Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-2012nr. 5, item 4

4 Wijziging Advocatenwet

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Advocatenwet, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten ter versterking van de cassatierechtspraak (versterking cassatierechtspraak) (32576) en van het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met de invoering van de mogelijkheid tot het stellen van prejudiciële vragen aan de civiele kamer van de Hoge Raad (Wet prejudiciële vragen aan de Hoge Raad) (32612).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris, die de minister vervangt, van harte welkom.

De heer Van der Steur (VVD):

Voorzitter. Dit debat gaat over een heel wezenlijk en belangrijk onderwerp: de positie en de rol die de Hoge Raad, ons hoogste rechtscollege, in de komende jaren zal innemen in ons rechtsbestel. De voorstellen die op tafel liggen, zijn wat de VVD-fractie betreft verstandige voorstellen. Ze versterken de rol en de positie van de Hoge Raad en ze zorgen er bovendien voor dat de Hoge Raad in situaties waarin die gevraagd wordt een oordeel te geven over een rechtszaak, terwijl het oordeel niet aan de Hoge Raad is, dat kan afwijzen op grond van het nieuwe artikel 80a, wet RO, Wet op de rechterlijke organisatie. De VVD-fractie ziet dat als een heel positieve versterking van de rol van de Hoge Raad, omdat die dan geen tijd hoeft te besteden aan rechtsvragen die niet noodzakelijkerwijs bij de Hoge Raad terecht horen te komen. Zoals we uit de memorie van toelichting weten, geldt dat in 20% tot 25% van de gevallen. In al die gevallen moet daar veel tijd en energie in worden gestoken, terwijl dat niet noodzakelijk is. De VVD-fractie vindt dan ook dat deze wijziging een belangrijke is.

Daarnaast wordt er gewerkt aan de kwaliteit van de advocatuur en de advocaten die bij de Hoge Raad zullen procederen, wat de VVD-fractie even belangrijk vindt. Velen van ons weten dat dat in eerste instantie altijd was voorbehouden aan de advocaten die waren ingeschreven bij het arrondissement Den Haag, maar sinds de afschaffing van het procuraat is dat verruimd en kan elke advocaat in de toekomst bij de Hoge Raad procederen. Dat is heel goed, omdat er niet alleen in Den Haag kwalitatief hoogwaardige advocaten zijn, maar ook elders in Nederland zulke advocaten te vinden zijn. Dat betekent echter wel dat hoge eisen gesteld moeten worden aan de advocaten die bij de Hoge Raad procederen. Daar kom ik zo nog op terug.

De Hoge Raad heeft drie essentiële taken. Ten eerste zorgt dit orgaan voor rechtsvorming. Het neemt in hoogste instantie een beslissing over essentiële rechtsvragen die in de samenleving leven. Ten tweede zorgt het voor rechtseenheid. Op grond van uitspraken van de Hoge Raad werken alle andere rechters met dezelfde opvatting. Ten derde, ook niet onbelangrijk, zorgt de Hoge Raad voor rechtsbescherming. Als de rechter je in twee instanties ongelijk heeft gegeven op welk rechtsgebied dan ook, bijvoorbeeld het civiele recht, het strafrecht of het fiscaal recht, dan kun je uiteindelijk nog naar de Hoge Raad om te laten bezien of de lagere rechters in jouw geval geen verkeerde interpretatie hebben gegeven van het recht. Dat is van groot belang voor heel veel mensen. Wij kennen allemaal de voorbeelden van World Onlinebeleggers maar ook van Lucia de B., die uiteindelijk bij de Hoge Raad tot een ander oordeel hebben geleid. Dat is belangrijk.

Ik kom hiermee bij de eerste vraag van de VVD-fractie. Er is in de tussentijd een en ander over deze kwestie geschreven in de literatuur. Ik noem in dit kader het artikel van mevrouw Bruins uit Den Haag, maar ook dat van professor Snijders in het Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging. Zij merken op dat het risico bestaat dat de aandacht van de Hoge Raad met name uit zal gaan naar de eerste twee zaken, namelijk rechtsvorming en rechtseenheid, en dat het invoeren van artikel 80a, met name in combinatie met het criterium "kennelijk onvoldoende belang", zou kunnen leiden tot problemen met de rechtsbescherming. Deelt de staatssecretaris deze zorg, die in de wetenschappelijke literatuur wordt genoemd, of is hij van mening dat hier geen risico op bestaat?

Ik kom op het volgende onderwerp. We bespreken vandaag twee wetsvoorstellen, allereerst het voorstel dat betrekking heeft op de versterking van de Hoge Raad, het systeem van artikel 80a, het vereenvoudigd afdoen van zaken, en op de versterking van de kwaliteit van de advocatuur. We bespreken daarnaast het wetsvoorstel voor het toevoegen van de mogelijkheid om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Dat is een belangrijke wetswijziging. De VVD-fractie staat hier ook achter vanuit dezelfde beginselen die ik net heb geschetst: de rechtseenheid en de rechtsvorming.

Ik noem als voorbeeld de Dexiaprocedure. Er waren in Nederland 2500 procedures aanhangig, allemaal tegen Dexia en door zeer veel mensen aangespannen. Iedereen schreeuwde om een snelle uitspraak van de Hoge Raad over de vraag hoe naar deze specifieke zaken zou moeten worden gekeken. Met dit wetsvoorstel, het invoeren van de prejudiciële vraag, wordt het mogelijk om bij dit soort vorderingen die vraag versneld aan de Hoge Raad te stellen. Naar de mening van de VVD-fractie is dit een grote vooruitgang in het werken van de Hoge Raad. Is de staatssecretaris bereid, toe zeggen dat hij binnen twee jaar – laten we zeggen 2014 – een evaluatie zal zenden aan de Kamer over deze prejudiciële vraag? De VVD-fractie vraagt hierom omdat zij denkt dat de prejudiciële vraag heel goed zou kunnen zijn om breder te worden ingezet, ook bij de gewone civielrechtelijke procedure en de gewone strafrechtelijke procedure. Wat de VVD-fractie betreft, is er namelijk nog wel iets mis is met de toegang tot de Hoge Raad.

Als je goed kijkt naar de cijfers van de Hoge Raad, zie je dat een groot deel van de zaken die bij de Hoge Raad uitkomen ontstaan uit de gefinancierde rechtshulp. Je ziet daarnaast dat grote bedrijven bij de Hoge Raad uitkomen om te procederen. Maar de grote middenmoot kan daar niet naartoe, omdat die het simpelweg niet kan betalen om aan de Hoge Raad te vragen wat hij vindt van de betreffende vraag. Ik hecht eraan om alvast op te merken dat dit niet aan de griffierechten ligt, maar met name bij de advocaatkosten. Als men procedeert bij de Hoge Raad is het niet ongebruikelijk dat men tussen de € 20.000 en € 30.000 moet uitgeven voor alleen die procedure. Dat is zo ongelooflijk veel geld dat de meeste Nederlanders zich dat niet kunnen veroorloven. Als je de prejudiciële vraag zou uitbreiden naar alle rechtsgebieden, dan zou je bijvoorbeeld al in eerste aanleg een oordeel kunnen vragen van de Hoge Raad. Dan heeft men al een antwoord op de principiële rechtsvraag bij het eerste contact met de rechter, als de rechter ook vindt dat die vraag gesteld moet worden. Dit houdt in dat men niet meer in appel hoeft en dat men ook niet langs de hogerberoeprechter hoeft om uiteindelijk uit te komen bij de Hoge Raad. Dat zou een enorme besparing op de werklast van de rechterlijke macht kunnen zijn. De staatssecretaris hoeft geen antwoord te geven op het inhoudelijke deel, maar wij vragen hem of hij bereid is, een evaluatie te doen van de werking van de prejudiciële vraag en daarbij te betrekken de mogelijkheid om die verder te verruimen.

Ik kom bij de kwaliteit van de advocatuur. Daar gebeurt een aantal heel belangrijke zaken. De Nederlandse Orde van Advocaten zal bij verordening organiseren dat de cassatiebalie ontstaat, die openstaat voor alle advocaten in Nederland en die wordt gevoed door kwalitatief hoogwaardige advocaten, van wie getest wordt of zij de juiste kwaliteit leveren om succesvol te kunnen protesteren bij de Hoge Raad. Dat is een belangrijk uitgangspunt voor de VVD. Ik heb er wel een aantal vragen over.

De VVD-fractie heeft begrepen dat het de bedoeling is dat de huidige cassatieadvocaten min of meer automatisch toetreden tot de nieuwe cassatiebalie. Op dat moment wordt dus geen kwaliteitstoets toegepast. Dat lijkt de VVD-fractie niet juist. Kijk meteen naar de kwaliteit. Als het allemaal mensen zijn die al cassatieprocedures doen, is het volgens de VVD-fractie niet moeilijk om vast te stellen of zij aan de gewenste kwaliteit voldoen. Is de staatssecretaris bereid om met de Nederlandse Orde van Advocaten te bespreken of zij direct bij de ingang al een kwaliteitstoets in enige vorm willen afnemen?

De cassatiebalie wordt ingevoerd voor aspecten van het civiele recht. Is het niet veel logischer dat advocaten ook in het strafrecht en fiscaal recht onder dezelfde cassatiebalie vallen en ook aan dezelfde kwaliteitseisen moeten voldoen? Ook zij procederen immers bij de Hoge Raad. De VVD-fractie meent dat het voor de werking van de Hoge Raad, juist omdat het daar gaat om hoogwaardig juridische vragen, van belang is dat daar de beste advocaten terechtkomen. Deze zijn er ongetwijfeld te over in Nederland, dus waarom zou je dat niet uitbreiden over de hele linie?

De Haagse raad van toezicht en de Haagse deken van de Haagse Orde van Advocaten houden toezicht op de cassatieadvocaten. Als advocaten uit heel Nederland bij de Hoge Raad mogen procederen, is het logisch dat de lokale raden van toezicht het toezicht vormgeven. Zij hebben echter vanwege de aard van hun werkzaamheden niet noodzakelijkerwijs verstand van cassatieadvocatuur. Is de staatssecretaris bereid om met de Nederlandse Orde van Advocaten te bespreken dat zij ervoor zorgen dat er altijd een link is tussen een cassatiespecialist en de raden van toezicht? Dat hoeft wat ons betreft niet iemand uit Den Haag te zijn, maar het moet wel een gedegen cassatieadvocaat zijn, die mee kijkt bij het toezicht van de lokale raden van toezicht, zodat de expertise binnen de advocatuur wordt gebruikt om te controleren of alles gaat zoals het zou moeten.

