Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 65, item 4

4 Tegengaan huwelijksdwang

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van Boek 1 en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek betreffende de huwelijksleeftijd, de huwelijksbeletselen, de nietigverklaring van een huwelijk en de erkenning van in het buitenland gesloten huwelijken (Wet tegengaan huwelijksdwang) (33488).

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van harte welkom, net als de mensen op de publieke tribune, de mensen die dit debat op een andere manier volgen en natuurlijk ook de mensen die aan dit debat deelnemen.

Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Rebel. Laten wij, zoals altijd, in tweeën interrumperen: een vraag en eventueel een vervolgvraag.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

Mevrouw Rebel (PvdA):

Voorzitter. De Romeinse filosoof Boethius heeft gezegd: wie zou liefde ondergeschikt aan de wet willen maken? De liefde zelf is de hogere wet.

Ik wil vandaag met een verhaal van een van mijn patiënten beginnen. Zij vertelde mij in een consult ooit het volgende. Ik moest met hem trouwen, anders zou mijn familie erg teleurgesteld zijn. Was het liefde? Nee, we waren zo jong, we deden wat moest. Nu is mijn dochter 18. Ik gun haar een huwelijk uit liefde. Ik wist toen niet dat het dwang was, maar weet dat nu wel. Dwang en liefde gaan niet samen. Ben ik ongelukkig geweest? Ja, misschien wel, maar het leven ging door. Ik had mijn kinderen om voor te zorgen. Misschien is hij ook wel ongelukkig geweest.

Bij huwelijksdwang wordt een of worden beide partners gedwongen om een huwelijk aan te gaan, onder druk van ouders, familieleden of andere leden van een gemeenschap. Wanneer wordt druk drang of zelfs dwang? Hoe groot is de loyaliteit naar ouders? Slachtoffers van een gedwongen huwelijk zijn vaak jong en afhankelijk van hun partner of familie. Vaak hebben ze te maken met geweld of bedreiging. Ze doen meestal geen aangifte uit angst, schaamte of loyaliteit. En juist vanwege bovengenoemde angst, schaamte en loyaliteit weten we niet hoe vaak huwelijksdwang in Nederland voorkomt. Maar dat het voorkomt is zeker.

Elk geval is er een te veel, vindt mijn fractie. Slachtoffers zijn vaak niet in beeld. Wat mijn fractie betreft, is de sleutel om huwelijksdwang tegen te gaan echter niet deze wet, maar preventie. Daarop moeten we inzetten. Dat houdt in: tijdig signaleren, huwelijksdwang en dreiging van huwelijksdwang voorkomen en bespreekbaar maken dat liefde en dwang niet samengaan. Dat herhaal ik.

Door deze wet worden de meest kwetsbare groepen, met name jongeren, in bescherming genomen. We vergroten huwelijksvrijheid door huwelijksdwang te beteugelen. In Amsterdam-West heeft de Stichting Home Empowerment een mooi initiatief genomen. De stuwende kracht achter deze stichting is de Marokkaanse Rafia Aallouch. Door samen te werken met onder andere de politie kan Rafia achter voordeuren komen die anders gesloten blijven. Zij komt bij slachtoffers van huwelijksdwang en helpt hen om uit hun afhankelijke positie te komen. Het mooie is dat zij vanuit haar achtergrond ook hulp kan inschakelen die anders niet wordt ingeschakeld: het netwerk, de gemeenschap.

De wetswijzigingen waarover wij vandaag spreken hebben tot doel, de groepen die het meest kwetsbaar zijn als het gaat om huwelijksdwang, in bescherming te nemen. Die situaties waarin sociale druk dwang wordt willen we hiermee tegengaan. Mijn partij steunt de voorgestelde wetswijzigingen vanuit de gedeelde wens om huwelijksdwang harder aan te pakken, maar we hebben wel een aantal punten van zorg. De ambtenaar van de burgerlijke stand krijgt een belangrijke taak bij de uitvoering van deze wet. Kan de staatssecretaris aangeven hoe deze ambtenaren hierop voorbereid zijn? Hoe voorkomen we dat het afleggen van de verklaring onder ede een cultureel ingegeven meineed wordt? Zij mag geen middel worden om het slachtoffer nog meer onder druk te zetten. Herkenning van een eventuele dwangsituatie zal best moeilijk zijn. Mogelijk zijn er ook twijfelgevallen. Krijgt de ambtenaar hulp? Komt er een mogelijkheid om eventuele twijfel te melden? Ik wil dat de staatssecretaris zorgt voor een gerichte training van ambtenaren waarin ook speciaal aandacht zal zijn voor de handelwijze bij twijfelgevallen. Ik wil graag van de staatssecretaris een reactie hierop.

Mijn partij maakt zich zorgen over de consequenties van een nietigverklaring als er sprake is van een situatie waarin de gedwongen partner hiernaartoe is gekomen in het kader van gezinsmigratie, want dwang is een vorm van geweld. In het toelatingsbeleid is geregeld dat een huwelijkspartner die is toegelaten in het kader van gezinsmigratie en die een van zijn referent afhankelijke verblijfsvergunning heeft, een zogeheten "voortgezet verblijf" krijgt wanneer de relatie als gevolg van geweld is verbroken. Ik vraag de staatssecretaris in de vreemdelingencirculaire specifiek ook het begrip "huwelijksdwang" op te nemen.

Het effect van deze wet kan alleen maar duidelijk worden als gemeenten goed registreren hoeveel nietigverklaringen er plaatsvinden en als er adequate registratie van huwelijksdwang plaatsvindt in de strafrechtelijke keten. Is de staatssecretaris het met mij eens dat er een landelijke database zou moeten komen waarin alle relevante gegevens met betrekking tot huwelijksdwang opgenomen zijn? Ook hierop graag een reactie van de staatssecretaris.

Huwelijksdwang is een internationaal probleem. Het is van het grootste belang dat er niet alleen in Nederland, maar ook internationaal wordt gesproken over huwelijksdwang alsmede over preventie, bewustwording en religieuze en culturele barrières. Ik vraag de staatssecretaris samen met de minister van Buitenlandse Zaken het onderwerp ook op de internationale agenda te plaatsen.

Er bestaat het risico dat, door de weg naar een burgerlijk huwelijk voor minderjarigen of neef-nichtpartners moeilijker te maken, de druk kan toenemen om een informeel religieus huwelijk aan te gaan. De inzet zal dus ook moeten zijn dat dit niet een sluiproute wordt. Ik vraag de staatssecretaris dit actief te monitoren en hiernaar te kijken bij de evaluatie van de wetswijzigingen. Het moeten sluiten van een informeel religieus huwelijk kan de positie van een slachtoffer verslechteren. Gerichte aandacht voor en preventie van deze sluiproute is ook nodig bij zowel hulpverlening als politie als binnen de reguliere gemeenschappen waar dit plaatsvindt. Mevrouw Musa van Femmes for Freedom wijst terecht op het belang van de juiste training van betrokken partijen bij de herkenning ervan en van een goede ketenaanpak, met name om te voorkomen dat er verkeerde adviezen worden gegeven. Internationale verdragen verplichten ons om geregistreerde huwelijken te bevorderen en informele huwelijken tegen te gaan. In het amendement dat ik met collega Van Oosten van de VVD heb ingediend, vragen wij om een evaluatie na drie jaar. Het is juist bij deze wet van belang om snel zicht te krijgen op de werking ervan.

Over de periode van 2012 tot 2014 loopt het plan van aanpak preventie van huwelijksdwang. Hiermee wordt ingezet op de rol van burgers, maatschappelijke organisaties, professionals en gemeenten. Het gaat om het vergroten van bewustwording vanuit de gemeenschappen zelf en om deskundigheidsbevordering plus het versterken van de rol van de gemeente. Nu de loopdatum van het plan al een aardig eind op streek is, zou het goed zijn om te kijken naar wat dit plan heeft opgeleverd. Welke kennis over de getallen is er? Hoe loopt het met de ketenaanpak? Wat is er tot stand gekomen met het bespreken van huwelijksdwang vanuit gemeenschappen? Ik zou graag hierop een reactie van de staatssecretaris horen.

Ten slotte is mijn partij van mening dat wij met deze wetswijziging als sluitstuk juist huwelijksvrijheid vergroten door huwelijksdwang te beteugelen.

De heer De Wit (SP):

Voorzitter. Dit wetsvoorstel regelt een aantal zaken. Het heeft als uitgangspunt dat dwang bij het sluiten van een huwelijk onaanvaardbaar is en dat een onder dwang gesloten huwelijk nietig verklaard kan worden. Mijn fractie stemt daarmee van harte in. Het wetsvoorstel regelt verder dat een huwelijk met en tussen minderjarigen voortaan absoluut verboden is. Dat vindt mijn fractie een zeer goed voorstel. Ook vindt mijn fractie het prima dat het Openbaar Ministerie de bevoegdheid krijgt een voorgenomen huwelijk te stuiten. Mijn fractie steunt de verruiming van de gronden om een huwelijk nietig te verklaren, de bevoegdheden van het Openbaar Ministerie om een verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk te doen en het verlengen van de termijn waarbinnen om deze nietigverklaring kan worden verzocht.

Ik wil uitgebreid stilstaan bij het zogeheten neef-nichthuwelijk, de vierde graad van bloedverwantschap. Het wetsvoorstel werpt een drempel op tegen het sluiten van zo'n huwelijk, tenzij de aanstaande echtgenoten bereid zijn om een beëdigde verklaring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand af te leggen dat zij hun vrije toestemming tot het huwelijk geven. Anders gezegd: als beiden verklaren dat zij zonder dwang het huwelijk aangaan, wordt het huwelijk gesloten.

Bij het tegengaan van huwelijksdwang moet preventie vooropstaan. Men moet alles doen wat mogelijk is om dwang bij het sluiten van een huwelijk te signaleren en te voorkomen. Deskundigheidsbevordering bij professionals en voorlichting zijn daarom van groot belang. Laat één ding duidelijk zijn: mijn fractie is tegen huwelijksdwang en tegen elke vorm van dwang bij partnerkeuze. Dit wetsvoorstel gaat over dwang, voorafgaand aan of bij het sluiten van een huwelijk tussen neef en nicht. Het gaat dus niet over de eventuele medische risico's, waaronder de kans op genetische afwijkingen bij het krijgen van kinderen uit een neef-nichtrelatie.

Dwang komt bij neef-nichthuwelijken vaker voor en dat rechtvaardigt wettelijke maatregelen, aldus het standpunt van de regering. Bij het nemen van wettelijke maatregelen is het altijd van belang om na te gaan waarover we praten en wat de omvang van het probleem is. Op de vragen die mijn fractie daarover in de schriftelijke voorbereiding heeft gesteld, antwoordde de staatssecretaris dat de omvang niet precies bekend is. Hij kondigde aan dat nader onderzoek hiernaar zal worden verricht. Weet de staatssecretaris al iets meer over dat onderzoek? Is het al uitgevoerd en wanneer ontvangen wij de resultaten? Waarom is zo'n onderzoek niet veel eerder uitgevoerd? Voor de onderbouwing van zijn standpunt dat bij neef-nichthuwelijken vaker dwang voorkomt dan bij huwelijken zonder deze bloedverwantschap verwijst de staatssecretaris naar een onderzoek van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken, de ACVZ, uit 2005. In dat rapport plaatst de ACVZ zelf echter vraagtekens bij haar advies, omdat haar onderzoek slechts betrekking had op huwelijksdwang in een kleine groep binnen de Turkse, Marokkaanse en Surinaams-Hindoestaanse gemeenschap in ons land. Ook de Raad van State wijst erop dat het onderzoek een beperkte onderbouwing van de stellingname van de staatssecretaris biedt. Volgens de staatssecretaris gaat het in ieder geval om een klein aantal gevallen.

De Nederlandse historie laat een wisselend beeld zien met betrekking tot het neef-nichthuwelijk. In bepaalde periodes was het verboden, maar meestal werd het toelaatbaar geacht. Ook nu is het toegestaan. Neef-nichthuwelijken zijn in de meeste andere landen ook toegestaan. Weet de staatssecretaris of de kwestie van de huwelijksdwang in die landen ook een rol speelt?

Een duidelijke reden voor een verbod of juist een acceptatie van een huwelijk tussen bloedverwanten in de vierde graad is niet uit de historie af te leiden. Het wetsvoorstel werpt een drempel op tegen neef-nichthuwelijken. Het behelst een "verbod, tenzij". Op het moment dat de ambtenaar van de burgerlijke stand constateert dat er sprake is van bloedverwantschap in de vierde graad, zal hij de aanstaande echtgenoten vragen of zij volledig vrij het huwelijk aangaan en of zij dit onder ede willen bevestigen. Als zij dat doen, is daarmee de kous af, tenzij de ambtenaar later erachter komt dat er toch sprake is van dwang of een van de partijen later een verzoek tot nietigverklaring van het huwelijk doet vanwege dwang.

Als er sprake blijkt van dwang, voltrekt de ambtenaar het huwelijk niet. Voor alle duidelijkheid: begrijp ik het goed dat de ambtenaar in elk geval niet zelf op onderzoek uit gaat, noch naar het bestaan van een neef-nichtrelatie, noch naar de mogelijkheid van de uitoefening van dwang?

Ik heb een aantal vragen over de effectiviteit van het voorstel. Een. Klopt het dat het verbod omzeild kan worden door in het buitenland te huwen? Het huwelijk wordt in dat geval immers gewoon erkend. Twee. De ambtenaar van de burgerlijke stand weet niet of de mensen die bij hem verschijnen neef en nicht van elkaar zijn. Hij is afhankelijk van de eerlijkheid van de betrokkenen, want hij onderzoekt het niet op voorhand. Als er sprake is van dwang bij het sluiten van het huwelijk, verwacht ik niet dat de aanstaande echtgenoten openlijk zullen toegeven dat zij neef en nicht zijn van elkaar. Hoe ziet de staatssecretaris dat? Drie. Vervolgens zullen de aanstaande echtgenoten, als er al sprake is van dwang, onder druk worden gezet om te verklaren dat er geen sprake is van dwang. Vier. Iemand die een valse verklaring heeft afgelegd, is in principe strafbaar wegens meineed. De staatssecretaris antwoordt wel dat het Openbaar Ministerie daarmee terughoudend zal omgaan, maar het vormt voor slachtoffers van dwang toch een drempel om hulp in te roepen. Je stelt je immers bloot aan een mogelijke strafvervolging.

Dat waren de vier vragen waarop ik graag de reactie van de staatssecretaris hoor.

Hoewel mijn fractie ook het gevaar van dwanguitoefening ziet, roepen bovenstaande punten vragen op omtrent de effectiviteit van het wetsvoorstel. Zal dit werkelijk helpen bij het tegengaan van huwelijksdwang? Of is het, naar het idee van de staatssecretaris, al winst als dit wetsvoorstel ertoe bijdraagt dat ongeoorloofde dwang boven water komt en kan worden aangepakt?

Tot slot wil ik nog een probleem aan de orde stellen dat samenhangt met de huwelijksdwang, namelijk het probleem van de zogeheten huwelijkse gevangenschap. Dat is een ernstige vorm van dwang. Bij huwelijkse gevangenschap zit iemand in het huwelijk gevangen. Het huwelijk is dan in Nederland weliswaar door de rechter ontbonden, maar in het land waar de echtgenoten naar het recht van dat land zijn gehuwd, kan het huwelijk niet worden ontbonden, bijvoorbeeld vanwege religieuze regels. Ik neem aan dat de andere fracties de stukken van Femmes for Freedom ook hebben gekregen. Daarin wordt duidelijk gemaakt dat dit heel schrijnende situaties oplevert voor, in dit geval, vooral vrouwen. Zij blijven in dat andere land gehuwd met een man van wie zij in ons land zijn gescheiden, met alle onaanvaardbare gevolgen van dien, waaronder zelfs seksuele beschikbaarheid. Mijn fractie heeft de regering al eerder aangespoord om te onderzoeken op welke wijze dit probleem kan worden opgelost en met name te bezien of en hoe de Nederlandse rechter hulp kan bieden, bijvoorbeeld in het kader van de echtscheidingsbeschikking. Dat is niet eenvoudig, omdat immers het recht van dat andere land geldt. In de reactie op de motie op stuk nr. 13 (32840) van mijn collega Kooiman oppert de staatssecretaris als eerste de mogelijkheid van het aanspannen van een kort geding ter zake van onrechtmatig handelen tegen de partner die weigert medewerking te verlenen aan de totstandkoming van de ontbinding van het huwelijk in het andere land. De rechter zou de man dan kunnen bevelen om de noodzakelijke stappen te zetten of de noodzakelijke handelingen te verrichten die benodigd zijn om tot ontbinding te komen, met daaraan verbonden eventueel een dwangsom. De uitkomst daarvan is echter onzeker, zo zegt ook de staatssecretaris.

De tweede mogelijkheid die de staatssecretaris noemt, is het door de Nederlandse rechter verbinden van voorwaarden aan het echtscheidingsvonnis, dan wel het ophouden van de inschrijving in het register van de burgerlijke stand. Ik ben met de staatssecretaris van mening dat deze tweede mogelijkheid geen oplossing biedt, omdat het de totstandkoming van de echtscheiding in Nederland vertraagt, wat met name niet in het belang is van de vrouw. Anders dan de staatssecretaris meen ik dat in het Nederlandse recht gezocht moet worden naar een betere oplossing om de rechtspositie van de vrouw, die geconfronteerd wordt met huwelijkse gevangenschap, toereikend te beschermen. Wat vindt de staatssecretaris van de suggestie die is aangedragen door Femmes for Freedom, dat de Nederlandse rechter in zijn eindbeschikking in voorkomende gevallen de man opdraagt om mee te werken aan de ontbinding van het huwelijk in het andere land op straffe van verbeurte van een dwangsom en dat de rechter in de beschikking zelf die formule vastlegt? Als de staatssecretaris daar iets in ziet, is het dan niet raadzaam om dat ook in de wet te regelen? Dat lijkt mij dan een logisch gevolg daarvan.

