26 Toekomstgericht funderend onderwijs

Aan de orde is het VAO Toekomstgericht funderend onderwijs (AO d.d. 15/01). 

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Het wordt een interessant proces, Onderwijs 2032. We hebben er al een debat over gehad. Ik dien een tweetal moties in om het nog wat beter te maken. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat de discussie rondom de herijking van het curriculum zich met name concentreert rondom de vraag welke kennis en vaardigheden leerlingen in de toekomst nodig zullen hebben; 

constaterende dat het belangrijk is om ook de systematiek van kerndoelen en eindtermen tegen het licht te houden en mogelijk te vernieuwen; 

verzoekt de regering, het platform #Onderwijs2032 te vragen om in zijn advies ook in te gaan op het functioneren van de systematiek van kerndoelen en eindtermen en de vraag of vernieuwing van die systematiek noodzakelijk is, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meenen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 234 (31293). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de regering met de onderwijs2032-discussie een proces is gestart dat moet leiden tot herijking van het curriculum; 

constaterende dat na de kabinetsreactie op het advies van het platform #Onderwijs2032 een ontwerpfase volgt en dat het de intentie is van de regering om de vernieuwde kerndoelen en aangepaste eindtermen in 2017 wettelijk vast te stellen; 

overwegende dat een te langdurig proces van herijking van het curriculum niet wenselijk is; 

verzoekt de regering, de ontwerpfase voor de zomer van 2016 af te ronden en voor het einde van 2016 de vernieuwde kerndoelen en aangepaste eindtermen vast te stellen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meenen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 235 (31293). 

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter. Ik dien drie moties in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat het onderwijs mede tot taak heeft bij te dragen aan de identiteitsvorming van jonge Nederlandse staatsburgers; 

verzoekt de regering, in het burgerschapsonderwijs respect en eerbied voor de Nederlandse vlag en het volkslied te bevorderen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beertema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 236 (31293). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat scholen in voorkomende gevallen vanuit een cultuur van politieke correctheid de verkeerde stelling of zelfs géén stelling betrekken, bijvoorbeeld bij terreuraanslagen of het onderwijs over de Tweede Wereldoorlog; 

overwegende dat het onderwijs mede tot taak heeft scholieren inzicht te geven in de verworvenheden en vrijheden van de westerse beschaving; 

verzoekt de regering om in het onderwijs expliciet aandacht te besteden aan de westerse waarden, normen, tradities en de geschiedenis van het Avondland, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beertema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 237 (31293). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat vanuit een cultuur van politieke correctheid de Tweede Wereldoorlog vaak niet of niet volledig wordt behandeld, omdat dat zou leiden tot ongewenste spanningen tussen leerlingen onderling en tussen leraren, leerlingen en groepen ouders; 

verzoekt de regering, het onderwijs in de Jodenvervolging en de Holocaust te borgen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beertema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 238 (31293). 

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. Ik spreek nogmaals graag mijn waardering uit voor het feit dat de staatssecretaris het initiatief heeft genomen om op deze wijze het curriculum van het onderwijs in de komende decennia tegen het licht te houden. Dan is echter ook de vraag in hoeverre de procedurele kant van de inrichting van het onderwijs vorm moet krijgen. Daarvoor dient deze motie. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de regering het startsein heeft gegeven voor een maatschappelijke dialoog over toekomstgericht funderend onderwijs die moet leiden tot herijking van het curriculum; 

overwegende dat de verhouding tussen professionele vrijheid enerzijds en de mate van detaillering van het curriculum anderzijds een belangrijk aspect is dat in de maatschappelijke dialoog aan bod kan komen; 

verzoekt de regering, bij haar koersbepaling in vervolg op de maatschappelijke dialoog de afweging te maken in hoeverre de herijking van het curriculum ook een detaillering van de kerndoelen dient te betekenen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bisschop, Van Meenen en Rog. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 239 (31293). 

De heer Bisschop (SGP):

Het zal u opgevallen zijn dat deze motie inhoudelijk nauw aansluit bij de motie die college Van Meenen ter zake heeft ingediend. 

