7 Raad Buitenlandse Zaken

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 17 maart 2011 over de Raad Buitenlandse Zaken.

Devoorzitter:

Een woord van welkom aan de minister van Buitenlandse Zaken.

De heerVoordewind (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik dank de minister voor het constructieve debat dat wij vanmorgen hebben gehad. Er lagen wat mijn fractie betreft nog twee punten waarop de minister misschien een iets scherper beleid zou kunnen voeren. Daarom wil ik hem twee moties meegeven voor de Europese Raad voor Buitenlandse Zaken. De eerste gaat over de landen waaraan wij overwegen weer hulp te geven. Dat zijn wel landen die de doodstraf kennen op afvalligheid en op overspel. Daarom kom ik tot de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de EU voorstelt, bij de Sahelstrategie zich onder andere te richten op Mauritanië, welke nog altijd de doodstraf hanteert voor afvalligheid;

overwegende dat ook Jemen en Saudi-Arabië de doodstraf hanteren voor afvalligheid en overspel en dat de doodstraf ook wordt toegepast op kinderen;

van mening dat zowel de EU als Nederland geen overheidssteun zou moeten verlenen aan landen die de rechten van religieuze minderheden niet respecteren;

verzoekt de regering, geen overheidssteun meer te verlenen aan landen waarin de rechten van religieuze en seksuele minderheden niet verankerd zijn in de wetgeving en hier eveneens in EU-verband steun voor te verwerven,

en gaat over tot de orde van de dag.

Devoorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind, Kortenoeven, Van der Staaij, Dikkers en Nicolaï.

Zij krijgt nr. 1034 (21501-02).

De heerVoordewind (ChristenUnie):

Mijn tweede en laatste motie gaat over de uitspraken en de handelingen van president Abbas van de Palestijnse Autoriteit. De minister heeft onlangs de president uitgenodigd om een tegenbezoek aan Nederland te brengen. Wij maken ons daar grote zorgen over; vandaar de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Palestijnse Autoriteit, onder leiding van president Abbas, zelfmoordterroristen legitimeert en aanmoedigt;

overwegende dat de Palestijnse Autoriteit pleinen, straten en evenementen vernoemt naar zelfmoordterroristen;

van mening dat dit de kans op duurzame vrede aanzienlijk verkleint;

overwegende dat de Palestijnse Autoriteit aanzienlijke financiële steun ontvangt vanuit Nederland en de Europese Unie;

overwegende dat president Abbas onlangs door het Nederlandse kabinet is uitgenodigd voor een staatsbezoek;

verzoekt de regering, de uitnodiging aan president Abbas op te schorten totdat blijkt dat de Palestijnse Autoriteit niet langer zelfmoordterroristen legitimeert en aanmoedigt,

en gaat over tot de orde van de dag.

Devoorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind, Kortenoeven en Van der Staaij. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 1035 (21501-02).

De heerKortenoeven (PVV):

Voorzitter. De gruwelijke gebeurtenissen van afgelopen vrijdag in het joodse dorpje Itamar in Samaria hebben de PVV-fractie diep geschokt. Wat ons ook geschokt heeft, is dat het de minister van Buitenlandse Zaken enkele dagen kostte om een veroordeling van deze gruweldaad uit te spreken. Wat ons ook geschokt heeft, is dat de Europese Unie tot nu toe geen expliciete veroordeling vanuit Brussel van zich heeft laten horen. Vandaar deze motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Europese Unie de moordpartij van 11 maart jongstleden op een Joods gezin in het Israëlische dorp Itamar niet heeft veroordeeld;

verzoekt de regering, in Europees verband ervoor te pleiten dat er alsnog een Europese veroordeling komt van deze terroristische daad,

en gaat over tot de orde van de dag.

Devoorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kortenoeven, Voordewind en Van der Staaij. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 1036 (21501-02).

MevrouwHachchi (D66):

Voorzitter. We hebben genoeg gesproken over Libië, het is tijd voor internationale actie. Daarom dien ik namens mijn fractie de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Libische regime zijn eigen bevolking blijft bombarderen;

constaterende dat de Arabische Liga en de Organisatie van Islamitische Landen oproepen tot een no-flyzone boven Libië;

constaterende dat de VN, de NAVO en de EU momenteel geen eenduidig standpunt hebben over deze no-flyzone;

overwegende dat het instellen van een no-flyzone levensreddend kan zijn;

overwegende dat een adequaat volkenrechtelijk mandaat noodzakelijk is;

verzoekt de regering, op internationale fora de wenselijkheid van een no-flyzone voortdurend en krachtiger te benadrukken en een eenduidig standpunt van de VN, de NAVO en de Europese Unie te bevorderen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Devoorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Hachchi en El Fassed. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 1037 (21501-02).

