Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-2015nr. 49, item 27

27 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Aan de orde is de behandeling van: 

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten in verband met de uitbreiding van de mogelijkheden om ten aanzien van voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren disciplinaire maatregelen op te leggen en tevens andere maatregelen te treffen ( 33861 ).

De voorzitter:

Ik heet de minister van Veiligheid en Justitie van harte welkom. Het woord is aan de heer Van Nispen van de fractie van de Socialistische Partij. Zijn spreektijd bedraagt vijftien minuten. 

De algemene beraadslaging wordt geopend. 

De heer Van Nispen (SP):

Voorzitter. Fouten maken is menselijk, maar bij rechters hebben fouten zeer grote gevolgen. Om fouten recht te zetten hebben we de gebruikelijke rechtsmiddelen, zoals hoger beroep en cassatie en eventueel herziening, alhoewel dat laatste middel buitengewoon ingewikkeld is en de drempels daarbij volgens de SP te hoog zijn. Maar dat alles alleen volstaat niet. We moeten ook de vraag durven stellen wat we met rechters doen die echte fouten maken, die zich ongeoorloofd gedragen of die gewoon niet functioneren. Wat dan? Wie controleert de rechter? 

Dat er meer mogelijkheden moeten komen om sancties op te leggen aan de rechter is al geruime tijd duidelijk en algemeen aanvaard. In 2007 heeft de Hoge Raad al gewezen op het gemis van een gedifferentieerd sanctiestelsel. In 2009 concludeerde de werkgroep-Stevens, die door de Raad voor de rechtspraak was ingesteld, dit ook. De huidige instrumenten zijn te beperkt om wangedrag van voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren aan te pakken met disciplinaire maatregelen. De huidige wet biedt nu echt te weinig mogelijkheden. Als er sprake is van ongeoorloofd gedrag bij een rechter, dan kun je diegene ontslaan — dan moet het heel ernstig zijn; dat doe je niet zomaar — of een waarschuwing geven, maar dat is weer erg licht. Dat er niks tussen ontslag of een waarschuwing zit, is een lacune. Daarom is het goed dat de schriftelijke berisping door de Hoge Raad wordt geïntroduceerd. De disciplinaire schorsing wordt mogelijk, voortaan kan een rechter spoedshalve buiten functie worden gesteld en de Hoge Raad kan een rechter overplaatsen naar een ander gerecht. Die laatste twee zijn geen disciplinaire maatregelen, maar ordemaatregelen. Die mogelijkheden worden verruimd om een rechter bij ongeoorloofd gedrag een passende disciplinaire maatregel op te leggen. Dat vindt de SP een goede zaak, want vertrouwen in de rechtspraak is cruciaal. Om dat vertrouwen te behouden moet er adequaat en passend kunnen worden opgetreden tegen rechters die met wangedrag het aanzien van de rechtspraak beschadigen. 

Bijvoorbeeld de schorsingsmaatregel is een noodzakelijke aanvulling. Een schorsing kan zeer gerechtvaardigd zijn bij gedrag dat te licht is voor ontslag en te zwaar voor een waarschuwing. Daarmee is niet gezegd dat dit alles nu zo vreselijk vaak voorkomt en dat die maatregelen zo vaak nodig zijn. In 2013 bijvoorbeeld is er maar één disciplinaire maatregel opgelegd, een schriftelijke waarschuwing, en in 2012 in het geheel geen. Het gaat erom dat de wet de juiste en passende sancties mogelijk maakt. Dat gebeurt nu met dit wetsvoorstel naar de mening van de SP-fractie. 

Ik heb een concrete vraag aan de minister over het voorgestelde artikel 46ca, waarin wordt voorgesteld dat de Hoge Raad kan bepalen dat de rechter die wordt geschorst geen salaris krijgt tijdens de duur van de schorsing: gehele of gedeeltelijke inhouding van het salaris. De SP vindt dat terecht, want als je niet werkt, krijg je in beginsel geen salaris. Maar het is een kanbepaling. Aan wat voor situaties moet ik denken waarin het toch niet gerechtvaardigd is om het salaris in te houden bij een schorsing? Wanneer wel en wanneer niet? Ik krijg hierop graag enige toelichting van de minister. 

Ik heb een enkele vraag over het ontslag van een rechter. Ik heb het dan over het inhoudelijke criterium. Wanneer is er sprake van disfunctioneren? Zijn er voldoende mogelijkheden voor de Hoge Raad om een niet-functionerende rechter te ontslaan? De disciplinaire maatregel van ontslag in artikel 46c, lid 2, kan worden opgelegd indien de rechter door handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het in haar te stellen vertrouwen. Dan is er echt heel wat aan de hand. Verder kan een rechter worden ontslagen wanneer hij lichamelijk of geestelijk niet meer in staat is om zijn werk te doen of wanneer hij wegens een misdrijf is veroordeeld. Met andere woorden: als een rechter ziek, gek of crimineel is. 

Dan is er nog een inhoudelijke grond voor ontslag, namelijk bij ongeschiktheid voor de functie, zoals staat in artikel 46l, lid 1 sub a, zoals het ontbreken van de benodigde juridisch inhoudelijke kennis en vaardigheden. Maar hoe goed en hoe streng wordt dit beoordeeld? Er zijn natuurlijk functioneringsgesprekken. De SP heeft in de schriftelijke voorbereiding expliciet gevraagd in hoeverre er nu ook echt op kwaliteit wordt getoetst en in hoeverre daarover gesproken wordt en op welke manier een gebrek aan kwaliteit kan leiden tot ontslag. Het antwoord stelt mij niet helemaal gerust. Ik wil daar nu graag op doorvragen. Het komt erop neer dat ondermaats presteren pas na herhaalde bespreking en waarschuwingen uiteindelijk zou kunnen leiden tot ontslag. Het gaat dan, volgens de opsomming van de minister, om: benedenmaats presteren op het punt van werktempo, onvoldoende openstaan voor collegiaal overleg, gebrek aan besluitvaardigheid, ongelukkige presentatie, het niet nakomen van werkafspraken en het bekend worden van privégedrag dat afbreuk doet aan de waardigheid van het ambt of aan het gezag van de rechtspraak. Dit alles "in onderlinge samenhang bezien" kan een voldoende reden vormen voor ontslag wegens ongeschiktheid. "In onderlinge samenhang bezien": wil de minister hiermee zeggen dat pas als er sprake is van al deze factoren in deze opsomming van kwalitatief disfunctioneren, er sprake kan zijn van ontslag? Ik krijg graag een duidelijke toelichting op dit punt. 

De SP heeft gevraagd, of eigenlijk voorgesteld, om bij rechtbanken interne toetsingscommissies in te stellen die periodiek en systematisch vonnissen beoordelen op kwaliteit. Dat behoort niet vrijblijvend te zijn. Het moet tot doel hebben het corrigeren van zwakke kanten van rechters en het nemen van maatregelen als rechters niet naar behoren functioneren. Op deze vraag hebben we geen antwoord ontvangen. Inmiddels weten we, dankzij de visitatiecommissie-Cohen, hoe het ervoor staat. Ik vraag de minister echter ook nu, in dit debat, of er geen goede redenen zijn om de interne toetsing en beoordeling op kwaliteit uit te breiden. Zoals ik het begrijp, vindt interne toetsing nu alleen plaats bij hoger beroep. Zou dit niet breder toegepast moeten worden? Als het niet vanavond kan, dan zou ik het op prijs stellen als de minister daarop later in een brief nog wat uitgebreider kan terugkomen, zodat we dat bijvoorbeeld kunnen betrekken bij het algemeen overleg over de rechtspraak dat we nog zullen hebben. Als het vanavond kan, is dat echter ook goed. 

Ik kom op het onderwerp "integriteit". De kernwaarden van de rechterlijke macht zijn: onafhankelijkheid, onpartijdigheid, professionaliteit en integriteit. De SP vindt dat we hier heel zuinig op moeten zijn. Waar nodig moeten we die zien te versterken. Dat vindt ook de Raad voor de rechtspraak zelf. In reactie op het onderzoek Systeemwaarborgen voor de kernwaarden van de rechtspraak stelt de raad dat het Nederlandse systeem kwetsbaarheden kent en dat Nederland zich wat meer kan inspannen om verder te gaan dan het internationaal vastgestelde minimumniveau. De SP is het daar zeer mee eens. Ik heb hier eerder al Kamervragen over gesteld, maar vandaag spoor ik de minister aan om verdergaande maatregelen te nemen of in ieder geval in gang te zetten, en wel op drie punten. Het eerste punt is dat van de onverenigbare functies, bijvoorbeeld die van de rechter-plaatsvervangers. Zij maken het systeem kwetsbaar doordat zij een andere hoofdfunctie hebben waarbij andere normen gelden dan binnen de rechtspraak. Mogelijkheden om mee te doen aan integriteitstrainingen en debatten of om dilemma's met collega's te bespreken, zijn er minder omdat ze minder vaak op de werkvloer aanwezig zijn. Hoe ziet de minister dit? En vindt de minister bepaalde functies verenigbaar met de functie van rechter-plaatsvervanger? Zou bijvoorbeeld een advocaat tevens rechter-plaatsvervanger moeten kunnen zijn? En hoe zit dat met een ambtenaar, als onderdeel van de uitvoerende macht, of met een politicus, als medewetgever? Ik zou menen van niet, maar graag hoor ik de minister hier uitgebreid over. 

De voorzitter:

Voordat we naar de minister luisteren, is er eerst een interruptie van de heer Van der Steur. 

De heer Van der Steur (VVD):

Ik ben het geheel eens met de heer Van Nispen dat het goed is om die vragen periodiek te stellen. Het is altijd goed om erover na te denken. Bijvoorbeeld in 2006, bij de vorige behandeling van dit wetsvoorstel, hebben de VVD en de PvdA een amendement ingediend over rechter-plaatsvervangers. Ook toen was het weer aan de orde. Ik denk dus dat dit op zichzelf goed is. Maar is de heer Van Nispen het niet toch ook met mij eens dat juist advocaten, die hij expliciet noemde, ontzettend veel kunnen leren van het functioneren als rechter-plaatsvervanger, met alle waarborgen die we in de loop der jaren daaromheen al hebben ontwikkeld, en dat het misschien zelfs wel heel goed zou zijn als sommige rechters eens een tijdje de andere kant, die van de advocatuur, zouden bekijken? Dat zou ik ook een mooie motie van de heer Van Nispen vinden. 

De heer Van Nispen (SP):

Die motie ga ik niet indienen, maar het staat de heer Van der Steur vrij om dat zelf te doen. Dan zal ik ernaar kijken. 

Terecht zegt de heer Van der Steur dat het goed is om hierover periodiek een vraag te stellen. Ik heb echter die vraag opgeworpen en daarbij een standpunt geformuleerd, namelijk: het is niet wenselijk dat een advocaat tegelijk ook rechter-plaatsvervanger kan zijn. Weliswaar heeft de heer Van der Steur een punt als hij zegt dat je van elkaar kunt leren, maar daar is onze rechtspraak niet zozeer voor bedoeld. Die is er niet voor dat je als advocaat eens kunt leren hoe het is om aan de andere kant te staan. Ze vervullen echt elk een andere rol binnen de rechtsstaat. Ik denk dus dat het geen goed idee is om tegelijkertijd advocaat en rechter-plaatsvervanger te kunnen zijn. 

De heer Van der Steur (VVD):

Ik begrijp dat de heer Van Nispen dat zegt, maar ik ben het niet met hem eens. Ik loop even vooruit op de minister: ik denk juist dat het rechter-plaatsvervangerschap van essentieel belang is. Bijvoorbeeld in de Ondernemingskamer van het hof in Amsterdam zitten accountants en mensen uit het bedrijfsleven. Ze zijn geen rechter, maar ze zijn van essentieel belang voor de kwaliteit van de rechtspraak op dat gebied. Precies hetzelfde geldt voor rechter-plaatsvervangers die bijvoorbeeld advocaat zijn, omdat zij vanuit de praktijk en vanuit hun ervaring met een andere, frisse blik kunnen meekijken met het werk van rechters. De VVD-fractie deelt de mening van de SP-fractie op dit punt dus zeker niet. 

De heer Van Nispen (SP):

Het is jammer dat de heer Van der Steur die mening niet deelt want het is wel een goed standpunt, al was het alleen maar omdat ik ook heb gezegd dat je, als je niet voltijds binnen de rechtspraak werkt, ook minder mogelijkheden hebt om mee te doen aan die belangrijke zaken. Ik noem het van gedachten wisselen over het borgen van de integriteit en het volgen van trainingen. Die mogelijkheden hebben mensen die maar zelden rechter zijn niet. De heer Van der Steur noemt een aantal groepen als accountants en mensen in het bedrijfsleven. Ik kan daar zelf nog de hoogleraren aan toevoegen. Ja, daarvan kan ik mij inderdaad voorstellen dat ze het wel doen, vanwege bepaalde expertise die anders niet beschikbaar is, beperkt beschikbaar is of moeilijk beschikbaar te krijgen is bij de rechterlijke macht. Ik heb echter expliciet een aantal categorieën genoemd, namelijk politici, ambtenaren en advocaten, waarvan ik echt vind dat die een andere rol hebben binnen onze rechtsstaat. Het zou goed zijn om op termijn — dat doen we niet morgen — te zeggen: die personen, die een andere rol hebben binnen de rechtsstaat, zouden niet tegelijkertijd rechter moeten zijn. 

De heer Recourt (PvdA):

De gedachte dat kritisch bekeken moet worden of er geen belangenverstrengeling is, kan ik volgen. Er bestaat echter al een systeem van absolute incompatibiliteiten, waarbij je inderdaad als politicus geen rechter kan zijn, en relatieve incompatibiliteiten, waarbij je als advocaat in je eigen arrondissement geen rechter-plaatsvervanger kunt zijn. Dat moet je ergens anders doen, zodat belangenverstrengeling voorkomen wordt. Is het niet handiger om dat systeem tegen het licht te houden en te bekijken of dat nog voldoet? En als dat inderdaad handiger is, zijn er dan voorbeelden waarvan de heer Van Nispen zegt dat het systeem niet voldoet? Heeft hij ergens gezien dat het systeem zoals dat nu functioneert, de belangen onvoldoende uit elkaar houdt? 

De heer Van Nispen (SP):

Dat is een terechte vraag van de heer Recourt. Zijn er voorbeelden van zaken waarin het misloopt en waarin het anders had gemoeten? Ik heb geen voorbeelden waarin het fout is gelopen, maar ik doe vandaag toch dit voorstel, omdat ik vind dat we niet moeten wachten tot er gedoe ontstaat. We moeten dat juist voor zijn. De heer Recourt zegt dat in de wet precies is geregeld wat wel en wat niet mag. Dat is nu juist niet helemaal het geval. Dat is ontleed in het rapport dat ik noemde over de kernwaarden in de rechterlijke macht. Er zijn juist kwetsbaarheden; dat leggen de onderzoekers feilloos bloot. In andere landen zijn die regels veel strenger. En niet alleen dat. We moeten natuurlijk bekijken hoe ze het in andere landen hebben geregeld. Daar is het veel strakker geregeld dan in Nederland. Volgens mij is het, anders dan de heer Recourt zei, in Nederland niet eens uitgesloten dat iemand tegelijkertijd politicus en rechter is. Dat ligt wel vast in normen en gedragscodes maar niet in de wet. In andere landen is dat wel zo. Daarnaast hebben organisaties als Transparency International en GRECO, Nederland aangespoord om verdere stappen te zetten om een en ander beter te waarborgen, ook in de wet. 

De voorzitter:

De heer Van Nispen vervolgt zijn betoog. Nee, ik zie dat de heer Oskam zich bedacht heeft en alsnog een interruptie wil plegen. 

De heer Oskam (CDA):

De heer Van Nispen wil misschien wel de wet veranderen, maar wat is er mis met die gedragscodes? Er zitten hier twee voorbeelden, de heer Recourt en ik. Wij zijn allebei nog rechter, met een nulurencontract. Wij mogen niet rechtspreken zolang we in de Kamer zitten. Dat geldt niet voor Eerste Kamerleden; die mogen dat wel. Daarover zijn dus duidelijke afspraken en die worden door alle rechtbanken nagekomen. Weet de heer Van Nispen dat? 

De voorzitter:

Mijnheer Van Nispen, of u dat weet. 

De heer Van Nispen (SP):

Ja. 

De voorzitter:

Dat is een kort antwoord en ik zie dat daar geen vervolgvraag op volgt. Ik vraag u om wel uw betoog te vervolgen. 

De heer Van Nispen (SP):

Het is wel zo eerlijk om daar een korte aanvulling op te geven. Natuurlijk zijn er gedragscodes, richtlijnen en afspraken. Ik ken ook geen voorbeelden waarin het drastisch fout loopt; daar ben ik heel eerlijk over. Ik vind de heer Oskam een waardevolle aanvulling in de Kamer en ik zie op dit moment niet wat er mis is met dat nulurencontract. Het is wel goed om te bekijken of we dat niet beter in wetten en regels kunnen vastleggen. Ik roep de minister dus op om daar eens naar te kijken, daartoe ook aangespoord door de onderzoekers, de praktijk in andere landen en de internationale organisaties die ik zonet noemde. 

