociaal akkoord niet gratis is en dat dat met zich meebrengt dat je kiest voor een fatsoenlijke arbeidsmarkt; seizoensarbeid, of het nu bij de bungalows is of in de land- en tuinbouw, blijft mogelijk met deze wet, dus ga hem gebruiken. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

De minister heeft hier net opnieuw de overwegingen uiteengezet voor het maken van die drieslag die hij in de brief ook al heeft genoemd. Volgens mij zit daar een balans in. Dat heb ik in eerste termijn ook aangegeven. Het zou niet zo moeten hoeven zijn dat die trouwe seizoenswerkers hierdoor alsnog op straat komen te staan — dat heb ik ook aangegeven — want is een zeer beperkte terugwerkende kracht geworden. Toch wil ik graag van de minister horen wat die vinger aan de pols betekent. Betekent dat we het straks in de krant gaan lezen als er iets gebeurt en dat we daar dan weer vragen over gaan stellen, of is er een manier om dat eventueel voor te zijn, om sneller te acteren en zelf actief de vinger aan de pols te houden? Of betekent "vinger aan de pols" dat als er berichten komen in de krant die we allemaal kunnen lezen, er kennelijk iets misgaat? 

Minister Asscher:

"Vinger aan de pols" is makkelijk gezegd, maar er is natuurlijk geen monitor of registratie. Het begint hier vanavond, bij mijn eerste publieke reactie op zo'n brief. Dat begint ook bij het appel dat wij mogen doen op werkgevers. We zijn ze nu tegemoet gekomen. We hebben een oplossing gezocht voor een geconstateerd probleem. Dat doen we onverplicht. De wet is aangenomen en iedereen weet dat. Dan mogen we ook een beroep op ze doen om nog voor er iets aan die pols gebeurt waar de vinger dan aan zou rusten, daarmee aan de slag te gaan. Ik heb Michaël van Straalen namens MKB-Nederland dat al zien doen, ten opzichte van ondernemers. Dat vond ik hartstikke goed. Ik heb de ABU zien aangeven dat ze met deze oplossing kunnen werken. Veel werknemers in de land- en tuinbouw werken natuurlijk via uitzendbureaus van de ABU. Laat nu alle werkgeversgeledingen hun zegeningen tellen en hiermee aan de slag gaan. Dat is preventief ten opzichte van een vinger aan de pols, want daar is geen automatisme voor. Deze wet zal er nooit voor zorgen dat alle werkgevers hun werknemers een vast contract geven. Dat hebben we ook nooit gedacht met elkaar. De mogelijkheid is nu geboden om het seizoenswerk voort te zetten en om de tijdelijke krachten voort te zetten. Maak daar gebruik van. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

In de brief werd expliciet ingegaan op die tweede reden, dat tweede belang. De minister schreef heel expliciet dat hij op het punt van de seizoenwerkers kiest voor de baan boven de transitievergoeding. Stel nu dat niet gebeurt wat de minister met deze brief heeft willen voorkomen. We hopen natuurlijk allemaal dat wat de minister schetst, het effect zal zijn, maar stel dat dat niet gebeurt. Wat betekent dan toch dat "de vinger aan de pols houden"? De minister antwoordde zojuist op mijn eerste vraag: ik ga nu iedereen oproepen om het goede te doen. De vraag is echter wat dat "de vinger aan de pols houden" betekent. Wat gebeurt er als we de signalen krijgen dat die negatieve effecten er dus wel zijn, effecten die de minister heeft willen ondervangen met de brief? Hoe kun je die signalen zo vroeg mogelijk oppikken? 

Minister Asscher:

Daarover probeer ik juist heel helder te zijn. We gaan dan slecht gedrag niet belonen door de terugwerkende kracht nog verder terug te dringen of de vergoedingen te beperken. We zullen het gesprek moeten aangaan met degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn. Je kunt individuele werkgevers daarop niet aanspreken. Hiervoor geldt dat we de wet als geheel in 2017 op de ketenbepaling zullen evalueren, maar dat we tussentijds moeten zorgen dat die wordt gebruikt. Laat ik echter heel helder zijn: slecht gedrag zal niet worden beloond, dus men zal hiermee aan de slag moeten. En nee, dit is geen garantie; dat klopt. Het biedt enige hoop dat verschillende werkgeversorganisaties, zoals de ABU, VNO en MKB-Nederland, dus zeggen: ja, hier kunnen we mee uit de voeten. De brief van LTO beschouw ik als een, ja … als een eruptie van een enthousiaste lobby die hiermee zijn einde vindt. 

De heer Ulenbelt (SP):

De oplossing van de minister voor de werkgevers in het seizoenwerk, en de nota van wijziging die hij heeft gestuurd, hebben ook gevolgen voor al die mensen die in het verleden op die 3x3-contracten hebben gezeten, in het onderwijs, in het uitzendwerk en in de techniek. Ook aan hen was een gelijke behandeling bij een ontslagvergoeding in het vooruitzicht gesteld. Die gelijke behandeling krijgen ze nu niet meer, omdat de terugwerkende kracht beperkt wordt tot 2012. Dan is de belofte die de minister deed bij de Wet werk en zekerheid hiermee toch niet ingelost, maar juist ongedaan gemaakt? 

Minister Asscher:

Het is waar dat we uiteindelijk geen werkbare definitie van seizoenswerk hebben kunnen vinden en dat dus gekozen is voor deze algemene bepaling. Daar heeft de heer Ulenbelt gelijk in. Het is niet zo dat er werknemers zijn die vóór 1 juli 2012 gedacht konden hebben: misschien dat er over drie jaar een wet wordt aangenomen waardoor ik met terugwerkende kracht een vergoeding opbouw die langer is dan wat ik nu krijg. Het is namelijk nul. Voor de toekomst worden werknemers met een tijdelijk contract en werknemers met een vast contract exact gelijk behandeld. Dat weet de heer Ulenbelt ook. Dat vond hij namelijk een positief punt in de wet waar hij tegen stemde. Voor de terugwerkende kracht was niet te voorzien dat die wet deze werking zou hebben, zeker niet langer geleden dan 1 juli 2012. Daarom is het te billijken dat je geen onderscheid maakt tussen de ene seizoenwerker en de andere tijdelijke kracht. 

De heer Ulenbelt (SP):

Dat betekent dat iemand die tien jaar met een vast contract heeft gewerkt en ontslagen wordt dus een veel hogere vergoeding krijgt dan iemand die tien jaar datzelfde werk heeft gedaan, maar dat in tijdelijke constructies deed. De minister heeft toen beloofd: ik ga de tijdelijke contracten en de vaste contracten bij ontslagvergoeding gelijk behandelen. 

Minister Asscher:

Zeker. 

De heer Ulenbelt (SP):

Ja, maar dat gebeurt dus nu niet. Hier wordt een nieuw kind met nieuw badwater weggegooid. Daar heb ik naar gevraagd en daarom heb ik ook om uitstel van het debat gevraagd. Ik heb naar aantallen gevraagd. Ik krijg nu de indruk dat er niet eens is gekeken naar wat de effecten in andere sectoren zouden kunnen zijn. 

Minister Asscher:

Ik ben het niet met de heer Ulenbelt eens. Gelijke behandeling is een effect van deze wet. Het maakt niet meer uit of mensen straks hun arbeidsverleden opbouwen met tijdelijke contracten of met vaste contracten. Deze mensen hebben allen recht op een transitievergoeding. Dit debat gaat echter over de terugwerkende kracht van de verschillen in de oude ketenbepaling en in de nieuwe ketenbepaling van langer terug dan 1 juli 2012. De wet gaat over de vraag hoe je zorgt voor een betere behandeling van flexwerkers in de toekomst. Daar zorgen we voor. We hebben hier een oplossing gezocht die bevordert dat mensen een vast contract krijgen en dat mensen door kunnen werken en nieuwe werkzekerheid krijgen en die het inderdaad onbedoelde effect bij een aantal werkgevers beperkt. 

