5 Afbouw dubbele heffingskorting

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon tot een keer de algemene heffingskorting met uitzondering van het referentieminimumloon voor de Algemene Ouderdomswet (32777).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik herinner de leden er ten overvloede aan dat na dit debat nog een aantal andere debatten op de agenda staan. Het zou dus fijn zijn als wij dit debat tussen 18.30 uur en 18.45 uur kunnen afronden.

Mevrouw Karabulut (SP):

Voorzitter. Dat zou ik ook fijn vinden. Wat mij betreft komt dit wetsvoorstel er niet doorheen. Het is namelijk een van de treurigste wetsvoorstellen en plannen van dit kabinet en zijn gedoogpartner die wij bespreken. Het gaat om een structurele bezuiniging van 1 mld. op mensen met de laagste inkomens, op ouderen, op mensen met een beperking en op uitkeringsgerechtigden. Daarnaast staat ons nog een bezuiniging van 2 mld. op de jonggehandicapten en de sociale werkvoorziening te wachten.

Waar hebben wij het dan over? Volgens mij zouden heel veel mensen schrikken als zij horen dat zij € 2000 per jaar aan inkomen moeten inleveren. Oké, misschien zouden de ruim 134.000 miljonairs in ons land er niet zo van schrikken. Alhoewel, dat weet je ook niet. Misschien schrikt de staatssecretaris er met zijn inkomen ook niet zo van, maar gezinnen die nu bijvoorbeeld een inkomen van € 1300 per maand hebben en 10% daarvan moeten inleveren en mensen die in Nederland qua inkomen op het sociaal minimum zitten, worden wanhopig van deze plannen.

Het is echt geen grap, maar een pijnlijke waarheid dat dit kabinet een fikse rekening van de crisis ter waarde van 1 mld. bij honderdduizenden mensen neerlegt. Die crisis is veroorzaakt door bankiers en speculanten, maar niet door deze mensen. Toch zijn alleenstaande ouders, ouderen en arbeidsongeschikten de klos.

Ik vraag de staatssecretaris: wat zijn de gevolgen voor al deze mensen? Zij verliezen in totaal 0,5% tot 0,75% aan inkomen per jaar. Het gaat om structureel 10% tot 15%. Het gaat het komend jaar om een bedrag van € 100 voor paren, € 90 voor alleenstaande ouders en € 70 voor alleenstaanden. Dan hebben wij het alleen over deze maatregel, maar daarnaast wordt er nog 1 mld. gekort op de zorgtoeslag. Ook de huurtoeslag gaat eraan, de kinderbijslag wordt gekort en er komt een korting op de kinderopvang.

De staatssecretaris kan dus wel zeggen: wij kijken alleen naar deze maatregel. Ik wil echter heel graag van hem weten wat deze mensen echt inleveren. Maar vooral: hoe denkt de staatssecretaris dat deze mensen moeten rondkomen? Ik wil dat uitgelegd krijgen. Het betreft zelfs onze dierbaarsten, de ouderen, de 65-plussers, de mensen die keihard hebben gewerkt om dit land na de Tweede Wereldoorlog weer op te bouwen, de mensen die destijds niet verzekerd waren en met een AOW-gat te maken hebben. Jarenlang hebben wij moeten strijden voor een klein beetje aanvulling, maar dit kabinet pakt het weer af door de AOW-tegemoetkoming te korten. Waarom? Hoe moeten deze mensen hun inkomensverlies, € 371 voor alleenstaanden en € 734 voor paren, volgend jaar opvangen?

De staatssecretaris zegt dat hij een aantal doelen heeft. Op zich onderschrijf ik die doelen. Er moeten minder uitkeringen komen en er moeten meer mensen aan een baan komen. Dat is prima – dat onderschrijf ik – maar daar blijft het bij. Ik heb deze staatssecretaris nog op geen enkel plan kunnen betrappen. Hij doet allemaal uitspraken, zoals: er kunnen 200.000 mensen aan het werk. Prima, kom maar op! Maar mag ik de staatssecretaris daar ook op afrekenen?

De staatssecretaris zegt hierbij dat er 15.000 minder uitkeringen komen. Volgens de cijfers stijgt het aantal uitkeringen echter. De werkloosheid groeit. Dus hoe wil de staatssecretaris dit bereiken?

Dat het werk moet lonen, is een ander argument van dit kabinet om inkomens van de mensen met de laagste inkomens af te pakken. Ik weet het niet. Ik heb het voorstel gelezen en nogmaals gelezen, maar dit voorstel doet alles behalve werk lonend te maken. De armoedegrens wordt hiermee namelijk nog verder naar beneden bijgesteld. De 1% tot 1,5% van de mensen die in Nederland op of rond dat minimumloon werken, krijgen hierdoor geen beter loon. De staatssecretaris pakt dus geld af van mensen die dat helemaal niet kunnen missen. Hij knipt een groot gat in het vangnet waar mensen doorheen donderen. Moeten die mensen dat zelf maar uitzoeken?

Het is echter nog veel erger. Deze staatssecretaris maakt werken niet alleen niet lonender, maar is er ook heel trots op dat hij werken onder het minimumloon mogelijk gaat maken. Voor wie doet hij dat? Hij doet dat niet voor ons, niet voor de staatssecretaris zelf, maar voor de mensen die heel hard werken naar vermogen. Mensen die een beperking hebben, maar desondanks vreselijk hard hun best doen in de sociale werkplaats of daarbuiten met begeleiding. Van die mensen en de mensen die straks in de nieuwe bijstandswet belanden, zegt de staatssecretaris dat die maar onder het minimumloon moeten gaan werken. Werk wordt helemaal niet lonender, het wordt alleen armoediger. Dat is regelrechte discriminatie van mensen met een arbeidsbeperking en bijzonder, bijzonder asociaal. Waarom vindt de introductie van deze vorm van discriminatie plaats? Waarom worden mensen arm gemaakt? Kan de staatssecretaris één ding noemen waardoor dat werk lonender wordt?

Wat gaat de staatssecretaris doen voor mensen die voorlopig helemaal niet kunnen werken, zoals mensen die vrijstelling hebben van de arbeidsplicht? Mensen die om medische redenen niet kunnen werken? Dat is toch een heel groot deel van de mensen die nu een bijstandsuitkering krijgt. Zij hebben een ontheffing. De staatssecretaris geeft ze echter geen werk, geen hoop en geen perspectief maar wijst ze in één richting, die van de armoede.

Er zijn echter alternatieven. De SP-fractie ziet ook wel in dat er daadwerkelijk iets moet gebeuren. Naast dat we mensen die nu heel moeilijk meekomen maar dolgraag willen aan een echte baan helpen, moeten we investeren in het onderwijs. Om werk echter lonender te maken en mensen die nu veel te weinig verdienen rond dat minimumloon meer over te laten houden in hun portemonnee, zouden we de arbeidskorting moeten verhogen. Dat stelt mijn fractie voor. Ook verhogen wij de algemene heffingskorting, waar deze groep van profiteert. De overdraagbare heffingskorting, die nu wordt afgebouwd, zouden wij veel geleidelijker willen afbouwen en iets inkomensafhankelijker willen maken. Dat zijn allemaal maatregelen waarmee je echt bereikt wat de staatssecretaris zegt te willen bereiken.

De heer Van Hijum (CDA):

Ik ben wel verrast door de laatste opmerking van mevrouw Karabulut. Ik had in de tegenbegroting van de SP nagezocht of ze het voorstel wil terugdraaien, of dat ze wil temporiseren of iets dergelijks, maar dat is me niet gelukt. Kan mevrouw Karabulut aanwijzen waar dat staat?

Mevrouw Karabulut (SP):

Wij hebben voor dit voorstel, de 52 mln. die u hiermee volgend jaar bezuinigt, een begrotingspost opgenomen. Wij draaien deze bezuiniging terug. Ook de arbeidskorting kunt u terugvinden, niet alleen in onze tegenbegroting, maar ook in onze andere begroting, het verkiezingsprogramma.

De heer Van Hijum (CDA):

Mevrouw Karabulut heeft een tegenbegroting ingediend, dus ik mag aannemen dat zij correcties wil uitvoeren op de plannen van het kabinet. Moet ik het zo begrijpen dat er onder het postje "extra armoedebeleid" extra is gereserveerd?

Mevrouw Karabulut (SP):

Ja, 110 mln.

De heer Van Hijum (CDA):

Het is niet te controleren, dus het zou interessant zijn om dat voortaan wat explicieter te maken, zeker omdat mevrouw Karabulut zegt dat zij het geleidelijker wil invoeren. Kan zij aangeven in hoeveel jaren de SP-fractie de algemene heffingskorting wil afbouwen?

Mevrouw Karabulut (SP):

Wij hebben dat eerder voorgesteld. Het exacte aantal jaren kan ik nu niet noemen, maar de 110 mln. voor extra armoedebeleid is om de gaten die het CDA slaat bij de laagste inkomens te compenseren. Daarin zit de 52 mln. die u kort.

De heer Van Hijum (CDA):

Ik neem daar toch niet helemaal genoegen mee. Wij spreken vandaag over het wetsvoorstel waarin de dubbele heffingskorting wordt afgebouwd in het referentieminimumloon. Mevrouw Karabulut zegt nu dat zij dat ook wil, alleen in een iets ander tempo. Ik wil heel graag weten in hoeveel jaar. Ik hoop dat zij daarop nog even terugkomt, desnoods in de tweede termijn.

Mevrouw Karabulut (SP):

Wij hebben er voorstellen voor gedaan. Onze voorstellen komen ook terug bij het belastingplan. Maar u vroeg mij: heeft u rekening gehouden met het terugdraaien van deze asociale bezuiniging. Ja, dat staat in onze tegenbegroting.

De voorzitter:

Ik vroeg u niks, dat was de heer Van Hijum.

De heer Azmani (VVD):

Ik heb ook nog een vraag. Ik heb in de tegenbegroting gekeken, maar ik kon het er ook niet in zien. Ook ik vraag mevrouw Karabulut om het de volgende keer explicieter te maken, als zij het wil repareren. Zij heeft het over de arbeidskorting. Het gaat jaarlijks om zo'n 0,8 mld. en wij gaan naar 12 mld. toe. Hoe wil zij dat dekken?

Mevrouw Karabulut (SP):

Als de heer Azmani onze tegenbegroting goed had bestudeerd en mij goed had beluisterd de afgelopen maanden, had hij dat kunnen weten. Wij leggen niet, zoals de VVD doet, de rekening van de crisis neer bij de mensen met de lage en de middeninkomens. 3 mld. bij deze groep vind ik echt bijzonder pijnlijk en heel onnodig. Wij vragen bijvoorbeeld wel een hogere belasting van de mensen die heel veel vermogen hebben. Hun vermogen is verdubbeld in de crisis, zij zijn rijker geworden. Wij brengen de winstbelasting weer terug naar 25,5%. Wij voeren een bankenbelasting in zodat de banken, waardoor wij deze gaten in de begroting hebben, meebetalen aan het oplossen van de crisis. Wij voeren een taks in op financiële transacties. Dat zijn onze oplossingen voor de crisis. Dat is onze manier van echt eerlijk delen.

De heer Azmani (VVD):

Dit komt mij zeker niet onbekend voor. In het verkiezingsprogramma stonden ook dergelijke maatregelen. Het CPB heeft er het een en ander over gezegd. Het is het verkiezingsprogramma bij uitstek dat te weinig doet aan het begrotingstekort en dat uiteindelijk leidt tot meer uitkeringen. Dat betekent veel meer mensen in de armoede. Dat is de reactie op dit geheel.

Mevrouw Karabulut (SP):

Dit is echt onzin. De heer Azmani en zijn VVD zeiden: wij worden kampioen banen scheppen. Niks, nul komma nul, nada. De heer Azmani schrapt 70.000 banen in de sociale werkplaatsen. Hij zou kampioen banenscheppen worden. Waar zijn die banen van hem? Als hij goed had gekeken naar de doorrekening van het CPB, had hij kunnen zien dat mijn partij, de SP – ik ben daar trots op – ervoor zorgt dat de armoede echt wordt aangepakt, dat de mensen met de laagste inkomens, die jarenlang hebben moeten inleveren, erop vooruitgaan en dat wij kampioen koopkracht zijn. Dat is goed voor de banen, dat is goed voor de economie en niet wat de VVD doet: banen schrappen en inkomens afpakken.

De voorzitter:

Ik wijs de leden erop dat wij nog komen te spreken over de rijksfinanciën en dat dan ook alle alternatieve begrotingen van de partijen uitputtend kunnen worden besproken.

De heer Azmani (VVD):

Ik schoot van mijn stoel op het moment dat er weer werd gezegd dat er zelfs 70.000 banen bij de sociale werkvoorziening aan gaan door het kabinetsbeleid. Hoe vaak moeten wij mevrouw Karabulut vertellen dat de mensen die op dit moment in de sociale werkvoorziening werkzaam zijn daar gewoon blijven werken en dat het niet dankzij dit kabinetsbeleid is dat zij geen plek hebben?

Het gaat om nieuwe instroom. Wij willen mensen een kans bieden bij een reguliere werkgever. Mevrouw Karabulut heeft ervoor gezorgd dat de afgelopen jaren de instroom in de Wajong 60 jongeren per dag bedroeg. Twee schoolklassen gaan per dag de Wajong in. Op dit moment hebben wij zo'n 205.000 Wajongeren en wij gaan naar 400.000. Drie kwart daarvan zit thuis op de bank met een uitkering van 70% tot 75% van het wettelijk minimumloon. Vindt mevrouw Karabulut dat rechtvaardig en terecht? Vindt zij dat armoede?

De voorzitter:

Mijnheer Azmani, ik verzoek u om via de voorzitter te spreken.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik begrijp de opwinding van de heer Azmani wel. Hij kan de cijfers van het CPB natuurlijk niet tegenspreken. Ik vind het bijzonder kil en laf dat hij zegt dat de mensen hun plek behouden, want op langere termijn verdwijnen er wel degelijk 70.000 plaatsen. Daarnaast wil de heer Azmani af van de cao. Deze mensen hebben een zeer bescheiden inkomen, waar ze van rondkomen. De heer Azmani geeft de gemeenten een beperkt budget, waardoor ze moeten ploeteren. Ik ben het met de heer Azmani eens dat er een probleem is met de jonggehandicapten. Wij moeten daarin investeren. Wij moeten daarin investeren. Wij moeten het probleem oplossen. Dat doen wij niet door simpelweg eenzijdig te korten op de uitkeringen en vervolgens helemaal niets te doen aan de banen. Slechts 4% van de werkgevers heeft een jongere met een arbeidsbeperking in dienst. Er wordt nu bezuinigd op het onderwijs, terwijl het juist zo belangrijk is dat deze jongeren een vak leren. De begeleiding raken ze ook al kwijt. Tegen de heer Azmani zeg ik: uw plannen zijn gewoon heel onfatsoenlijk en slecht voor het land.

De voorzitter:

Mevrouw Karabulut, ik zou het op prijs stellen als u via de voorzitter wilt spreken en zich beperkt tot het wetsvoorstel. Anders zitten wij hier tot diep in de nacht.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik moet mevrouw Karabulut bijvallen als het gaat over de heer Azmani. Ook hij kan niet duiken voor het CPB. Datzelfde zeg ik tegen mevrouw Karabulut: zij kan het ook niet. De heer Azmani zei het al: met het verkiezingsprogramma van de SP, de partij van mevrouw Karabulut, daalt de werkgelegenheid met 1%. Is dat waar of is dat niet waar?

Mevrouw Karabulut (SP):

Ja, maar de heer Klaver moet verder lezen. Dan ziet hij dat de werkloosheid wordt teruggedrongen. Het verschil met de partij van de heer Klaver is, dat GroenLinks de AOW-leeftijd wil verhogen, hetgeen zogenaamd allerlei banen oplevert. Wij willen de AOW-leeftijd niet verhogen, wij willen de mensen die nu aan de kant staan aan een baan helpen. Dat zijn de modellen van het CPB.

De heer Klaver (GroenLinks):

De heer Azmani mag niet duiken voor de cijfers. Ik ben blij dat mevrouw Karabulut dat nu ook niet doet. Zij geeft toe dat met de SP aan de macht wij 1% werkgelegenheid verliezen. Ik ga ook niet duiken voor de cijfers van het CPB. GroenLinks is banenkampioen. Wij realiseren veel meer werkgelegenheid. Dat komt omdat wij durven te hervormen, bijvoorbeeld op die AOW. Ik vind dat mevrouw Karabulut te gemakkelijk voorbijgaat aan het probleem dat dit kabinet moet oplossen. Mensen die straks werken, mogen geen gebruikmaken van de dubbele heffingskorting, maar mensen in de bijstand wel.

De voorzitter:

Ik stel vast dat hier geen vraag aan gekoppeld is. Ik vraag mevrouw Karabulut om haar betoog te vervolgen.

