Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-2009nr. 60, pagina 4851-4857

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

het wetsvoorstel Implementatie van Europese regelgeving betreffende het verkeer van diensten op de interne markt (Dienstenwet) (31579)

, en over:

- de motie-Jan Jacob van Dijk c.s. over het naleven van de bepalingen uit de Dienstenrichtlijn door decentrale overheden (31579, nr. 9);

- de motie-Elias over taalgebruik in de informatievoorziening dat voldoet aan het Schrijfwijzermodel (31579, nr. 10);

- de motie-Elias over toepassing van de lex silencio op meer vergunningstrajecten (31579, nr. 11);

- de motie-Van der Ham/Jan Jacob van Dijk over een constructieve opstelling ten aanzien van aanpassingen en uitbreidingen van de Dienstenrichtlijn (31579, nr. 12);

- de motie-Van der Ham/Elias over evaluatie van de werking van het virtuele "één loket" (31579, nr. 13).

(Zie vergadering van 11 februari 2009.)

De algemene beraadslaging wordt heropend.

De voorzitter:

Ik wijs erop dat er een heropening van de implementatie van de Europese regelgeving betreffende het verkeer van diensten op de interne markt aan de orde is. Ik verzoek de leden om te proberen hun bijdrage buitengewoon beknopt te houden. Zoals u weet, moet ik mij eigenlijk ook aan de tijden voor de schorsing houden. Daar ga ik nu wel een beetje overheen.

Het woord is aan de heer Elias.

De heer Elias (VVD):

Mevrouw de voorzitter. Ik heb tijdens de Regeling van werkzaamheden op 17 februari verzocht om een heropening van de beraadslaging. De aanleiding daarvoor was een belangrijk advies dat half februari is verschenen van het Adviescollege toetsing administratieve lasten. Dat is de regeltjeswaakhond in Nederland die sinds kort onder het energieke voorzitterschap staat van oud-secretaris Van Eijck. Het was formeel een advies over het amendement van, toen nog alleen, mevrouw Vos, maar het was eigenlijk een veel breder advies over het toepassen van het beginsel "als de overheid niet op tijd reageert op een vergunningsaanvraag, krijgt de aanvrager die automatisch". Dat is het principe van de lex silencio, waarmee onder meer in Spanje zo'n succes is geboekt.

Zoals ik vorige keer al heb betoogd, is de VVD om verschillende redenen een warm voorstander van dat principe. De belangrijkste twee zijn: het helpt bij het afschaffen van onzinnige vergunningenstelsels en het dwingt tot het tijdig beslissen door de overheid. Waarom zou de burger een boete krijgen als hij een dag te laat betaalt, terwijl de overheid straffeloos te laat mag beslissen?

Kruisridder Van Eijck en zijn college zeggen nu: houd nu die 564 vergunningen die volgens het kabinet niet onder de lex silencio passen omdat het juridisch of technisch niet kan, nog eens heel goed tegen het licht en kijk of het wel zou kunnen. Dat is precies waar mijn ingediende motie over ging. Het kabinet zegt echter in zijn reactie van 26 februari: dat willen wij best doen, maar eigenlijk gaat het Actal-advies over de lex silencio in zijn algemeenheid. Wij willen niet dat de Dienstenwet door zo'n discussie vertraging oploopt.

Dat laatste is op zichzelf niet onredelijk. Wat wij voorstellen, daarover straks meer, loopt de voortgang van de behandeling van de Dienstenwet dan ook niet in de weg.

Het derde punt van belang bij dit alles vormt het wijzigingsvoorstel van de Partij van de Arbeid en het CDA om binnen de Dienstenwet te zeggen dat iets "ja, tenzij" onder de lex silencio valt in plaats van "nee, mits". Deze principieel andere invalshoek delen wij overigens, omdat het de richting van wat de VVD wil onderschrijft, hoewel het in de praktijk in eerste instantie niet zo heel veel zal uitmaken. Het is bij dit soort dingen echter goed om de intentie van waaruit de wetgever opereert, zuiver weer te geven. Vandaar dat wij het amendement steunen.

Dat levert dan een zogeheten voorhang-AMvB op. Dat is een algemene maatregel van bestuur die wij hier in de Kamer nog kunnen bespreken.

Dat alles overziende, wil de VVD graag het volgende zien te bereiken: geen vertraging bij de behandeling van de Dienstenwet en wel een doorlichting van de 564 vergunningen om te kijken of die alsnog wel degelijk onder de lex silencio zouden kunnen worden gebracht. Het kabinet heeft geschreven dat het dat ook wil. En wij willen een uiterste poging om dat laatste onderzoek vóór de voorhangprocedure in de Kamer af te hebben. Dan kunnen wij als Kamer ons werk goed doen en via die voorhang-AMvB toch bezien of er van die 564 vergunningen niet een aantal onder reikwijdte van de Dienstenrichtlijn valt. Het moet voor het kabinet mogelijk zijn om die eruit te lichten zonder dat vertraging optreedt en die met voorrang aan een heroverweging te onderwerpen.