Mijn tweede punt betreft de financiële belangen en de functies van partners. Op dit moment moeten nevenfuncties gelukkig al wel geregistreerd worden. Dat geldt niet voor de financiële belangen van rechters en ook niet voor de nevenfuncties van partners. Daarover zijn wel kritische opmerkingen te maken. Het rapport gaat daar ook uitgebreid op in. Ik zie ook in dat dergelijke stappen ver zouden gaan en vragen zouden kunnen oproepen over de privacy van de rechter en zijn of haar partner, maar ik zou het goed vinden als de minister hierop vandaag, of op termijn in een brief, uitgebreider zou ingaan. Want ook dit raakt natuurlijk aan het vraagstuk van de belangenverstrengeling en de schijn van partijdigheid; de schijn daarvan. Als een rechter aandelen heeft in bedrijf X is het niet wenselijk dat hij een procedure doet waarin bedrijf X partij is. In andere landen schijnt dergelijke registratie al plaats te vinden. Daarom vraag ik de minister om ook hier eens goed naar te kijken. 

De heer Van der Steur (VVD):

Ook op dit punt is het altijd goed om vragen te stellen. Ik denk echter wel dat de SP-fractie over concrete aanwijzingen moet beschikken dat hiermee problemen zijn. Zomaar de vraag stellen en de suggestie opwerpen dat partners van rechters hun belangen en banen openbaar zouden moeten maken, is wel een vrij ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van rechters en hun partners. Daar zit bovendien nog een enorme discussie achter over de definitie van wat dan een partner is, wat belangen zijn en wat je wilt weten en wat niet. Is er een concreet probleem aan de hand waarvan de heer Van Nispen zegt: dat is ernstig, daar moeten we iets aan doen? 

De heer Van Nispen (SP):

Als de heer Van der Steur doelt op een bepaald schandaal of iets dergelijks kan ik hem geen voorbeeld aanreiken, maar dit vraagstuk is er wel degelijk. Er zijn klachten die gegrond worden verklaard. Dan kun je dus zeggen dat het kan op basis van de huidige wet- en regelgeving, maar dit voorstel komt niet uit de lucht vallen. Het komt uit een onderzoek van hoogleraren en professoren in opdracht van de Raad voor de rechtspraak zelf. Zij leggen bloot dat er kwetsbaarheden in het Nederlandse systeem zitten vergeleken met andere landen. Wij zijn aangespoord door Transparency International en GRECO om nog duidelijker te zijn over de vraag hoe wij de schijn van partijdigheid en belangenverstrengeling kunnen voorkomen in Nederland. Daar lijkt mij niets mis mee. Het is inderdaad iets meer dan de vraag opwerpen. Ik spoor de minister aan om daartoe over te gaan. Dan is het nog wel de vraag hoever je daarmee moet gaan, wat je precies moet registreren en in hoeverre dat openbaar moet worden; dat ben ik met de heer Van der Steur eens. Dat zijn ingewikkelde vragen. Ik heb echter niet voor niets geen uitgewerkt amendement klaarliggen, want als ik daar precies uit was, dan had ik dat als voorstel ingediend. 

De heer Van der Steur (VVD):

Ik ken de heer Van Nispen als iemand die zijn werk zorgvuldig voorbereidt en dat heeft hij ook in dit geval weer gedaan. Het gaat de VVD-fractie echter wel erg ver om in een debat de suggestie te wekken dat er een ernstig probleem is en om, als iemand daarnaar vraagt, te zeggen dat het probleem er niet is, maar dat we het toch maar moeten gaan doen. We zijn hier niet om afspraken en regels te maken voor problemen die we niet kennen. Het lijkt erop dat de SP-fractie nu regels aan het voorstellen is voor een probleem dat nog gecreëerd moet worden. Dat gaat mij erg ver. Ik weet niet of de heer Van Nispen weet hoe het systeem van verschonen werkt, maar dat functioneert uitstekend. De rechters zijn daar zeer integer in. Dat voorkomt ook dat we een probleem hebben. Kan de heer Van Nispen daar nog iets over zeggen en zijn waardering uitspreken voor de manier waarop de rechterlijke macht dat tot op heden heel keurig en al jarenlang doet? 

De heer Van Nispen (SP):

Daar kan ik volmondig mijn waardering over uitspreken, want dat werkt inderdaad goed. Maar als de heer Van der Steur spreekt over problemen oplossen die er niet zijn en met wetten en regels komen, wil ik hem toch wijzen op zijn vijf of zes amendementen waarbij je dezelfde vraag zou kunnen stellen. Ik suggereer niet dat er een enorm probleem is dat acuut opgelost moet worden, maar we moeten de kwetsbaarheden in het systeem wel serieus nemen en bekijken hoe we die beter kunnen borgen dan op dit moment het geval is, juist om gedoe te voorkomen. 

Het derde punt dat ik aan de minister wil voorleggen, is het toedelen van zaken. Ook daar zit ruimte voor verbetering. Het is nu onduidelijk op basis waarvan de administratie van het gerecht een bepaalde rechtszaak toewijst aan een individuele rechter. Eigenlijk zou duidelijk moeten zijn op basis waarvan een zaak aan welke rechter wordt toegewezen. Ook dat kan gedoe voorkomen. De schijn van partijdigheid kan zo worden vermeden. Ook op dit punt is men in andere Europese landen transparanter. Mag ik ook hierop een reactie van de minister? Het gaat de SP er dus om dat belangenverstrengeling moet worden voorkomen. Iedere twijfel aan de integriteit van rechters moet zo veel mogelijk worden weggenomen. Iedere schijn van partijdigheid is onwenselijk. Het vertrouwen in de rechtspraak is terecht groot, maar dat moeten we wel zo houden. Dat vereist dat we hier steeds aandacht aan blijven schenken en niet schromen zaken verder te verbeteren waar dat mogelijk is. Ik hoop dat de minister dit met de SP eens is. 

In dit debat over disciplinaire maatregelen en de integriteit van rechters en de rechtspraak als geheel, is het ook passend een opmerking te maken over de bezuinigingen die de rechterlijke macht nog boven het hoofd hangen. Die bezuinigingen zijn in mijn ogen de echte bedreiging voor de kwaliteit van onze rechtspraak. De rechterlijke macht komt nu al jaren miljoenen euro's tekort op de begroting. Er is sprake van rode cijfers. Goed beschouwd zijn dat natuurlijk maar cijfers. Het gaat vooral om de inhoud en om signalen van rechters. Zaken worden gemiddeld zwaarder en complexer. Dat betekent dat je gemiddeld meer tijd kwijt bent tegen dezelfde kostprijs, met hogere werkdruk en/of minder kwaliteit als gevolg. Of je nu een strafrechter, een bestuursrechter of een kantonrechter in bewindszaken spreekt, ze merken het allemaal. En dat terwijl de echte bezuinigingen eigenlijk nog moeten komen. Ik heb van diverse rechters gehoord dat 2016 op financieel gebied een rampjaar wordt. Wij hebben het bij de begrotingsbehandeling uitgebreid daarover gehad, maar de minister geeft tot nu toe geen krimp. Dat stelt mijn fractie in ieder geval teleur. 

Nogmaals, wij bespreken vandaag een goede wet, maar belangrijker voor de kwaliteit van de rechtspraak is dat wij de rechters het werk niet onmogelijk maken door te weinig geld beschikbaar te stellen. Op die manier lukt het afhandelen van zaken net, maar komen belangrijke scholingen, intervisies en collegiale toetsing onder druk te staan. Is de minister bereid om dit te erkennen en nader te inventariseren door in overleg te gaan met de Raad voor de rechtspraak? Is hij ook bereid om zijn oor nogmaals te luisteren te leggen bij de verschillende rechtbanken in het land? Kan hij zelf gaan kijken hoe het daar nu gaat? Graag krijg ik een reactie en een toezegging hierop. 

Ik vind het passend om iets te zeggen over de ingediende amendementen. Omdat die pas gisteren en vandaag zijn ingediend, heb ik niet alle aspecten daarvan kunnen beoordelen. Ik doe toch een poging daartoe en die houdt in dat ik niet positief sta tegenover die amendementen. De reden daarvoor is in de eerste plaats dat de voorstellen die de VVD soms samen met de PvdA en soms met het CDA heeft ingediend aan het gezag van de rechtspraak raken. In de tweede plaats trek ik de meerwaarde van deze voorstellen sterk in twijfel. Waarom zou je een rechter bijvoorbeeld voorwaardelijk willen ontslaan? Waarom zou je financiële sancties op willen leggen aan een rechter? Neemt de kwaliteit van zijn werk toe als je iemand niet betaalt? Bovendien word ik er niet zo blij van als de rechter, naar wie ik moet gaan, voorwaardelijk ontslagen is of zijn werk zonder salaris moet doen. Ik vind het dus eerlijk gezegd vreemde voorstellen die weinig toevoegen aan het arsenaal dat wij met elkaar hebben afgesproken, of beter gezegd, het arsenaal dat vandaag in het wetsvoorstel voorligt. 

Ik zeg ook nog iets over het amendement op stuk nr. 15 van de heren Van der Steur en Recourt. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de VVD het niet prettig vindt dat de vakbond van rechters mee heeft mogen praten over deze wet en dat die moeilijk doet over wijzigingen of aanscherpingen daarvan. In reactie daarop — dat is mijn indruk althans — heeft de VVD samen met de PvdA zelfs een amendement ingediend dat de macht van de vakbond sterk inperkt. In plaats van een instemmingsrecht, dat heel normaal is voor een vakbond bij rechtspositionele zaken, komt er nu een adviesrecht. Volgens mij maak je dan een tijger zonder tanden van de vakbond. Dat zou ik ernstig betreuren, want rechters hebben geen ander instrument om op te komen voor hun rechtspositie. Ik hoop sterk dat de indieners van dit amendement dit nader willen overwegen. Bovendien vestig ik mijn hoop op de minister. Dat doe ik niet vaak, maar vandaag wel. Ik hoop echt dat de minister mijn collega's wil overtuigen om hierop terug te komen, zodat de vakbond van de rechters een tijger met tanden blijft. Laten wij het voorstel met disciplinaire maatregelen van de minister niet verder optuigen met voorstellen waar niemand in de praktijk op zit te wachten, die geen meerwaarde hebben en vooral ook risico's met zich brengen. Ik hoop echt dat de minister zich hierover duidelijk wil uitspreken. 

De heer Recourt (PvdA):

Welke vakbond kan volgens de heer Van Nispen de wens van de meerderheid van de Kamer negeren en, zich op de wet baserend, zeggen: Kamer en minister, u doet maar wat u wilt, maar wij doen het niet omdat dit zo in de wet staat. Kortom, welke vakbond staat boven de wetgeving in formele zin? 

De heer Van Nispen (SP):

Volgens mij gaat het daar niet om. Het gaat mijns inziens om artikel 51 dat weer naar artikel 48 van deze wet verwijst. Dat wordt volgens mij door de indieners dusdanig gewijzigd dat de rechters voortaan geen instemmingsrecht meer hebben in rechtspositionele zaken. Als ik het goed begrepen heb, gaat het ook over loon, salaris, wel of niet op zondag werken et cetera. Als het anders is, laat ik de heer Recourt dat dadelijk graag verdedigen. Ook zullen wij de minister hier nog over horen. De vakbond mag op dit moment over al dit soort zaken meepraten. Sterker nog, de vakbond heeft ook instemmingsrecht. Als ik het goed begrepen heb, zou de PvdA de vakbond dat willen ontnemen. 

De heer Recourt (PvdA):

Het is terecht dat de vakbond opkomt voor loon, werkdagen en de positie van de rechterlijke ambtenaren. Dat is heel terecht. Het is echter niet terecht dat dit zodanig in de wet verankerd is, dat het een instemmingsrecht is. In de wet staat: u mag de wet aannemen, maar of de wet uitgevoerd wordt, is afhankelijk van de instemming van de vakbond. Dat is een democratisch gat. Zelfs de PvdA — ik hoop dat dit ook voor de SP geldt — zegt daarvan: inspraak is goed, maar een democratisch gat lijkt ons minder wenselijk. 

De heer Van Nispen (SP):

Ik betwijfel zeer of er inderdaad een democratisch gat is zoals de heer Recourt zegt. Natuurlijk kunnen we hier in de Kamer sleutelen aan dit wetsvoorstel. Ik heb daar kritiek op, maar dat is om andere redenen dan die die ik specifiek bij het amendement op stuk nr. 15 heb genoemd. De meerwaarde van de amendementen op de stukken nrs. 9 t/m 14 trek ik sterk in twijfel. Ik heb daar andere argumenten voor. Ik kom daar nog op terug als de voorzitter mij dat straks toestaat. In het amendement op stuk nr. 15 — dat is een voorstel van de PvdA — gaat het echt om de rechtspositie van de rechter. Volgens mij heeft die vakbond of hebben die rechters geen andere mogelijkheid om daarvoor op te komen dan via het artikel dat de heer Recourt nu sterk wil inperken. 

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog. U hebt daar nog ruim twee minuten voor. 

De heer Van Nispen (SP):

Nogmaals, ik hoop dat de minister zich duidelijk uitspreekt tegen de diverse amendementen die zijn ingediend. 

De voorzitter:

Daarmee is uw eerste termijn ten einde gekomen. 

Ik geef het woord aan de vertegenwoordiger van de fractie van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie, de heer Van der Steur. 

De heer Van der Steur (VVD):

Voorzitter. Het is voor de VVD-fractie van groot belang dat een serieuze rechtsstaat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht waarborgt. Dat hebben wij onder andere gedaan door een benoeming voor het leven, een privilege dat geen enkel ander beroep in Nederland kent, zodat de rechter volledig vrij is om zich een oordeel te vormen binnen de kaders van de wet. Nederland mag trots zijn op de rechterlijke macht, zowel de staande als de zittende magistratuur. 

Als wij als Kamerleden kijken naar het vertrouwen dat de Nederlandse bevolking in ons heeft, in politici, dan moeten wij vaststellen dat de rechterlijke macht ons naar de kroon steekt, want volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft 70% van de Nederlandse bevolking vertrouwen in de rechterlijke macht. Wat de VVD betreft is dat volkomen terecht. De 2.182 mannen en vrouwen van de rechterlijke macht — ik heb het dan over de zittende magistratuur — doen elke dag op een integere manier hun werk. Zij doen dat heel goed en met volle overtuiging. Dat gebeurt niet altijd in een omgeving die daar financieel voldoende voor uitgerust is en waarin over ruime middelen wordt beschikt. Die situatie is natuurlijk ontstaan door de financiële problemen waar wij ons de afgelopen jaren in bevonden. Omdat rechters voor het leven worden benoemd, is zelfregulering binnen de rechterlijke macht het uitgangspunt. Het is een uitgangspunt dat de VVD-fractie ook ten volle onderschrijft. Wij hebben wel al in 2011 tegen deze minister gezegd: als je zelfregulering hebt en je je eigen organisatie moet controleren, dan is het wel van belang dat je de samenleving ook laat zien dat je dit doet. Als gevolg daarvan is sinds die tijd zeer actief door de rechterlijke macht aangegeven wat er intern op disciplinair gebied gebeurt. Dat is ook heel transparant in jaarverslagen gepubliceerd. Zoals de SP al zei, levert dat inderdaad gelukkig heel weinig grote problemen op. Ik kom zo bij de behandeling van de amendementen op een verklaring voor een deel van dat verschijnsel. Er zit namelijk wel een probleem achter, dat slechts voor een deel door het huidige wetsvoorstel wordt opgelost. 

We hebben in 2011 ook gevraagd om de klachten die worden ingediend door burgers die gebruikmaken van de rechtspraak, inzichtelijk te maken en om de mogelijkheid om klachten in te dienen te vereenvoudigen. Dat is allemaal gebeurd. Het is ook goed dat de rechterlijke macht zich daar beschikbaar voor stelt en dat hij zich openstelt voor klachten van mensen die van zijn diensten gebruikmaken. Dat is heel belangrijk. Op basis van dat alles kom je tot de conclusie dat de rechterlijke macht respect verdient en dat hij dat tegelijkertijd ook moet verdienen. Dit betekent dat de zelfregulering zichtbaar moet zijn en dat misstanden, als zij zich voordoen, ook effectief en stevig moeten worden aangepakt. Op die manier kun je het vertrouwen van de samenleving in de rechterlijke macht steeds weer blijven voeden. In het kader van dat vertrouwen heeft de samenleving er recht op dat als er binnen de rechterlijke macht iemand met dat privilege van benoeming voor de rest van zijn of haar leven, vervolgens toch niet aan de normen of eisen voldoet of er zelfs sprake is van misstanden, zichtbaar is dat er vervolgens wordt opgetreden. Uit het overzicht dat de Raad voor de rechtspraak heeft verschaft van de periode tussen 2001 en 2010 zie je dat er wel degelijk misstanden plaatsvinden. Zo zijn er gevallen van ongewenste intimiteiten, onprofessioneel gedrag, misdragingen binnen en buiten werktijd, ondermaatse kwaliteit van het werk, gebruik van alcohol leidend tot openbare dronkenschap en schending van het ambtsgeheim, waarvan ik vermoed dat velen zich dat geval nog wel kunnen herinneren. Wat je ook ziet is dat er vanwege het huidige systeem vaak ontslag plaatsvindt op eigen verzoek. Dat betekent dat er dan een serieus gesprek wordt gevoerd met een rechter die er dan voor kiest om op eigen verzoek ontslag te nemen. Dat gold bijvoorbeeld voor iemand die aankondigde het ambtsgeheim te willen schenden en iemand van wie het de vraag was of die ziek was of zich op een andere manier aan het werk onttrok. Door de Raad voor de rechtspraak is daarbij het aspect van de privéomstandigheden genoemd, evenals misbruik van alcohol. Als je het vertrouwen in de rechterlijke macht wilt waarborgen, moet je instrumenten hebben om de integriteit te bewaken. Daarvoor is een breed palet van instrumenten nodig. In het huidige systeem, dus zonder deze wet, heb je alleen maar de mogelijkheid van waarschuwing enerzijds en ontslag bij de Hoge Raad anderzijds. Daarvan heeft jaren geleden de werkgroep-Stevens al vastgesteld dat dit veel te weinig is, maar vervolgens komt er maar eigenlijk heel weinig extra's bij, waardoor je als rechterlijke macht in de positie komt dat je wanneer je maatwerk wilt leveren, dat eigenlijk niet kunt, omdat je nog steeds heel weinig mogelijkheden hebt om tegen rechters die zich niet of niet helemaal aan de afspraken houden, passend op te treden. Dat is precies de achtergrond van mijn amendementen. Sommige daarvan heb ik samen met de PvdA en het CDA ingediend; andere heeft het CDA ingediend en ik heb die gesteund. Dat is de achtergrond daarvan. Dat maatwerk moet je kunnen leveren. Daar heb je instrumenten voor nodig. Die instrumenten horen in de wet te staan, want anders kun je ze niet toepassen. Dat is nu precies de reden waarom het van belang is dat deze amendementen zijn ingediend. 