De voorzitter:

De minister vervolgt zijn betoog. Bent u inmiddels al aan mapje acht? 

Minister Asscher:

Nee, wees maar niet bang. We hebben nog wat mapjes te gaan. 

Tijdelijke werknemers krijgen dus voor het eerst recht op vergoeding bij ontslag en het gaat hier om het overgangsrecht, om een specifiek gedefinieerd onbedoeld effect tegen te gaan. 

Er is gevraagd naar het proces en waarom het niet is gelukt in de polder. Vakbonden zijn niet enthousiast over de oplossing, laat ik daar helder over zijn. Ik begrijp dat ook wel, want hier is meer gekeken naar het belang van de werkgevers die te maken hadden met die onbedoelde effecten. Ik heb echter ook gewogen waar zo'n tijdelijke werknemers het meeste baat bij heeft. Bij een transitievergoeding die hij niet krijgt, die fictief zou zijn gebleken, omdat werkgevers die helaas zouden kunnen hebben vermeden, of bij meer werkzekerheid en een beperktere transitievergoeding. Dan wordt die afweging toch weer eenvoudiger. Er waren vakbonden die zeiden: kies dan voor het middel van de cao. Dat is op zichzelf een begrijpelijke, maar ook wel een heel riskante gedachte, omdat de invoering echt nakende is en je maar moet zien of men in de relevante cao's tijdig een goede oplossing zou kunnen vinden. Dat brengt op zichzelf ook weer een heel grote onzekerheid met zich mee, zowel voor werkgevers als voor werknemers. De gedachte begrijp ik wel en het maatwerk spreekt mij aan, maar in dit geval denk ik dat ik dan niet echt de oplossing zou hebben geboden waar de Kamer om heeft gevraagd. 

Er is in het proces wel degelijk overleg geweest met de sociale partners. Dat had ik ook aangegeven. Ik kan niets zeggen over de posities die men daarbij heeft ingenomen, want dat zou toekomstig overleg kunnen schaden, maar men kwam op dit punt niet nader tot elkaar. Daar hield ik al enigszins rekening mee toen we dat algemeen overleg hadden. Ik heb gezocht naar een oplossing waarbij er een balans is tussen de belangen van de werkgever en die van de werknemer. 

Het amendement van D66 op stuk nr. 16 gaat over de Wet arbeid vreemdelingen. Op vordering van de Inspectie SZW moet binnen 48 uur de identiteit van de werknemer worden vastgesteld en moet een kopie van het identiteitsdocument aan de inspectie worden gegeven. Dat is ondersteuning van beleid. Het strekt er namelijk toe werkgevers tot betere naleving te bewegen ter voorkoming en bestrijding van illegale tewerkstelling. Als de werkgever aan die verplichting heeft voldaan, heeft hij altijd de beschikking over zo'n afschrift. Als dat niet zo is, wordt het voor de inspectie heel moeilijk om de identiteit vast te stellen. Dit amendement verduidelijkt het doel van dit voorstel: de werkgever ertoe aanzetten achter zijn identiteitsverplichtingen aan te gaan en het identiteitsdocument van de werknemer te overleggen aan de Inspectie SZW. Vandaar dat dit ondersteuning van beleid is. 

Er zijn vragen gesteld over de capaciteit van de Inspectie SZW. Ik vind het buitengewoon belangrijk dat malafide praktijken hard worden aangepakt. De inspectie werkt nauw samen met andere publieke en private handhavers om dit soort praktijken aan te pakken en boetes op te leggen. Om dat goed te kunnen doen, heb je enerzijds inspecteurs nodig en anderzijds moeten de wetten waar we toezicht op houden, handhaafbaar zijn. Voor de intensivering van de aanpak heb ik extra capaciteit ter beschikking gesteld. De middelen daarvoor lopen nog door tot eind 2017. Eind 2013 is een speciaal team opgericht bij de Inspectie SZW, dat zich richt op de aanpak van schijnconstructies en de ondersteuning van cao-partijen bij cao-nalevingsonderzoeken. In februari heb ik de Kamer de derde voortgangsrapportage gestuurd met de tussenresultaten van dat speciale team. Ik vind het te vroeg om conclusies te verbinden wat betreft die extra capaciteit. In de loop van 2017 kunnen we de resultaten van dat team evalueren. De vraag of er extra capaciteit nodig is, moet dan beantwoord worden. 

Dit voorstel heeft verschillende maatregelen die het mogelijk maken dat inspecties effectiever kunnen worden uitgevoerd. De inspectie krijgt nu vaak te maken met ingewikkelde constructies, vaak grensoverschrijdend, waardoor het onderzoek complex is en veel tijd vergt. Door de vereiste van een transparante loonstrook, de verplichte girale betaling van het minimumloon en het verbod op inhoudingen en verrekeningen wordt de handhaving van de WML veel effectiever. Ook zorgt het voorstel ervoor dat de private handhaving effectiever wordt, onder andere door de ketenaansprakelijkheid en door de informatie-uitwisseling. Om die redenen wordt het na aanneming van het wetsvoorstel voor onze inspectie mogelijk om met de bestaande capaciteit effectiever op te treden. Dit gekoppeld aan de reeds tot 2017 ter beschikking gestelde extra inspectiecapaciteit, juist op dit punt, maakt dat ik vandaag bij de behandeling van dit wetsvoorstel extra capaciteit niet nodig acht. 

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik vraag de minister om twee dingen te bevestigen. Ja, er is tijdelijk extra capaciteit. Die heeft ertoe geleid dat de afname van de capaciteit in de boeken werd gladgetrokken. Het voorkwam dus minder inspecteurs. Daar was ik blij mee. De extra capaciteit waarover de minister het heeft, is in 2017 nog maar de helft van de extra capaciteit in 2015. De capaciteit blijft dus niet nog een aantal jaren op dat niveau. Kan de minister beide statements bevestigen? 

Minister Asscher:

Het eerste statement gaat uit van een soort absoluut aantal inspecteurs en daaruit af te leiden effectiviteit. Als je er zo naar kijkt: zeker, als je alleen de poppetjes telt. Wij hebben echter gekozen voor een speciaal team, in samenwerking met de sociale partners. Dat team richt zich exclusief op de aanpak hiervan. Dat is wel degelijk extra capaciteit bij de aanpak van schijnconstructies. Met deze wet worden de wapens van de inspectie scherper, worden de instrumenten weer beter te hanteren. Zeker, die capaciteit is eindig, die houdt op. Dat betekent dat je in 2017 moet nagaan: wat heeft dit extra opgeleverd? Dan ook is de vraag aan de orde of de extra inzet gecontinueerd moet worden of niet. Zou ik extra capaciteit kunnen gebruiken? Natuurlijk, er is geen minister te vinden die dat zou ontkennen. Denk ik dat we met deze wet een grote stap zetten in het effectiever handhaven van onze arbeidswetten? Zeker. 

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik doe ook niets af aan deze wet. Ik zeg dat je wint aan effectiviteit als je voldoende inspecteurs hebt. Ik heb de getallen in de eerste termijn genoemd, dus zal ik ze nu niet herhalen. Ik zie gewoon dat het aantal extra inspecteurs tegen schijnconstructies in 2015 36 is en in 2017 nog maar 20. Dat blijf ik toch wel jammer vinden. En daarna is het geld daarvoor überhaupt op. 

De voorzitter:

Ik hoorde geen vraag. De minister kan zijn betoog dan ook voortzetten, nadat hij een inschatting heeft gemaakt van de tijd die hij nog nodig heeft. Inmiddels is het 00.00 uur. 