Mijn fractie hoopt van harte dat het niet zo is dat het kabinet eenvoudig de politieke wil niet heeft om dit te regelen. 45 vergunningenstelsels hieronder willen laten vallen van de 1100 die de Beleidsonderzoek- en Adviesraad telt dan wel de 826 die het kabinet ziet, het zijn er echt te weinig. Het is allemaal veel te mager. De indruk dat de ministers niet willen – of moet ik minister zeggen, want het is onze indruk dat EZ wel wil – wordt nog eens gevoed door de kabinetsreactie van 26 februari. Daar staan een paar heel merkwaardige doelredeneringen in. De eerste is dat het Actal-advies heel breed is en dat wij het hier alleen over de Dienstenwet hebben. Dat is zeker het geval, maar die Dienstenwet is onderdeel van dat bredere geheel. Als de Actal-redenering voor het totaal geldt, geldt deze dus ook voor de Dienstenwet. Vervolgens zou de interpretatie van het Actal tot extra Nederlandse wetgeving leiden, bovenop de Europese. De bijnaam voor zoiets is nationale koppen, zo leer ik op mijn 78e Kamerdag. Die nationale koppen willen wij niet. Het is wel aardig om juist in dit verband te melden dat wij die nationale koppen vooral niet willen omdat, zoals letterlijk in de motie-Van der Burg staat, onnodige regeldruk moet worden voorkomen. Dit zou een nationale kop zijn met de magische kracht van de Baron von Münchhausen, maar dat even terzijde.

Inhoudelijk bepleit Actal op dit punt als hoofdcriterium bij de beoordeling of de lex silencio kan worden toegepast "een niet te verwaarlozen kans op grote onomkeerbare schade of nadeel van een belanghebbende". Volgens de regering gaat dit verder dan wat de Dienstenrichtlijn voorschrijft. Daarom zou het een nationale kop zijn, waarvan afgesproken is om dat niet te doen. Dit lijkt ons onjuist. De omschrijving in artikel 13, lid 4 van de Dienstenrichtlijn waarnaar ik verwijs, is helder en de toelichting ook. Ik citeer verkort: "Er kunnen andere regelingen worden vastgesteld wanneer deze om dwingende redenen van algemeen belang, met inbegrip van een rechtmatig belang van een derde partij, objectief gerechtvaardigd zijn." Dergelijke andere regelingen kunnen nationale voorschriften zijn. Afwijking van het principe van de lex silencio kan derhalve gerechtvaardigd zijn om dwingende redenen van algemeen belang, met inbegrip van een rechtmatig belang van een derde partij. Zoals bij elke wettelijke bepaling, is de interpretatie van een dergelijk criterium essentieel. In de toelichting op de Dienstenrichtlijn is aangegeven hoe breed het begrip "algemeen belang" is, maar niet wat "dwingende redenen" zijn. In de toelichting wordt ook gesproken van belangen die objectief gerechtvaardigd zijn, maar ook dit wordt niet verder toegelicht.

Kortom, er zit nogal wat interpretatievrijheid in de vraag wanneer de lex silencio moet worden toegepast. De regering heeft de uitsluitingsgronden ruim uitgelegd, maar Actal komt met een advies over de vraag hoe je die termen eigenlijk zou moeten interpreteren in de geest van de Dienstenrichtlijn. De VVD-fractie vindt dat een goede uitleg, waarmee de vertaling van de Europese Dienstenrichtlijn naar een Nederlandse wet alleen maar sterker kan worden. Het effect van het Actal-voorstel geldt ook in de breedte. Het principe van de lex silencio kan voor meer vergunningenstelsels gelden, zonder dat er een nationale kop op EU-wetgeving wordt gezet. Het betreft hier dus, nogmaals, een kwestie van interpretatie. Ook hier vindt mijn fractie de redenering van het kabinet dus gezocht en riekend naar politieke onwil om vergunningenstelsels te slopen. Ik krijg graag een reactie van de ministers op dit punt. Willen zij nu wel of niet?