MevrouwDikkers (PvdA):

Voorzitter. De volgende motie ben ik aan mijn oma verplicht. Dat heb ik plechtig beloofd toen ik dit ambt aanvaardde.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in Libië met verschillende groeperingen gesproken wordt en gesproken moet worden;

constaterende dat gezien de machtsverhoudingen deze groeperingen voornamelijk uit mannen bestaan;

overwegende dat vanwege het feit dat vrouwen simpelweg de helft van de wereldbevolking uitmaken, zij alleen al daarom betrokken moeten worden bij de gesprekken over de toekomst van hun land;

constaterende dat de VN ruim tien jaar geleden resolutie 1325 heeft aangenomen waarbij de VN-Veiligheidsraad zich onder meer uitspreekt voor de versterking van de rol van vrouwen in het voorkomen van conflicten en voor het betrekken van vrouwen als volwaardige deelnemers aan vredesbesprekingen en vredesmissies;

verzoekt de regering, tijdens de eerstvolgende Raad Buitenlandse Zaken resolutie 1325 te agenderen en te komen tot een Europees actieplan om vrouwen en vrouwenorganisaties in Libië te betrekken bij de gesprekken over de toekomst van Libië, en de Kamer hierover per brief te informeren voor de volgende Raad Buitenlandse Zaken,

en gaat over tot de orde van de dag.

Devoorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dikkers en Hachchi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 1038 (21501-02).

De heerVan der Staaij (SGP):

Voorzitter. Ik wil een motie indienen naar aanleiding van het debat van vanmorgen, waar vrij weinig tijd was om nog uitgebreid over thema's door te spreken. Zekerheidshalve wil ik een heldere stellingname verwoorden in de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Palestijnse Autoriteit veel subsidiegeld van Nederland en de Europese Unie ontvangt;

overwegende dat in de Palestijnse gebieden een klimaat wordt gevoed waarin terroristische daden worden aangemoedigd in plaats van tegengegaan, onder meer in het onderwijs en door het vernoemen van openbare voorzieningen naar terroristen;

verzoekt de regering, zowel in Nederland als in Europees verband er werk van te maken dat subsidie aan de Palestijnse Autoriteit niet wordt gegeven indien geen concrete en effectieve maatregelen worden genomen om verheerlijken en vergoelijken van terrorisme tegen te gaan,

en gaat over tot de orde van de dag.

Devoorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Staaij en Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 1039 (21501-02).

De heerOrmel (CDA):

Voorzitter. Wij hebben vanmorgen uitgebreid gesproken met de minister. Ik dank hem voor zijn beantwoording. Er bleef vanmorgen nog een punt liggen over de Sahelstrategie, de doodstraf en de EU-steun. Collega Voordewind heeft daarover een motie ingediend die wat de CDA-fractie betreft wat ver gaat. Daarom dienen wij de volgende motie in. Wij vinden namelijk wel dat rekening moet worden gehouden met wat daar gebeurt, in verhouding tot het geld dat de EU gaat geven aan die regio.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de EU zich in haar Sahelstrategie richt op de verbetering van de veiligheidssituatie in de regio via een geïntegreerde benadering;

constaterende dat in landen waarop deze strategie zich richt de doodstraf wordt gehanteerd voor afvalligheid;

verzoekt de regering, in EU-verband te pleiten voor de opname van versterking van de positie van religieuze en seksuele minderheden en de afschaffing van de doodstraf binnen de genoemde Sahelstrategie,

en gaat over tot de orde van de dag.

Devoorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ormel, Van der Staaij, Nicolaï en Dikkers. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 1040 (21501-02).

MinisterRosenthal:

Voorzitter. De problematiek die de heer Voordewind noemt in zijn eerste motie is ook de mijne. De mededeling dat zowel de EU als Nederland geen overheidssteun meer zou moeten verlenen, gaat de regering echter net een slag te ver. De conditionaliteit wordt volledig tot gelding gebracht. Met betrekking tot de problematiek die genoemd is, gaat het erom betrokken landen waar mogelijk volop onder druk te zetten. Om reden dat de motie naar de mening van de regering echt te ver gaat, zou ik deze willen ontraden.