Mevrouw Karabulut (SP):

De laatste opmerking van de heer Klaver vind ik jammerlijk. Wij kunnen verschillen van mening over de manier waarop je mensen aan het werk helpt. Daarop zal ik nu maar niet ingaan. Bij ons daalt de werkloosheid op langere termijn wel. Wij pompen weer heel veel geld in de economie, doordat wij kampioen koopkracht zijn. Wat de alternatieven en het voorliggende probleem betreft zeg ik ook niet dat werk niet lonender mag worden. Integendeel, zeker als het gaat om het minimumloon. Dat doen wij door de arbeidskorting te verhogen en niet, zoals het kabinet doet, door dan maar de uitkeringen, die toch al heel karig zijn, simpelweg te verlagen.

Ik heb al gezegd welke alternatieven mijn partij heeft. Ik noem de 3 mld. aan bezuinigingen op de mensen met de laagste inkomens, de uitkeringen, de jonggehandicapten, de sociale werkvoorziening enzovoort. Die zijn onnodig. Laten wij de rekening van de crisis neerleggen waar zij voor een groot deel thuishoort en bij de mensen die het kunnen missen.

Ik vind een inkomensverlies van 15% onfatsoenlijk. Ik wil de staatssecretaris oprecht vragen: zou u goedvinden dat wij van u vragen om de salarissen van ministers en van staatssecretarissen met 15% te korten; zou u dat willen inleveren, uit solidariteit? Mijn tweede vraag en daar wil ik echt een serieus antwoord op: zou het u prikkelen – ik maak het even heel persoonlijk, voorzitter …

De voorzitter:

Maar dan wel via de voorzitter.

Mevrouw Karabulut (SP):

Wat lost het nu op dat je tegen mensen die heel hard hun best doen, zegt dat zij onder het minimumloon moeten gaan werken? Lost dat het probleem op? Ik raak daar niet bijzonder opgewonden van. Ik vraag mij af of de staatssecretaris dit wel een manier zou vinden waardoor hij nog gemotiveerder raakt om zijn werk nog beter te doen.

De heer Van Hijum (CDA):

Voorzitter. "In my speech later today I will say we need a new bargain in Britain – hard work and looking after each other must be rewarded". Dit is geen citaat van de conservatieve leider David Cameron, zoals u misschien zou verwachten, maar van de sociaaldemocratische voorman Ed Miliband op Twitter. Werken moet lonen, het had zo een passage uit het program van uitgangspunten van het CDA kunnen zijn. Daar heb ik ook wel eens in gegrasduind en daar staat in: het voorzien in het levensonderhoud is een verantwoordelijkheid van mensen zelf; het verschil tussen lonen en uitkeringen moet zodanig zijn dat het aanmoedigt tot het verrichten van werk.

Vorige week bereikte ons het bericht dat Nederland in Europa in de top vijf staat als het gaat om het niveau van sociale bescherming. Wij geven in ons land ongeveer 30% van ons gezamenlijke inkomen uit aan uitkeringen. Die aandacht voor die kwetsbare groepen moeten wij als land ook koesteren, laat dat volstrekt helder zijn. Veel van die regelingen zijn ook inkomensafhankelijk. Dankzij de inzet van dit kabinet worden heel veel van die regelingen nog inkomensafhankelijker: kinderopvangtoeslag, zorgpremie, kindgebonden budget. Wij hebben daar gisteren in deze zaal een uitgebreid debat over gevoerd.

De keerzijde van die inkomensafhankelijkheid is wel dat de stap van uitkering naar werk niet altijd loont. Wij noemen dat de armoedeval. Daar wordt hier natuurlijk veel over gesproken en gedebatteerd. Dat betekent zelfs dat als mensen vanuit een uitkering aan het werk gaan, zij er financieel soms op achteruitgaan. Dat is uiteraard niet uit te leggen. Dit probleem speelt in het bijzonder de komende jaren doordat wij in het inkomensbeleid vanaf 2009 de zogenaamde dubbele heffingskorting afbouwen, met als doelstelling om ook partners te stimuleren om aan het werk te gaan. Alleenverdieners krijgen dus voortaan nog maar één keer die algemene heffingskorting. Dat principe is echter niet doorvertaald in de uitkering, met als gevolg dat partners in de bijstand er over een aantal jaren op achteruitgaan als een van hen aan de slag gaat. Dat kan toch niet de bedoeling zijn. Ik zeg dit ook tegen de partijen die daar kritiek op hebben.

Wij zien dit wetsvoorstel als een onontkoombare correctie van het systeem, waarin loon en uitkering gekoppeld zijn. Als wij die koppeling in stand willen houden – de wet schrijft dat principe voor en wij vinden dat ook een groot goed – dan zullen wij iets aan dit probleem moeten doen. Ik benadruk ook dat het voor mijn fractie van belang is dat de uitkeringen blijven meegroeien met de welvaartontwikkeling. Wij hebben ons in de onderhandelingen over dit coalitie- en gedoogakkoord ook sterk gemaakt voor het behoud van die koppeling. Het gevolg is dat de afstand tussen lonen en uitkeringen daarmee wel toeneemt en dat werken lonender wordt, maar niet, zoals mevrouw Karabulut suggereert, dat de uitkering lager wordt. Integendeel, als je alleen al naar volgend jaar kijkt, zie je dat voor 2012 door de koppeling een stijging van de netto minimumuitkering voorzien van 2%. Dat betekent als ik het goed heb uitgerekend, maar ik zou graag de staatssecretaris vragen of die rekensom klopt, dat de bijstandsuitkering komend jaar met ruim € 300 stijgt. Als gevolg van de afbouw van de heffingskorting gaat daar ongeveer € 100 af. Dan komt er dus toch nog ruim € 200 meer op de rekening. Klopt die becijfering, zo vraag ik via de voorzitter aan de staatssecretaris. In elk geval behoeft dat beeld van afbraak de nodige nuancering, zeker als je dat vergelijkt met maatregelen die wij in voorgaande decennia hebben genomen, onder andere in de jaren tachtig, om crises aan te pakken, uitkeringen bevriezen of zelfs verlagen. De problemen waren toen toch minstens zo groot.

Mevrouw Karabulut (SP):

Wil de heer Van Hijum ontkennen dat uitkeringsgerechtigden inkomen moeten inleveren?

De heer Van Hijum (CDA):

Nee, we moeten allemaal inkomen inleveren.

Mevrouw Karabulut (SP):

Wil de heer Van Hijum ontkennen dat uitkeringsgerechtigden erop achteruit gaan en dat dit een fors inkomensverlies is?

De heer Van Hijum (CDA):

Wat dit betreft lopen er twee discussies door elkaar. Natuurlijk moet je kijken naar de koopkrachtontwikkeling. Dat zijn algemene beschouwingen waarmee mevrouw Karabulut zelf bezig was in de eerste termijn. We hebben op tal van manieren geprobeerd ook voor 2012 en de jaren erna het koopkrachtbeeld zo evenwichtig mogelijk te maken en met name lagere inkomens en middeninkomens te ontzien. Ik kan al die maatregelen gaan herhalen, maar nu gaat het over dit wetsvoorstel. Mevrouw Karabulut suggereerde dat de bijstandsuitkering wordt verlaagd voor al deze mensen. Dat is feitelijk niet waar. Dankzij de koppeling tussen lonen en uitkeringen – dit is een te koesteren systematiek en ik hoop dat we het daar in elk geval over eens zijn – zullen de uitkeringen de komende jaren blijven mee stijgen. Dat zal echter door de naar onze mening onontkoombare afbouw van de heffingskorting minder zijn dan wanneer je die maatregel niet genomen zou hebben.

Mevrouw Karabulut (SP):

De heer Van Hijum erkent dat gezinnen en paren bijvoorbeeld € 100 moeten inleveren. Hij zegt: wij streven naar een zo evenwichtig mogelijk koopkrachtbeeld. Hoe gaat hij het koopkrachtverlies van 10% compenseren?

De heer Van Hijum (CDA):

Met alle respect: deze discussie hebben we ook vorige week voor een deel gevoerd; zo niet, dan had mevrouw Karabulut die discussie toen moeten voeren. Wij hebben immers aangegeven dat wij door de maatregelen die we hebben genomen, met name gezinnen aan de onderkant tegemoetkomen. Wij hebben gisteren onder andere een uitgebreid debat gehad over het kindgebonden budget om te voorkomen dat gezinnen met kinderen aan de onderkant onevenredig getroffen worden. Wij hebben ons ervoor ingezet dat de kinderbijslag voor iedereen wat naar beneden gaat, zodat je gezinnen met kinderen aan de onderkant kunt compenseren en kunt ontzien. Zo is er aantal maatregelen genomen om met name gezinnen aan de onderkant tegemoet te komen. Ik sta echt voor dat beeld dat we met elkaar hebben weten te realiseren.

Mevrouw Karabulut (SP):

Mag ik antwoord op mijn vraag? Gaat de heer Van Hijum de € 100 aan inkomensverlies voor uitkeringsgerechtigden compenseren of niet? Raken zij in de min of niet?

De heer Van Hijum (CDA):

Laten we de staatssecretaris vragen of mijn sommetje klopt dat mensen met een bijstandsuitkering er komend jaar € 200 op vooruit gaan, in plaats van € 100 erop achteruit, wat mevrouw Karabulut suggereert. Laten we eerst vaststellen of dat klopt. Dan spreken we elkaar in de tweede termijn weer.

De CDA-fractie is voorstander van een activerende sociale zekerheid waarin werken loont en tegenover het recht op een uitkering ook een plicht tot tegenprestatie mag bestaan.

Dat moet echter ook betekenen – daarmee kom ik toch iets dichter bij mevrouw Karabulut – dat er perspectief op werk is. Ik herinner de staatssecretaris aan zijn uitspraak dat 150.000 tot 200.000 mensen aan de slag kunnen, maar dat betekent ook dat wij actief werk moeten maken van een werkgeversbenadering. Wij moeten werkgevers over de streep halen om ook aan de onderkant banen te creëren. Daar hebben wij vorige week ook bij de algemene beschouwingen aandacht voor gevraagd. Daarbij hebben wij geconstateerd dat in heel veel cao's de laagste loonschalen toch een aantal procenten boven het minimumloon ligt. Daar liggen dus heel veel kansen om extra banen te creëren. Wij willen de staatssecretaris echt op het hart drukken om hierover met de sociale partners te overleggen en ervoor te zorgen dat die ruimte wordt benut, zodat er extra arbeidsplaatsen aan de onderkant worden gecreëerd. Misschien worden werkgevers er dan met financiële prikkels ook toe overgehaald om uitkeringsgerechtigden aan de slag te helpen. Er moet ook aandacht zijn voor de kosten die je soms moet maken voor scholing en begeleiding van mensen aan de onderkant. Administratief gedoe moet de werkgevers zo veel mogelijk uit handen worden genomen. Zo'n sociale deal zou ons enorm helpen om het perspectief te bieden dat ook bij deze maatregel hoort.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Betekent dit pleidooi van de heer Van Hijum dat ook hij niet tevreden is over de door de staatssecretaris genoemde 15.000 banen?

De heer Van Hijum (CDA):

Dat moeten er uiteindelijk natuurlijk meer worden, maar die 15.000 is een inschatting die het rechtstreekse gevolg is van de financiële prikkel die dit wetsvoorstel met zich meebrengt. Doordat werken lonender wordt, is de verwachting dat meer mensen die stap naar arbeid zullen maken. Ik ben het echter best een beetje met mevrouw Karabulut eens dat financiële prikkels niet het enige zijn. Mensen willen graag perspectief op werk. Sommige mensen willen wel aan het werk maar krijgen de kans niet; wij zullen hen daarbij dus een handje moeten helpen. Het verhaal is wel wat genuanceerder dan alleen: als je de bodem onder mensen wegtrekt, gaan zij wel lopen. Daar geloof ik ook niet in.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Betekent dit dat de heer Van Hijum ook zegt dat de financiële prikkels inderdaad niet altijd als voorwaarde kunnen dienen voor het aan het werk gaan van mensen? Dit hele wetsvoorstel is er immers op gericht om meer mensen aan het werk te krijgen. Stelt de heer Van Hijum dan vraagtekens bij de doelstelling van dit wetsvoorstel?

De heer Van Hijum (CDA):

Dit wetsvoorstel is er natuurlijk met name op gericht om de ongewenste situatie te voorkomen dat, als een paar in een uitkering zit en als één van de twee aan het werk gaat, men er in inkomen op achteruitgaat. Dat is de situatie waar wij langzaam maar zeker naartoe groeien. Dat willen wij voorkomen. Daarbij is deze ingreep volgens mij onontkoombaar, maar ik ben het met mevrouw Ortega eens dat dit natuurlijk niet voldoende is als de doelstelling is om mensen aan het werk te krijgen.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Ortega.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Ik ben het met de heer Van Hijum eens dat die situatie verstrekkende gevolgen heeft en dat zij ongewenst is, maar heeft de heer Van Hijum alternatieven bedacht om dit op te lossen?

De heer Van Hijum (CDA):

Het enige alternatief – dat hoorde ik ook van een aantal collega's en wij hebben daar ook aandacht voor gevraagd, onder andere in de schriftelijke inbreng – is om iets te doen in de fiscale sfeer. Om maar iets te noemen: de heffingskorting. Het nadeel daarvan is dat je de systeemfout niet herstelt, want het is natuurlijk toch een onevenwichtigheid in het systeem waarin lonen en uitkeringen gekoppeld zijn, dat de uitkeringen uiteindelijk boven de lonen uitgroeien. Dat kun je vervolgens met allerlei fiscale kunstgrepen repareren, maar dan laat je het probleem zelf bestaan. Hoewel dit natuurlijk consequenties heeft – dat zie ik ook en daar loop ik niet voor weg – denk ik daarom toch dat dit onontkoombaar is.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Ik vind het beginsel van gelijke behandeling zo belangrijk in dit soort wetsvoorstellen. Kan de heer Van Hijum mij uitleggen waarom een pensioengerechtigde die een AOW-tegemoetkoming krijgt, niet door deze maatregel wordt getroffen en een alleenstaande moeder met een kind bijvoorbeeld wel? Waarom dreigt zij onder het bestaansminimum te raken en komt een pensioengerechtigde boven het minimumloon uit? Is het uitgavenpatroon van de pensioengerechtigde zoveel anders dan dat van een vrouw met een kind?

De heer Van Hijum (CDA):

Dat laatste hoeft niet per se. Het gaat om het fundamentele verschil tussen een pensioen waar je jarenlang premie voor afdraagt en dat je in de loop van de jaren opbouwt en een sociale voorziening als de bijstand, waarmee je mensen een tegemoetkoming op het minimum probeert te geven voor hun bestaanskosten. Dat is het elementaire verschil tussen de beide regelingen. Dat punt blijft vierkant overeind, mede dankzij de koppeling tussen lonen en uitkeringen. Dat zeg ik hier nogmaals.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Dan heb ik het volgende voorbeeld. Een AOW-gerechtigde heeft een pensioengat en krijgt een aanvulling via de bijstand. Hij komt echter niet aanmerking voor een tegemoetkoming, omdat het kabinet die heeft afgeschaft. Hij wordt dus wel door deze maatregel geraakt. Wat is het verschil tussen hem en een pensioengerechtigde die geen gat in zijn pensioen heeft, maar wel een tegemoetkoming krijgt en dus niet getroffen wordt door deze maatregel? Kan de heer Van Hijum dat uitleggen?

De heer Van Hijum (CDA):

Het verschil ontstaat alleen op het moment dat de betreffende persoon met een onvolledige AOW-uitkering een beroep doet op aanvullende bijstand. Daarmee zegt hij dat hij een aanvulling wil hebben tot het sociale minimum. Dat is het verschil met alle andere situaties, waarin de koopkrachttegemoetkoming blijft staan. Ik wil hier overigens nog wel bij opmerken dat als we dit niet zouden doen, iedere prikkel om je individueel bij te verzekeren tegen inkomensverlies bij een onvolledige AOW verdwijnt. Dat is iets wat we in de gaten moeten houden. Die discussies hebben we hier herhaaldelijk gehad. Volgens mij kreeg ik toen zelfs steun van de D66-fractie.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Het doel van dit voorstel is om mensen te activeren om te gaan werken. Bij een pensioengerechtigde met een gat of een pensioengerechtigde zonder gat is dit niet aan de orde. Ik kan dus ook niet anders concluderen dan dat de heer Van Hijum gelijke gevallen ongelijk behandelt.

De heer Van Hijum (CDA):

Die conclusie begrijp ik niet, want het doel ervan is niet om mensen te activeren, maar het doel is om te voorkomen dat er een situatie ontstaat waarin mensen geen financiële prikkel ervaren om aan de slag te gaan en de uitkering hoger wordt dan het loon. Nogmaals, ik vind dat aan niemand uit te leggen. Ik hoop dat mevrouw Koşer Kaya het met mij eens is. Bij AOW-gerechtigden speelt het fundamentele onderscheid tussen de mensen die wel en geen beroep doen op de aanvullende bijstand om het sociaal minimum te bereiken.

