Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-2009nr. 30, pagina 2560-2568

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2009 (31700 VII);

het wetsvoorstel Wijziging van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2009 (31700 B);

het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het provinciefonds voor het jaar 2009 (31700 C)

, en van:

- de motie-Van Raak over het niet verhogen van de inkomens van ministers (31700 VII, nr. 21);

- de motie-Bilder c.s. over differentiatie tussen gemeenten naar takenpakket (31700 VII, nr. 22);

- de motie-Çörüz c.s. over het terugbrengen van de overhead bij de politiekorpsen (31700 VII, nr. 23);

- de motie-Çörüz c.s. over de effectiviteit van het instrumentarium voor bestrijding van overlast (31700 VII, nr. 24);

- de motie-Van der Burg c.s. over maximaal twee bestuurlijke niveaus die zich met bepaalde beleidsterreinen bezighouden (31700 VII, nr. 25);

- de motie-Van der Burg/Pechtold over minder tussenlagen in het binnenlands bestuur (31700 VII, nr. 26);

- de motie-Van der Burg over minder volksvertegenwoordigers (31700 VII, nr. 27);

- de motie-Van der Burg over adviesraden op ad-hocbasis (31700 VII, nr. 28);

- de motie-Heijnen over aanvullende maatregelen om meer allochtonen in dienst te nemen (31700 VII, nr. 29);

- de motie-Kuiken c.s. over het wegnemen van beperkingen voor realistische oefeningen van de brandweer (31700 VII, nr. 30);

- de motie-Brinkman over onderzoek naar homogeweld door allochtonen (31700 VII, nr. 31);

- de motie-Brinkman over het opheffen van alle waterschappen (31700 VII, nr. 32);

- de motie-Brinkman over een verbod op het dragen van hoofddoekjes ook binnen een politiebureau (31700 VII, nr. 33);

- de motie-Brinkman over de aanpak van Marokkaans straattuig door de politie (31700 VII, nr. 34);

- de motie-Van der Staaij c.s. over onderzoek naar de feitelijke beschikbaarheid van politieagenten (31700 VII, nr. 35);

- de motie-Van der Staaij c.s. over het niet ontmoedigen van het gebruik van Mosquito's (31700 VII, nr. 36);

- de motie-Anker c.s. over de inzet van convenantsgelden voor regionalisering (31700 VII, nr. 37);

- de motie-Van der Ham over een plan van aanpak voor de bestrijding van homofoob geweld (31700 VII, nr. 38);

- de motie-Van der Ham/Heijnen over early voting (31700 VII, nr. 39).

(Zie vergadering van 20 november 2008.)

De algemene beraadslaging wordt hervat.

Minister Ter Horst:

Voorzitter. Het is weer een tijdje geleden dat wij over de begroting hebben gesproken. Mij rest het beantwoorden van een drietal openstaande vragen en het preadviseren over een aantal moties en een drietal amendementen.

De eerste vraag was van mevrouw Kuiken en betreft de brandweer. Zij vroeg welke arboregels voor de brandweer uitgezonderd kunnen worden, waardoor realistisch kan worden geoefend. Die vraag impliceert dat het met deze arboregels niet mogelijk zou zijn om realistisch te oefenen. Daarvan is mij niets bekend. Brandweerduikers oefenen op realistische diepte en brandweerpersoneel oefent op realistische hoogte. Er is geen arboregel die duiken dieper dan 9 meter verbiedt en er is ook geen arboregel die het oefenen hoger den 2,5 meter verbiedt. Bij mijn weten zijn de arboregels niet knellend waar het gaat om het realistisch oefenen. Ik kom straks op de motie hierover terug.

De heer Van Raak heeft ook een motie ingediend, maar hij heeft tevens een vraag gesteld, namelijk of het LECD kan verdwijnen. Het LECD staat voor Landelijk Expertise Centrum Discriminatie. Bij de instelling van het centrum hebben wij gezegd dat het niet structureel zou worden. Wij hebben afgesproken dat wij het centrum steeds zouden evalueren en op basis daarvan zouden bekijken of wij het wilden continueren. De eerstkomende evaluatie vindt in 2009 plaats. Het landelijk bureau discriminatie is een onderdeel van het LECD. De heer Van Raak heeft hierover een amendement of een motie ingediend. Ik zal hierop terugkomen bij de behandeling van dat amendement of die motie.