Daarop aansluitend vraag ik mij af of de allerbeste oplossing niet is dat getracht wordt internationale verdragen te sluiten met landen die dit probleem kennen of waarvan wij zien dat die een probleem veroorzaken. Hoe ziet de staatssecretaris dat? Is de regering bereid stappen te zetten teneinde de voor onze begrippen onaanvaardbare huwelijkse gevangenschap in de toekomst te voorkomen in het belang van alle vrouwen die daarvan het slachtoffer zijn respectievelijk dreigen te worden?

De heer Segers (ChristenUnie):

Voorzitter. Een huwelijk dat in vrijheid is gesloten, dat een verbond is tussen twee mensen die dit voor hun leven aangaan, kan iets prachtigs zijn. Ik spreek uit eigen ervaring. Maar zodra daar dwang, manipulatie of geweld aan te pas komt, kan het een hel zijn. Daar hebben wij het over. Dat willen we tegengaan. De al eerder aangehaalde Shirin Musa van Femmes for Freedom beschrijft in een aangrijpend artikel in Trouw een aantal voorbeelden. Bijvoorbeeld Rania, van Pakistaanse afkomst, werd door haar neef als importbruid naar Nederland gehaald en leeft al 25 jaar in huwelijkse gevangenschap. Over zo iemand hebben wij het. Ze schrijft: ik ken een meisje dat uit het raam is gegooid omdat zij weigerde met een neef uit Pakistan te trouwen. Dat zijn zeer aangrijpende verhalen van wat in Nederland plaatsvindt, wat dit wetsvoorstel terecht wil voorkomen.

Een huwelijk moet uit vrije wil gesloten worden. Daar kan geen twijfel over bestaan. De verhalen over de meisjes die ik net noemde, en over andere vrouwen die door hun omgeving gedwongen worden om te huwen met een partner die zij niet zelf hebben uitgezocht, zijn heftig en aangrijpend. De gevolgen zijn ingrijpend en de conflicten waarin deze meisjes terechtkomen, zijn uiterst complex. De ChristenUnie steunt daarom het uitgangspunt van het kabinet om huwelijksdwang te voorkomen en tegen te gaan. Ik heb echter wel een aantal kritische vragen over de effectiviteit van het wetsvoorstel en een aantal onderdelen ervan. Die wil ik graag aan de staatssecretaris voorleggen.

Allereerst betreffen die vragen het voorstel tot afschaffing van de mogelijkheid voor minderjarigen van 16 en 17 jaar om met instemming van de ouders of toestemming van het ministerie in het huwelijk te treden. Het gaat jaarlijks om tien meisjes van 16 jaar, dertig meisjes van 17 jaar en drie jongens van deze leeftijd. Het kabinet weet echter niet in welke mate daarbij sprake is van dwang. Dat vind ik wel een zorgelijk punt. Het afschaffen van deze uitzondering helpt vooral om huwelijk van minderjarigen die in het buitenland zijn gesloten, niet te erkennen bij ommekeer in Nederland. Dan is het echter goed om te weten wat de cijfers zijn en in hoeveel gevallen van huwelijksdwang sprake was. Kortom: wat is de omvang van het probleem? Ik vraag mij bovendien af of deze oplossing werkt. Is overwogen dat meisjes dan mogelijk uit het zicht verdwijnen naar het buitenland, helemaal nu veel van de minderjarigen om wie het gaat, een dubbele nationaliteit hebben? Hoe weegt de staatssecretaris dat risico?

Het geval wil dat ik gisteren op de Veluwe was vanwege de campagne. Ik raakte in gesprek met iemand die getrouwd was met een meisje dat op 15-jarige leeftijd zwanger raakte. Ze zijn inmiddels tien jaar getrouwd, naar ik begreep gelukkig getrouwd. Dat is niet meer mogelijk als dit wetsvoorstel wordt aangenomen. De optie van artikel 253ha Burgerlijk Wetboek Boek 1 is er namelijk uit gehaald. Dat artikel biedt de mogelijkheid van een meerderjarigverklaring voor een meisje dat zwanger is. Voor mijn fractie is dat wel een gevoelig punt, omdat dit een soort van hardheidsclausule is die je kunt inbrengen in een geval zoals van dat meisje dat ik gisteren tegen het lijf liep. Die optie bestaat dan niet meer, terwijl wij die misschien wel open moeten houden. Ik leg de staatssecretaris graag de vraag voor of dit heroverwogen moet worden. Ik wacht in ieder geval de reactie van de staatssecretaris af, maar ik overweeg sterk om op dit punt een amendement in te dienen.

De drempel die wordt opgeworpen tegen gedwongen neef-nichthuwelijken, zou volgens de regering een moment van bezinning kunnen opleveren. Het normstellende karakter is op zichzelf niet verkeerd. Hulpverleners maakten mij ook duidelijk dat zij denken dat zo'n verklaring soms inderdaad kan helpen om de druk van familie in het buitenland te weerstaan. Toch houd ik daarover twee vragen. Ten eerste, hoe weten we of dit werkt? Cijfers ontbreken namelijk. Het ministerie van Sociale Zaken doet nog verder onderzoek. Ten tweede levert dit toch een bijzonder signaal op, want een huwelijk moet altijd uit vrije wil worden gesloten. Die norm geldt voor ieder huwelijk en niet alleen voor een neef-nichthuwelijk. Het is een heel fundamenteel uitgangspunt dat je voor alle huwelijken dezelfde eis moet stellen. Moet je deze norm dan niet voor alle huwelijken invulling geven? Ik vraag de staatssecretaris of het mogelijk is om te wachten op de cijfers van Sociale Zaken voordat we definitief hierover stemmen. Mijn fractie zou daar sterk de voorkeur voor hebben, omdat de relatie tussen neef-nichthuwelijken en dwang evident moet zijn. In het Burgerlijk Wetboek leg je het recht vast dat natuurlijkerwijs recht is. Hier is dat vooralsnog niet aangetoond. Als we onverhoopt niet op de cijfers kunnen wachten, overweegt mijn fractie om ook op dit punt nog een amendement in te dienen.

De situatie van mogelijk honderden jonge meisjes en vrouwen die gedwongen worden om hun toekomst in een ongewenst huwelijk door te brengen gaat me aan het hart. Het kabinet heeft al veel goed werk verricht om huwelijksdwang aan te pakken, ook binnen het strafrechtelijk kader en op andere ministeries. Ik vraag de staatssecretaris welke alternatieven zijn overwogen bij het huidige wetsvoorstel. Ik hoorde bijvoorbeeld dat betrekkelijk weinig wordt gebruikgemaakt van het dreigen met of het opleggen van een ondertoezichtstelling en een tijdelijke inname van een paspoort. Dat betekent wel dat een voogd scherp moet zijn op de signalen. Ook werd me het alternatief van bemiddeling aangereikt, waarbij jonge meisjes en vrouwen en hun ouders met een professional om de tafel gaan. Is daarnaar gekeken? Is dat overwogen? Ik vraag de staatssecretaris ook om zijn collega van Onderwijs aan te spreken op de verantwoordelijkheid van de onderwijsinspectie. De registratie van vermoedens en van absentie kan echt helpen.

Voorzitter. Het gaat me erom dat we wetgeving realiseren die daadwerkelijk helpt om huwelijksdwang uit te bannen en waarmee mensen tegelijkertijd niet onnodig in hun vrijheden worden beperkt; vandaar dat ik deze vragen op deze manier aan de staatssecretaris heb voorgelegd.

De heer Schouw (D66):

Voorzitter. Het is goed dat we vandaag dit wetsvoorstel bespreken. Het is belangrijk dat we bekijken of we nog een aantal maatregelen kunnen nemen om huwelijksdwang te voorkomen. Ik meen me te herinneren dat in 2009 de toenmalige minister Hirsch Ballin al bezig was om dit probleem te temmen, om het zo maar eens te zeggen. Ik heb vier onderwerpen: het tegengaan van huwelijksdwang, het verbod op huwen onder de 18 jaar, geen neef-nichthuwelijken en de beperking van de erkenning van in het buitenland gesloten polygame huwelijken.

Voor de fractie van D66 is de centrale kernwaarde bij dit debat de vrijheid van het individu. De uitwerking daarvan is tweeledig: ten eerste bescherming tegen dwang en ten tweede geen beperkingen die verdergaan dan strikt noodzakelijk is. Die twee dingen kunnen weleens moeilijk met elkaar te verenigen zijn, maar we moeten toch proberen om ons best daarvoor te doen. Wij steunen natuurlijk de grondgedachte van het voorstel om huwelijksdwang tegen te gaan. Net zoals voorgaande sprekers hebben we echter wel vragen over de onderbouwing en de effectiviteit ervan.

Mijn eerste punt is het tegengaan van huwelijksdwang. In de memorie van toelichting wordt eigenlijk gesteld dat niet bekend is hoe vaak dwanghuwelijken voorkomen. De heer De Wit sprak daar al uitvoerig over. In de aanwijzingen voor regelgeving wordt echter wel gesteld dat de noodzaak van nieuwe wetgeving aangetoond dient te worden. Dat is een afspraak die we met elkaar hebben gemaakt als het gaat om wetgeving. Er moet dan wel een probleem zijn dat we moeten oplossen en geen vermeend probleem. Ook moet kennis worden vergaard over de relevante feiten en omstandigheden. Ondanks die onbekendheid wordt in het wetsvoorstel aangenomen dat bij neef-nichthuwelijken vaker sprake is van dwang dan wanneer er geen sprake is van bloedverwantschap, zo lees ik in de memorie van toelichting op pagina 8. Gelukkig wordt wel gelijk toegegeven dat dit in de ogen van het kabinet slechts aannemelijk is en dat men geen harde cijfers heeft. Eigenlijk vindt mijn fractie dat je meer onderbouwing nodig hebt als je wilt overgaan tot wetgeving, want het gaat immers wel om het beperken van een recht waarmee bijna iedereen in aanraking komt: het recht om te huwen of een geregistreerd partnerschap te sluiten. Dat mag niet lichtvaardig worden beperkt op grond van aannames.

Met andere woorden, hoe denkt de staatssecretaris dit probleem voor ons wat beter in te kaderen door het concreter en feitelijker te maken? Mijn fractie twijfelt ook, eigenlijk met de Raad van State, over de subsidiariteit van de gekozen oplossing om huwelijken in de derde en vierde graad te voorkomen. Om het verbod neef-nichthuwelijken enigszins effectief te maken, moeten alle aanstaande echtgenoten volgens het voorgenomen lid 2 van artikel 43, verklaren dat zij geen bloedverwanten in de zijlinie derde of vierde graad zijn, of een verklaring volgens artikel 41a afleggen dat zij dat wel zijn, maar uit vrije wil trouwen. Het lijkt er een beetje op dat de bewijslast wordt omgedraaid: u bent schuldig aan een voornemen tot een verboden huwelijk, tot u verklaart onschuldig te zijn. De vraag is of dat wel past, zelfs indien dit enkel bestaat uit het aankruisen van een vinkje.

Op een meer praktisch vlak ligt er ook een groot bezwaar, want hoe wordt zeker gesteld dat de dwang niet zo ver reikt dat de verklaring naar waarheid wordt gedaan? Het kan daarbij helpen als de onder dwang gezette partij weet dat er opvang en ondersteuning zijn na het afbreken van het voorgenomen huwelijk. Zeker indien de staatssecretaris blijft aannemen dat dwang het vaakst bij familiair geregelde huwelijken voorkomt, is dat een belangrijk onderdeel om tot een effectieve uitvoering van de wet te komen. Welke concrete voornemens heeft de staatssecretaris op dat punt?

In het verlengde daarvan ligt het probleem van huwelijkse gevangenschap en hinkende echtscheidingen als het land van herkomst de nietigverklaring niet erkent op grond van het daar geldende internationaal privaatrecht of religieus recht.

De heer Van Oosten (VVD):

Ik heb een korte vraag aan de heer Schouw. Hij refereert aan het advies van de Raad van State, maar als ik dat bekijk, lees ik ook een opmerking over het normstellende karakter van deze wet. Ik begrijp de vragen die collega Schouw stelt over de effectiviteit — die heb ik voor een deel ook — maar welke waarde ziet D66 in het stellen van de norm dat dwang bij neef-nichthuwelijken in beginsel niet aan de orde zou moeten mogen zijn en dat het dan natuurlijk ook waardevol is dat je dat in de wet tot uitdrukking laat komen, cijfers of niet?

De heer Schouw (D66):

Het is heel belangrijk dat die norm ook tot uitdrukking komt in de wet, zeg ik aan de ene kant. Aan de andere kant herinner ik de Kamer ook aan de afspraken die zij met zichzelf heeft gemaakt als het gaat om wetgeving, namelijk dat er feiten en omstandigheden aan ten grondslag moeten liggen. We moeten ons er bewust van zijn dat je moet balanceren tussen enerzijds die normstelling en anderzijds de feiten en omstandigheden die die normstelling echt noodzakelijk maken. Als we alleen maar wetgeving zouden aannemen op basis van politieke normen, dan weet ik niet of we verstandig bezig zijn.

De heer Van Oosten (VVD):

Dat deel ik natuurlijk met collega Schouw. Het is goed dat we het er even over hebben gehad, en ik begrijp in ieder geval dat de norm die in dit wetsvoorstel wordt gesteld, wordt gedeeld door D66. Huwelijken onder dwang, ook tussen neven en nichten, moeten niet worden toegestaan.

De heer Schouw (D66):

Zeker, maar wij moeten wel even weten wat daarvan precies de aard en omvang zijn en we moeten ook wel even weten of die maatregel is te handhaven.

De staatssecretaris gaf in zijn reactie op de motie-Kooiman, die ook al door de heer De Wit is genoemd, aan dat de mogelijkheden in juli 2013 om dit te voorkomen zeer beperkt zijn. Hij verwees naar de mogelijkheden in het Nederlands recht om weigeringen van de ontbinding van een huwelijk in het land van herkomst of erkenning van die ontbinding aan de Nederlandse rechter voor te leggen. Zou een betere oplossing niet zijn om in het buitenlandbeleid in te zetten op wederzijdse erkenning van de ontbinding van huwelijken? Is de staatssecretaris bereid om in samenwerking met bijvoorbeeld de minister van Buitenlandse Zaken te inventariseren in welke landen als gevolg van het ontbinden op grond van deze wet problemen kunnen ontstaan en de Kamer te informeren over concrete stappen om die op te lossen te informeren? Ik lees in mijn tekst ook nog "voor inwerkingtreding van de wet"; dat lijkt me tricky, maar laat ik het toch maar als vraag formuleren. Wie weet wat voor antwoord de staatssecretaris op dat punt heeft.

Een tweede punt is het verbod op huwen onder de 18 jaar. Mijn fractie vraagt zich af of de maatregel proportioneel is. Dat er weinig gebruikgemaakt wordt van een regeling wil nog niet zeggen dat zij dan ook maar moet worden afgeschaft. Wij onderschrijven de notie dat minderjarigen beschermd moeten worden, maar kan dat niet ook zonder het categorisch uitsluiten van huwelijken van minderjarigen? Immers, er moet altijd toestemming door de ouders of door de rechter verleend worden. Dat maakt een inschatting van het aankunnen van het huwelijk natuurlijk mogelijk. Het lijkt mijn fractie ook mogelijk om, voor zover er problemen bestaan met huwelijken van minderjarigen, te kijken naar een andere oplossing, bijvoorbeeld het altijd nodig hebben van toestemming door de rechter, zodat eventuele dwang of voorziene problemen als gevolg van de voortvloeiende meerderjarigheid vastgesteld kunnen worden. Ziet de staatssecretaris wat in zo'n type oplossing of is zoiets niet behulpzaam?

Ik kom op polygame huwelijken. De Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht ziet problemen in de imperatieve formulering van artikel 10.31 onder a van het wetsvoorstel. Zij adviseert een facultatieve formulering om de rechtstoepasser ruimte te bieden om rekening te houden met de relatieve afweerkracht van de openbare orde. Mijn fractie hoort daar graag een reactie op. Snijdt deze argumentatie hout of niet?