De VVD-fractie wil graag af van onnodige bureaucratie en rare vergunningenstelsels, uiteraard met behoud van logische en redelijke stelsels in het belang van veiligheid, gezondheid et cetera. Ik zal niet herhalen wat ik daarover in eerdere termijnen heb gezegd. Mijn fractie doet in ieder geval een dringend beroep op het kabinet om alsnog een uiterste poging te wagen om onnodige vergunningen aan te pakken, ook de vergunningen die onder de Dienstenwet kunnen vallen. Wij kunnen dat dan via de AMvB beoordelen. Ik wil daarom mijn oude motie op stuk nr. 11 (31579) intrekken en vervangen door een motie met de volgende inhoud, maar niet dan nadat ik nog eens met nadruk heb herhaald dat deze motie niet tot gevolg hoeft te hebben dat de behandeling van de Dienstenwet vertraging oploopt.

De Kamer,

gehoord de Eliasberaadslaging,

overwegende dat artikel 4:20f ongewenste effecten van de toepassing van de lex silencio afdekt;

van mening dat daardoor het aantal vergunningen dat onder de werking van de lex silencio kan worden gebracht, verhoogd kan worden;

overwegende dat Actal adviseert om de toepassing van de lex silencio te heroverwegen voor de 564 vergunningstelsels waarvoor juridisch-technische belemmeringen zijn gevonden;

van mening dat het betrekken van deze heroverweging bij de voorhang van de AMvB volgend uit het amendement-Vos/Van Dijk (31579, nr. 14) een juiste implementatie van de Dienstenrichtlijn versterkt zonder dat dit hoeft te leiden tot extra vertraging in het implementatietraject;

verzoekt de regering om de lex silencio op meer vergunningstrajecten toe te passen, waarbij in ieder geval de genoemde 564 vergunningstelsels zullen moeten worden heroverwogen en de Kamer voor de voorhangprocedure het resultaat van de heroverweging te doen toekomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Elias. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 16(31579).

Aangezien de motie-Elias (31579, nr. 11) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Als ik luister naar het betoog van de heer Elias, bekruipt mij het gevoel dat hij eigenlijk tegen het kabinet zegt dat het de Dienstenrichtlijn op een onjuiste manier heeft geïmplementeerd. Zijn betoog is zodanig opgebouwd dat hij zegt dat hij zou willen dat er meer vergunningstelsels vallen onder de Dienstenwet. De Dienstenwet is bedoeld als een implementatie van de Dienstenrichtlijn. Eigenlijk zegt de heer Elias dus dat het kabinet dit op een onjuiste manier heeft gedaan. Mag ik die conclusie trekken?

De heer Elias (VVD):

Nee, ik vind onjuist te sterk. Onvolledig. Er zijn meer mogelijkheden. Dat heb ik geprobeerd te betogen. Een aantal van de vergunningstelsels die tegen het licht gehouden zullen worden conform de toezegging van het kabinet om nog eens te bezien of ze toch niet onder de lex silencio zouden moeten vallen, zou ook onder de Dienstenwet kunnen vallen. Wij willen graag dat dit alsnog gebeurt.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ook met het woord "onvolledig" vindt u dat de Nederlandse regering de implementatie van de richtlijn in de Dienstenwet op een onvolledige manier en dus niet goed heeft gedaan. Is het dus uw voorspelling dat er, wanneer het Nederlandse kabinet deze implementatie voortzet, een infractieprocedure van de Europese Commissie zal komen, omdat de richtlijn op een onjuiste manier is geïmplementeerd?

De heer Elias (VVD):

Nee. Ik denk dat u probeert mij bepaalde woorden in de mond te leggen met als gevolg dat u mijn motie niet hoeft te steunen. Dat kunt u wel proberen, maar daar tuin ik niet in. Wij zijn van mening dat het beter ware – ik val in herhaling – om te bezien of er van die 564 stelsels die naar ons oordeel te lichtvaardig terzijde zijn geschoven, nog een aantal ook via de lex silencio in de Dienstenwet geïmplementeerd zouden kunnen worden. Wij denken dat het daar alleen maar beter van zou worden.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voorzitter. Begrijp ik het nu goed dat de VVD, die altijd vooroploopt om te roepen dat er geen koppen op Europese wetgeving mogen komen, bereid is om zich in een kronkelredenering te storten – ik vind de redenering die de heer Elias hier aanvoert echt heel kronkelig – als daarmee vergunningstelsels gesloopt kunnen worden, die toch met enige zorg tot stand zijn gekomen?