De heer Spekman (PvdA):

Ik heb veel eerbied voor de heer Van Hijum, maar ik vind het een vreselijk wetsvoorstel. Dit is nog wel het gruwelijkste onderdeel van alles. Wij hebben een brief gekregen van de koepel van ouderorganisaties, die daar ook op wijst. Drie kwart van deze ouderen is op latere leeftijd naar Nederland gekomen. Dit zijn Surinaamse, Marokkaanse en Turkse ouderen die hier hebben gewerkt hebben en niet gelanterfant. Zij hebben gewerkt, maar doordat zij hier korter zijn, hebben zij een onvolledige AOW opgebouwd. De vorige periode is heel bewust gezegd dat deze mensen niet de last moeten hebben van de middelentoets. Die moeten met eerbied en respect 65 jaar en ouder kunnen worden. En wat gebeurt er zodra er een nieuw kabinet zit? Dat komt met een voorstel zodat deze mensen € 440 tot € 840 per jaar minder krijgen. Hoe kan de heer Van Hijum dat rechtvaardigen, afgezet tegen de vorige periode en wat de vorige CDA-woordvoerder, mevrouw Ferrier, toen heeft gezegd? Het is toch niet te rechtvaardigen om deze keuze te maken? Ik wijs op de brief van de koepel van ouderenorganisaties en de redenen waarom de wet toen in gang is gezet en wij toen die keuzes hebben gemaakt.

De heer Van Hijum (CDA):

Ik moet de heer Spekman, die ik overigens ook eerbiedig, de vraag stellen waarom deze maatregel in de PvdA-tegenbegroting maar voor de helft wordt teruggedraaid.

De voorzitter:

Wacht even, voordat de heer Spekman antwoordt, is dit uw antwoord op de vraag van de heer Spekman?

De heer Van Hijum (CDA):

Ik heb er altijd een beetje moeite mee als wij aangesproken worden op maatregelen als blijkt dat, in dit geval, de PvdA de maatregelen in de eigen tegenbegroting ongemoeid laat. Dat stel ik vast.

De heer Spekman (PvdA):

Even voor de notulen: dit is feitelijk onjuist.

De voorzitter:

Ik wil eerst de heer Van Hijum laten uitspreken. Daarna is de heer Spekman weer aan de beurt.

De heer Van Hijum (CDA):

Ik wijs erop dat wij in de vorige periode zij aan zij hebben gepleit voor bijverzekering op grond van de AOW. Dat is dé manier om te voorkomen dat er een inkomensgat ontstaat. Mensen moeten geïnformeerd worden als zij een onvolledige AOW-uitkering hebben en zij moeten gewezen worden op de mogelijkheid om aanvullende rechten in te kopen. Daarop moeten wij primair inzetten. Wij moeten mensen niet op voorhand een 100%-garantie geven. Dan is iedere prikkel immers weg.

De heer Spekman (PvdA):

Dit is een enorm verschil met de opvatting van het CDA in de vorige periode. Toen is bewust gezegd dat wij mensen die 65 jaar en ouder zijn, en die een belangrijk deel hebben bijgedragen aan Nederland, niet in de kou moeten zetten. Die hoeven niet elke keer met de billen bloot bij de afdeling sociale zaken van hun gemeente om zich te verantwoorden en om te laten zien wat zij aan middelen hebben. Wij zouden ze ervan ontlasten en kiezen voor een eerlijk koopkrachtniveau voor deze groep mensen. Dat was de fundamentele keuze die we de vorige periode hebben gemaakt en die wordt nu losgelaten. Dat betreur ik echt zeer.

De heer Van Hijum (CDA):

Dit bestrijd ik. Wat overeind blijft, is dat als men hier is en werkt, men pensioenrechten opbouwt voor het aantal jaren dat men actief is. Daarnaast blijven we een aanvulling op het sociaal minimum garanderen voor alle mensen. Dat is een buitengewoon sociale maatregel. Het betekent dat er helemaal niemand in de kou komt te staan. Het enige waarop de heer Spekman kritiek zou kunnen hebben, is de vraag of we daarbovenop iedereen ook nog een koopkrachttoeslag geven. Dat doen we in beginsel, met uitzondering van mensen die een beroep doen op de bijstand met als argument dat ze het sociaal minimum willen. Volgens mij is het volstrekt helder.

De voorzitter:

De heer Spekman tot slot op dit punt.

De heer Spekman (PvdA):

Ik concludeer dan toch dat het CDA instemt met een koopkrachtverlies van € 440 tot € 840 voor ouderen die hier gewoon altijd hun stinkende best hebben gedaan, en die – misschien is dat heel toevallig – bijna allemaal Turks, Marokkaans of Surinaams zijn. Dat vind ik spijtig.

De heer Van Hijum (CDA):

Ik ben benieuwd naar het verhaal van de heer Spekman over zijn tegenbegroting, waarin dit ongemoeid wordt gelaten.

De voorzitter:

Daar gaan we zo naar luisteren. De heer Klaver heeft ook nog een vraag.

De heer Klaver (GroenLinks):

Volgens mij heeft de heer Van Hijum gelijk als de uitkeringen blijven meegroeien en gekoppeld worden aan de lonen. Het sommetje zal om en nabij dan wel kloppen. Dit betekent echter niet dat ze er per se op vooruitgaan. In augustus was de prijsstijging per jaar 2,6%. Uitgaande van een loonstijging van 2% gaan ze er nog steeds op achteruit, maar daarover gaat mijn vraag niet.

De heer Van Hijum zegt: als we met een arbeidskorting gaan werken, laten we het probleem eigenlijk bestaan. Dat begrijp ik niet helemaal. Zou hij mij dit nog eens kunnen uitleggen?

De heer Van Hijum (CDA):

De weeffout in het systeem is dat de uitkering uiteindelijk hoger kan worden dan het loon. Dat laat je dan in stand, maar je probeert het effect ervan weg te duwen met een extra fiscale maatregel, die extra geld kost dat we niet hebben. We kiezen er in deze periode bewust voor om om te buigen. Het systeem zelf zou je dan dus in stand laten.

De heer Klaver (GroenLinks):

Geld is er volgens mij wel. Ik heb laten zien dat een arbeidskorting budgetneutraal kan worden toegepast. Het gaat om de keuzes die je daarin maakt. Het probleem is volgens mij dat je in de bijstand meer zou kunnen krijgen dan wanneer je gaat werken. Daardoor ontstaat een armoedeval. Het probleem dat wij moeten oplossen, is dus die armoedeval. Dat kan toch net zo goed door een hogere arbeidskorting in te voeren? Dat is bovendien goed voor de werkgelegenheid en zorgt voor meer loonruimte in de cao's.

De heer Van Hijum (CDA):

Ik constateer dat we achteraf in 2009 – toen het besluit is genomen om de dubbele heffingskorting af te bouwen – meteen de doorvertaling naar de uitkeringen ter hand hadden moeten nemen. Ik weet niet waarom het niet gebeurd is en het is achteraf gepraat; het was verstandig geweest om het tegelijk te doen. Ik denk dat het uiteindelijk onontkoombaar is. Natuurlijk kun je daarnaast praten over heffingskortingen om de stap naar werk aantrekkelijk te maken, maar daarmee laat je de weeffout bestaan. Dat gat wordt langzaam maar zeker groter.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik constateer dat de heer Van Hijum en ik hierover van mening verschillen. Volgens mij haal je de weeffout eruit door ervoor te zorgen dat het wel gaat lonen om vanuit de bijstand voor het minimumloon te gaan werken.

De voorzitter:

Dat is een constatering uwerzijds. Dan dank ik de heer Van Hijum. Nee, dat kan ik nog niet doen, want mevrouw Karabulut heeft nog een vraag.

Mevrouw Karabulut (SP):

Het verhaal van de heer Van Hijum klopt niet. Niet alleen op het punt dat uitkeringsgerechtigden wel inkomen moeten inleveren, maar ook dat werk lonender moet worden. Feitelijk gaan mensen op het minimumloon niet meer verdienen, maar worden de uitkeringen verlaagd. Ik heb nog een andere vraag: wat is er lonend aan het onder het minimumloon laten werken van mensen met een arbeidsbeperking die in een uitkeringssituatie zitten? Kan de heer Van Hijum mij dat uitleggen?

De heer Van Hijum (CDA):

Dat doen we al jaren in de Wajong. Als je een basisuitkering van 70% hebt, is het zeer lonend als je de aanvulling tot maximaal 100% mag houden. Die regeling bestaat al jaren in de Wajong. Je kunt discussiëren over de vraag wat beter is om werken lonend te laten zijn: dit systeem of loonkostensubsidies. Dit is echter geen nieuw, verschrikkelijk asociaal punt, zoals mevrouw Karabulut suggereert. Er werken tienduizenden Wajongers met loondispensatie in het bedrijfsleven.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik heb toevallig vandaag nog met een aantal jonggehandicapten gesproken. Zij vonden ook dat werk lonender moet worden, maar niet door ze nog meer inkomen af te pakken. Ik spreek ook regelmatig mensen in de sociale werkvoorziening en mensen met een beperking die een uitkering hebben. Zij vinden allemaal dat zij werk moeten krijgen. Dat willen zij echt, uitzonderingen daargelaten. Zij vinden allemaal dat zij best meer geld zouden mogen overhouden. Heel oneerlijk, heel discriminerend en heel onrechtvaardig vinden zij het dat een partij als het CDA het nu wettelijk mogelijk wil gaan maken om mensen met een arbeidsbeperking die naar vermogen werken gewoon onder het minimumloon te laten werken, waardoor je twee typen werknemers creëert. Dat vinden zij allemaal heel oneerlijk.

De voorzitter:

Wat is uw vraag, mevrouw Karabulut?

Mevrouw Karabulut (SP):

Dit past toch niet? Dit is toch niet eerlijk? Dit is toch strijdig met wat de heer Van Hijum zegt te willen bereiken? Laat hij dan eerlijk zijn en zeggen: wij hebben nu eenmaal een bezuinigingsopgave en dat miljardje halen wij nu weg bij de laagste inkomens en op de mensen met een arbeidsbeperking gaan wij nog 2 mld. bezuinigen, dat is nu eenmaal waar wij de rekening neerleggen.

De voorzitter:

Uw vraag is duidelijk, mevrouw Karabulut.

De heer Van Hijum (CDA):

Zo kennen wij mevrouw Karabulut weer: we maken overal een karikatuur van en gaan ons daar tegen afzetten. Het is in de eerste plaats niet nieuw. Er wordt al jaren gewerkt met loondispensatie in de Wajong. Daar werken tienduizenden jongeren en ook werkgevers naar volle tevredenheid mee op dit moment. De suggestie dat dit nu pas gaat gebeuren en een bezuiniging zal opleveren, is wat dat betreft onjuist. De vraag is wel of deze regeling voor een grotere groep moet gelden. Die discussie gaan wij ongetwijfeld nog een keer voeren.

Ik wil ook mevrouw Karabulut een vraag stellen. Ik heb de staatssecretaris voorgesteld om te proberen om op het niveau van het minimumloon – ik vind dat wij ernaar moeten streven om zo veel mogelijk mensen op het minimumloon aan de slag te helpen – meer banen te creëren en dus ook cao-partijen en de vakbonden te vragen die laagste loonschalen nu eens een keer beschikbaar te stellen voor die doelgroep. Is mevrouw Karabulut bereid om zich daarvoor in te zetten?

De voorzitter:

Mevrouw Karabulut, tot slot. Laten wij proberen om het een beetje kort te houden.

Mevrouw Karabulut (SP):

Begrijp ik nu goed dat de heer Van Hijum hier vandaag zegt dat ook hij van mening is dat, ook in zijn cao, werken onder het minimumloon voor mensen met een arbeidsbeperking die naar vermogen werken niet kan, dat de grens het minimumloon is? Begrijp ik dat goed?

De heer Van Hijum (CDA):

Dat is nooit anders geweest. Loondispensatie is een mogelijkheid om van het minimumloon af te wijken. In de cao zul je nooit arbeidsplaatsen onder het minimumloon kunnen creëren. Het probleem is dat in die cao's de laagste loonschalen gemiddeld 3,4% – dat zei de staatssecretaris volgens mij – boven het minimumloon liggen. Daar liggen heel veel mogelijkheden om extra arbeidsplaatsen te creëren.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Voorzitter. Dit kabinet wil de bijstand verlagen met € 2000. Tegelijkertijd is onder Rutte I de lastendruk het hoogst sinds tien jaar. De Belastingdienst int volgend jaar 10,7 mld. meer dan nu. De staatssecretaris zegt dat werken moet lonen. Op deze manier loont werken inderdaad, maar dan voor de overheid.

D66 maakt andere keuzes. In onze begroting voor 2012 verlagen wij de loonbelasting door een hogere arbeidskorting, à 700 mln., en een lagere eerste en tweede schijf, à 1,3 mld. Op die manier loont werken echt. Ook draaien wij in onze begroting deze korting op de bijstand terug, omdat wij niet willen dat mensen onder het minimum zakken. Dit dekken wij door echte hervormingen: snelle verhoging van de AOW-leeftijd, activering van de WW en uiteraard modernisering van het ontslagrecht.

Ik vervolg mijn betoog op drie punten: de bijstand en het bestaansminimum, de AOW en het minimumloon en mensen met onvolledige AOW. Ik begin met het bestaansminimum. De bijstand heeft een simpel en helder doel: het is het laatste vangnet van onze sociale zekerheid. Mensen zonder inkomen krijgen steun van de overheid. Daardoor eindigen zij niet op straat met alle gevolgen van dien, zowel voor het individu als voor de maatschappij.

Cruciaal is dus de vraag of mensen in de bijstand na de korting van € 2000 nog wel kunnen voorzien in hun levensonderhoud. In de schriftelijke rondes hebben verschillende partijen hier meermaals naar gevraagd, maar de staatssecretaris gaf geen antwoord, zogenaamd wegens technische problemen. Wij weten wat de kosten van levensonderhoud zijn. Het Nibud maakt minimumbegrotingen; ook het SCP deed hier onderzoek naar. Daarnaast kunnen wij inschatten hoe hoog de bijstand is. Ik vraag de staatssecretaris daarom nogmaals met klem om toch een serieuze poging hiertoe te doen. Dan weten wij namelijk wat het bestaansminimum is en kunnen wij een zuivere discussie voeren.

Misschien was de staatssecretaris wel bang voor het antwoord. Het SCP concludeerde namelijk dat de huidige bijstand toereikend is voor alleenstaanden en paren zonder kinderen, en vaak ontoereikend is voor mensen met kinderen. Een korting van de bijstand heeft dus als gevolg dat mensen onder het bestaansminimum zakken. Kan de staatssecretaris mij garanderen dat de bijstand niet onder het bestaansminimum zakt?

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik vind dat mevrouw Koşer Kaya een beetje krokodillentranen huilt.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Dit komt vast door de aanrechtsubsidie!

De heer Dijkgraaf (SGP):

Exact, u hebt door waar ik heen wil. D66 heeft er jarenlang voor gepleit om de zorgbeloning, door u genoemd "aanrechtsubsidie", af te schaffen, ook voor mensen die werken en voor mensen met een laag inkomen. Daardoor komt er een probleem aan de onderkant. Dit is het sluitstuk van die discussie, en D66 is daar jarenlang voor geweest. De SGP heeft daarentegen altijd gezegd: doe dat niet, want je belast daarmee wat mensen nodig hebben voor hun bestaansminimum.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Aanrechtsubsidie remt de emancipatie, en daarom hebben wij altijd gezegd: als wij mensen willen prikkelen om op de arbeidsmarkt te komen, moeten wij daarvan afzien. Zeker met een vergrijzende samenleving moeten wij daar oog voor hebben, en ervoor zorgen dat iedereen die kan werken ook een plaats op de arbeidsmarkt kan vinden. Bovendien zijn er extra banen nodig, in de zorgsector 700.000 in zo'n tien jaar tijd. Daarom zetten wij ook instrumenten in die prikkelen om te gaan werken. U hebt wel een punt als u zegt dat dit doorwerkt op de uitkeringen waarover wij het nu hebben. Dat is waar. Maar de Kamer is erbij om ervoor te zorgen dat het niet onder het bestaansminimum zakt. Daar wil ik mij hard voor maken. U kunt dat ook doen, als u dat wilt. Ik meen dat de heer Klaver een amendement op dit punt heeft ingediend. Dat zal ik bekijken. Zo kunnen wij bezien of wij daar iets aan kunnen doen.

