Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-2012nr. 94, item 6

6 Vragenuur

Vragen van het lid Van Toorenburg aan de minister van Veiligheid en Justitie over het bericht "Onterecht opsluiten kost Nederland te veel".

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Voorzitter. Afgelopen zaterdag kopte het Nederlands Dagblad: Nederland aan top met het opsluiten van onschuldige mensen. Wat is er aan de hand? Het aantal mensen dat ten onrechte in voorlopige hechtenis wordt genomen, neemt jaarlijks toe en is sinds 2002 verdrievoudigd. In tien jaar tijd hebben bijna 30.000 mensen onschuldig vastgezeten, zo blijkt uit de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Dat zijn menselijke drama's. In de eerste plaats voor degenen die het betreft en voor hun naasten, want je moet er niet aan denken dat je vast zit en dat heel Nederland denkt: waar rook is, is vuur. Het is ook een drama voor de slachtoffers, van wie de strafzaak niet tot een einde komt. Het is een drama voor ons allemaal, want het heeft de belastingbetaler in de afgelopen tien jaar ruim 79 mln. aan uitgekeerde schadevergoedingen gekost. Emeritus hoogleraar Van Kalmthout stelt dat Nederland bijna bovenaan staat op een lijst van 27 EU-landen als het gaat om het ten onrechte opsluiten van mensen. Wij staan graag aan kop tijdens een EK, maar niet in deze poule. Hoe beoordeelt de minister deze uitslag?

Minister Opstelten:

Voorzitter. Dank aan de geachte afgevaardigde voor het stellen van de vragen. Ik heb natuurlijk ook kennisgenomen van de cijfers. Die cijfers zijn een voortzetting van de stijgende trend die al in 2002 is ingezet. Dat is ook conform de prognoses die wij budgettair hebben berekend. Mijn ambtsvoorganger heeft in 2010 in antwoord op schriftelijke vragen aangegeven dat de toename kan worden verklaard uit de toename van het aantal vrijspraken. Dat lijkt mij aannemelijk, al kunnen ook andere factoren een rol spelen. Vooralsnog zie ik aanleiding om deze cijfers nog eens goed te bestuderen. Wel moet bedacht worden dat bij een slagvaardige opsporing ondanks alle zorgvuldigheid die wordt betracht, niet kan worden voorkomen dat burgers soms ten onrechte worden vastgezet. Daar moeten we ook oprecht in zijn bij het bepalen van ons beleid. Ik wil de cijfers aan de orde stellen in goed overleg met het College van procureurs-generaal en met de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak. Ik zal dat goed en serieus bekijken.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Voorzitter. Ik vind dit een heel koude reactie van de minister. Hij zegt "conform prognoses hebben we hier budgettair mee gerekend". We hadden 30.000 mensen in de gevangenis zitten die niets gedaan bleken te hebben, en daar is budgettair mee gerekend? Ik vind het niet om aan te horen, maar dat terzijde.

Laten we eens kijken naar de alternatieven die zijn aangedragen. De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming heeft gezegd dat Nederland een van de weinige landen is die helemaal geen alternatieven hebben voor de voorlopige hechtenis. We weten bijvoorbeeld dat moeders van jonge kinderen eigenlijk niet vluchten. Zouden we dan niet moeten kijken of er meer elektronisch toezicht kan worden ingezet, met een enkelband wellicht? Moeten we niet ook energie gaan aanwenden om ervoor te zorgen dat mensen minder snel in voorlopige hechtenis genomen moeten worden? Daarnaast heeft de CDA-fractie – en daarom schrik ik ook een beetje van de reactie van de minister – al eerder aandacht gevraagd voor het feit dat je, als je terecht vastgezeten hebt, hulp krijgt als je uit de gevangenis komt. Dan staat iedere gemeente voor je klaar met nazorg. Mensen gaan een huis voor je zoeken en een baan. Heb je echter heel lang ten onrechte vastgezeten en kom je buiten, dan is er niemand voor je. Wij hebben de minister al eerder gevraagd om daar werk van te maken. Nu lezen we weer in NRC Handelsblad van iemand die vroeg of hij alstublieft nog mocht blijven slapen in de cel, want: "als je me op straat zet, heb ik niets". Hij kreeg van een bewaarder te horen: er is een bankje bij de bushalte. Dat kan niet. We hebben het over drama's. Natuurlijk hebben we een stevig beleid, maar we moeten ook klaarstaan voor mensen die ten onrechte van onze gevangenissen en huizen van bewaring hebben mogen genieten.

Minister Opstelten:

Natuurlijk laat ik dit niet even langs mijn rug afglijden. Dat wil ik tegen mevrouw Van Toorenburg zeggen en zij kent mij wat dat betreft hopelijk ook. Wat ik aangeef, zijn de feiten. We weten allemaal, mevrouw Van Toorenburg in de eerste plaats, dat wij buitengewoon zorgvuldige normen hebben voor de inverzekeringstelling en de voorlopige hechtenis. Ik hoef niet aan te geven dat we met de schadeloosstelling en de compensatie met recht voor de spiegel kunnen gaan staan. Er zijn ook alternatieven. Ik heb op 6 februari samen met de staatssecretaris een reactie ontvangen op het onderzoek "Vergroting slagvaardigheid strafrecht" in opdracht van het WOCD, een internationale vergelijking. We hebben ook alternatieven bekeken. Die zijn er natuurlijk, voorlopige hechtenis is een ultimum remedium. We gaan daar natuurlijk mee door.

De aanbeveling uit het onderzoeksrapport om ook in Nederland de voorwaarden van schorsing van de voorlopige hechtenis in de wet op te nemen, hebben wij overgenomen. Er zijn aanbevelingen. Er is een advies om verkenningen van alternatieven in het kader van de schorsing en tenuitvoerlegging van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming mee te nemen, om daar pilots voor te organiseren. Dat doen wij.

Wat betreft nazorg, moeten wij volgens mij twee accenten leggen. De prioriteiten in de nazorg liggen natuurlijk bij de slachtoffers van criminaliteit. Wij hebben echter ook een accent aangebracht. Een ten onrechte verdachte krijgt wel nazorg en een verdachte in wiens zaak het bewijs niet rond is gekomen, niet. De staatssecretaris en ik zijn bezig met het ontwikkelen van plannen daartoe en daar zullen wij met verve mee doorgaan.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Wij vinden het heel erg belangrijk dat de minister aan de slag gaat met wat hier naar buiten is gekomen, dat hij vooral inzet op de nazorg en op de alternatieven. Kan de minister ook meenemen dat de advocatuur aangeeft dat het ook komt doordat er te snel bewijs wordt aangenomen, terwijl op de zitting blijkt dat het dossier veel te licht is? Daardoor maken wij ook slachtoffers.

Minister Opstelten:

Ik heb al gezegd dat ik deze accenten heb gelegd en dat ik de standaard en de voorwaarden die de wet geeft bij inverzekeringstelling en voorlopigehechtenisstelling, zeer serieus neem. Ik bespreek dit uiteraard met de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal, die daar in de eerste plaats voor verantwoordelijk zijn. Ik zal samen met de staatssecretaris de plannen verder ontwikkelen. Wij moeten er wel eerlijk over zijn – dat is niet koud, maar gewoon eerlijk – dat het beleid dat wij voeren ook heeft geleid – dat is de conclusie – tot een toename van het aantal mensen dat in voorlopige hechtenis is genomen of in verzekering is gesteld. Dat is het geval vanaf 2002, dus ook onder mijn voorgangers. Dat moet worden aanvaard als consequentie van het beleid.