Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-2015nr. 18, item 9

9 Vreemdelingen- en asielbeleid

Aan de orde is het VAO Vreemdelingen- en asielbeleid (AO d.d. 29/10). 

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie — ik moet er na al die jaren nog steeds over nadenken — van harte welkom. Ook de leden die dadelijk het woord gaan voeren, heet ik welkom. Ik geef als eerste het woord aan de heer Pechtold, die ongetwijfeld zijn collega Schouw vervangt. 

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter. U zei het al, ik sta hier namens mijn collega Schouw. 

Ebola is een vreselijke ziekte die de wereld in zijn greep houdt. Mijn fractie zegt daarom: neem geen onnodige risico's en stuur niemand gedwongen terug naar landen waar men vecht tegen ebola. We weten namelijk niet hoe dit virus zich zal ontwikkelen en we weten niet of mensen in staat zijn om zichzelf te beschermen. Mijn fractie wil dat risico niet lopen. Daarom dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat in verschillende landen het dodelijke ebolavirus uitgebroken is; 

overwegende dat bijvoorbeeld EU-lidstaat België om deze reden een tijdelijke opschorting van gedwongen uitzettingen naar deze landen aangekondigd heeft; 

verzoekt de regering, gedwongen uitzettingen naar ebolagebieden tijdelijk op te schorten, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Pechtold, Gesthuizen, Voortman en Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 1905 (19637). 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik wil drie moties indienen. Een gaat over ebola en twee gaan over de naturalisatie van de mensen die nog geen verblijfstatus in Nederland hebben. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat vooral Liberia, Guinee en Sierra Leone kampen met de uitbraak van ebola en dat er daarom een negatief reisadvies is uitgegeven voor Nederlandse reizigers; 

overwegende dat deze landen kampen met instabiliteit, dat de gezondheidszorg grotendeels in beslag wordt genomen door de ebola-uitbraak en dat adequate gezondheidszorg daardoor onvoldoende gegarandeerd is; 

verzoekt de regering, uitgeprocedeerde vreemdelingen met een medische indicatie die afhankelijk zijn van (ziekenhuis)zorg tot nader order niet uit te zetten, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind en Gesthuizen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 1906 (19637). 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

De tweede motie gaat over naturaliseren. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat van de voormalige asielzoekers, die via het generaal pardon een vergunning hebben verkregen, er slechts 5.960 van de 27.000 zijn genaturaliseerd en dat over enkele jaren ook de kinderpardonners zich willen laten naturaliseren; 

verzoekt de regering, voor deze categorie het regime voor het aannemen van bewijsnood te versoepelen, in ieder geval wanneer er in het land van herkomst sprake is van: 

  • -een onveilige situatie voor de groep in kwestie; 

  • -een gebrekkige administratie; 

  • -autoriteiten die niet — of onvoldoende — meewerken; 

verzoekt de regering bovendien, te inventariseren op welke wijze de groep die via de regeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen is toegelaten, niet met dezelfde obstakels te kampen krijgt, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind, Schouw, Voortman en Gesthuizen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 1907 (19637). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat ook kinderen die in Nederland zijn geboren, en via het generaal pardon een vergunning hebben verkregen, niet kunnen naturaliseren en daardoor formeel stateloos zijn; 

overwegende dat artikel 7, lid 1, van het Kinderrechtenverdrag voorschrijft dat kinderen bij geboorte recht hebben op een nationaliteit en dat Nederland onder meer volgens het Verdrag tot beperking der staatloosheid uit 1961 de verantwoordelijkheid heeft stateloosheid tegen te gaan; 

verzoekt de regering, deze groep kinderen niet tegen te werpen dat de ouders geen paspoort en/of geboorteakte uit het land van herkomst hebben overlegd, zodat deze kinderen succesvol kunnen naturaliseren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind, Schouw, Voortman en Gesthuizen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 1908 (19637). 

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter. Ik beperk me tot het indienen van de volgende drie moties. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat Nederland op dit moment een extreem hoge asielinstroom kent; 

overwegende dat de Nederlandse samenleving hierdoor ernstig wordt ontwricht; 

verzoekt de regering om zorg te dragen voor het stoppen van de asielinstroom 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Fritsma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 1909 (19637). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de werkloosheid onder Nederlandse hoogopgeleiden de afgelopen jaren is verdubbeld; 

overwegende dat het in verband met verdringing op de arbeidsmarkt niet logisch is om buitenlandse hoogopgeleiden uitsluitend op grond van de hoogte van hun salaris verblijfsrecht als kennismigrant te geven; 

verzoekt de regering om bij de kennismigrantenregeling een schaarstecriterium te hanteren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Fritsma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 1910 (19637). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat in het regeerakkoord is opgenomen dat de zogenaamde glijdende schaal zal worden aangescherpt zodat meer criminele vreemdelingen kunnen worden uitgezet; 

verzoekt de regering om de aanscherping van de glijdende schaal daadwerkelijk te verwezenlijken, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Fritsma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 1911 (19637). 