Mevrouw Helder (PVV):

Voorzitter. Vandaag spreken wij wederom over huwelijksdwang. In oktober 2012 spraken wij over de strafrechtelijke bestrijding daarvan, vandaag over de civielrechtelijke aanpak. Polygame huwelijken worden in Nederland in beginsel niet erkend als sprake is van strijd met de openbare orde. Dat begrip staat in artikel 32 van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek. Dit begrip is heel ruim en wordt nader ingevuld door na te gaan of de Nederlandse rechtsorde ten tijde van de huwelijkssluiting betrokken is. Hiervan is sprake als een van de huwelijkspartners ten tijde van het sluiten van het huwelijk de Nederlandse nationaliteit had. Dit wordt in dit wetsvoorstel uitgebreid met de situatie dat een van de echtgenoten ten tijde van de huwelijkssluiting een verblijfplaats in Nederland had. Dat is een welkome uitbreiding, maar helaas is er niet voor gekozen om het moment van aanvraag tot voorlopig verblijf in Nederland als ijkpunt te nemen. De PVV wil van de staatssecretaris weten of hij bereid is om maatregelen te treffen om die informatie zodanig toegankelijk te maken, dat het moment van aanvraag wél als ijkpunt kan worden gebruikt. Dat is namelijk de reden in de memorie van toelichting waarom dit moment van aanvraag niet is gehanteerd. Ook op dit punt stel ik de vraag of een aanvraag tot voorlopig verblijf niet centraal bij de IND of ergens anders wordt geregistreerd? Als het centraal wordt geregistreerd, kan de staatssecretaris in dat kader dan regelen dat een notaris, een ambtenaar of een bijzonder ambtenaar van de burgerlijke stand, dan wel degene bij wie de erkenning van het huwelijk aan de orde komt, toegang tot die registratie heeft of een verzoek kan indienen om die gegevens op te vragen?

De staatssecretaris was daarnaast blijkbaar van plan om een polygaam huwelijk niet te erkennen indien dit wordt gesloten door een persoon die de nationaliteit bezit van een land waarin het eveneens niet is toegestaan om een polygaam huwelijk te sluiten. De staatscommissie heeft geadviseerd om dit niet te doen en de staatssecretaris heeft dit overgenomen vanwege handhavingsproblemen. De vraag is waaruit die handhavingsproblemen bestaan. In dat kader vraagt de PVV naar wat enige tijd geleden in de media stond, namelijk dat Turkije voornemens is om polygame huwelijken toe te staan om op die manier rijke mensen uit Saudi-Arabië aan te trekken. Ik stel deze vraag vanwege het feit dat Turkije bij de Europese Unie wil en dan gebruik kan gaan maken van het vrij verkeer van personen. Ik hoor graag een reactie in het kader van dit wetsvoorstel.

Ik kom te spreken over de nietigverklaring. Een in het buitenland gesloten huwelijk kan hier erkend worden. De vraag of het huwelijk hier erkend kan worden, moet eerst beantwoord worden. Als een in het buitenland gesloten huwelijk niet erkend wordt in Nederland, dan is er geen sprake van een huwelijk naar Nederlands recht. Als die vraag is beantwoord, is de vraag aan de orde of het betreffende huwelijk nietig verklaard kan worden, bijvoorbeeld omdat het onder dwang is gesloten. Vreemd genoeg zegt de staatssecretaris dat het antwoord op die vraag, of nietigverklaring mogelijk is, onderworpen is aan het rechtstelsel van het land waar het huwelijk is gesloten. Als het huwelijk in een sharialand is gesloten, dan is de sharia van toepassing op de vraag of een van de echtgenoten gerechtigd is om de nietigheid van het huwelijk in te roepen. Dit wetsvoorstel heeft echter toch als doel om huwelijksdwang tegen te gaan? Hoe kan de echtgenote die onder dwang getrouwd is — ik spreek over echtgenote omdat het in de regel de vrouw is die onder dwang een huwelijk heeft gesloten — onder dit huwelijk uit komen? Zo lijkt het wetsvoorstel voor een groot deel op symboolpolitiek. Als je huwelijksdwang echt wilt tegengaan, dan moet je dergelijke huwelijken hier nooit erkennen. In het Nederlandse huwelijksrecht is het namelijk een fundamenteel beginsel dat sprake moet zijn van vrije toestemming bij het aangaan van een huwelijk. Waarom worden dan huwelijken erkend die gesloten zijn volgens regelgeving waarin de vrouw ondergeschikt is aan de man? Het antwoord dat zij kan kiezen voor een echtscheiding in dit land is niet bevredigend, want ook hier geldt dat een vrouw dat bijna niet kan doen vanwege de onredelijke eisen die daaraan worden gesteld in de sharia. Zo ontstaat het gevaar dat collega De Wit ook aanstipte, van huwelijkse gevangenschap. Kan de staatssecretaris hierop ingaan?

De PVV heeft in een eerder debat over huwelijksdwang, polygamie en genitale verminking — toen ging het om de strafrechtelijke variant om dit fenomeen tegen te gaan — gevraagd om een afzonderlijke registratie van huwelijksdwang door de politie en het Openbaar Ministerie. De staatssecretaris zei destijds toe dat dat zeker zou gebeuren op het moment dat het systeem van de politie dit kon dragen. Is dit inmiddels het geval? De PVV vroeg om een aparte aanwijzing en richtlijn huwelijksdwang van het Openbaar Ministerie omdat huwelijksdwang niet past bij huiselijk geweld. Het gaat immers niet, of nog niet, om geweld in huiselijke kring. De staatssecretaris gaf toen aan dat deze speciale aanwijzing er niet komt maar dat hij de opmerking van de PVV zou meenemen in een nieuwe aanwijzing over geweld in afhankelijkheidsrelaties. Is deze nieuwe OM-aanwijzing gereed? Zo ja, is er nu dan wel een regeling opgenomen voor huwelijksdwang? Zo nee, waarom niet? Gaat dat dan alsnog gebeuren?

Als iemand is veroordeeld voor huwelijksdwang, wordt diegene dan ook uitgesloten van het recht om een nieuwe partner uit het buitenland te halen? De staatssecretaris laat geen mogelijkheid onbenut om voor de slachtoffers op te komen. Ik ga er daarom van uit dat hij op deze vraag antwoordt dat diegene bij een veroordeling dit recht heeft verspeeld. Nieuwe slachtoffers moeten immers worden voorkomen. Als het antwoord zou zijn — ik loop er weer op vooruit — dat dit in strijd is met Europese regelgeving, dan wijs ik alvast op artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarin de waarden van de Europese Unie worden genoemd: menselijke waardigheid, gelijkheid van vrouwen en mannen en mensenrechten, om er maar eens een paar te noemen.

Ik heb ook vragen over het neef-nichthuwelijk. Een verbod kan natuurlijk omzeild worden. Hoewel het goed is dat er al een huwelijksbeletsel is, kan dat wel omzeild worden door te huwen in het buitenland.

Er zijn dus veel vragen en daardoor is er in beginsel ook twijfel bij de PVV of met het wetsvoorstel kan worden ingestemd, maar laten wij het positief bekijken. Het is zeker een stapje in de goede richting. Het is goed dat het fenomeen huwelijksdwang in kaart wordt gebracht en dat wordt geprobeerd om dit tegen te gaan, maar de manier waarop kan zeker nog worden verbeterd. Ik wacht de antwoorden van de staatssecretaris dan ook met spanning af.

Ik heb nog een korte slotopmerking. Wij hebben kunnen lezen dat ook het normstellend karakter, de preventieve werking, van belang is. Ik ben het daar helemaal mee eens. Toen het ging over de strafrechtelijke bestrijding van huwelijksdwang, heeft de PVV een amendement ingediend om de strafmaat op huwelijksdwang, die ging van negen maanden naar twee jaar, te verhogen naar twaalf jaar omdat zij huwelijksdwang ziet als een vorm van mensenhandel. De staatssecretaris heeft negatief gereageerd op dit amendement, maar daarvan gaat toch ook een preventieve werking uit. Dat is dus echt een gemiste kans. Deze opmerking wilde ik tot slot nog even maken.

De heer Van Oosten (VVD):

Voorzitter. Wij spreken vandaag over een wetsvoorstel dat tot doel heeft huwelijksdwang tegen te gaan. Het spreekt vanzelf dat de VVD-fractie dat doel ten volle kan onderschrijven. Wij accepteren niet dat meisjes worden uitgehuwelijkt aan bijvoorbeeld hun neef of dat zij worden gedwongen om tegen hun wil met iemand in het huwelijk te treden. Het zou mij een lief ding waard zijn dat wij ons maximaal inspannen om te voorkomen dat mensen tegen de eigen vrije wil worden gedwongen om in het huwelijk te treden. Oneigenlijke familiedwang mogen wij niet tolereren. Het is klaarblijkelijk naïef om te veronderstellen dat dit in ons moderne Nederland iets uit het verleden zou zijn. De heer Segers, die nu even niet in de zaal zit, gaf er zo-even een aantal aangrijpende voorbeelden van. Wat de VVD-fractie betreft, is het dan ook juist dat een extra drempel wordt opgeworpen door neef-nichthuwelijken in beginsel te verbieden. Het is ook goed dat de mogelijkheden worden uitgebreid voor het Openbaar Ministerie om bij dwang een huwelijk te stuiten en een huwelijk tussen een neef en een nicht te verbieden en eventueel nietig te verklaren.

In navolging van mijn collega's heb ik nog wel een aantal vragen aan de staatssecretaris omtrent de effectiviteit. Ik zeg maar eerlijk dat ik toch wat heb zitten stoeien met de vraag of de doelstellingen van een verbodsbepaling wel in voldoende mate worden gerealiseerd, niet alleen omdat wij niet kunnen uitsluiten dat bijvoorbeeld een meinedige verklaring wordt afgelegd dat vrijwillig in het huwelijk wordt getreden met een neef of een nicht, maar ook omdat de vraag is hoe überhaupt geverifieerd kan worden of aanstaande partners bloedverwanten van elkaar zijn. De staatssecretaris wil daar dadelijk in zijn beantwoording nog wel even bij stilstaan.

Mede om deze reden meen ik dan ook dat het verstandig is om goed te monitoren of de beoogde effecten van de wet worden bereikt dan wel of op termijn aanpassingen nodig zijn om dat middeleeuwse — zo beschouw ik het dan maar even — en verwerpelijke fenomeen van huwelijksdwang effectief aan te pakken. Daarom heb ik met collega Rebel van de PvdA-fractie alvast een amendement ingediend waarmee zo'n evaluatiebepaling in de wet wordt geïntroduceerd. Ik hoor graag van de staatssecretaris of de termijnen die wij daarbij noemen ook voor hem werkbaar zijn.

De heer Schouw (D66):

Nu ook de heer Van Oosten grote vraagtekens plaatst bij de effectiviteit en om een onderbouwing vraagt, vraag ik mij af waarom hij niet heeft gekozen voor een horizonbepaling in plaats van een evaluatiebepaling.

De heer Van Oosten (VVD):

Deze vraag is heel eenvoudig te beantwoorden: omdat wij in de stukken ook onderzoeken tegenkomen waarin aanwijzingen zijn te vinden dat huwelijksdwang in Nederland gewoon voorkomt. Al redden wij maar één meisje van het onder dwang in het huwelijk te moeten treden, ik vind dat je gewoon met zo'n wet moet meegaan. Alleen zeg ik wel: laten we organiseren dat het maximaal effect kan hebben. Over die effectiviteit heb ik vragen. Hoe kan een ambtenaar van de burgerlijke stand een goede toets inbouwen? Die vraag zie ik graag meegenomen worden in de evaluatie. De heer Schouw weet ook dat de wet vervalt als we met een horizonbepaling gaan werken. Dat zou ik zonde vinden, als dan het gevolg is dat de stappen die we wel zetten tegen huwelijksdwang, worden beperkt.

De heer Schouw (D66):

Als ik het goed begrijp, betekent dit dat ook als uit de evaluatie blijkt dat de wet niet effectief is, voor de VVD-fractie vaststaat dat de wet gewoon wet blijft.

De heer Van Oosten (VVD):

Als uit de evaluatie blijkt wat de heer Schouw nu stelt, gaan we daar als Kamer natuurlijk wat mee doen. Dat spreekt voor zich. Wat ik nu al wel vaststel, is dat er allerlei aanwijzingen zijn dat huwelijksdwang ook in Nederland plaatsvindt. Die moet je niet negeren. Je moet dan maatregelen treffen. Ik ben dan ook blij dat er voorstellen worden gedaan. Ik heb wel vragen over hoe we ervoor zorgen dat de doelen die in de wet benoemd zijn, die we met elkaar — zo heb ik dat wel beluisterd — nastreven, ook werkelijk worden gerealiseerd. Dat moeten we evalueren en monitoren en waar nodig, aanpassen.

Ik vervolg mijn betoog, want er is nog een ander vraagstuk dat mij bezighoudt. Ik realiseer mij heel goed dat wij als leden van de Nederlandse Tweede Kamer slechts competent zijn ten aanzien van onze eigen wetgeving. Wij kunnen in onze wetgeving een verbodsbepaling introduceren voor neef-nichthuwelijken, maar hoe voorkomen we dat de Nederlandse verbodsbepaling wordt omzeild door in het buiteland huwelijken te sluiten tussen neef en nicht of, nog erger, onder dwang en tegen de wil van de aanstaande partners? Hoe voorkomen we dat regels van internationaal privaatrecht of verdragsregels ons verplichten om dergelijke huwelijken te erkennen? Want zou het niet zot zijn als onze huwelijken, gesloten tussen homoseksuelen, niet in buitenlanden worden erkend, maar wij wel gehouden worden om neef-nichthuwelijken, gesloten in diezelfde landen, in ons land te erkennen? Ik heb daar toch wel moeite mee. Ik verneem graag van de staatssecretaris hoe hij dit vraagstuk gaat aanvliegen.

Overigens brengt mij dat meteen op een aanvullende vraag aan de staatssecretaris. Het komt nogal eens voor dat buitenlands "familierecht" dwarsligt daar waar het gaat om erkenning van in Nederland gesloten echtscheidingsbeschikkingen. Wellicht is dit buiten de orde, want we spreken over het voorkomen van huwelijksdwang en niet over echtscheiding, maar kan de staatssecretaris met de Kamer delen welke inzet hij heeft gepleegd in zijn dialoog met andere landen die ertoe zou moeten leiden dat Nederlandse echtscheidingsbeschikkingen in het buitenland worden erkend?

Ik vraag dit temeer omdat dit ook relevant kan zijn in de aanpak van de problematiek van de huwelijkse gevangenschap. Daarover hoorde ik de heer De Wit spreken, maar ook andere collega's. De situatie dat vrouwen tegen hun wil gevangen worden gehouden in een huwelijk komt mij net zo onwenselijk voor als dat zij een huwelijk onder dwang moeten aangaan. Ik ontvang signalen dat dit in Nederland aan de orde is. Blijkbaar wonen in ons land vrouwen die tegen hun wil in een huwelijk gevangen worden gehouden. Is de staatssecretaris met dit probleem bekend? Wil hij deze problematiek nader beschouwen en hierover bijvoorbeeld met de organisatie Femmes for Freedom nader naar kijken? Speelt hier een probleem — ik vind het lastig om in te schatten — dat we niet links kunnen laten liggen? Zo ja, wat moeten we dan doen?

Overigens is mij aangereikt dat bijvoorbeeld in de Verenigde Staten wetgeving bestaat die de huwelijkse gevangenschap zou aanpakken. Zou dit in Nederland van nut kunnen zijn? Ik wacht de reactie van de staatssecretaris af.

De heer Oskam (CDA):

Voorzitter. De CDA-fractie verwelkomt de voorgestelde maatregelen om huwelijksdwang verder te beteugelen en erkenning van in het buitenland gesloten huwelijken te beperken tot hetgeen in overeenstemming is met wat in Nederland gebruikelijk is. We zijn dan ook content met de voorgestelde maatregelen, die tot doel hebben om huwelijk onder dwang nog beter tegen te gaan en indicaties van huwelijksdwang eerder te signaleren. Het betreft de bevoegdheid van het Openbaar Ministerie om voorgenomen dwanghuwelijken te stuiten, bijvoorbeeld in het kader van onderzoeken naar mensenhandel. Daarbij komt het ook voor. Het gaat om een verbod van een huwelijk met een minderjarige, om het tegengaan van gedwongen neef-nichthuwelijken via de verplichte beëdigde verklaring dat er geen sprake is van dwang, en om het inperken van polygame huwelijken. Deze maatregelen sluiten ook geheel aan bij de CDA-visie en onze eerdere inbrengen in de Kamerdiscussie. Ook wij verwachten dat deze voornamelijk preventieve maatregelen eraan bijdragen dat huwelijksdwang beter wordt tegengegaan dan het geval is met de huidige wettelijke maatregelen, die erop gericht zijn pas in laatste instantie de sluiting van een gedwongen huwelijk te voorkomen of een eenmaal gesloten huwelijk nietig te verklaren. Onze in het verslag bij het wetsvoorstel ingebrachte vragen en opmerkingen zijn in de nota naar aanleiding van het verslag overwegend afdoende beantwoord. Ook de antwoorden op vragen en opmerkingen van andere fracties hebben veel verduidelijking gebracht. Onze bijdrage in dit plenaire debat kan dan ook kort zijn.

Ik ga in op twee onderwerpen. Allereerst kom ik op het Openbaar Ministerie. De vraag of het Openbaar Ministerie altijd onderzoek doet naar aanleiding van een melding door een ambtenaar bij de burgerlijke stand, die verplicht is het OM op de hoogte te stellen van een vermoeden van huwelijksdwang, beantwoordt de staatssecretaris in de schriftelijke inbreng in eerste instantie bevestigend. Maar een paar zinnen later wordt gesteld dat het voor de hand ligt dat het Openbaar Ministerie na de aangifte een onderzoek doet instellen. Ook wordt in de nota naar aanleiding van het verslag aangegeven dat het voor de hand ligt dat het Openbaar Ministerie zo veel mogelijk actief zal optreden bij signalen van huwelijksdwang. Hoe verhoudt een en ander zich tot elkaar? Met andere woorden, hoe actief zal het OM (kunnen) optreden, mede in het licht van de prioriteit van het OM, het opportuniteitsbeginsel en de nakende bezuiniging bij het OM? Dat blijft een belangrijk punt, want als het fout gaat en je preventief wat wilt doen, dan moet je natuurlijk wel optreden.