Minister Asscher:

Ik begrijp die opmerking heel goed. Ik zal versnelling aanbrengen en tot een afronding komen. Ik heb nog twee mapjes, inclusief het veel besproken mapje 8. Ik race erdoorheen. 

De voorzitter:

Alstublieft. 

Minister Asscher:

De inwerkingtreding op 1 juli — dus voorlichten zodra de stemming in de Tweede Kamer geweest is — is haalbaar, als de Eerste Kamer erin bewilligt. Daar is ook een groot belang bij. Bijvoorbeeld de transitievergoedingbepaling zal ook voor 1 juli wet moeten zijn, wil zij effect hebben. Ik denk dat de fracties in deze Kamer die daaraan hechten, dat ongetwijfeld zullen bespreken met de collega's aan de andere kant. 

Hoe kunnen we te zijner tijd beoordelen of de wet effectief is? We gaan de wet over drie jaar evalueren. Daarnaast monitoren we ieder jaar hoe de wet uitpakt en hoe de verschillende onderdelen uitwerken. De komende tijd gaan we de monitor en de evaluatie opzetten. De precieze uitwerking daarvan ligt nog niet vast, maar die zal ik de Kamer nog doen toekomen. Dan kunnen we optimaal bekijken wat straks het effect is van de wet. 

Er is gevraagd naar voorbeelden waarin de overheid zelf overtreder is in de monitor. Jaarlijks monitoren we de uitwerking van de wet. We zullen openbaar maken wat de inspectie constateert. Dat betekent dat we het ook openbaar maken als de overheid de fout in is gegaan. Elke overtreding is er een te veel, ongeacht of die wordt begaan door een private of een publieke opdrachtgever of werkgever. Doeltreffendheid van de wet en de voorwaarden daarvoor zijn onderdeel van de evaluatie, zo heb ik de heer Kerstens al eerder toegezegd. 

Het wetsvoorstel is een belangrijke stap naar een goede arbeidsmarkt, maar het is natuurlijk niet klaar en het is niet het enige. De WML moet herzien worden. We hebben het interdepartementaal beleidsonderzoek naar de positie van de zzp'ers. Ten slotte is er de EU met de Europese agenda. Het voorzitterschap van Nederland zal in het teken komen te staan van decent work en een fatsoenlijke arbeidsmarkt. Ik ben aan het bouwen aan een coalitie van landen om de Detacheringsrichtlijn aan te passen. Het is goed nieuws dat de nieuwe Commissaris, mede op verzoek van Nederland, een snelle evaluatie van die richtlijn heeft beloofd. Die zou er al dit jaar moeten zijn, zodat die in het voorzitterschap volgend jaar kan worden meegenomen. Het is echt een heel belangrijk element van de strijd tegen oneerlijke concurrentie op loon. 

Heerma en Schouten stelden een vraag over nieuwe constructies. Ik ben het zeer met hen eens. We moeten daar alert op blijven. We pakken hier een aantal bestaande constructies aan, we verbeteren de handhaving, we versterken de positie van werknemers en we sluiten het net, maar natuurlijk is het denkbaar dat er weer nieuwe constructies ontstaan, waar we nu nog geen zicht op hebben. Daarom moeten we het rotsvaste voornemen hebben om ook die nieuwe constructies weer onmogelijk te maken. Dat moet onze inzet zijn. Als ik de eerste termijn van de Kamer goed beluisterd heb, bestaat daar ook zeer veel draagvlak voor. We weten allemaal dat je het nooit honderd procent kunt uitsluiten, maar we zetten vandaag wel degelijk een belangrijke stap. 

Drijft deze wet zelf werknemers het ongewilde zzp-schap in? De wet regelt in de kern dat werknemers datgene aan loon ontvangen waar ze recht op hebben. Ze worden er dus niet duurder van; ze blijven even duur. De wet regelt dat er waarborgen zijn bij situaties waarin dat fout gaat. Zeker moeten we kijken naar de druk om zzp'ers in te schakelen, naar schijnzelfstandigen en naar de 50 shades of grey van het zzp'erschap aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Daar kijken we ook naar, inclusief het gelijke speelveld in indirecte fiscale subsidie voor arbeidskosten aan de onderkant. Het zou natuurlijk prachtig zijn als we erin slagen om de lasten op arbeid juist aan de onderkant te verlagen, want dat is een kostenverschil dat je nu gewoon ziet. Nee, ik denk niet dat deze wet dat effect zozeer zal hebben, maar we moeten er wel alert op zijn. Ik begrijp die waarschuwing heel goed en ben het daarmee eens. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Volgens mij bagatellisseert de minister twee dingen een beetje. Ten eerste zegt hij dat een werknemer er niet goedkoper door wordt en dat we het minimumloon als de norm hebben. Maar voor een zzp'er hoeven geen premies afgedragen te worden, bijvoorbeeld rondom arbeidsongeschiktheid. Onderkent de minister dat? Dus zit daar zeker wel een opwaartse druk op. Ten tweede komt de zzp'er niet onder deze wet te vallen. Het is onze grootste angst dat dit juist een trigger zal zijn voor een werkgever om naar zo'n constructie te gaan kijken. Is de minister bereid om daarbij gewoon al sneller goed de vinger aan de pols te gaan houden? 

Minister Asscher:

Ik ben de laatste om het probleem van schijnzelfstandigheid en het vluchten in zzp-constructies te bagatelliseren. Dat heb ik net niet beoogd met mijn beantwoording. Absoluut niet. Ik vind het een fors probleem, maar er zijn schakeringen in. Je hebt schijnzelfstandigheid en je hebt zelfstandigheid die is ingegeven door kostenverschillen, waarbij niet altijd sprake is van schijnzelfstandigheid. Beide onderwerpen verdienen onze aandacht. Voor het eerste onderwerp zijn de BGL, effectieve handhaving door de Belastingdienst en alert zijn op dit soort nieuwe schijnconstructies van belang. Het tweede onderwerp heeft inderdaad veel meer van doen met kostenverschillen, mede als gevolg van de fiscale behandeling van zzp'ers. Die los je niet op met deze wet. Deze wet ziet op de arbeidsovereenkomst en het loon en lost dat probleem niet op. Haast en urgentie zijn geboden bij het bestrijden van schijnzelfstandigheid. Dat ben ik zeer met mevrouw Schouten eens. 

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Nogmaals, hoe gaat de minister die haast concreet vormgeven? Er komt een ibo. Dat is veel papier. Ondertussen gaat deze wet in. Er moet gewoon gehandhaafd worden. Dat was ook onze cri du coeur richting de inspectie. Daar is de minister net al op ingegaan. Gaat hij nu een verhoogde inzet plegen om na te gaan of dat nu gebeurt? Ik wil daar toch meer duidelijkheid over krijgen. 

Minister Asscher:

Nogmaals, als het gaat om de positie van de schijn-zzp'er in deze wet, geldt het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst. Dat gaan we makkelijker maken. De minister van Justitie heeft een voorstel in voorbereiding waardoor het makkelijker wordt voor een schijnzelfstandige om dat in te roepen. Er is inderdaad een ibo nodig om effectief te zijn om het kaf van het koren te scheiden bij zzp. Dat komt voor de zomer. Daar maken we haast mee. Ik heb daarbij dezelfde ambitie als mevrouw Schouten. 