De heer Pechtold dan wel de heer Van der Ham – ik zie dat beiden niet aanwezig zijn – heeft gevraagd waar de reactie van het kabinet blijft op het Voorontwerp algemene wet overheidsinformatie. Ik heb het Voorontwerp algemene wet overheidsinformatie bekeken. Het betreft een groot aantal en vergaande voorstellen. Ik zie weinig aanknopingspunten om die voorstellen in een nieuwe wet op te nemen. Ik ben het eens met de opmerking dat ik dit eerder aan de Kamer had kunnen melden. Het lijkt mij goed om nu in alle openheid te zeggen dat ik weinig aanknopingspunten zie. Ik wil wel die zaken waarvan ik denk dat ze zinvol zijn, opnemen in de bestaande Wet openbaarheid van bestuur.

Mevrouw Griffith (VVD):

Er staat nog een vraag van mij open. Wanneer krijgen wij de rapportage over de 100 mln. bezuiniging? De korpsbeheerders zouden u medio november informeren.

Minister Ter Horst:

In november krijg ik die informatie. Dit betekent dat die met een reactie van mij in december naar u toe zou kunnen komen.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Ik heb een vraag gesteld over de veelplegersaanpak overlastgevenden.

Minister Ter Horst:

Dat is waar. Zullen wij kijken of die op de een of andere manier bij de moties aan de orde komt?

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Waarschijnlijk is dit niet het geval.

Minister Ter Horst:

Ik kijk of het daarbij aan de orde komt. Zo niet, dan kom ik er na het bespreken van de moties op terug.

De motie op stuk nr. 21 van de heer Van Raak verzoekt de regering, volgend jaar de inkomens van ministers niet met 10% te verhogen. Ik moet de Kamer het aannemen van deze motie ontraden. De Kamer kent het kabinetsstandpunt op dit punt. Wij hebben dat verwerkt in de wetsvoorstellen die bij de Kamer voorliggen en waarvan wij allen hopen dat wij die dit jaar nog kunnen behandelen.

De heren Bilder, Van Raak, Anker, Van der Staaij en Van der Ham hebben een motie ingediend op stuk nr. 22, waarin zij de regering verzoeken om in het beleid ter versterking van de bestuurskracht, modellen van samenwerking tussen gemeenten als gelijkwaardige alternatieven voor gemeentelijke herindeling te betrekken. Zij verzoeken de regering, voorstellen te doen tot wijziging van de Gemeentewet om differentiatie tussen gemeenten en haar takenpakket mogelijk te maken. Ik ontraad de aanneming van deze motie. Ik ga met name in op de mogelijkheid van gemeenten om tot differentiatie te komen. Het is nu voor het kabinet mogelijk om te differentiëren in de verantwoordelijkheid en de taken van gemeenten. Als het kabinet of de Kamer dat wil, dan is dat mogelijk. Het moet echter wel bij wet gebeuren en die wet bestaat. Het gebeurt ook. Er is een aantal beleidsterreinen waarvan het kabinet gezegd heeft dat grote gemeenten, de zogenaamde centrumgemeenten, bepaalde taken en verantwoordelijkheden hebben die niet bij de gemeenten liggen waarvoor de centrumgemeente optreedt. Die differentiatie is dus al mogelijk. Het kabinet heeft er geen behoefte aan deze mogelijkheden te vergroten. Een lid van het kabinet, of het gehele kabinet, kan van mening zijn dat meer differentiatie nodig is. Dat is nu al mogelijk. Naar mijn mening hoeft de motie niet te worden aangenomen.

Het is goed om nog even te zeggen dat gemeenten bij de uitvoering grote mogelijkheden tot differentiatie hebben. Het gaat dan niet om taken en verantwoordelijkheden, maar om de wijze waarop zij die uitvoeren. Op dat punt bestaat beleidsvrijheid. In de uitvoering van taken is een grote differentiatie tussen gemeenten mogelijk.

Samenvattend stel ik dat het kabinet van mening is dat die mogelijkheden er nu al zijn en dat er geen behoefte bestaat om die nog verder te vergroten.

De heer Bilder (CDA):

Ik begrijp niet waarom een negatief advies wordt gegeven. De minister zegt dat de mogelijkheid tot differentiatie bestaat. De gemeenten worstelen duidelijk met de toenemende hoeveelheid taken die het kabinet hun oplegt. Wat is het bezwaar tegen een positief advies? Wat is het bezwaar tegen differentiatie?