Een ander punt is het onderzoek. Dat hebben de meeste collega's al genoemd. Er is nog onvoldoende bekend over de aspecten van huwelijksdwang in Nederland. Er is een onderzoek aangekondigd naar de aard en omvang van huwelijksdwang, alsmede een evaluatie bij dit wetsvoorstel, die door de Partij van de Arbeid en de VVD wordt geamendeerd. Dat is goed, want die moeten inzicht bieden in de effectiviteit van de maatregelen in de praktijk en in vragen als wat er precies gebeurt en wat wij zouden moeten doen. Het is voor iedereen ook een leermoment. Wij zijn benieuwd naar wat het onderzoek gaat opleveren. Mijn vraag aan de staatssecretaris is wanneer het van start gaat. Wat ons betreft gebeurt dat zo snel mogelijk. Wanneer zijn de uitkomsten te verwachten? En worden in het onderzoek ook de resultaten meegenomen van de twaalf projecten die op dit moment worden uitgevoerd op basis van het plan van aanpak preventie huwelijksdwang 2012-2014? Of wordt de Kamer daar apart over geïnformeerd? Graag vernemen wij de reactie van de staatssecretaris.

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. Een drietal punten wil ik graag aan de orde stellen namens de SGP: ten eerste de effectiviteit van de maatregelen tegen huwelijksdwang, ten tweede het huwelijk tussen minderjarigen en ten derde polygame relaties.

Allereerst kom ik op de effectiviteit van de maatregelen tegen huwelijksdwang. Laat iemand onder ede verklaren dat hij of zij niet gedwongen wordt en hij of zij wordt niet gedwongen. Die eenvoudige redenering lijkt ten grondslag te liggen aan dit wetsvoorstel over het tegengaan van huwelijksdwang. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de zin: "Ik vertrouw erop dat voor verreweg de meeste mensen geldt dat ze terugdeinzen voor het onder ede afleggen van een valse verklaring." "De SGP is ervan overtuigd …", zo staat op mijn blaadje, maar laat ik maar zo zeggen: de SGP hoopt van harte dat dit waar is. Dit wetsvoorstel gaat echter uit van de gedachte dat iemand eerst zelf moet melden dat er sprake is van een derde- of vierdegraadsverwantschap. Als dat gemeld is, moet er een verklaring onder ede worden afgelegd dat er geen sprake is van dwang. Juist de vraag of er sprake is van verwantschap, wordt echter niet onder ede gesteld. Daarbij is de gedachte dat mensen terugdeinzen voor meineed dus al niet aan de orde.

Waar geen sprake is van dwang, zal men bereid zijn te verklaren dat men verwant is en ook naar eer en geweten onder ede verklaren dat er geen sprake is van dwang, maar juist voor dat soort situaties is dit wetsvoorstel niet nodig. Waar wel sprake is van dwang, zal ook het afleggen van een onjuiste verklaring mogelijk geen al te grote problemen opleveren voor degene die die verklaring aflegt. Voor de gedwongen partner levert dat geen problemen op, omdat het in het bijzijn van de ander riskant kan zijn om het eerlijke verhaal te vertellen. En voor degene die dwang toepast, is er altijd wel een verklaring te bedenken die bewijst dat de persoon ook echt zelf wel wil. Ook is het maar zeer de vraag of iemand in zulke situaties van dwang terug zal deinzen voor het afleggen van een valse verklaring.

Huwelijksdwang tegengaan is een goede zaak. Huwelijken dienen op vrijwillige basis gesloten te worden. Als er concrete aanwijzingen zijn dat sprake is van dwang is het zeer gewenst dat de ambtenaar van de burgerlijke stand dat signaleert, of dat het OM hiertegen optreedt. Maar dat geldt naar de opvatting van de SGP evenzeer voor afgedwongen huwelijken tussen achterneef en achternicht, of tussen buurvrouw en achterbuurman. De SGP krijgt de indruk dat de afgrenzing van dit wetsvoorstel wat willekeurig is, en niet wezenlijk onderbouwd is met cijfers. De regering geeft zelfs aan dat helemaal niet duidelijk is, hoe vaak er een huwelijk tussen verwanten wordt gesloten en of dit meer voorkomt bij sommige bevolkingsgroepen dan bij andere bevolkingsgroepen. Maar hoe wordt er dan getoetst of dit wetsvoorstel in de praktijk effectief zal zijn? We zijn zeer benieuwd naar de contouren van de evaluatie die is voorzien.

De Afdeling advisering van de Raad van State vraagt er terecht aandacht voor dat het logischer is om de beëdigde verklaring te vragen in alle gevallen waarin sprake lijkt te zijn van een verhoogd risico op dwang. Waarom heeft de regering daar niet voor gekozen, in plaats van de drempel voor een specifieke groep huwelijken te verhogen? Is het niet effectiever om gerichte, preventieve actie te ondernemen bij risicogroepen dan te komen met een wat willekeurige maatregel? Ten slotte vraagt de SGP nog aandacht voor het risico dat juist de af te leggen verklaring door de aanwezigheid van de andere partner wordt gedaan, terwijl er feitelijk wel sprake is van dwang. Is de kans dan niet aanwezig dat de betrokken persoon een extra drempel ervaart voor het vragen van hulp om uit de dwangsituatie te komen? Wordt de gedwongen partner niet juist uitgelokt tot het doen van een valse verklaring, met de risico's die dat geeft?

Mijn tweede punt is het huwelijk van minderjarigen. De regering stelt voor, de uitzonderingsmogelijkheid voor het aangaan van een huwelijk voor 16- en 17-jarigen, als sprake is van zwangerschap te laten vervallen. De SGP begrijpt dat de regering de regels wil vereenvoudigen, maar het is wel de vraag in hoeverre hier geen sprake dient te zijn van het maken van een keuze door de betrokken minderjarigen, als sprake is van zwangerschap. Is er in de enkele gevallen waarin van deze zeer specifieke uitzondering gebruik wordt gemaakt, ook daadwerkelijk zicht op dat sprake is van dwang? Wat zijn de gevolgen voor de band van de jonge moeder en het kind als de voogdij over het kind pas bij het 18de jaar van de moeder bij haar komt te liggen?

Het is een goede zaak dat polygame huwelijken niet worden gefaciliteerd door de Nederlandse overheid. Die huwelijken zijn in strijd met het wezen van het huwelijk, waarbij naar onze overtuiging sprake is van een huwelijk tussen één man en één vrouw. Wij spreken vanuit de SGP dan graag over de scheppingsorde die ons is gegeven. De SGP vindt het belangrijk dat er op geen enkele wijze erkenning plaatsvindt van dergelijke polygame huwelijken. Is er ook bij de geregistreerde partnerschappen geen enkele mogelijkheid om toch een polygame relatie aan te gaan binnen de bestaande wettelijke kaders? Wij zijn zeer benieuwd naar het antwoord op onze vragen.

De voorzitter:

Dank u voor uw bijdrage. Waarmee er een einde is gekomen aan de eerste termijn van de zijde van de Kamer.

De vergadering wordt van 11.17 uur tot 11.30 uur geschorst.

De voorzitter:

Voordat ik het woord geef aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie voor zijn beantwoording in eerste termijn, deel ik alvast mee dat de heer Oskam heeft laten weten dat hij in de loop van dit debat weg moet vanwege verplichtingen elders.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. Ik had begrepen dat de heer Schouw ook eerder weg zal moeten. Ik zal proberen daar bij de beantwoording rekening mee te houden door zijn vragen naar voren te halen. Sommige vragen zijn echter door meerdere leden in onderling verband gesteld en dan zal dat dus niet helemaal lukken.

Ik ben blij dat wij vandaag kunnen praten over dit wetsvoorstel. Ook ben ik er blij mee dat iedereen heeft gezegd dat huwelijksdwang een verwerpelijk fenomeen is dat we zo veel mogelijk willen tegengaan. Alle leden hebben ook onder de aandacht gebracht dat dit een sluitstuk of sluitstukje is van de maatregelen die je kunt nemen. Al naar gelang hoe men het interpreteert, kan men het een sluitstuk of een sluitstukje noemen, maar het is in ieder geval gestart met het plan van aanpak preventie huwelijksdwang 2012-2014. Met deze preventieaanpak zijn niet alleen individuele maatregelen genomen. Het betreft ook een versterking van de ketenaanpak, een verbetering van de signalering, het instellen van één meldpunt voor slachtoffers en betrokkenen en het instellen van een landelijk knooppunt voor professionals.

Waar mogelijk moet er ook nog directer worden gehandeld in het buitenland. Over dat punt is door een aantal leden vragen gesteld. In het kader van de conferentie over internationaal privaatrecht proberen we altijd zaken die volgens ons privaatrecht geldig zijn verlopen, ook te laten erkennen in andere landen. Omgekeerd geldt dat echter ook. Daar zal ik straks uitgebreider op ingaan, maar dat is natuurlijk iets wat altijd meespeelt.

Over het versterken van de ketenaanpak heeft de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de Kamer geïnformeerd via de voortgangsrapportage geweld in afhankelijkheidsrelaties.

Vandaag gaat het eigenlijk om vier civielrechtelijke maatregelen die we kunnen nemen. Ik noem ze nog even kort: het versoepelen van de mogelijkheid om een huwelijk wegens dwang nietig te laten verklaren, het afschaffen van kinderhuwelijken, het verder beperken van de erkenning in Nederland van polygame huwelijken en het verbieden van neef-nichthuwelijken, tenzij de aanstaande echtgenoten een beëdigde verklaring afleggen waarin zij hun vrije toestemming tot het huwelijk geven. Er zijn daarover een behoorlijk aantal schriftelijke stukken gewisseld, dus ik zal snel doorgaan naar de vragen van de leden.

Ik begin met een aantal specifieke vragen die de heer Schouw heeft gesteld, ook in combinatie met andere leden. Is het verbod op neef-nichthuwelijken wel proportioneel? We weten zeker dat huwelijksdwang voorkomt, maar we weten niet hoe vaak. In Nederland is de vrije huwelijkstoestemming natuurlijk een zeer fundamenteel beginsel van het huwelijksrecht. Daar moeten we ook niet te licht over denken. De ratio van het verbod op het neef-nichthuwelijk is om huwelijksdwang tegen te gaan. Wie echt uit vrije wil een huwelijk wil sluiten, kan dat doen na het afleggen van die beëdigde verklaring. Dat vind ik op zich geen disproportioneel vereiste. Is het helemaal sluitend? Nee, dat is het niet. De heer Bisschop wees daar ook terecht op. Heb je een andere mogelijkheid om het te doen zoals het nu wordt voorgesteld in het wetsvoorstel? Nee, ik denk het niet. Ik zie ook geen mogelijkheden van subsidiariteit.

De heer De Wit, de heer Schouw, de heer Bisschop en de heer Segers hebben gevraagd hoe vaak dwanghuwelijken en neef-nichthuwelijken in Nederland voorkomen. We weten dat dwanghuwelijken in Nederland voorkomen. Met enige regelmaat komen zaken aan het licht. Hoe vaak dwanghuwelijken en neef-nichthuwelijken voorkomen weten we niet zeker en dat kunnen we ook niet exact nagaan. Dat is nog wel een probleem, waar ik zo direct nog uitgebreid op inga in verband met de bespreking van de registratie, waar mevrouw Rebel om vroeg. Eigenlijk vind ik ook niet het allerbelangrijkste of het nu 10 keer per jaar of 100 keer per jaar voorkomt. Het feit dat het voorkomt, is voor de regering genoeg om duidelijk te maken dat wij dat in Nederland niet tolereren. We maken het ook wel een beetje ingewikkeld als we te veel uitzonderingsmaatregelen creëren. Dan kun je niet bereiken wat je wilt bereiken met huwelijken vanuit het buitenland.

De heer Schouw vroeg of ik bereid ben minderjarigen die willen huwen toestemming aan de rechter te laten vragen, in plaats van het kinderhuwelijk af te schaffen. Als een minderjarige in het huwelijk treedt, dan wordt hij als gevolg daarvan meerderjarig en verliest hij daardoor een deel van zijn beschermde positie. Er kan dan bijvoorbeeld geen kinderbeschermingsmaatregel meer worden genomen, en dat zou nou juist nodig kunnen zijn als er sprake is van dreigende huwelijksdwang. Vroeger vonden we dat men, minderjarig of niet, moest trouwen als er sprake was van een zwangerschap. Vroeger was het standpunt: alles beter dan een ongehuwde moeder. Ik denk dat die tijd achter ons ligt. Dat standpunt is niet meer van deze tijd. Die mening bestaat in een groot gedeelte van onze samenleving. Als we de mogelijkheid van dispensatie openhouden of de rechterlijke toestemming invoeren die de heer Schouw voorstelt, dan zal dat ook weer problemen geven voor de erkenning van buitenlandse huwelijken. Als we kinderhuwelijken in bepaalde situaties in Nederland toestaan, kunnen we niet zeggen dat we kinderhuwelijken in het algemeen in strijd achten met de fundamentele beginselen van de rechtsorde, want om die reden erkennen we huwelijken uit het buitenland niet. Ik denk dat het tegenhouden van kinderhuwelijken een van de doelen van dit wetsvoorstel is. Daarom moeten we die dispensatiemogelijkheid niet willen. Als je dat als hoofdargument neemt, wordt het wel heel ingewikkeld om wél die dispensatie mogelijk te maken.

De heer Schouw heeft ook gevraagd waarom … Ik ga een beetje van tak naar tak, voorzitter.

De voorzitter:

Van de hak op de tak.

Staatssecretaris Teeven:

Dat bedoelde ik. Het is laat geworden gisteravond, overigens niet omdat het zo leuk was, maar dat was voor iedereen anders. Ik spring dus van de hak op de tak, maar dat kan nu even niet anders. De heer Schouw heeft ook gevraagd waarom polygame huwelijken van mensen die uit een andere traditie komen in strijd zijn met de Nederlandse openbare orde. Waarom heeft de overheid hier eigenlijk een rol in? Waarom grijpt de overheid in? Het beginsel dat slechts twee mensen door het huwelijk met elkaar verbonden kunnen zijn, is een fundamenteel beginsel van het Nederlandse huwelijksrecht. Dat wordt door verreweg de meeste Nederlanders ook als de juiste norm ervaren. Van mensen uit een andere cultuur die in Nederland komen wonen, mag worden verwacht dat zij zich confirmeren aan die norm. Aan het huwelijk zijn door de wet rechten en plichten verbonden. Daardoor is er ook voor de overheid een taak weggelegd. Ik merk op dat een polygame relatie in Nederland niet verboden is, maar het mag alleen niet binnen een huwelijk. Het mag overigens ook niet binnen een geregistreerd partnerschap, zeg ik in antwoord op een vraag van de heer Bisschop.

Dan kom ik op de vragen van de heer Oskam. Hij had twee specifieke vragen. Een daarvan stond in relatie met een opmerking die de heer Schouw maakte. Wat doen we aan de dialoog om echtscheidingen in het buitenland erkend te krijgen? De heer Van Oosten vroeg daar ook naar. Als de in Nederland uitgesproken echtscheidingen overal ter wereld erkend zouden worden, dan zou het probleem van huwelijkse gevangenschap uit de wereld zijn. Dat moeten we dus stimuleren. Ik ben dat met de Kamer eens. Om die reden zijn we ook aangesloten bij allerlei verdragen op dit terrein. Het probleem is echter dat er een aantal hardnekkige landen is die zeer weigerachtig zijn om onze echtscheidingen te erkennen. Soms zijn landen ook weigerachtig om onze huwelijken te erkennen. Juist die landen zijn niet aangesloten bij die verdragen. Het is zeer moeilijk om op een andere wijze ingang te vinden bij deze landen om de erkenning van echtscheidingen te vergemakkelijken. Het is dus een beetje zoeken. De heer Van Oosten riep het kabinet op dat te blijven doen. Ik zeg ook niet dat het kabinet stopt met zoeken, maar het is wel een beetje zoeken hoe je dat het makkelijkst realiseert. Het is ook een vrij ingewikkelde weg langs die internationale conferentie voor het privaatrecht. Op dit moment lopen er verschillende onderzoeken naar de aard en omvang van de huwelijkse gevangenschap. Met die onderzoeken wordt nadrukkelijk beoogd, oplossingsrichtingen te vinden om vrouwen een weg uit situaties van huwelijkse gevangenschap te bieden.

Een van de vragen was welke oplossingen andere landen bieden en wat daarvan bruikbaar zou kunnen zijn in Nederland.

De heer Van Oosten (VVD):

Ik begrijp dat het lastig is om het vraagstuk van huwelijkse gevangenschap en de erkenning van een Nederlandse echtscheiding in het buitenland eenvoudig aan te vliegen. Ik ben ook bekend met de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht. In het verleden mocht ik daar weleens naartoe. Dergelijke bijeenkomsten duren lang en zijn ongelooflijk ingewikkeld, maar Nederland is wel gastland van die intergouvernementele organisatie. Is het mogelijk dat Nederland dit vraagstuk, dit fenomeen, eens agendeert met als gevolg dat er processen in werking treden waarvan ook Nederland de vruchten kan plukken?