Als je uitgaat van daadwerkelijke zzp'ers is het heel logisch dat deze wet daar niet voor geldt. Het is vreemd om een ondernemer aansprakelijk te stellen voor de betaling van een andere ondernemer aan weer een andere ondernemer. Dan krijg je een heel vreemde figuur, ook in het burgerlijk recht. De rechtvaardiging van de bijzondere behandeling van de werknemer geldt niet voor echte zzp'ers. Is het een schijnzelfstandige, dan geldt die natuurlijk wel. Daarbij moeten we erop inzetten dat het inroepen van het rechtsvermoeden van de arbeidsovereenkomst mogelijk wordt gemaakt, dus dat dat ook wordt afgestraft. Een ander probleem is dat er in sommige sectoren zeker sprake is van algemene druk bij het gebruikmaken van zzp'ers, die eigenlijk misschien helemaal niet zouden kiezen voor het ondernemerschap, maar vanwege dat kostenvoordeel. Dat los je ook niet op met deze wet. Dat zal echt via dat ibo moeten. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

We zijn eindelijk bij mapje acht. Ik wil het iets verbreden. Ik heb het in mijn termijn gehad over kwaadwillenden en over nieuwe constructies. De minister zegt dat we die ook gaan aanpakken. Daar zit ook een deel van mijn zorg. Ik ben niet zo bezorgd over deze WAS, maar wel over de wet die erop volgt. De minister erkent dat kwaadwillenden iets nieuws gaan bedenken. Gaan we dan bij de aanpak daarvan iets als de Fraudewet maken, die wel heeft geleid tot bureaucratie en tot hoge straffen voor de goedwillenden, terwijl de kwaadwillenden niet gepakt worden? Bij de Fraudewet riepen de gemeenten al dat de pakkans het probleem was en niet dat de wet niet streng genoeg was. Als je ziet dat die nieuwe schijnconstructies er komen, bijvoorbeeld in de vorm van buitenlandse bv's en zzp'ers, is het antwoord dan niet dat je handhavingscapaciteit nodig hebt? De inspectie moet meer mensen krijgen, om de tijd en ruimte hebben om diep in die constructies te duiken in plaats van een WAS-2, waarbij mogelijk dezelfde fout wordt gemaakt als wij bij de Fraudewet gemaakt hebben. 

Minister Asscher:

Het is toch wel bijzonder dat ik mij moet verantwoorden voor fouten bij WAS-2 die we natuurlijk niet gaan maken. We gaan dat op een goede manier doen, met inachtneming van alle lessen die we leren. Ik denk wel degelijk dat er via de ketenaansprakelijkheid bij gebleken schijnzelfstandigheid een enorm belang ontstaat, misschien groter dan onder het huidige recht, om ook die schijnzelfstandigheid aan te spreken. Het kan ook voor een vakbond van belang zijn om een schijn-zzp'er bij te staan bij het inroepen van het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst, want daarmee kun je ook de opdrachtgever, die dat misschien had kunnen weten, aanspreken. Dat geldt ook voor het gebruikmaken van buitenlandse bv's. Op het moment dat er schakels worden gebruikt om aansprakelijkheid te vermijden, kun je al uitgaan van een gebrek aan niet-verwijtbaarheid en dan kun je dus een ander aanspreken. Ik denk dat deze wet daar een instrument tegen biedt. Hij is geen oplossing voor alle kwalen en ook niet voor alle slechte plannen van kwaadwillenden. Natuurlijk niet. We zijn nog niet klaar. We moeten de WML herzien en we moeten in Europa verder, maar bij schijnzelfstandigheid kan de wet wel degelijk gaan helpen. Dan wordt het misschien eerder aantrekkelijk om er wat mee te doen dan nu het geval is. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

Ik probeerde de minister niet een verwijt te maken voor een fout die nog niet gemaakt is. Als ik die indruk heb gewekt, excuses daarvoor. Ik probeerde te waarschuwen voor het risico dat wij uit frustratie over nieuwe schijnconstructies, waarbij een kleine minderheid weer een maas heeft ontdekt, met dat ongemak, aan wetten blijven sleutelen en mogelijk dezelfde fouten maken. Als we dit constateren, is mijn vraag of het niet beter is om te zeggen dat er meer inspectiecapaciteit moet zijn om de echte kwaadwillenden, die bij elke wet een nieuwe maas of een nieuwe schijnconstructie vinden, bij de kladden te grijpen. 

Minister Asscher:

We moeten ervan uitgaan dat de echte criminelen niet naar dit debat kijken en denken dat zij het eigenlijk niet zo hadden moeten doen. Zij zullen blijven zoeken naar manieren om mensen uit te buiten en de boel te verpesten. Het effect van deze wet zal vooral groot zijn op de goedwillenden en op hen die misschien wel een beetje goed willen, maar niet elke dag. Zij krijgen een sterke prikkel om zich netjes te gedragen. Er zullen ongetwijfeld mensen zijn die nieuwe constructies verzinnen. Daarvoor zullen we oplossingen moeten verzinnen. We zullen de discipline moeten hebben om ook dan op zoek te gaan naar een effectief instrument en net zo lang door te zoeken tot dat effectief is. Ik denk dat wij als wetgever de taak hebben om een heel heldere norm te stellen en vervolgens te blijven kijken naar wat er in de praktijk gebeurt. Meer inspectiecapaciteit is zeker altijd welkom, juist omdat we zijn overgegaan op risicogestuurde inspectie. Telkens wordt, precies conform de redenering die de heer Heerma heeft opgebouwd, bekeken waar mensen naartoe gaan, waar het waterbed de echte crimineel naartoe drukt, waar de grote zaken zijn. 

We zitten niet zo veel mogelijk overtredingen te turven, we willen erachteraan. Ik wil de capaciteit van mijn mensen van de inspectie daarvoor inzetten. Zij zijn heel blij met deze wet. Zij zijn door de rechter terugverwezen bij de verrekeningszaken in het kader van de WML. Hup, allemaal stil. Er kwam een brief naar de Kamer. Mijn inspectiemensen zijn enthousiast over het inhoudingsverbod; zij zeggen dat dit het hun heel wat makkelijker maakt om er wat aan te doen. Zij weten echter ook dat het hiermee niet zal ophouden. Het zal hun extra kracht geven. Natuurlijk, hoe meer inspecteurs, hoe beter; geen misverstand daarover. Maar we hebben dat extra team en we gaan risicogestuurd eropaf. Kijk, voor een individuele schijnzelfstandige, die zijn eigen werkgever moet aanspreken, is het een hoop werk. Met deze wet zou het weleens interessant kunnen zijn — en ik zou dat toejuichen — om er een paar uit te pakken, om te laten zien dat ze in de keten niet thuishoren en om de hoofdopdrachtgevers ervan te verwittigen dat er onderbetaling plaatsvindt. Die zou zeggen: dat is toch een ondernemer? Wij zouden antwoorden: nee, hier is een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst. Ik ben het dus eigenlijk eens met de heer Heerma: we moeten de capaciteit richten op waar de badguys, de slechteriken, nu naartoe gaan. Deze wet gaat echt helpen. 

Voorzitter, dit vind ik eigenlijk wel een goede afsluiting van mijn achtste mapje en van mijn inbreng in eerste termijn. 

De voorzitter:

Daarmee is een eind gekomen aan de eerste termijn van de regering. Ik ga ervan uit dat er behoefte is aan een tweede termijn. Volgens mij kan die kort zijn, gezien de uitgebreidheid van de eerste termijn. 

De heer Ulenbelt (SP):

Voorzitter. Kortheidshalve zal ik mij beperken tot twee moties en een korte toelichting. De eerste heeft betrekking op de nota van wijziging die wij dinsdag hebben gekregen. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat de voorgestelde wijzigingen van de Wet werk en zekerheid bij nota van wijziging (34108, nr.10) tot gevolg hebben dat groepen seizoenarbeiders en flexwerkers geen recht meer hebben op een transitievergoeding op basis van het hele arbeidsverleden; 

verzoekt de regering, deze nota van wijziging in te trekken, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ulenbelt. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 17 (34108). 

De heer Van Weyenberg (D66):

Nu hebben we een hele reeks amendementen van de heer Ulenbelt. Ik dacht dat er nog een amendement zou komen om die nota van wijziging terug te draaien. Of is dat nog onderweg? 