Minister Ter Horst:

In de motie wordt gesuggereerd dat differentiatie nu niet mogelijk is. Het dictum van de motie luidt: "verzoekt de regering, voorstellen te doen tot wijziging van de Gemeentewet om differentiatie tussen gemeenten naar takenpakket mogelijk te maken". Dat suggereert dat differentiatie nu niet kan, maar het kan wel. Er zou dan immers geen wet bestaan, waarbij wij die mogelijkheid ook daadwerkelijk kunnen realiseren. Dat is mijn belangrijkste bezwaar tegen de motie.

De heer Çörüz en anderen hebben een motie ingediend op stuk nr. 23 over de overhead bij de politie. In de motie wordt de regering verzocht om op basis van een te ontwikkelen standaard systematisch en gericht de overhead bij de politiekorpsen terug te dringen. Wij zien dat als een ondersteuning van het kabinetsbeleid en hebben daarom geen bezwaar tegen de aanneming van deze motie. Wij laten het oordeel aan de Kamer over.

In de motie-Çörüz c.s. op stuk nr. 24 wordt de regering verzocht, een onderzoek in te stellen naar de effectiviteit van het instrumentarium van gemeentebesturen om overlast en verloedering te bestrijden in het licht van recente gerechtelijke uitspraken. Tevens verzoekt de motie om voorstellen te doen om het instrumentarium aan te passen en de Kamer daarover uiterlijk 1 mei 2009 te informeren. Het kabinet heeft daar geen bezwaar tegen. Wij laten het oordeel aan de Kamer over. Ik zeg daar wel nadrukkelijk bij dat wij ons zullen richten op de witte vlekken, omdat wij al een inventarisatie hebben gemaakt van het instrumentarium dat met name de burgemeester heeft om op te treden in gevallen van overlast. Mocht de Kamer dat instrumentarium niet kennen, dan wil ik haar dat graag ter hand stellen. Wij vatten de motie zo op, dat het met name gaat om de witte vlekken en lacunes. Ik hoop dat dit past bij de opvatting van de indieners.

De heer Çörüz (CDA):

Dat lijkt mij heel goed. Neemt de minister daarin ook de witte vlekken mee die zijn ontstaan na een aantal rechterlijke uitspraken? Wij verstaan elkaar goed op dit punt?

Minister Ter Horst:

Ja. Ik denk overigens dat het wel meevalt. Ik meen dat de heer Çörüz als voorbeeld het samenscholingsverbod in Utrecht noemde. Daarvoor hebben wij de Wet extreme overlast en voetbalvandalisme tot stand doen komen. Die witte vlek is al opgelost, maar wij zullen kijken of er op basis van gerechtelijke uitspraken nog andere witte vlekken zijn en zullen voorstellen doen hoe wij die kunnen inkleuren.

De motie op stuk nr. 25 van mevrouw Van der Burg, de heer Heijnen en anderen verzoekt de regering, overeenkomstig het coalitieakkoord initiatieven te ontwikkelen om het binnenlands bestuur zo in te richten, dat maximaal twee bestuurlijke niveaus zich met bepaalde beleidsterreinen bezighouden. Wij laten het oordeel hierover aan de Kamer. Wij zien het als een ondersteuning van het beleid. De staatssecretaris heeft ook al gezegd dat zij in het voorjaar concrete voorstellen met de Kamer zal bespreken. Wij zijn er ook een groot voorstander van dat zo weinig mogelijk bestuurlijke niveaus zich bezighouden met het beleid. Het UpR, het Uitbreidingsprogramma Randstad, werkt met bestuurlijke duo's. Het kabinet is daar enthousiast over en ik heb kort geleden voorgesteld om in de uitwerking van de plannen van de commissie-Veerman ook op die wijze te gaan werken. Ook daar gaan wij dus kijken of het mogelijk is met die bestuurlijke duo's te werken. Op dit moment gebeurt dit uiteraard allemaal op vrijwillige basis, want wij kunnen autonome bestuurslagen niet dwingen om zich ergens niet mee te bemoeien.