Mevrouw Straus (VVD):

Voorzitter. Ik heb geen motie, maar wil in dit debat wel een punt maken. De VVD vindt het heel belangrijk dat wij de discussie over het toekomstbestendig maken van het onderwijs voeren. Dat betekent wellicht ook dat wij flink buiten de bestaande lijnen moeten gaan kleuren, want naast kennisoverdracht zullen ook vaardigheden als creativiteit, ondernemerschap en technisch inzicht steeds belangrijker worden. De staatssecretaris heeft in het kader daarvan Onderwijs 2032 gelanceerd en wil hierover een dialoog aangaan met leerlingen, leraren, ouders, scholen, toekomstige werkgevers en andere belangstellenden. De commissie die dit proces gaat begeleiden, is vandaag gepresenteerd. In het debat heb ik benadrukt dat het ook belangrijk is dat de werkgevers van de toekomst in deze dialoog vertegenwoordigd zijn. Het grote bedrijfsleven is nu in de commissie vertegenwoordigd, maar juist ook kleine ondernemers en start-ups kunnen in de toekomst het verschil maken. Zij kunnen de echte gamechangers zijn. Hoe worden deze kleinere ondernemers en start-ups uitgenodigd om aan de discussie deel te nemen? Wordt bijvoorbeeld mevrouw Kroes, als ambassadeur van de start-ups, ook voor de discussie uitgenodigd? 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst. 

Staatssecretaris Dekker:

Voorzitter. Op 15 januari hebben wij met elkaar over de herijking van het curriculum en toekomstgericht onderwijs gesproken. Ik had de indruk dat er in dit debat meer overeenstemming was en dat er bredere steun bestond dan voor de rekentoets, waarover enige discussie bestond. Ik vind dat goed en belangrijk. Zoals in het debat werd aangegeven, is het belangrijk om bij het herijken van een curriculum ook de leraren steeds goed te betrekken, zowel in de dialoogfase die nu plaatsvindt als in de ontwerpfase. Mevrouw Straus gaf ook een aantal inhoudelijke aandachtspunten mee, bijvoorbeeld over het belang van burgerschapsvorming. Wij hebben daar een interessant debat over gehad in dat algemeen overleg. Ik heb toen ook aangegeven dat ik een breed draagvlak in de Kamer zeer belangrijk vind in die hele discussie. Een aantal ingediende moties interpreteer ik in dat licht. 

Inmiddels zijn we al een klein stapje verder. Mevrouw Straus refereerde daar zelf al aan. De Kamer heeft vandaag of gisteren een brief ontvangen met daarin ook de samenstelling van de commissie. Dat is het platform dat zich zal buigen over de discussie onderwijs2032. Ik ben best een beetje trots op de mensen die ja hebben gezegd. Aan de samenstelling is te zien dat het een afgewogen, breed en goed team is. Er zitten mensen uit het onderwijs in, verschillende denominaties, uit het bedrijfsleven en uit de wetenschap. Er is ook een variatie in leeftijdsopbouw en achtergrond. Ik heb daar een groot vertrouwen in. Tegelijkertijd, zeg ik in de richting van mevrouw Straus, zijn er ook altijd disciplines die niet helemaal in zo'n platform zijn vertegenwoordigd. Precies daarom heb ik het platform de opdracht gegeven om veel gesprekken aan te gaan en bijeenkomsten te organiseren om ook bijvoorbeeld ouders te horen. Leerlingen zelf zijn ook heel belangrijk. Mevrouw Straus draagt de bedrijven van de toekomst aan. Zij heeft het niet alleen over de grote bedrijven. De baas van Siemens zit in de commissie. Daarmee vertegenwoordigt hij ook niet automatisch alleen het grootbedrijf. Je zou hem wel kunnen zien als een vertegenwoordiger daarvan. Ik vind juist ook die start-ups heel belangrijk. Ik vind het wel een leuk idee om mevrouw Kroes, die in Amsterdam het traject trekt, en andere smaakmakers in Nederland hun licht te laten schijnen op dit thema. Ik zal dat opnemen met de voorzitter van het platform, Paul Schnabel. 

Een aantal moties gaat over de systematiek van het curriculum. In de motie-Van Meenen op stuk nr. 234 wordt voorgesteld dat het Platform #Onderwijs2032 niet alleen maar kijkt naar de inhoud, maar ook naar het functioneren van de kerndoelen en de eindtermen. Er is ook een motie ingediend die daar enigszins tegenaan hangt. Enerzijds begrijp ik het punt van de heer Van Meenen. Het is wel een thema dat straks in de ontwerpfase op de agenda staat. Dat moet er ook bij betrokken worden. Anderzijds denk ik dat het al fors is wat we vragen aan dit platform: te kijken naar de inhoud. "Hoe ziet dat er nou in het totaal uit?" Ik vind het ook belangrijk dat we in de komende maanden de inhoud vooropstellen. Anders wordt het een heel technische discussie met mensen uit het onderwijs, terwijl ik wil dat dit een brede discussie is, waarbij ook mensen uit het bedrijfsleven, ouders, leerlingen, mensen uit de culturele sector en de sportsector worden betrokken. Als je dan ingaat op kerndoelen, dan zegt deze mensen dat helemaal niks. In dat licht neig ik naar ontrading van deze motie. 