De heer Elias (VVD):

Nee, dat begrijpt u verkeerd.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Voorzitter. Dit is de derde termijn van het debat over de implementatie van de Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet. Wij hebben in de eerste en in de tweede termijn aangegeven dat wij vonden dat het kabinet in belangrijke mate had voldaan aan de verplichtingen die in de Dienstenrichtlijn waren opgenomen. Wij vonden ook dat dit op een goede manier was gedaan, met uitzondering van één onderdeel. Daar is tijdens de tweede termijn uitgebreid over van gedachten gewisseld tussen het kabinet en de Kamer. Dat was voor mij een reden om samen met mevrouw Vos een amendement in te dienen. Mevrouw Vos zal daar dadelijk als eerste ondertekenaar nog uitgebreid op ingaan.

Een ander element – en dat raakt aan wat de heer Elias naar voren bracht – was de brief die Actal uiteindelijk gezonden heeft en waarin is aangegeven dat een groot aantal vergunningstelsels al valt onder de Dienstenwet, maar dat er daarnaast ook nog vergunningstelsels zijn die niet vallen onder de Dienstenwet en die daar dus eigenlijk ook helemaal niets mee te maken hebben. Dat er gezegd kan worden dat je daar ook nog wel een lex silencio positivo in zou kunnen doen, is een belangrijk gegeven. Daar hebben wij het al veel vaker over gehad. Daar hebben wij ook al veel eerder amendementen of moties over ingediend. Wij hebben daar al een uitgebreide discussie met het kabinet over gehad. Bij ons leeft het gevoel dat wij, na de stap die wij gezet hebben om die lex silencio positivo te laten ingaan onder de Dienstenwet en de daaronder vallende vergunningstelsels, nu ook maar moeten doorpakken en naar de andere stelsels gaan kijken. Alleen wil ik dat voor de zuiverheid losknippen van datgene wat er met de Dienstenwet gebeurt. De heer Elias zegt dat hij geen vertraging wil. Ik geloof hem ook op zijn woord, alleen is het punt dat het wel elke keer weer gelinkt wordt aan die Dienstenwet, en dat vind ik niet zuiver. Dat is ook mijn bezwaar tegen de motie zoals de heer Elias die indiende. Om die reden wil ik een alternatieve motie indienen, die veel meer zegt: wij willen nu de vinger aan de pols houden en ervoor zorgen dat wij zo snel mogelijk zo veel mogelijk die lex silencio positivo op een verantwoorde wijze kunnen gaan invoeren in andere vergunningstelsels dan de stelsels die vallen onder de Dienstenwet. Om die reden dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de Jan Jacob van Dijkberaadslaging,

overwegende dat er brede steun bestaat voor de invoering van de lex silencio positivo bij de vergunningstelsels die vallen onder de Dienstenwet;

overwegende dat er daarnaast nog meer dan 500 vergunningstelsels bestaan, die niet vallen onder de Dienstenwet;

constaterende dat de discussie over de invoering van de lex silencio positivo al lange tijd wordt gevoerd, maar dat naast de vergunningstelsels die vallen onder de Dienstenwet, weinig vooruitgang is geboekt;

verzoekt de regering, de Kamer voor 15 april 2009 te informeren over hoe de lex silencio positivo in de buiten de Dienstenwet vallende vergunningstelsels wordt ingevoerd, dan wel welke doorslaggevende redenen er bestaan om hier niet toe over te gaan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jan Jacob van Dijk, Vos en Van der Ham. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 17(31579).

Mevrouw Vos (PvdA):

Voorzitter. Wij staan hier allemaal te praten over een heel belangrijk onderdeel van de Dienstenwet, zulks naar aanleiding van het gewijzigd amendement dat ik inmiddels samen met collega Jan Jacob van Dijk heb ingediend. De meeste fracties willen dat de lex silencio positivo sneller en ruimer wordt ingevoerd.

Ons amendement gaat over de lex silencio positivo bij de vergunningen die binnen het kader van de Dienstenwet vallen. Wij hebben het amendement gewijzigd, omdat wat ik vreesde inderdaad zo was: (decentrale) overheden zijn bij de screening niet uitgegaan van het principe dat je moet beginnen met de LSP. Ze hadden eigenlijk alleen moeten kijken naar daar waar het echt niet kon. Wij hadden dus gehoopt dat het andersom was gegaan: in principe alle vergunningen onder de lex silencio positivo en aangeven waar het, om allerlei redenen, niet per se wenselijk is.

Nu blijken dus VNG en IPO namens hun leden toch wat angstig te hebben gereageerd. De hele screeningsoperatie zou dan namelijk helemaal opnieuw moeten worden uitgevoerd indien de vorige versie van het amendement zou zijn aanvaard. Dat gaat dus waarschijnlijk niet lukken voor 28 december, wat de implementatie van de Dienstenwet vertragen. Dat wil ik niet en volgens mij mijn collega's ook niet. Daarom hebben collega Van Dijk en ik het amendement gewijzigd, in die zin dat er een overgangsregeling is getroffen.