Staatssecretaris Teeven:

Zoals ik al zei, heb ik daartoe alle bereidheid, maar we moeten volgens mij wel onderkennen dat het een langlopende agenda is. We kunnen het hier niet vandaag besluiten en even voor eind 2014, begin 2015 agenderen, zodat het in 2017 geregeld is, om maar eens een optimistisch "realisatiepad" te schetsen. Mijn ervaring met de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht is dat een en ander zeer lang duurt en dat het heel weerbarstig is om alle landen op een lijn te krijgen. Het helpt ook niet om te dreigen met iets al dan niet doen of met uit het verdrag stappen. De kunst is juist om al die landen die nog niet zijn aangesloten, vaak de probleemlanden, erbij te krijgen. Het kabinet is zeer bereid om dergelijke inspanningen te leveren en om dingen op de agenda te zetten, maar het is vrij ingewikkeld om ze gerealiseerd te krijgen, zo leert onder andere het vraagstuk van interlandelijke adoptie, dat ook langs de lijnen bij de Haagse Conferentie loopt. Dus gastland of niet, ik ben zeer bereid om het op de agenda te zetten, maar het is een ingewikkeld proces dat niet heel snel verloopt. Laat ik dat hier eerlijk zeggen.

De heer De Wit (SP):

De staatssecretaris noemde diverse onderzoeken die lopen. Kan hij daarover meer vertellen? Ik vraag dit omdat ik van plan ben om in tweede instantie heel nadrukkelijk te verzoeken om nader Nederlands onderzoek naar een mogelijke oplossing voor die huwelijkse gevangenschap. Wat voor een onderzoek loopt er? Wil de staatssecretaris daarover meer vertellen? Dan weet ik waar we aan toe zijn.

Staatssecretaris Teeven:

Dat doe ik graag, maar eigenlijk was ik de specifieke vragen van de heer Schouw aan het beantwoorden. Ik kom zo meteen uitgebreid op de vraag van de heer De Wit. Eerst wil ik de vragen beantwoorden van de leden die hebben aangegeven dat zij snel weg moeten. Ik kom er dus zo meteen op terug.

De heer Oskam heeft mij gevraagd hoe actief het Openbaar Ministerie kan zijn. Dat vroeg hij eigenlijk in relatie tot de vraag van mevrouw Helder die terugkwam op de aanwijzing. Dit zijn verschillende dingen, want de aanwijzing zat in het strafrechtelijke traject, waarover ik zo nog iets zeg, terwijl de heer Oskam het over stuiten had. Hij vroeg hoe actief het Openbaar Ministerie zou worden om huwelijken te stuiten waarvan wordt vermoed dat er sprake is van dwang. De aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties, waaronder de aanpak van huwelijkse dwang in civielrechtelijke vorm valt, heeft prioriteit bij het Openbaar Ministerie. Het OM heeft een speciaal project over kwetsbare personen en faciliteert op het terrein van geweld in afhankelijkheidsrelaties in de opleiding van officieren van justitie. Natuurlijk handelt het OM ook vanuit het oogpunt van opportuniteit, zoals de heer Oskam zelf al zei. Individuele casussen worden dus bekeken. Toen deze wet in consultatie ging, is nadrukkelijk gevraagd in hoeverre het OM dit serieus ging oppakken nu het in de wet werd genoemd. Als politie en justitie aanwijzingen hebben ten aanzien van dwang in een huwelijk, dan heeft het Openbaar Ministerie met deze wet in de hand de mogelijkheid om, los van wat de partners ervan vinden, daadwerkelijk in civielrechtelijke zin op te treden.

Het is geen loze letter, als de heer Oskam dat bedoelt. Wij moeten nadrukkelijk kunnen kijken naar de opportuniteit. Ik zal meteen antwoorden op de tweede vraag van de heer Oskam. Het OM kan dus niet altijd op de hoogte zijn van een voorgenomen dwanghuwelijk of een gesloten dwanghuwelijk. De dwang is soms ingewikkeld te herkennen, omdat deze in de privésfeer wordt uitgeoefend. Als het OM met enige mate van zekerheid op de hoogte is van een voorgenomen of een reeds gesloten dwanghuwelijk — wij moeten ons daar concreet aan vasthouden — dan ligt het voor de hand dat het OM zo veel mogelijk actief zal optreden. Dit zullen wij zo met het OM afspreken. Dit is de beleidslijn, hoewel uiteraard ook zal worden gekeken naar de individuele situatie. Ik hoef bij het OM niet op actief handelen aan te dringen, want de bereidheid daartoe is er. Het is niet noodzakelijk om daar nog eens specifiek op aan te dringen. Dit is bij de totstandkoming van deze wet al aan de orde geweest.

Mevrouw Rebel (PvdA):

De staatssecretaris noemt dat gekeken moet worden of door het OM inderdaad actie wordt ondernomen. Het lijkt mij ook verstandig goed te registreren wanneer er geen actie wordt ondernomen, juist ook in die gevallen waarin dat bijvoorbeeld lastig is en waarin de dwang niet zo overduidelijk is. Die registratie geeft dan, meer dan wij nu weten, wel zicht op de grootte van het probleem. Hoe kijkt de staatssecretaris daar tegenaan?

Staatssecretaris Teeven:

Ik zal hierover nog enkele opmerkingen maken, want mevrouw Rebel heeft vragen gesteld over die registratie. Ik denk dat de registratie wel belangrijk is, maar tegelijkertijd zijn er ook grote handicaps om overal achter te kunnen kijken. Een aantal Kamerleden heeft terecht vragen gesteld over de concrete effectiviteit, naast de normstelling van deze wet. De registratie is inderdaad een probleem. Er zijn echter wel mogelijkheden, omdat ook de ministeries van BZK en Sociale Zaken en Werkgelegenheid een aantal maatregelen hebben genomen. Ik kom hier zo nog op terug.

Zowel mevrouw Rebel als andere sprekers heeft aandacht gevraagd voor de vraag hoe de ambtenaar van de burgerlijke stand gaat vaststellen dat er sprake is van huwelijksdwang. Het is de ambtenaar van de burgerlijke stand die voorafgaand aan de huwelijksvoltrekking persoonlijk contact heeft met de aanstaande echtgenoten. Een aantal Kamerleden heeft al gezegd dat het normaal is als mensen gaan trouwen, dat ze er naar uitkijken en blijheid uitstralen. Dat lijkt normaal te zijn bij een huwelijk, zou je bijna zeggen. In het geval van een dwanghuwelijk zal dit naar verwachting niet het geval zijn of niet helemaal of helemaal niet het geval zijn. De wijze waarop aanstaande echtgenoten zich uitdrukken en de wijze van non-verbaal gedrag spelen een rol bij het signaleren of een huwelijk uit vrije wil wordt gesloten. Ik verwacht dat ambtenaren van de burgerlijke stand in staat zullen zijn, als het zo duidelijk is, om op te merken dat er sprake is van een niet-normale situatie. Als dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven — dit was ook een van de vragen van mevrouw Rebel — zal ik in overleg blijven met de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken om een vinger aan de pols te houden om te zien of zich eventuele knelpunten bij de uitvoering van deze wet gaan voordoen.

Mevrouw Rebel vroeg hier ook naar: wat gaat de ambtenaar van de burgerlijke stand doen als hij of zij twijfelt of er sprake is van huwelijksdwang? Ik denk dat het belangrijk is dat dan met collega's wordt overlegd. Als de twijfel aanhoudt, zal de ambtenaar van de burgerlijke stand uiteraard nadere vragen kunnen stellen aan de aanstaande echtgenoten om zich ervan te vergewissen of het huwelijk uit vrije wil wordt gesloten. Het wetsvoorstel verandert hier helemaal niets aan, want dit gebeurt nu ook al door ambtenaren van de burgerlijke stand. Een ambtenaar van de burgerlijke stand zal ook niet meewerken aan de voltrekking van een huwelijk als hij of zij de overtuiging heeft dat het huwelijk niet uit vrije wil wordt gesloten. Men weigert dan de huwelijksakte op te maken, want de voltrekking van het huwelijk is dan in strijd met de openbare orde. Met dit wetsvoorstel wordt die drang nadrukkelijker gepositioneerd. Het was eerder een veel zwaarder criterium. Als de ambtenaar van de burgerlijke stand , heeft in zo'n situatie uiteindelijk de rechter het laatste woord volgens artikel 27 van Boek 1.

Mevrouw Rebel, de heer De Wit, de heer Bisschop en de heer Schouw staan kritisch tegenover de verklaring onder ede. De vraag is gesteld of ik niet bang ben dat mensen de verklaring onder druk zullen afleggen, terwijl er wel degelijk sprake is van dwang. Ik heb in de schriftelijke beantwoording al iets hierover aangegeven, wat overeenkomt met hetgeen de heer De Wit zei. Anderen waren er sceptisch over en ik heb er natuurlijk zelf ook goed over nagedacht. Ik denk dat het afleggen van een meinedige verklaring voor een aantal mensen een stap is die ze niet zullen zetten. Tegelijkertijd moet ik realistisch zijn. Ik kan niet uitsluiten dat de dwang soms zo groot is dat een slachtoffer er daadwerkelijk toe overgaat om een meinedige verklaring af te leggen. Daar moeten we eerlijk over zijn. Als de dwang echter op een gegeven moment is opgehouden, of iemand heeft eraan kunnen ontkomen, mag worden verwacht dat het slachtoffer zich oriënteert op te nemen stappen. De organisaties die zich bezighouden met hulp aan de slachtoffers kunnen betrokkenen wijzen op artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht. Hierin staat dat betrokkenen beschermd worden tegen strafrechtelijke vervolging wegens meineed, als er daadwerkelijk sprake is van zodanige dwang dat er redelijkerwijs geen weerstand aan geboden kan worden. Dit zal ook een vervolgingsbeletsel zijn, waardoor het Openbaar Ministerie terughoudend zal moeten omgaan met vervolging als de verdenking bestaat dat iemand een meinedige verklaring heeft afgelegd.

De heer Schouw (D66):

Ik zit nog een beetje te kauwen op de uitvoerbaarheid. De ambtenaar van de burgerlijke stand moet straks gaan beoordelen of er al dan niet sprake is van dwang. Dat is nogal een verantwoordelijkheid. Dat kun je niet zomaar, daar moeten competenties voor ontwikkeld worden. Komt er een training of een checklist? Is er iets op bedacht? Anders klinkt het een beetje als "over de schutting gooien".

Staatssecretaris Teeven:

Dat is een terechte vraag. Mevrouw Rebel had hier in haar inbreng ook aandacht voor. Zij vroeg hoe de ambtenaren van de burgerlijke stand signalen van huwelijksdwang kunnen herkennen en hoe dit getraind kan worden. Op 6 januari 2014 hebben de minister van Binnenlandse Zaken en ik aan alle ambtenaren van de GBA, die nu de BRP heet, een circulaire gezonden met aanwijzingen om te voorkomen dat een gezinslid bijvoorbeeld wordt uitgeschreven om in het buitenland te worden uitgehuwelijkt. Dat is iets wat al speelde. Er is ook een e-learningmodule beschikbaar voor ambtenaren van de burgerlijke stand. Door training zullen ambtenaren van de burgerlijke stand in staat zijn om via de e-learningmodule bepaalde signalen te herkennen. Dit is een proces dat niet direct uit zichzelf goed gaat. Daar heeft de heer Schouw een punt. Je moet dus voorkomen dat je het zonder enige training op het bordje van de ambtenaren van de burgerlijke stand neerlegt.

De heer Schouw (D66):

We hebben ook nog de bijzonder ambtenaar van de burgerlijke stand, de babs. Het zijn mensen die een uurtje per week huwelijken voltrekken. Mensen vinden dat prachtig en het hoort bij de Nederlandse traditie. We kunnen van de babs toch niet eisen dat hij deze enorme verantwoordelijkheid op zich neemt? Is dat ook gewisseld tussen het kabinet en de mensen die het moeten uitvoeren?

Staatssecretaris Teeven:

Ik denk dat we de bijzonder ambtenaren van de burgerlijke stand hun taken niet moeten ontnemen. Ik denk dat we in de uitvoering iets moeten vinden, waardoor we deze mensen, die meestal met heel veel plezier en kundigheid huwelijken voltrekken, zo goed mogelijk trainen, zodat ze daar ook kennis van hebben. Voor degene die één keer een huwelijk sluit in tien jaar, is de situatie anders dan voor degene die het regelmatig doet. We moeten hier in de uitvoering naar kijken. We zullen een landelijke database opstellen. Dat was ook een vraag die mevrouw Rebel stelde. We hebben nog even tijd om de landelijke infrastructuur te vervolmaken, voordat de wet wordt ingevoerd. Als de wet door de Kamer wordt aangenomen, moet hij immers nog naar de senaat. Dit aspect zullen we er zeker in meenemen.

Mevrouw Rebel (PvdA):

Ten aanzien van het punt van de buitengewoon ambtenaar wil ik het volgende opmerken. Ik ben op dit moment in een traject verwikkeld om buitengewoon ambtenaar te worden bij het huwelijk van mijn broer. Ik ga ervan uit dat hij zijn huwelijk vrijwillig aangaat … Om het probleem gelijk maar even voor de staatssecretaris op te lossen, wil ik hem erop wijzen dat daarbij ook altijd een ambtenaar van de burgerlijke stand is betrokken. Het is dus niet zo dat een buitengewoon ambtenaar dat alleen kan beslissen. Daarmee heb ik dat probleem tegelijk voor de heer Schouw opgelost.

Ik maak mij nog wel een beetje zorgen over de benadering van de staatssecretaris wat betreft het herkennen van huwelijksdwang. Laat ik het zo zeggen: de grootste glimlachen zijn mij gegeven door vrouwen die zijn mishandeld en die dat ook niet aan mij wilden laten zien. Het is dus niet zo simpel. Ik hecht er dan ook veel waarde aan dat daar heel gericht aandacht voor komt in de training van ambtenaren. Het is nogal een verantwoordelijkheid en het is ook een verantwoordelijkheid om op dat moment te besluiten om niet akkoord te gaan, maar ook om bij twijfel te besluiten wel akkoord te gaan. Het is verder van belang dat de training niet alleen op basis van e-learning is, maar dat er ook met partijen als Pharos en culturele organisaties wordt gekeken naar de wijze waarop dit goed te regelen is. Een ambtenaar krijgt een behoorlijke verantwoordelijkheid. Ik denk dat het wat te simpel is om aan de brede glimlach af te meten of er sprake is van dwang.

Staatssecretaris Teeven:

Mevrouw Rebel heeft daar helemaal gelijk in. Je weet nooit wat er achter de brede glimlach van iemand schuilt, of dat nu de brede glimlach is van iemand die wil gaan trouwen, of de brede glimlach van een Kamerlid of de brede glimlach van een kabinetslid. Je weet nooit helemaal zeker wat daarachter zit. Dat is ook de reden waarom wij meer voorlichting gaan geven over informele huwelijken. Het plan is dat wij met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een aantal van de professionals die mevrouw Rebel ook noemde, gaan informeren over het recht op vrije partnerkeuze, strafbaarheid van huwelijksdwang en het sluiten van bijvoorbeeld een religieus huwelijk zonder een voorafgaand burgerlijk huwelijk. Om de voorlichting goed te doen, horen die zaken daar ook allemaal bij. Het is natuurlijk ook zo dat je moet kijken naar de feitelijke omstandigheden op het moment dat mensen hun voornemen kenbaar maken om een huwelijk te willen sluiten.

Mevrouw Rebel (PvdA):

Mag ik de staatssecretaris verzoeken om, als hij met ambtenaren in gesprek gaat, tot heel concrete richtlijnen met name voor de herkenning door en de toerusting van de ambtenaren te komen en dat ook voor de Kamer inzichtelijk te maken?

Staatssecretaris Teeven:

Ja, wij gaan dat zo concreet mogelijk doen. Die toezegging kan ik zeker aan mevrouw Rebel doen. Wij gaan dat zo concreet mogelijk doen, maar er zitten wel een paar hiccups in de feitelijke uitvoering. Het is niet zo simpel dat je kunt zeggen: ik schrijf het even op en uit en dan gaat het ook allemaal goed lopen. Het zal ook werkenderwijs moeten worden geperfectioneerd, om het zo maar te zeggen, en dat zeg ik met een brede glimlach.

Mevrouw Rebel (PvdA):

Kunnen wij dan ook van de hiccups op de hoogte worden gesteld?

Staatssecretaris Teeven:

Zeker.

De taken van de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand waarover de heer Schouw sprak, zijn natuurlijk limitatief omschreven in artikel 16a van het Burgerlijk Wetboek. Het afnemen van de beëdigde verklaring die uit vrije wil wordt gesloten, staat niet bij de taken van die ambtenaar. Wel is het zo dat als bij de buitengewoon ambtenaar vermoedens bestaan, iemand anders kan worden ingeschakeld om de beëdigde verklaring af te nemen. De reden waarom de buitengewoon ambtenaar dat niet kan doen, is dat het vaak familieleden zullen zijn en je dan met het afnemen van de beëdigde verklaring natuurlijk een beetje van de regen in de drup komt. Dat is ook de reden waarom wij niet in de wet hebben opgenomen dat de buitengewoon ambtenaar de beëdigde verklaring kan afnemen. Ik zeg dat nog even tegen de heer Schouw.