De heer Van Meenen (D66):

Voor de helderheid: ik wil voorkomen dat dat nieuwe curriculum op een dusdanig open manier beschreven wordt dat er helemaal geen helderheid uit komt. Het is te weinig als er bijvoorbeeld wordt gezegd: het lijkt ons een goed idee dat duurzaamheid of burgerschapsvorming een onderdeel van het curriculum wordt. Tegelijkertijd gaat een compleet uitgewerkt examenprogramma me ook te ver. Dus ergens daartussenin zal iets gevonden moeten worden. In mijn ogen zal dat meteen richtinggevend moeten zijn voor de manier waarop wij dat voortaan aan het onderwijs voorschrijven. Daar zal ongetwijfeld de vraag ontstaan, ook bij de commissie, hoe dat zich verhoudt tot wat er nu is. Daarom leek het mij niet zo'n heel zware opdracht, maar misschien kan ik de motie nog even aanhouden of kan de staatssecretaris eens overleggen met de commissie of men daar been in ziet. 

Staatssecretaris Dekker:

Ik voel onmiddellijk helemaal mee met de heer Van Meenen. Tijdens de eerste bijeenkomst van de commissie afgelopen zaterdag kwam die vraag ook op tafel, namelijk: als je het hebt over de inhoud, wat is dan de juiste mate van concreetheid en wat betekent dat voor de ontwerpprincipes van het curriculum? Ik heb onmiddellijk ja gezegd toen de vraag gesteld werd: als wij daarbij tegen dingen aanlopen, mogen wij dat dan ook meenemen? Ik zeg dus niet tegen dit platform: je mag het alleen maar hebben over de inhoud. Ik vind dat je het daarin enige ruimte moet geven. Alleen, ik wil voorkomen dat wij het de komende maanden heel erg gaan hebben over de systematiek van het curriculum. Daar kunnen wij ons zo in verliezen in onderwijsland. Ik hoop juist dat wij het een halfjaar kunnen hebben over de inhoud met heel veel mensen die niet precies weten wat een kerndoel is of een eindterm, maar die toch willen meepraten over wat belangrijk is voor kinderen om mee te krijgen in het onderwijs. Ik doe een uitnodiging aan de heer Van Meenen. Als hij deze motie wil aanhouden, ben ik best bereid om te bekijken of wij dit, zonder er een hoofdthema van te maken van de operatie van de komende maanden, toch kunnen meenemen, zodat wij daar in de ontwerpfase ons voordeel mee kunnen doen. 

De voorzitter:

Ik zie de heer Van Meenen knikken. 

Op verzoek van de heer Van Meenen stel ik voor, zijn motie (31293, nr. 234) aan te houden. 

Daartoe wordt besloten. 

Staatssecretaris Dekker:

Dan kom ik op de motie-Van Meenen op stuk nr. 235. Ik proef de urgentie maar ik moet haar ontraden. Het is niet reëel om vast te stellen dat, als wij eind 2015 het rapport en het advies van Platform #Onderwijs2032 krijgen, dat binnen een halfjaar leidt tot een wetswijziging. Sterker nog, de huidige planning is al heel erg ambitieus. Die signalen krijg ik van links en rechts. Versnelling met een jaar zit daar helaas niet in. 

Op de moties op stuk nrs. 236 tot en met 238 kom ik straks terug, want die gaan allemaal over de inhoud. Die pak ik straks in een keer. 

Ik wil nu de motie-Bisschop c.s. op stuk nr. 239 willen afdoen. Ook die wil ik ontraden, tenzij die wordt aangehouden, net als de motie van de heer Van Meenen. De reden is dat die gaat over de discussie die wij zonet al voerden. Ik zou het zonde vinden om dat als hoofdopdracht aan de commissie of het platform mee te geven. 