Staatssecretaris Teeven:

Ik zal omwille van de tijd proberen om direct te antwoorden. 

Voorzitter. We hebben een goed algemeen overleg gehad waarin we duidelijk met elkaar van gedachten hebben gewisseld. Ik ben het volledig eens met wat de heer Pechtold opmerkte over de ziekte ebola. Het is een zeer ernstige ziekte waaraan we ook mondiaal veel aandacht moeten besteden. In het algemeen overleg van gisteren heb ik dan ook aangegeven dat ingeval een medische behandeling in de drie landen Guinee, Sierra Leone en Liberia noodzakelijk is, we zullen bezien of die daar kan worden gegeven. Dat staat natuurlijk onder druk gezien de druk op de gezondheidszorg in die drie landen. Daarom heb ik ook gezegd dat we een individuele beoordeling zullen maken maar wel een terughoudend beleid zullen voeren met betrekking tot mensen die behandeling nodig hebben. 

Dat is anders voor mensen die geen medische behandeling nodig hebben. Het kabinet is van oordeel dat mensen zich daar kunnen beschermen. Ik moet de motie die de heer Pechtold heeft ingediend dan ook ontraden, want daarmee zegt hij in feite dat er helemaal geen gedwongen terugkeer plaatsvindt naar de drie landen. We hebben hierover gisteren uitgebreid van gedachten gewisseld. Ik heb aangegeven dat dit naar het oordeel van het kabinet helemaal niet nodig is. Nogmaals, met betrekking tot mensen die een medische behandeling nodig hebben in die landen, zullen we nauwlettend in de gaten houden of de behandeling daar, gezien de druk op de medische voorzieningen, wel te verkrijgen is. Zo niet, zullen we de uitzetting opschorten. 

Ik kom op de motie op stuk nr. 1906 van de heer Voordewind en mevrouw Gesthuizen waarin de regering wordt verzocht, uitgeprocedeerde vreemdelingen met een medische indicatie die afhankelijk zijn van ziekenhuiszorg, tot nader order niet uit te zetten. Daar geldt eigenlijk hetzelfde voor. Deze motie is wel specifieker verwoord. De groep van personen is ook ingekaderd. Daarover hebben we gisteren ook uitgebreid gesproken. We zullen individueel toetsen. Dat betekent niet in zijn algemeenheid dat we nooit mensen zullen uitzetten op dit moment, maar dat we van geval tot geval zullen bekijken of ziekenhuiszorg mogelijk is. Indien niet, zullen we uitzetting opschorten. Ik moet ook deze motie dus ontraden. 

In de motie van de heer Voordewind en anderen op stuk nr. 1907 wordt de regering verzocht te "inventariseren op welke wijze de groep die via de regeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen is toegelaten, niet met dezelfde obstakels te kampen krijgen". Het is wat prematuur om dat nu al te doen ten aanzien van de kinderen met betrekking tot het kinderpardon. In het eerste deel van het dictum wordt de regering verzocht, voor deze categorie het regime voor het aannemen van bewijsnood te versoepelen. We hebben met elkaar afgesproken in het algemeen overleg — daarover was brede overeenstemming — dat het kabinet niet alleen zal komen met een evaluatie over de 940 afwijzingen, maar dat het kabinet ook zal bekijken welke voorwaarden daaraan moeten worden verbonden. Binnen twee à drie weken kom ik hierover met een brief aan het parlement. Ik denk dat de motie te vroeg is ingediend, aangezien het voorstel van het kabinet nog moet komen en de evaluatie nog moet plaatsvinden. We zullen dat zo snel mogelijk doen, zoals we gisteren hebben besproken, namelijk binnen drie, vier maanden. Wellicht is dit voor de heer Voordewind aanleiding om zijn motie aan te houden, in ieder geval totdat het kabinet de brief heeft gestuurd die ik gisteren in het algemeen overleg heb toegezegd, waarin staat wat de evaluatie inhoudt en binnen welke termijn die is afgerond. Nog beter is het om de motie aan te houden totdat de evaluatie is afgerond. 

De voorzitter:

Wat is uw oordeel als de heer Voordewind deze motie toch in stemming brengt? 

Staatssecretaris Teeven:

Als hij deze motie in stemming brengt, moet ik haar ontraden vanwege het tweede deel van het dictum. Wellicht kan de motie worden gewijzigd. 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik zal de motie voorlopig aanhouden. 

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Voordewind stel ik voor, zijn motie (19637, nr. 1907) aan te houden. 

Daartoe wordt besloten. 