De heerVoordewind (ChristenUnie):

Misschien nog even een korte toelichting. De motie is opgesteld in de context van de Arabische landen. In tweede instantie noem ik in de overwegingen ook een aantal landen waar ik mij met name op richt. In die landen staat de doodstraf op afvalligheid, homoseksualiteit en overspel. Dus de bedoeling van de motie is om de minister aan te zetten vooral deze landen aan te kaarten binnen de EU om die steun te onthouden.

MinisterRosenthal:

Dat aankaarten van die materie doen wij al en zullen wij ook met kracht blijven doen. In de motie wordt echter verzocht aan de regering om geen overheidssteun te verlenen en dat gaat net een slagje te ver. Bij de allerlaatste motie die zo-even is ingediend, kom ik daar nog op terug. En dan denk ik dat ik een heel eind verder zal komen.

Dan kom ik op de tweede motie van de heer Voordewind en die heeft betrekking op de Palestijnse Autoriteit. Ik spreek natuurlijk de Palestijnse Autoriteit ten volle aan op datgene wat zij doet met het vernoemen van pleinen, straten en evenementen naar zelfmoordterroristen. Ik spreek de Palestijnse Autoriteit met kracht aan op verwerpelijke uitlatingen die ophitsing en haatzaaien met zich brengen. Ik denk dat het daarbij moet blijven, in de zin dat we de Palestijnse Autoriteit er vol op moeten aanspreken. Om die reden ontraad ik deze motie.

Dan kom ik op de motie van de heer Kortenoeven. Natuurlijk deelt de Nederlandse regering de afschuw over de moordpartij in Itamar. Dat is ook tot uitdrukking gebracht. Ik voeg er aan toe dat bij mijn weten de Hoge Vertegenwoordiger mevrouw Ashton eveneens die afschuw en een veroordeling heeft uitgesproken. Op dat punt is er mijns inziens geen behoefte aan deze motie.

De heerKortenoeven (PVV):

We hebben het gecheckt. Er is geen expliciete veroordeling door de EU geweest. Ik vraag de minister om die veroordeling, als die er wel is, alsnog aan ons te overleggen, hopelijk vandaag nog. In ieder geval is duidelijk dat er onmiddellijk veroordelingen komen als voor één Jood één huis wordt gebouwd in Jodenland. In dit geval heeft de minister van Buitenlandse Zaken in ieder geval enkele dagen rust genomen voordat hij een veroordeling uitsprak. En van de veroordeling door de EU is mij tot op heden niets gebleken.

MinisterRosenthal:

Ik neem hier nota van. Ik meen een mededeling van mevrouw Ashton langs te hebben zien komen waarin zij die afschuw en die veroordeling wel heeft uitgesproken.

Ik kom bij de motie van mevrouw Hachchi over Libië en de no-flyzone. Ik vind het jammer dat in de motie sprake is van de noodzaak om krachtiger te benadrukken dat die no-flyzone er moet komen. Ik meen dat de regering dit steeds en voortdurend heeft gedaan. Desondanks wil ik op dat punt met de hand over mijn hart strijken en daar geen vuiltje in zien. Wat dat betreft, wil ik het oordeel over die motie graag aan de Kamer overlaten.

De motie van mevrouw Dikkers betreft resolutie 1325 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over de betrokkenheid van vrouwen bij de besprekingen in Libië. Ik mag hopen dat wij inderdaad zo snel mogelijk terechtkomen in de fase die in de motie van mevrouw Dikkers wordt besproken. Op dat moment zal het ongetwijfeld noodzakelijk zijn om vrouwen volop daarbij te betrekken. Ik zou bijna zeggen: ik zie die motie als een ondersteuning van het beleid. Ik laat het oordeel over de motie in elk geval met graagte aan de Kamer over.

Dan de motie van de heer Van der Staaij over de Palestijnse Autoriteit. Ik herhaal wat ik heb opgemerkt naar aanleiding van een motie van de heer Voordewind. Ik denk dat het van belang is om in contact te zijn met de Palestijnse Autoriteit, ook om een aantal projecten die wij daar doen en die echt goed werk doen, niet te ontkrachten. Om die reden moet ik de motie, alles overziend, ontraden, hoezeer ik ook met de heer Van der Staaij meega op het punt van het aanspreken van de Palestijnse Autoriteit over verderfelijke opmerkingen over het verheerlijken en vergoelijken van zelfmoorden et cetera.