Het is wel van belang op te merken dat die overgangsregeling decentrale overheden de ruimte geeft om nog 2012 hun vergunningen door te lichten. Wij vinden het belangrijk op te merken dat de uiterste datum voor die doorlichting op 2012 is gezet. Decentrale overheden die dus eerder dan 2012 hun vergunningenstelsel hebben doorgelicht en aangepast, kunnen en moeten dat natuurlijk gewoon doen. Sterker nog, het lijkt ons zelfs een pre voor gemeenten en provincies om bijvoorbeeld tegen het mkb in hun regio te kunnen zeggen dat zij de lex silencio positivo snel hebben ingevoerd. Ik hoop dan ook dat de collega's die het initiatief steunen om de LSP zo breed mogelijk in te voeren, kunnen leven met de handreiking in het gewijzigd amendement, vooral ook omdat wij de implementatie van de Dienstenwet niet willen vertragen.

Ik was een beetje verbaasd over de reactie van het kabinet op mijn amendement en op de brief van Actal. Het kabinet zegt dat het Actal-advies algemeen van aard was en niet specifiek op mijn amendement van toepassing was. Dat was raar. Ik heb altijd geleerd om in Venn-diagrammen te denken; ik kan dat zeer aanbevelen. Als mijn amendement betrekking heeft over een deel van de vergunningen, namelijk die welke onder de Dienstenwet vallen, en de toepassing van de lex silencio positivo en het Actal-advies betrekking hebben op alle vergunningen, dan geldt dat Actal-advies toch ook voor het deel waarover wij spreken, namelijk de vergunningen binnen de Dienstenrichtlijn? Is het kabinet het met mij eens dat zijn redenering over de toepasselijkheid van het Actal-advies niet opgaat?

Ik had nog een opmerking willen maken over de oude motie-Elias, maar de heer Elias heeft deze al gewijzigd. Ik heb mijn naam gezet onder de motie-Jan Jacob van Dijk c.s., omdat ik vind dat je voor die andere vergunningen de Dienstenwet niet moet koppelen aan datgene wat wij met zijn allen willen.

De voorzitter:

Ik kan even niet goed zien of de heer Van der Ham het woord wil voeren. Ik zou haast zeggen dat dit geheel vrijblijvend is.

De heer Van der Ham (D66):

Voorzitter. Geconstateerd kan worden dat ik de motie van de fracties van CDA en PvdA heb gesteund. In die motie wordt gekeken naar de lex silencio positivo in de toekomst. Mijn fractie was niet erg positief over het oorspronkelijke amendement-Vos, maar vindt de herziene versie daarvan, die medeondertekend is door de heer Jan Jacob van Dijk, wel een goede tegemoetkoming aan haar bezwaren in eerste en tweede termijn. Ik ben heel benieuwd naar het oordeel van de regering over de toepasbaarheid en uitvoerbaarheid van dit amendement. Op grond van het antwoord van de regering zal ik bezien of mijn fractie dit op zichzelf sympathieke gewijzigde amendement kan steunen.

De voorzitter:

Mevrouw Gesthuizen. Wilt u nu het woord voeren? Ik aarzel een beetje, omdat u geen spreektijd hebt aangegeven. Die is althans voor mij niet zichtbaar.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Misschien is dat dan de helft van de helft van de spreektijd in eerste termijn.

De voorzitter:

Dit is de derde termijn.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Dus de helft van de helft ...

De voorzitter:

O ja, nu begrijp ik wat u bedoelt.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voorzitter. Al tijdens het begin van dit debat heeft de SP-fractie meer dan duidelijk gemaakt niets te zien in een verdere uitbreiding van de lex silencio positivo, zijnde het principe dat wanneer je niet op tijd antwoord krijgt op je vergunningsaanvraag je ervan uit mag gaan dat deze vergunning is verleend. Daarom zagen wij al helemaal niets in dat gekke amendement van mevrouw Vos, dat tot onze spijt ook nog door de heer Van Dijk van het CDA is ondertekend. Naar ons idee is dit een schijnoplossing met schadelijke bijwerkingen.