De voorzitter:

Mevrouw Koşer Kaya, wilt u voortaan via de voorzitter spreken? De heer Dijkgraaf heeft nog een vervolgvraag.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Mevrouw Koşer Kaya ontkent nu dat zij eerst een probleem gecreëerd heeft, dat het kabinet vervolgens moet gaan oplossen. Mijn hele punt is dat dit probleem zich niet alleen in deze situaties voordoet, maar ook aan de onderkant voor mensen die gewoon werken. Dat wordt nog steeds ontkend. Het woord "aanrechtsubsidie" komt weer langs. "Zorgbeloning" noemen wij dat. Ik ontken niet dat arbeidsparticipatie nodig is, zoals onder meer blijkt uit de analyse van de zorg, maar daar gaat de discussie niet over. Daar zijn nog tien instrumenten voor. Waarom is mevrouw Koşer Kaya, zich realiserend wat voor ellendige situatie hieruit voortkomt, niet bereid om over andere instrumenten na te denken, over een ander fiscaal stelsel, bijvoorbeeld een leefvormneutraler stelsel?

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Mijnheer Dijkgraaf, u weet dat ik als eerste een motie heb ingediend voor een leefvormneutraal stelsel. Het liefst zou ik zo'n stelsel hebben. Naar ik weet, is deze motie echter nog steeds niet uitgevoerd. Er is een hoorzitting geweest. U zit bij de "commissie belastingdienst"; misschien kunt mij straks dan ook vertellen wat de stand van zaken is. Zo'n stelsel zou ik het liefst willen. Alleen, we zijn nog niet zo ver. Ik besef dat het afbouwen van de aanrechtsubsidie problemen creëert. Wij zien dat onder ogen en wij vinden daar ook een oplossing voor.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik concludeer hoopvol – het is altijd goed om een interruptiedebatje hoopvol te eindigen, dat geeft moed voor de toekomst – dat wij u aan onze zijde vinden op het moment dat wij een slimmer systeem hebben bedacht waarbij dit soort problemen zich niet voordoet. Ik refereer hierbij ook aan uw aangenomen motie.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Sterker nog, u weet dat ik de motie heb ingediend. Het is evident dat ik een leefvormneutraal stelsel een warm hart toedraag.

De staatssecretaris zal ook vandaag weer vaak zeggen dat hij niet wil dat de uitkeringen tot boven het minimumloon stijgen. Ik kan hem zeggen dat ik dat ook niet wil. Hij maakt echter een uitzondering voor de AOW. Afschaffing van de aanrechtsubsidie wordt niet doorvertaald in de AOW. Hierop volgt dus geen korting van € 2000. Integendeel, in het pensioenakkoord is afgedwongen dat de AOW jaarlijks met 0,6% wordt verhoogd. Door deze combinatie van maatregelen stijgt de AOW tot boven het minimumloon. Iemand die op zijn 64ste fulltime werkt op het niveau van het minimumloon gaat erop vooruit als hij op zijn 65ste jaar stopt met werken; geen armoedeval, maar een ouderdomssprong. Klopt het dat de AOW tot boven het minimumloon zal stijgen? Hoe beoordeelt de staatssecretaris deze ontwikkeling? Ziet hij ook dat dit ongewenste effecten kan hebben?

Dan de AOW-tegemoetkoming. Zo'n 40.000 mensen hebben een onvolledige AOW en een zo laag inkomen dat zij een beroep op de bijstand doen. Hoewel AOW'ers voor een groot deel worden ontzien, wordt juist deze groep minima in deze plannen twee keer getroffen. Ten eerste wordt de AOW-tegemoetkoming van € 411 voor hen afgeschaft. Ten tweede wordt de aanvullende bijstand, de AIO, voor hen verlaagd. Misschien was de invloed van de PVV op dit punt erg groot, maar dan hoor ik dat heel graag. AOW'ers op minimumniveau gaan er € 1000 op achteruit. Voor de rest van de gepensioneerden is er niets aan de hand. Vindt de staatssecretaris dit evenwichtig? Hoe kan hij dit verschil uitleggen? Is dit geen onredelijke maatregel?

Deze 65-plussers zijn vaak te oud om te gaan werken. Zij kunnen daarom niet anticiperen op deze kortingen. Deze bezuinigingen passen niet bij een betrouwbare overheid. Vorig jaar heb ik samen met collega Vermeij van de PvdA een motie ingediend om deze voorstellen terug te draaien. Wil de staatssecretaris hier nogmaals naar kijken?

De SGP speelt bij dit wetsvoorstel een cruciale rol. In het verkiezingsprogramma van de SGP en in de CPB-doorrekening daarvan is deze bezuiniging niet opgenomen. Als de SGP voet bij stuk houdt, dan is er geen meerderheid in de Eerste Kamer voor dit wetsvoorstel. De grote vraag van vandaag is: staat de SGP achter haar – of ik moet ik zeggen: zijn – verkiezingsprogramma of schaart de SGP zich achter het regeer- en gedoogakkoord?

De heer Klaver (GroenLinks):

Voorzitter. Het vorige kabinet heeft een pijnlijk dossier achtergelaten voor zijn opvolger. De dubbele heffingskorting op het sociaal minimum is ongemoeid gelaten, terwijl de dubbele heffingskorting voor kostwinners wel wordt aangepakt. Dit zorgt ervoor dat werken niet meer loont en neemt iedere prikkel weg om vanuit de bijstand aan het werk te gaan. Het is echter te gemakkelijk om als oppositie krokodillentranen te huilen. Bijna alle oppositiepartijen hebben in hun verkiezingsprogramma opgenomen dat de dubbele heffingskorting voor kostwinners afgebouwd dient te worden. Mijn fractie heeft hiervoor twee redenen. Dit levert een belangrijke bijdrage aan het opvangen van de kosten van de vergrijzing – ongeveer 0,4% bbp – en het maakt werken voor voornamelijk vrouwen ook in deeltijd aantrekkelijker.

Ik deel de analyse van dit kabinet dat het vorige kabinet het probleem onopgelost heeft gelaten door het minimumloon voor kostwinnersgezinnen te verlagen zonder ervoor te zorgen dat werken vanuit een bijstandsuitkering blijft lonen. De weg die dit kabinet van VVD en CDA, gedoogd door PVV, bewandelt om dit probleem op te lossen, is echter niet mijn keuze. Het kabinet kiest ervoor om het verschil tussen uitkering en minimumloon te vergroten door de komende jaren geleidelijk het sociaal minimum met € 2000 te verlagen. Mijn eerste reactie toen ik het regeerakkoord las, was: wat een grenzeloze boekhoudersmentaliteit. Waar is de creativiteit om werken lonend te maken, meer werkgelegenheid te creëren en tegelijkertijd de begroting op orde te krijgen? Nu het kabinet er een jaar zit, vraag ik me af of het alleen de boekhoudersmentaliteit is of dat er misschien ook een ideologie achter zit. Vanochtend las ik een stuk van professor Dalrymple in de Volkskrant over de verzorgingsstaat: mensen worden te veel vertroeteld en worden daar lui van. Is deze assumptie een van de achterliggende argumenten voor dit plan?

Het kabinet vindt in mij een partner als het ervoor wil zorgen dat werken loont, er meer werkgelegenheid komt en de begroting op orde komt. Daarom sta ik hier niet om "njet" te zeggen tegen dit voorstel, maar om een alternatief te presenteren in de vorm van een creatief idee dat streeft naar win-win-win. Werken gaat lonen, er komen meer banen en er komt een solide begroting, maar niemand wordt in de armoede gestort. Het voorstel van het kabinet zorgt voor één winnaar, namelijk de begroting, en dat is mij niet ambitieus genoeg. De verliezers van dit beleid zijn de 80.000 Wajongers, de ruim 300.000 mensen met een bijstandsuitkering, de 85.000 nabestaanden en de 40.000 mensen in de WW of de WIA. Dit is extra pijnlijk omdat er nu fors wordt bezuinigd op re-integratie, waardoor de kansen om aan het werk te komen niet worden vergroot. Het kabinet weet niet eens hoe groot de gevolgen zijn voor het huishoudboekje, omdat de Nibud-voorbeeldbegrotingen voor over twintig jaar niet bekend zijn. Daardoor is onbekend hoeveel mensen er als gevolg van deze drastische maatregel door hun hoeven zullen zakken.

Dit kabinet maakt een weinig creatieve keuze ten koste van de zwakste schouders in de samenleving. Ik wil hier een sociaal en toekomstgericht alternatief tegenoverstellen. Ik wil een amendement indienen met hetzelfde doel als dit wetsvoorstel: werken moet lonen. In plaats van voor de verlaging van het sociaal minimum kies ik echter voor een lagere belasting op arbeid. Door de belastingvoordelen op fossiele energie in stapjes af te schaffen, geef ik schone energie een eerlijke kans en financier ik tegelijkertijd de belastingverlaging op arbeid. De structurele bezuiniging van 1,1 mld. die het kabinet bereikt door het sociaal minimum te verlagen, vervang ik door het inkomensafhankelijk maken van de kinderbijslag, zodat de sterkste schouders ook echt de zwaarste lasten gaan dragen.

Dit alternatief heeft drie voordelen. Eén: we voorkomen dat de 518.000 mensen met de laagste inkomens er per jaar € 2000 op achteruit gaan. Twee: doordat we de belasting op werken verlagen, houden werkenden meer over in hun portemonnee. Het zorgt ook voor meer werkgelegenheid. Drie: we betalen dit door te kiezen voor toekomstgericht energiebeleid. We bezuinigen op de subsidie van 5,6 mld. op ouderwetse, vervuilende energie, waardoor nieuwe, moderne en schone vormen van energieproductie een eerlijke kans van slagen krijgen.Dit amendement heeft veel implicaties. Het wordt nog nader uitgewerkt en het wordt voor de stemmingen ingediend.

Zeggen dat de overheid geen geld te besteden heeft op dit moment is een farce. De begroting van Nederland heeft een omvang van 245 mld. De vraag is welke keuzes je maakt. Kies je voor de makkelijke weg en laat je mensen met de laagste inkomens er in deze moeilijke tijden € 2000 op achteruitgaan? Of kies je voor een toekomstgerichte aanpak, die inzet op vernieuwing en vergroening van de economie, op lagere belastingen zodat mensen netto meer overhouden en op een hogere werkgelegenheid? Voor mij is deze keuze helder. Ik kies voor toekomstgerichte oplossingen. Naarmate het slechter zal gaan met de wereldeconomie, zal er ook meer hervormingsgezindheid van dit kabinet worden verwacht. Ik denk dat het kabinet daarvoor klaar is. De grote vraag is, of dat ook geldt voor de gedoogpartner.

De heer Azmani (VVD):

Ik heb een vraag over het amendement. De heer Klaver heeft dat nog niet ingediend. Uit de media moest ik vernemen dat hij de dekking in energie en gas zoekt; hij gaf dat zojuist zelf ook aan. Is dat die 12 mld. die ervoor nodig is om deze maatregel in dat kader op te schonen? Is de 0,8 mld. op jaarbasis in het kader van de arbeidskorting na 15 jaar 12 mld.? Is dat de maatregel, dus 12 mld. energieverhoging?

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik had graag de tekst van het amendement vandaag gepresenteerd, maar helaas is dat niet gelukt. Soit. Wat betreft de arbeidskorting stellen wij een dekking tot 2015 voor. Als de VVD-fractie het amendement wil steunen, ben ik zeer bereid om met de heer Azmani door te praten over de vraag hoe we dit na 2015 moeten betalen. In de belastingen zijn genoeg vergroeningsmaatregelen te realiseren. De structurele bezuiniging realiseren wij door de kinderbijslag inkomensafhankelijk te maken.

De heer Azmani (VVD):

Ik begrijp dus dat deze maatregel tot 2015 geldt en dat de inconsistentie blijft bestaan. Daarna groeit het gewoon verder. Heeft de heer Klaver een voorstel voor het definitief ongedaan maken van die inconsistentie?

De heer Klaver (GroenLinks):

De subsidie op fossiele brandstoffen is ongeveer 5,8 mld. Wij gebruiken daar ongeveer de helft van. Als de heer Azmani het amendement wil steunen – hij lijkt geïnteresseerd te zijn – ben ik meer dan bereid om het aan te passen en te zorgen voor een dekking na 2015.

De heer Azmani (VVD):

Ik ben natuurlijk erg benieuwd naar dat amendement. Ik kan echter nu al aangeven dat het enorme werkgelegenheidseffecten met zich mee zal brengen. Dat zal positief zijn voor de arbeidsmarkt, maar negatief voor de werkgelegenheid in het bedrijfsleven. Als je de energiebelasting omhoog doet, kan ik me voorstellen dat het een kwestie van vestzak-broekzak wordt. Iemand houdt weliswaar meer inkomen over, maar het besteedbaar inkomen krimpt omdat men meer kwijt is aan de energierekening. Op dit moment bestaat 60% van de prijs uit belasting. Daar zit weliswaar een heffingskorting in van 20% waardoor je uiteindelijk op 40% uitkomt. Wil de heer Klaver nóg meer belasting heffen op energie?

De heer Klaver (GroenLinks):

Het zit hem met name in de subsidie die wordt gegeven aan grootverbruikers. Dat zijn over het algemeen niet de grote gezinnen, zeg ik tegen de heer Dijkgraaf, die ik ook al bij de interruptiemicrofoon zie staan. Dit komt ten laste van de grotere energiegebruikers. Het gaat heel geleidelijk, net als de maatregel van het kabinet die geleidelijk wordt ingevoerd. Dat geeft deze bedrijven ook de kans om energiebesparende maatregelen te nemen.

De voorzitter:

Misschien moeten de heren Klaver en Azmani straks nog maar even doorpraten over het amendement.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik waardeerde het begin van het betoog van de heer Klaver omdat hij feitelijk erkende dat dit het sluitstuk is van de discussie over de overdraagbaarheid van de heffingskorting. Ik ben benieuwd hoe hij in dat licht aankijkt tegen de term "aanrechtsubsidie".

De heer Klaver (GroenLinks):

Mijn partij heeft die term veelvuldig gebruikt. Ik kan niet toezeggen dat mijn partij die term nooit meer zal gebruiken, maar laat ik zeggen wat ik er zelf van vind. Ik vind dat de term "aanrechtsubsidie" mensen tekortdoet die uitstekend werk doen en toch niet werken. Daarom noem ik het liever de heffingskorting.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Voorzitter. Zoals bekend betreurt de SGP het besluit van het vorige kabinet van CDA, PvdA en ChristenUnie om de overdraagbare algemene heffingskorting in vijftien jaar af te bouwen. Wij hebben ons daar als enige in de Kamer continu tegen verzet. Wij streden voor de "zorgbeloning"; zo noemen wij de algemene heffingskorting. Wij achten het namelijk van groot belang dat de Staat geen belasting heft over inkomen dat redelijkerwijs nodig is voor het betalen van noodzakelijke levensbehoeften als eten, drinken en kleding. Daarmee wordt voorkomen dat mensen onder het sociaal minimum uitkomen. Cohen gebruikte hiervoor in 1889 – dat is dus niet onze Cohen, maar Cohen Stuart – de bekende metafoor dat een brug eerst zijn eigen gewicht moet dragen voordat hij verder belast kan worden.

Het wetsvoorstel dat nu voorligt, is helaas een logisch gevolg van het eerder genomen besluit om de algemene heffingskorting in de inkomstenbelasting af te bouwen. Het is een technisch gevolg van de veelgeprezen koppeling tussen de lonen en de uitkeringen; niet meer en niet minder. Alle fracties die vandaag steen en been klagen over dit wetsvoorstel hebben boter op hun hoofd; tonnen boter. Dat brengt de SGP-fractie in een lastige positie. Als we voor dit wetsvoorstel stemmen, trekken we de consequentie uit verkeerde besluitvorming naar het verleden. Als we tegen het wetsvoorstel stemmen, zullen uitkeringsgerechtigden op termijn meer te besteden hebben dan iemand met een minimumloon die zich daar vijf dagen per week voor uitslooft. We vinden beide even onwenselijk.

Helpt de Kamer ons uit de brand? Er zijn namelijk twee mogelijkheden om eruit te komen. Allereerst is dat het erkennen van het feit dat het afbouwen van de algemene heffingskorting in de inkomstenbelasting een principieel onjuist besluit was. Als dit Kamerbreed erkend wordt, moet het niet moeilijk zijn om dit besluit van het vorige kabinet terug te draaien. Voor wie op dit moment nog niet overtuigd is, schets ik kort de wetsgeschiedenis. Bij de behandeling van de inkomstenbelasting 2001 is uitvoerig gesproken over de dubbele algemene heffingskorting als vervanging van de belastingvrije som. In die discussie werd erkend dat de algemene heffingskorting dezelfde functie heeft, namelijk het vrijlaten van het bestaansminimum van de belastingheffing. Het bestaansminimum moet niet belast worden. Ik citeer de memorie van toelichting: "De heffingskorting (nu belastingvrije som) vormt een belangrijk onderdeel van de inkomensondersteuning voor de lagere inkomens. Juist voor mensen die niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt kan de heffingskorting uit inkomensoverwegingen van groot belang zijn." Diezelfde functie is niet zo lang geleden nog eens bevestigd door de Hoge Raad. Ik citeer opnieuw: "Voor wat betreft de gecombineerde heffingskorting voor de inkomstenbelasting heeft te gelden dat die korting tot doel heeft, zoals voor 2001 de belastingvrije sommen, dat over een gedeelte van het inkomen, ook wel een bestaansminimum, geen belasting verschuldigd is, waarbij de omvang is afgestemd op verschillen in de persoonlijke situatie en de gezinssituatie."