Ik heb de afgelopen jaren veelvuldig gebruikgemaakt van de mogelijkheid om een aantal rechtbanken te bezoeken. Ik heb zittingen bijgewoond en veel gesproken met rechters en rechtbankbestuurders. Ik zal alvast antwoord geven op de vraag die de SP beloofde te zullen stellen bij interruptie. Bij die bezoeken is heel vaak aan de orde gekomen dat mensen zeiden: wij moeten eigenlijk meer ruimte en mogelijkheden hebben om in grensgevallen toch maatwerk te kunnen leveren, om juist in die gevallen waarin het niet heel ernstig is maar waarin er wel een passende actie nodig is, iets te kunnen doen; wij moeten bijvoorbeeld voorwaardelijk of onvoorwaardelijk een straf kunnen opleggen, bijvoorbeeld door een waarschuwing neer te leggen — die mogelijkheid zou volgens het huidige wetsvoorstel verdwijnen — met daarbovenop dan de berisping, die in dit wetsvoorstel wordt voorgesteld. Als je die twee mogelijkheden hebt, zowel de waarschuwing als de berisping, heb je veel meer ruimte en mogelijkheden om maatwerk te leveren. 

Dat is van groot belang in een organisatie, met name in een organisatie — ik wijs er nog maar een keer op — waarin je niet het ultieme machtsmiddel hebt dat je verder in elke organisatie in Nederland hebt, namelijk het ontslag van iemand die zich niet aan de afspraken houdt. Dan is het dus van extra belang dat je verschillende andere mogelijkheden hebt om disciplinair op te treden, zowel via een ordemaatregel als via een disciplinaire maatregel. Dat vindt niet alleen de VVD-fractie, gesteund door de PvdA-fractie en de CDA-fractie, gesteund door de VVD-fractie, en andersom, maar dat vindt ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. In de zaak Volkov tegen Oekraïne — het is wonderlijk dat die hier vanavond weer aan de orde komt, maar zo is het nu eenmaal — gaf het EHRM aan dat er in soortgelijke voorbeelden te weinig middelen waren om binnen het kader van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht tot maatregelen over te gaan. Over die uitspraak is inmiddels zelfs door een rechter een artikel geschreven, waarin hij tot de conclusie komt dat het Nederlandse rechtsstelsel, het systeem inclusief het wetsvoorstel dat hier vandaag ligt, vermoedelijk niet voldoet aan de normen die door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens worden opgelegd. 

De heer Van Nispen (SP):

In feite ondersteunt vrijwel alles uit het betoog van de heer Van der Steur het wetsvoorstel dat voorligt: aan de ene kant kun je een waarschuwing geven en aan de andere kant kun je iemand ontslaan; daar zit niets tussen; daarom komt er nu de mogelijkheid van een berisping en een schorsing. De heer Van der Steur zegt dat het voorstel van de minister de toets der kritiek van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet kan doorstaan. Ik vraag hem om dat nader te onderbouwen, want ik lees dat helemaal nergens, ook niet in de antwoorden van de minister. De heer Van der Steur heeft er namelijk al naar gevraagd, volgens mij. 

Ik wil ook nog op iets anders wijzen. De heer Van der Steur is zijn betoog begonnen met de woorden dat het vertrouwen in de rechtspraak terecht groot is, dat er weinig incidenten zijn en dat het heel goed gaat. Vervolgens heeft hij echter zes amendementen ingediend. Dat aantal amendementen is groter dan het aantal malen dat rechters aantoonbaar in de fout zijn gegaan. Kan hij daarop reageren? 

De heer Van der Steur (VVD):

Daar reageer ik graag op. Ik begin met het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Er is een discrepantie tussen het standpunt van het kabinet over die uitspraak en de visie van de VVD-fractie op die uitspraak. De VVD-visie wordt gedeeld door een rechter die daarover een uitgebreid artikel heeft geschreven. Deze rechter heeft aangegeven: let op, met de huidige maatregelen, inclusief de voorstellen die in het nieuwe wetsvoorstel worden gedaan, hebben we nog steeds te weinig om te garanderen dat de rechterlijke macht daadwerkelijk kwalitatief hoogwaardig is. Dat is het antwoord op die vraag. De heer Van Nispen kan het daarover met mij oneens zijn — dat gun ik hem — maar dat wil niet zeggen dat het niet waar is. 

De heer Van Nispen zei: de mogelijkheden van het wetsvoorstel zijn uitgebreid. Nou, ga eens kijken in welke andere organisatie of in welk ander bedrijf in Nederland dan ook. Daar heeft men bovenop alles wat in het wetsvoorstel, inclusief alle amendementen, wordt voorgesteld, nog veel meer mogelijkheden om met mensen afspraken over hun functioneren te maken dan bij de rechterlijke macht. Dat accepteren wij ook. Juist vanwege de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht zal er nog steeds een enorm verschil zijn tussen een gewone werknemer en een lid van de staande of zittende magistratuur. Dat is zo. Dat rechtvaardigt de bijzonderheid van het beroep ook. Volgens mijn fractie is het echter wel heel merkwaardig om te veronderstellen dat je kunt accepteren — dat doen we dus ook niet; dat vinden we niet juist — dat alleen die kleine toevoegingen waar men nu mee gekomen is, worden gedaan. Dat is gewoon te weinig. Je moet meer instrumenten hebben en meer maatwerk kunnen leveren om precies in die kleine, verschillende gevallen juist te kunnen optreden. Bij mijn werkbezoeken is mij gebleken dat daaraan behoefte bestaat. 

De heer Van Nispen (SP):

Maatwerk klinkt altijd heel sympathiek, maar het geeft geen pas als de meerwaarde ervan niet is aangetoond. Ik hoor nog steeds niet waarom er behoefte bestaat aan de voorstellen die de heer Van der Steur met de andere collega's heeft gedaan. De maatregel van schorsing lijkt mij een zinvolle toevoeging, waarbij iemand tijdelijk zijn vak niet kan uitoefenen. Als je die mogelijkheid hebt, wat voegt het dan toe om te zeggen: we gaan iemand niet schorsen, maar wegdegraderen? Demotie dus. Of: we gaan iemand een financiële sanctie opleggen. Of: we gaan iemand voorwaardelijk ontslaan. Daarmee tast je toch feitelijk het gezag van de rechter aan, die op dat moment zijn vak uitoefent, maar wel door die maatregel getroffen is? Schorsing is dan toch een veel logischere maatregel? 

De heer Van der Steur (VVD):

Het kan zo zijn dat dat een logischere maatregel is. Als dat zo is, moet het bestuur van de rechtbank of de Hoge Raad die maatregel ook toepassen. Dat is nu juist de grap en dat is nu juist waarom wij hier staan. Het kan ook zo zijn dat het niet een logischere maatregel is, maar dat een andere maatregel veel logischer zou zijn. Ik noem bijvoorbeeld de voorwaardelijke schorsing, in de trant van: als je het nog één keer doet, dan word je geschorst. Dat kan een heel logische maatregel zijn. In heel veel organisaties komt dat voor. Dat wordt nu mogelijk gemaakt. Het grote punt is dit. Wij creëren het instrumentarium, maar zeggen niet tegen de rechters: u moet dat de hele dag uitvoeren. Zij moeten het alleen toepassen als het nodig is. Daarbij is het van essentieel belang dat je maatwerk kunt leveren. Nu heb je alleen de waarschuwing en het ontslag bij de Hoge Raad. Ook de heer Van Nispen zal het met mij eens zijn dat daar een veel te groot gat tussen zit. Met het wetsvoorstel wordt dat gat nog maar nauwelijks opgevuld. Sterker nog, zelfs de waarschuwing verdwijnt, in ruil voor de berisping. Waarvoor dan? Het is heel mooi om juist bij iets heel kleins te kunnen zeggen: ik waarschuw u nu, het moet nooit meer voorkomen, want anders ga ik andere maatregelen nemen. Als het dan toch weer gebeurt, zou je een berisping kunnen opleggen of een voorwaardelijke berisping. Ook zou je naar andere maatregelen kunnen kijken die wij moeten creëren. Je moet de instrumenten dan wel hebben. Het is helemaal geen bezwaar om de amendementen aan te nemen, om de simpele reden dat je daarmee de rechterlijke macht optimaal in staat stelt — nog steeds heel beperkt, maar vele malen beter dan nu in het wetsvoorstel is besloten — om te doen wat nodig is als het nodig is. Dat vertrouwen schenkt de VVD-fractie ook aan de rechterlijke macht. Om die reden staat wat ons betreft de onafhankelijkheid en ook de benoeming voor het leven niet ter discussie. 

Ik zal kort de amendementen toelichten die zijn ingediend. Het eerste amendement dat is ingediend door de VVD en de PvdA-fractie is het amendement dat het mogelijk maakt om als disciplinaire maatregel een rechter over te plaatsen binnen een rechtbank of binnen een hof dan wel over te plaatsen naar een andere rechtbank of een ander hof als dat nodig is. Met hetzelfde amendement wordt geregeld dat demotie kan plaatsvinden. Een rechter die een bepaalde graad of functie heeft gekregen, kan dan worden teruggeplaatst als dat nuttig, noodzakelijk en wenselijk is. Dat spreekt natuurlijk voor zich. 

De heer Van Nispen (SP):

Ik zal niet in herhaling vallen, maar ik heb een iets meer technische vraag over dit amendement op het punt van de demotie. In de toelichting staat zoiets als: een rechter die bij een gerechtshof werkt, zou "gedemoveerd" — hoe noem je dat? — of in ieder geval gedegradeerd kunnen worden naar een rechtbank. Daarvan is de vraag of het eigenlijk wel demotie is. Een rechter bij een gerechtshof heeft toch niet per se een hogere rang dan een rechter bij een gewone rechtbank? Dat is één. Punt twee is: wat doe je dan met een rechter bij een gewone rechtbank? Waar moet die naartoe in geval van demotie? Wordt hij dan griffier? Hoe gaat dat? 

De heer Van der Steur (VVD):

Onder rechters heb je ook nog gradaties: je hebt rechters A en rechters B. Daarin kun je demotie dus al zoeken. Dat is het antwoord op het laatste punt van de heer Van Nispen. Op die manier kun je dus al tot demotie komen. Ik ben het overigens geheel met de heer Van Nispen eens dat je de demotie maar in een paar heel specifieke gevallen zult willen toepassen. Je blijft uiteindelijk wel altijd met het probleem zitten dat je, ook als een rechter echt niet functioneert, maar niet erg genoeg niet functioneert om hem voor ontslag voor te dragen, iets moet kunnen doen. Dan is dit een maatregel die je kunt toepassen. De ultieme maatregel is zo ingewikkeld — en dat is misschien ook wel terecht — dat een ontslag, dat in het normale bedrijfsleven zou worden gegeven, niet aan de orde is. Het is dus een mogelijk middel, en je moet het zien als onderdeel van een heel palet aan mogelijkheden dat je kunt toepassen in gevallen waarin dat nodig is. 

De heer Van Nispen (SP):

Over de meerwaarde daarvan zullen we het niet eens worden, maar ik wil wel graag goed begrijpen wat dit amendement precies voorstelt. Ik vind dat toch niet duidelijk. Er is dus geen verschil in rang, ook volgens de heer Van der Steur niet, tussen gerechtshof en gewone rechtbank. Dus hoe kun je dan demotie toepassen? Waarom heet het dan "naar een lagere functie gaan" als je van het gerechtshof naar een gewone rechtbank gaat? In het voorstel van de heer Van der Steur ben je eerst rechter A en dan word je rechter B of rechter C. Wat voegt dit nu toe? En kan de heer Van der Steur mij toch eens technisch uitleggen hoe dat precies in zijn werk gaat? Ik heb dat gewoon niet begrepen uit zijn antwoord op mijn eerste vraag. 

De heer Van der Steur (VVD):

Hoe het in zijn werk gaat, lijkt mij heel simpel. De autoriteiten van de rechtbank gaan het gesprek aan met de betreffende rechter. Ongetwijfeld zijn daarvoor — want het is een vrij ernstige maatregel — al alle andere dingen besproken en gedaan. Er is vast al een waarschuwing geweest. Er is misschien al een keer een berisping geweest. Vervolgens wordt er gezegd: wij vinden het nu noodzakelijk om de maatregel op te leggen dat wij kijken naar een demotie. 

Dat kan betekenen binnen één schaal een andere functie, maar het kan ook zijn van het hof naar de rechtbank of, zo u wilt, desnoods van de rechtbank naar het hof. Maar één ding is zeker: het geeft je in ieder geval de mogelijkheid om — ik zie de heer Oskam al lachen, hij mag straks zelf toelichten wat hij daarvan vindt en wat hij daarmee bedoelt — een maatregel op te leggen die nodig kan zijn in het kader van de onafhankelijkheid van en het vertrouwen in de rechterlijke macht. 

Ik kom op het tweede amendement, waar ook al een wisseling over is geweest tussen de heer Recourt en de heer Van Nispen. Dat is het amendement dat het vetorecht van de Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak, dat is opgenomen in artikel 51 van de Wrra, verandert in een adviesrecht. Dat betreft een heel bijzonder wetsartikel, omdat een soortgelijke maatregel in het ambtenarenrecht voorziet in meerdere vakbonden die onderdeel zijn van een soortgelijk overleg. Bij de rechtspraak daarentegen is er maar één vakbond en dus is er ook maar één vakbond die uiteindelijk bepalend is of een bepaalde wijziging wel of niet wettelijk kan en mag worden voorgesteld door de minister. Het artikel bepaalt niet dat het parlement daar ook aan gebonden is, maar feitelijk is dat wel zo. 

De minister kan niet zeggen: wat een ontzettend goed idee. Dat zal de minister ook vast en zeker niet zeggen, ook al om de heer Van Nispen tegemoet te komen. Hij kan dat ook niet zeggen, en dat is precies het punt. De minister kan in dit debat niet eens zeggen dat hij dit amendement een goed idee vindt, omdat hij wettelijk gebonden is om, voordat hij instemt of iets goed zegt te vinden, daarover overlegd moet hebben met de Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak. Zowel de minister als het parlement wordt dus als wetgevende macht in zekere zin buitenspel gezet door deze bepaling in de wet. 

U weet dat de VVD-fractie vakbonden niet altijd even representatief vindt. Ook van de NVvR is niet elke officier van justitie en niet elke rechter lid. Ik weet ook dat de SP-fractie daar veel minder moeite mee heeft dan de VVD-fractie. Wij hebben daar wel moeite mee. Dit betekent dat er een enorme macht is neergelegd bij de Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak, wat niet noodzakelijkerwijs gerechtvaardigd wordt en ook niet in verhouding staat tot het primaat van het parlement en de uitwisseling tussen regering en parlement. 

Een aardig voorbeeld daarvan is het volgende. Toen ik besloot dat de VVD-fractie misschien een aantal amendementen zou willen indienen voor dit wetsvoorstel, heb ik het logisch gevonden om daarover overleg te voeren met diezelfde Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak. Met het argument van artikel 51 in de hand heeft de Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak echter geweigerd om met mij dat gesprek te voeren. Dat snap ik ook wel, want het hoeft helemaal niet. Het staat immers niet in de wet. Ze gingen er vanuit dat de minister nooit zo'n amendement zou omarmen of goedkeuren of overlaten aan het oordeel van de Kamer. Hij zou het dan wel moeten ontraden, want dat vloeit immers voort uit de wet. Dat kan de VVD-fractie niet accepteren en dat is precies de reden waarom we dit amendement hebben ingediend. 

De heer Van Nispen (SP):

Punt één is: er staat ook niet in de wet dat ze wel met de heer Van Nispen moeten praten, maar dat hebben ze toch gedaan, dus volgens mij houden ze zich in die zin niet zo heel strikt aan de wet. Punt twee: de heer Van der Steur zegt ook van alles over de representativiteit van de NVvR. Wat is dan het cijfer? Hoeveel officieren van justitie, hoeveel procent van de officieren en van de rechters is daar lid van, volgens de heer Van der Steur? 