De heer Bisschop (SGP):

In de lijn van de reactie op de motie van collega Van Meenen snap ik de keuze. Als ik het dictum echter goed bekijk, is het verzoek aan de regering om vast goed te bedenken wat wij als beleidsmakers met de eindtermen en kerndoelen willen, nu die maatschappelijke dialoog op gang is gebracht en straks wordt verwerkt. Welke beelden hebben wij daarbij? Dat is een belangrijk vervolg op het waardevolle debat dat is ingezet. 

Staatssecretaris Dekker:

Ik denk dat we dat onderwerp deels al hebben geagendeerd in de brief die wij de Kamer hebben gestuurd. Daar staat veel over de inhoud in, maar ook wat over de systematiek en wat we daarover terugkrijgen vanuit het onderwijs zelf. Als de heer Bisschop vraagt om daar nog een keer goed en grondig naar te kijken, ben ik dat volledig met hem eens. Dat zou deze motie echter overbodig maken, want we hebben in de brief geschreven dat we dat gaan meenemen. Als de heer Bisschop echter zegt dat hij daar een nader advies over wil, lijkt deze motie heel erg op de motie van de heer Van Meenen. Dan zou ik hem willen vragen om mij iets meer tijd te gunnen om na te denken over de vraag hoe we dat een goede plek kunnen geven. Ik weet dan namelijk niet of het platform daarvoor de juist aangewezen commissie is. Ik wil namelijk juist dat het platform zich zo veel mogelijk op de inhoud richt. 

De voorzitter:

Mijnheer Bisschop, wilt u uw motie aanhouden? 

De heer Bisschop (SGP):

Voor dat argument ben ik best gevoelig. De staatssecretaris heeft het over een ander thema. Ik kan de motie aanhouden. Dan kan zij samengevoegd worden met of parallel lopen aan de motie van collega Van Meenen en dan komt de staatssecretaris binnen niet al te lange tijd nog eens terug op de vraag wat we hiermee gaan doen. 

Staatssecretaris Dekker:

Ja. 

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Bisschop stel ik voor, zijn motie (31293, nr. 239) aan te houden. 

Daartoe wordt besloten. 

Staatssecretaris Dekker:

Er zijn drie moties ingediend door de heer Beertema. Zij hebben eigenlijk alle drie betrekking op de thematiek die wat uitvoeriger aan de orde is gekomen, namelijk de discussie rond goed burgerschapsonderwijs in Nederland. Ik heb wel geproefd dat dat breder leeft dan alleen bij de heer Beertema. Verschillende fracties zeiden: is het burgerschapsonderwijs nu goed geborgd in ons Nederlandse onderwijs? Dat is natuurlijk een actuele discussie, gelet op wat er de afgelopen weken heeft plaatsgevonden, maar ook gelet op de toekomst. Iedereen verwoordt dat weer op zijn eigen manier. De termen die de heer Beertema daarvoor gebruikt in enkele van zijn moties, zou ik misschien niet onmiddellijk overnemen. Dat laat onverlet dat ik het heel belangrijk vind dat het Platform #Onderwijs2032 ook hiernaar gaat kijken en ook deze discussie in Nederland aangaat. 

Tegelijkertijd — ik kijk in de richting van de heer Beertema — wil ik echt voorkomen dat we op voorhand op een specifiek onderwerp het debat bezwaren. Ik heb die lijn ook aangehouden naar de andere leden van de commissie. Mevrouw Straus zei bijvoorbeeld: ik vind dat er straks extra aandacht moet komen voor ondernemerschap in het curriculum. Ook daarover heb ik gezegd: doe het op dit moment niet. Dan gaan we namelijk als politiek direct weer een boodschappenlijstje meegeven aan het platform, terwijl ik heb gevraagd om dit thema nadrukkelijk op de agenda te zetten en ik het ook heel belangrijk vind om te bekijken wat er terugkomt. Ik ga straks dus alle drie de moties van de heer Beertema ontraden, terwijl ik tegelijkertijd heel goed begrijp dat dit een belangrijk onderdeel moet zijn in de discussie. Ik zie de heer Beertema naar de microfoon lopen, maar misschien kan ik de moties alle drie eerst kort van een reactie voorzien. 

De eerste motie, die op stuk nr. 236, gaat over de Nederlandse vlag en het volkslied. Ik gaf zojuist al aan dat we de discussie volgens mij niet moeten bezwaren. Ik weet niet of dit het meest zware thema is met betrekking tot burgerschapsonderwijs. Maar nogmaals, dat moet in die discussies dan ook maar aan de orde komen. 