Ik kom op de rechtsbescherming. Ik heb daarover al een vraag gesteld, maar ik maak er nog één opmerking over. Als je als rechtzoekende ongelijk hebt gekregen bij de rechter in eerste instantie én bij de rechter in hoger beroep en je vervolgens opgewonden bij de Hoge Raad uitkomt – nu zul je immers wel eens even je recht krijgen – dan is het mogelijk dat je op grond van artikel 80a zonder meer door de Hoge Raad wordt weggestuurd; ik zeg het even zoals het ervaren zal worden. Naar mijn stellige overtuiging is het van essentieel belang dat de Hoge Raad dan in een informeel document – het moet zeker niet worden opgenomen in de wet – kort uitlegt waarom op grond van datzelfde artikel 80a de afwijzing heeft plaatsgevonden, zodat het voor mensen begrijpelijk wordt. Anders kan het zeer onbevredigend en teleurstellend kan zijn. Zij moeten begrijpen waarom de Hoge Raad vindt dat het beroep op basis van de criteria in de wet – deze worden vandaag door ons besproken en zullen als het goed is bij de eerstvolgende stemming worden geaccordeerd – moest worden afgewezen. Naar de mening van de VVD-fractie is dit van essentieel belang. Is de staatssecretaris bereid om dit met de Hoge Raad te bespreken?

Ik heb nog een vraag over het procesreglement. De Hoge Raad heeft een eigen procesreglement dat voorziet in afspraken over de wijze waarop je bij de Hoge Raad moet procederen. Volgens de VVD-fractie is het van essentieel belang dat het procesreglement wordt afgestemd op de afdoening van artikel 80a opdat zaken zo spoedig en eenvoudig mogelijk kunnen worden behandeld. Is de staatssecretaris bereid om met de Hoge Raad in algemene zin te spreken over het procesreglement en ervoor te zorgen dat dit wordt aangepast aan de doelstelling van de wet die wij vandaag bespreken, namelijk snelheid en korte lijnen binnen de werkwijze van de Hoge Raad?

Ik maak nog een opmerking over de nota's van wijziging. Ik stel het zeer op prijs dat uit twee nota's van wijziging, die weliswaar vandaag pas werden ontvangen, maar desondanks op instemming van de VVD-fractie kunnen rekenen, duidelijk blijkt dat ook de staatssecretaris niet ongevoelig is voor opmerkingen die door wetenschappers worden gemaakt.

Ik constateer dat een opmerking van professor Snijders in het Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging ertoe geleid heeft dat er nu een nota van wijziging wordt voorgesteld, waarmee een fout wordt hersteld die door wetenschappers is gezien. De fractie van de VVD vindt dit een belangrijke aanvulling. De VVD-fractie kan met de andere nota van wijziging ook geheel en al instemmen.

Dit was de inbreng van de VVD in de eerste termijn.

De voorzitter:

Mevrouw Gesthuizen heeft van de Kamer de toestemming gekregen om als laatste te spreken. Ik geef daarom het woord aan de heer Bontes.

De heer Bontes (PVV):

Voorzitter. De voorstellen van de commissie-Hammerstein hebben gehoor gevonden bij de wetgever. Als de nu voorliggende wetsvoorstellen worden aangenomen, zullen feitenrechters prejudiciële vragen kunnen stellen aan de Hoge Raad en zal de Hoge Raad de mogelijkheid krijgen om beroepen met kansloze cassatiemiddelen en beroepen zonder belang niet ontvankelijk te verklaren. Eind jaren tachtig is er al een eerste stap gezet doordat er twee maatregelen zijn genomen. Sindsdien kunnen eenvoudige zaken met drie raadsheren worden afgedaan en is het systeem van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, het systeem van de verkorte motivering, ingevoerd.

De volgende stap naar het versterken van de rechtsvormende functie van de Hoge Raad zal worden gezet met de nu voorliggende wetsvoorstellen. Voordat ik concreet inga op de wetsvoorstellen, benadruk ik dat de Hoge Raad naast deze rechtsvormende functie ook een rechtsbeschermende functie heeft. De Hoge Raad treedt ook op als laatste rechter in een concrete zaak. In dit verband moet de Hoge Raad ingrijpen bij de hem voorgelegde ernstige fouten van de lagere rechter, ook als de rechtsontwikkeling met een uitspraak van de Hoge Raad verder niet wordt gediend. Deze rechtsbeschermende functie dient de Kamer niet uit het oog te verliezen bij het behandelen van deze wetsvoorstellen.

Ik richt mij nu allereerst op het wetsvoorstel prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Dit wetsvoorstel geeft lagere rechters de bevoegdheid om rechtsvragen over belangrijke juridische kwesties voor te leggen aan de Hoge Raad. Het wetsvoorstel beperkt zich niet tot massaschadezaken, maar ziet ook op zaken waarvan het antwoord op de rechtsvraag van belang is voor talrijke andere, feitelijk vergelijkbare zaken. De staatssecretaris wil met een snellere rechterlijke tussenkomst van de Hoge Raad partijen behulpzaam zijn bij het oplossen van het geschil als partijen er niet dreigen uit te komen. Dit wetsvoorstel moet voorkomen dat zaken met groot maatschappelijk belang zich voortslepen. Daarnaast kan deze nieuwe wettelijke regeling individuele procedures overbodig maken. Aan anderen dan de betrokken partijen wordt de mogelijkheid gegeven om schriftelijke opmerkingen te maken. In het voorstel wordt echter geen tijdslimiet gegeven voor de termijn waarbinnen de schriftelijke opmerkingen dienen te worden gemaakt. De Hoge Raad heeft aangegeven dat afhankelijk van de omstandigheden gedacht moet worden aan een termijn van drie maanden. De Hoge Raad is voornemens om in het procesreglement een en ander op te nemen voor wat betreft de verkorting en eventueel verlenging van de termijn. Uit het oogpunt van rechtszekerheid voor de betrokkenen lijkt het mij wenselijk dat deze termijn opgenomen wordt in het wetsvoorstel. Graag hoor ik van de staatssecretaris of hij deze visie deelt.

Daarnaast wordt er ook niet aangegeven wie er met anderen dan betrokkenen worden bedoeld. De staatssecretaris geeft te kennen dat de Hoge Raad hierbij een beslissende rol speelt. Ook hier vind ik een verduidelijking van het wetsvoorstel op zijn plaats. Graag hoor ik van de staatssecretaris of hij dit wenselijk vindt.

Voorts wordt er in de wet geen tijdslimiet gesteld waarbinnen de Hoge Raad dient te beslissen op de prejudiciële vraag. De Hoge Raad heeft de verwachting dat een prejudiciële procedure tussen zes en twaalf maanden zal duren. De Cour de cassation in Frankrijk is wel gebonden aan een wettelijke termijn van drie maanden. Ik wil de staatssecretaris ook in dit geval vragen of hij de mening deelt dat een wettelijke termijn meer op zijn plaats is. Daarnaast vraag ik de staatssecretaris om in te gaan op de verschillende gevolgen van deze vertraging voor het rechtsgeding voor de betrokkenen.

Naast dit voorstel behandelen wij vandaag ook het wetsvoorstel ter versterking van de cassatierechtspraak. Met dit wetsvoorstel wordt beoogd de cassatierechtspraak via twee wegen te versterken. In de eerste plaats worden andere en nieuwe eisen gesteld aan advocaten die als procesvertegenwoordiger voor de Hoge Raad optreden. In de tweede plaats krijgt de Hoge Raad de mogelijkheid om een ingesteld cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren, indien de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden of van onvoldoende belang zijn.

Het desbetreffende artikel is een aanvulling op artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie dat voorziet in de mogelijkheid om zaken verkort af te doen, in het geval dat de in de middelen aangevoerde klachten niet tot cassatie leiden. De PVV-fractie is voorstander van het invoeren van de eisen van vakbekwaamheid en registratie in plaats van de huidige geografische eis. Het stellen van kwaliteitseisen aan procesvertegenwoordigers bij de Hoge Raad zal ten goede komen aan de cassatierechtspraak in het algemeen.

Uit het oogpunt van rechtszekerheid en de legitimatie van de cassatiebalie verdient het volgens de PVV-fractie wel aanbeveling dat de eisen voor de procedure voor toegang tot de balie, niet volledig worden overgelaten aan de Nederlandse Orde van Advocaten. Graag hoor ik van de staatssecretaris of hij deze visie deelt.

Het nieuwe instrument van artikel 80a RO is bedoeld om versneld over cassatieberoepen te beslissen. Tijdens de schriftelijke voorbereiding heeft de PVV-fractie aan de staatssecretaris gevraagd wat verstaan dient te worden onder klachten die "klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden" en die klaarblijkelijk onvoldoende van belang zijn.

De heer Van der Steur (VVD):

Wat bedoelde de heer Bontes toen hij zei dat niet alleen de advocaten over toetreding moeten beslissen. Wie zijn daar volgens hem dan geschikt voor?

De heer Bontes (PVV):

Het lijkt een beetje op de slager die zijn eigen vlees keurt. Er zou een onafhankelijk instituut of een onafhankelijke organisatie kunnen zijn die het toetst, maar het is de vraag welke dat moet zijn. Ik weet niet of de Raad voor de rechtspraak daarin een rol kan spelen, maar het lijkt een beetje op de slager die zijn eigen vlees keurt: deze mensen zijn geschikt. Het is goed als daar een soort toezicht op is.

De heer Van der Steur (VVD):

Ik begrijp het punt van de heer Bontes. Volgens mij begrijpt de staatssecretaris het ook, want hij komt nog met een voorstel over het toezicht op het toezicht binnen de advocatuur. Ik wijs de heer Bontes er echter op dat de trias politica in de weg staat aan toezicht van de rechtspraak op de rechter. Dan is het namelijk niet de slager die zijn eigen vlees keurt, maar degenen die het meest afhankelijk zijn van advocaten en er soms fikse ruzie mee maken, bepalen dan mede wie onderdeel uitmaken van de advocatuur. Dat zou niet kunnen.

De heer Bontes (PVV):

In dezen pleit ik voor een vorm van toezicht die de driedeling van staatsmachten niet schendt. Er moet een vorm van toezicht zijn die binnen de rechterlijke macht past.

De voorzitter:

Mijnheer Bontes, u hebt zich voor vijf minuten spreektijd aangemeld.

De heer Bontes (PVV):

Voorzitter. Die vijf minuten zijn toch nog niet om?

De voorzitter:

Ze zijn al meer dan om, maar dat maakt niet uit; rondt u rustig af. Er is geen limiet, maar ik probeer een indruk te krijgen van wat ik moet verwachten.

De heer Bontes (PVV):

Ik ben bijna klaar, voorzitter.