De heer Van der Steur (VVD):

Even voor de goede orde: dat maakt voor ons helemaal niet uit, want het amendement staat daar los van. Zelfs al was elke rechter daar lid van, en zelfs al was elke rechter die lid is, het ook nog eens met het standpunt van de NVvR, het maakt niet uit. Zelfs als je lid bent hoef je het immers niet per se eens te zijn met NVvR-standpunten, dat weet de heer Van Nispen net zo goed als ik. In mijn politieke partij geldt in ieder geval regelmatig dat niet alle leden het eens zijn met de standpunten die wij innemen. Dat maakt onze partij ook zo interessant, het debat dat we daarover voeren. Dat wil echter niet zeggen dat je een instemmingsrecht moet hebben op een wettelijk niveau, waarmee je het parlement en de minister volledig buitenspel zet. Wat wij daarvoor in de plaats geven, is een adviesrecht. Is dat een gratuit iets? Nee dat is geen gratuit iets. Is dat een verbod op de vakbond, zoals vandaag in het persbericht op de NVvR-website stond? Nee, natuurlijk is dat geen verbod op de vakbond! Hoe komen ze daar eigenlijk bij? Interessant dat rechters zoiets in een amendement kunnen lezen! Wat mij betreft is er geen verbod op de NVvR. Dat is ook niet nodig. Het enige wat wij vinden is dat de positie van de NVvR niet hoger mag zijn dan die van het parlement en de regering. In de uitwisseling tussen het parlement en de regering moet de vrijheid bestaan om te doen wat wij in het belang van de Nederlandse samenleving en de rechterlijke macht vinden. 

Ik ben heel blij dat de SP-fractie wel met de NVvR gesproken heeft. Ik heb daar uiteindelijk wel een bezoek afgelegd, maar tijdens dat bezoek wilde de NVvR niet inhoudelijk met mij over die amendementen spreken, weer terugverwijzend naar artikel 51 Wrra. Ik heb het inhoudelijke debat dus niet kunnen voeren, wat ik jammer vind, want misschien waren er wel meer of betere suggesties gekomen dan wat wij nu hebben kunnen opschrijven. Overigens komen ook deze suggesties allemaal uit de rechterlijke macht. Wat dat betreft zal het waarschijnlijk wel meevallen. 

De heer Van Nispen (SP):

Volgens mijn informatie is de NVvR bijzonder representatief. 70% zou daarbij zijn aangesloten. Dat halen heel weinig vakbonden. Op dat vlak zit het dus wel goed. 

Ik snap dat wij op bepaalde onderdelen van mening verschillen, maar klopt het dat het amendement ook het instemmingsrecht van de vakbond van rechters en officieren weghaalt als het gaat over wel of niet werken op zondag, over 24 uur per dag en zeven dagen in de week bereikbaar zijn in het kader van ZSM, en over de salarissen? Het is heel normaal dat de vakbond instemmingsrecht heeft over dat soort zaken. Klopt het dat dit recht door dit amendement wordt weggehaald? 

De heer Van der Steur (VVD):

Ik ben het niet eens met het standpunt van de heer Van Nispen dat het normaal is dat een vakbond instemmingsrecht zou hebben met dat soort punten. Dat vindt de VVD een belangrijk punt. Maar ook voor dit soort zaken zul je advies moeten vragen bij de NVvR. Een wettelijk verankerd adviesrecht is mijns inziens passend in de verhoudingen die er zijn. Het spreekt voor zich dat je daaraan niet lichtvaardig voorbijgaat; ik kijk even naar de minister. Zelfs al zou de minister daar lichtvaardig aan voorbijgaan, wat in theorie nog zou kunnen, dan is er uiteindelijk altijd nog het parlement dat borg staat voor de rechtsstaat en voor de onafhankelijkheid en de belangen van de rechterlijke macht. Die waarborg zit dus precies waar die hoort te zijn, namelijk in deze zaal, waar wij met elkaar beslissingen nemen over dergelijke zaken. 

Het volgende amendement dat de VVD heeft ingediend, dat wordt ondersteund door collega Oskam van het CDA, gaat over het behoud van de schriftelijke waarschuwing. Het huidige wetsvoorstel voorziet erin om de schriftelijke waarschuwing die wij nu kennen, om te zetten in een berisping. Het charmante van die waarschuwing vinden wij echter juist dat het een heel licht, klein, mooi, afgepast en afgewogen instrument is. Als president van de rechtbank kun je hiermee zeggen: "Collega, dit was niet handig. Ik ga het niet ingewikkeld maken, maar vind wel dat wij even moeten vastleggen dat dit niet kan." Ik kan me voorstellen dat er vervolgens, als het nog een keer voorkomt, een berisping aan de orde is. Die mogelijkheid moet je willen hebben. Als bestuur van een rechtbank, een hof of zelfs de Hoge Raad moet je dat soort instrumenten willen hebben. Je moet een piramide hebben van maatregelen die je kunt toepassen als je de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht wilt waarborgen en het vertrouwen daarin wilt blijven versterken. 

Vervolgens wordt in het huidige wetsvoorstel voorzien dat bij benoeming door de rechter een verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd en afgegeven. Die is ook nodig. Niet geregeld wordt dat je ook daarna nog een verklaring omtrent het gedrag kunt vragen. Dat is merkwaardig, want in heel veel gevallen waarover wij nu met elkaar spreken, zoals de kinderopvang en andere werkterreinen waarin mensen met gevoelig materiaal werken en waarin het van belang is dat mensen integer zijn, wordt vaak verplicht om eens in de zoveel tijd een verklaring omtrent het gedrag in te dienen. Dat geldt zelfs voor taxichauffeurs. Waarom zou dit niet gelden voor de meest gevoelige en integere beroepsgroep die wij in Nederland hebben, de rechterlijke macht? De regering heeft daarop geantwoord dat het overdreven zou zijn om elke zoveel jaar een verklaring omtrent het gedrag aan te vragen. Wij zijn voor dat argument gezwicht, maar hebben besloten om het in ieder geval wel mogelijk te maken. Je kunt als bestuur van een rechtbank zeggen dat je het van belang vindt om dat nu te doen. Je kunt dat specifiek van één persoon vragen, maar ook generiek. Ik zou het persoonlijk heel verstandig vinden als je dat als rechtbank met regelmaat doet, omdat niet automatisch geregeld is dat je altijd geïnformeerd wordt als er een strafrechtelijk probleem met een rechter is. Meestal komt dat wel naar boven, maar het is niet geregeld in ons huidige stelsel, volgens de informatie die ik hierover heb ingewonnen. Het zou een heel logische aanvulling zijn om die mogelijkheid binnen de rechterlijke macht te hebben. Hier kun je als rechter eigenlijk niet tegen zijn, omdat dit, als het goed is, altijd een zinloze actie is. Je hebt namelijk altijd recht op een vog, behalve die ene keer dat die ene rechter haar niet krijgt, terwijl niemand wist dat dat aan de orde was. Juist voor die gevallen wil je de mogelijkheid hebben, dus maken we dat samen met het CDA mogelijk. 

De twee laatste amendementen zien erop het hele ontstane pallet of piramide aan maatregelen zowel voorwaardelijk als onvoorwaardelijk te kunnen opleggen. Zo kun je iemand ook een ernstige waarschuwing geven door voorwaardelijk een schorsing op te leggen, voorwaardelijk een ontslag op te leggen of voorwaardelijk andere maatregelen te nemen die je nodig vindt. Zo weet iemand echt: als ik dit nog een keer doe, heb ik een groot probleem. Dat is volkomen logisch en iets wat je in een organisatie als de rechterlijke macht moet willen hebben. 

Tot slot, er kan bijvoorbeeld sprake zijn van slecht werk, van werk dat onder de norm is of van mensen die fulltime worden betaald, maar door allerlei omstandigheden niet fulltime werken. Dan is het goed, nuttig en handig om de bevoegdheid te hebben om een deel van de bezoldiging te kunnen innemen. Binnen het normale bedrijfsleven is dat allemaal heel gemakkelijk geregeld. In de rechterlijke macht is dat helemaal niet geregeld. Het lijkt de VVD-fractie samen met de CDA-fractie, of laat ik het andersom zeggen, het lijkt de CDA-fractie samen met de VVD-fractie — wij ondersteunen namelijk deze laatste twee amendementen van de CDA-fractie — een heel verstandig idee om die bevoegdheid te geven. En dan spreek ik hier de hoop uit dat alle nu neergelegde bevoegdheden net zo weinig gebruikt zullen worden als ze in de afgelopen jaren gebruikt zouden zijn. Maar dan hebben we wel de zekerheid dat de rechterlijke macht kan doorgrijpen als het nodig is en dat zij de mogelijkheden heeft om op een goede manier invulling te geven aan de onafhankelijkheid en het enorme voorrecht van een benoeming voor het leven. Dat is de reden waarom de VVD-fractie deze amendementen samen met de CDA-fractie en de PvdA-fractie heeft ingediend. We weten dat de minister hierover niet kan en mag adviseren aan de Kamer, om de simpele reden dat dat wettelijk is uitgesloten. Dat geeft ook weer aan dat dat amendement aangenomen zou moeten worden. 

Mevrouw Helder (PVV):

Voorzitter. Op dit moment zijn er twee disciplinaire maatregelen die aan disfunctionerende rechterlijke ambtenaren kunnen worden opgelegd: de schriftelijke waarschuwing en ontslag. Door het wetsvoorstel komen er disciplinaire maatregelen bij. Een is de disciplinaire schorsing. Die is anders dan de huidige schorsing zoals staat in artikel 46f van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. De schriftelijke waarschuwing ondergaat slechts een naamswijziging en wordt een schriftelijke berisping, omdat dat minder vrijblijvend klinkt. Zo staat het tenminste in de memorie van toelichting. Daar staat echter ook dat het de lichtste maatregel blijft die kan worden opgelegd. Niet alleen de president van de Hoge Raad, maar ook de Hoge Raad als college kan dan die schriftelijke berisping geven. 

Deze kleine wijzigingen zijn een heel klein stapje in de goede richting. Mijn fractie vindt echter dat er weinig afschrikwekkende werking van uitgaat. Ter illustratie het volgende. Uit onderzoek van enige tijd geleden is gebleken dat foute rechters nauwelijks worden aangepakt. Slechts één keer is een rechter ontslagen en dat gebeurde pas nadat deze rechter maar liefst veertien jaar voor problemen had gezorgd. De Raad voor de rechtspraak gaf op dat onderzoek de volgende reactie: "het gat tussen de bestaande maatregelen van een schriftelijke waarschuwing en ontslag is te groot en er is behoefte aan tussenliggende maatregelen." De in dit wetsvoorstel aangekondigde disciplinaire maatregelen zouden echter in veel van de onderzochte gevallen tekortschieten. De PVV wil dan ook weten waarom de minister denkt dat een naamswijziging van een maatregel of de voorgestelde maatregel van een schorsing van maximaal drie maanden of de schorsing die als ordemaatregel met spoed kan worden opgelegd wel die problemen zal oplossen. Mijn fractie gelooft daar namelijk niet in. Waarom pakt de minister niet door? Laat duidelijk zijn dat het voorgestelde artikel 46fa regelt dat zo snel mogelijk kan worden gehandeld als een rechterlijke ambtenaar vanwege zijn optreden niet gehandhaafd kan worden op de werkvloer. Beoogd wordt om het mogelijk te maken om in die gevallen een vordering tot schorsing in te dienen bij de Hoge Raad. Dan kan met de vereiste spoed een voorlopige maatregel worden getroffen. En om dit te onderscheiden van de schorsing die dan nog moet volgen, wordt dan gesproken van een verzoek tot buitenfunctiestelling. De buitenfunctiestelling — dat staat ook in de memorie van toelichting — heeft niet het oogmerk van sanctionering. 

Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat rechters die wél zijn ontslagen omdat ze zich hebben misdragen, geen financiële vergoeding meer krijgen? En hoe gaat de minister ervoor zorgen dat rechters elkaar niet meer de hand boven het hoofd kunnen houden? Als de maatregelen vervolgens nauwelijks worden benut, bereiken we natuurlijk ook niet wat we willen en ook niet wat de minister wil. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Is de minister bereid, met inachtneming van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, te bevorderen dat sneller gebruik zal worden gemaakt van dit instrumentarium aan maatregelen? Ik hoor graag een reactie van de minister. 

Ik leidde net ook al in dat mijn fractie vindt dat er meer moet gebeuren. Wat mijn fractie betreft zou voorkomen moeten worden dat te veel intern wordt afgehandeld. Ik had het net al over rechters die elkaar de hand boven het hoofd houden. Binnen de politieorganisatie bestaat een integriteitsbureau. Waarom is dat niet zo binnen de rechterlijke macht? Of waarom is er geen onafhankelijke tuchtraad voor rechters, zoals de heer Knoops al eens heeft geopperd? Daar kunnen de procedures sneller worden gevoerd, kunnen burgers makkelijker terecht met hun klachten en worden rechters onafhankelijk beoordeeld, bijvoorbeeld door oud-rechters. De Raad voor de rechtspraak heeft destijds aangegeven dat nagedacht zou worden over de vraag of er een tuchtraad of integriteitsbureau moest komen. Wat is hiervan de uitkomst? Gaat de Raad voor de rechtspraak hiertoe over en zo nee, waarom niet? Kan de minister dat bij de Raad voor de rechtspraak navragen? 

Daarbij is de PVV, zoals bekend, van mening dat rechters niet meer voor het leven benoemd zouden moeten worden. Rechters moeten voor een bepaalde ambtsperiode benoemd worden, die van rechtswege afloopt na bijvoorbeeld tien jaar, waarna herbenoeming mogelijk is. Eerder al, tijdens een algemeen overleg over de rechterlijke macht, heeft mijn fractie al aangegeven dat deze herbenoeming aan de orde dient te komen bij een college dat door de rechterlijke macht zelf wordt ingesteld. Het valt niet in te zien waarom iedere werknemer een functionerings- en beoordelingsgesprek heeft en de heren en dames van de rechterlijke macht hiervan gevrijwaard zouden moeten zijn. In datzelfde algemeen overleg is door de minister ook aangekondigd dat men van evaluatiegesprekken naar functioneringsgesprekken zal gaan. Wat is daarvan de stand van zaken? Ook rechters zijn mensen en mensen maken fouten. Volledigheidshalve kan worden verwezen naar de uitspraken in de zaken van Lucia de Berk en de Puttense moordzaak, die eenieder bekend zijn. 

Een benoeming voor een bepaalde tijd is niet in strijd met de persoonlijke onafhankelijkheid van de rechters, zoals die is vastgelegd in artikel 117 van de Grondwet. Dit is in de jaren 70 van de vorige eeuw al bepaald door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Ringeisen versus Oostenrijk. In Zwitserland, Noorwegen en Finland is ook sprake van benoemingen voor bepaalde tijd. 

Ik kom al tot een afronding. Tot slot is de PVV van mening dat rechterlijke ambtenaren alle functies die zij vervullen, dienen te registreren. Dat betekent dat een rechter-plaatsvervanger ook zijn hoofdbetrekking dient te registreren. Daarom heb ik een amendement ingediend dat regelt dat rechterlijke ambtenaren van wie de nevenbetrekking uit een hoofdbetrekking bestaat, worden verplicht ook die betrekking in het register te laten registreren. Dit staat nog niet expliciet in de wet. Dan heb ik het over artikel 44 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Dit treft immers in de regel rechter-plaatsvervangers, maar die vervullen vaak ook meerdere betrekkingen naast dat plaatsvervangend rechterschap. Al eerder hebben we in het algemeen overleg besproken dat het ook over de geest van dat register gaat. De bedoeling is dat men kan zien wat voor functies een rechter heeft en of er sprake kan zijn van belangenverstrengeling. Daarom acht mijn fractie het amendement ook noodzakelijk. Openheid is van belang om eventuele belangenverstrengeling te controleren en ook te voorkomen. Het doel van het vermelden van een nevenbetrekking is dat te voorkomen en eventuele belangenverstrengeling van een rechterlijk ambtenaar te achterhalen. Volledige openheid over betrekkingen die worden uitgevoerd buiten dat ambt, is essentieel voor het vertrouwen in de onafhankelijkheid van een rechter, ongeacht of het om een hoofd- of nevenbetrekking gaat. Op dat punt krijg ik graag een reactie van de minister. 

Daarmee ben ik aan het einde van mijn betoog. Ik zie dat ik nog een interruptie tegoed heb. 

De voorzitter:

Ja, die diende zich al even aan, maar de heer Van der Steur heeft nu zijn mind opgemaakt. 

De heer Van der Steur (VVD):

Ik dacht dat mevrouw Helder iets ging zeggen over het eerste deel van haar amendement. Ik heb het amendement net pas gekregen, maar als ik het goed lees, stelt zij in het eerste deel verplicht dat rechterlijke ambtenaren het lidmaatschap van een politieke groepering openbaar maken. Zou zij daar ook iets over willen zeggen? Dat heb ik niet in haar betoog gehoord. Dat lijkt mij op z'n minst een vrij heftige wijziging van het systeem dat wij hebben, waarin rechters onafhankelijk maar vooral onpartijdig zijn, letterlijk en figuurlijk. 