Mevrouw Rebel heeft gerefereerd aan de goede ervaringen met Home Empowerment in Amsterdam, waar potentiële slachtoffers van huwelijksdwang worden geholpen. De overheid moet dit soort ontwikkelingen ondersteunen en faciliteren. Er zijn al vrij veel ervaringen mee opgedaan en die onderschrijven dat het van binnenuit versterken van die groep van potentiële slachtoffers heel effectief kan zijn. Een pilot opstarten om die goede ervaringen in beeld te brengen is in dat opzicht niet nodig, want die zijn er al. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de aanpak van geweld en afhankelijkheidsrelaties en dus ook voor de problematiek van eergerelateerd geweld, huwelijksdwang en verborgen vrouwen.

Het zijn de mensen in de wijken, de zelforganisaties, de sleutelpersonen, de vrijwilligers en allen die ermee bezig zijn vanuit hun netwerk, die de signalen in de wijk kunnen opvangen en dus met laagdrempelige activiteiten vrouwen kunnen bereiken en meer weerbaar kunnen maken. Mevrouw Rebel zei dat al en zij vroeg daar terecht aandacht voor. Als er signalen zijn, worden die doorgegeven aan het landelijk meldpunt. Het is goed dat de Steunpunten Huiselijk Geweld in hun huidige vorm of functie daarmee doorgaan. Wie het landelijk nummer belt, komt terecht bij het Steunpunt Huiselijk Geweld in de regio. Bij direct gevaar of strafbare feiten kan natuurlijk de politie worden benaderd.

Mevrouw Rebel heeft mij nog gevraagd of de vreemdelingencirculaire wordt gewijzigd om ervoor te zorgen dat slachtoffers van huwelijksdwang voortgezet verblijf in Nederland kunnen krijgen. Daar kwam haar vraag in het kort op neer. In het geval dat een afhankelijke verblijfsvergunning wordt verbroken binnen vijf jaar, zijn er twee humanitaire mogelijkheden voor voortgezet verblijf op grond van geweld binnen de relatie. Er is een verblijfskader voor voortgezet verblijf bij eergerelateerd geweld en huiselijk geweld en er is een humanitair vangnet voor voortgezet verblijf van alleenstaande vrouwen. De vreemdelingencirculaire behoeft dus niet te worden gewijzigd in de zin dat beleid zou moeten worden gewijzigd, want dat bestaat al. Wel zal na de aanvaarding van dit wetsvoorstel de vernietiging van een dwanghuwelijk als bewijsmiddel voor geweld binnen de relatie aan de vreemdelingencirculaire worden toegevoegd. Daarmee wordt ook bewezen huwelijksdwang toegevoegd aan het bestaande beleidskader voor huiselijk geweld. De IND volgt en beoordeelt dus niet of sprake is van een dwanghuwelijk, maar de IND volgt hierin het oordeel van de rechter. Tot aan de inwerkingtreding van de wet wordt een aanvraag voor voortgezet verblijf van iemand die stelt de relatie te hebben verbroken in verband met een dwanghuwelijk, beoordeeld op de algemene humanitaire gronden voor alleenstaande vrouwen zoals op dit moment al gebeurt in het kader van de Vreemdelingenwet. Na wetswijziging blijft het algemene humanitaire vangnet het toetsingskader voor gevallen waarin een dwanghuwelijk wordt gesteld, maar niet door vernietiging vaststaat dat een dwanghuwelijk is gesloten.

Ik wil tegen mevrouw Rebel nog wel een opmerking maken als het gaat om de deskundigheid van ambtenaren van de burgerlijke stand. Die bestaat nog wel. Haar zorg is terecht en wordt door het kabinet ook wel gedeeld. Vorig jaar is een nieuwe circulaire over dit onderwerp opgesteld. Die is eind december 2013 verspreid onder de gemeenten. Zo nodig zal ik in overleg treden met de minister van Binnenlandse Zaken en de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken over de vraag of nog aanvullende trainingen nodig zijn. Wij laten dit niet zwemmen en maar gebeuren. Wij zullen bekijken hoe de zaken zich ontwikkelen. Als aanvullende trainingen nodig zijn, overleggen wij dat ook met de NVVB.

De heer De Wit en mevrouw Rebel vroegen wat het plan van aanpak preventie heeft opgeleverd. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal de Kamer nog informeren over de voortgang en de voortzetting van dit plan. De resultaten van het onderzoek naar de omvang van de huwelijksdwang zal ik voor het zomerreces naar de Kamer sturen. Dit betreft dan tevens de omvang van de huwelijkse gevangenschap en achterlating. Dat zit ook in dat onderzoek.

Ik kom op de vraag die de heer De Wit mij zojuist bij interruptie stelde. Zijn vraag was waarom er geen cijfers bekend zijn over het aantal gedwongen huwelijken. Het onderwerp laat zich buitengewoon lastig in kaart brengen. Dat is ook mijn ervaring in de contacten die ik met een aantal organisaties heb gehad. Het is ook eerder onderzocht, niet alleen in Nederland maar ook in andere landen. Het eerste onderzoek dat nu loopt in het kader van de twee onderzoeken, is dat van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar de aard en omvang van huwelijksdwang, achterlating en huwelijkse gevangenschap. Dat onderzoek wordt uitgevoerd door het Verwey-Jonker Instituut in samenwerking met de onderzoeksgroep van de Universiteit Maastricht. Daarvan is de verwachting dat het op 1 juni wordt opgeleverd. Verder heeft de onderzoeksgroep van Universiteit Maastricht nog een NWO-subsidie ontvangen voor twee deelonderzoeken. Het gaat om een empirisch onderzoek naar de aard van de problematiek van huwelijkse gevangenschap in Nederland en een onderzoek naar de juridische instrumenten om situaties van huwelijkse gevangenschap te voorkomen en aan te pakken. Aan deze deelonderzoeken verlenen ook belangenorganisaties en religieuze gemeenschappen hun medewerking. Dat onderzoek gaat nu snel van start, maar het heeft wel een langere looptijd. Het gaat om een looptijd van vijf jaar, waarbij er na de eerste twee jaar een deelrapportage zal komen.

De heer Segers heeft mij gevraagd of ik wil wachten op de cijfers voordat er wordt gestemd. De eerste cijfers worden in juni verwacht, maar de uitkomsten van het grote onderzoek zullen dus pas later komen. De discussie over dit onderzoek loopt al heel lang. Ik heb ook gezegd dat dit het sluitstuk — of een sluitstukje — is van tal van maatregelen die we op dit terrein hebben genomen. Ook gezien het belang van de normstelling moeten we in mijn visie niet weer gaan wachten op dat onderzoek, want het zal niet een heel ander beeld geven dan dat wat wij vandaag met elkaar wisselen in de Kamer.

De heer De Wit (SP):

Ik kom even terug op de twee onderzoeken die de staatssecretaris zojuist noemde, met name dat over de kwestie van de huwelijkse gevangenschap. Komt daarin dan ook de vraag aan de orde die de staatssecretaris in zijn brief aan de Kamer heeft gesteld en waarop ikzelf ook geduid heb? Het betreft dan de vraag of er een oplossing mogelijk is, bijvoorbeeld naar Nederlands recht, waarbij de rechter een rol vervult. Is dat ook uitdrukkelijk onderdeel van dat onderzoek, dat daar een antwoord op komt en dat daar voorstellen over komen?

Staatssecretaris Teeven:

Een van de twee deelonderzoeken is het onderzoek naar de juridische instrumenten om situaties van huwelijkse gevangenschap te voorkomen en aan te pakken, dus precies datgene waarnaar de heer De Wit vraagt. Als de heer De Wit aan mij zou vragen — dat doet hij niet — of ik heel verwachtingsvol ben op dat punt en of ik denk dat er heel veel mogelijk is, dan zou ik zeggen dat ik denk dat het heel ingewikkeld is om dit juridisch aan te pakken. Ik zie niet zo een-twee-drie een heel makkelijke mogelijkheid om huwelijkse gevangenschap juridisch aan te pakken, ook al niet omdat wij in zaken vaak te maken hebben met landen die geen lid zijn van de Haagse Conferentie. Je kunt er dus geen internationaal vervolg aan geven, omdat deze landen geen deel uitmaken van de Haagse Conferentie.

De heer De Wit (SP):

In aansluiting daarop heb ik een vraag die hiermee te maken heeft. Ik hoor van Femmes for Freedom dat er bij de politie en ook bij het Openbaar Ministerie en officieren van justitie niet meteen alarmbellen gaan rinkelen op het moment dat iemand spreekt over huwelijkse gevangenschap. We hebben het al over de ambtenaar van de burgerlijke stand gehad, maar moeten we er niet voor zorgen dat ook bij de politie en het Openbaar Ministerie meer kennis ontstaat over dit probleem? De slachtoffers krijgen nu vaak de indruk dat ze niet serieus worden genomen. Een organisatie zoals Femmes for Freedom moet dan inspringen en zeggen dat er iets aan de hand is. Het gaat mij dus om de kennis en de deskundigheid bij de politie en het Openbaar Ministerie.

Staatssecretaris Teeven:

De heer De Wit heeft een aangelegen punt. Uit mijn contacten met Femmes for Freedom heb ik dezelfde indruk opgedaan als de heer De Wit, dus dat bij slachtoffers of vrouwen die zich in zo'n situatie bevinden, lang niet altijd de indruk bestaat dat het van de zijde van de politie en het Openbaar Ministerie wordt herkend. Er zijn natuurlijk tal van ontwikkelingen op het terrein van afhankelijkheidsrelaties en huiselijk geweld. Dwang wordt nu daarbij ondergebracht. Langs deze civielrechtelijke maatregel maken we de grond voor het ontbinden van huwelijken groter. Dwang of een strafrechtelijke aanpak kan dus ook het verlengde zijn van de civielrechtelijke aanpak. Dit hoeft niet altijd het eindje te zijn, maar dit zou ook nog weleens het begin kunnen zijn van een strafrechtelijke aanpak. We moeten dat in de keten wel versterken. Ik neem de opmerking van de heer De Wit dus zeker mee en zal haar ook onder de aandacht brengen van het Openbaar Ministerie en de politieleiding. De heer De Wit vraagt terecht aandacht voor dit punt. Ook uit mijn contacten met de organisaties komt dit naar voren.

Ik heb al gesproken over de vragen van de heren De Wit en Van Oosten — ik heb die in bespreking van vragen van andere leden behandeld — over hoe de ambtenaar van de burgerlijke stand gaat vaststellen dat aanstaande echtgenoten wel of niet neef en nicht van elkaar zijn. Bij de huwelijksaangifte zal ze worden gevraagd of er sprake is van een neef-nichtrelatie en zo ja, dan zal aan hen worden gevraagd om onder ede te verklaren dat ze vrije toestemming tot het huwelijk geven. Zonder die verklaring kan het huwelijk niet worden voltrokken.

De heren Van Oosten en De Wit en mevrouw Helder hebben eigenlijk allemaal opmerkingen gemaakt over wat het kabinet nou kan doen om te voorkomen dat onder dwang in het buitenland gesloten neef-nichthuwelijken in Nederland moeten worden erkend. Wat bereiken we eigenlijk met deze wet als je toch dat soort huwelijken moet erkennen? Ik denk dat ik moet wijzen op het Verdrag inzake de voltrekking en de erkenning van de geldigheid van huwelijken, waarin een limitatieve opsomming is opgenomen van gronden waarop in het kader van de openbare orde erkenning aan een huwelijk onthouden kan worden. In die opsomming komt het neef-nichthuwelijk niet voor. Als de erkenning van een neef-nichthuwelijk om een andere reden onverenigbaar is met de openbare orde, bijvoorbeeld omdat het onder dwang gesloten is, dan kunnen en zullen wij daar erkenning aan onthouden, maar we kunnen met die openbare-orde-exceptie dus zeker ook erkenning weigeren van een neef-nichthuwelijk dat onder dwang is gesloten. Dat geldt echter voor elk huwelijk, zeg ik tegen de vragenstellers. Die huwelijken erkennen we nu ook niet en dat is straks niet anders. Alle huwelijken die in het buitenland onder dwang zijn gesloten zullen we in Nederland niet erkennen op het moment dat dat komt vast te staan.

De voorzitter:

De heer Van Oosten twijfelde even, maar springt toch uit zijn stoel op.

De heer Van Oosten (VVD):

Ik twijfelde even omdat ik niet wist of de staatssecretaris klaar was.

Staatssecretaris Teeven:

Nee, dat ben ik niet, maar ik zag mevrouw Helder overeind komen en daarom viel ik even stil.

De heer Van Oosten heeft er moeite mee — ik zie hem nu opstaan — dat andere landen ons homohuwelijk niet erkennen en dat wij neef-nichthuwelijken wel moeten erkennen. Volgens mij is dat de opmerking die hij heeft gemaakt. Ik snap de grote zorgen — frustratie was het volgens mij niet — maar dat heeft natuurlijk wel te maken met de openbare orde van die landen. Wat een land in strijd acht met de openbare orde is natuurlijk niet in elk land hetzelfde. Wij vinden bijvoorbeeld dat polygame huwelijken, als die raakvlakken hebben met de Nederlandse rechtsorde, in strijd zijn met de openbare orde. Er worden op de wereld ook huwelijken gesloten met heel jonge meisjes, van bijvoorbeeld 10 jaar, maar die erkennen wij niet, omdat dat in strijd is met onze openbare orde. Ik vertel denk ik ook niets nieuws als ik zeg dat er diverse landen op de wereld zijn, verreweg het merendeel, waar een huwelijk tussen twee personen van gelijk geslacht in strijd met de openbare orde wordt geacht en dat wordt daar dus ook niet erkend. Juist met die openbare-orde-exceptie kunnen landen bepaalde zaken buiten de deur houden. Dat is precies wat er op dit moment gebeurt. Nederland doet dat dus ook als het echt niet anders kan. Dat neemt overigens niet weg, om bij het voorbeeld van het homohuwelijk stil te blijven staan, dat wij in internationale contacten de afgelopen 25 jaar steeds dat onderwerp hebben besproken. We gaan daar ook mee door en we zien natuurlijk wel, door die internationale contacten en alle investeringen die wij, en ook voorgaande kabinetten, daarin doen, dat in steeds meer landen het homohuwelijk is erkend. Het heeft dus wel degelijk waarde om die internationale contacten te blijven aanboren, maar de andere kant van het verhaal is dat andere landen ons ook niet altijd zullen volgen.

Dan heeft de heer De Wit mij gevraagd of slachtoffers van huwelijksdwang die de beëdigde verklaring in strijd met de waarheid hebben afgelegd, niet het risico lopen dat ze worden vervolgd. Ik heb daar al over gezegd dat dat natuurlijk niet het geval is als er sprake is van overmacht. Artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht is daar gewoon duidelijk in en het Openbaar Ministerie zal altijd bezien of die situatie zich voordoet.

De heer Van Oosten (VVD):

Ten aanzien van onze erkenning van het homohuwelijk valt natuurlijk nog het nodige te doen; dat begrijp ik heel goed. Ik heb goed geluisterd. In de Nederlandse wet introduceren wij een verbodsbepaling op neef-nichthuwelijken. Hoe zorgen wij ervoor dat wij niet in de situatie terechtkomen waarin die verbodsbepaling wordt omzeild door in het buitenland te huwen?

Staatssecretaris Teeven:

Dat kunnen wij niet voorkomen, anders dan dat wij op het moment dat zo'n huwelijk in Nederland erkend moet worden, constateren dat er sprake is van dwang. Op dat moment kunnen wij niet weigeren het huwelijk te erkennen. Wij kunnen wel zeggen dat wij het in Nederland niet willen, maar wij kunnen niet een in het buitenland gesloten huwelijk hier niet erkennen. Dat is niet mogelijk. Dit probleem kan ik dus niet oplossen. Het heeft te maken met internationaal privaatrecht.

De heren De Wit en Schouw hebben mij aangespoord om het beleid in te zetten op de wederzijdse erkenning van de ontbinding van huwelijken. Beiden hebben gerefereerd aan heel veel mogelijkheden. Wij denken dat wij het internationale overleg over de erkenning van huwelijken moeten voortzetten. Wij moeten proberen de openbare-orde-excepties binnen de landen die zijn aangesloten bij de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht, zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Zelfs tussen landen binnen de Europese Unie zijn er echter grote verschillen rond de invulling van de openbare-orde-exceptie.

De heer De Wit vroeg mij om de dialoog met landen buiten de EU aan te gaan om de erkenning van Nederlandse echtscheidingen in die landen te vergemakkelijken. Dat zullen wij zeker doen, maar wij gaan wel eerst bekijken wat er uit de lopende onderzoeken over de aard en de omvang van huwelijksdwang komt. In die onderzoeken wordt uitdrukkelijk beoogd om oplossingsrichtingen te zoeken om vrouwen een weg te bieden om uit situaties van huwelijkse gevangenschap te geraken. Als wij een goed beeld hebben van de mogelijkheden en de onmogelijkheden, dan zullen wij nader bezien of aanvullende maatregelen nodig zijn om de vrouwen te helpen. Wij blijven in contact met hen die zich ook in Nederland buitengewoon inspannen voor dit onderwerp, want er zitten mensonterende situaties bij.

De heren Segers en Bisschop hebben gevraagd waarom ik de uitzonderingen op de minimumhuwelijksleeftijd afschaf en geen dispensatiemogelijkheid bied. Ik ben daar net al op ingegaan bij de beantwoording van de vragen van de heer Schouw. Als je als norm stelt dat je geen kindhuwelijken wilt en je ook kindhuwelijken uit het buitenland wilt kunnen verbieden, dan moet je vooral geen dispensatie geven. Dan ondermijn je immers het beleid.