Mevrouw Van der Burg en de heer Pechtold hebben de motie op stuk nr. 26 ingediend over bestuurlijke drukte. In deze motie wordt de regering verzocht initiatieven te ontwikkelen teneinde het binnenlands bestuur in te richten met minder bestuurslagen en minder bestuurders. Daar zit ik een beetje mee. Het eerste kan in ieder geval niet. Althans, de motie kan natuurlijk worden ingediend, maar zij past niet in de afspraken die het kabinet heeft gemaakt en de opvattingen in het coalitieakkoord. Daarin staat namelijk dat er geen grondwettelijke wijziging in de bestuurlijke inrichting van Nederland zal komen. Dat betekent ook dat je het niet met minder bestuurslagen kunt doen. Bij het kabinet bestaan er niet zo veel bezwaren tegen minder bestuurders, al kan ik mij nog wel een debat herinneren tussen de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Kamer over een vermindering van het aantal bestuurders op gemeentelijk niveau. Dat heeft toen niet mogen leiden tot een conclusie op dat punt, dus ik wacht maar af of er wellicht een gewijzigde motie wordt ingediend dan wel dat de motie wordt gehandhaafd.

De heer Heijnen (PvdA):

Als ik het antwoord van de minister probeer samen te vatten, laat zij het oordeel over deze motie aan de Kamer, mits deze motie zich beperkt tot minder bestuurders, met uitzondering van gemeenteraadsleden, want daarover is het coalitieakkoord helder en ligt er een Kameruitspraak. Ik zal buiten deze vergadering de twee indieners vragen of zij bereid zijn de motie aldus aan te passen.

Minister Ter Horst:

Goed, maar dan gaat het alleen over het aantal bestuurders en niet over het aantal bestuurslagen.

Mevrouw Van der Burg heeft een motie op stuk nr. 28 ingediend over het adviesstelsel. Zij verzoekt de regering alle adviesraden af te schaffen, met uitzondering van de technische adviesraden. Zij verzoekt de regering tevens om het adviesstelsel zo in te richten dat advies wordt gevraagd aan adviesraden die op ad-hocbasis worden ingesteld. Dat is de kern van de motie, want de tekst is wat langer. Ik moet aanvaarding van de motie ontraden. Wij hebben overigens over dat onderwerp – het adviesstelsel – op 4 december een algemeen overleg.

De heer Çörüz (CDA):

De minister is de motie op stuk nr. 27 vergeten.

Minister Ter Horst:

U hebt gelijk; ik kom daar zo op terug. Ik moet de Kamer dan ook aanvaarding van de motie op stuk nr. 28 over het adviesstelsel ontraden. Nogmaals, op 4 december hebben wij een algemeen overleg over dat onderwerp en het lijkt mij dat wij dan ook van gedachten kunnen wisselen over de inhoud van het toekomstig adviesstelsel. In ieder geval kan het kabinet zich niet vinden in de wijze waarop dit thans in de motie is geformuleerd.

Mevrouw Van der Burg heeft een motie op stuk nr. 27 ingediend over de bestuurlijke drukte. Zij verzoekt de regering initiatieven te ontwikkelen om zowel op nationaal als op gemeentelijk niveau te komen tot minder volksvertegenwoordigers. Dat lijkt een beetje op een deel van de motie op stuk nr. 26. Dat betekent dat mijn oordeel daarover gelijk is, tenminste wat betreft hetzelfde deel van de motie op stuk nr. 26.

Mevrouw Griffith (VVD):

Misschien kan de minister aangeven wat "hetzelfde preadvies" is. Het is inderdaad hetzelfde: minder volksvertegenwoordigers op nationaal en regionaal niveau en minder bestuurders. Dan vind ik het wel fijn als de minister haar advies daarover geeft.

Minister Ter Horst:

Mijn advies is dat ik het oordeel aan de Kamer laat. Ik heb alleen gewezen op een discussie die is gevoerd over de gemeenteraadsleden, waarbij de Kamer in meerderheid niet de neiging had om dat aantal te verkleinen. Er is voorgesteld om het aantal gemeenteraadsleden te verkleinen, omdat er een dualiseringsoperatie heeft plaatsgehad en het aantal gemeenteraadsleden in feite is vergroot. Dat heeft uiteindelijk tot een oordeel van de Kamer geleid, die dat in meerderheid niet wilde. Als het over die andere groepen gaat en zelfs als het met inbegrip zou zijn van de gemeenteraadsleden, heeft het kabinet daar geen bezwaar tegen.

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik begrijp niet dat het kabinet geen bezwaar heeft tegen een voorstel om het aantal gemeentelijke volksvertegenwoordigers te verminderen. Ik heb begrepen dat in uw regeerakkoord staat dat u dat niet wilt en dat u juist bij nota van wijziging dat onderdeel hebt teruggenomen uit wetgeving. Dan komt het mij vreemd voor dat u het oordeel aan de Kamer laat.