Mevrouw Helder (PVV):

Het leek mij vanzelfsprekend dat je dat gewoon vermeldt. Dat is wel zo prettig om te weten voor de burger die voor de rechter komt. Overigens gebeurt het al. Ik ken een voorbeeld waarbij dat gewoon netjes in het register staat. Het betreft een lidmaatschap van de politieke partij van de heer Van der Steur. Dat staat gewoon in het register. Ik zie dus niet in waarom dat in een keer een heel erge breuk met de huidige praktijk is. 

De heer Van der Steur (VVD):

Hier zou wel een grap bij passen. Je zou kunnen zeggen dat het misschien zo bijzonder is dat een rechter lid is van de VVD dat dat apart vermeld moest worden, al denk ik dat dat reuze meevalt in de rechterlijke macht. Maar ik hoor niet wat mevrouw Helder hiermee beoogt. Wat is het belang van het lidmaatschap van een politieke partij van een rechter? En wat doet het met de onpartijdigheid van de rechter? Dat zeg ik niet voor niks, want rechters worden geacht onpartijdig te zijn. Er staat ook niet in het register welk geloof of welke seksuele geaardheid rechters hebben. Dat is misschien in de redenering van mevrouw Helder — ik citeer haar — misschien voor de burger ook wel interessant. Maar dat is precies niet wat wij met de Nederlandse rechterlijke macht willen. Om die reden vraag ik mevrouw Helder om een toelichting. 

Mevrouw Helder (PVV):

Die toelichting heb ik net al gegeven en daar blijf ik bij. Het gebeurt al, dus ik zie niet in waarom dit zo schokkend is en de heer Van der Steur er zo'n punt van maakt. Het gebeurt al. Het is voor de burger belangrijk om te weten. Dat vinden meer mensen, want in Vrij Nederland staat bijna jaarlijks een onderzoek waarin staat van welke politieke partij rechters deel uitmaken. Dat is een enquête. Die vullen ze netjes in, dus zelf zien ze het gevaar van de heer Van der Steur helemaal niet. Ik bedoel "het gevaar dat de heer Van der Steur schetst", niet "het gevaar van de heer Van der Steur". Dat zeg ik even voor de Handelingen. 

De voorzitter:

Met dat gevaar komt er een eind aan uw betoog? 

Mevrouw Helder (PVV):

Ja, precies. 

De voorzitter:

Dan weten we dat ten minste. Ik dank mevrouw Helder voor haar bijdrage in eerste termijn. Ik nodig de heer Oskam van de fractie van het Christen-Democratisch Appèl uit om zijn eerste termijn vorm te geven. 

De heer Oskam (CDA):

Voorzitter. We hebben de rechters voor het laatst bewaard. 

Vandaag is een wetsvoorstel aan de orde dat het mogelijk maakt dat meer disciplinaire maatregelen genomen kunnen worden tegen rechters, indien er sprake is van onaanvaardbaar gedrag. De CDA-fractie steunt de gedachte om tot een uitbreiding van het scala te komen. De eerste vraag die zich aandient: waarom is het eigenlijk nodig? De reden is nadrukkelijk niet dat het aantal opgelegde disciplinaire maatregelen binnen de rechterlijke macht daartoe aanleiding zou geven. Collega Van Nispen zei het al: in 2013 is er één keer een schriftelijke waarschuwing afgegeven. Dat is mooi, want dat zou impliceren dat er niet vaak sprake is van onaanvaardbaar gedrag binnen de beroepsgroep. De CDA-fractie spreekt dan ook haar steun en bewondering uit voor al die mensen die elke dag naar eer en geweten rechtspreken. 

Waarom dan toch dit wetsvoorstel? De rechtspraak staat midden in de samenleving. Rechters doen uitspraken over zaken die burgers direct raken dan wel een grote maatschappelijke impact kunnen hebben, in het bijzonder in het strafrecht maar ook op andere terreinen. Rechters hebben daarin een grote maar ook een zware verantwoordelijkheid. Voortvloeiend uit die zware verantwoordelijkheid is een logisch vereiste dat juist mensen die rechtspreken van onbesproken gedrag dienen te zijn. Dat is van groot belang voor de geloofwaardigheid, voor de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechtspraak. Mochten daar gerede twijfels over zijn, dan moet daar gepast op gereageerd kunnen worden. Dat is momenteel niet het geval, want het instrumentarium is beperkt. 

Op basis van de huidige Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren kan alleen een schriftelijke waarschuwing óf ontslag worden gegeven. Zo'n schriftelijke waarschuwing, zo weet ik vanuit mijn ervaring binnen de rechtspraak, wordt door rechters al als zeer pijnlijk ervaren. Daartussen zit een gat, en de wens van de rechtspraak zelf is om flexibeler te kunnen reageren bij incidenten, wat onder meer blijkt uit het rapport van de werkgroep-Stevens. In dat rapport zijn nuttige aanbevelingen gedaan die deels ook weer de basis vormen voor enkele door de heer Van der Steur en mij ingediende amendementen. Ook recente jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens toont aan dat het tuchtrecht voor rechters aanscherping verdient. De CDA-fractie steunt dan ook de voorgestelde uitbreiding van de maatregelen. 

De CDA-fractie heeft nog wel een aantal vragen en suggesties middels de ingediende amendementen, die het wetsvoorstel beogen aan te scherpen en ook maatwerk mogelijk maken bij de toepassing van disciplinaire maatregelen. 

Wanneer blijkt dat rechters onaanvaardbaar gedrag hebben getoond, en dit gedrag direct raakt aan zaken die zij afhandelen, weegt dit dan extra zwaar in de beoordeling? Te denken valt daarbij aan een rechterlijk ambtenaar die gespecialiseerd is in fraudezaken en vervolgens zelf veroordeeld wordt wegens fraude. Dat raakt rechtstreeks aan die zaak. 

In het rapport van de interne werkgroep disciplinaire tussenstappen, de werkgroep-Stevens uit 2009, komt ook de vraag naar voren of de voorstellen voor disciplinaire tussenstappen ook van toepassing zouden moeten zijn op de níét voor het leven benoemde leden van de rechterlijke macht, namelijk de leden van het Openbaar Ministerie. Deze vraag zal, zo wordt aangegeven, onder de aandacht worden gebracht van het College van procureurs-generaal. Echter, in de nota naar aanleiding van het verslag geeft de minister aan dat het Brra, het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, al voldoende instrumenten bevat voor sancties tegen officieren en advocaten-generaal. De CDA-fractie vraagt de regering of dit besluit nu dezelfde maatregelen mogelijk maakt als welke in het onderhavige wetsvoorstel worden voorgesteld, overeenkomstig het advies van het College van procureurs-generaal dat het niet meer dan logisch is dat aan de rechter disciplinaire maatregelen kunnen worden opgelegd die vergelijkbaar zijn met de maatregelen die aan officieren van justitie kunnen worden opgelegd. Ik krijg dus graag een antwoord van de minister op de vraag of het twee kanten op werkt. 

Ik sluit af met de door het CDA en de VVD ingediende amendementen. Deze beogen het wetsvoorstel op een aantal logische onderdelen aan te scherpen en bovendien maatwerk te leveren in de tuchtrechtspraak voor rechters. Het betreft allereerst de mogelijkheid om te voorzien in een schriftelijke waarschuwing. De schriftelijke waarschuwing is zodanig zwaar dat het tot ontslag zou kunnen leiden als je die twee keer krijgt. Je zou kunnen zeggen: twee keer geel is rood. Dat is niet helemaal zo. Het is uiteindelijk aan de president van het rechtscollege, afhankelijk van de mate van het onaanvaardbaar gedrag; maar het is wel een heel zware maatregel. 

Een andere mogelijkheid is het opnieuw overleggen door een rechterlijk ambtenaar van een bewijs van goed gedrag, de vog. In de tussentijd kan iemand die voor het leven is benoemd immers misstappen hebben begaan en dat niet hebben gemeld aan zijn president. Dan is het ook goed als de president daar lucht van krijgt en zegt: kom maar op met die vog. Daarmee maken we het duidelijk en bespreekbaar. 

De CDA-fractie kijkt uit naar de reactie van de regering op de amendementen over het voorwaardelijk kunnen opleggen van straffen en het inhouden van bezoldiging als maatregel. Inmiddels heb ik van de heer Van der Steur begrepen dat deze amendementen worden voorgelegd aan de Raad van State. Dat heb ik overigens uit de wandelgangen. 

Ik kom nog even terug op de opmerking van collega Van Nispen bij de interruptie op de heer Van der Steur. Rechters werken wel in rangen. Bij de rechtbank heb je de normale rechter in schaal 15. De senior-rechter, vroeger de vicepresident, zit in schaal in 16. Vicepresidenten bij de rechtbank krijgen evenveel betaald als een raadsheer bij het hof. Daarboven had je vroeger nog vicepresidenten, die tegenwoordig senior-raadsheer heten. Zij zitten volgens mij in schaal 17. Daar valt wel in te fluctueren. Je raakt ook een rechter of een raadsheer in zijn portemonnee als hij zo'n demotie krijgt. 

Tot slot nog een laatste toelichting op het inhouden va de bezoldiging. Deze mogelijkheid ontbreekt in het wetsvoorstel van de minister. De minister gaf aan dat de werkgroep-Stevens daar niet over rept. Dat is niet zo, want op pagina 10 van het rapport schrijft de werkgroep dat het aanbeveling zou verdienen om een dergelijke bepaling, namelijk inhouden van de bezoldiging overeenkomstig artikel 14 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, ook voor rechterlijke ambtenaren op te nemen in de Wrra. Dat is naar de mening van de CDA-fractie een logische aanbeveling omdat dit ook bij andere beroepsgroepen zo is. Vandaar ook het ingediende amendement. Ik krijg hierop graag een reactie van de regering dan wel van de Raad van State. De reden waarom de regering ervoor heeft gekozen om het niet over te nemen, hoor ik graag van de minister, net als hoe hij aankijkt tegen dit amendement. 

Ik ben klaar, voorzitter. 

De voorzitter:

Dat vermoedde ik al, maar voordat u het rostrum verlaat, is er nog een interruptie van de heer Van Nispen. 

De heer Van Nispen (SP):

Ik heb een vraag aan de heer Oskam over dat laatste amendement. Het voorstel van de heer Oskam is een disciplinaire maatregel om een rechter, met redenen natuurlijk, loon te onthouden voor een maximale periode van drie maanden. Dan moet er iets gebeurd zijn of moet er iets mis zijn met de kwaliteit van de betreffende rechter en zijn uitspraken. Neemt de kwaliteit toe als je iemand drie maanden niet betaalt, maar wel laat werken? 

De heer Oskam (CDA):

Het is een disciplinaire maatregel die kan worden toegepast bij onaanvaardbaar gedrag. Onaanvaardbaar gedrag zou bijvoorbeeld in dit geval een rechter kunnen zijn — tegenwoordig moeten rechters hun eigen verlof bijhouden in het systeem — die een paar weken extra vakantie neemt maar die niet afboekt en bij een accountantscontrole tegen de lamp loopt. De president kan zeggen: ik kan je schorsen, ik kan je een berisping of een waarschuwing geven, maar het is veel beter dat ik je in je portemonnee tref als je te veel verlof hebt genomen. Daarmee gaat de kwaliteit van de rechtspraak niet achteruit, maar het is wel een straf die functioneel is en die passend is in dit soort situaties. 

De heer Van Nispen (SP):

Ik heb uit het voorliggende wetsvoorstel van de minister al begrepen dat iemand die niet werkt, geen loon krijgt. De vraag die ik aan de minister zou willen stellen is of dit inderdaad zo is. Is al geregeld in het wetsvoorstel dat als je niet gewerkt hebt, dus te veel vakantie hebt opgenomen, het loon niet uitbetaald kan worden? En dan de maatregel. Ik wil het er niet mee vergelijken, maar in bepaalde armere landen zijn we er juist heel terughoudend mee of zorgen we er juist voor dat rechters goed betaald worden. We doen dat om corruptie et cetera te voorkomen. Ik wil het daar absoluut niet mee vergelijken, maar we moeten toch oppassen met het financieel treffen van rechters? Ik weet niet of ik een rechter op een zaak wil waarvan ik weet dat hij drie maanden niet betaald wordt. 

De heer Oskam (CDA):

Uiteindelijk is het opleggen van die maatregel voorbehouden aan de president van het rechtscollege. Die zal daar passend mee omgaan. Het ligt voor de hand om iemand financieel te raken als hij ook financieel voordeel heeft genoten van zijn werk. Als het over fraude gaat, wordt het natuurlijk ontslag. Maar bij dit soort zaken zou je kunnen denken aan het inhouden van salaris. 

De voorzitter:

Daarmee is er een einde gekomen aan de inbreng van de heer Oskam in eerste termijn. We gaan van de ene rechter in ruste naar de ander, hoewel de heer Oskam ook zijn verleden als scheidsrechter niet verloochent, meen ik te hebben opgemerkt. We gaan naar een rechter met een nulurencontract en vijftien minuten spreektijd. Het woord is aan de heer Recourt. 

De heer Recourt (PvdA):

Voorzitter. Ik ben politicus en geen rechter, al ruim vier jaar. De rechtspraak in Nederland staat op grote hoogte. Onderzoek na onderzoek blijkt gewoon de goede kwaliteit en de integriteit. Bij het bespreken van dit wetsvoorstel vandaag zal het dus gaan over uitzonderingen, grote uitzonderingen, gevallen waarin het misgaat. 

De Kamer, de regering en overigens ook de rechtspraak zelf zijn van oordeel dat het palet aan sanctiemaatregelen breder moet. Dit wetsvoorstel is een goed initiatief. De samenleving accepteert autoriteit en gezag allang niet meer als een gegeven. Ook de autoriteit en het gezag van de rechter zijn geen gegeven an sich. In dit geval geldt dat in het bijzonder omdat rechters ook nog eens voor het leven benoemd zijn. Dat is terecht. Dat vloeit voort uit hun onafhankelijkheid. Daartegenover moet echter wel staan: transparantie, een goed functioneren, goede interne controlemechanismen en optreden als hiervan in die heel uitzonderlijke situatie geen sprake is. Ik maak een zijstapje: ik heb eerder al eens voorgesteld om in het klachtrecht binnen de rechtspraak, dus als bij de president een klacht wordt ingediend, ook een buitenstaander op te nemen, om zo ogen van buiten te introduceren en het vertrouwen te vergroten. Vertrouwen in de rechter is noodzakelijk. Om dat te behouden, is een passende sanctie, dus niet te zwaar en niet te licht, nodig als het niet goed gaat. 

Ik heb bekeken wat er aan voorstellen is gedaan door de regering. Ik heb dat gedaan met deze bril op: wat bestaat er voor gewone ambtenaren en waarom zou je daar voor rechters van afwijken? Dit is namelijk een beperkter palet dan het palet dat geldt voor gewone ambtenaren. Allereerst: er is goed geluisterd naar de beroepsgroep, naar de verschillende gremia binnen de beroepsgroep. Zo is de duur van de schorsing ingekort van een jaar tot drie maanden naar aanleiding van opmerkingen van de beroepsgroep. Dat is prima. 

Vooruitlopend op het amendement van de VVD- en de PvdA-fractie over artikel 51, dat gaat over het instemmingsrecht van de vakbond van rechters, heb ik de volgende vraag. In hoeverre is dit nu wat het kabinet echt wil? Of is het kabinet, gewoon gehouden aan artikel 51, met een beperkter palet aan maatregelen gekomen dan het zelf eigenlijk wilde? Immers, als er instemmingsrecht aan de achterkant is, dan moet je ook overleggen met die partner. Dat dat overleg heeft plaatsgevonden, lees ik ook in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel, op pagina 7. Daar wordt uitgelegd wat artikel 51 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren inhoudt, en dan staat er: "Met de NVvR is uiteindelijk een, gedurende de consultatie van het voorstel uitgewerkt, akkoord bereikt." Kortom, het kabinet heeft dit wetsvoorstel alleen maar ingediend na akkoord met de vakbond. Dat is een vreemde situatie. Ik kom hier later nog op terug. 

Het amendement dat ik samen met de heer Van der Steur van de VVD heb ingediend, gaat over demotie en gedwongen overplaatsing. Dat was een extra maatregel waarvan ik dacht: ja, die kan nog wel zin hebben. Aan wat voor situatie denk ik dan? Ik denk dan vooral aan de senior rechter — vroeger zou je die "vicepresident" hebben genoemd — die belast is met het management van de rechtbank. Je kunt je voorstellen dat je zegt, als daar iets misgaat: ga jij maar weer de uitvoering in. Dan is het ook wel logisch dat je dat niet doet in de rechtbank of het hof waar je werkt, maar dat je dat doet in een andere zittingsplaats. Vandaar de toevoeging van de gedwongen overplaatsing als strafmaatregel. Je hebt die al in het kader van een ordemaatregel. Dat is het enige wat ik kan bedenken. Ik kreeg, zo zeg ik ook tegen de heer Van Nispen, ook al mailtjes van oud-collega's waarin stond: als je als straf wordt overgeplaatst van het hof naar de rechtbank, dan is dat helemaal geen straf; het is eerder een straf als het andersom is. Ik geloof inderdaad dat je over die sanctiemaatregel verschillend kunt denken. Dat vind ik dus een minder valide argument. Vooral om het voorbeeld dat ik in mijn hoofd had, steun ik dat amendement van harte. 