De staatssecretaris antwoordde op onze schriftelijke vragen dat het inhoudt dat het beroep in kwestie niet kan slagen. De zinsnede dat dergelijke klachten "klaarblijkelijk onvoldoende belang" hebben, lijkt echter te suggereren dat het zaken betreft die van ondergeschikt belang zijn voor de rechtsontwikkeling door de Hoge Raad. Bij de PVV-fractie bestaat de vrees dat de Hoge Raad door deze open norm zelf zijn grenzen zal bepalen. Wat is zijn discretionaire bevoegdheid tot selectie van zaken? Kan de staatssecretaris aan de hand van enkele voorbeelden aangeven welke zaken klaarblijkelijk van onvoldoende belang zijn?

Ik rond af met mijn laatste vragen aan de staatssecretaris. Het nieuwe artikel 80a zal werken naast het bestaande artikel 81. Mijn fractie ziet echter nog steeds niet het nut in van het in stand houden van de verkorte motivering van artikel 81, naast die van artikel 80a. Kan de staatssecretaris onderbouwen welke toegevoegde waarde artikel 81 in de toekomst nog heeft? Kan de staatssecretaris deze onderbouwing verduidelijken met een aantal voorbeelden uit de praktijk, waarbij hij onderscheid maakt tussen de bevoegdheid om te volstaan met een verkorte motivering en de niet-ontvankelijkverklaring.

De heer Recourt (PvdA):

Voorzitter. Ik heb vooraf helaas een punt van ongenoegen. De nota's van wijziging zijn pas hedenmiddag om half een binnengekomen en dat is geen zorgvuldige wijze van wetgeving. Gelukkig konden we een halfuurtje later beginnen, maar we hadden liever meer tijd gehad.

Dan kom ik bij de inhoud. De Hoge Raad gaat niet over de feiten maar over het recht, in het bijzonder de rechtseenheid, de rechtsvorming en de rechtsbescherming. Dat is een mooi uitgangspunt, maar er is sprake van een toenemende druk op de Hoge Raad, mede ingegeven door de rechtzoekenden, die de Hoge Raad wel als derde, feitelijke instantie zien, die het arrest van het Hof niet accepteren, en die überhaupt niet accepteren dat ze ongelijk hebben gekregen en het nu eenmaal een keertje ophoudt. Het systeem moet dus zodanig verbeterd worden dat wordt voortkomen dat al die al dan niet verkapte zaken over de feiten bij de Hoge Raad terechtkomen en dat er onverhoopt zaken bij de Hoge Raad terechtkomen die niet bijdragen aan rechtsvorming. De Hoge Raad moet dat zelf kunnen afdoen. Ook zou het goed zijn om in de zaken die richtinggevend zijn voor andere zaken, juist eerder een oordeel van de Hoge Raad te ontvangen.

De twee voorliggende wetsvoorstellen voorzien in hetgeen ik zojuist heb geschetst. Zij vloeien voort uit het met de Kamer besproken rapport "Versterking van de cassatierechtspraak" van de commissie-Hammerstein uit 2008. Zij betreffen de prejudiciële procedure en het versterken van de cassatierechtspraak door strengere eisen te stellen aan de kwaliteit van de cassatieadvocaat. Artikel 80a RO ziet erop toe dat bij het begin van het cassatieberoep door de Hoge Raad een selectie aan de poort plaatsvindt, waarna de zaak al dan niet ontvankelijk wordt verklaard.

Ik heb deze voorstellen in eerste instantie getoetst in het kader van onze strijd voor rechtsbescherming en voor toegang tot het recht. Mijn vraag bij beide wetsvoorstellen is of ze zijn ingegeven door bezuinigingsoverwegingen en of dit niet nadelig uitpakt voor de toegankelijkheid van het recht. Als dit risico er al is – ik ben benieuwd naar het antwoord van de staatssecretaris – dan is het risico natuurlijk veel minder groot dan bij de verhoging van de griffierechten of de verlaging van de gesubsidieerde rechtsbijstand. Mochten er echter bezuinigingen worden gerealiseerd, kunnen we dan afspreken dat die ten gunste komen van de toegang tot de rechter en dat we die inzetten om de verhoging van de griffierechten enigszins te dempen? We hebben het eerder gehad over de mogelijkheid om die verhoogde griffierechten op een andere manier te kunnen financieren. Hierbij doet zich wellicht een mogelijkheid voor.

Dan bespreek ik kort de twee wetsvoorstellen afzonderlijk. Wat de cassatierechtspraak betreft, speelt het punt van de ontvankelijkheid voor de Hoge Raad. Mijn conclusie is dat de toegankelijkheid van het recht door de beperking van de cassatiemogelijkheid niet afhankelijk van iemands inkomen mag zijn en ook geen beperking van de rechtsbescherming mag opleveren. Wat dat laatste betreft zijn twee feitelijke rechters voldoende. Naast het feit dat die twee rechters zich al eerder over de feiten hebben gebogen, vind ik dat de criteria voor de voorgestelde selectie aan de poort, namelijk of er sprake is van belang voor de rechtseenheid, de rechtsvorming of de rechtsbescherming, afdoende zijn om die rechtsbescherming te kunnen waarborgen.

Mijn fractie heeft echter een zorg. In het nieuwe artikel 80a RO lees ik dat de niet-ontvankelijkheid niet gemotiveerd hoeft te worden anders dan door het citeren van het heel kale criterium uit dit artikel. Klopt dit? De wetenschap moet namelijk wel kritisch kunnen blijven volgen of de Hoge Raad voldoet aan die drie opdrachten. Hoe vindt deze controle plaats? Ook de rechtzoekende die niet verder kan gaan dan de Hoge Raad, wil er graag iets meer over weten dan dat het niet-ontvankelijk is verklaard. Komt die toelichting er? Ik hoorde ook de VVD dit punt al aan de orde stellen.

Goed, de kwaliteit van de cassatieadvocaat wordt verbeterd en dat juich ik toe. De Nederlandse Orde van Advocaten gaat hier zelf voor zorgen. Ik ben alleen een beetje bang voor de kosten. De tarieven zijn nu al enorm hoog en als wij dit nog verder gaan beperken, schieten de tarieven dan niet nog verder door het plafond? Ook hier heb ik met veel genoegen kennisgenomen van het voorstel van de VVD om de prejudiciële procedure mogelijk in te zetten om die toegang in een eerder stadium, en vooral veel voordeliger, te kunnen gebruiken. Ik kijk uit naar het antwoord op dit voorstel.

Ik zie het lampje knipperen, dat betekent dat ik moet afronden. Daarom zal ik nu samenvatten. Ik ga ervan uit dat slechts prejudiciële vragen worden gesteld in zaken waarin een zaakoverstijgend breder belang aan de orde is, zoals is genoemd. Ik neem echter aan dat die wetsvoorstellen op elkaar inwerken, dat artikel 80a RO ook geldt voor prejudiciële vragen en dat als de Hoge Raad van oordeel is dat ten onrechte een prejudiciële vraag is gesteld die met niet-ontvankelijkheid kan worden afgedaan, dat ook op grond van artikel 80a gebeurt. Ik kijk uit naar de beantwoording van de vragen door de staatssecretaris.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Mevrouw de voorzitter. Laat mij een paar inhoudelijke opmerkingen maken die u misschien wel aanstaan, want er zitten veel jonge mensen boven in de zaal en volgens mij vragen die zich af: waar gaat dit over? Dan komt toch een beetje de juf strafrecht in mij naar boven. Dus staat u mij toe om in een paar seconden uit te leggen waarover wij het vandaag hebben?

De voorzitter:

Ik heb alle begrip als u zich maar tot mij blijft richten.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ja, mevrouw de voorzitter, want misschien is het soms voor u ook wel leuk om in dit soort ingewikkelde juridische kwesties te weten welke stapjes wij zetten.

Wij hebben in ons Nederlandse recht een aantal instanties. Mensen kunnen in eerste instantie terechtkomen bij de arrondissementsrechtbanken; daarvan zijn er heel veel in Nederland. Als zij het niet eens zijn met de uitspraak van de rechter kunnen zij naar het gerechtshof. Als zij het er dan nog niet mee eens zijn, denken mensen dat zij direct naar de Hoge Raad kunnen. Het bijzondere van de Hoge Raad is echter dat de hij een oordeel velt over de vraag of de rechter het recht goed heeft toegepast. Dat is het bijzondere van de Hoge Raad en dat noemen wij de cassatierechtspraak. Daarover hebben wij het vandaag. Dat is de laatste instantie, maar eigenlijk staan daar de rechters terecht. Zij staan daar terecht omdat er een oordeel wordt geveld over de manier waarop zij met het recht zijn omgegaan.

De voorzitter:

Veel dank, ook namens de mensen thuis.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Met het wetsvoorstel dat vandaag voorligt, nummer 32576, worden twee belangrijke zaken geregeld die samen zouden moeten leiden tot wat wij wel noemen de operatie "Zet de Hoge Raad weer in zijn kracht". Een operatie die in 2008 werd ingezet met een rapport van de commissie Normstellende rol van de Hoge Raad. Wij zien namelijk dat de Hoge Raad wordt overvraagd waardoor die belangrijke functie van het hoogste rechtscollege, zorgen voor eenheid in het recht, voor rechtsbescherming en de ontwikkeling van het recht, in het gedrang komt, want de Hoge Raad is veel te veel tijd kwijt met de beoordeling van zaken die zich niet lenen voor een beoordeling in cassatie. Daardoor blijven zaken die echt een oordeel van de Hoge Raad vragen, veel te lang liggen. Dat is zelfs een toenemend probleem, omdat er juist in onze hoogontwikkelde maatschappij met steeds meer nationale en internationale regelgeving grote behoefte bestaat aan richtinggevende uitspraken van onze hoogste rechter.

In het voortraject is gediscussieerd over de vraag of wij naar een verlofstelsel toe moeten, een soort toestemming om naar de Hoge Raad te komen, of naar een gedifferentieerde afhandeling, uitvoerig of versneld. De keuze is op het laatste gevallen, een soort selectiemechanisme. De CDA-fractie staat volledig achter deze keuze omdat hierdoor de mogelijkheid van individuele rechtsbescherming volledig in stand blijft. De Hoge Raad blijft namelijk als cassatierechter beslissen over de gegrondheid van het ingestelde beroep tegen de beslissing van de lagere rechter, maar krijgt louter een instrument in handen waarmee versneld op het cassatieberoep kan worden beslist. De CDA-fractie hoopt oprecht dat de Hoge Raad hierdoor meer tijd en menskracht kan besteden aan zaken waarin substantiële belangen van slachtoffers, verdachten of de samenleving als geheel op het spel staan. We moeten alles in het werk stellen om schokkende gerechtelijke dwalingen te voorkomen. Dit wetsvoorstel zou daaraan kunnen bijdragen.