Het probleem dat te veel mensen niet op tijd antwoord krijgen van de overheid kan in de ogen van de SP-fractie twee oorzaken hebben: personeelstekort of laksheid. Voor dat tweede bestaat de dwangsom en het eerste los je niet op door het takenpakket uit te kleden, maar, onzes inziens, door voldoende en voldoende gekwalificeerd personeel in dienst te nemen. Wat nu dreigt te gebeuren, is dat de overheid geen enkel belang meer heeft bij het op tijd beantwoorden van een vergunningsaanvraag wanneer deze toch wel verleend zal worden. Waarom zou je tijd steken in zaken uitzoeken en een brief schrijven als je door twee weken extra te wachten en je tijd aan andere zaken te besteden hetzelfde bereikt, namelijk dat de vergunning wordt verstrekt? Wanneer de overheid faalt, vinden PvdA en CDA het blijkbaar wenselijk dat de gevolgen worden afgewenteld op de samenleving. Geen wonder dat Actal enthousiast is. Elke afgeschafte regel wordt daar namelijk met taart en limonade onthaald.

Het is tekenend dat Actal zegt dat de enige reden om bij bepaalde vergunningen de lex silencio positivo niet in te voeren, een niet te verwaarlozen kans op onherstelbare schade of nadeel van een belanghebbende is. Schade wordt dus op de koop toegenomen, zolang deze maar niet onherstelbaar is. Een ten onrechte gekapt bos kan men altijd weer terug planten en de geluidsoverlast door een ten onrechte verleende horeca- of evenementenvergunning leidt misschien tot een slaaptekort, maar na twee lange nachtjes zijn de gedupeerden door ook wel weer overheen, aldus Actal.

Erger is dat de regering zelfs deze summiere criteria kwalificeert als een nationale kop. De Dienstenwet stelt namelijk nog minder criteria. Een lakse overheid is iets slechts, maar de lex silencio positivo is een slechte schijnoplossing. Het amendement-Vos/Van Dijk maakt het allen nog maar erger. Het zal u dus niet verbazen dat mijn fractie fel tegen dit amendement blijft. Wel zijn wij benieuwd naar wat de regering ervan vindt, aangezien zij in de brief op duidelijke wijze een en ander samenvat, maar qua advies niet verder komt dan de vraag om de door haar gezonden brief in onze beraadslagingen mee te nemen. Daartoe was ik bereid.

Minister Van der Hoeven:

Voorzitter. Ik ben blij dat allen die het woord hebben gevoerd, aangeven dat een goede en tijdige implementatie van de Dienstenrichtlijn bijzonder belangrijk is. De Dienstenwet is in dat verband een bouwsteen. De implementatie van de richtlijnbepaling over de lex silencio positivo in het huidige voorstel voor de Dienstenwet is oké. Het amendement stelt voor om de Dienstenwet op dit punt te versterken. Voor een goede implementatie is het strikt genomen niet noodzakelijk, maar goed: het is een versterking. Het is wel van belang voor de tijdigheid van de implementatie dat wij heel goed in de gaten houden wat wij met elkaar aan het doen zijn. Ik denk dat een vlotte afhandeling van het Dienstenwetvoorstel door de Tweede Kamer, juist ook vanwege de kenbaarheid van de stappen die andere overheden voor het einde van dit jaar moeten zetten, echt van erg groot belang is.

Ik ben blij met de overgangsregelingen die in het gewijzigde amendement staan, zowel voor het rijksniveau als voor het decentrale niveau, want het lost een aantal dingen op. Op rijksniveau komt er tot 2012 een AMvB met een lijst van alle wetgeving waarvoor de lex silencio positivo niet geldt. Die AMvB moet worden voorgehangen in beide Kamers. Uiteraard zullen wij in het licht van de tijdige implementatie alles doen om die AMvB zo snel mogelijk aan de Kamer voor te leggen. Ik hoop dat u, maar ook uw collega's in de Eerste Kamer, voor een vlotte doorgang van deze AMvB kan zorgen, want nogmaals, wij willen een tijdige implementatie van de Dienstenrichtlijn aan het einde van dit jaar.

De overgangsregel voor de decentrale overheden tot 1 januari 2012 is inderdaad cruciaal. Er kan voort worden gegaan op het ingeslagen pad en in de lokale regelgeving kan de lex silencio positivo overal worden aangeschakeld waar het afwegingskader van de Dienstenrichtlijn daartoe noopt. Dit moet einde van dit jaar klaar zijn. Dat is prima. Daarna heeft men twee jaar de tijd om de regeling op grond van het amendement te verwerken. De additionele werklast wordt daarmee uitgesmeerd over twee jaar. Daarmee heeft men voldoende tijd om ervoor te zorgen dat het goed loopt. Kortom, ik laat het oordeel over het amendement aan de Kamer over.