Bij de andere amendementen kijk ik de kat nog even uit de boom. Daarbij twijfel ik. Er zitten goede elementen in, maar ik heb ook wat vragen. Zo vind ik het idee van de vog goed, maar heb ik daarover nog wel een vraag aan de minister. Als een rechter met de strafrechter in aanraking komt, is dat dan automatisch bekend bij het rechtbankbestuur? Afhankelijk van het antwoord kan ik beoordelen of ik het amendement, waarin de mogelijkheid wordt geregeld om vaker om een vog te vragen, ook kan steunen. 

Hetzelfde geldt voor de andere amendementen, over het inhouden van bezoldiging en de schriftelijke waarschuwing. Ik wilde nog vragen wat het verschil is tussen de schriftelijke waarschuwing en de schriftelijke berisping. In ieder geval lees ik in de memorie van toelichting dat het kabinet die twee zaken hetzelfde vindt. Daarin staat namelijk dat er nu een schriftelijke waarschuwing door de president bestaat, en dat die na de invoering van dit wetsvoorstel nog steeds bestaat, maar dan een berisping heet. Kennelijk vindt het kabinet dit dus hetzelfde. 

De heer Van Nispen heeft ook een aantal voorstellen gedaan. Die zullen in een motie neerslaan, dus daar kijk ik dan nog even kritisch naar. Ik kijk wel kritisch naar zijn voorstellen. Nogmaals, ik vind het goed om te bekijken of functies verenigbaar zijn, maar daar hebben we al een systeem voor. Misschien behoeft dat systeem aanscherping. Als de regering in de motie wordt verzocht om nog eens goed te bekijken of het systeem aanscherping behoeft, ben ik enthousiaster dan als de motie veel verder gaat en er een heel nieuw systeem in de steigers gezet moet worden. Een register van nevenfuncties hebben we al. Nou, laat ik gewoon de moties even afwachten. Ik vind het moeilijk om al in detail te reageren zonder de moties te kennen. 

De heer Van Nispen (SP):

Dat snap ik. Ik zal de moties dadelijk desgewenst zeker voorleggen aan de heer Recourt. Ik zal er niet op detailniveau naar vragen, maar hem meer in het algemeen het volgende vragen. Het is fijn dat de heer Recourt hierover wil meedenken en er met een open blik naar kijkt. Het gaat echter tot nu toe vooral over de disciplinaire maatregelen, straffen en sancties die we nog moeten optuigen, terwijl we die eigenlijk heel weinig nodig hebben. Ik ben kritisch over de meerwaarde daarvan; dat mag duidelijk zijn. Mijn voorstellen hebben veel meer betrekking op het proberen om gedoe te voorkomen, dus de schijn van belangenverstrengeling en partijdigheid. Ik mag toch hopen dat het de PvdA aanspreekt om meer te kijken naar preventie dan naar repressie. 

De heer Recourt (PvdA):

De heer Van Nispen slaat de spijker op de kop; helemaal mee eens. Het is natuurlijk wel zo dat die maatregelen vooral het mandje van mogelijkheden vullen. In die zin bevorderen ze alleen maar maatwerk. Ik maak dus een opmerking terug: ik neem aan dat ook de SP erg voor maatwerk is. Preventie is altijd goed, maar je moet er ook niet in doorschieten. Nogmaals, er is een register waarin men nevenfuncties moet opgeven, maar moet je dat register verder optuigen? Ik heb privé bijvoorbeeld aandelen in een aantal bedrijven. Moet dat erin? Voor welk belang moet ik dan aandelen hebben? Moet het werk van mijn echtgenoot of partner erin? Ik ben een beetje huiverig om dit tot in het extreme transparant te maken, terwijl al de algemene norm bestaat dat je je verschoont op het moment dat je niet vrij staat. Ik ben echt bang voor overregulering, moet ik heel eerlijk zeggen. Maar ik kijk graag kritisch mee. Of kritisch … Ik kijk graag positief kritisch mee. 

Ik kom bij het punt dat mij het meest prikkelt, namelijk artikel 51 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Ik moet eerlijk zeggen dat ik nogal verbaasd was toen ik dat artikel las. Ik kende het niet. Als je dat artikel namelijk goed leest, zie je dat het fijn is dat de minister hier zit, maar dat hij niet het laatste woord heeft. Wij als Kamer hebben ook vooral niet het laatste woord. Als wij unaniem zeggen dat de minister iets moet gaan doen, zegt de minister: die wet kunt u aannemen, maar of ik dat ga doen, weet ik niet, want de vakbond heeft daarin instemmingsrecht. Ik vind dat eerlijk gezegd een absurde situatie. Ik gun de vakbonden alles en ik ben heel erg voor inspraak, overleg en al die zaken meer, maar dit vind ik een democratische fout. Ik heb gezocht waar dit vandaan komt, maar ik heb het niet kunnen vinden. Ik heb er wel een redenering over. Dit instemmingsrecht bestaat namelijk al voor gewone ambtenaren, alleen dan bij Algemene Maatregel van Bestuur. Daar kun je met een wet in formele zin overheen. Als de wetgever in formele zin iets vindt, kan de vakbond niet zeggen: u kunt vinden wat u vindt, maar we gaan het toch niet doen. Omdat je bij rechters vanwege die onafhankelijkheid bijvoorbeeld de salariëring in de wet vastlegt — en dat is geheel terecht wat mij betreft — denk ik dat ook deze maatregel al dan niet onbedoeld gepromoveerd is tot wet. En dan krijg je die gekke botsing waarbij je als parlement plotseling toch niet het hoogste orgaan bent in de democratie. 

De heer Oskam (CDA):

Collega Van Nispen vroeg of er was gesproken met de NVvR. Het was in eerste instantie een amendement van de heer Van der Steur en u bent er later bijgekomen. Hebt u wel inhoudelijk over dit amendement gesproken met de NVvR? 

De heer Recourt (PvdA):

Nee, ik heb daar niet inhoudelijk over gesproken. Dat is overigens niet de schuld van de NVvR, want ik ben er zelf relatief laat achter gekomen. Ik ben toen zelf een amendement gaan maken, dat er net wat anders uitzag dan dat van de heer Van der Steur. Mijn amendement beoogde om disciplinaire maatregelen uit te sluiten van artikel 51. Maar goed, vanmiddag sprak ik de heer Van der Steur op de gang. Hij zei dat hij al een poos bezig was met zijn amendement en dat hij het vanmiddag zou indienen. Omdat ik vind dat we geen dubbele amendementen moeten indienen, doe ik graag met hem mee. Dus zo is dat gekomen. 

De heer Van Nispen (SP):

Eerder in zijn betoog zei de heer Recourt dat hij een beetje ontevreden was over ... Nee, laat ik het anders zeggen. De heer Recourt vroeg aan de minister hoe het gegaan is. Kennelijk is er over overlegd en heeft de NVvR erg veel invloed gehad. Hij vroeg wat de minister zelf nou eigenlijk voor ogen had. Ik concludeer daaruit dat de heer Recourt ontevreden is over de invloed die de vakbond heeft gehad op dit wetsvoorstel. Uit die onvrede komt dan een amendement voort dat niet alleen regelt dat de vakbond niet meer mee mag praten over disciplinaire maatregelen et cetera, maar ook dat bij allerlei andere rechtspositionele maatregelen het instemmingsrecht wordt ontnomen. Is het wel proportioneel om dat artikel te wijzigen als je ontevreden bent over de manier waarop deze wet tot stand is gekomen? 

De heer Recourt (PvdA):

Wat ik eerder heb willen zeggen, is dat ik niet weet of dit het standpunt van het kabinet is of dat dit het standpunt van het kabinet is nadat het is ingeperkt door de NVvR. Dat is het punt dat ik wilde maken. Een groter punt is dat ik vind dat dit een democratisch gat is. Ik vind dat echt niet kunnen. Dat laat echter onverlet dat ik vind dat een vakbond stevig voeten in aarde en een stevige positie naar de werkgever moet hebben. Ik ken echter geen vakbond die dat zo sterk heeft middels zo'n sterk wettelijk recht. Wat de Kamer of het kabinet ook vindt, de NVvR kan dat tegenhouden in de uitvoering. Dat vind ik dus een te sterk middel. Ik vind echter wel dat vakbonden, en dus ook de NVvR, een weerwoord moeten kunnen geven. 

De salariëring van rechters is overigens gekoppeld aan die van ambtenaren, alleen hebben zij een aparte schaal die apart in de wet is vastgelegd vanwege de onafhankelijkheid. 

Ik hoorde de heer Oskam zeggen dat hij vermoedt dat dit alles nog naar de Raad van State gaat. Laten we de Raad van State vragen wat hij hiervan vindt, of dit inderdaad een vreemde wettelijke constructie is en of dit logisch is omdat wij anders de rechter in zijn onafhankelijkheid raken. Het lijkt mij niet logisch — ik wilde bijna weer grote termen gebruiken — maar laten we eens kijken. 

De heer Van Nispen (SP):

Dan rest mij alleen nog te zeggen dat ik het zeer passend vind dat wij al deze amendementen, die toch wel ver gaan op sommige punten of die in ieder geval verstrekkend zijn, voorleggen aan de Raad van State. Dat zal ik zeker steunen, voor zover mij dat gevraagd wordt. 

De voorzitter:

Dat staat genoteerd. De heer Recourt vervolgt zijn betoog. 

De heer Recourt (PvdA):

Ik maak dit onderwerp nog even af. Het instemmingsrecht van gewone ambtenaren dat bij Algemene Maatregel van Bestuur is geregeld, is overigens al met instemming van de Tweede Kamer geschrapt. Dat ligt nu bij de Eerste Kamer. Bij het initiatiefwetsvoorstel van, ik geloof, het CDA — ik weet de andere partij niet meer, want ik was zelf niet aanwezig bij de behandeling van de wetsvoorstel — waarin de rechtspositie van ambtenaren gelijkgetrokken wordt met die van gewone werknemers, is dit instemmingsrecht voor ambtenaren ook geschrapt. Daar is de Tweede Kamer mee akkoord gegaan. Ook mijn fractie is akkoord gegaan, zeg ik er schoorvoetend bij. Ik weet echter niet of de SP-fractie ermee ingestemd heeft. 

Is dan de Grondwet, artikel 116 en 117, gewaarborgd? Is de onafhankelijkheid van de rechter, die daar onder meer in is geregeld, gewaarborgd? Ik heb het persbericht ook gezien. Daarin wordt er gewag van gemaakt dat de onafhankelijkheid van de rechter in het geding is zodra je artikel 51 anders gaat inkleuren. Ik zie niet op welke wijze de onafhankelijkheid in het geding is. Alle maatregelen waar wij het hier over hebben, worden door rechters zelf opgelegd, getoetst en gecontroleerd. Wij vullen alleen het bakje met mogelijkheden. 

Ook als je artikel 15 beperkt, hebben zowel de NVvR als de Raad voor de rechtspraak gewoon adviesrecht op alles wat de rechter betreft. Dat wordt vervolgens altijd in de Tweede Kamer en in de Eerste Kamer besproken. Beide Kamers hebben de plicht om dit aan de Grondwet te toetsen. Mocht het al die stappen in het democratisch proces gepasseerd hebben, is er ook nog de rechter zelf. Hij kan weliswaar niet aan de Grondwet toetsen, maar bijvoorbeeld wel aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en andere verdragen die de onafhankelijkheid van de rechter borgen. Ik zie dus werkelijk niet hoe de onafhankelijkheid van de rechter geraakt wordt door het eigenlijk weer normaliseren van artikel 51 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. 

Het betoog op dit laatste punt afgerond hebbende, ben ik aan het einde van mijn inbreng gekomen. Ik wacht met interesse de antwoorden van de minister af. 

De voorzitter:

Ik dank de heer Recourt voor zijn bijdrage. Wellicht ten overvloede vermeld ik het volgende. Zojuist refereerde de heer Van Nispen eraan om advies van de Raad van State te vragen. Dat kan wel aan de minister worden gevraagd. Het past Kamerleden alleen om de Raad van State om voorlichting te vragen. Volgens mij doelde de heer Van Nispen op de eerste mogelijkheid. 

Hiermee is een einde gekomen aan de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik heb begrepen dat de minister om een schorsing van tien minuten heeft verzocht. 

De vergadering wordt van 21.01 uur tot 21.10 uur geschorst. 

De voorzitter:

Het woord is aan de minister van Veiligheid en Justitie voor de eerste termijn van het kabinet. 

Minister Opstelten:

Voorzitter. Ik dank de geachte afgevaardigden voor de mooie en open wijze waarop zij dit belangrijke wetsvoorstel hebben behandeld. Laat ik net als de woordvoerders met een paar inleidende woorden beginnen. Een integere, onpartijdige en onafhankelijke rechtspraak vormt de hoeksteen van de democratische rechtsstaat. De kwaliteit en de integriteit van de rechtspraak en het vertrouwen daarin zijn van het grootste belang. Het behoud van het vertrouwen en het versterken daarvan vragen constant om aandacht, ook van de wetgever. Dat vertrouwen ziet er onder meer op dat wij van rechters verwachten dat zij werk van een hoge kwaliteit leveren. Ook willen wij dat rechters uiterst integer en van onbesproken gedrag zijn. Als daar geen sprake van is bij een rechter of als daar gerede twijfels over zijn, dan moet op een passende wijze worden ingegrepen. Rechters moeten onafhankelijk maar niet feitelijk onaantastbaar zijn. Als een rechter zijn ambt niet naar behoren vervult, moeten er passende corrigerende maatregelen kunnen worden getroffen. Dat is ook het doel van het wetsvoorstel: het voorzien in een modern en gedifferentieerd stelsel van maatregelen zodat in de praktijk proportionele maatregelen kunnen worden getroffen wanneer een rechter uit de bocht vliegt. 

Op dit moment zijn twee disciplinaire maatregelen in de wet opgenomen: de waarschuwing en het disciplinair ontslag. Alle woordvoerders hebben daar ook op gewezen. Daarnaast kent de wet verschillende ordemaatregelen die kunnen worden opgelegd. Het huidige pakket wordt door de praktijk zelf als onvoldoende ervaren. De rechtspraak heeft onder meer naar aanleiding van het rapport van de werkgroep-Stevens zelf — ik herhaal: zelf — gepleit voor een gedifferentieerder correctiestelsel. In dit wetsvoorstel kom ik aan die behoefte tegemoet met de volgende disciplinaire maatregelen en ordemaatregelen. Er komt een disciplinaire schorsing voor maximaal drie maanden waarbij kan worden bepaald dat het salaris wordt ingehouden. Tevens komt er een versnelde procedure voor gevallen waarin de rechter niet langer in zijn functie kan worden gehandhaafd: een spoedshalve tijdelijke buitenfunctiestelling. Daarnaast wordt in uitzonderlijke gevallen een onvrijwillige overplaatsing mogelijk. Ook wordt geregeld dat een rechterlijke ambtenaar die zijn werkzaamheden moedwillig niet verricht, kan worden gekort op zijn salaris. Ten slotte wordt een verklaring omtrent het gedrag een wettelijk vereiste voor benoeming. 

De vraag kan worden gesteld — enkele woordvoerders hebben dat ook gedaan — of het totale pakket aan disciplinaire maatregelen en ordemaatregelen hiermee voldoende is. Ik meen zelf hierin een goed evenwicht te hebben gevonden. Er is een uitgebreide discussie gevoerd met en binnen de rechtspraak over dit voorstel. Ook de rechterlijke macht ziet dit als een passend en proportioneel pakket. Dat geeft mij het vertrouwen dat er hiermee in de toekomst voldoende mogelijkheden zijn om passend op te treden in geval van ontoelaatbaar gedrag. Dat wil ik aan het begin van mijn beantwoording gezegd hebben. 

Er is ook over de NVvR gesproken. Ik kan de heer Recourt zeggen dat ik van mening ben dat de NVvR goed naar mij geluisterd heeft. Wij hebben normaal stevig overleg gevoerd en het resultaat ligt nu voor. Het kan zijn dat hij zegt: dat is een aardige start maar het moet wel verbreed worden. Welnu, daarom voeren wij dit overleg. In ieder geval hecht ik eraan duidelijk te zeggen dat ik in goed overleg met de NVvR tot dit pakket ben gekomen. 

Zo dadelijk zal ik voor de verdere procedure aangaande de amendementen een voorstel doen. Ik wil wel zeggen dat het overeenstemmingsvereiste een geschiedenis heeft. Het staat sinds 1994 in de wet, maar kent een langere geschiedenis. 

De voorzitter:

Voordat we toekomen aan die geschiedenis, is het wellicht goed om eerst de heer Recourt zijn vraag te laten stellen. 

De heer Recourt (PvdA):

Ik neem direct aan dat het in goed overleg is gegaan. Het gaat er ook niet om hoe het feitelijk gegaan is. Het punt dat ik wilde maken is het volgende. Het kabinet vindt ergens iets van, vervolgens vindt de NVvR er ook iets van en dat vinden we dan terug in de wetsgeschiedenis en dan kunnen we er als Kamer zelf een oordeel over vormen. Dat gebeurt nu echter niet. Ik lees nu zelf in de memorie van toelichting dat u een akkoord heeft. En dat is het voorstel van wet, maar waar dat akkoord op ziet en wat de discussiepunten waren, zou ik niet weten. Deelt u die observatie? 