De heer Segers heeft mij gevraagd of niet weer, zoals voor 1970, in de wet moet worden opgenomen dat de vrije huwelijkstoestemming tot het wezen van het huwelijk behoort. Ik denk dat dat niet noodzakelijk is. De vrije huwelijkstoestemming behoort tot het wezen van het huwelijk. Dat is ongeschreven recht. Ook staat dat in een aantal verdragen waarmee het geldend is voor Nederland. Het staat in het Verdrag inzake de huwelijkstoestemming, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en uiteraard in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. In het geval van dreiging van huwelijksdwang — ook een vraag van de heer Segers — kan in een uiterst geval een ots worden opgelegd. Die mogelijkheid is er op dit moment al. De wet meldcode en de daarmee verband houdende trainingen zullen ook bijdragen aan een betere signalering van de problematiek.

Ik kom nu op een aantal vragen die mevrouw Helder in haar inbreng heeft gesteld. Kan een in het buitenland gesloten huwelijk wegens dwang nietig worden verklaard door de Nederlandse rechter? Dat hangt natuurlijk af van het op het huwelijk toepasselijke recht. Het buitenlandse rechtsstelsel bepaalt ook de sanctie op overtreding van toepasselijke materiële en formele huwelijksvereisten. Als het buitenlandse recht dat van toepassing is op de huwelijkssluiting de mogelijkheid kent van nietigverklaring, dan moet de Nederlandse rechter het buitenlandse recht toepassen in het al dan niet uitspreken van een nietigverklaring. Dat buitenlandse recht bepaalt voor de Nederlandse rechter wat de gevolgen zijn. Echtscheiding kan altijd als een van de echtgenoten in Nederland woont. In die situatie kan er altijd worden gescheiden.

Mevrouw Helder (PVV):

De staatssecretaris begint nu een beetje op de minister te lijken. Dat was namelijk net ook mijn inbreng. Bij het afwikkelen volgens het buitenlandse recht en bij de vraag of het huwelijk nietig verklaard kan worden, kom je in de problemen als het gaat om islamitische landen waarin de shariawetgeving geldt. Daar is het voor een vrouw bijna onmogelijk om onder een huwelijk uit te komen, laat staan onder een huwelijk dat onder dwang is gesloten. Daarvan bestaan misschien wel geen cijfers maar er zijn wel rapporten waaruit blijkt dat dat wel degelijk voorkomt. Het probleem is nu juist dat het volgens het buitenlandse recht moet gebeuren. Daarom stelde ik de staatssecretaris de vraag: zou niet standaard moeten gelden dat die huwelijken hier niet erkend worden? Dan zou men in vrije wil hier moeten trouwen om volgens het Nederlandse recht getrouwd te zijn. Dan geldt ook het Nederlandse recht als zij willen scheiden.

Staatssecretaris Teeven:

Ik sta al een tijdje te betogen vanochtend dat dat natuurlijk niet kan. Juist omdat we zijn aangesloten bij de Haagse Conferentie en daarin is afgesproken dat we op sommige onderdelen elkaars recht erkennen, gaat dat niet. Je kunt wel altijd van elkaar scheiden als een van beide echtgenoten in Nederland woont. Dan is het Nederlandse recht van toepassing en heeft de Nederlandse rechter altijd de mogelijkheid om dat ook daadwerkelijk toe te passen.

Mevrouw Helder (PVV):

Daarmee kom ik bij wat ik in eerste termijn al een beetje als conclusie noemde. Het komt dan bijna neer op symboolwetgeving, want juist de problematische groep die wij hiermee willen helpen, blijft in de kou staan. Alle verdragen ten spijt hadden we aan dat punt nooit moeten beginnen. Op dat punt zijn we de soevereiniteit kwijt en kunnen we de slachtoffers ook nauwelijks beschermen.

Staatssecretaris Teeven:

Het punt van die Haagse Conferentie en de erkenning daarvan is dat Nederlandse vonnissen, uitspraken en huwelijken, en zelfs het homohuwelijk, in tal van landen in Europa en buiten Europa worden erkend. Dat is de meerwaarde van zo'n conferentie. Je hebt tegens en je hebt voors. Mevrouw Helder zegt "we hadden nooit die verdragen moeten sluiten", maar dat is echt veel te kort door de bocht. Als dat niet was gedaan, dan hadden we de zekerheid gehad dat huwelijken tussen homo's en lesbiennes in de rest van de wereld nooit erkend zouden worden. Laten wij dat realistisch bekijken. Laten wij ook constateren dat een groot aantal landen niet is aangesloten bij de Haagse Conferentie.

Daarmee kom ik meteen op de volgende vraag van mevrouw Helder, te weten of de nietigverklaring door de Nederlandse rechter overal wordt erkend. Daarvoor geldt hetzelfde als voor de echtscheiding. Sommige landen zoals Pakistan en Iran erkennen onze echtscheiding niet. Wij veranderen dit niet vanuit Den Haag en ik heb dat ook overgehouden uit mijn contacten met Femmes for Freedom. Dat geldt ook voor onze nietigverklaring. Iemand van wie de echtscheiding hier is uitgesproken, blijft een probleem hebben op het moment dat zij naar Iran of naar Pakistan gaat. Zolang die landen niet deelnemen aan het internationaal overleg met betrekking tot de erkenning van elkaars rechtsstelsels, blijft dit natuurlijk een probleem. Je stapt dan niet zelf uit het verdrag, want er zitten ook heel veel goede kanten aan die Haagse Conferentie die wij graag willen behouden.

Mevrouw Helder heeft gevraagd of bij de verblijfsaanvraag kan worden getoetst op polygamie. Een van de voorwaarden voor de toelating van gehuwde migranten in het kader van gezinshereniging is dat er een rechtsgeldig huwelijk is gesloten. In de landen die polygamie kennen, is een polygaam huwelijk rechtsgeldig. In het toelatingsbeleid wordt echter de voorwaarde gehanteerd dat slechts een van de echtgenotes en de uit haar geboren kinderen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor gezinshereniging. Toelating van een van de andere echtgenotes is alleen mogelijk, indien het huwelijk met de eerder toegelaten vrouw is ontbonden. Het is wel mogelijk voor die andere echtgenotes en kinderen met een visum in te reizen om de echtgenoot en de vader te bezoeken, maar dan moeten zij wel voldoen aan de visumvoorwaarden. Onder die voorwaarden zal het visum niet worden verleend, als er sprake is van vestigingsgevaar. Dat doemt dan niet eens achter de horizon, maar zelfs boven de horizon levensgroot op als mensen zich hier willen vestigen. Wij zullen het visum dan niet verlenen.

Ik heb in oktober 2012 toegezegd dat in de eerste helft van 2013 een nieuwe aanwijzing van het Openbaar Ministerie komt inzake het geweld in afhankelijkheidsrelaties. Mevrouw Helder heeft gevraagd of die aanwijzing er al is. Die aanwijzing is er nog niet, maar die wordt voor mei verwacht. Ik ben er te laat mee, dus mevrouw Helder legt terecht de vinger op de zere plek. Dat laat onverlet dat de huidige aanwijzing huiselijk en eergerelateerd geweld ook van toepassing is op fenomenen zoals achterlating en huwelijksdwang voor zover die in verband staan met een eerconflict.

Mevrouw Helder heeft gevraagd of iemand die is veroordeeld voor huwelijksdwang uitgesloten kan worden van het recht om een nieuwe partner uit het buitenland te halen. Als de voor huwelijksdwang veroordeelde persoon een verblijfsvergunning heeft, dan kan bij de veroordeling worden bezien of het verblijfsrecht van die persoon moet worden ingetrokken. Hiervoor geldt gewoon het openbare-ordebeleid van het kabinet. Aan personen met de Nederlandse nationaliteit kan niet worden verboden om een nieuwe partner uit het buitenland te laten overkomen. Wel zal de veroordeling een indicator zijn om bij de aanvraag nauwkeurig te bezien of er sprake is van huwelijksdwang.

Mevrouw Helder heeft een vraag gesteld over de registratie bij de politie. Registratie van huwelijksdwang is vooralsnog niet mogelijk bij de politie; mevrouw Rebel sprak daarover. Mijn toezegging dat dit zal worden geregeld zodra de ICT-systemen van de politie daartoe geschikt zijn, zal ik gestand doen. Ik heb dat ook aangegeven tijdens het betreffende debat over het strafrechtelijk voorstel.

De heer Van Oosten heeft specifiek gevraagd of de wetgeving in de Verenigde Staten om de huwelijkse gevangenschap aan te pakken geen bruikbaar alternatief is in Nederland. Het echtscheidingsrecht en de rol van de rechter daarin in de Verenigde Staten zijn niet goed vergelijkbaar met het echtscheidingsrecht in Nederland. Bij ons kan eenieder scheiden, ook als de andere echtgenoot dat niet wil of als die dat alleen maar wil als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. In een "common law"-systeem is de rol van de rechter natuurlijk anders. Die kan bijvoorbeeld bepalen dat er geen sprake kan zijn van echtscheiding, als niet aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Bijvoorbeeld in New York kan een voorwaarde zijn dat de man eerst moet zorgen voor een echtscheiding in het land van herkomst. Zo zit het in dat systeem in elkaar. Daar moet je eerst aan voldoen. Maar dat is natuurlijk niet altijd in het belang van een vrouw in huwelijkse gevangenschap. Zoiets kan ook heel contraproductief werken.

Het belemmeren van een civiele echtscheiding in afwachting van een eventuele ongedaanmaking van een religieuze verbintenis kan een adequaat drukmiddel zijn, zeg ik tegen de heer Van Oosten. Het kan mensen echter ook veel verder van huis brengen, want als je dat invoert, kan er ook een situatie ontstaan dat de echtgenote juist langer gevangen blijft in een burgerlijk huwelijk.

Het opwerpen van drempels in echtscheidingsrecht heeft ook het gevaar dat echtgenoten elkaar om heel andere redenen gevangen houden. Ik denk bijvoorbeeld aan financiële problemen die moeten worden opgelost voordat je aan een echtscheiding kan toekomen. Die weg moeten we niet volgen.

Tot slot kom ik aan de vragen van de heer Bisschop. De heer Bisschop heeft gevraagd of de meerderjarigverklaring wordt afgeschaft. Hij noemde artikel 253ha van Boek 1. Nee, die wordt gehandhaafd. Als een 17-jarige moeder zelf het gezag wil en de rechter daar vertrouwen in heeft, zal deze de meerderjarigverklaring uitspreken.

De heer Bisschop vroeg waarom er geen beëdigde verklaring nodig is bij een verhoogd risico. Dat zou te veel verantwoordelijkheid leggen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Die zou dan moeten zeggen: u wilt trouwen, maar ik vind dat u tot de risicogroep behoort en om die reden moet er een verklaring komen. Dat wordt een heel subjectief gebeuren.

Tot slot de vraag van de heer Bisschop of binnen een geregistreerd partnerschap polygame relaties mogen worden gesloten. Nee, want de regeling op het huwelijk is van overeenkomstige toepassing op het geregistreerd partnerschap.

Ik heb nog een reactie op de opmerkingen van mevrouw Rebel en de heer Van Oosten over de evaluatie. Het is goed om de wet te evalueren om te bezien wat de effecten van de maatregelen zijn. In een amendement wordt gevraagd om de wet binnen vier jaar te evalueren en de Kamer daarvan verslag te doen. Ik heb een iets langere periode in het hoofd. Een amendement is niet nodig. Ik kan toezeggen dat ik de wet zal evalueren, maar als de Kamer een amendement nodig vindt, laat ik het oordeel daarover aan de Kamer.

Ik denk dat ik daarmee alle vragen heb beantwoord in eerste termijn.

De voorzitter:

Mevrouw Helder denkt daar anders over.

Mevrouw Helder (PVV):

Het kan zijn dat ik wat gemist heb terwijl ik druk aan het schrijven was, maar volgens mij zijn twee vragen van mij niet beantwoord. Ik heb gevraagd naar de handhavingsproblemen bij het niet erkennen van een polygaam huwelijk als dit gesloten is door een persoon die de nationaliteit heeft van een land waar ze het polygaam huwelijk ook niet erkennen. In dat kader heb ik als voorbeeld genoemd dat Turkije polygame huwelijken wil gaan toestaan om rijke personen uit Saudi-Arabië daar te laten trouwen en zich daar te laten vestigen. Dat was een vraag. Mijn tweede vraag die niet is beantwoord is waarom ten tijde van het sluiten van het huwelijk de verblijfplaats in Nederland niet wordt gebruikt. Ik heb daar vragen over gesteld. Ik kan ze ook in tweede termijn stellen, want ik zie de staatssecretaris zijn wenkbrauwen optrekken. Ik vind dan wel dat dit niet ten koste van mijn tijd moet gaan, want ik had daar een hele alinea over.

De voorzitter:

Ja. U had ook nog een openstaande vraag, mijnheer De Wit?

De heer De Wit (SP):

Ja, ik heb geen antwoord gekregen op mijn vraag of de staatssecretaris bekend is op welke wijze in de ons omringende landen met het verschijnsel van huwelijksdwang wordt omgegaan. Is daar soortgelijke wetgeving getroffen?

Staatssecretaris Teeven:

Ik kom daar in tweede termijn op terug.

De voorzitter:

Op alle drie de vragen?

Staatssecretaris Teeven:

Op alle drie de vragen.

De voorzitter:

Dat kan. Dan zijn we aan het einde van de eerste termijn. We gaan gelijk door met een korte tweede termijn.

Mevrouw Rebel (PvdA):

Voorzitter. Allereerst dank aan de staatssecretaris voor de uitgebreide beantwoording. Ik heb een aantal heel goede dingen gehoord. Wij zijn vandaag inderdaad bezig met een onderdeel van het tegengaan van huwelijksdwang. De wet is, wat mij betreft, een manier om de meest kwetsbare groepen en de groepen waarvan wij het vermoeden hebben dat ze het grootste risico lopen, te ondersteunen.

Nogmaals, met ingang van deze wet zijn registratie en een nulmeting erg belangrijk. Een van de twijfelpunten die ik van meerdere partijen in de Kamer heb gehoord, is het volgende. Hoewel wij allemaal vermoedens hebben en het erover eens zijn dat elk geval er een te veel is, moeten wij kunnen komen tot een betere registratie waarbij het ook belangrijk is om niet alleen te kijken naar welke gevallen van stuiten en nietig-verklaren er uiteindelijk zijn, maar ook naar twijfelgevallen en meldingen bij de politie; de hele keten moet daarbij worden betrokken. Ik wil graag meegeven aan de staatssecretaris om daar heel goed naar te kijken, met name naar de verzameling, ook landelijk. Een van de problemen nu is namelijk dat gemeentes op verschillende manieren registeren. Wij hebben dus geen gegevens in handen over de grootte van de groep.

Ik ben blij met wat de staatssecretaris heeft aangegeven over het in de vreemdelingencirculaire opnemen van een oordeel over vernietiging van een dwanghuwelijk. Wel wil ik daarbij aantekenen dat er, waar dat niet bewezen is door de rechter, ook slachtoffers zijn, die kwetsbaar zijn en van wie wij niet moeten willen dat ze teruggaan naar een situatie in het land van herkomst waarin zij mogelijk tegen nog grotere problemen aanlopen. Ik begrijp dat er redenen voor humanitair verblijf zijn, maar dat is vaak een heel moeilijk toegankelijke weg. Het is goed om daarbij niet de moeilijkste weg te kiezen voor de meest kwetsbare slachtoffers.

Wij hebben het even kort gehad over de training van ambtenaren. De staatssecretaris geeft aan dat hij het belang daarvan erkent, maar dat dat ingewikkeld is. Nogmaals, ook hiccups moeten wij benoemen. Juist als ambtenaren met deze belangrijke taak starten, is het goed om vanaf het begin helder te hebben welke problemen er spelen en hoe daarop geanticipeerd wordt, ook voor ons als Kamer. Wij moeten zo veel mogelijk inzetten op informatie over wat er nodig is en op partijen erbij betrekken die daar informatie over hebben.

Ten slotte zijn wij in Nederland, zoals ook door verschillende collega's is benadrukt, niet de enigen die hiermee te maken hebben. Wij moeten dus inzetten op de internationale dialoog. Ik wil nogmaals mevrouw Musa van Femmes for Freedom aanhalen: dat bijvoorbeeld het Marokkaanse familierecht is aangepast onder invloed van de internationale dialoog, die zeker ook vanuit Nederland is gevoerd, is juist een goede uitkomst. Wij moeten misschien niet zozeer beginnen met het wettelijk vastleggen van het tegengaan van dwanghuwelijken, als wel komen tot het uniformer regelen ervan.

De heer De Wit (SP):

Voorzitter. Ik begin met de omvang van het probleem. Dat was ook de meest voorkomende vraag in dit debat. De staatssecretaris heeft er gelijk in dat heel moeilijk is vast te stellen dat er sprake is van dwang, omdat natuurlijk niet iedereen dat ruiterlijk toegeeft. Dat is nou net het probleem. Ik vind het wel jammer dat wij het onderzoek, dat er in ieder geval nog voor de zomer zal komen, niet eerder hebben gehad. Ik ben het wel met de staatssecretaris erover eens dat, als het bij wijze van spreken maar in één geval per jaar zou voorkomen, dat natuurlijk voldoende aanleiding is om daar maatregelen tegen te treffen omdat dat ernstig genoeg is.