De heer Ulenbelt (SP):

Een amendement om een nota van wijziging terug te draaien, is een unieke figuur. Dit is de enige manier waarop het kan. Ik vraag dan ook om deze motie in stemming te brengen vóórdat het wetsvoorstel in stemming wordt gebracht en vóór de overige moties. 

De heer Van Weyenberg (D66):

Dat is helemaal aan de heer Ulenbelt zelf, maar volgens mij kan het uitstekend. Ik kan mij herinneren dat ik dat weleens heb zien gebeuren. Maar goed, de heer Ulenbelt kiest voor die motie. Dan gaan we daarover stemmen. 

De heer Ulenbelt (SP):

Ik heb gewacht. Ik heb heel veel vragen aan de minister gesteld over wat het effect van deze maatregel in andere sectoren is: in de uitzendbranche, in de techniek, in de zorg. Wat is het effect voor al die mensen die tien of vijftien jaar lang in draaideurconstructies hebben gezeten? Die antwoorden zijn niet gekomen. Ik heb dat hier afgewacht. Ik heb niet op voorhand een amendement willen indienen, zonder de minister daarover gesproken te hebben. Vandaar dat ik met deze oplossing kom. Het is geen luiheid, absoluut niet. Anders had ik het wel op een andere manier gedaan. 

Ik kom bij mijn tweede motie, waarvan ik aan de hand van de discussie zomaar zou kunnen vermoeden dat de minister weleens zou kunnen zeggen: dit is ondersteuning van het beleid. De motie luidt als volgt. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat een zelfstandige zonder personeel alleen kan declareren bij zijn directe opdrachtgever; 

verzoekt de regering, te onderzoeken of en, zo ja, hoe niet betaalde facturen zijn te verhalen bij de opdrachtgever van de opdrachtgever en hierbij de economische wenselijkheid en juridische complicaties in beeld te brengen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ulenbelt. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 18 (34108). 

De heer Ulenbelt (SP):

Ter toelichting: ik doel hier uitdrukkelijk op bonafide zzp'ers. Laat ik een voorbeeld noemen. De torenkraanmachinisten in de bouw kennen we al heel lang als een grote zzp-branche. Zij kunnen bij een malafide werkgever aan de slag gaan. Hen zou ik in de gelegenheid willen stellen om, net als een werknemer, de schakel naar boven of "de trap op" — dat zal het wel worden — te lopen. 

De voorzitter:

Ik zie de heer Kerstens aarzelen of hij een interruptie wil plaatsen. Het hoeft niet, hè, dat weet u. 

De heer Kerstens (PvdA):

Dat weet ik, maar fijn dat u mij daar nog even aan herinnert. De heer Ulenbelt heeft in een eerder stadium een aantal amendementen ingediend. Die zijn door de minister allemaal ontraden. Hij dient nu twee moties in en hoopt dat de laatste kan rekenen op een goedkeurende reactie van de minister. Durft de heer Ulenbelt een beetje vooruit te lopen op wat hij zijn fractie gaat adviseren in het onverhoopte geval dat de minister ook zijn twee moties ontraadt? Om het een beetje scherp en plagerig te zeggen: kiest de SP dan de kant van bijvoorbeeld de grote bouwwerkgevers en -opdrachtgevers, die liever ook hebben dat partijen nee tegen deze wet zeggen, of kiest hij de kant van de mensen die hem hier op het Plein gistermiddag hebben gevraagd deze wet vooral aan te nemen? 

De heer Ulenbelt (SP):

Volgens mij heb ik, sinds mijn eerste parlementaire optreden in deze Kamer, nog nooit ook maar aan wie dan ook enige suggestie gegeven dat ik hier zou staan voor bijvoorbeeld Bouwend Nederland. Laten we dat misverstand dus wegnemen. De heer Kerstens zou Werkend Nederland natuurlijk een groot plezier doen als hij de amendementen, die de minister weliswaar ontraadt, toch steunt. Dat zou een grondige verbetering betekenen van wat er ligt, en de heer Kerstens kent onze partij: als een wet een verbetering is ten opzichte van de bestaande situatie, steunen wij die doorgaans. Als de minister mij nu ook nog een beetje helpt door dat onderzoek met die zzp'ers, kan het alleen maar beter worden. 

De heer Van Weyenberg (D66):

Voorzitter. Ik moet wederom de behoefte weerstaan om de quotumwet in herinnering te roepen bij de heer Ulenbelt. 

Ik heb nog vier punten. Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Mijn eerste punt gaat over die AMvB over inhoudingen. De minister zegt: ik ga er toch nog een keer goed naar kijken. Ik vind dat mooi, niet omdat ik die inhoudingen een briljant instrument vind, maar om dat niet in de waagschaal te stellen voor de plekken waar dat goed werkt en waar men ermee uit de voeten kan en ervoor zorgt dat er goede huisvesting is of een zorgverzekering. Ik zie dus uit naar de brief die wij voor 1 juni van de minister krijgen. 

Er ontstond nog een specifiek debat tussen mij en de minister over de zorgverzekeringen en in hoeverre je die kunt inhouden op het minimumloon. Dat werd ingegeven door het antwoord in de nota naar aanleiding van het verslag. Ik zeg het even kort, maar daar staat: de werkgever kan zijn rol ruimer opvatten en zorg dragen voor afdracht van de premie aan de verzekeraar; nu kan hij dat nog via inhouding, maar dat is onwenselijk; het blijft dus straks mogelijk om het wel per incasso te doen. Toen dacht ik: dat kan helemaal niet meer. Als ik de minister goed begrijp, zegt hij: pas op, ik heb in de memorie van toelichting geschreven dat je wel mag inhouden op de minimumvakantietoeslag; aangezien dat bedrag hoger is dan de zorgpremie, mag je de zorgpremie inhouden, maar dan niet op het minimumloon, maar op de minimumvakantietoeslag. Moet ik het zo begrijpen? Dit had ik namelijk niet afgeleid uit het antwoord in de nota naar aanleiding van het verslag. Als de minister die duidelijkheid geeft, kunnen we hem misschien de toegezegde brief besparen. Ik zie uit naar zijn reactie. Ik zag hem wel knikken. 

Over de publieke opdrachtgevers zei de minister: u kunt zien waar de inspectie langsgaat. Op dat punt ligt mijn ambitie wel hoger. Ik wil weten wat de publieke opdrachtgevers nu echt anders gaan doen met de ketenaansprakelijkheid. Ik wil ook heel graag weten in hoeverre de publieke opdrachtgevers, zoals Rijkswaterstaat, daarop straks worden aangesproken. Daarom dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat ook in ketens met een publieke hoofdopdrachtgever, zoals Rijkswaterstaat, schijnconstructies en uitbuiting voorkomen; 

overwegende dat de overheid een voorbeeldfunctie heeft en een voortrekkersrol moet nemen om als opdrachtgever het gebruik van schijnconstructies te voorkomen; 

verzoekt de regering, in de jaarlijkse monitor over het resultaat van de Wet aanpak schijnconstructies expliciet te rapporteren over de wijze waarop publieke hoofdopdrachtgevers invulling geven aan hun verantwoordelijkheid en over de mate waarin binnen ketens met een publieke hoofdopdrachtgever een beroep wordt gedaan op de ketenaansprakelijkheid, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Weyenberg, Van Ojik en Kerstens. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 19 (34108). 