Minister Opstelten:

Ik houd mij aan de wet. Dat is duidelijk. Ik ben niet tot een wetswijziging gekomen waarin artikel 51 niet meer staat. Het wetsvoorstel ligt hier op tafel. Dat neemt niet weg dat er amendementen zijn. Ik wilde alleen even aangeven dat dit wetsvoorstel een geschiedenis kent en dat het er niet voor niets is. 

Ik denk dat het goed voor het debat is — daar is door een aantal van de woordvoerders ook al iets over gezegd — om van tevoren een voorstel voor de procedure te doen. Daar is de Raad van State bij betrokken. Ik zie echter de heer Recourt ... 

De voorzitter:

U bedoelt de heer Van der Steur. 

Minister Opstelten:

... kijken naar de heer Van der Steur. Ja, ik ken de posities. 

De voorzitter:

Ja, en u houdt dat van uw kant weer goed in de gaten. 

Minister Opstelten:

En nu houd ik mijn mond om u de gelegenheid te geven om de interruptie van de heer Van der Steur toe te staan. 

De voorzitter:

Dat ga ik doen, zeker op uw gezag. Het lijkt mij overigens wel dienstbaar dat de minister straks de gelegenheid krijgt om even zijn eigen procedure aan te geven. 

De heer Van der Steur (VVD):

Ik ben overigens gewend om in de Kamer allerlei namen te krijgen, dus de naam van de heer Recourt zal ik ook met vreugde dragen. 

Voordat de minister inhoudelijk op de amendementen ingaat, wil ik hem vragen of hij het eens is met de observatie van de VVD-fractie dat het instrumentarium dat nu wordt neergelegd voor de rechterlijke macht, zelfs inclusief alle amendementen, nog steeds in de verste verte niet lijkt op wat je in een normaal bedrijf met werknemers kunt. Dat wordt gerechtvaardigd door de bijzondere positie die rechters in de samenleving innemen, maar het is wel een feit. 

Minister Opstelten:

Ik heb dat duidelijk herkend in het betoog van de heer Van der Steur en anderen. Ik denk dat het goed is voor de procedure van het debat om een duidelijke inhoudelijke beoordeling van de amendementen te hebben. Daarvoor zou ik een advisering door de Raad van State willen laten doen. Dat wil ik nu graag verklaren. 

De voorzitter:

Ik zie de heer Van der Steur bij de interruptiemicrofoon staan, maar ik zou de minister graag de ruimte willen geven om aan te geven hoe hij zijn betoog gaat structureren. 

Minister Opstelten:

Daar ben ik zo mee klaar. 

De voorzitter:

Dan kan de heer Van der Steur daarna zijn interruptie plaatsen. 

Minister Opstelten:

Ja, dan kan hij daarna interrumperen. 

De voorzitter:

Ja. Mijnheer van der Steur, ik zal uw eerste vraag niet als interruptie tellen. 

Minister Opstelten:

Ik heb goed geluisterd naar de inbreng van iedereen en ik heb nota genomen van de amendementen die door de verschillende fracties zijn ingediend, met name door de heer Van der Steur, maar ook door de heer Recourt, de heer Oskam en mevrouw Helder. Over de amendementen wil ik in het algemeen het volgende zeggen. In de wet staat dat regelingen die over de rechtspositie van rechterlijke ambtenaren gaan, alleen ten uitvoer worden gebracht als daarover instemming bestaat met de Sectorcommissie rechterlijke macht. In de praktijk betekent dit dat de NVvR om instemming wordt gevraagd voordat een wetsvoorstel wordt ingediend. Dat is ook bij dit voorstel gebeurd; dat herhaal ik. Wij zijn het erover eens dat er proportioneel en adequaat moet kunnen worden opgetreden als rechters hun ambt niet naar behoren vervullen. Het instemmingsvereiste geldt niet alleen voor de wetsvoorstellen die door de regering worden ingediend; het geldt krachtens de wet ook voor de regelingen die via een amendement in een wetsvoorstel terechtkomen. De NVvR heeft niet met de amendementen ingestemd. Als ik nu een oordeel zou moeten geven, zou ik ze moeten ontraden als minister van Veiligheid en Justitie. Dat heeft de heer Van der Steur ook gezegd. Ik denk dat veel van de inhoudelijke vragen over het wetsvoorstel verband houden met de amendementen. Ik zou dus willen voorstellen dat, voordat wij verder spreken over de inhoud van het wetsvoorstel — ik zal straks natuurlijk de vragen beantwoorden — de regering over de amendementen advies vraagt aan de Raad van State. Dit advies zou wat mij betreft kunnen gaan over zowel de inhoud van de ingediende amendementen als het ontbreken van de instemming van de NVvR. Dat amendement neem ik daar uiteraard in mee. Alle amendementen die zijn ingediend krijgt u dan van mij met het advies van de Raad van State plus uiteraard het standpunt van het kabinet, gehoord het advies van de Raad van State. Ik zal natuurlijk ook zo vrij zijn om, gehoord het advies van de Raad van State, tevens met de NVvR over de amendementen te spreken, voordat ik het kabinet om een standpunt vraag. Ik laat u dat vervolgens weten en dan kunnen wij de tweede termijn aangaan. Ik zou geen respect tonen voor het advies van de Raad van State, dat nog moet komen, als ik nu al ging preluderen op een mogelijk standpunt van het kabinet over de amendementen. 

De voorzitter:

De minister geeft helder aan, te willen overgaan tot een adviesaanvraag bij de Raad van State. Dat betekent dat hij nu geen inhoudelijk oordeel geeft over de amendementen. Wellicht zal hij nog wel een aantal openstaande vragen beantwoorden; dat kan ik niet helemaal beoordelen. 

De heer Van der Steur (VVD):

Ik had mij nog niet uitgesproken over deze suggestie van de zijde van de minister. De VVD-fractie kan zich daarin vinden. Ik denk dat het heel goed is dat de Raad van State advies geeft. Bovendien is dat precies dezelfde route die gevolgd is in 2006, door een van de ambtsvoorgangers van de huidige minister van Veiligheid en Justitie, die toen over het amendement-Weekers/Wolfsen ook advies heeft gevraagd aan de Raad van State. Dat advies luidde uiteindelijk negatief, maar de Kamer heeft het amendement aangenomen. Ik denk dat het goed is dat wij dat weten. Er is één vraag die ik de minister wel zou willen stellen. Stel nu dat de Raad van State positief adviseert over deze amendementen, terwijl de NVvR, waarvan de minister terecht zegt dat hij daarmee zal spreken, negatief adviseert en weigert in te stemmen. Zie ik het dan goed dat de minister, ondanks het positieve advies en ondanks de eventuele wens van het parlement, nog steeds de amendementen zal moeten ontraden, omdat dit nu eenmaal voortvloeit uit de wet? 

Minister Opstelten:

In de kern is het juist wat de heer Van der Steur aangeeft. Ik moet de wet toepassen en uitvoeren. Daar heb ik een eed voor afgelegd, dus dat ga ik ook doen. Ik houd natuurlijk altijd wel mijn eigen verantwoordelijkheid. Ik wil eerst de adviezen van de Raad van State zien en lezen. Ik wil spreken met de NVvR, open en met de kaarten op tafel. Ik wil ook naar mijn collega's luisteren. 

De heer Van der Steur (VVD):

Dat waardeert de VVD-fractie natuurlijk zeer, maar ik stel vast dat het antwoord van de minister precies aangeeft waarom de heer Recourt en ik vinden dat dit amendement noodzakelijk is. In essentie betekent het namelijk het volgende. Stel dat het parlement op het gebied van dit wetsvoorstel een wens heeft, waarover de Raad van State positief adviseert en de Raad voor Rechtspraak misschien ook. Dan wordt vervolgens de minister, door de weigering van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de vakbond van rechters en officieren van justitie, gedwongen om in de Kamer te zeggen dat hij het amendement moet ontraden, ook al zou hij het zelf een heel goed idee vinden. Dat is het bewijs dat dit artikel in deze wet niet kan en niet mag blijven staan zoals het er nu staat. 

Minister Opstelten:

Alle amendementen — ik geef daarover geen inhoudelijk oordeel, ook niet het begin daarvan — komen aan de orde in het kabinet en krijgen een advies en een judicium van het kabinet. 

De voorzitter:

Ik vermoed dat dit het antwoord is op vele vragen die gaan volgen. Voor de voortgang van het debat is het essentieel of de leden kunnen instemmen met het voornemen van de minister om deze adviesaanvraag te doen. Daarom vraag ik de leden om dat uit te spreken. Ik weet niet of dat uw bedoeling was, mijnheer Van Nispen, maar ik geef u nu het woord voor uw interruptie dan wel uw instemming. 

Minister Opstelten:

Daarna ga ik over tot de beantwoording van de vragen van de heer Van Nispen. 

De voorzitter:

Laten wij eerst even afwachten wat de heer Van Nispen nu te zeggen heeft. 

De heer Van Nispen (SP):

Spannend. Ik ben het absoluut eens met het vragen van advies aan de Raad van State. Mijn mening is dat de heer Van der Steur van een mug een olifant aan het maken is. Ik snap wel waar de heer Van der Steur naartoe wil, maar ik ben blij dat de Afdeling advisering van de Raad van State om advies wordt gevraagd, ook over het amendement dat betrekking heeft op artikel 51. Het gaat immers niet alleen over de disciplinaire maatregelen die we vandaag bespreken, maar over alle rechtspositionele maatregelen, ook de beschermingsconstructie die we hebben ingebouwd specifiek voor rechters. Het is heel goed dat de Raad van State daarnaar gaat kijken en dat we niet, terwijl we gisteren pas het amendement hebben gekregen, op heel korte termijn al gedwongen zullen zijn om daarover te stemmen. 

De voorzitter:

Dan is uw appreciatie van de adviesaanvraag helder. Ik wil hetzelfde vragen aan mevrouw Helder en aan de heer Oskam, in die volgorde. 

Mevrouw Helder (PVV):

Ik stond niet voor niets zo snel op nadat de heer Van der Steur zijn interruptie had opgebruikt. De heer Van der Steur vroeg niet naar het oordeel van de minister over het amendement, hij trok een conclusie met daarbij een vraag. Dat ging over artikel 51 van de huidige Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Dat hij dat met een amendement wil wijzigen, staat daar los van. Ik heb nog geen antwoord gehoord van de minister op de stelling van de heer Van der Steur dat het huidige artikel van de Wet rechtspositie rechtelijke ambtenaren bepaalt dat de Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak plat gezegd het laatste woord heeft, en niet het parlement. 

De voorzitter:

Die vraag staat. Wat is uw appreciatie van het advies dat het kabinet gaat vragen aan de Raad van State? 

Mevrouw Helder (PVV):

Ik denk dat dit wel een goede stap is. Laten we dat inderdaad maar doen. 

De voorzitter:

Dat is belangrijk om te weten voor de voortgang van dit debat. Hetzelfde wil ik ook graag vragen aan de heer Oskam. 

De heer Oskam (CDA):

Ik vind het een verstandige tussenstap, dus ik ga ermee akkoord. 

De heer Recourt (PvdA):

Dat geldt ook voor mij. 

De voorzitter:

Nu de minister breed vanuit de Kamer een reactie heeft gekregen op zijn voornemen om de Raad van State om advies te vragen, wil ik de minister vragen om over te gaan tot de beantwoording van die vragen die hij nog wel meent te kunnen beantwoorden. 

Minister Opstelten:

Er is nog een aantal vragen die ik kan beantwoorden. Ze zouden misschien in tweede termijn te zijner tijd weer kunnen leiden tot moties. De heer Van Nispen vroeg of er een verbod moet komen voor advocaten, ambtenaren en politici om als rechter-plaatsvervanger op te treden. Rechters-plaatsvervangers zijn voor de rechtspraak ongelofelijk waardevol. Ze brengen bijvoorbeeld specialistische kennis in en zijn een bron van extra capaciteit en kwaliteit. Daarom wordt er heel goed nagedacht over hoe de inzet van die rechters-plaatsvervangers zodanig kan worden geregeld dat belangenverstrengeling wordt voorkomen. 

In de richtlijnen ter voorkoming van belangenverstrengeling zijn daarom specifieke adviezen opgenomen voor rechters-plaatsvervangers. Daarnaast heeft een werkgroep van bestuurders binnen de rechtspraak specifiek over dit onderwerp nagedacht. Deze werkgroep komt hiertoe binnenkort met concrete voorstellen voor bijvoorbeeld aanvullende gedragsregels. Ook de rechtspraak is er dus continu mee bezig om telkens te kijken of men nog scherp genoeg bezig is. Ik heb daar veel vertrouwen in. Ik wacht deze voorstellen af en het standpunt van de raad, alvorens zelf hierover een standpunt in te nemen. 

Moet er een verbod komen op de combinatie van actief rechterschap en lidmaatschap van het parlement, de Kamer, de politiek? De heren Oskam en Recourt hebben daar iets over gezegd. Het is helder. Het uitgangspunt dat rechters actief deel moeten uitmaken van de samenleving staat onveranderd voorop. Het hebben van nevenfuncties wordt daarom gezien als een nuttige aanvulling op het rechterlijke ambt. Wat de combinatie betreft van een actief rechterschap met de politiek, wordt binnen de rechtspraak algemeen de combinatie met een lidmaatschap van de Tweede Kamer als onwenselijk gezien. Die wordt om die reden dan ook afgeraden in de leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak. Dergelijke combinaties komen in de praktijk overigens ook niet meer voor. 

Onderzocht wordt nog of een wettelijk verbod noodzakelijk is en toegevoegde waarde heeft. Dit wordt besproken in een werkgroep waarin de presidenten van de gerechten, de Raad voor de rechtspraak en de NVvR zitting hebben. Die werkgroep zal aanbevelingen doen over de verdere verbetering van de bestaande leidraden en gedragscodes. Als de werkgroep advies heeft uitgebracht, zal de Raad voor de rechtspraak hierover een standpunt innemen. Ik zal dat betrekken bij de verdere besluitvorming hierover. Ik vind dit typisch een situatie die ik vol vertrouwen aan de organen binnen de rechterlijke macht zelf kan overlaten. Dat is de kwaliteit die binnen de zittende magistratuur is verzekerd. 

Moeten de financiële belangen van rechters worden geregistreerd? Ook dit betreft een van de aanbevelingen uit het rapport Systeemwaarborgen voor de kernwaarden van de rechtspraak, uit 2014. De Raad voor de rechtspraak heeft de werkgroep voor integriteitsmaatregelen binnen de rechtspraak gevraagd om te adviseren over het melden van financiële belangen van rechters; wat wel en wat niet? De werkgroep is ook gevraagd of het raadzaam is om deze op te nemen in een openbaar register. Naar verwachting wordt het advies in de eerste helft van 2015 afgerond. De Raad voor de rechtspraak zal dan met een standpunt komen. Het standpunt van de Raad voor de rechtspraak zal ik vervolgens weer betrekken bij mijn oordeel. Wij gaan hier dus goed naar kijken. De rechterlijke macht is hier in alle geledingen zelf mee bezig. 

Hoe sta ik tegenover de gedachte om de nevenfuncties van partners van rechters te registreren? Ik weet dat van een van de rechters algemeen bekend is wat hij doet. Binnen de rechtspraak wordt de zogenaamde "Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak" van de NVvR gehanteerd. De leidraad bevat uitgangspunten voor het bewaken van de onpartijdigheid. Een van de uitgangspunten betreft de aanbeveling dat een rechter geen zaak behandelt indien er in deze zaak een relatie is met een functie of nevenfunctie van onder andere een partner. Het rapport Systeemwaarborgen voor de kernwaarden van de rechtspraak beveelt aan om aandacht te besteden aan het registreren van die functies en nevenfuncties van de partner van de rechter. De Raad voor de rechtspraak heeft de werkgroep voor integriteitsmaatregelen binnen de rechtspraak gevraagd om met een reactie te komen. Die wachten wij af. Wij laten eerst de rechterlijke macht zelf in al zijn geledingen hierover standpunten innemen. 

Is er meer transparantie over de toewijzing van rechtszaken nodig? Ook dit betreft een van de aanbevelingen van het rapport dat ik net noemde, Systeemwaarborgen voor de kernwaarden van de rechtspraak. In opdracht van de Raad voor de rechtspraak is een werkgroep al enige tijd bezig met het ontwerpen van een model voor toewijzing van rechtszaken aan rechters, de zogenaamde Code zaakstoedeling. De ontwikkeling van die code duurde even, omdat inmiddels ook een werkgroep van Europese raden voor de rechtspraak zich boog over hetzelfde onderwerp. De bevindingen van deze Europese werkgroep werden afgewacht, zodat ze konden worden meegenomen. Ook hier verkeert de Raad voor de rechtspraak in de afrondende fase. Zij vragen dringend om hun de tijd te geven om in dezen zelf de richting te bepalen. Ik heb daar veel vertrouwen in. 

Ik kom nu bij de vraag van de heer Van Nispen … 

De voorzitter:

Ik denk dat hij eerst nog een vraag heeft over het vorige onderwerp. 

De heer Van Nispen (SP):

De minister heeft gereageerd op de drie voorstellen die ik heb gedaan. Dat klinkt positief. Ik vind het te waarderen dat de rechtspraak hier zelf mee aan de slag is gegaan. Ik heb ook expres geen amendementen ingediend, want ik vind dat de rechtspraak zelf de tijd moet krijgen. Hier en daar heeft de minister een termijn genoemd. Ik snap ook dat wij ze niet moeten opjagen, maar het zou wel mooi zijn als wij dit onderwerp bij de tweede termijn konden betrekken. Ziet het daarnaar uit? 