Vooruitlopend op de invoering van deze wet zijn twee kamers van de Hoge Raad aan de slag gegaan met een onderzoek naar het aantal zaken dat in aanmerking zou kunnen komen voor de toepassing van dit artikel 80a. De resultaten zouden in september 2011 bekend zijn. Wij kunnen het gemist hebben, maar wij hebben ze nog niet ontvangen. Zijn ze al beschikbaar en wat kwam er uit het onderzoek? Wij zijn met name benieuwd naar de ervaring die is opgedaan met het hanteren van het begrip "klaarblijkelijk". Aanvankelijk stond er namelijk "een te gering belang". In de ogen van de Hoge Raad was dat een te subjectief criterium. De minister heeft daarop de zinsnede vervangen door "klaarblijkelijk onvoldoende belang", omdat dit meer zou aansluiten bij de wens tot objectivering. Kan de minister hier iets meer over zeggen?

De CDA-fractie heeft verder geen behoefte aan een uitvoerige bespreking van dit wetsvoorstel, omdat in het voortraject antwoord is gegeven op de vragen. Wij komen graag terug op de constatering in het eerdere rapport dat een van de redenen om tot de Hoge Raad door te procederen in een strafrechtelijke procedure, het feit is dat het instellen van een rechtsmiddel een schorsende werking heeft op de executie. Wij vroegen destijds aan de minister of hij hierin een aanleiding zag om een wijziging voor te stellen. Destijds was het antwoord: nee, voor een dergelijke systeembreuk is onvoldoende grondslag. Maar wat is het antwoord nu, van deze staatssecretaris van Veiligheid en Justitie? In het regeer- en gedoogakkoord staat dat bij ernstige gewelds- en zedendelicten wordt verzekerd dat de persoon na zijn veroordeling in eerste aanleg en hangende beroep of cassatie, in hechtenis blijft of wordt genomen. Wat is de stand van zaken dienaangaande? Is dat wetsvoorstel al in consultatie, kan de staatssecretaris daar al iets over zeggen?

Wij kunnen kort zijn over het stellen van andere, nieuwe eisen aan advocaten die optreden als procesvertegenwoordiger bij de Hoge Raad. Wij sluiten ons allereerst volledig aan bij de vragen van de VVD-fractie; wij moeten niet te afwachtend zijn, de balie kan al aan de slag en laten wij kijken naar de advocaten die reeds als advocaat in cassatie optreden. Wij steunen die vragen en zouden daar ook graag antwoord op krijgen. Het mag echter voor zich spreken dat het CDA, een partij met oog voor de regio's, heel positief is over het schrappen van de eis dat een cassatieadvocaat kantoor houdt in Den Haag. Die enkele geografische eis van kantoor houden in het arrondissement Den Haag is immers geen enkele waarborg voor kwaliteit van het optreden als advocaat bij de Hoge Raad.

Tot slot. Wij hebben geen aanvullende vragen over het voorstel met betrekking tot de prejudiciële vraag. Wij steunen dat voorstel, zeker nu wordt gezien op zaken waarbij maatschappelijke behoefte bestaat aan een richtinggevende uitspraak van de Hoge Raad; Dexia is al genoemd. Dit kan eraan bijdragen dat een rechtzoekende sneller duidelijkheid krijgt en dat is een goede zaak. Maar een evaluatie stellen wij ook zeer op prijs, dus hopelijk kan de staatssecretaris deze toezeggen.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voorzitter. Mijn oprechte excuses aan de collega's voor het feit dat ik pas zonet kwam binnenlopen. Ik had mij verheugd op de inbreng van diverse leden van de Kamer, maar was helaas verhinderd. Dit is een belangrijk wetsvoorstel, dus de SP neemt graag deel aan de behandeling ervan.

Ik kom bij de bespreking van het eerste voorstel, voor de Wet versterking cassatierechtspraak. We kunnen allen constateren dat de werklast van de Hoge Raad de afgelopen decennia is verdubbeld. Voor de strafsector is deze zelfs verviervoudigd. Volgens de regering komen er te veel mensen bij de Hoge Raad terecht die daar eigenlijk niet thuishoren. Daarom, vindt de regering, moet "de Hoge Raad zich concentreren op zijn kerntaken".

Ook mijn fractie signaleert natuurlijk het toegenomen beroep op de Hoge Raad, in alle sectoren: civiel, straf en belasting. Dat is niet alleen een probleem van de Hoge Raad, maar van de gehele rechtspraak. Voor een belangrijk deel komt dit door de toegenomen complexiteit van de regels en door internationale aspecten. Het komt dus, simpel gezegd, voor een belangrijk deel door de overheid zelf.

Mijn fractie vindt het te gemakkelijk om de toegang tot het recht dan maar af te knijpen, zoals de regering bijvoorbeeld doet met de enorme verhoging van de griffierechten. De toegang tot het recht wordt op het spel gezet, enkel en alleen vanuit bezuinigingsoverwegingen, en dat is heel erg kwalijk. Hierover is vorige week bij de algemene politieke beschouwingen al gesproken en mijn fractie komt daar zeker op terug bij de behandeling van de begroting van Veiligheid en Justitie. Ik kan het echter niet laten om nu al te vermelden dat ik een griffierecht van duizenden euro's om bij de Hoge Raad terecht te kunnen, ongelofelijk hoog vind. Dan is het namelijk echt de vraag wie dat nog gaat doen. Waar blijft de analyse van de gevolgen en waarom stuurt de minister die niet naar de Kamer zoals wij gevraagd hebben?

Mijn fractie is van mening dat zaken die overduidelijk niet zullen slagen in cassatie, zonder al te veel omhaal en procedurele vereisten moeten kunnen worden afgedaan. Als er inderdaad zaken zijn waar feiten en geen rechtsvragen opnieuw aan de orde worden gesteld, dan moet zo'n zaak versneld afgedaan kunnen worden, want daar is de Hoge Raad niet voor. Ook bij zaken waar men al heel snel kan zien dat het helemaal niks is, is versnelde afdoening zeker op zijn plaats. Maar daar is in de huidige regelgeving natuurlijk al in voorzien, zie artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad kan klachten al versneld en vereenvoudigd afdoen. Het is de vraag waarom artikel 81 Wet RO niet voldoende is en waarom het nodig is om selectie aan de poort te organiseren. Het is maar een vraag, maar wel een vraag waarop ik graag antwoord krijg van de staatssecretaris.

De heer Van der Steur (VVD):

Mevrouw Gesthuizen is toch zeker ook op de hoogte van het verschil tussen 80a en 81? Ik zal het even kort samenvatten. Artikel 80a voorziet erin dat niet de hele riedel doorgewerkt hoeft te worden, dus inclusief de conclusie van de procureur-generaal. Artikel 81 schrijft dat allemaal wel voor en dat betekent dat 80a veel sneller is. Dat lijkt mij ook voor de SP een groot voordeel, aangezien mevrouw Gesthuizen zelf ook al iets zei over de kosten.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik kom hier nog op terug. Wellicht kan de heer van de heer Van der Steur nog even wachten. Als hij straks zijn vraag nog een keer wil stellen, zie ik hem wel weer verschijnen.

Voorzitter. Het is dus niet eerlijk om de gang naar de rechter onmogelijk te maken. Eigenrichting mag niet in ons land en dat moet vooral ook zo blijven. Maar dat kan alleen als mensen echt hun recht kunnen halen. Regelen wij dat niet, dan zijn er ook voor de samenleving risico's aan verbonden.

Ik zie een principieel verschil tussen het huidige artikel 81 en het voorgestelde 80a, want in het voorstel van de minister wordt de zaak eigenlijk direct weggewuifd, zonder dat voor betrokkenen duidelijk is dat er zorgvuldig en inhoudelijk naar is gekeken. De heer Van der Steur en ik verschillen hierover dus vermoedelijk van mening.

De zaak is dan niet ontvankelijk in plaats van dat de klacht niet tot cassatie kan leiden. Hier heb ik zo mijn twijfels bij. Kan de staatssecretaris mij van de noodzaak van de introductie van deze selectie aan de poort overtuigen? En hoeveel arbeidsintensiever is artikel 81 eigenlijk dan het voorgestelde 80a? Kan de staatssecretaris dat ons voorrekenen? Deze vraag is des te relevanter, omdat bij nota van wijziging is bepaald dat met de toepassing van artikel 80a de selectie aan de poort met drie rechters wordt besloten, precies zoals bij het huidige artikel 81. Dus wat is het verschil?

De regering schrijft dat het wetsvoorstel versterking cassatierechtspraak niet gericht is op het verminderen van de werklast, maar op een doelmatiger gebruik van de beschikbare capaciteit. Maar dat is volgens mij min of meer hetzelfde. En anders moet de staatssecretaris mij dat verschil maar eens uitleggen. Want als meer zaken niet ontvankelijk worden verklaard, dan betekent dat wel degelijk minder werklast. Of zie ik dat helemaal verkeerd?

Mijn fractie is ook bezorgd over het open criterium van de selectie aan de poort. Niet over het criterium dat klachten "klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden", maar wel over de vraag wanneer er sprake van is dat een partij "klaarblijkelijk onvoldoende belang" heeft bij het cassatieberoep? Kan dat nader worden toegelicht? Dit gaat de Hoge Raad zelf bepalen. Hoe kunnen we voorkomen dat andere motieven, bijvoorbeeld financiële problemen in de rechtspraak, ervoor zorgen dat meer cassatieberoepen op voorhand al aan de poort worden "weg geselecteerd" en dus niet in behandeling worden genomen? Graag een toelichting. En hoe gaat het kabinet dit de komende jaren in de gaten houden.

Voorzitter. Ik heb nog een specifieke opmerking over cassatie in strafzaken. Binnenkort behandelen we eindelijk het wetsvoorstel herziening ten voordele. Mijn fractie juicht dat zeer toe. Dat wetsvoorstel betreft weliswaar de herzieningsprocedure en niet de mogelijkheid van cassatie, maar het is voor mijn fractie buitengewoon belangrijk dat veroordeelden naar hun zaak kunnen laten kijken als er sprake is van twijfel over de juistheid van de veroordeling. De huidige mogelijkheden zijn namelijk te beperkt. Heeft het voorliggende wetsvoorstel effect op de herzieningsprocedure? Ik vraag dat, omdat ik aanneem dat ook na eventuele niet-ontvankelijkheid op grond van het nieuwe artikel 80a een veroordeelde toch toegang zal hebben tot de herzieningsprocedure. Dit is voor mijn fractie echt een belangrijk punt.

Het laatste punt bij dit wetsvoorstel: de kwaliteit van de cassatieadvocaten. De SP kan instemmen met de aanvullende kwaliteitseisen die gesteld gaan worden aan cassatieadvocaten. Je moet namelijk specialist zijn om bij de Hoge Raad te kunnen procederen. Dat is nu eenmaal niet voor iedere advocaat weggelegd. Aanvullende kwaliteitseisen zijn daarom een goed idee.