De heer Van Weyenberg (D66):

Tot slot. De minister zei bij de presentatie van dit wetsvoorstel dat het woekeren met capaciteit was. Ik geef echter niet op. Daarom dien ik een motie in om te zorgen voor een toename van de inspectiecapaciteit. Dat doet niets af aan wat er al is gedaan met het tijdelijke aantal extra inspecteurs. Het aantal inspecteurs bij de Inspectie SZW daalt echter nog steeds. Daarom dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de Wet aanpak schijnconstructies een bijdrage zal leveren aan de aanpak van arbeidsmarktfraude; 

overwegende dat een aanscherping van wetgeving voornamelijk effect heeft als tegelijk ook de pakkans bij overtredingen wordt vergroot; 

overwegende dat arbeidsmarktfraude veel effectiever kan worden aangepakt als de capaciteit bij de Inspectie SZW en het aantal inspecties structureel worden vergroot; 

overwegende dat het aantal inspecties op arbeidsmarktfraude tussen 2011 en 2014 gehalveerd is; 

verzoekt de regering, in de besluitvorming over de begroting van 2016 extra middelen vrij te maken om de capaciteit van de Inspectie SZW te vergroten, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Weyenberg en Pieter Heerma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 20 (34108). 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Voorzitter. Ook ik dank de minister voor zijn uitgebreide beantwoording. Ik heb de motie van de heer Van Weyenberg op stuk nr. 19 medeondertekend omdat ik net als hij en de heer Kerstens van mening ben dat publieke opdrachtgevers, publieke spelers in de keten, een extra verantwoordelijkheid hebben. Hoe goed het ook is om van de minister te horen dat men bij Rijkswaterstaat nu blij is met deze wet — dat is heel goed — toch merk ik daarbij op dat als men in het verleden zo graag een eerlijk loon had willen uitbetalen, niets hen daarvan had hoeven weerhouden, ook al was er geen wet daarvoor. Ik ben blij dat men daar nu blij mee is, maar ik ben er ook van overtuigd dat het goed is om publieke opdrachtgevers extra goed in de gaten te houden. Daar dient wat mij betreft die motie toe. 

De jaarlijkse monitor zou er ook toe moeten dienen — wellicht kan de minister dat toezeggen; wellicht is dat vanzelfsprekend — om erachter te komen hoe vaak het voorkomt dat een gedupeerde werknemer, om welke reden dan ook en ondanks de ketenaansprakelijkheid, toch niet zijn of haar recht kan halen. De leidende gedachte achter de ketenaansprakelijkheid is immers dat wij willen dat dat recht in alle gevallen gehaald kan worden. Wij hebben gesproken over een faillissement en andere gevallen van niet-verwijtbaarheid. Het kan zijn dat iets niet-verwijtbaar is, maar dat neemt niet weg dat er wel een gedupeerde is en dat ook de niet-verwijtbaar gestelde speler in de keten wel geprofiteerd kan hebben van het feit dat met de arbeidsomstandigheden de hand is gelicht. 

Ten slotte wil ik nog heel kort iets zeggen. Ik had nog een punt willen maken. Het is niet het belangrijkste punt uit het debat, maar ik heb toch nog eens even gekeken naar die brochure Nieuw in Nederland, die inderdaad in allerlei talen beschikbaar is. In die brochure wordt soms verwezen naar bijvoorbeeld de website van Zorginstituut Nederland — ook een overheidsinstelling — die dan weer alleen in het Nederlands beschikbaar is. Dat is soms lastig. De minister heeft terecht gezegd dat de brochure al in heel veel talen beschikbaar is. Het zou dan goed zijn als belangrijke verwijzingen daarin ook voor mensen die de Nederlandse taal niet machtig zijn, begrijpelijk zijn. Dat was dus de achtergrond van mijn opmerking. Wellicht kan de minister daar nog kort op ingaan. 

De heer Pieter Heerma (CDA):

Voorzitter. Ik heb in eerste termijn vrij positieve woorden over deze wet gesproken. Ik heb de minister de zorg horen uitspreken dat hij steun van partijen zou kunnen verspelen in eerste termijn. Wat het CDA betreft, kan ik hem geruststellen. Ik ben niet negatiever geworden over deze wet door de beantwoording die hij zojuist in enige tijd heeft uitgesproken. 

Er blijven voor mij wel twee vragen over. Er is vrij veel beantwoord en vrij veel toegelicht, maar de minister begon de discussie die we hadden over de terugwerkende kracht van de transitievergoeding met de opmerking dat hij de vinger aan de pols wil houden. Maar bij nader doorvragen lag de nadruk toch erg op de brief van LTO en de appreciatie daarvan, en op de wens om slecht gedrag niet te belonen met het verder terugbrengen van die transitievergoeding. Dat werd volgens mij echter ook door niemand gesuggereerd. De vraag is alleen, juist vanwege die tweede overweging van de minister — beter een baan dan een vergoeding — hoe je die vinger aan de pols gaat houden. Hoe kun je actief vroegtijdig signaleren dat het ongewenste effect waar de minister op geacteerd heeft, toch optreedt? We zouden dan moeten handelen, we zouden dat slechte gedrag dan niet moeten belonen, maar misschien juist op dat moment de werkgever er hard op moeten aanspreken dat dit niet de bedoeling is. Ik wil dus graag een nadere duiding van de minister. Hoe houdt hij die vinger aan de pols? Hoe wil hij dat invullen? 

Op één punt blijf ik echt twijfelen. Dat betreft het amendement van de heer Dijkgraaf van de SGP. Ik kan twee kanten op met het antwoord van de minister. Je zegt: inhoudingen doen we niet, en we gaan via AMvB kijken in welke gevallen en hoe het eventueel wel zal kunnen. Of je zegt, zoals in het amendement staat: we verbieden het niet, het blijft in beginsel mogelijk, maar we gaan wel inkaderen hoe dat dan gaat en met welke beperkingen om te voorkomen dat er uitwassen ontstaan. De werkelijkheid is hier niet zwart of wit, want de AMvB wordt bekeken. Mijn fractie moet alleen een afweging maken naar aanleiding van dit amendement, niet wetende hoe die eventuele AMvB uitwerkt voor die andere optie waar de minister voor staat. Daar zie ik ook voordelen van. Kan de minister dus toch nog iets meer zeggen over de AMvB? Hoe gaat hij daarnaar kijken en hoe zou je dat positieve gedrag van werkgevers via zo'n AMvB kunnen stimuleren? Kan dat dan wel degelijk voordelen hebben? De minister is in zijn beantwoording tot nu toe immers wel heel zuinig geweest over die AMvB. Dit betreft niet de appreciatie van de hele wet, maar het is wel relevant voor de stemming over het amendement van de SGP-fractie. 

De voorzitter:

Mevrouw Schouten ziet af van haar tweede termijn. Het woord is aan de heer De Graaf. 

De heer De Graaf (PVV):

Voorzitter. Ik zal het bij een motie houden. Het is in eerste termijn duidelijk geworden dat de onderliggende oorzaken juist moeten worden aangepakt, en niet alleen maar dat de achterdeur gerepareerd moet worden als de voordeur stuk is. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de open grenzen voor werknemers uit het buitenland voorwaardenscheppend zijn voor verdringing op de arbeidsmarkt en een loonval voor Nederlandse werknemers en voor uitbuiting van werknemers uit bijvoorbeeld Oost-Europa; 

overwegende dat er 645.000 mensen werkloos zijn en meer dan 400.000 mensen in de bijstand zitten; 

overwegende dat meer toevloed van werknemers uit het buitenland nadelig is voor Nederlandse werknemers; 

verzoekt de regering, de tewerkstellingsvergunning voor werknemers uit het buitenland opnieuw in te voeren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid De Graaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 21 (34108). 

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Het eindoordeel van de SGP-fractie hangt natuurlijk af van wat de leden Bisschop en Dijkgraaf van mening zijn na de reactie op hun amendementen. Wij zijn met zijn allen van mening dat misstanden aangepakt moeten worden, maar aan de andere kant mag bonafide ondernemers het leven niet onnodig zuur worden gemaakt. Dat zal voor ons het eindoordeel uitmaken. 