Gezien de wets- en rechtsgeschiedenis heb ik hiermee aangetoond dat de algemene heffingskorting in tegenstelling tot bijvoorbeeld de arbeidskorting een draagkrachtinstrument is. Het viel de SGP op dat de genodigden van het rondetafelgesprek over een leefvormneutraal belastingstelsel, een onderwerp waarbij de SGP goed samenwerkt met partijen als D66 en het CDA, deze functie benadrukten. Zij waren het roerend met elkaar eens. Ik citeer professor Stevens, de bekende fiscalist. Hij noemde het inzetten van een draagkrachtinstrument als de algemene heffingskorting als een participatie-instrument innerlijk tegenstrijdig, niet leefvormneutraal. Professor Teunissen noemde het besluit zelfs de meest treurige beslissing van de wetgever van de afgelopen jaren. Door die korting af te schaffen, zegt de overheid volgens Teunissen eigenlijk dat mensen die geen betaalde arbeid verrichten, geen aanspraak maken op bescherming van een sociaal bestaansminimum. Mevrouw Pott-Buter, die zich haar hele leven heeft ingezet voor de financiële onafhankelijkheid van alle volwassenen met gelijktijdige waarborging van de zorg voor kinderen, zieken en gehandicapten, viel hem bij door te vermelden dat zij de afbouw echt een schande vindt. Daarom pleitten de genodigden van het rondetafelgesprek ervoor om de eerste kosten van levensonderhoud, de algemene heffingskorting, gewoon uit te betalen.

De heer Van Hijum (CDA):

Collega Dijkgraaf houdt een interessant betoog. Je kunt volgens mij echter nog wel twisten over de vraag of het niet leefvormneutraal is. Is het niet zo dat iedereen die arbeid verricht gewoon in aanmerking komt voor de heffingskorting?

De heer Dijkgraaf (SGP):

Het punt dat ik hier maak, is de relatie tussen arbeid en heffingskorting. De analyse die de wetgever destijds maakte en die de Hoge Raad en deze fiscalisten ook maken, is dat er nog een ander element zit aan de algemene heffingskorting, namelijk waarborging van het feit dat je geen belasting hoeft te betalen voor dat deel van wat je verdient dat nodig is voor je bestaansminimum. Dat aspect is uit het oog verloren.

De heer Van Hijum (CDA):

Ik denk dat wij elkaar heel dicht kunnen naderen als het gaat om het belang van zorg voor elkaar en het in het sociale stelsel tot uitdrukking laten komen van de waardering voor dat element. De heer Dijkgraaf begon echter zelf over de vraag: wat is leefvormneutraal? De heer Dijkgraaf stelt eigenlijk voor om een belastingkorting te koppelen aan een huishoudtype, maar dit maakt het juist minder leefvormneutraal.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Dan komen wij in de discussie over de vraag wat leefvormneutraliteit nou echt is. Als wij daarover in details treden, zullen partijen daar een verschillende invulling aan geven. De discussie hierover is onder andere gestart door de motie waarover mevrouw Koşer Kaya zojuist sprak en door onze bijdrage aan het Belastingplan van vorig jaar. Kamerbreed vonden wij toen het volgende toch wel gek: als je twee huizen naast elkaar hebt en in het ene huis woont iemand die in zijn eentje € 40.000 verdient met een partner die niet werkt en in het huis daarnaast met exact dezelfde gezinssamenstelling verdienen de twee partners samen € 40.000, dus ieder apart € 20.000, dan betalen de mensen in het ene huis € 7000 meer belasting dan die in het andere huis. Daar kun je iets van vinden. Ik wil niet per se zeggen dat dit verkeerd is, maar de fractie van de SGP heeft daar wel een mening over, evenals de fracties van CDA en D66. Als je al die verschillen bij elkaar optelt en kijkt naar de uiteindelijke uitwerking, stel je vast dat je op zulke enorme belastingverschillen uitkomt dat je je moet afvragen of dit de bedoeling geweest is.

Cruciaal in deze redenering is een ander punt: over dat deel van het inkomen dat nodig is voor je bestaansminimum zou je geen belasting moeten heffen. Dat komt ook naar voren in het commentaar van het linkse blok in de Kamer. Dat is inderdaad aardig gezegd, maar dan was het fijn geweest als men ook had meegewerkt in de discussie over de overdraagbaarheid van de heffingskorting, want die is precies daarvoor bedoeld.

Voorzitter. Mevrouw Hellendoorn heeft een proefschrift geschreven dat onder andere over dit punt gaat. De centrale vraag in haar dissertatie is of de neergang van het kostwinnerschapsysteem en de toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen de economische positie van vrouwen ook verbeterd heeft, want daar zou het uiteindelijk om moeten gaan. Opvallend genoeg kwam zij tot de conclusie dat de afbouw van de algemene heffingskorting extra risico's met zich meebrengt voor mannen en vrouwen die voor afhankelijken zorgen of hebben gezorgd en die geen sterke positie op de arbeidsmarkt hebben, dus juist voor die kwetsbaren op de arbeidsmarkt.

Ik wil nog één argument noemen. De afbouw van de algemene heffingskorting wordt vaak verdedigd met het argument dat er fiscale prikkels nodig zijn om de arbeidsparticipatie te bevorderen. Ik zou iedereen die denkt dat dit nodig is, willen wijzen op de inbreng van de SGP in reactie op de fiscale agenda van staatssecretaris Weekers. Ik wijs met name op de tabel waarin het verschil in belastingdruk tussen alleenstaanden, eenverdieners en dubbelverdieners is uitgewerkt. Ik geef een uitdraai aan de bode en vraag hem om het uit te delen aan de Kamerleden. Wellicht kan deze tabel ook worden toegevoegd aan de Handelingen.

De voorzitter: Ik neem aan dat er geen bezwaar tegen bestaat dat dit stuk ter inzage wordt gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Kamer.

(Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.)

De heer Dijkgraaf (SGP):

Uit deze tabel blijkt dat de prikkel om te gaan werken al duizenden euro's bedraagt, zelfs voor de afbouw van de algemene heffingskorting.

Er is nog een mogelijkheid. Dat is hoopgevend voor degenen die zich afvragen hoe we het terugdraaien van de overdraagbaarheid willen betalen, wat inderdaad een lastig punt is. De tweede mogelijkheid om het probleem met dit wetsvoorstel op te lossen, is een totale herziening van onze inkomstenbelasting. Wie denkt dat Nederland nog belasting naar draagkracht kent, komt bij een preciezere blik bedrogen uit. Uit de tabel die net is uitgedeeld, blijkt het eerdergenoemde voorbeeld van twee partners die samen € 40.000 verdienen, allebei € 20.000. De een betaalt € 12.000 belasting, de ander € 5500. Hierbij moet ook nog eens worden gerealiseerd dat het verschil in effectieve belastingdruk nog verder kan oplopen als gebruik wordt gemaakt van de kinderopvang of als er andere fiscale instrumenten worden meegenomen, zoals de hypotheekrenteaftrek, de huurtoeslag en diverse andere heffingskortingen.

Dat roept de fundamentele vraag op of we met dit fiscale stelsel op de juiste weg zitten. De SGP meent van niet. Daarom wil de SGP een leefvormneutraler belastingstelsel. We zijn blij met de toezegging van de minister-president dat hij in elk geval serieus wil bekijken wat de mogelijkheden en problemen zijn. De kern is voor ons dat moet worden gewaarborgd dat over noodzakelijke kosten geen belasting wordt geheven, dat belasting zo veel mogelijk gelijk is tussen en binnen leefvormen en dat het effect op arbeidsparticipatie en economische groei met name wordt gezocht in zo laag mogelijke belastingtarieven in plaats van in allerlei ineffectief gebleken detailregelingen. Liberaler en socialer kan haast niet.

Zo bezien is de keuze die vandaag voorligt, eigenlijk heel eenvoudig. Partijen die het in het belastingrecht gangbare draagkrachtprincipe onderschrijven dat over inkomen dat nodig is voor de primaire levensbehoeften, geen belasting mag worden geheven, gaan er met de SGP voor strijden dat de afbouw van de algemene heffingskorting wordt stopgezet of dat we voor de langere termijn gaan werken aan een leefvormneutraler belastingstelsel. Partijen die daar niet toe bereid zijn, huilen op dit moment krokodillentranen. De vraag is wie de handschoen oppakt.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Ik heb een vraag, maar is de heer Dijkgraaf al klaar? Zo niet, dan stel ik mijn vraag na zijn laatste zin.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Nee, ik ben nog niet klaar. Intussen zie ik de staatssecretaris namelijk denken: het is allemaal vrij makkelijk, want de heer Dijkgraaf stelt helemaal geen vragen aan mij. Technisch gezien heb ik die ook niet, want inhoudelijk is het voorstel zo duidelijk als wat, maar ik wil hem wel enkele politieke vragen voorhouden.

In de wetsgeschiedenis is een bijstandsuitkering altijd gedefinieerd als een bedrag dat mensen ten minste nodig hebben om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Met dit wetsvoorstel is het theoretisch mogelijk dat de definitie van het sociaal minimum in reële termen naar beneden wordt bijgesteld. Dat is het geval als de inflatie hoog is en de loonontwikkeling laag.

De kans is groot dat de loonontwikkeling de komende jaren structureel lager is dan in het verleden. Hoe wenselijk vindt de staatssecretaris dat? Uit de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud blijkt dat met name bijstandsgezinnen met meerdere kinderen de eindjes nu al niet aan elkaar kunnen knopen. In een van de begrotingen is er een tekort om de onvermijdbare kosten te betalen, namelijk bij twee volwassenen met drie kinderen. Hoe voorkomt de regering dat deze groep mensen door de bodem zakt, mocht dit wetsvoorstel worden aangenomen, en hoe kijkt zij aan tegen andere groepen?

In de schriftelijke bijdrage heeft de SGP er verschillende keren de vinger op gelegd dat de regering argumenten soms inconsistent hanteert. In dit wetsvoorstel wordt een verdere individualisering van het draagkrachtbeginsel doorgevoerd waarbij de hoogte van de bijstand wordt gebaseerd op één algemene heffingskorting, waarvan in een huishouden met twee partners minimaal twee mensen moeten eten en drinken. Tegelijk beweegt het draagkrachtbegrip in het wetsvoorstel over de bijstand nog verder naar een huishouden, door de partnertoets te verruimen naar een huishoudtoets. In het verslag krijg ik daar geen helder antwoord op en dus vraag ik het de staatssecretaris nogmaals. Hoe consequent is het volgens hem om mensen meer verantwoordelijkheid voor elkaar te geven, terwijl ze het tegelijk met minder inkomen moeten doen op het niveau van een huishouden.

Tot slot. Dit wetsvoorstel roept bij de SGP dus veel vragen op. Wat de uitkomst van dit debat ook wordt, zonder een fundamentele wijziging bij de bron en de inkomstenbelasting is de uitkomst voor ons nooit ideaal. Het dubbeltje kan op dit moment nog alle kanten op vallen. Ik ben daarom uiterst benieuwd naar de antwoorden van de staatssecretaris.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Ik ben ook heel benieuwd naar het dubbeltje. Overigens had ik graag les gehad van de heer Dijkgraaf; zijn exercitie was mooi.

Als ik de heer Dijkgraaf goed beluister, zegt hij dat men die heffingskorting nooit had mogen afbouwen omdat we daardoor in de problemen zitten. De consequentie van die lijn zou moeten zijn dat hij nu tegen dit wetsvoorstel stemt. Heb ik gelijk?

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik heb het dilemma van de SGP geschetst. Als je vanuit die lijn redeneert, zou je zeggen: "ja". Het punt is echter dat er in het verleden een fout is gemaakt die weer tot een andere fout heeft geleid, namelijk dat uitkeringen op dit moment en in de toekomst doorgroeien maar in een verschillende tempo, waardoor uitkeringen boven het niveau van het inkomen uitkomen. Daardoor is de rare situatie ontstaan dat mensen die veertig uur gaan werken, erop achteruitgaan. Die fout moet je ook niet in stand houden. Ik verkeer dus in een dilemma, en vandaar dat het dubbeltje aan het wankelen is en het zeer van belang is wat de staatssecretaris gaat zeggen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Als u straks ja zegt, komt dat dus niet doordat u vindt dat er ooit een fout is gemaakt en u daar dus op door zult gaan? Als u namelijk uw verkiezingsprogramma volgt, kan de uitkomst geen andere zijn dan dat u nee zegt tegen dit wetsvoorstel.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Maar dat is nu precies wat ons verkiezingsprogramma doet. De twee oplossingen die ik schets, staan in ons verkiezingsprogramma. De tweede oplossing is een nieuw fiscaal stelsel. Dat is de oplossing waarmee we er komen.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Koşer Kaya.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

De heer Dijkgraaf draait nu wel om de vraag heen. Als hij consequent is in zijn redenering, kan hij niet zeggen dat de Kamer een fout heeft gemaakt en dat dan bevestigen door ja te zeggen tegen dit voorstel. Als hij consequent is in zijn redenering, kan er geen ander antwoord volgen dan "nee". Anders kunnen wij namelijk niet anders dan concluderen dat hij het gedoogakkoord volgt en niet zijn verkiezingsprogramma.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Dijkgraaf.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Volgens mij staat onder het gedoogakkoord de handtekening van drie partijen, de PVV, het CDA en de VVD, en niet die van de SGP. Daar heb ik dus helemaal niets mee te maken. Op basis van ons verkiezingsprogramma maken wij inderdaad de afweging ten aanzien van dit wetsvoorstel. Ik zit er echter mee dat in het verkiezingsprogramma twee dingen staan. In de eerste plaats zou je af moeten van die overdraagbaarheid, en dat kan volgens ons anno 2011 toekomstgericht met een nieuw belastingstelsel dat uitgaat van lagere marginale tarieven, waardoor je wel degelijk de arbeidsparticipatie prikkelt maar niet door de onderkant aan te tasten. In de tweede plaats staat in het verkiezingsprogramma dat werken moet lonen. Wij vinden het dus een slecht uitgangspunt, zeker gezien de concurrentiepositie en de financiële situatie, om dat in stand te houden. Voor dat dilemma word ik met dit wetsvoorstel geplaatst.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik wil de heer Dijkgraaf graag helpen. Ik ben blij dat hij naar alternatieven zoekt. Even heel simpel terug naar de basis. Als dit wetsvoorstel wordt aangenomen en als hij ervoor stemt, moeten de mensen met de laagste inkomens – ouderen, gehandicapten, jonggehandicapten – de komende 20 jaar 10% tot 15% aan inkomen inleveren. De afgelopen 25 jaar zijn de hoogste inkomens 60% erop vooruitgegaan en de laagste inkomens 5%. Wil de heer Dijkgraaf daar dan nog 15% bovenop doen? Dit is toch armoede? Ik kan mij niet voorstellen …

De voorzitter:

Dit is een duidelijke vraag, mevrouw Karabulut. Wij gaan nu naar het antwoord luisteren.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Mevrouw Karabulut heeft in die zin gelijk dat hier een punt zit. Vandaar onze vragen aan de staatssecretaris over het bestaansminimum versus de hoogte van deze uitkeringen. Er zit ook een andere kant aan en dat vind ik een van de lastige dingen van dit wetsvoorstel. De koppeling blijft gelukkig in stand. Het maakt nogal uit of wij de komende jaren een herstel van de economie zien met een herstel van de groei van het minimuminkomen en met een inflatie die wij in de hand weten te houden of dat wij een lage groei zien met een hoge inflatie. Die uitdaging moeten wij met elkaar aangaan. Ik vond de nota naar aanleiding van het verslag helder: dit effect is een effect op zichzelf, je moet natuurlijk naar het totale effect kijken en dat is het koopkrachtplaatje. Als ik naar het koopkrachtplaatje kijk, heb ik alle mogelijke wensen tot verbetering. Maar gegeven de wijze waarop dit kabinet heeft geopereerd, zit het redelijk in elkaar wat betreft de verdeling van effecten tussen twee keer modaal, een keer modaal, minimum en de verschillende huishoudtypes.

De voorzitter:

Met het oog op de klok ga ik u allen aanmoedigen om het echt kort en bondig te houden.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik wil nog een oproep doen aan de heer Dijkgraaf. Het gaat er inderdaad om wat mensen overhouden in hun portemonnee. Er zal al niet veel in die portemonnee en het wordt nog veel minder. Als je kijkt naar de koopkracht van de laagste inkomens, zie je dat zij het meeste inleveren. Dat zeggen niet alleen de Raad van Kerken en allerlei maatschappelijke organisaties, maar ook de mensen zelf. Zij weten echt niet meer wat zij moeten doen. Een mevrouw die chronisch ziek is en een bijstandsuitkering heeft, zei: wat moet ik dan, moet ik dan de pil van Drion nemen of zo?