De heerVan der Staaij (SGP):

Ik begrijp nog niet goed wat het bezwaar van de minister tegen de formulering zou kunnen zijn. Ik heb de motie immers juist zo geformuleerd dat er niet zomaar sprake is van een blind stoppen. Er is juist een koppeling: als er subsidie gaat worden verstrekt, heb je een handvat en een houvast om te zeggen dat wij dan ook maatregelen willen zien die ernst maken van het tegengaan van het verheerlijken van zelfmoordterroristen.

MinisterRosenthal:

In het laatste verzoek, namelijk om geen subsidie aan de Palestijnse Autoriteit te geven indien geen concrete en effectieve maatregelen worden genomen om het verheerlijken en vergoelijken van terrorisme tegen te gaan, zit wel een heel strakke een-op-eenkoppeling. Dan moet ik inderdaad concrete maatregelen gaan proeven en op basis daarvan moet ik dan bekijken of ik verder wil gaan met die subsidies. Als ik het ruimer mag interpreteren als een onderdeel van de conditionaliteit waarover wij ook in de richting van de Palestijnse Autoriteit spreken, zou ik de motie wel voor mijn kap willen nemen.

De heerVan der Staaij (SGP):

Voorzitter. De strekking is: als je subsidiegeld verstrekt, moet daartegenover staan dat ook ernst wordt gemaakt van de aanpak van het verheerlijken en vergoelijken van terrorisme. Dat kan niet vrijblijvend zijn, in de zin van "we hebben het er een keer over gehad". Die koppeling zit er dus wel in, maar op de manier waarop ik het formuleerde.

MinisterRosenthal:

Alles overwegende, denk ik dat ik het oordeel over deze motie aan de Kamer overlaat.

De heerNicolaï (VVD):

Ik zat nog even te twijfelen of ik een vraag had aan de heer Van der Staaij, maar zo werkt dat hier niet. Ik begrijp dat de minister de motie nu zo opvat: de bewijslast om aan te tonen wat ze er allemaal tegen doen, komt niet geheel en alleen aan die kant van de streep; er ligt ook een bewijslast aan deze kant van de streep om aan te geven waarom er een probleem zou zijn, waarop dan ook weer een goed antwoord zou moeten komen. Ik weet niet of u mij begrijpt, maar sowieso moet de motie van de heer Van der Staaij op die manier worden geduid, want dan kan de VVD-fractie er ook voor zijn.

MinisterRosenthal:

Ja, in dit geval is het dus een two-way street.

Ik kom ten slotte bij de motie van het lid Ormel, waarin de regering wordt verzocht om in Europees verband te pleiten voor de opname binnen de genoemde Sahelstrategie van de versterking van de positie van religieuze en seksuele minderheden en de afschaffing van de doodstraf. Wat ruimer en ook wat meer toegespitst, betreft dit al datgene waaraan ook in de motie-Voordewind wordt gerefereerd. Ik wil graag deze benadering voor mijn rekening nemen. Ik laat het oordeel over deze motie dan ook met graagte aan de Kamer over.

De heerNicolaï (VVD):

Voorzitter. Ik loop hier al even mee, maar weet niet of dit gebruikelijk is. Ik heb deze motie medeondertekend en ook de vergelijkbare van de heer Voordewind. Ik kondig hierbij aan dat ik, na dit antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken, mijn handtekening onder de eerste motie van de heer Voordewind terugtrek.

Devoorzitter:

Daarvoor moet officieel wel een nieuwe motie worden ingediend.

De motie-Voordewind c.s. (21501-02, nr. 1034) is in die zin gewijzigd dat zij thans is ondertekend door de leden Voordewind, Kortenoeven, Van der Staaij en Dikkers. Naar mij blijkt, wordt de indiening van deze gewijzigde motie voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 1041 (21501-02).

De beraadslaging wordt gesloten.

Devoorzitter:

Ik dank de minister van Buitenlandse Zaken voor zijn aanwezigheid. Vanmiddag om 15.00 uur gaan wij stemmen over deze moties.

De vergadering wordt van 14.05 uur tot 15.00 uur geschorst.

Voorzitter: Verbeet

Devoorzitter:

Anders dan op de stemmingslijst staat, stemmen we eerst over de motie ingediend bij het spoeddebat integriteitsschendingen DMO.

Naar boven