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. In de motie-Voordewind c.s. op stuk nr. 1908 wordt de regering verzocht, deze groep kinderen niet tegen te werpen dat de ouders geen paspoort en/of geboorteakte uit het land van herkomst hebben overlegd, zodat deze kinderen succesvol kunnen naturaliseren. Dit gaat over de Ranov-regeling, waarover we hebben gediscussieerd. De motie is in feite overbodig. Een hier te lande geboren kind heeft een Nederlandse geboorteakte en op die manier voldoet het kind automatisch aan de voorwaarde van de geboorteakte. Als iemand statenloos is, dan is er eenvoudigweg geen enkele staat die aan die persoon een paspoort kan afgeven. Een hier te lande geboren kind dat statenloos is, naturaliseert met de ouder mee terwijl het een Nederlandse geboorteakte heeft en geen buitenlands paspoort hoeft te hebben. Mijn vraag aan de indiener is welk probleem we met deze motie oplossen. In deze vorm is de motie naar het oordeel van het kabinet overbodig. 

In de motie-Fritsma op stuk nr. 1909 wordt de regering verzocht, zorg te dragen voor het stoppen van de asielinstroom. Over dat onderwerp spreken de fractie van de Partij voor de Vrijheid en het kabinet zo ongeveer elk overleg met elkaar. Ik heb in het algemeen overleg erop gewezen dat het kabinet de asielinstroom slechts zeer ten dele kan beïnvloeden, zeker wat betreft de asielinstroom van Syriërs die naar Nederland komen. Deze motie moet ik daarom ontraden. 

De motie-Fritsma op stuk nr. 1910 verbaast mij enigszins, want daarin wordt de regering verzocht om het schaarstecriterium te hanteren. Ik heb gisteren in het goede algemeen overleg de toezegging gedaan om met de collega's van Onderwijs en Economische Zaken overleg te voeren over de vraag in welke bevolkingsgroepen dit zou kunnen spelen en de Kamer daarover te berichten. Ik heb de indruk gekregen dat de heer Fritsma het daarover met mij eens was, hoewel ik het schaarstecriterium heb afgewezen. Ik zou in ieder geval overleg plegen. Wellicht kan de heer Fritsma dat overleg en de rapportage van het kabinet daarover afwachten en tot dat moment zijn motie aanhouden. Dat is mijn voorstel. 

De heer Fritsma (PVV):

Als de staatssecretaris niet bij voorbaat uitsluit dat er een schaarstecriterium komt, dan ben ik bereid om de motie aan te houden en het gesprek van de staatssecretaris met de minister van Economische Zaken af te wachten. 

Staatssecretaris Teeven:

Ik zal de Kamer erover informeren wat dat oplevert en waar dat speelt. De heer Fritsma gaat uit van een aantal overwegingen en constateringen. Ik zal nagaan of die daadwerkelijk spelen. Zo niet, dan komt het schaarstecriterium er wat het kabinet betreft niet. Dan kan de motie altijd nog in stemming komen. Het lijkt mij een goede uitgangspositie dat ik eerst de Kamer erover informeer wat het overleg oplevert. 

De heer Fritsma (PVV):

De staatssecretaris sluit niet bij voorbaat uit dat er zo'n criterium komt, dus dan houd ik de motie bij dezen aan. 

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Fritsma stel ik voor, zijn motie (19637, nr. 1910) aan te houden. 

Daartoe wordt besloten. 

Staatssecretaris Teeven:

In de laatste motie van de heer Fritsma, op stuk nr. 1911, wordt de regering verzocht de aanscherping van de glijdende schaal daadwerkelijk te verwezenlijken. Ik heb in het algemeen overleg aangegeven dat de bestaande glijdende schaal nog beter kan functioneren en dat een aanscherping op dit moment wel een hoge symbolische waarde heeft, maar weinig feitelijke waarde. Daarom moet ik deze motie ontraden. 

De voorzitter:

Over de motie-Voordewind c.s. op stuk nr. 1908 hebt u gezegd dat deze overbodig is. Zegt u daarmee dat het oordeel over deze motie aan de Kamer is? 

Staatssecretaris Teeven:

Nee, ik dacht dat dit wellicht de indiener aanleiding gaf om deze motie in te trekken. Ik zat nog even te wachten op een reactie van de indiener. 

De voorzitter:

De indiener blijft zitten, dus vooralsnog is deze reactie er niet, maar we hebben toch een oordeel nodig. O, hij komt in beweging. 

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Volgens mijn gegevens is het zo dat als de ouders niet genaturaliseerd zijn, de kinderen ook niet mee kunnen naturaliseren met de ouders, als ze hier geboren zijn. Vandaar de motie. 

Staatssecretaris Teeven:

Dan zal ik de motie, zoals deze er nu ligt, moeten ontraden. 

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1908 wordt ontraden. De heer Fritsma heeft nog een vraag over de motie op stuk nr. 1910. 

De heer Fritsma (PVV):

Ja, een korte vraag. Ik wil alleen even weten op welke termijn de Kamer het verslag kan verwachten van het gesprek dat de staatssecretaris gaat voeren. 

Staatssecretaris Teeven:

Ik zal proberen om de Kamer voor de behandeling van de begroting van Veiligheid en Justitie te informeren over het gesprek dat ik met de collega's van Economische Zaken en Onderwijs voer. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Dank voor uw komst naar de Kamer. We stemmen komende dinsdag over de ingediende moties. 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.