Ik wil op één punt nog concreet terugkomen, omdat daarover nog discussie bestaat. Hoe zal het feitelijk gaan met het amendement op stuk nr. 11 over de inhouding? Ook in dat amendement staat voor ons de norm voorop dat van inhoudingen op het wettelijk minimumloon in principe geen sprake is, maar dat daarin wel duidelijk de uitzondering wordt benoemd voor de premies inzake de Zorgverzekeringswet en de huisvesting. De minister zegt dat inhoudingen voor de Zorgverzekeringswet niet meer nodig zijn, omdat dit ook kan gebeuren in het kader van de wettelijke minimumvakantiebijslag. Dat stond inderdaad niet duidelijk in de nota naar aanleiding van het verslag. Klopt het dat dit ook in alle gevallen toereikend zal zijn? In de memorie van toelichting werd namelijk nog gesproken over incidentele en kleine bijdragen waarvoor de wettelijke minimumvakantiebijslag juist aangewend zou kunnen worden. Dit lijkt wat ruimer te zijn. Graag krijg ik op dat punt helderheid. 

Is het niet beter om ook de bepalingen inzake de huisvesting duidelijker in de wet te benoemen, met ook een expliciete mogelijkheid om dat verder in te kaderen in plaats van een heel algemene uitzondering op te nemen voor betalingsverplichtingen die kennelijk ook op geheel andere categorieën dan huisvesting betrekking kunnen hebben? In de huidige wettelijke formulering mis ik de mogelijkheid om dat juist in te kaderen. Er wordt alleen vermeld dat bij AMvB bepaalde betalingsverplichtingen mogen worden aangewezen. Kortom, is het uit een oogpunt van rechtszekerheid toch niet beter om dat explicieter in de wet te regelen, zoals het amendement voorstelt? Ik krijg daarop graag nog een reactie van de minister. 

De heer Kerstens (PvdA):

Voorzitter. Ik dank de minister voor het met verve verdedigen van deze wet waarmee onderbetaling, oneerlijke concurrentie en verdringing worden aangepakt en voor het daarbij in één moeite door beantwoorden van alle vragen. Ik stel tevreden vast dat de minister vasthoudt aan zijn voorstel, zich niet op voorhand laat beïnvloeden door de stevige lobby van de uitzendbranche om onbeperkt de inhoudingen toe te staan en rekening houdt met het feit dat nu juist met die inhoudingen het een en ander misgaat. De voorbeelden spraken wat dat betreft voor zich. Ik vind het prima dat hij kijkt naar de voor- en nadelen — zoals ik heb gesuggereerd — net zoals hij daarbij het belang van de werknemer vooropstelt. 

Ik ben er tevreden mee dat de minister bij de toegezegde evaluatie van de wet ook zal kijken naar de wijze waarop de criteria voor ernstige onderbetaling in de praktijk uitwerken en of er dan wellicht aanleiding is om zaken anders te regelen. 

Het is goed dat de minister van mening is dat een goed opdrachtgever niet alleen veel dingen zal moeten doen dankzij deze wet, maar ook iets moet gaan laten, namelijk het aanbesteden tegen een te lage prijs. Het is goed dat hij er net als ik van uitgaat dat dit dus minder zal voorkomen. Ik vind het ook goed dat de minister gaat kijken naar de mogelijkheden en de onmogelijkheden om ketenaansprakelijkheid uit te breiden naar meer zzp'ers, hoewel hij daarbij heeft aangegeven dat dit geen automatisme is, gezien de nodige complicaties daarbij. 

De minister heeft op mijn vragen helder gemaakt dat informatie waar de inspectie tegenaan loopt en die relevant is voor cao-partijen in principe ook steeds aan die partijen zal worden doorgegeven. Het is goed dat de minister in 2017 ook kijkt of er aanleiding is om de afspraak over de extra inzet van arbeidsinspecteurs te verlengen. Ik ben blij met zijn toezegging dat hij aan de slag gaat met plannen om schijnzelfstandigheid aan te pakken en dat hij van fatsoenlijk werk een speerpunt van het EU-voorzitterschap van Nederland het volgend jaar. 

Ten slotte ben ik blij met het feit dat hier vanavond ook is gebleken dat de Wet aanpak schijnconstructies breed wordt gezien als een grote stap om misstanden op de arbeidsmarkt aan te pakken. Het de andere kant op kijken, schouders ophalen en je handen in onschuld wassen is voorbij. 

De heer Ulenbelt (SP):

De heer Kerstens had in eerste termijn ook een vraag gesteld over zzp'ers en ketenaansprakelijkheid. Ik heb daarover een motie ingediend, namelijk de motie op stuk nr. 18. Ik had een beetje de indruk dat die motie ook de gevoelens van de heer Kerstens vertolkte. Zie ik dat goed? 

De heer Kerstens (PvdA):

Ik moet de precieze inhoud van de motie nog tot mij nemen, maar ik heb net aangegeven dat ik er tevreden mee ben dat de minister gaat kijken naar de mogelijkheden en de onmogelijkheden om de ketenaansprakelijkheid zoals deze wet die kent, wellicht uit te breiden naar meer zzp'ers. De minister moet mij maar weerspreken als ik dat verkeerd heb gehoord in zijn beantwoording in eerste termijn. Ik heb goed gehoord dat hij zei dat het geen automatisme is, aangezien het complexe materie is, maar dat hij de bereidheid heeft om ernaar te kijken. 

De heer Ulenbelt (SP):

Daarom heb ik ook om een onderzoek gevraagd. Ik heb gevraagd om te kijken naar de juridische complexiteit en de economische gevolgen. Ik zou weleens een overbodige motie willen indienen, maar daar heb ik dan wel de hulp van de heer Kerstens voor nodig. 

De heer Kerstens (PvdA):

Ik denk dat de heer Ulenbelt daar vooral de medewerking van de minister voor nodig heeft, want hij gaat dadelijk natuurlijk iets zeggen over die motie. Ik ben ook benieuwd wat dat dan zal zijn, maar ik heb zo'n vermoeden. 

De heer Anne Mulder (VVD):

Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen en voor zijn toezegging. We hebben uitgebreid gesproken over huisvesting en over zorgpremies. Het gaat hierbij om de toezegging de voor- en nadelen in beeld te brengen, een analyse te maken en eventueel voorwaarden te stellen en daar met een open blik naar te kijken. Er is toegezegd dat dit wordt gedaan voor 1 juni. Mijn fractie is zeer benieuwd wat daar uitkomt. Wij wachten het rustig af en danken de minister voor die toezegging. 

De voorzitter:

Daarmee is er een einde gekomen aan de tweede termijn van de Kamer. De minister vraagt om een schorsing van drie minuten. 

De vergadering wordt van 00.39 uur tot 00.43 uur geschorst. 

Minister Asscher:

Voorzitter. Ik dank de Kamer voor de inbreng in tweede termijn en de voorzichtige conclusies die ik daarin heb bespeurd. Ik dank u voor de deskundige leiding van dit debat, waarmee u een prettig debat en een inhoudelijk debat mogelijk maakte. Dank daarvoor. 

Ik loop de moties langs en de paar vragen die nog open staan. De eerste motie moet ik ontraden. Dat is de motie-Ulenbelt op stuk nr. 17, met het verzoek om de nota van wijziging in te trekken. Helaas gaat het niet om een keuze tussen wel of geen transitievergoeding, maar om de afweging tussen geen baan en geen transitievergoeding, en mogelijk wel een baan en de daarbij behorende vergoeding. 