Minister Opstelten:

Ik denk eerlijk gezegd van niet, want ik acht de Raad van State mans genoeg om binnen redelijke tijd een advies uit te brengen over de amendementen. Ik wil het vervolgens niet al te lang laten duren. Bovendien denk ik dat je dit onderwerp daar los van kunt zien, want de gedachte die de heer Van Nispen naar voren heeft gebracht, hoeft niet tot extra wetgeving te leiden. Ik denk dat we hier even geduld moeten opbrengen. Dat is in ieder geval mijn positie hierin. Er is geen enkele aanleiding om enige druk op de rechterlijke macht uit te oefenen om hiernaar te kijken. Ze kijken ernaar en zijn er heel nauw bij betrokken op basis van het rapport met aanbevelingen dat ze ook zelf hebben gevraagd. Ze hebben daar werkgroepen. Laat die mensen hun werk doen. Gun ze de rust die de Kamer ze anderszins ook altijd toewenst. Anders zouden we de werkdruk op een niet goede wijze opvoeren en dat moeten we niet doen in dit verband. 

Ik kom op nog een andere vraag van de heer Van Nispen. Op welke manier kan gebrek aan inhoudelijke kwaliteit bij rechters leiden tot een maatregel jegens hen? In beginsel dient gebrekkige inhoudelijke kwaliteit aangepakt te worden binnen het normale systeem van functioneringsgesprekken, extra opleiding en collegiale coaching. Als het normale systeem van functioneringsgesprekken niet werkt, kan dat een aanleiding zijn voor ontslag wegens ongeschiktheid voor de functie. Dan moet er wel wat aan de hand zijn. Het is altijd aan de pg bij de Hoge Raad en de Hoge Raad om te beoordelen of er voldoende reden is voor ontslag. Het is niet aan mij om in die beoordeling te treden. Het past ook in het stelsel van de Grondwet dat uitsluitend rechters oordelen over het gedrag van rechters. 

De heer Van Nispen vroeg wanneer bij de maatregel van schorsing salaris zou moeten worden ingehouden. De vraag in welke gevallen welke maatregel passend is, moet door de rechtspraak zelf in de praktijk bepaald worden. De wetgever past hierbij afstand. Wel heeft de wetgever de verantwoordelijkheid zorg te dragen voor een passend pakket aan maatregelen waarmee de praktijk uit de voeten kan. Dat is ook het doel van dit wetsvoorstel en, naar ik heb begrepen, ook van een aantal amendementen. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat er zulke ernstige overtredingen zijn dat een volledige inhouding van het salaris gepast is. Er is ruimte om maatwerk te leveren in verband met de persoonlijke omstandigheden van de rechter. Het eindoordeel ligt ook hier bij de Hoge Raad. 

Mevrouw Helder sprak over het streven naar meer opgelegde disciplinaire maatregelen. Of het aantal maatregelen zal stijgen, is natuurlijk de vraag. Ik ga daar niet van uit, nu het vertrouwen in de integriteit en de kwaliteit van de rechterlijke macht heel hoog is en het ook veel aandacht krijgt binnen de geledingen van de rechterlijke macht zelf. In het onverhoopte geval dat er iets serieus aan de hand is, moet er natuurlijk wel op een passende manier, passend ook in deze tijd, opgetreden kunnen worden. Daarom worden de mogelijkheden om verschillende vormen van ongewenst gedrag aan te pakken vergroot. Het is vooral van belang dat gericht en proportioneel kan worden opgetreden. Het is geen doel, van niemand in de Kamer trouwens, dat er voortaan meer maatregelen worden opgelegd. Als er sprake is van een stijging, verwacht ik niet dat die stijging substantieel zal zijn. Het is, gelet op artikel 117 van de Grondwet, aan de rechterlijke macht om te oordelen over het opleggen van een maatregel. 

Mevrouw Helder vroeg nog hoe ik ervoor ga zorgen dat rechterlijke ambtenaren die ontslagen worden geen financiële vergoeding meer krijgen. Zo heb ik haar vraag begrepen. Er is nergens geregeld dat rechterlijke ambtenaren een financiële vergoeding krijgen als zij het ambt verlaten door ontslag. Er kunnen door de rechtspraak als werkgever wel bepaalde afspraken worden gemaakt. Dat kan in individuele gevallen gerechtvaardigd zijn. Ik treed daar niet in, want het is aan de rechtspraak als werkgever om dat te besluiten. 

De heer Oskam vroeg of onaanvaardbaar gedrag zwaarder weegt als dit verband houdt met het soort zaken dat de rechter doet. Ook hiervoor geldt dat dit door de rechtspraak zelf moet worden gewogen, niet door de wetgever. De rechtspraak kan daarbij rekening houden met alle omstandigheden van het geval. Het is niet aan mij om dat te beoordelen. 

De heer Oskam vroeg verder welke disciplinaire maatregelen aan een officier van justitie kunnen worden opgelegd. Maakt het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Brra) dezelfde maatregelen mogelijk als in het wetsvoorstel, gelet op de positie van het College van procureurs-generaal? Artikel 34b van het Brra bepaalt dat aan andere rechterlijke ambtenaren dan rechters een scala aan maatregelen kan worden opgelegd. Wat hier is geregeld, is gelijk aan het ARAR. Dat is veel uitgebreider dan voor rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, ook met aanvulling door de voorgestelde amendementen. Dus nee, er is geen volledige gelijkheid met het Brra. 

Ik kom bij een aantal vragen die nog resten. De heer Van Nispen vroeg of de interne toetsing van kwaliteit moet worden uitgebreid. Ik heb daar al het nodige over gezegd. Bij de rechtspraak loopt een project voor de toetsing van de kwaliteit van vonnissen. In pilots is geëxperimenteerd met methoden voor toetsing. Op basis van de resultaten hiervan is een voorstel gedaan hoe kwaliteitstoetsing van vonnissen permanent kan worden ingevoerd. Het voorstel wordt deze maand besproken met de presidenten van de gerechten en de Raad voor de rechtspraak. Meer in het algemeen is de kwaliteit van de rechtspraak uitgebreid onderzocht door de visitatiecommissie van de heer Cohen. De externe visitatiecommissie rechtspraak heeft vastgesteld dat het goed gaat met de Nederlandse rechtspraak, maar dat er dingen beter kunnen. Dat is de goede formulering en de balans van mijn kant om het rapport-Cohen kort samen te vatten. Vorderingen op dit punt variëren van gerecht tot gerecht en verschillen ook per team. Het is een heel goed rapport. Het is daarom nu aan de gerechten om samen met de Raad de aanbevelingen op te pakken. Die verschillen dus van rechtbank tot rechtbank en worden dus ook per rechtbank opgepikt. Dat lijkt mij ook de juiste manier. 

De bezuinigingen werden wederom door de heer Van Nispen aangevoerd. Hij weet: het is een répétition tussen ons. We hebben tot en met 2016 een keurig akkoord met de Raad voor de rechtspraak. De getallen hoef ik niet nog een keer te noemen. Dat hebben we al uitvoerig gedaan bij de begroting en daar zijn ook geen wijzigingen in aangebracht. Ik heb daar geen zorgen over. We zullen na 2016 opnieuw in onderhandeling treden. Net als ten aanzien van het Openbaar Ministerie hebben we gezegd dat wij dit continu, voortdurend monitoren. De verhoudingen tussen mij en de Raad voor de rechtspraak zijn goed, net zoals die goed zijn tussen mij en het College van procureurs-generaal. Ik ben van mening dat de rechtspraak op dit moment een zeer goede en gezonde financiële uitgangspositie heeft. 

Mevrouw Helder vroeg om afschaffing van benoeming voor het leven. Dat vind ik wel een schok. Ik vind het geen schok dat zij dat zegt, maar wij zijn hier in dit huis en dit land toch helemaal gevormd door de onafhankelijke rechter die benoemd wordt voor het leven. Daar kan ik mij eigenlijk ook niks anders bij voorstellen. Ik kan me ook niet voorstellen dat dat voor een bepaalde termijn is en dat er dan een herbenoeming volgt. Het gaat om de onafhankelijkheid die juist gewaarborgd is in die benoeming voor het leven. Overigens worden in 40 van de 47 landen van de Raad van Europa rechters voor het leven benoemd. Laten we bij die 40 blijven; onze rechters doen het niet slecht. 

Mevrouw Helder heeft gevraagd naar de stand van zaken met betrekking tot de functioneringsgesprekken. Sinds 1 juli 2014 is in het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren opgenomen dat er functioneringsgesprekken gevoerd moeten worden. Uit het rapport van de visitatiecommissie is af te leiden dat dit nog niet bij alle gerechten even frequent gebeurt en dat op dit punt in de praktijk nog verbeteringen te realiseren zijn. De gerechten gaan met de aanbevelingen van de visitatiecommissie aan de slag. 

De voorzitter:

Voordat u verdergaat, de heer Van Nispen was al opgesprongen uit zijn stoel. Ik wil hem nu graag even het woord geven. 

De heer Van Nispen (SP):

De minister heeft een aantal zaken gezegd over het visitatierapport van de commissie-Cohen. Hij heeft er een paar positieve punten uitgelicht, maar de kritische noten, bijvoorbeeld dat men in financieel opzicht erg krap zit, heeft hij niet benoemd. Ik moet ook vaststellen dat wat er gisteren in de kranten te lezen was, namelijk dat de bezuinigingen op justitie van tafel zouden zijn, voor de rechtspraak in ieder geval niet geldt. Die bezuinigingen gaan namelijk gewoon door. Dat is mijn conclusie. In mijn inbreng heb ik expliciet aan de minister gevraagd of hij bereid is om nogmaals te inventariseren wat de zorgen van de Raad voor de rechtspraak zijn, van de individuele rechters bij de gerechten, die dagelijks te maken hebben met die druk om te presteren binnen de beperkte tijd die ervoor staat als gevolg van de bezuinigingen. 

Minister Opstelten:

Na de invoering van de gerechtelijke kaart leg ik, om twee processen heel nadrukkelijk te volgen, natuurlijk effectieve werkbezoeken af aan alle arrondissementen en gerechten, zowel bij het Openbaar Ministerie als de rechterlijke macht. Het gaat om het KEI-proces en de versterking van de strafrechtsketen. Daar richt ik mij op. Een taakstelling is naar mijn mening vaak een middel om jezelf te versterken in een transitie, omdat er op dat moment een aantal dingen moet gebeuren. Daar gaat het gesprek dus eigenlijk nooit over. Het gesprek gaat natuurlijk wel over de inhoud, de kwaliteit en het functioneren. Het gaat ook om de vraag of het beter gaat, want het moet altijd beter kunnen, en om de vraag of er klachten zijn. Natuurlijk ben ik daar zeer ontvankelijk voor. Er is geen enkele reden om vanwege de financiële positie nu iets te gaan inventariseren. Nee, ik toon belangstelling en heb altijd de hand uitgestoken naar de Raad voor de rechtspraak. Als er reden is om te interveniëren, dan zullen we dat niet nalaten. 

De heer Van Nispen (SP):

Die hand is vooral uitgestoken om een hoop bezuinigingen over ze uit te strooien. Het kan zijn dat de minister die geluiden niet hoort omdat hij ze niet wil horen, omdat hij er niet naar vraagt of omdat hij de agenda bepaalt en het vooral wil hebben over de digitalisering en versterking van de strafrechtketen. Dat moet natuurlijk allemaal gebeuren, maar ik hoor die geluiden wel degelijk, vooral van rechters die zich zorgen maken over de kwaliteit als gevolg van de bezuinigingen. Ik vraag de minister dus nogmaals of hij binnen een maand aan de Kamer zou willen berichten hoe hij daarmee omgaat en wat dit concreet betekent voor de rechters op de werkvloer. De minister kan daar actief naar gaan vragen en naar op zoek gaan. 

Minister Opstelten:

Er is geen reden om te voldoen aan het verzoek van de heer Van Nispen. We hebben daar een- en andermaal over gesproken. Er is geen aanleiding om dat extra te doen. We moeten ook niet blijven inventariseren; we moeten de rechterlijke macht gewoon de ruimte geven om zijn werk te doen. Dat wil men ook heel graag. Wij zullen daar in een AO zeker nog over te spreken komen — daar kijk ik ook altijd naar uit — en dan kan ik in mijn betoog mijn ervaring en de impulsen die ik heb gekregen bij de werkbezoeken, naar voren brengen. 

De heer Recourt vraagt of het geregeld is dat strafrechtelijke veroordelingen worden gemeld aan de rechtbank waar een rechter werkt. De procureur-generaal bij de Hoge Raad is belast met de vordering tot ontslag of schorsing wegens veroordeling voor strafbare feiten. Vanuit die positie is hij op de hoogte. Ik kan mij niet voorstellen dat een rechter die met de strafrechter te maken heeft, dat niet even meldt bij het college. Dat zou de normale gang van zaken moeten zijn, lijkt mij. De pg is in ieder geval op de hoogte van die situatie en heeft daar natuurlijk een positie in. 

Mevrouw Helder heeft gevraagd waarom de rechtspraak niet kiest voor een integriteitsbureau of tuchtcommissie zoals bij de politie. Het is primair aan de rechtspraak om te werken aan de eigen integriteit. Ik heb een aantal voorbeelden gegeven waaruit blijkt dat men daarmee druk bezig is, bijvoorbeeld door middel van rapporten en werkgroepen. Eind 2012 hebben de gerechten besloten om de basisnormen van het Bureau Integriteitsbevordering Openbare Sector (BIOS) als uitgangspunt te nemen voor het integriteitsbeleid. Ze hebben besloten om deze uit te werken en te implementeren voor de rechtspraak. De gerechten hebben inmiddels integriteitscommissies. Deze komen in de praktijk overeen met een bureau integriteit. Oud-rechters laten oordelen als tuchtrechter spreekt mij niet aan. Artikel 117 Grondwet bepaalt immers dat rechters alleen door een rechterlijk college kunnen worden beoordeeld. 

Mevrouw Helder (PVV):

Dan zou ik graag van de minister willen horen wie de leden zijn van die gerechtelijke integriteitscommissie. 

Minister Opstelten:

Dat zijn de leden van de rechterlijke macht. 

De voorzitter:

Ik heb het gevoel dat daarmee een einde is gekomen aan de beantwoording van de minister. 

Minister Opstelten:

In eerste termijn. 

De voorzitter:

In eerste termijn. 

Omdat wij zojuist hebben geïnventariseerd wat de reactie van de leden was op het voornemen van de regering om advies te vragen aan de Raad van State, heeft dat vanzelfsprekend effect op de voortgang van dit overleg. Ik denk dat we de beraadslaging moeten schorsen in afwachting van het advies van de Raad van State en de appreciatie van de kant van de regering. Daarna kunnen we de tweede termijn van dit debat houden op een nader te bepalen moment. Kunnen de leden daarmee instemmen? 

Mevrouw Helder (PVV):

Ja, maar voor de Handelingen wil ik even opmerken dat mijn amendement inmiddels gewijzigd is. Het gewijzigde amendement moet dus worden voorgelegd aan de Raad van State. Het lidmaatschap van een politieke partij is niet zo'n halszaak voor mijn fractie en daarom heb ik dat punt eruit gehaald. Hoofdbetrekkingen moeten wel in het register komen, maar lidmaatschap van een politieke partij niet. 

De voorzitter:

Waarvan akte, mevrouw Helder. Dat gewijzigde amendement is ondertussen rondgegaan. Wij hebben er kennis van genomen. Ik neem aan dat dit in gewijzigde vorm wordt voorgelegd ter advisering aan de Raad van State. 

De heer Oskam (CDA):

Nog een puntje van orde. Volgens mij hebben we de eerste termijn nog niet afgemaakt, want de minister moet nog reageren op de amendementen naar aanleiding van het advies van de Raad van State. Volgens mij moeten we de eerste termijn aanhouden, die de volgende keer afmaken en pas daarna de tweede termijn van de Kamer houden. 

De voorzitter:

Er wordt hier de suggestie gedaan dat dit ook schriftelijk zou kunnen. Dat was waarschijnlijk ook de opmerking die de heer Recourt, die net naar de interruptiemicrofoon wilde komen, in gedachten had. Het lijkt mij het meest logische om dat schriftelijk te doen. 

De heer Van Nispen (SP):

Dat zou in eerste instantie schriftelijk kunnen, maar als er toch behoefte bestaat om daar vragen over te stellen, kan ik mij voorstellen dat we naar aanleiding van de schriftelijke beleidsreactie besluiten om de eerste termijn voort te zetten. Ik weet niet of dat procedureel kan. Ik vind het lastig om daar nu over te besluiten. 

De voorzitter:

Formeel zou dat kunnen. Dan moet u daar in de procedurevergadering opnieuw op terugkomen en kunt u daartoe besluiten. Met het schorsen van de beraadslaging heb ik niet de eerste termijn beëindigd. De heer Van der Steur lijkt het daarmee eens te zijn. Hij was kennelijk al op weg naar de minister om hem de hand te schudden of juist naar een van de leden van het parlement. Hoe het ook zij, ik schors hiermee de beraadslaging onder de condities die ik zojuist heb genoemd. 

De algemene beraadslaging wordt geschorst.