Het tweede punt dat ik nog wil vermelden, is dat ik van de staatssecretaris heb begrepen dat neef-nichthuwelijken die in het buitenland worden gesloten, in ieder geval wel in Nederland erkend worden, maar dat in geval van dwang ook daar de mogelijkheid open staat om hier in Nederland wat te ondernemen.

Het laatste punt waarbij ik stil wil staan, betreft de huwelijkse gevangenschap. De staatssecretaris heeft aangegeven dat er in het kader van de Haagse Conferentie nog steeds mogelijkheden bestaan om dit punt aan de orde te stellen. Ik verwacht en ga ervan uit dat dit ook gebeurt. De internationale verdragen zijn een wat moeilijker punt, maar de staatssecretaris heeft gezegd dat daarnaar zal worden gekeken, hoe vaag dat dan ook is. Maar er lopen in ieder geval een onderzoek en verschillende deelonderzoeken, die wat langer zullen duren. Ook daar ben ik blij mee, maar het punt is dat ze zeker niet voor de zomer zullen zijn afgerond. Dat brengt mij tot de vraag of de staatssecretaris er iets in ziet. Het is een moeilijk punt om van hieruit tegen de rechter te zeggen: gij zult dit of gij zult dat. Maar de suggestie die ik heb gedaan is dat de rechter in de eindbeschikking ook een opdracht verleent aan de partijen om mee te werken aan de totstandkoming van de echtscheiding in het buitenland. Mogelijk biedt dat een aanknopingspunt. Los van de onderzoeken die lopen, waarnaar ik heel erg benieuwd ben, vraag ik of dit op dit moment een begaanbare weg is voor de staatssecretaris.

Ten slotte dank ik de staatssecretaris voor de toezegging dat hij bij politie en het parket aandacht zal vragen voor het probleem waarmee de slachtoffers te kampen hebben, te weten de huwelijkse gevangenschap.

De heer Segers (ChristenUnie):

Voorzitter. Excuses dat ik een groot deel van de beantwoording van de staatssecretaris moest missen, vanwege een ingelaste fractievergadering. Ook excuses richting de collega's. Maar er is wel goed meegeluisterd, dus we hebben kennisgenomen van de antwoorden.

De staatssecretaris wil het neef-nichthuwelijk niet tolereren: daar wordt een duidelijke streep getrokken, zonder dat er zicht is op de omvang. De vragen daarover zijn eerder gesteld. Waarom wordt die norm wel bij neef-nichthuwelijken gesteld, terwijl bijvoorbeeld ook dwang voorkomt bij dorpsgenoten? De expliciete vrijwilligheid die met een verklaring nog eens wordt onderstreept, zou toch voor alle huwelijken moeten gelden, dus niet alleen voor neef-nichthuwelijken? Ik blijf bij mijn wens om dat element er bij amendement uit te halen. Dat amendement heb ik in voorbereiding, en dat kan dan worden ingediend. Maar ik zou liever wachten op cijfers van SZW in juni, waarmee we meer zicht krijgen op de relatie tussen neef-nichthuwelijken en dwang. Dat is namelijk het cruciale punt: als je heel specifiek inzoomt op dat huwelijk, dan moet heel duidelijk zijn dat sprake is van dwang.

Ook over minderjarigen zegt de staatssecretaris: als je die norm stelt, moet je daar geen uitzondering op maken. Dispensatie en rechterlijke toestemming gaan een probleem opleveren met huwelijken die in het buitenland zijn gesloten, zodat je ze niet meer tegen kunt houden. Daarmee gooit de staatssecretaris wel de deur dicht voor een hardheids- of ontsnappingsclausule voor de casus die ik hem voorlegde. Ik betreur dat. Daarom heb ik ook op dat punt een amendement in voorbereiding. Ik wil die ontsnappingsroute voor iemand die religieuze bezwaren heeft tegen ongetrouwd moederschap open houden. Daar zal ik ruim voor de stemming in een amendement op terugkomen.

Mevrouw Helder (PVV):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen. Op drie vragen van mijn fractie zal hij nog in tweede termijn terugkomen. Dat wacht ik dus af.

Ik zei in eerste termijn al dat het tegengaan van huwelijksdwang een nobel streven is maar ook dat het lastig en dus een uitdaging is. Ook zei ik dat het wetsvoorstel wel wat beter kan. Daartoe zal ik straks twee moties indienen, want als je zegt dat het beter kan, moet je natuurlijk aangeven hoe je denkt dat dit zou moeten.

Ik maak nog even een uitstapje naar een interruptie mijnerzijds naar aanleiding van de Haagse Conferentie en het antwoord van de staatssecretaris hierop. Weliswaar worden huwelijken tussen personen van gelijk geslacht in het buitenland erkend — dat is helemaal waar — maar de vergelijking gaat in deze situatie natuurlijk niet op. Daarbij is immers geen sprake van dwang. Integendeel zelfs, want vaak hebben zij een heel hobbelige weg moeten afleggen, alvorens te kunnen trouwen. Die vergelijking gaat dus mank.

Dan kom ik bij de zojuist beloofde moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de vrije toestemming tot het aangaan van een huwelijk een fundamenteel beginsel in het Nederlandse huwelijksrecht is;

constaterende dat in bepaalde landen huwelijken via de sharia worden gesloten;

constaterende dat volgens de shariawetgeving man en vrouw niet gelijk zijn, ofwel de vrouw ondergeschikt is aan de man;

constaterende dat dit niet in overeenstemming is met het fundamenteel beginsel in het Nederlandse huwelijksrecht;

verzoekt de regering, huwelijken die volgens de sharia worden gesloten vanwege die strijdigheid niet te erkennen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Helder. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 9 (33488).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat huwelijksdwang op alle mogelijke manieren bestreden moet worden;

constaterende dat nieuwe slachtoffers van huwelijksdwang te allen tijde moeten worden voorkomen;

verzoekt de regering, (wettelijk) te regelen dat degene die veroordeeld is voor huwelijksdwang geen nieuwe partner uit het buitenland kan (laten) halen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Helder. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 10 (33488).

De heer Van Oosten (VVD):

Voorzitter. Van mijn zijde een korte bijdrage in tweede termijn. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen die ik heb gesteld. Ook dank ik hem voor zijn — althans zo leg ik het uit — toezegging om het vraagstuk van erkenning van in Nederland uitgesproken echtscheidingsbeschikkingen op een geëigend en geschikt moment ter bespreking neer te leggen bij de Haagse Conferentie. Alleen al het feit dat Nederland dit doet, geeft, denk ik, een waardevol signaal af, juist in de strijd tegen de huwelijkse gevangenschap. Bij gelegenheid horen we dan wel wat uit die ingewikkelde discussie zal komen.

Blijft nog over het vraagstuk van de neef-nichthuwelijken die gesloten zijn in het buitenland. Ik zou willen voorkomen dat er een route gaat ontstaan waarbij de verbodsbepaling die wij nu in de Nederlandse wet introduceren, gaat worden omzeild door huwelijken, gesloten tussen neven en nichten in het buitenland, die wij vervolgens volgens die internationale privaatrechtelijke regels hebben te erkennen. Daarom kom ik tot de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het sluiten van een huwelijk tussen neef en nicht in Nederland in beginsel wordt verboden;

constaterende dat het sluiten van een huwelijk tussen neef en nicht vaker voorkomt in diverse landen buiten Nederland;

constaterende dat uit onderzoek is gebleken dat huwelijken tussen neef en nicht vaker gepaard gaan met dwang vanuit de familiale omgeving;

constaterende dat thans beperkte mogelijkheden bestaan om reeds in het buitenland gesloten huwelijken tussen neef en nicht niet te erkennen in Nederland;

verzoekt de regering, te onderzoeken op welke wijze(n) het mogelijk is om aan in het buitenland gesloten huwelijken tussen neef en nicht in beginsel erkenning in Nederland te onthouden en de Kamer te informeren over deze mogelijkheden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Oosten, Rebel, Oskam en De Wit. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 11 (33488).

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. Allereerst dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen; die was verhelderend. Voor de SGP blijft de vraag liggen of dit wetsvoorstel voldoende adequaat is om daadwerkelijk de problemen aan te pakken die we met deze wet bedoelen aan te pakken. Wij willen ons nog even beraden op de effectiviteit van het wetsvoorstel en op de vraag of de werking van dit wetsvoorstel voldoende breedte heeft. Mede op grond daarvan zullen we uiteindelijk ons stemgedrag bepalen.

De vergadering wordt van 12.46 uur tot 12.52 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie de gelegenheid om de nog openstaande vragen uit de eerste termijn en de nadere vragen uit de tweede termijn te beantwoorden en om op de ingediende moties een reactie te geven.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. Ik dank de leden voor de opmerkingen die zij in de tweede termijn hebben gemaakt. Allereerst beantwoord ik de vraag wat de rechter kan doen om ervoor te zorgen dat iemand meewerkt aan de ontbinding van een huwelijk in het land van herkomst. De heer De Wit stelde deze in de eerste termijn. Hij vroeg ook hoe ik hier tegenaan keek. De Nederlandse rechter kan nu al in een kort geding oordelen dat het in gegeven omstandigheden onrechtmatig is om niet mee te werken aan de ontbinding van het huwelijk in het land van herkomst. Dat hebben we in de stukken ook gewisseld. In het verleden is dit een aantal keer toegepast, om te beginnen op joodse huwelijken waarbij de vrouw de get niet in ontvangst wilde nemen. Later is er ook wel succes mee geboekt bij islamitische huwelijken. De rechter kan dit niet ambtshalve doen. Degene die in huwelijkse gevangenschap verkeert, moet daar zelf bij de rechter om vragen. Er is dus een actie nodig, in dit geval van de vrouw. Deze mogelijkheid bestaat, dus ik zal met de Nederlandse Orde van Advocaten bespreken hoe zij beter onder de aandacht van de beroepsgroep en met name van de advocaten, gespecialiseerd in het echtscheidings- en familierecht, kan worden gebracht. Deze orde kan nadrukkelijk op de mogelijkheid wijzen om via de rechter af te dwingen dat iemand meewerkt aan de ontbinding van een huwelijk in het land van herkomst.

De heer De Wit heeft ook gevraagd wat we aan rechtsvergelijking op het terrein van het neef-nichthuwelijk hebben gedaan. In verreweg de meeste landen is het neef-nichthuwelijk niet verboden. In ongeveer de helft van de Amerikaanse staten bestaat een verbod op het neef-nichthuwelijk wel. De achtergrond daarvan is niet duidelijk. De literatuur is er ook verdeeld over. Er is wel informatie gevonden. Hoe dan ook, we zullen erop aandringen dat de achtergrond van neef-nichthuwelijken wordt betrokken in de thans lopende onderzoeken. Er wordt ook wel gerefereerd aan medische redenen op grond waarvan neef-nichthuwelijken in de VS zijn verboden.

De heer De Wit (SP):

Het gaat met name om het aspect van dwang. In de stukken staat inderdaad dat neef-nichthuwelijken in een aantal landen wel of niet verboden zijn, maar wat doen landen nu aan het aspect dwang? Bij ons bestaat het neef-nichthuwelijk eigenlijk ook al heel lang. Is er inzicht in hoe er met dwang wordt omgegaan in die landen?

Staatssecretaris Teeven:

Als het gaat om dwang wordt er soms aangesloten op de openbare-orde-exceptie. Daarom heb ik daarover ook verhaald. Een en ander wordt niet overal op dezelfde manier ingevuld. Soms moet er sprake zijn van een onrechtmatige daad, soms van dwang. Dat zal in ons land zo zijn als we het regelen zoals we het nu willen regelen. Soms kan er ook sprake zijn van drang. In sommige landen is dat zo. Het verschilt. Hoe dan ook, ik neem het mee in de onderzoeken en vragen of er in de zomer over kan worden gerapporteerd.

De heer Segers vroeg: waarom geen beëdigde verklaring voor alle echtgenoten, voor alle drangsituaties? Ik denk dat dit disproportioneel is en zal leiden tot zo'n 80.000 huwelijken per jaar waarvoor een verklaring moet worden afgegeven. Dat betekent dus een gigantische stijging van de administratieve lasten. Dat vind ik echt disproportioneel ten opzichte van waar we heel concreet over spreken.

De heer Segers zei dat zijn fractie goed had meegeluisterd. Ik heb op de vraag van de heer Segers waarom er geen dispensaties van het verbod op kindhuwelijken konden worden verleend, geantwoord dat het kabinet echt als norm stelt dat er geen kindhuwelijken worden gesloten. Als je dat ook wilt ten opzichte van huwelijken die in het buitenland worden gesloten, kun je, terwijl de norm geen kindhuwelijken is, geen uitzonderingen mogelijk maken in Nederland. In de eerste termijn heb ik dat ook als belangrijkste reden aangevoerd waarom ik daarin niet meega. Ik zie het amendement van de ChristenUnie op dit terrein uiteraard tegemoet. De Kamer moet zich wel realiseren dat het heel moeilijk wordt om die norm te hanteren ten opzichte van in het buitenland gesloten huwelijken als er toch een dispensatiemogelijkheid in de wet wordt opgenomen. Een uitzonderingssituatie in het binnenland verdraagt zich niet heel goed met een normstelling ten opzichte van in het buitenland gesloten kindhuwelijken. Dat is dus lastig.

Mevrouw Helder heeft gevraagd waarom de mvv niet als ijkpunt is genomen voor het polygaamverbod. Ik heb al aangegeven dat dit echt niet uitvoerbaar is. De centrale registratie van alle aanvragen, afwijzingen en nieuwe aanvragen is niet voor iedereen toegankelijk. Als iemand zich hier vestigt, mag worden verwacht dat hij of zij de regels kent en zich hieraan conformeert.

Mevrouw Helder heeft in de eerste termijn gerefereerd aan de vraag waarom ik polygamie niet verbied voor mensen die dit krachtens de rechtsorde in hun land van herkomst ook niet mogen. Het gaat er bij het niet-erkennen van een polygaam huwelijk om, dat de Nederlandse rechtsorde bij dit huwelijk was betrokken toen het werd gesloten. Daarom hanteren wij daarvoor het criterium van de Nederlandse nationaliteit en daar komt nu het in Nederland wonen als criterium bij. De andere openstaande vraag zal ik tegelijk met de motie beantwoorden, omdat hij daarop betrekking heeft.

Ik dank mevrouw Rebel voor haar opmerkingen. Ik ben me ervan bewust dat de trainingen van ambtenaren buitengewoon belangrijk zijn. Wij zullen samen met de Nederlandse Vereniging voor Burgerbelangen een nulmeting uitvoeren zodat wij ook weten waarover wij spreken. Wij zullen vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet nadrukkelijk kijken over welke zaken het concreet gaat.

Ik dank ook de heer Bisschop voor zijn opmerkingen.

In de motie-Helder op stuk nr. 9 wordt de regering verzocht huwelijken die volgens de sharia zijn gesloten vanwege de strijdigheid niet te erkennen. Ik heb al aangegeven, ook in de stukken, dat dit niet mogelijk is. Ik heb meerdere keren aangegeven op welke gronden het wel mogelijk is erkenning te onthouden. Het enkele feit dat een huwelijk volgens de sharia is gesloten, betekent niet dat een huwelijk hier niet zou kunnen worden erkend. Dit feit is geen criterium volgens de internationale verdragen, noch volgens de landen die zijn aangesloten bij de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht. Ik ontraad deze motie.

In de motie-Helder op stuk nr. 10 wordt de regering verzocht wettelijk te regelen dat degene die is veroordeeld voor huwelijksdwang, geen nieuwe partner uit het buitenland kan halen. De uitvoering van deze motie betekent dat iemand die een keer is veroordeeld voor huwelijksdwang, daarna de mogelijkheid wordt ontzegd in Nederland te huwen met een partner van zijn keuze. Dit betekent dat je een levenslang verbod hebt op het sluiten van een huwelijk. Dit is niet mogelijk en het is in strijd artikel 8 en 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens als het gaat om "family life". Een verblijfsvergunning weigeren op grond van de openbare orde kan alleen als de vreemdeling die nog in het buitenland is, ook veroordeeld is. De gezinsherenigingsrichtlijn staat de uitvoering ook in de weg. Je kunt niet tegen iemand zeggen die ooit voor huwelijksdwang is veroordeeld, zelfs niet strafrechtelijk, dat hij nooit meer een huwelijk kan sluiten. Ik moet deze motie ook ontraden.

Tot slot de motie-Van Oosten c.s. op stuk nr. 11 waarin de regering wordt verzocht om te onderzoeken op welke wijze het mogelijk is om aan in het buitenland gesloten huwelijken tussen neven en nichten in beginsel in Nederland erkenning te onthouden en de Kamer hierover te informeren. Ik heb al gezegd dat Nederland partij is in het Haagse huwelijksverdrag. Dit verdrag beschrijft op welke gronden erkenning van een huwelijk geweigerd kan worden. Het feit dat een huwelijk is gesloten tussen een neef en een nicht is op zich geen grond om een erkenning te weigeren, mits er geen sprake is van dwang. Ik zal de staatscommissie voor het internationaal privaatrecht vragen om de mogelijkheden te onderzoeken om erkenning te onthouden aan in het buitenland gesloten huwelijken en mij hierover te adviseren. Uiteraard zal ik de Kamer daarover informeren. Ik laat het oordeel over deze motie aan de Kamer.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

De stemmingen over het ingediende amendement en de moties vinden aanstaande dinsdag plaats. Hetzelfde geldt natuurlijk voor de stemming over het wetsvoorstel.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.