De voorzitter:

En uw vraag is?

Mevrouw Karabulut (SP):

De heer Dijkgraaf kan nu toch al uitspreken dat hij niet wil dat de mensen met de laagste inkomens weer tientjes moeten inleveren in het komende jaar en 15% over een langere termijn? Dat kan toch gewoon niet?

De heer Dijkgraaf (SGP):

Laten wij ook constateren dat deze groep de afgelopen 20 jaar er reëel 8% bij heeft gekregen. Dat is gewoon een feit. Wij mogen ook blij zijn dat dit kon in die jaren. Op dit moment moeten verschillende huishoudtypes inleveren, maar dat geldt ook voor de minimumloner die 40 uur hard werkt. Dat is ook een feit. Wij moeten de pijn verdelen. Ik weet dat dit aan de onderkant harder aankomt, maar aan de bovenkant wordt ook fors ingeleverd en de middeninkomens hebben het meestal ook niet zo breed. Ik maak mij in het algemeen zorgen over het koopkrachtbeeld, maar ik denk dat die in de Kamer worden gedeeld. Onder de huidige omstandigheden vraag ik mij wel eens af hoe lang wij die koppeling in stand kunnen houden. Laten wij hopen dat die in stand blijft, maar het zijn wel heel zorgelijke tijden waarin wij elke dag in dit land 80 mln. tekortkomen.

De heer Klaver (GroenLinks):

De heer Dijkgraaf heeft heel helder geschetst voor welk dilemma hij zichzelf nu gesteld ziet met dit wetsvoorstel. Een optie die ik ook in mijn bijdrage heb genoemd, is het verhogen van de arbeidskorting. Dat zorgt ervoor dat de gezinnen waarover de heer Dijkgraaf spreekt ook recht hebben op de arbeidskorting, wat een gedeeltelijke goedmaker is voor het verliezen van de dubbele heffingskorting.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik kijk in ieder geval met belangstelling naar elk voorstel dat hier langskomt. Ik vind het interessant dat de heer Klaver dit voorstel doet. Als er een amendement komt, zullen wij er goed naar kijken. Ik maak mij wel enige zorgen over de dekking van het hele verhaal, want dat heeft volgens mij een impact: als je die twee bij elkaar optelt, waar kom je dan uit? Dit voorstel bezuinigt 150 mln. op korte termijn en 1 mld. op lange termijn. Het voorstel van de heer Klaver kost alleen maar geld. Er moet nog wel heel wat gebeuren in dekkingstermen wil je daar goed uitkomen.

De heer Klaver (GroenLinks):

Een heel helder antwoord. Voordat er misverstanden ontstaan: in mijn voorstel wordt ook gewoon 1,2 mld. bezuinigd. Daarnaast investeren wij heel erg veel om die arbeidskorting mogelijk te maken.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Dat is exact het punt waarom ik mij zo'n zorgen maak over die dekking. Ik vermoed dat wij niet blij worden als wij kijken naar de koopkrachteffecten van die dekking.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Voorzitter. Bij het wetsvoorstel maak ik duidelijk onderscheid tussen intentie en gevolgen. Om met de intentie te beginnen: de staatssecretaris wil zo veel mogelijk mensen stimuleren om aan het werk te gaan. Het is inderdaad belangrijk dat mensen vanuit een uitkering gaan werken. Dit kan ik dus ondersteunen, maar er is meer dan de intentie van een wetsvoorstel. Wij moeten ook kijken naar de negatieve gevolgen voor mensen met een uitkering. De vraag is of het doel überhaupt wel wordt gehaald.

Als reden voor het wetsvoorstel noemt de staatssecretaris het besluit van het vorige kabinet om voor werkende kostwinners de algemene heffingskorting van de niet-werkende partner af te bouwen. Dit besluit is binnen het kader van het regeerakkoord indertijd genomen. Deze beperking namen wij voor onze rekening als een compromis. Wij moeten ook naar de gevolgen van het besluit kijken. Een ontwikkeling waarbij de bijstandsuitkering hoger uitvalt dan het minimumloon is ongewenst. Hiervoor is ook een oplossing. Draai het besluit om de algemene heffingskorting voor niet-werkende partners af te bouwen terug.

De staatssecretaris grijpt het besluit van toen echter aan om het referentieminimumloon te verlagen door de dubbele heffingskorting af te bouwen.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Zojuist is mijn klomp gebroken. Tijdens het vorige kabinet heeft de SGP-fractie keer op keer tegen de ChristenUniefractie gezegd: doe nou met ons mee, jullie zijn in de positie om dit te realiseren. Het antwoord was nee, nee en nog eens nee. Nu zit de ChristenUnie in de oppositie. Dan is het makkelijk om tegen de regering te zeggen: draai die overdraagbaarheid terug. Waarom heeft mevrouw Ortega het toen niet gedaan, toen zij in die positie zat?

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Zoals ik al aangaf, gaat het om een compromis. Wij hebben gerealiseerd dat alleenstaande ouders met kinderen jonger dan vijf jaar geen sollicitatieplicht opgelegd kregen. Zij behielden hun heffingskorting. Wat wij op dat moment niet wisten, was de doorwerking in het referentieminimumloon. Met de kennis van nu zeggen wij: als het zoveel problemen oplevert, dan moeten wij het gewoon terugdraaien.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Tja, met de kennis van nu, zo kun je ook problemen oplossen. Iedereen wist dat toen. Iedereen wist dat het uiteindelijk tot deze situatie zou leiden. Als je in een regering zit, moet je compromissen sluiten, maar dan moet je daar wel voor staan. Dan moet je niet in de volgende periode zeggen: draai het maar weer terug. Nee, dan moet je de consequenties aanvaarden van het toen genomen besluit. Er moet consistentie in standpunt zijn.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Ik voel mij helemaal niet aangesproken door datgene wat de heer Dijkgraaf inbrengt. Het kindgebonden budget is ook een vorm van compromis. Je neemt je verantwoordelijkheid als Kamerlid, je neemt je verantwoordelijkheid op het moment dat je gaat meeregeren. Wij hebben indertijd onze verantwoordelijkheid genomen. Wij hebben er toen voor zorg gedragen dat in ieder geval een bepaalde groep niet geconfronteerd werd met de afbouw van de heffingskorting. Wij komen er nu achter dat wij dit niet meer willen, als het inderdaad zoveel problemen gaat opleveren.

De voorzitter:

Nog één soort slotopmerking, want anders blijven we hangen op dit puntje.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik poog dat in vijf minuten te doen.

De voorzitter:

Nee, één opmerking.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Het kindgebonden budget is natuurlijk een heel ander verhaal. We zitten helemaal niet in de regering, dus we hoeven helemaal geen compromissen te sluiten. We dienen gewoon een amendement in, en daar blijkt voldoende steun voor te zijn. Voor de rest heeft dat standpunt, waarover wij goed hebben nagedacht, met de kennis van nu geen verder effect. Punt is wel dat het besluit toen voor iedereen duidelijk was: als je daaraan komt, gaat dat op een gegeven moment ook in het minimumloon zitten. Dat is onoverkomelijk. Kijk maar naar deze Kamer: er is nog steeds een meerderheid voor afschaffing van de overdraagbaarheid van de heffingskorting, en dat heeft deze consequentie.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Dat zij zo. We moeten gewoon op zoek gaan. U hebt een aantal zaken naar voren gebracht, onder andere het ontwikkelen van een leefvormneutraal fiscaal stelsel. Daar willen wij graag naar gaan kijken.

De voorzitter:

Mevrouw Ortega vervolgt haar betoog.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Om te beginnen is de werking van het voorstel van de staatssecretaris maar beperkt. De verwachting is namelijk dat de gewenste stimulans maar voor 15.000 mensen zal werken. Dit is weinig. Er zitten meer dan 300.000 mensen in de bijstand. Voor verreweg het grootste deel van de mensen zal de maatregel dus niet werken. Dan is de maatregel toch niet effectief, staatssecretaris? Graag een reactie. De mensen die niet aan het werk komen, worden vol getroffen door de maatregel. De staatssecretaris probeert de indruk te wekken dat het allemaal wel meevalt, maar niets is minder waar. Mensen met een uitkering zullen op termijn er iets van 14% op achteruit gaan. Dat is een enorm inkomensverlies. Hoe moeten mensen dat opvangen? Graag hoor ik hoe de staatssecretaris dat ziet.

Ook zijn er signalen dat het huidige minimumniveau eigenlijk te laag is. Mensen hebben grote moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Dit heeft ook nadelige effecten op kinderen die in zo'n situatie opgroeien. Voor de ontwikkeling en scholing van het kind is het echt belangrijk dat zij kunnen meedoen, bijvoorbeeld doordat zij een computer hebben, of internet. Dat is allemaal onmisbaar voor de ontwikkeling van de kinderen. De staatssecretaris is in zijn schriftelijke reactie ingegaan op de definitie van wat een sociaal minimum is. Een duidelijk antwoord ontbreekt nog steeds. Dus, staatssecretaris, waarom onderzoeken wij niet wat een meer eigentijds sociaal minimum is?

De staatssecretaris spreekt de verwachting uit dat het absolute inkomen van mensen met een uitkering niet zal dalen. Toch gaat het inkomen ongeveer € 70 tot € 100 omlaag. De correctie voor inflatie zal dit niet helemaal goed kunnen maken. Hoe komt de staatssecretaris dan tot de conclusie dat het absolute inkomen niet zal dalen?

Ten slotte wil de staatssecretaris ook de AOW-koopkrachttegemoetkoming van de AOW'ers met aanvullende bijstand omlaag brengen. Een koopkrachttegemoetkoming is echter niet voor niets een tegemoetkoming in de koopkracht. Waarom vindt de staatssecretaris dat deze groep nu plotseling geen tegemoetkoming meer moet krijgen, terwijl wij het juist hebben gedaan omdat de koopkracht niet toereikend was? Kunnen wij dan zeggen dat sprake is van een inkomensachteruitgang van ongeveer 3,75% tot 5%? Dat komt namelijk heel hard aan voor deze groep. Graag hoor ik van de staatssecretaris wat hij eigenlijk wil gaan doen voor deze groep. Ik wil klip-en-klaar horen waarom deze maatregel juist voor deze groep is bedoeld. We hebben er inderdaad een tijdje geleden juist voor gezorgd dat deze groep een beetje ontzien werd. Zij kan natuurlijk niet gaan werken aan het aanvullen van een inkomen. Als dat het geval was geweest, had de staatssecretaris wel instemming gekregen van de ChristenUnie.

De heer Van Hijum (CDA):

Klopt het dat het terugdraaien van wat mevrouw Ortega nu voorstelt, niet is opgenomen in de tegenbegroting?

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Dat klopt, dat is niet opgenomen. In onze tegenbegroting staat echter ook dat wij niet alles hebben kunnen meenemen. Het is al heel mooi dat een kleine fractie als de ChristenUnie is gekomen tot een deugdelijke tegenbegroting.

De heer Van Hijum (CDA):

Alle respect en complimenten daarvoor, maar dan mag de toonhoogte ook wel iets lager. Als er voorstellen gedaan en besproken worden in dit huis en de fractie van de ChristenUnie met kritiek komt en met heel grote woorden en zegt dat zij het terug wil draaien, maar als dat dan niet staat opgenomen in de tegenbegroting en als zij daar dan zelf geen voorstellen voor doet, wat is dat dan waard?

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Wat het waard is, is dat ik nu heb gezegd wat ik erover heb gezegd. Wij kunnen van alles gaan opnemen in de tegenbegroting. Dit had er zonder meer ook in gekund, maar dat hebben wij niet gedaan. In onze tegenbegroting staat heel duidelijk aangegeven dat wij niet alles hebben kunnen opnemen.

De heer Van Hijum (CDA):

Dat betekent dan feitelijk dat u de inzet van het kabinet accepteert. Ik zou dan een goedbedoeld advies willen geven voor een volgende keer. Als u het serieus neemt, moet u daar ook voorstellen voor indienen, want dan kunnen wij over alternatieven discussiëren en over de wenselijkheid daarvan.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

De ChristenUnie respecteert sowieso alles wat dit kabinet inbrengt. Wij proberen heel zorgvuldig om te gaan met iedere maatregel. Maar wij kunnen bij nader inzien gewoon niet instemmen met dit wetsvoorstel. Als er op een gegeven moment sprake is van een oplossing zullen wij zien of wij daarin kunnen meegaan. Anders moeten wij over op een ander fiscaal stelsel, waarin een en ander wel beter in geregeld is.

De heer Spekman (PvdA):

Voorzitter. Dit debat dreigt weer erg te gaan over cijfers. Het gaat volgens mij echter om mensen. Er zijn er heel veel die rond moeten komen van weinig. Daar doen wij als Kamer soms gemakkelijk over, maar je zult het maar moeten doen, rondkomen van € 900 als je alleenstaand bent of van iets meer dan € 1100 als je een alleenstaande ouder bent. Heel veel van deze mensen komen nu al in de financiële problemen, omdat zij het niet rond weten te breien. Het gaat dan over cijfers. Ooit hadden wij hier met elkaar de ambitie – ik heb die zelf nog opgesteld – dat alle kinderen een goede start krijgen, dat wij kinderen niet in de kou laten staan, maar dat wij ervoor zorgen dat zij zich vooruit kunnen werken in het leven. Daar moeten zij zelf ook voor knokken en hun ouders moeten ervoor knokken. Ik constateer nu dat de staatssecretaris die ambitie loslaat. Met dit wetvoorstel laten wij de ambitie om kinderen nog een kans te geven om zich vooruit te knokken in het leven en om te zorgen dat mensen een fatsoenlijk bestaan hebben in dit land, als een baksteen vallen.

De PvdA-fractie werkt met een aantal uitgangspunten in de sociale zekerheid. Ten eerste: als je kunt werken, moet je werken en anders krijg je een schop onder je kont. Ten tweede: als je de boel belazert, heb je aan ons een kwaaie, dan krijg je een korting en mag je je uitkering helemaal kwijtraken. Ik steun de voorstellen van de PVV op dit punt. Ten derde – dat is cruciaal in dit debat – iedereen verdient een redelijke bodem, dat bestaansminimum waar college Dijkgraaf over sprak. Vier keer heb ik in schriftelijke vragenronden erover doorgevraagd hoe dit besluit zich uiteindelijk verhoudt tot waar het Nibud van zegt dat je dat als mens als minimumbestaansniveau nodig hebt. Zij noemen dat de basisbehoeften. Zitten daar rare dingen in? Huur, gas, telefoon, verzekeringen, niet vergoede ziektekosten, voedsel, kleding, was- en schoonmaakartikelen, persoonlijke verzorging, vervoer. Is het raar als wij dat mensen gunnen, als wij mensen die hun stinkende best doen om te gaan werken – ik vind wel dat zij dat moeten doen – maar niet aan de slag komen, dat gunnen? Het kabinet zegt: dan moeten ze anders gaan budgetteren, het zijn richtbedragen. Maar op een gegeven moment kom je niet meer uit met die richtbedragen en is het te weinig om het van te doen. Moeten zij een kind dan gaan kleden in lompen? Is dat dan het beeld dat wij willen hebben?

Dat is de keuze waar wij vandaag voor staan. Natuurlijk is er in Nederland een minimumbestaansniveau en natuurlijk is de richtlijn die is opgesteld door het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Nibud niet zomaar een praatje. Dat is toch veel belangrijker dan dat wij beleidsmatig vaststellen dat het nu eenmaal de armoedegrens is.

Ik ben blij dat de koppeling nog is opgenomen in het regeerakkoord. Niet alle drie de partijen hebben zich daarvoor hard gemaakt – volgens mij zijn dat er twee – maar dat is goed. We zijn er daarmee echter nog niet. Hoeveel verliezen deze mensen aan inkomen? Een alleenstaande heeft in de verste verte niet te maken met de armoedeval, eigenlijk het basisargument van dit voorstel. Een alleenstaande heeft immers nu maar een uitkering van € 920. Die gaat er in het eindbeeld € 116 op achteruit. Een alleenstaande ouder die nu al op het randje zit, van wie het Nibud zegt dat dit bedrag nodig is om van te bestaan, gaat er € 151 op achteruit. Bij paren zit daadwerkelijk het probleem van de armoedeval. Van de 269.000 bijstandsgerechtigden – ik heb het nog niet over de ouderen, en over al die andere regelingen – maken er 38.000 deel uit van een paar. Als wij politieke wil hebben, zijn er voor hen andere oplossingen. Je kunt ervoor kiezen om de heffingskorting bijvoorbeeld wel voor de paren te doen, maar niet voor de anderen. Je kunt ervoor kiezen om in de norm van de bijstand iets te doen. Dat is allemaal niet fraai, want ik wil die paren liever ook op niveau houden, maar probeer iets. In de schriftelijke vragenronde stuit alles echter op "onaanvaardbaar". Keer op keer wilde het kabinet geen cijfers vergelijken met normen van het Nibud of het Sociaal en Cultureel Planbureau. Dit was allemaal onaanvaardbaar. Alle alternatieve voorstellen of amendementen zijn als paarlen voor de zwijnen. Zo voel ik dat en ik vind het gruwelijk, omdat wij uiteindelijk een heel grote groep mensen in samenleving in de kou zetten.