Dan nu het tweede wetsvoorstel: de Wet prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Het Hof van Justitie van de Europese Unie kent al jaren de procedure van de prejudiciële vragen. Ondanks het feit dat ik mij niet altijd kan vinden in het Europese recht, waarin naar mijn smaak te vaak de economie voorop wordt gesteld en niet de mens of het milieu, ben ik wel altijd gecharmeerd geweest van de procedure van de prejudiciële vragen. Dan wordt namelijk de hoogste rechter in een vroeg stadium om een oordeel gevraagd over een rechtsvraag, en hoeft niet onnodig lang te worden geprocedeerd. De voorbeelden van massaschadezaken die de regering geeft in de memorie van toelichting, waarin het belang groot is om duidelijkheid te krijgen over bepaalde rechtsvragen, zijn duidelijk. De vragen die mijn fractie over dit wetsvoorstel had zijn naar tevredenheid beantwoord in de schriftelijke ronde. Ik sluit dus af met steun voor dat wetsvoorstel.

De voorzitter:

De staatssecretaris heeft verzocht om een kwartiertje te schorsen voor zijn voorbereiding. Ik verzoek de woordvoerders, even bij mij te komen.

De vergadering wordt van 15.15 uur tot 15.30 uur geschorst.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter, ik zal mijn beantwoording per Kamerlid doen. Dat lijkt me het meest effectief

De voorzitter:

Dan komen er niet steeds dingen terug?

Staatssecretaris Teeven:

Nee, ik probeer snel door te schakelen, zoals men van deze regering gewend is.

Allereerst dank ik de leden voor hun inbreng. Het wetsvoorstel zou aanvankelijk als hamerstuk worden behandeld, maar er is nu toch nog een vrij diepgaand debat.

De heer Recourt heeft opmerkingen gemaakt over de procedure. Eén nota van wijziging was heel technisch van aard; het betrof een omissie. De andere nota van wijziging heeft betrekking op het volgende. Eerst stond in het wetsvoorstel dat aan zowel het kantongerecht en de arrondissementsrechtbank als het gerechtshof prejudiciële vragen konden worden gesteld en dat dit dan altijd meervoudig zou moeten zijn. De essentie is echter dat de kantonrechter ook in enkelvoudige samenstelling die prejudiciële vragen kan behandelen. Er zat dus een discrepantie in het wetsvoorstel die pas in een zeer laat stadium is onderkend. Het leek me verstandig om deze wijziging alsnog aan te brengen.

Mevrouw Van Toorenburg vroeg hoe het zit met het onderzoek bij de Hoge Raad. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt gemeld dat dit voor eind september afgerond zou zijn. Het onderzoek is nog niet klaar, maar wij hebben wel even geïnformeerd hoe het zit. De Hoge Raad zit met smart te wachten op artikel 80a in het licht van het civiel recht en het strafrecht. In die zin is de urgentie hoog. Men vindt het een belangrijke vooruitgang. Voor de belastingrechtspraak geldt dit minder. De uitkomst van het onderzoek zal zijn dat daar de noodzaak minder wordt gevoeld.

De heer Van der Steur heeft een groot aantal opmerkingen gemaakt en vragen gesteld. Allereerst heeft hij gevraagd waarom het toezicht op de cassatiebalie wordt overgelaten aan de lokale dekens. Is bij hen wel voldoende kennis en expertise aanwezig over de cassatiepraktijk? Is het niet wenselijker om het toezicht te concentreren in Den Haag? Tegenwoordig zitten de meeste cassatieadvocaten op de Zuidas in Amsterdam; vroeger was dat niet zo. Het wetsvoorstel gaat uit van toezicht door de plaatselijke deken van de Orde in het arrondissement waar de advocaat kantoor houdt. Dat past op zich geheel in de systematiek van de Advocatenwet en zorgt ervoor dat integraal toezicht plaatsvindt op de betrokken advocaat. Integraal toezicht dient ook de kwaliteit van de advocatuur. Klachten over de cassatiepraktijk van een advocaat kunnen immers ook wijzen op gebreken in de overige praktijkuitvoering; dat hoeft niet altijd los van elkaar te staan. Het geheel van de gedragingen van een advocaat zegt iets over zijn kwaliteit en zijn integriteit. Een samenloop van de door de plaatselijke deken aangebrachte klachten kan ook van invloed zijn op de door de tuchtrechter op te leggen maatregel. Wat de regering betreft, kun je het cassatiedeel dus niet afscheiden van de overige werkzaamheden van de betrokken advocaat. De Nederlandse Orde van Advocaten is ook voorstander van dit integraal toezicht. De NOvA heeft expliciet oog voor de vereiste expertise van de cassatiepraktijk bij het toezicht. In de toelichting op het concept van een verordening van de NOvA op het terrein van vakbekwaamheidseisen is daaraan nadrukkelijk aandacht besteed.

Ik wijs er nog wel op – daar zoomde de heer Van der Steur met name op in – dat dit wetsvoorstel in een overgangsbepaling voorziet. Advocaten die op het moment van inwerkingtreding advocaat zijn bij de Hoge Raad, mogen dat gedurende twee jaar blijven. Die termijn biedt hun de mogelijkheid om onderwijs te volgen en examens af te leggen. Na die twee jaar moet men voldoen aan alle kwaliteitseisen. Ik zeg wel toe – dat vroeg de heer Van der Steur mij – dat ik nog met de Nederlandse Orde van Advocaten in gesprek ga over hoe wij de kwaliteitseisen kunnen verbeteren.

De heer Van der Steur (VVD):

Voorzitter. Ik heb twee vragen. De eerste betreft het vorige blokje. Vindt de staatssecretaris met de VVD-fractie dat het voor de hand ligt om lokale contacten te hebben en overleg te voeren met de cassatiespecialisten als het gaat om de beoordeling van de cassatiekwaliteit van de advocaten in den lande? Is de staatssecretaris bereid om ook dat nog met de Orde van Advocaten te bespreken? Wat het tweede punt betreft, het laatste punt, moet het voor de VVD-fractie echt helder zijn dat je, als je al jaren cassatie uitvoert, waarschijnlijk aan de regels voldoet. Als je dat immers niet deed, als je niet aan de kwaliteitseisen voldeed, dan hoor je niet in die balie thuis. Om die reden vindt de VVD-fractie het van groot belang dat er ook van begin af aan kwaliteitseisen worden gesteld. Ik begrijp van de staatssecretaris dat hij dat gaat bespreken.

Staatssecretaris Teeven:

Het laatste kan ik bevestigen. Wat de eerste vraag betreft, is het natuurlijk zo dat de lokale dekens contact moeten opnemen met leden van de raden van toezicht die ervaring hebben met de cassatiepraktijk. Dat zullen dus met name leden van de raad van toezicht zijn in de arrondissementen Amsterdam en Den Haag, naar het zich laat aanzien, omdat zich de cassatiepraktijk op dit moment daar concentreert. Als je echter met dit wetsvoorstel de territoriale bevoegdheid omzet in een andere, wat het uitgangspunt is van dit wetsvoorstel – mevrouw Van Toorenburg zei dat terecht – dan moet je dat toezicht niet via een gekunstelde regeling toch weer naar Den Haag toe willen brengen. Dus ja, ik zal met de Orde van Advocaten in overleg treden over de vraag hoe de bijstand kan worden georganiseerd als er vakinhoudelijk te weinig knowhow is, maar ik wil niet terug naar de territoriale grenzen. Het is de essentie van dit wetsvoorstel om dat niet te doen, dus dat moeten we ook wel vasthouden.

De heer Van der Steur heeft voorts gevraagd of ik zou willen toezeggen dat de beide wetsvoorstellen binnen twee jaar worden geëvalueerd. Natuurlijk zal ik de vinger aan de pols houden bij de implementatie van beide wetsvoorstellen, als ze kracht van wet krijgen. Dat zal de minister ook doen. Voor het wetsvoorstel prejudiciële vragen geldt dat het wetsvoorstel in artikel IV al voorziet in een evaluatie na vijf jaar. Ik verwacht op dat punt dat een eerdere evaluatie weinig kan opbrengen. Ik verwacht namelijk niet dat er na twee jaar al zo veel prejudiciële vragen zijn gesteld dat een zinvolle evaluatie kan plaatsvinden. Tegen de heer Van der Steur zeg ik dus dat ik zou willen vasthouden aan de vijf jaar, maar ik zeg wel toe dat ik een inventarisatie zal doen na twee jaar om te bezien hoe de zaak zich ontwikkelt. Ik zeg ook heel eerlijk tegen de heer Van der Steur dat ik niet denk dat wij in staat zijn om na twee jaar al een volledig beeld te hebben. Ik denk werkelijk dat dit te vroeg is.

De heer Van der Steur heeft een vraag gesteld over de summiere toelichting. De heer Recourt vroeg daar ook aandacht voor. Moet er niet bij de toepassing van artikel 80 a een summiere toelichting worden verstrekt? De overweging zou dan zijn, aldus de heer Van der Steur, dat een summiere toelichting de rechtzoekende kan helpen om de beslissing te accepteren. Ik proef de wens van de heer Van der Steur dat de rechtzoekende ook bij de toepassing van artikel 80 a de beslissing moet kunnen begrijpen. Dat lijkt me een goed uitgangspunt, ook vanuit het oogpunt van de rechtsbescherming waar mevrouw Gesthuizen aandacht voor vroeg. Dat lijkt me helder. Met de start van de nieuwe procedure vraagt dat ook aandacht. Dat ben ik met de heer Van der Steur en anderen eens. Ook voor de cassatiebalie is het uiterst belangrijk om hier inzicht in te krijgen en een dergelijk pleidooi heeft de heer Snijders ook in zijn recente artikel in het Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging gehouden. Ik wijs erop dat de Hoge Raad in zijn jaarverslag en in contacten met de cassatieadvocatuur in algemene zin een toelichting kan geven over het toepassingsbeleid. Ik zeg daar bij dat ik met de Hoge Raad geen afspraken kan maken over hoe dat toepassingsbeleid vorm wordt gegeven. Uiteraard kan daarover echter wel – een aantal woordvoerders heeft daarover gesproken – iets worden opgenomen in het reglement. Ik zal dit element dan ook onder de aandacht van de Hoge Raad brengen.

De heer Van der Steur heeft gevraagd of een zaak die uit het oogpunt van rechtsbescherming aandacht van de cassatierechter vraagt, niet kan worden afgedaan met artikel 80 a. Ik wijs erop dat ook professor Snijders in zijn artikel in TCR concludeert dat de selectiecriteria en het wetsvoorstel met zich meebrengen dat een dergelijke zaak onontkoombaar de aandacht van de Hoge Raad zal krijgen. Wat mij en de regering betreft, is er op dat punt dus geen reden voor zorg. Wij hebben dit ook eerder al in de stukken gewisseld.