Over het gebied van waarden, normen en tradities, die in de motie op stuk nr. 237 worden genoemd, is al heel veel gezegd. Ook dat gaat denk ik terugkomen in die discussie, maar door dat nu al zo te stellen, nemen we een voorschot op de uitkomst. Daar ben ik niet voor. In de laatste motie wordt de regering verzocht om in het kader van de Jodenvervolging het onderwijs over de Holocaust te borgen. Dat is al geborgd in ons curriculum. De Holocaust en de Tweede Wereldoorlog zijn al onderdeel van het curriculum. De Holocaust en de Tweede Wereldoorlog vormen een onderdeel van de kerndoelen. Ze zijn daarin expliciet genoemd. Ze zijn een onderdeel van de canon die zijn beslag heeft gekregen in de kerndoelen. Ook zijn ze onderdeel van de eindtermen van het vak geschiedenis. Dit staat nog los van de algehele burgerschapsvorming die er ligt. 

De heer Beertema (PVV):

Ik ben me ervan bewust dat het allemaal deel uitmaakt van de kerndoelen, maar de feiten laten toch iets anders zien, namelijk dat op een heleboel scholen, vooral in de grote steden, juist deze thema's niet behandeld worden om de redenen die ik in die motie noem. Dat betekent ook dat er extra aandacht voor nodig is; daartoe roep ik op. Ik heb deze moties ook niet lichtvaardig ingediend. Ik vind het niet helemaal goed om het te vergelijken met goed ondernemerschap. We zitten momenteel in een heel bijzondere tijd. Er is in ieder geval een culturele oorlog aan de gang. De wil ontbreekt om daarvoor op te komen in het onderwijs. Daarom vind ik deze moties juist zo ongelooflijk urgent en roep ik de staatssecretaris op om het volgende heel nadrukkelijk bij het platform onder de aandacht te brengen: dit is de wil van de Kamer; dit zou daarin heel nadrukkelijk terug moeten komen, anders zijn we te laat. 

Staatssecretaris Dekker:

Ik denk dat ik de heer Beertema tegemoet kan komen door heel expliciet bij het Platform #Onderwijs2032 neer te leggen dat burgerschap, zoals dat nu zijn beslag krijgt in het onderwijscurriculum, in die discussies wordt betrokken. Het was een van de drie grote thema's die ook in de brief werden genoemd. Het is dus niet zo dat we nu doen alsof er heel veel thema's zijn en we dat niet expliciteren. Ik benadruk nogmaals dat ik dat onder de aandacht van de heer Schnabel zal brengen. 

Ten tweede vind ik dat we, als we die discussie willen aanzwengelen, moeten uitkijken om als politiek dan maar direct te zeggen: het moet in ieder geval dit, dit en dit bevatten. Dat proef ik toch enigszins uit de eerste twee moties van de heer Beertema. Daarvoor waarschuw ik. Ik zou daar geen voorstander van zijn; daarom ontraad ik ze. 

De derde motie van de heer Beertema gaat over iets waar we het allemaal heel snel over eens zijn, namelijk dat het een plek zou moeten krijgen in ons curriculum. Maar daarvan zeg ik: dat zit al in ons curriculum. Niet zozeer het curriculum is het probleem, maar de manier waarop daar vorm en inhoud aan wordt gegeven op scholen. Er zijn scholen die dat ingewikkeld vinden, scholen die niet precies weten hoe ze ermee uit de voeten kunnen. Daarvoor zijn al gesprekken gevoerd met de Joodse gemeenschap, die zelf ook ziet dat scholen hiermee worstelen. Ik neem dat, samen met de minister, zeer serieus. Op dit moment bekijken wij wat er nodig is om scholen en leraren daar meer en beter in te ondersteunen. Dat is echter net even iets anders dan te zeggen: het moet daar een plek in krijgen. Je kunt het er drie keer in schrijven, maar daarmee maken we de praktijk op scholen nog niet beter. 

De heer Beertema (PVV):

Ik heb waardering voor de manier waarop de staatssecretaris hiermee bezig is. Toch wil ik de moties handhaven, juist ook om de urgentie aan te geven en juist ook omdat er zo veel handelingsverlegenheid is op scholen om deze thema's aan te pakken. Het aannemen van deze moties zou in ieder geval een signaal zijn, ook naar het platform, om hier extra aandacht aan te geven. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Ik dank de staatssecretaris. De stemmingen over deze moties zijn volgende week dinsdag. 

De vergadering wordt van 18.39 uur tot 19.30 uur geschorst. 

Voorzitter: Ten Broeke

Naar boven