Nogmaals, het gaat mij niet om de mensen die hun kont tegen de krib gooien of die de boel belazeren. Die mogen het allemaal voelen. Ik heb het echt uitdrukkelijk over een grote groep mensen die in de bijstand zit, dat helemaal niet leuk vindt en niets anders wil dan aan het werk te komen, maar simpelweg geen kans krijgt, soms door een handicap. Je krijgt niet altijd voor je 23ste een dwarslaesie, maar soms net erna. Dat is allemaal onhandig, want dan kom je niet in de Wajong terecht. Zo is echter wel het leven. Dat is de keuze die ik zou willen maken. Het is heel zorgelijk dat de bodem eruit wordt geslagen. Het is misschien tekenend voor de samenleving dat er nog zo weinig interesse is om op te komen voor die bodem, maar ik zal dit doen tot mijn dood. Meerdere collega's doen dit omdat wij die kinderen niet moeten laten verrekken.

Wat betreft de alleenstaande ouders: laten we het nu niet hebben over de alternatieven die er eerder in de Kamer zijn geweest. Wij hebben ooit het wetsvoorstel Vazalo met elkaar besproken. Natuurlijk is dat een rotnaam en zat dat ingewikkeld in elkaar. Saskia Noorman-den Uyl had dat wetsvoorstel nog door de Tweede Kamer geloodst. Daarin zat nog de ambitie om ervoor te zorgen dat er iets wordt bedacht om de armoedeval te voorkomen en tegelijkertijd de zorg voor kinderen en het je knokken uit de armoede, met elkaar te combineren. En wat doet het kabinet? Dat schrapt die wet en gaat in de berekeningen van de armoedeval er al van uit dat een alleenstaande ouder vier dagen werkt. Het enige wat het kabinet doet, is alles toe redeneren naar "die uitkeringen moeten lager; werken zul je, kreng". Dat is eigenlijk de vriendelijke uitdrukking van wat het kabinet doet.

Ik snap dat niet, want er ligt een Wet Vazalo, die de mogelijkheid biedt om er, als wij dit met elkaar willen, op een fatsoenlijke manier voor te zorgen dat alleenstaande ouders met kinderen niet in armoede ondergedompeld worden, maar een stimulans hebben om zich vooruit te werken in het leven, niet klein gehouden worden en ook hun kinderen goede kansen te geven in het leven.

De heer Van Hijum (CDA):

Ik vraag mij af of de heer Spekman de reactie van het kabinet op dit punt goed heeft gelezen. Als ik die reactie goed heb gelezen, omarmt het kabinet het instrument van de Wet Vazalo op dit punt juist niet. Het kabinet richt zich op deze problematiek: hoe ga je serieus om met de situatie van alleenstaande ouders met kinderen, die inderdaad vaak vier dagen werken en daar te weinig van overhouden? In dat kader komen er, om maar iets te noemen, voorstellen om gemeenten te compenseren voor kosten voor de kinderopvangtoeslag, omdat ook dat een belangrijke factor is in het niet lonend maken van de stap naar werk. Is de heer Spekman bereid om niet zozeer de Wet Vazalo centraal te stellen, maar ook mee te denken over alternatieve oplossingen die je voor dat probleem kunt bedenken?

De heer Spekman (PvdA):

Ik ben altijd bereid geweest – en ik zal dat de rest van mijn leven ook altijd blijven – om na te denken over alternatieven. In de hele schriftelijke beantwoording redeneert echter alles naar één punt toe: de uitkering moet lager, de uitkering moet lager, de uitkering moet lager. Ik zie wie daarvan de dupe zijn, namelijk de mensen die nu al op het randje zitten. De basisbehoefte van eenoudergezin met twee kinderen was volgens gegevens van het Nibud in 2009 € 1440. Nu kruipen zij daaronder door het extra kortingsbedrag van dit kabinet ter hoogte van € 151. Dat houd je met die toeslagen niet bij. Dat spijt mij zeer.

De heer Van Hijum (CDA):

De heer Spekman kan toch niet beweren dat de doelstelling van dit voorstel is dat de uitkering lager moet worden?

De heer Spekman (PvdA):

Ja.

De heer Van Hijum (CDA):

Het gaat erom dat we voorkomen dat de uitkeringen boven de lonen uitgroeien. Dat is het centrale probleem waarvoor wij een oplossing zoeken. Dan vraag ik mij nogmaals af waarom de PvdA, als dit zo'n groot probleem is, dit probleem niet oplost in de tegenbegroting.

De heer Spekman (PvdA):

Dit is echt faliekante onzin. Wij lossen dit wel degelijk op in de tegenbegroting, de heffingskorting.

De heer Van Hijum (CDA):

Nee hoor, 30 mln. is maar de helft van wat er nodig is.

De heer Spekman (PvdA):

Nee, we lossen dit wel degelijk op. Kijk ook maar naar de toelichting. Wij lossen de heffingskorting op. Wij waren bereid – dat hebben wij ook gedaan in de schriftelijke vragen – om keer op keer met alternatieven voor deze keuze te komen. Ik heb zojuist drie alternatieven genoemd, maar ik zie dat het kabinet maar op één ding uit is. Omdat 38.000 van de 269.000 mensen eventueel boven het minimum uit komen, slachtoffert het kabinet de hele groep en heeft het geen interesse meer voor de kinderen die daardoor geen kansen hebben op een toekomst zoals wij die hebben. Dat vind ik heel erg.

De voorzitter:

Ik heb het idee dat u beiden op dit punt niet erg makkelijk tot elkaar komt, maar ik geef de heer Van Hijum toch de kans om een laatste vraag te stellen.

De heer Van Hijum (CDA):

Ik wil de heer Spekman en de PvdA credits geven voor het feit dat zij dit op zijn minst hebben opgenomen. Dat was bij de SP niet eens het geval, maar het bedrag dat erbij staat, is echt te laag voor het hiermee gemoeide bedrag. Dan accepteer je de facto toch het feit dat die bezuiniging er komt. Ik heb het over de afbouw.

De voorzitter:

Eerst geeft de heer Spekman antwoord en dan heeft mevrouw Karabulut volgens mij nog een opmerking.

De heer Spekman (PvdA):

Never nooit niet zullen wij accepteren dat mensen in dit land onder het niveau zakken dat een fatsoenlijk bestaan waarborgt. Ik constateer dat het kabinet dit wel doet. Dat vind ik vreselijk. Ik vind dat het debat daarover zou moeten gaan. Wij hebben dit opgenomen in de tegenbegroting. Dat zullen wij blijven doen en we zullen ervoor blijven vechten dat hier uiteindelijk weer een keer een besluit wordt genomen dat kinderen weer kansen geeft in plaats van hen klein en afhankelijk houdt.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik maak echt groot bezwaar tegen de leugens die de heer Van Hijum hier wederom verspreidt. Hij zegt dat wij deze asociale bezuiniging niet in onze tegenbegroting behandelen. Dat is niet waar, want zij staat er wel in. Als de heer Van Hijum andere keuzes had gemaakt …

De voorzitter:

Mevrouw Karabulut, u loopt hier al wat langer rond en u weet hoe het hier werkt. U kunt leden die achter het spreekgestoelte staan interrumperen, maar u kunt het debat niet voeren met leden in de zaal. U hebt uw opmerking mogen maken. Daarmee is het klaar. De heer Spekman mag zijn betoog vervolgen.

De heer Spekman (PvdA):

Voorzitter. Ik kom op het volgende punt dat ik werkelijk onbegrijpelijk vind. Ik vind het heel erg wat er al met al gestapeld wordt op alleenstaande ouders. Ik snap dat er een prikkel moet zijn om aan het werk te komen. Ik ben de laatste die dat zal ontkennen. We moeten linksom of rechtsom een oplossing verzinnen. Die is er ook, maar als het kabinet alles blokkeert dan is het klaar.

Moeten ouderen die nu 65-plus zijn nog gaan werken? Nee, volgens mij heeft niemand hier die ambitie. Zelfs de VVD heeft die ambitie niet. Het ligt anders als 65-plussers het willen. Misschien kan dit over een paar jaar. Als mensen langer door kunnen werken, dan ben ik ervoor. Ik zie echter dat er al vanaf volgend jaar een enorme korting van € 440 tot € 840 is voor mensen van 65 jaar en ouder. Die korting heeft helemaal geen relatie met die prikkel om weer aan het werk te gaan, maar het is gewoon een sprokkelpotje om geld te vinden. Het gaat dan niet over centen van de overheid, maar over de vraag wie we wat voor bestaan gunnen in dit land. Aan de ene kant hebben we niet de bereidheid om meer te vragen van mensen die wat meer hebben, zoals wijzelf, maar aan de andere kant gunnen we mensen die hier hun hele leven hebben gewerkt maar hier alleen wat later zijn gekomen niet dat zij een beetje aardig ouder kunnen worden net zoals die andere mensen. Dat debat hebben we hier in de Kamer pas gehad.

Ik vind het zeer kwalijk dat we afstappen van het principe dat we het belangrijk vinden dat ouderen net iets meer hebben, omdat zij geen vooruitgang meer zullen hebben. Jonge mensen kunnen later nog een baan hebben, terwijl oude mensen later geen baan zullen hebben. Zij worden de rest van hun leven vastgepind op een laag budget. Daar was die koopkrachttoeslag voor. Wij wilden graag dat de controle verdween, want deze mensen moesten de vrijheid hebben om te handelen. Zij moeten misschien een cadeautje kunnen kopen voor de kleinkinderen, zoals andere opa's en oma's dat ook kunnen. Ik vind het van een bijzonder laag niveau dat we dat er afhalen. Ik realiseer me dat dit allemaal in het regeerakkoord en in het gedoogakkoord is afgesproken tussen de drie partijen. Ik realiseer me ook dat ik met tegenvoorstellen kan komen tot ik een ons weeg. Dit heeft echter helemaal geen zin als het voorstel niet van de drie partijen komt. Ik roep de drie partijen oprecht op om hiervoor met een alternatief te komen. Laat deze ouderen, die geen vooruitgang meer kunnen maken in het leven, niet in de kou staan en zorg dat je die € 440 en € 840 korting die ze krijgen van tafel veegt.

[TAB]Er zijn alternatieven. Er zijn keuzes te maken. Er zijn keuzes gemaakt in het verleden waar ik nog steeds achtersta. Ik vind echter dat we één keuze in de Kamer, in dit mooie en rijke Nederland, overeind moeten houden. Dat is de keuze dat wij mensen die hun stinkende best doen om aan het werk te komen maar dit echt niet kunnen, niet in de kou laten staan. Wij moeten tegen deze mensen zeggen dat zij niet minder geld krijgen dan het Nibud en Sociaal en Cultureel Planbureau als fatsoenlijk en als basisbehoefte kenmerken. Mijn ambitie ligt hoger, want ik wil dat alle mensen kunnen meedoen. Ik wil dat mensen ook nog een hobby wordt gegund. Laat dat er dan niet in zitten bij het kabinet, maar zak alsjeblieft niet door de basisbehoefte. Dat gebeurt feitelijk wel in de berekeningen die wij zelf hebben gemaakt, maar het kabinet niet wilde maken. Dat is niet een klein beetje. Dat is heel veel. Het is niet gericht op mensen die een prikkel moeten hebben om te gaan werken, maar het is vooral gericht op de 68.000 alleenstaande ouders en 164.000 alleenstaanden waarvoor nu al een groot gat geldt tussen de bijstandsuitkering en het minimumloon. Die hebben al een prikkel om te gaan werken.

Draai dit alstublieft terug! Dat zal wel niet gebeuren. Dan hoop ik maar dat deze dag nooit heeft bestaan. Waarschijnlijk blijft die toch bestaan. Ik zal de gruwelen er niet van ondervinden. Heel veel mensen in dit land echter wel. Dat spijt mij.

De heer Azmani (VVD):

Voorzitter. Ik wil het plaatje op langere termijn schetsen. Wij hebben op dit moment een grote staatsschuld. Vandaag de dag geven wij nog steeds meer geld uit dan er binnenkomt. Ook de arbeidsmarkt kent twee zorgwekkende ontwikkelingen, de vergrijzing en de ontgroening. De beroepsbevolking neemt de komende jaren af met zo'n 800.000 mensen in 2040. Zelfs met de verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar zal de beroepsbevolking blijven krimpen. Waren er in 1957 nog zes werkenden op één AOW'er, in 2009 waren het er nog vier werkenden op één AOW'er en nu gaan wij toe naar nog slechts twee. De geboortecijfers zijn in de afgelopen vijftig jaar gehalveerd en onze levensverwachting wordt alleen maar groter.

Ik hoef de Kamer eigenlijk niet te vertellen dat als een land een sociaal zekerheidsstelsel wil bieden, en zorg wil blijven kunnen geven aan mensen die het nodig hebben, iedereen die kan werken ook moet werken. De VVD pleit al jaren voor een activerend sociaal stelsel. Het is onze premier Rutte geweest die in 2004 een grote stap heeft gezet met het invoeren van de succesvolle Wet Werk en Bijstand. Deze staatssecretaris zal een volgende stap zetten met de Wet werken naar vermogen.

In de fiscaliteit is door het vorige kabinet vanaf 2009 de voorwaarde voor het verkrijgen van de algemene heffingskorting voor werkenden gewijzigd. Waar in het verleden een alleenverdiener ook de heffingskorting van de niet-werkende partner kon gebruiken, wordt deze overdraagbaarheid sinds 2009 afgebouwd. Dit gebeurt over een periode van vijftien jaar, met een jaarlijkse afbouw van 6 2/3 procentpunt. Vanaf 2024 is er geen uitbetaling meer van de algemene heffingskorting. Dit stimuleert de niet-werkende partner om tot de arbeidsmarkt toe te treden, wat ook het oogmerk was van het vorige kabinet. Deze wijziging uit 2009 is echter niet doorgevoerd ten aanzien van het referentieminimumloon, waarop de uitkeringen, zoals de bijstand, zijn gebaseerd. Daardoor wordt in de hoogte van de uitkering dus nog steeds geen rekening gehouden met twee algemene heffingskortingen; alsof de korting nog steeds volledig overdraagbaar zou zijn.

De consequentie hiervan is dat het verschil tussen een uitkering en de situatie waarin een van de partners een baan heeft, steeds kleiner wordt. Vanaf 2018 zou het niet meer lonen dat vanuit de bijstand een van de partners een baan aanvaardt. Daarna stijgt de bijstandsuitkering tot 2024 steeds verder boven het wettelijk minimumloon uit. Dit is onacceptabel voor de VVD. Zij verzet zich hier dan ook tegen. Het kan niet zo zijn dat een paar in de bijstand erop achteruitgaat als één van de partners een baan accepteert. Dan gaat toch immers niemand meer werken. Volgens de VVD moet werken lonen, en moet werk altijd boven uitkering gaan. Zeker nu, mede gelet op de eerder genoemde ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Alle handen zijn hard nodig. We kunnen niet opnieuw een armoedeval laten ontstaan.

De VVD steunt dan ook onderhavig wetsvoorstel van de staatssecretaris om deze inconsequentie eruit te halen, zodat door de afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon de bijstand weer vrijwel evenredig gaat stijgen met het wettelijk minimum en het wettelijk minimumloon hoger blijft dan de bijstand. Wel heeft de VVD nog de volgende vraag aan de staatssecretaris.

De staatssecretaris heeft ervoor gekozen om deze afbouw heel geleidelijk in twintig jaar uit te voeren, door een halfjaarlijkse vermindering met 2,5 procentpunt in 40 stapjes. Bij eenverdieners is er sinds 2009 voor gekozen om het sneller te doen, namelijk in vijftien jaarlijkse stappen van 6 2/3 procentpunt. Kan de staatssecretaris uitleggen waarom is gekozen voor zo'n voorzichtig uitgroeipad? Waarom is het niet evenredig aan het uitgroeipad voor eenverdieners? Wordt in de jaren rond 2020 – ik verwijs naar de grafiek die wij daarover hebben gekregen – het verschil tussen werken voor het wettelijk minimumloon en een uitkering niet erg miniem? In die periode is het daardoor eigenlijk niet zo attractief om vanuit een uitkering te gaan werken. Is de staatssecretaris van plan om op dit punt nog nadere maatregelen te nemen? Ik krijg daarop graag een reactie.