De heer Van der Steur heeft verder gevraagd of het procesreglement kan worden aangepast op artikel 80a. Dat zal ik onder de aandacht van de Hoge Raad brengen. Ik heb hierover ook de afgelopen dagen zelf contact met de Hoge Raad gehad, dus dit punt is daar ook onder de aandacht gebracht. Ik deel de opvatting dat het wenselijk is dat de procedure van artikel 80a snel en efficiënt wordt afgewikkeld.

Ik wil daarover nog wel het volgende zeggen. Je zou er natuurlijk over kunnen denken dat, als je artikel 80a zou gaan hanteren, alleen nog maar de zittingsrechter daarbij rechtstreeks betrokkenheid heeft en niet meer het parket van de procureur-generaal. Ik denk dat het vanuit de toezichthoudende functie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad, uit het oogpunt van rechtsbescherming in de volle breedte maar ook uit het oogpunt van rechtsvorming, wel noodzakelijk is dat het parket van de procureur-generaal bij de procedure van toepassing van artikel 80a betrokken blijft. Ik zal mij verstaan met de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Het blijkt ook wel uit wat wij in de stukken hebben gewisseld, maar ook uit alles wat u hier vandaag hebt gezegd, dat het wel van belang is dat de procedure dan wel de nodige vaart houdt. Want anders zou de nodige snelheid in afdoening die wij met artikel 80a beogen in gevaar komen. Ik zal ook dit onderwerp nadrukkelijk bespreken met het parket bij de Hoge Raad.

De heer Van der Steur (VVD):

Dat betekent dus dat de Hoge Raad, zoals het ook in de wet staat, de procureur-generaal zal horen, maar dat de procureur-generaal daarop niet altijd hoeft te reageren, dus – dit is eigenlijk zijn eerste optie – dat hij niets doet. Het tweede wat hij kan doen, is dat hij laat weten dat hij ook niet geïnteresseerd is in de zaak. Ten derde zou hij kunnen overwegen om gewoon de conclusie te nemen, zoals te doen gebruikelijk is.

Staatssecretaris Teeven:

Ja, dan zou hij inderdaad een conclusie kunnen nemen. Overigens wijs ik er wel op dat op dat moment, ook als er een conclusie wordt genomen, wel weer de situatie ontstaat dat de borgersbrief moet worden verstuurd naar verweerder, want dan zal er ook wel weer de gelegenheid moeten zijn voor verweerder om dan vervolgens ook weer zijn standpunt kenbaar te maken. Dus dan komen wij weer terug op de normale procedure.

Voorzitter: Schouw

Staatssecretaris Teeven:

De heer Van der Steur heeft nog gevraagd waarom beperkende regels over de aantekening als advocaat bij de Hoge Raad zich in eerste instantie tot civielrechtelijke zaken beperken. Ook de opmerkingen van mevrouw Van Toorenburg gingen een beetje in die richting. Kunnen er nu niet meteen ook eisen worden gesteld aan het optreden in straf- en belastingzaken? Het wetsvoorstel beperkt zich in eerste instantie tot het optreden in civielrechtelijke zaken bij de Hoge Raad. Voor het optreden in straf- en belastingzaken geldt een overgangsregeling. De Nederlandse Orde van Advocaten kan besluiten om pas later kwaliteitseisen te stellen, maar heeft al aangegeven dit wel meteen in haar oordeelsvorming op te nemen en ook snel met die kwaliteitseisen aan de gang te gaan. Ik zeg hier bij dat deze wijze van werken ook wel een mogelijkheid biedt aan de advocatuur om eerst in civielrechtelijke zaken ervaring op te doen met het stellen van kwaliteitseisen voor het optreden bij de Hoge Raad.

Het is denk ik logisch om nu met die zaken te beginnen, omdat er in de praktijk nu al een civiele cassatiebalie is. In strafrecht en belastingrecht bestaat nog geen ervaring met een vorm van gespecialiseerde cassatieadvocatuur. Overigens is het de vraag of hieraan in het belastingrecht wel in ruime mate behoefte is, zoals ik al eerder heb gezegd.

Ik denk dat het ook belangrijk is om in de gaten te houden wat het effect is van deze regeling op de toegang tot de Hoge Raad voor rechtzoekenden. Ik denk dat het altijd zo zou moeten zijn – daar gaat de zorg van de zijde van het departement uiteraard ook naar uit – dat er altijd voldoende advocaten beschikbaar blijven om zaken te doen bij de Hoge Raad. Als op termijn blijkt dat die regeling goed werkt en de toegang tot de Hoge Raad verzekerd is, kan zij worden uitgebreid naar zaken in het strafrecht en het belastingrecht. Om het tempo erin te houden en hier ook tempo mee te maken, zal ik, zoals ik al heb gezegd, dit wel bij herhaling onder de aandacht brengen in de gesprekken met de Nederlandse Orde van Advocaten.

De heren Bontes en Van der Steur hebben gevraagd wat "klaarblijkelijk van onvoldoende belang" betekent en of ik een aantal voorbeelden kan noemen bij de behandeling van dit wetsvoorstel. Het gaat altijd om zaken die uit het oogpunt van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming van te gering belang zijn om behandeling door de Hoge Raad te kunnen rechtvaardigen. Bij klachten met onvoldoende belang kan worden gedacht aan gevallen waarin na verwijzing toch geen andere beslissing zou kunnen volgen en het cassatieberoep zou moeten afstuiten op het gebrek aan belang. Dat zijn gevallen waarin de motivering van de feitenrechter niet helemaal vlekkeloos is of waarin kleine vormfouten zijn gemaakt die echter op de uiteindelijke beslissing niet van invloed kunnen zijn geweest. Op dit moment moet de Strafkamer uitspraken vernietigen als wetsartikelen onvolledig of verkeerd zijn aangehaald en als de uitspraak niet aan de juiste stukken is gehecht, terwijl deze zich wel in het dossier bevinden, en als in zaken waarin geen klachten zijn ingediend de redelijke termijn in geringe mate is overschreden. In civiele zaken zou je dan bijvoorbeeld kunnen denken aan kennelijke schrijffouten, vergissingen en omissies, die ook op de voet van artikel 31 en 32 Rechtsvordering hadden kunnen worden hersteld. Je kunt ook denken aan het ongemotiveerd passeren van een bewijsaanbod waarbij duidelijk is dat alle bewijsmogelijkheden zijn benut. Ik noem ook een te gering financieel belang. In de jurisprudentie is een zaak terug te vinden, sprekend over het onderwerp alimentatie, waar het ging om een fout van € 2 bij het berekenen van de alimentatie. De vraag is of dit geen typisch voorbeeld is van een te gering belang als je daarover doorprocedeert. Je kunt ook denken aan klachten over de weergave van de feiten, de uitleg van de overeenkomst en de uitleg van de gedingstukken waarbij aanstonds al kan worden vastgesteld dat het gaat om misslagen of om vergissingen. Dat zijn zomaar een aantal voorbeelden dat ook voortkomt uit de jurisprudentie en de praktijk van de Hoge Raad.

De heer Van der Steur (VVD):

Op het risico af dat het een ingewikkelde vraag is, het volgende. In hoger beroep geldt een harde drempel voor het civiele recht. Uit mijn hoofd gezegd, is dat € 1750. Vindt de staatssecretaris niet dat dezelfde drempel in dit geval ook kan worden neergelegd voor de Hoge Raad?

Staatssecretaris Teeven:

Nee, ik ben er niet voor een dergelijk harde drempel neer te leggen. In het kader van de rechtsvormende taken en vanuit het oogpunt van de toezichthoudende taak van het parket bij de Hoge Raad kan ik mij voorstellen dat in zaken met een zeer gering belang er een rechtsbelang is, anders dan het partijbelang, om de zaak toch ten gronde te behandelen. Het geringe belang op zichzelf, de harde drempel in de wet zou nog wel eens een belemmering kunnen zijn om die rechtsvormende taak goed in te vullen. Ik denk daar dus niet aan, zeg ik tegen de heer Van der Steur.

De heer Bontes vraagt of het aanbeveling verdient om in de wet te bepalen in welke termijn de Hoge Raad een prejudiciële vraag moet beantwoorden. Zoals de heer Van der Steur sprak over een drempel in geld, zo kan ik tegen de heer Bontes zeggen dat dit om een aantal redenen geen aanbeveling verdient. In de eerste plaats ontstaan er complicaties indien termijnen niet haalbaar zijn. De vraag is dan wat de Hoge Raad moet doen. Welke consequenties moet de Hoge Raad daaraan verbinden? In de tweede plaats laat het zich moeilijk voorstellen op welke wijze een overschrijding zou kunnen worden gesanctioneerd. Ik kan mij daar op dit moment niets bij voorstellen van de zijde van de regering. In de derde plaats kan een termijn tot gevolg hebben dat de Hoge Raad een prejudiciële vraag ten koste van zaken met een eveneens groot of nog groter maatschappelijk belang met voorrang zou moeten behandelen. De prioritering zou op dat punt in gevaar komen. In de vierde plaats zal een wettelijke termijn complicerend werken indien voor de beantwoording de uitleg van Unierecht een rol van betekenis speelt en de Hoge Raad verplicht is ten behoeve van de beantwoording een prejudiciële vraag van het Hof van Justitie te stellen. De gemiddelde termijn, zoals de heer Bontes ongetwijfeld weet, voor het verkrijgen van een antwoord van het Hof van Justitie in Luxemburg bedraagt op dit moment al zestien maanden. Als je termijnen gaat opnemen voor de Hoge Raad en er is een zaak waarover je in de wet een algemene termijn zou opnemen, een zaak waarbij om Europese uitleg moet worden gevraagd, dan kom je bij de Hoge Raad klem te zitten. Dan overschrijdt de Europese termijn de wettelijke termijn die wij hebben opgenomen. Het vaststellen van een wettelijke termijn is ook lastig, omdat rekening moet worden gehouden met ingewikkelde vragen waarvan de beantwoording meer tijd vraagt dan relatief eenvoudige vragen. Wil die termijn in alle gevallen haalbaar zijn – we moeten wetgeving maken waarmee wij iets kunnen – dan moet die zodanig ruim zijn dat een wettelijke termijn in de grote meerderheid van de zaken geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat lijkt mij niet goed.

Kijkend naar het algemene palet binnen de justitiële wereld, wijs ik er ook nog op dat wettelijke termijnen waarbinnen de rechter moet beslissen, uitzonderingen zijn. Een dergelijke termijn is zelfs niet opgenomen in de regeling met betrekking tot het kort geding. Dus ook om die reden lijkt dit niet de aangewezen weg. Verder is het van belang dat de Hoge Raad het ministerie heeft laten weten dat de beantwoording van prejudiciële vragen voorrang heeft. Om die reden acht ik de wettelijke termijn niet nodig. Ik denk dat dit met een gerust hart aan de Hoge Raad kan worden overgelaten.