In de motie-Ulenbelt op stuk nr. 18 wordt de regering verzocht, te onderzoeken of facturen die niet zijn betaald te verhalen zijn bij opdrachtgevers van opdrachtgevers. Dat strekt te ver in mijn ogen. Mijn toezegging hield in, te bezien of het, bijvoorbeeld in het geval waarin er sprake is van overeengekomen tarieven, in het licht van de strijd tegen schijnzelfstandigheid in de rede zou kunnen liggen om de ketenaansprakelijkheid open te stellen. Ik heb gewezen op de juridische complicatie die ik reeds bij dat voorstel zie. Dit gaat weer veel verder. Dit gaat gewoon over facturen die niet zijn betaald en die je bij de opdrachtgever van je opdrachtgever zou kunnen indienen. Die motie ontraad ik dus. 

Dan kom ik nu bij de vraag van D66 over de interpretatie van mijn toelichting op de zorgpremies. Die interpretatie is correct. Wel is het natuurlijk zo dat het onvoldoende zou kunnen zijn als mensen veel minder uren werken dan voltijds. In die gevallen zou het mogelijk alsnog dienstig kunnen zijn om dit bij de AMvB te betrekken. Als er gewoon een vol minimumloon wordt betaald, is de vakantietoeslag voldoende om de kosten van de premie te dekken. Daarop kan worden ingehouden. Ik heb dat denk ik onvoldoende helder in de nota naar aan aanleiding van het verslag opgeschreven. Maar als er minder uren zijn, kan er wel degelijk nog steeds een belang zijn. Die vraag blijft relevant, zoals die is gesteld door verschillende Kamerleden in de eerste termijn. Ik zal in de brief op beide elementen ingaan. 

De heer Van Weyenberg (D66):

De brief waar de minister nu op doelt, is denk ik de brief over de AMvB die voor 1 juni komt. Mijn verzoek om nog een toelichting te ontvangen is wat mij betreft niet meer nodig na dit antwoord, waarvoor dank. 

Minister Asscher:

De motie-Van Weyenberg/Pieter Heerma op stuk nr. 20 is zeer sympathiek, maar — niet verrassend — de aanneming ervan zal ik moeten ontraden, om de reden die ik in het debat heb aangegeven. 

De motie-Van Weyenberg c.s. op stuk nr. 19, waarin de regering wordt verzocht om in de monitor ook te rapporteren over publieke opdrachtgevers, beschouw ik als ondersteuning van beleid. Dit sluit aan bij het doel van de monitor. Het oordeel over de motie laat ik over aan de Kamer. 

Dan kom ik nu op de motie-De Graaf op stuk nr. 21. Laat ik vooropstellen dat ik de PVV erkentelijk ben voor de steun die ik in het vooruitzicht gesteld heb gezien in de inbreng van de heer De Graaf. Het is misschien wel een primeur, maar het wordt desalniettemin zeer op prijs gesteld. Deze motie ontraad ik, maar dat verrast de heer De Graaf niet. 

Ik had de heer Van Ojik al toegezegd om even te kijken naar de verwijzing. Met zijn specificatie kan ik die toezegging specifieker invullen. 

Ik dank de heer Heerma dat hij mij in de recensie in ieder geval heeft meegegeven dat ik zijn steun niet heb verspeeld in het debat. 

Blijft over de kwestie van het amendement van de SGP en hoe je daarover zou moeten stemmen. Het voordeel van het bekijken van zo'n AMvB met een open blik is, dat je dan nadere eisen zou kunnen stellen aan een eventuele inhouding. Het gaat dan niet alleen om de doelen waarvoor je inhoudt, namelijk huur en/of zorgverzekering, maar ook om aspecten als het maximumbedrag, kwaliteitseisen aan de aangeboden huisvesting, bonafide huisvesters en registratie van die huisvesters, zodat een en ander voor de inspectie gemakkelijker is na te gaan. Als je zou willen overgaan tot het toelaten van inhoudingen, kun je daaraan met die AMvB veel meer kwaliteit toevoegen en meer preventieve werking organiseren dan met de aanneming van het amendement. Om die reden ben ik van mening dat de route die ik voorstel te verkiezen is. 

Hoe zit het dan met de rechtszekerheid? Die rechtszekerheid wordt geboden door de mogelijke AMvB. Die brief moet er voor 1 juli liggen. Dit element van de wet treedt per 1 januari in werking. Je moet dus voor 1 juli de voor- en nadelen kunnen hebben afgewogen. Je kunt dus in het kader van de AMvB rechtszekerheid op dit punt scheppen ruim voordat de wet in werking treedt. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik begrijp niet wat de minister zegt. In het tweede lid van het amendement van de heer Dijkgraaf staat: bij of krachtens Algemene Maatregel van Bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld aan de inhouding op het minimumloon. Met andere woorden: we benoemden in het amendement heel duidelijk de gronden waarop er een uitzondering is. Wij stellen vervolgens ook uitdrukkelijk dat er voorwaarden kunnen worden gesteld in een AMvB. 

Minister Asscher:

Zeker, maar het keert de zaak wel om. Het amendement gaat ervan uit dat op die punten inhouding is toegestaan, maar daar kunnen voorwaarden aan gesteld worden. Ik vind dat wij die vraag niet nu al kunnen beantwoorden. Je moet de voor- en nadelen tegen elkaar afwegen, ook het nadeel van de afhankelijkheid van de werknemer van zijn huisvester c.q. werkgever. De heer Heerma heeft in eerste termijn aangestipt dat wij te maken hebben met een uitspraak van het Europese Hof die wel eens kan betekenen dat inhouding überhaupt niet meer is toegestaan. Ook dan zou het jammer zijn als in de wet staat dat het wel is toegestaan. Wij leggen de juridische analyse, het beschrijven van de voor- en nadelen van inhouding voor die twee doelen en de mogelijkheden om in de AMvB de kwaliteitseisen verder op te voeren, voor 1 juli aan de Kamer voor. Ik heb mevrouw Schouten toegezegd dat er een voorhangprocedure komt. Ik denk dat wij daarmee beter af zijn dan met het amendement. Ik begrijp heel goed dat ook het amendement in de mogelijkheid voorziet om nadere eisen te stellen aan een inhouding. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Laat de minister nu helemaal open of hij van die algemene formulering van uitzonderingen in de huidige wet daadwerkelijk gebruik wil maken? Dan heeft dit debat daar dus niets aan toegevoegd. Het is nog volstrekt open of dit wel of niet gaat gebeuren. 

Minister Asscher:

Zeker heeft dit debat daar iets aan toegevoegd. Naar aanleiding van de inbreng in eerste termijn, inclusief die van de SGP, heb ik een toezegging gedaan die materieel serieus is. Ik heb het amendement niet overgenomen, maar ik heb wel toegezegd dat ik er met een open blik naar zal kijken. Dat is een effect van het debat dat wij hier met elkaar hebben gevoerd. Nee, ik was niet voornemens om een nota van wijziging te maken, anders had ik die wel aangekondigd. Ik ben, gehoord de Kamer waarbij de argumenten voor en tegen van die geclausuleerde mogelijkheden van inhouding naar voren zijn gebracht, nu niet zo ver om de knoop door te hakken en te zeggen of er wel of geen AMvB komt. Ik zal tijdig voor 1 juli met een open blik een analyse maken, waarna ik de Kamer een voorstel zal doen hoe ik hiermee wil omgaan. 

De voorzitter:

Ik meen dat is toegezegd dat er voor de stemmingen een brief komt met een toelichting. 

Minister Asscher:

De heer Van Weyenberg gaf zojuist aan dat hij daar geen behoefte meer aan had. Ik heb de toezegging natuurlijk aan de Kamer als geheel gedaan, maar ik ben geneigd om er nu van af te zien. 

De voorzitter:

Ik constateer dat daar geen bezwaar tegen is. 

De algemene beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Aanstaande dinsdag wordt gestemd over de amendementen, de wet en de moties.