Dit wetsvoorstel regelt ook dat de MKOB, een financiële tegemoetkoming ter compensatie van het wegvallen van fiscale voordelen voor binnenlands belastingplichtige ouderen, vanaf 2012 meetelt in de middelentoets van de bijstandsvoorziening voor ouderen. De VVD steunt dit, aangezien de Aio een laatste sociaal vangnet dient te zijn ter aanvulling op het sociaal minimum. Daarover hebben wij dan ook geen nadere vragen.

Tot slot. Het Centraal Planbureau heeft berekend dat door dit wetsvoorstel het bijstandvolume met 15.000 huishoudens zal dalen. Daar mag iedereen blij mee zijn. Elk huishouden dat de bijstand ontworstelt, telt. Werk is de beste remedie om armoede te ontstijgen. Werken maakt mensen gelukkiger. Dat heeft het SCP nog in een rapport van maart 2010 aangegeven. Wie gunt dat een ander niet?

De heer De Jong (PVV):

Voorzitter. Vandaag bespreken we het wetsvoorstel dat de geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon regelt. Dit moet ervoor zorgen dat gaan werken vanuit een uitkeringssituatie loont. Hierover is vandaag al veel gezegd.

Zoals we al eerder in debatten naar voren hebben gebracht, is de PVV geen antibijstandpartij. Wij staan voor dit laatste vangnet. Wel zijn wij van mening dat juist ter bescherming van dit laatste vangnet maatregelen genomen moeten worden. Het kan toch niet zo zijn dat de nettobijstand voor een stelt dat niet werkt, straks hoger is dan de netto-inkomsten van een hardwerkende kostwinner die het minimumloon verdient?

Dat is precies wat er in 2018 gaat gebeuren als wij nu niet ingrijpen. Dat is een zeer onwenselijke situatie. Deze onwenselijke situatie is een gevolg van de maatregel van het vorige kabinet met betrekking tot de zogenaamde "aanrechtsubsidie" waardoor voor werkende kostwinners de algemene heffingskorting van de niet-werkende partner wordt afgebouwd. Dit belastingvoordeel kon tot voor kort helemaal worden overgedragen aan de partner. Deze mogelijkheid wordt voor werkenden vanaf 2009 in vijftien jaar afgebouwd. Na de afbouw krijgen kostwinners nog één keer de heffingskorting.

Dat heeft gevolgen voor de relatie met uitkeringen. Die zijn namelijk gebaseerd op het referentieminimumloon. Daar wordt nog wel met tweemaal de heffingskorting gerekend. Zouden wij niets doen dan wordt, zoals ik zojuist al heb aangegeven, het verschil in inkomen tussen een stel met een uitkering en een werkende steeds kleiner. Dan neemt dus de armoedeval de komende jaren toe. Vanaf 2018 zou de netto bijstand voor een stel dat niet werkt hoger zijn dan het netto inkomen van een werkende kostwinner die het minimumloon verdient. Dat kunnen wij niet laten gebeuren. De PVV is namelijk, zoals ik in vorige debatten al heb gezegd, van mening dat werk moet lonen en dat werk boven een uitkering moet gaan. Om mensen te stimuleren om vanuit een uitkeringssituatie aan het werk te gaan, is het van groot belang dat de netto inkomsten uit werk hoger blijven dan een netto uitkering. Dat is ook een afspraak uit het regeer- en gedoogakkoord. Het is hierbij goed om te vermelden dat deze maatregel niet geldt voor de volledige AOW.

De PVV ziet graag dat zo veel mogelijk mensen naar vermogen van een uitkering naar werk bewegen. Het is goed dat dit kabinet mensen de kans wil bieden om op de reguliere arbeidsmarkt aan de slag te gaan. Dit is in het belang van de mensen zelf, want zelfredzaamheid is de snelste weg naar een financieel betere en zelfstandige situatie.

De heer Spekman (PvdA):

Ik denk dat de heer De Jong de waarheid al heeft gesproken. Natuurlijk is er een verschil tussen een paar in de bijstand en een alleenstaande. De heer De Jong spreekt echter alleen over een paar in de bijstand. Erkent de heer De Jong dat er voor alleenstaande ouders en alleenstaanden nu totaal geen sprake is van een armoedeval en dat dit in de toekomst ook niet het geval zal zijn?

De heer De Jong (PVV):

Zoals al eerder is gezegd, is dit een probleem dat bij de wortel moet worden aangepakt. Het probleem is dat het in de toekomst wat betreft inkomsten voordeliger is om niet te gaan werken dan om wel te gaan werken. Dat punt willen wij met dit wetsvoorstel aanpakken. Dat moeten wij ook doen. Als wij het niet gaan doen, hebben wij immers zo meteen een probleem op de arbeidsmarkt. Wij willen meer mensen naar de arbeidsmarkt bewegen. Daar horen ook – dat geef ik toe, zoals ik de afgelopen maanden in debatten al heb gedaan – pijnlijke maatregelen bij. Die pijnlijke maatregelen kunnen wat ons betreft niet worden genomen zonder dat daar iets tegenover wordt gesteld. Wat doet dit kabinet? Het kabinet heeft 900 mln. vrij gespeeld om iets aan de koopkracht te doen. Er is goed gekeken naar het beeld van de afgelopen jaren rond de koopkracht. Er is geprobeerd om het op zo veel mogelijk punten zo veel mogelijk te verdelen. Daarnaast – dat is ook nodig in onze beleving – is de bezuiniging die er stond op de aanvullende bijstand, die voor 50 mln. in het regeer- en gedoogakkoord stond, teruggedraaid. Daar is 90 mln. voor beschikbaar gekomen. Die 40 mln. gaat eraf en die 50 mln. moest erbij, dus er blijft 90 mln. over. Dat zijn zaken waar mensen een beroep op kunnen doen als het niet goed gaat. Daar is de PVV in elk geval blij mee. Ik ontken echter niet dat er ook pijnlijke maatregelen zijn en dat iedereen die zal gaan voelen.

De heer Spekman (PvdA):

Volgens mij komt er maar 50 mln. bij voor de bijzondere bijstand, maar dat komt volgende week wel ter sprake in het debat over de Wet werk en bijstand. Ik vroeg echter om het feit te erkennen dat er nu en in de toekomst voor alleenstaande ouders en alleenstaanden gewoon geen sprake is van een armoedeval. Daar hoor ik graag een reactie op.

De heer De Jong (PVV):

Zoals ik zojuist al heb aangegeven, is de hoofdreden dat wij dit moeten doen dat wij willen voorkomen dat vanaf 2018 mensen meer inkomsten hebben als zij in de bijstand zitten dan als zij voor het minimumloon werken. Dat is een principieel punt. Zeker gezien wat er in de afgelopen kabinetsperiodes is gebeurd op sociaal vlak, moeten pijnlijke maatregelen worden genomen als wij de sociale voorzieningen houdbaar willen houden.

Ik heb zo-even al aangegeven wat wij doen in het geval dat een persoon, al dan niet met kinderen, tijdelijk – vaak is het namelijk tijdelijk – een extra aanspraak moet doen op de overheid.

De heer Spekman (PvdA):

Het is een prachtig, hartstochtelijk, warm verhaal, alleen het klopt van geen kant. Dat spijt me. Voor alleenstaanden en alleenstaande ouders is er nu geen sprake van de armoedeval, want het verschil tussen enerzijds de bijstand, nu en in de toekomst, en anderzijds het minimumloon blijft een gapend gat. Het geldt wel voor paren, dat erken ik zeer. Het gat dat door het kabinet met de bijzondere bijstand wordt opgevuld, betekent alleen dat je € 1 terugkrijgt waar je eerst € 10 terugzakt. Al deze mensen zakken door de bodem van een fatsoenlijk bestaansniveau. Dat komt door het besluit dat wij vandaag dreigen te nemen, en ik betreur dat.

De heer De Jong (PVV):

Dat bestrijd ik, en ik wil hierop graag reageren, ondanks het feit dat ik zie dat mijn spreektijd al om is. Dat kan toch niet het geval zijn?

Ook als je bijvoorbeeld een alleenstaande moeder met kinderen bent, vindt het kabinet juist dat je de kans moet krijgen om op de reguliere arbeidsmarkt aan de slag te gaan. Dat betekent ook dat je gedurende een bepaalde periode meer zou moeten kunnen verdienen. Wij hebben nu dus afgesproken dat je in de drie jaar nadat je in zo'n situatie bent gekomen, meer mag bijverdienen. Met deze maatregelen wordt ervoor gezorgd dat mensen er financieel beter voor komen te staan dan eerder het geval was. Daar staat dit kabinet voor. Gelukkig is dat zo, want er moet natuurlijk wel goed worden bekeken welke maatregelen worden genomen.

Mevrouw Karabulut (SP):

Uw partijgenoot, mijnheer Brinkman, zei in 2010 nog …

De voorzitter:

Wiens partijgenoot?

De heer De Jong (PVV):

Die van u, mijnheer de voorzitter.

De voorzitter:

Ja, graag via de voorzitter praten, mevrouw Karabulut.

Mevrouw Karabulut (SP):

De partijgenoot van de heer de Jong, voorzitter, de heer Brinkman, voorzitter, heeft in 2010 gezegd, voorzitter …

De voorzitter:

Het is even oefenen, maar het lukt wel.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ja, voorzitter, het komt helemaal goed, voorzitter. Alle gekheid op een stokje, ik zal mijn best doen, voorzitter.

De heer Brinkman heeft in 2010 gezegd dat de uitkeringen niet verlaagd zouden worden. Nu is echter sprake van een heel pijnlijke maatregel, een bezuiniging van 1 mld., en de uitkeringen worden wel verlaagd. Waarom deze keuze, € 2000 minder op het sociaal minimum?

De heer De Jong (PVV):

Dat doen wij niet. Wij zorgen ervoor dat het straks aantrekkelijk blijft om vanuit een uitkeringssituatie aan de slag te gaan, te gaan werken, en dat het niet zo is, zoals andere partijen het misschien zouden willen, dat je meer verdient als je in een uitkering zit dan als je gaat werken. Die scheefgroei gaan wij tegen. Tegelijkertijd blijft een goed sociaal vangnet bestaan. Dat is nogal wiedes, en de PVV staat daar volledig achter. Voor het geval mensen een extra beroep op de overheid moeten doen, heeft dit kabinet een extra vangnet gereserveerd, waarmee ervoor wordt gezorgd dat zij waar nodig worden geholpen. Daarbij heb ik het, als eerder gezegd, bijvoorbeeld over de extra bijstand, de 90 mln., oftewel 50 mln. plus de 40 mln. Dat is het verhaal.

De voorzitter:

Tot slot op dit punt, mevrouw Karabulut.

Mevrouw Karabulut (SP):

Tot slot moet ik constateren dat deze belofte helaas niet is waargemaakt door de PVV. De uitkeringen worden namelijk wel verlaagd, en wel met € 2000, in totaal 10% à 15%. Het gaat om een bezuiniging van 1 mld. Waarom heeft de PVV er niet voor gekozen om de rijken meer te belasten? De rijken zijn de afgelopen jaren namelijk alleen rijker geworden, en de armen zijn alleen armer geworden. Waarom niet die eerlijke keuze gemaakt? Lag dat bijvoorbeeld aan partijen als het CDA en de VVD? Hebt u dit er gewoon niet doorheen gekregen?

De heer De Jong (PVV):

Laat ik vooropstellen dat de PVV als gedoogpartner niet aan de kant staat zoals de kampioen aan-de-kant-staan van deze Kamer, de SP. De SP blijft praten over hoe het allemaal anders zou moeten, maar neemt op geen enkele wijze verantwoordelijkheid. Wij hebben dat wel gedaan. Wat moet je doen als je verantwoordelijkheid neemt? Dan moet je akkoord gaan met pijnlijke maatregelen. Dat kun je echter niet onverantwoordelijk doen. De PVV heeft dus gezegd dat wij ervoor moeten blijven zorgen dat er een goed sociaal vangnet beschikbaar is. Dat doen wij in het belang van de mensen. Daarnaast is een belangrijk punt het principe dat werken moet lonen en dat je werk boven een uitkering stelt. Dat is niets nieuws. Het is ook niet zo dat wij hiermee iets anders vertellen dan wat de heer Brinkman toen heeft verteld.

Wat wij feitelijk doen, is tegenhouden wat er in 2018 fout zou gaan. De SP weet dat heel goed, want ik neem aan dat de stukken zijn gelezen. Tegelijkertijd hebben wij ervoor gezorgd dat dit kabinet er een goed re-integratieverhaal tegenover heeft gezet. Op het moment dat mensen niet op eigen kracht aan de slag kunnen bij een reguliere werkgever, worden zij met re-integratietools naar het reguliere arbeidsproces begeleid.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog. U heeft nog een minuut of twee spreektijd.

De heer De Jong (PVV):

Om deze ambitie succesvol te kunnen laten zijn, hebben wij iedereen nodig. Ook van werkgevers mag worden verwacht dat zij zich welwillend opstellen tegenover het aan de slag helpen van mensen. Het is dan ook goed dat er een gerichter en selectiever re-integratietraject beschikbaar blijft voor hen die een steuntje in de rug nodig hebben. De beschikbare re-integratietools kunnen een belangrijk rol spelen. Hoe staat het met de informatievoorziening richting werkgevers over de re-integratiemogelijkheden? Hoe staat het met de bekendheid van de verschillende re-integratietools? Juist door mensen de kans te geven om aan de slag te gaan op de arbeidsmarkt, zorgen wij beter voor hen.

Ik rond af. De PVV wil benadrukken dat wij juist ter bescherming van de sociale zekerheid de genoemde maatregelen van dit kabinet in onze positie als gedoogpartner steunen, ook met betrekking tot de verantwoordelijke opdracht van de noodzakelijke 18 mld. aan bezuinigingen. Ik heb al eerder gezegd dat wij de kinderen van ons land niet kunnen opzadelen met een groeiende staatsschuld. Daarbij geldt natuurlijk wel dat een goed sociaal vangnet beschikbaar blijft voor degenen die echt niet meekunnen. Daar blijft de PVV voor staan.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Hiermee zijn wij gekomen aan het eind van de inbreng van de Kamer in eerste termijn. De leden hebben het schema gezien. Er is nu geen ruimte voor de beantwoording van de staatssecretaris. Ik stel voor om dat vanavond om 22.00 uur te doen. Ik zie weinig enthousiaste reacties op mijn voorstel. Dat is jammer, want wij hebben echt ons best gedaan om een mooie oplossing te vinden. Ik breng twee punten onder de aandacht. Ik heb begrepen dat de behandeling van dit wetsvoorstel prioritair is. Het is dus belangrijk om het af te handelen. Bij de planning hebben slechts enkele sprekers zich hiervoor ingeschreven; vandaar dat beperkt tijd voor de behandeling van dit wetsvoorstel is uitgetrokken. Gezien de afwijzende reacties, zullen we een andere oplossing verzinnen voor de voortzetting dan vanavond om 22.00 uur.

De heer De Jong (PVV):

Ik heb nog helemaal geen honger. Wat mij betreft, kunnen wij nu doorgaan. Mocht dat om welke reden dan ook niet lukken, dan houden wij voortzetting vanavond om 22.00 uur niet tegen. Ik ben erg benieuwd naar de beantwoording van de staatssecretaris. Daar wil ik echt niet tot morgen op wachten.

De heer Azmani (VVD):

Ik sluit mij hier volledig bij aan. Wat mij betreft, gaan we gewoon door. Er moet werk worden verzet in de Kamer. Als dat nu niet kan, gaan wij maar om 22.00 uur door.

De heer Van Hijum (CDA):

Ik heb een grote voorkeur voor het nu voortzetten van het debat. Het brengt mij in grote problemen als wij dit vanavond laat moeten afronden.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Wat mij betreft, ronden wij het debat vandaag af. De tijd maakt mij niet zo veel uit.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Graag nu afronden, want voor mij geldt hetzelfde als voor de heer Van Hijum. Ik kom in de problemen als wij vanavond laat verdergaan.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik begrijp dat het schema niet toestaat dat wij nu doorgaan. Vanavond om 22.00 uur wordt voor mij heel erg lastig. Wat mij betreft, stellen wij de afronding van dit wetsvoorstel zo lang mogelijk uit.

De heer Spekman (PvdA):

Op de laatste opmerking na sluit ik mij aan bij de woorden van mevrouw Karabulut en de heer Van Hijum. Het is voor mij onmogelijk om vanavond om 22.00 uur verder te gaan.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Ik wil het graag nu afronden, want vanavond heb ik een ander debat.

De voorzitter:

Wij kunnen niet nu doorgaan. Wij hebben een planning gemaakt waar ook uw collega's rekening mee hebben gehouden. Vanaf 18.30 uur staat er een aantal andere debatten op de agenda. Ik heb de leden gehoord en wij zullen een geschikt moment vinden om de behandeling van het wetsvoorstel af te ronden. Dat zal snel gebeuren, maar mijn voorstel is om dit niet vanavond om 22.00 uur te doen, want daar zie ik, gehoord de leden, weinig heil in.

De vergadering wordt van 18.35 uur tot 18.40 uur geschorst.

Naar boven