De VNG heeft een brief gestuurd over de gevolgen van het amendement voor de decentrale overheden. Op het moment van het schrijven van die brief was de VNG niet op de hoogte van de overgangstermijn van twee jaar. De argumenten die worden aangevoerd, zijn daardoor niet helemaal meer geldig, als ik dat zo mag zeggen. Een van de gevolgen van aanneming van het amendement zal zijn dat de lex silencio positivo automatisch van toepassing is tenzij het tegendeel expliciet wordt gereguleerd. De VNG stelt dat dit een risico is vanwege mogelijke onwenselijke gevolgen. Door de overgangstermijn is dit risico een stuk kleiner. De overheden hebben de tijd om hun decentrale vergunningstelsels op orde te brengen. Er wordt ook gewezen op het ontstaan van twee afwijkende juridische regimes waardoor onduidelijkheden kunnen ontstaan. Dat is in wezen een kenbaarheidsprobleem van ondernemers en overheden. Zij moeten achterhalen welk lex-silencioregime van toepassing is. Dat onderscheid moeten zij overigens toch al maken. De Dienstenwet wijkt op enkele onderdelen ook af van de Awb.

De VNG wijst op de toename van ambtelijke en bestuurlijke lasten. In het wetsvoorstel – zonder amendement – moet ook per vergunningstelsel bezien worden of kan worden afgeweken van de toepassing van het lex-silenciobeginsel. Deze benadering is in de Dienstenrichtlijn opgenomen. De ambtelijke en bestuurlijke lasten hebben te maken met de toename van de werkzaamheden voor de wijziging van de regelgeving vanwege het amendement. Ik denk echter dat voldoende tijd wordt gegeven om de problemen op te lossen. Ik noem deze punten omdat daarmee meteen de tegenargumenten zijn gegeven die de brief van de VNG op een aantal punten ontkrachten.

Ik kom nu op de motie van de heer Elias. De bredere toepassing van de lex silencio onderschrijf ik. Dat is prima en dat willen wij ook goed inkaderen. De Dienstenrichtlijn verplicht ons expliciet om voor de dienstenvergunningen de lex silencio in te voeren volgens het "ja, tenzij"-principe. Dit gebeurt in het wetsvoorstel en wordt nog versterkt door het amendement-Vos/Van Dijk. Ik ben blij dat de heer Elias de voortgang van de Dienstenwet niet wil vertragen. De heer Jan Jacob van Dijk heeft gelijk dat wij de zaken goed uit elkaar moeten houden. Enerzijds is er het dienstenrelevante deel dat wij nu hebben opgepakt. Anderzijds is er de discussie over meer LSP's in een breder verband. Dat staat buiten de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn. Voor dat debat is een eigen kader ontwikkeld. Mijn collega van Justitie heeft samen met de staatssecretaris van Economische Zaken de Kamer daarover op 3 december 2008 een brief gestuurd. Daarin is een overzicht van beide vergunningen opgenomen. Ik ben het ermee eens dat het debat over een bredere toepassing moet worden voortgezet, maar daarvoor is het nu niet de tijd en ook niet de plaats.

Op verzoek van mevrouw Vos is advies van Actal gevraagd. Dat advies gaat niet over het amendement, maar heeft een bredere strekking. Het betreft de voor- en nadelen van de lex silencio positivo om de regeldruk in het algemeen te verlagen en over de wet- en regelgeving waarbij de LSP toegepast kan worden. Wij hebben in de brief van 26 februari geschreven dat het advies van Actal wordt bekeken en dat daarover in het tweede kwartaal van dit jaar een aparte brief komt van de minister van Justitie en de staatssecretaris van Economische Zaken.

Ik kom op de 564 vergunningen waarover de heer Elias sprak. Bij die vergunningen zitten diensten- en niet-dienstenvergunningen. Dat is het punt waarom het draait. Het is de vraag wie wat en wanneer doet. Het kabinet zegt graag toe dat het met Actal in nader overleg zal gaan over het waarom. Ook zal gesproken worden over waar Actal mogelijkheden ziet voor LSP die wij niet zien. Daarover wordt gerapporteerd. De afweging over wel of niet lex silencio bij de dienstenvergunningen vindt plaats binnen het eigen, specifieke kader dat de Dienstenrichtlijn voorschrijft. Dat is anders dan het Actal-advies, waarin daarop niet wordt ingegaan.

Wij gaan ervan uit dat het amendement van mevrouw Vos en de heer Van Dijk zal worden aangenomen. Als dat gebeurt, zal het spiegelbeeld van die uitkomsten in de voor te hangen AMvB worden opgevoerd, namelijk waar géén LSP's kunnen worden ingevoerd.