De heer Bontes vroeg met betrekking tot artikel 81 van de Wet RO naar voorbeelden uit de praktijk. Dit hangt samen met de vraag of wij artikel 81 nog wel moeten handhaven. Artikel 81 wordt toegepast als de klachten niet tot cassatie kunnen leiden, zeker als de conclusie van de advocaat-generaal ruimschoots ingaat op de redenen waarom het middel niet tot cassatie kan leiden. Als er geen rechtseenheid of rechtsontwikkelingsvraag speelt, kan de Hoge Raad de zaak op grond van artikel 81 Wet RO afdoen. Denk aan de volgende voorbeelden. Een middel bevat uitsluitend motiveringsklachten die niet tot cassatie kunnen leiden. Er wordt eigenlijk een nieuwe feitelijke behandeling gevraagd, terwijl er al een feitelijke behandeling heeft plaatsgevonden bij de rechters in eerste en hoogste aanleg. Dit zijn allemaal voorbeelden van situaties waarin het niet werkt.

Mevrouw Gesthuizen en de heer Bontes hebben gevraagd wat het verschil tussen artikel 80a en artikel 81 van de Wet RO precies is. Het voorgestelde artikel 80a wijkt op een aantal punten af. Artikel 81 bevat de mogelijkheid voor de Hoge Raad om te volstaan met een verkorte motivering aan het eind van de procedure als de Hoge Raad oordeelt dat een aangevoerde klacht niet tot cassatie kan leiden en niet noopt tot beantwoording van vragen in het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling. Je gaat dan wel de hele procedure door en komt pas op dat moment tot een oordeel. Artikel 80a geeft de mogelijkheid om aan het begin van de procedure een zaak versneld en verkort af te doen. Daarnaast volgt, in ieder geval in civiele zaken, geen schriftelijke toelichting of pleidooi. Dat zal de partijen aanzienlijke proceskosten besparen. Dat is ook een van de doelstellingen van het kabinet, namelijk de bureaucratie tegengaan en de rechtzoekende kosten besparen.

Dit geeft ook enigszins antwoord op de vraag van de heer Recourt over de griffierechten. Dit kabinet stelt soms weliswaar hogere normen, maar probeert ook wat terug doen, al is het in een wat kleine vorm; dat zal ik niet ontkennen.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik heb een vraag over het vorige punt, het verschil tussen artikel 81 en artikel 80a. Dat het aan het einde anders is in het huidige artikel 81, geloof ik allemaal wel. Het gaat mij juist om het begin van het traject. Als ik de artikelen goed naast elkaar leg, is het voorgestelde artikel 80a in ieder geval anders, in die zin dat gesproken wordt over niet-ontvankelijkheid en over onvoldoende belang voor een partij om in cassatie te gaan. Ik vraag mij af – ik weet niet hoe de staatssecretaris dit precies voor ogen heeft – hoe dit dan gaat in een versnelde procedure: wordt er vluchtig door een dossier heen gebladerd of wordt eerst alles doorgenomen en volgt daarna een overweging door de Hoge Raad?

Staatssecretaris Teeven:

Het is niet zo dat de Hoge Raad het alleen doet. Ik heb zo-even al aangegeven dat de stukkenstroom zeker ook naar het parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad gaat. Daar zal men ook naar de zaak kijken. Er zijn dus twee instanties die naar de zaken kijken. Als het parket aanleiding ziet om een conclusie te nemen, gaat het de gewone procedure in. Dan kom je in de situatie terecht dat het aan het eind zal leiden tot een volledige procedure of een afdoening. Dan wordt er wel volledig een conclusie genomen en gaan partijen volledig op de zaak in, uiteindelijk leidend tot toepassing van artikel 81 of gewoon het wijzen van arrest. In al die andere situaties blijf je steken bij twee gronden: kennelijk ongegrond of te gering belang. Ik heb al voorbeelden genoemd.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Die voorbeelden laten niets aan duidelijkheid te wensen over, maar ik vind dat toch wel een beetje makkelijk. Wij kunnen altijd wel met voorbeelden komen. Mij gaat het meer om het algemene beeld, dus het principiële punt. Hoe goed wordt er nou nog naar zaken gekeken, ook door de Raad zelf, die natuurlijk een belangrijke stem heeft in het wel of niet aannemen en het wel of niet in cassatie kunnen laten gaan door partijen? Hoe goed wordt er nou nog gekeken naar zo'n dossier? En hoe voorkomen we dat andere motieven, bijvoorbeeld een hoge werkdruk of knellende financiering, de aanleiding kunnen zijn om te zeggen: we doen deze zaak maar niet? Ik zie het wel voor mij dat er bij zo'n dossier wordt gezegd: het is al wel heel erg druk.

Staatssecretaris Teeven:

Ik zie wat mevrouw Gesthuizen voor zich ziet, eigenlijk niet voor mij. Ik zie doorknede juristen, die dit werk al heel lang doen en die vaak bij een eerstelijns feitelijke rechter werkzaam zijn geweest en bijna altijd ook bij een tweedelijns feitelijke rechter. De meesten hebben dus heel veel ervaring met rechtszaken, hetzij vanuit de rechterlijke omstandigheden, hetzij vanuit de advocatuur. Zij hebben dus een goede kennis van de jurisprudentie. Zij zijn dus ook in staat om in een vroeg stadium te beoordelen of er zaken komen die volstrekt kansloos zijn. Nu is het zo dat, als er volstrekt kansloze zaken zijn, maar een advocaat wel 60 klachten verzint in een cassatieschriftuur, die 60 klachten allemaal helemaal door de procedure heen gaan. Bij sommige zaken – dat moet je zien – beslaat het dossier wel een muur van drie of vier meter breed en twee meter hoog. In dat dossier staan heel veel dingen. Nu is het zo dat alle 60 klachten moeten eerst worden beantwoord voordat dit met artikel 81 kan worden afgedaan. We weten al heel lang dat sommige advocaten bij heel veel zaken, zeker strafzaken, standaard in cassatie gaan, terwijl daar echt geen belang bij is noch vanuit de rechtsbescherming, noch vanuit de rechtsvorming. Vanaf 2008 wordt al aandacht voor dit onderwerp gevraagd. We zijn hier al heel lang mee bezig. Dat zouden we als wetgever moeten willen en ik ga er ook van uit dat de Kamer dat wil. Wat mij betreft is de looptijd van dit wetsvoorstel veel te lang. Uit het onderzoek, waar mevrouw Van Toorenburg aan refereerde, dat jammer genoeg nog niet af is, blijkt in ieder geval dat de Hoge Raad voor civiele zaken en strafzaken met smart zit te wachten op artikel 80a. We moeten echt vertrouwen hebben in de kwaliteit van de rechters, die de Kamer zelf benoemt. De regering heeft daar vertrouwen in. Ik ga er een beetje van uit dat de leden van de Kamer daar ook vertrouwen in hebben.

De voorzitter:

Mevrouw Gesthuizen, tot slot op dit punt.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik vertrouw de rechters zeker, maar deze regering knijpt de rechterlijke macht zo enorm af en er is zo veel te doen op allerlei terreinen – dat geldt niet alleen op dit terrein, maar ook nog voor de zaken die we tegemoet zien, allerlei plannen van dit kabinet – dat ik denk dat het niet alleen maar de welwillende en hardwerkende rechterlijke macht is die aan de touwtjes trekt, maar juist ook dit kabinet. Nogmaals, in de rechterlijke macht heb ik het volste vertrouwen, maar niet altijd in dit kabinet. Ik denk even terugdenk aan de dossiers, waar de staatssecretaris het beeld van schetste. Ik dacht meteen even terug aan mijn dossier van de postmarkt; dat is ook zo groot, maar zeer relevant. De staatssecretaris geeft dus toch toe dat die dossiers minder zorgvuldig worden bestudeerd en doorgeakkerd met het nieuwe artikel 80a, dan met het huidige artikel 81. Dat is de enige conclusie die ik kan trekken.

Staatssecretaris Teeven:

Dat moet ik toch weerspreken. Mevrouw Gesthuizen trekt nu een conclusie die ik geenszins heb willen opgooien. Ik heb ook geen informatie verschaft waaruit ze dat zou kunnen afleiden. Ik heb gezegd dat in heel veel dossiers op het eerste gezicht of na enige bestudering blijkt dat het een volstrekt kansloze zaak is, zowel bij civiele als bij strafzaken.

Daarnaast verzamelen advocaten 60 cassatiemiddelen, 60 klachten, waarvan er al 57 zijn beantwoord en 3 van gering belang zijn. Nu kennen wij een procedure waarin wij de rit helemaal moeten afmaken. Straks ontzeggen wij die mensen niet de toegang tot het hoogste rechtscollege, maar selecteren wij wat strakker bij de poort. Het is jammer dat het vertrouwen in het kabinet er niet altijd is, maar het idee komt al van het vorige kabinet en werd breed door de Kamer gesteund, volgens mij ook door de SP-fractie.

De voorzitter:

Hoe lang hebt u nog nodig om uw beantwoording af te ronden?

Staatssecretaris Teeven:

Ik heb nog een aantal velletjes, maar we liggen aardig op schema.

De voorzitter:

Daar ga ik als voorzitter over.

Staatssecretaris Teeven:

Wat zegt u?

De voorzitter:

Over de vraag of wij op schema liggen, ga ik.

Staatssecretaris Teeven:

Nee, ik lig op schema.

De voorzitter:

O, u ligt op schema? Prima. Welnu, wij glijden er van af. Vandaar dat ik u een beetje probeer aan te sporen.

Staatssecretaris Teeven:

U hebt helemaal gelijk, voorzitter.

De heer Bontes heeft gevraagd hoe wij gaan zorgen voor toezicht op de verordening van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOVA). Hij vroeg of de controle op de verordening van de orde goed plaatsvindt. De eisen aan advocaten om zich te kwalificeren als advocaat bij de Hoge Raad worden neergelegd in de verordening van de NOVA, zo heb ik ook al op vragen van de heer Van der Steur geantwoord. In het wetsvoorstel wordt hiertoe ook opdracht gegeven aan de NOVA. Bij de totstandkoming van de verordening zoals neergelegd in de Advocatenwet is er nog geen betrokkenheid vooraf van anderen. Dat is het gevolg van het geldende systeem van regelgevende bevoegdheid van de publiekrechtelijke beroepsorganisaties. De beroepsorganisatie zelf is bij uitstek in staat om te beoordelen welke kwaliteitseisen gesteld moeten worden. Wij zijn ook bezig met het wetsvoorstel versterking toezicht op de advocatuur. Wij zijn nu in de consultatiefase. Dat zal hierbij zeker een rol gaan spelen.

De heer Recourt heeft gevraagd of dit wetsvoorstel is ingegeven door financiële overwegingen. Nee, dat is absoluut niet het geval. De gedachte die eraan ten grondslag ligt, is dat met dit wetsvoorstel gezorgd kan worden dat rechtsvragen waarvan het aannemelijk is dat er een maatschappelijke behoefte bestaat aan een richtinggevende uitspraak van de Hoge Raad, tijdig kunnen worden beantwoord. Zo kunnen we beter prioriteren wat wel doorgaat in procedure. Dit kan ook langs de weg van de prejudiciële vragen. Hiermee wordt voorkomen dat rechters en partijen in verwante zaken te lang in onzekerheid verkeren over de beslissing die hen aangaat in de belangrijkste rechtsvraag.

De heer Recourt (PvdA):

Dit wetsvoorstel brengt efficiencywinst met zich. Dat is terecht, want er zijn ook wat achterstanden. Maar die achterstanden zijn op enig moment hopelijk weggewerkt. Dan kun je toch bijna niet anders concluderen dan dat dit ook gewoon een financieel voordeel met zich brengt?

Staatssecretaris Teeven:

Dat zou de toekomst kunnen uitwijzen, maar laten wij ons daar niet te rijk mee rekenen. Als dat zo is, dan moeten we opnieuw in overleg treden over de vraag hoe deze middelen besteed moeten worden. De heer Recourt heeft gevraagd of dit voorstel leidt tot minder griffierechten. Vooralsnog is dat niet het geval. Het kabinet houdt vooralsnog vast aan het voorstel rond de griffierechten. Als dit daadwerkelijk leidt tot efficiencywinst en minder noodzaak tot minder financiering, dan moeten we het geheel opnieuw bespreken. Wellicht kan dit al bij de behandeling van het wetsvoorstel over de griffierechten plaatsvinden.

Voorzitter. De heer Recourt heeft verder gevraagd of artikel 80a ook aan de prejudiciële procedure kan worden toegevoegd. Dat is niet mogelijk en niet nodig. Het wetsvoorstel kent hiervoor een eigen regeling in artikel 393, lid 8, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De Hoge Raad kan afzien van beantwoording als de vraag zich niet leent voor prejudiciële beantwoording of als deze van onvoldoende gewicht is. Daarvoor geldt vervolgens de verkorte motivering.

De heer Recourt heeft gevraagd of het in het wetsvoorstel rondom de prejudiciële vragen alleen gaat om vragen met overstijgend belang. Inderdaad. Criterium voor het mogen stellen van een prejudiciële vraag is nu juist dat het om een zaak gaat waarin óf sprake is van een veelheid aan vorderingen die in het geding zijn – de heer Van der Steur noemde voorbeelden van massazaken waar het antwoord voor nodig is – óf waarin het antwoord van belang is voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere geschillen. Ik wijs erop dat dit ook zaken zouden kunnen zijn die al bij de kantonrechter aan de orde komen, zeker als we overgaan tot de verhoging van de competentiegrenzen. Vandaar ook de nota van wijziging die op een later moment is binnengekomen.

De heren Recourt en Van der Steur hebben gevraagd of de prejudiciële procedure in alle civiele zaken kan worden ingevoerd. Dat lijkt de regering geen goed idee. Het zou immers betekenen dat in theorie in alle zaken direct een beroep kan worden gedaan op de Hoge Raad. Een dergelijke toevloed van zaken kan de Hoge Raad niet aan. De prejudiciële procedure moet daarom beperkt blijven tot zaken die ook voor veel andere zaken van belang zijn.

Mevrouw Van Toorenburg heeft gevraagd hoe het staat met het wetsvoorstel rondom de voorlopige hechtenis en de schorsende werking tijdens executie. Dit voorstel heeft overigens niet zo veel met de voorstellen te maken die we vandaag behandelen. Het wetsvoorstel is al in consultatie geweest en wordt over enkele weken voor advies naar de afdeling advisering van de Raad van State gestuurd. Dan is het ook bekend.

Ik heb al gesproken over het onderzoek naar de optimale werkwijze van de Hoge Raad, waar mevrouw Van Toorenburg naar vroeg in algemene zin. Er wordt met smart gewacht op dit wetsvoorstel.

Mevrouw Gesthuizen heeft gevraagd of er gevolgen zijn voor de herzieningsprocedure. Dat is niet het geval. Het wetsvoorstel staat geheel los van de wetsvoorstellen herziening ten voor- en ten nadele.

Mevrouw Gesthuizen heeft gevraagd of artikel 80a kan leiden tot veel meer niet-ontvankelijkheid uit financiële overwegingen. Het selectiecriterium voor toepassing van artikel 80a wordt in de wet vastgelegd. De Hoge Raad kan niet enkel op grond van financiële overwegingen artikel 80a toepassen. Ik ben dan ook helemaal niet bang dat artikel 80a voor dergelijke oneigenlijke doeleinden zal worden ingezet. Ik ga er vol vertrouwen van uit dat dit goed gaat.

Volgens mij heb ik alle vragen beantwoord.

De heer Van der Steur (VVD):

Ik heb nog één vraag. De staatssecretaris zei dat de evaluatie van de prejudiciële vraag waar de VVD-fractie om heeft gevraagd, na vijf jaar komt, maar dat hij tussentijds zal inventariseren hoe het ermee gaat. Mijn vraag was echter tweeledig. Betrekt de staatssecretaris bij de inventarisatie ook de gedachte dat de prejudiciële vraag wordt uitgebreid naar de andere rechtsgebieden? Dan kunnen wij het systeem vanwege de kosten en de toegang tot de Hoge Raad ook toepassen op de andere rechtsgebieden. Is de staatssecretaris bereid om dit bij de inventarisatie te betrekken?

Staatssecretaris Teeven:

Voor de strafsectie kan ik deze vraag met "ja" beantwoorden. Voor de belastingrechtspraak is het de vraag of dit noodzakelijk is.

De voorzitter:

Ik heb begrepen dat een aantal Kamerleden op tijd weg moet. Ik zie echter dat er bij een enkel lid behoefte is aan een tweede termijn; die moet dan wel heel kort zijn.

De heer Van der Steur (VVD):

Voorzitter. Ik ben zeer tevreden met de toezeggingen die de staatssecretaris heeft gedaan ten aanzien van het behoorlijke aantal vragen dat de VVD-fractie heeft gesteld. Ik heb er goede nota van genomen dat hij de kwaliteit van het toezicht en de inschakeling van de cassatiespecialisten, van waar dan ook in Nederland, gaat gebruiken en dat hij daarover met de Nederlandse Orde van Advocaten zal spreken. Ik ben blij dat hij ook met de Hoge Raad zal spreken over de rechtsbescherming die niet in gevaar mag komen. De staatssecretaris gaat praten over het procesreglement en zal zeggen dat stroomlijnen meer dan nodig is. Hij zal een inventarisatie doen en ook kijken naar de eventuele uitbreiding van de prejudiciële vraag naar het strafrecht.Ik houd maar één motie over. Deze dien ik niet in omdat ik geen vertrouwen zou hebben in de staatssecretaris. Ik dien de motie in met twee collega's van het CDA en de PvdA omdat wij vinden dat dit een boodschap is die de staatssecretaris met steun van de Kamer moet overbrengen aan de Nederlandse Orde van Advocaten. De motie luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de kwaliteit van de advocaten die onderdeel zijn van de cassatiebalie van essentieel belang is voor de werking van de rechtsstaat;

overwegende dat het toezicht op deze advocaten zowel inhoudelijk als wat betreft praktijkvoering wordt opgedragen aan de lokale dekens en de lokale raden van toezicht;

constaterende dat de Nederlandse Orde van Advocaten voornemens is, geen toetredingseisen te stellen aan de advocaten die vanaf de eerste dag zullen zijn ingeschreven op het tableau als cassatieadvocaat;

verzoekt de regering, bij de Nederlandse Orde van Advocaten erop aan te dringen dat toetredingseisen worden gehanteerd waarmee de kwaliteit van de cassatiebalie vanaf de eerste dag wordt gegarandeerd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Steur, Van Toorenburg en Recourt. Naar mij blijkt, wordt de indiening van deze motie voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 8 (32576).

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn beantwoording in eerste termijn. Wij zijn het erover eens dat de werkdruk moet worden verminderd. Wij zijn het er echter niet helemaal over eens hoe wij daartoe moeten komen. Ik snap dat het op enig moment genoeg kan zijn. Je bent al bij twee rechters geweest en de Hoge Raad zegt dan: sorry, deze procedure heeft echt geen zin meer; die haalt niets uit. Er liggen echter risico's op de loer. Ik hoop dat alles zal gaan zoals de staatssecretaris denkt dat het zal gaan. Wij zien de evaluatie graag tegemoet. Ik benadruk wel dat, in combinatie met alle andere regels en middelen die de regering gaat inzetten om de toegang tot het recht voor de burger en anderen af te knijpen, het risico op de loer ligt dat burgers en bedrijven in Nederland geen toegang meer tot de rechter hebben.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. Ik zal niet proberen de snelheid van de heer Van der Steur en mevrouw Van Gesthuizen te overtreffen, maar ik zal het wel kort houden. De heer Van der Steur memoreerde iets in tweede termijn waarvan ik nog even de scherpte zoek. Ik heb geen toezegging gedaan om met de Hoge Raad te overleggen over de rechtsbescherming; dat kan ik niet.

Ik heb wel een toezegging gedaan dat de minister en ik dit onderwerp steeds zullen bespreken in onze jaarlijkse gesprekken met de procureur-generaal en de president van de Hoge Raad. Die toezegging krijgt de Kamer wel van de beide bewindspersonen.

De motie op stuk nr. 8 van de heer Van der Steur en medeondertekend door de heer Recourt en mevrouw Van Toorenburg gaat over de kwaliteit. Hierin wordt aangedrongen op toetredingseisen en inschrijving. Ik zie die motie als ondersteuning van het beleid. Deze motie is dus waardevol.

De afstand tussen mevrouw Gesthuizen en het kabinet is mijns inziens aanzienlijk kleiner dan zij zelf veronderstelt. Ik denk dat de procedure heel zorgvuldig is en niet vanuit bezuinigingsoverwegingen is ingegeven. De procedure houdt zich bezig met de zaken die prioritair moeten zijn. Ik kijk in dit verband terug naar de Kamervragen die ook door de fractie van de SP zijn gesteld over de Dexia-affiaire. Met de Kamervragen die de SP-fractie toen stelde, goed in mijn achterhoofd, ben ik van mening dat deze procedure ook van dienst kan zijn voor de onderwerpen die de SP-fractie in dit parlement zeer belangrijk vindt en die deze fractie bij herhaling onder aandacht van het kabinet brengt, zodat daar snel over wordt beslist. Ik denk dus dat de SP en het kabinet veel dichter bij elkaar staan op dit vlak dan het soms lijkt.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording. De stemming over de tijdens dit debat ingediende motie zal waarschijnlijk volgende week plaatsvinden.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.