Ik vat de motie-Elias zo op, dat daarin wordt gevraagd om een heroverweging van de dienstenvergunningen waarop de LSP nog niet van toepassing is verklaard. Een dergelijke heroverweging kan in zekere zin plaatsvinden wanneer de negatieve lijst wordt opgesteld. Het kader dat wij daarbij gebruiken is echter het kader van de Dienstenrichtlijn en niet het kader dat is voorgesteld door Actal. Omdat in de motie-Elias geen onderscheid wordt gemaakt tussen diensten- en niet-dienstenvergunningen, maar wordt gevraagd om voor de voorhang van de AMvB het oordeel te geven over alle 564 vergunningen, zal uitvoering van de motie de Dienstenrichtlijn vertragen. Om deze reden zou ik de heer Elias willen vragen om de motie aan te houden, bijvoorbeeld totdat wij in het tweede kwartaal een nadere reactie op het advies van Actal hebben gegeven voor wat betreft de niet-dienstenvergunningen. Dat zou een mogelijkheid zijn. Ik denk dat ik het hierbij kan laten.

Minister Hirsch Ballin:

Voorzitter. Ik kan kort zijn, want mijn collega van Economische Zaken heeft het meeste en meest wezenlijke al gezegd. Ook voor mij staat het vast dat de Dienstenrichtlijn tijdig en correct moet worden geïmplementeerd. Daarom ben ik blij dat het gewijzigde amendement van mevrouw Vos en de heer Van Dijk in ieder geval ook de mogelijkheid biedt om uitzonderingen op de voorgestelde hoofdregel bij AMvB te regelen. Er is een overgangsregeling opgenomen. Ik denk dat het zo goed en in overeenstemming met de doelstelling van de richtlijn is te realiseren. Dit betekent wel dat wij moeten kunnen voortbouwen op het werk dat al is gedaan door de noeste werkers die hebben onderzocht op welke regelingen de lex silencio wel of niet van toepassing zou kunnen zijn. Aanknopend bij de reeds gedane arbeid en de afwegingen die er zijn gemaakt, zal bij de voorbereiding van de AMvB verder worden gegaan. Hooguit kan bij deze afweging nog eens worden bekeken of er oneffenheden in opvallen die nog gecorrigeerd zouden kunnen worden, in het licht van de strekking van de Dienstenrichtlijn en het amendement.

De motie-Elias gaat verder; mijn collega heeft daarop ook al gewezen. Wij hebben ook al toegezegd dat wij in het tweede kwartaal naar aanleiding van het advies van Actal met een nadere brief zullen komen. Ik zal dat samen met de staatssecretaris van Economische Zaken voor mijn rekening nemen. Daarom moet ik het aannemen van deze motie – ook vanuit de optiek van degenen die in het algemeen verantwoordelijk zijn voor dit onderwerp – ontraden.

Ook bij beoordeling van de motie van de heer Van Dijk neem ik het advies van Actal dat wij net hebben gekregen in aanmerking. Een belangrijk punt voor het kabinet bij de beoordeling van deze motie is dat, zoals in de brief van 3 december 2008 over de toepassing van de lex silencio positivo staat, die wet alleen kan worden ingevoerd als dat juridisch-technisch mogelijk is. Bovendien moet rekening worden gehouden met mogelijke risico's als wij verdergaan. Met de brief van 3 december 2008 is dat uitgewerkt. De criteria zijn door een onafhankelijk onderzoeksbureau toegepast op de vergunningen die door de centrale overheid worden gegeven en dat heeft tot de vermelde conclusies geleid. Wij willen daarom, ook in overleg met Actal, goed nagaan waarom het college juist voor de vergunningen die vallen onder de categorie waarvoor de lex silencio positivo geldt aldus handelt en tegelijk mogelijkheden ziet voor extra toepassingen. Ik heb al gezegd dat onze reactie zo spoedig mogelijk komt, in elk geval in het tweede kwartaal, maar de datum van 15 april halen we niet. Nogmaals, ik wil bevestigen dat onze reactie in het tweede kwartaal komt. Als de indieners daar geen genoegen mee zouden kunnen nemen, kan ik niet anders dan melden dat ook sympathieke onmogelijkheden onmogelijkheden blijven.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Wij zouden in ieder geval voor het zomerreces met u van gedachten willen wisselen over de rapportage die u ons zult doen toekomen. Ik ben bereid om de motie te wijzigen en om van de datum 15 juni te maken, maar dan wil ik de rapportage wel op 15 juni hebben.

Minister Hirsch Ballin:

Ik zie aan de mimiek van de ambtenaren dat deze noeste werkers nog steeds niet uitgeput zijn en dat 15 juni een haalbare datum is.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Dan zal ik de motie aanpassen.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de bewindslieden voor hun antwoorden. Volgende week dinsdag zal over dit wetsvoorstel en de ingediende moties worden gestemd.

De vergadering wordt van 19.23 uur tot 21.00 uur geschorst.