Minister Ter Horst:

Ik stel voor om de discussie daarover niet over te doen. Die is heel ingewikkeld geweest. Laten wij in ieder geval constateren dat de discussie niet heeft geleid tot het besluit om het aantal te verminderen. Daarover zijn wij het eens.

De heer Anker (ChristenUnie):

Wat de gemeente betreft, herinner ik de minister toch nog even aan het regeerakkoord. Het gaat mij wel wat ver om in de marge van een begrotingsbehandeling Binnenlandse Zaken bij motie te besluiten om tot initiatieven te komen om het aantal volksvertegenwoordigers op nationaal niveau te verminderen. Aan zo'n besluit moet op zijn minst een fundamentele discussie ten grondslag hebben gelegen. Er is al heel veel over gesproken in de afgelopen tijd. Ik kan mij niet voorstellen dat een kabinet dan zegt: als de Kamer dat wil, doen wij dat. Volgens mij is dat geen zorgvuldige gang van zaken.

Minister Ter Horst:

Dat is wel mooi. Als de Kamer in andere gevallen iets wil, is het ook niet goed als het kabinet zegt "dat doen wij maar niet", want dan heeft de Kamer gesproken. Spreekt u met uw mede-Kamerleden hierover, zou ik zeggen.

De heer Anker (ChristenUnie):

Dat is een beetje te makkelijk. U bent minister van Binnenlandse Zaken. U bent verantwoordelijk voor de wijze waarop wij Nederland bestuurlijk hebben ingericht. Het moet volgens mij wat meer zijn dan twee regels in een motie: wij kunnen met minder toe. Volgens mij hebt u er als minister van Binnenlandse Zaken ook wel een idee over en moeten wij er op zijn minst een fatsoenlijke discussie over voeren.

Minister Ter Horst:

Zegt de heer Anker nu tegen mij dat ik het preadvies dat ik heb gegeven niet had mogen geven?

De voorzitter:

De heer Anker zegt dat u aanneming zou moeten ontraden, als ik het goed begrijp.

Minister Ter Horst:

Maar dat is toch een beetje gek. Zoals ik de opvatting van de heer Anker of welk lid van de Tweede Kamer dan ook niet bestrijd, mag het kabinet toch ook een opvatting hebben?

De heer Anker (ChristenUnie):

Ik kan mij gewoon niet voorstellen dat het kabinet zegt: wat een goed idee, dat gaan wij zo even doen.

Minister Ter Horst:

Dat heb ik ook niet gezegd. Ik heb gezegd dat ik het oordeel aan de Kamer laat. Als u vindt dat u niet voor de motie moet zijn, kunt u dat toch in uw stemgedrag naar voren brengen? Maar dat hoef ik u niet te vertellen.

De heer Anker (ChristenUnie):

Dat zal het probleem ook absoluut niet zijn.

De voorzitter:

De heer Bilder, over een nieuw punt?

De heer Bilder (CDA):

Het gaat natuurlijk over hetzelfde punt...

De voorzitter:

Maar wel een nieuw argument?

De heer Bilder (CDA):

Ik wil in de richting van de minister nadrukkelijk opmerken dat zij zich er toch te makkelijk van afmaakt als zij op dit punt, waarover al zo veel is gezegd, het oordeel aan de Kamer laat. Ik denk dat dit te kort door de bocht is. Ik zou toch graag zien dat zij er wat zorgvuldiger mee omgaat.

Minister Ter Horst:

Ik ben een beetje verbaasd. Het lijkt mij buitengewoon zorgvuldig als het oordeel aan de Kamer wordt overgelaten. Ik vind u een volwassen volksvertegenwoordiging. Wanneer een volwassen volksvertegenwoordiging een besluit neemt, is dat een zorgvuldig besluit. Ik heb gezegd dat ik het oordeel aan de Kamer laat.

De voorzitter:

Daar is geen speld tussen te krijgen.

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter. Ik hoor u zeggen dat er geen speld tussen is te krijgen. Ik kan mij geen enkel ander voorbeeld herinneren dat een punt lijnrecht tegen het regeerakkoord ingaat en dat een minister zegt: nou ja, ik laat het oordeel aan de Kamer, het kabinet heeft er geen bezwaar tegen. Noem mij een ander voorbeeld uit de parlementaire geschiedenis. Dat vind ik heel gek.

Minister Ter Horst:

U zegt dat het lijnrecht ingaat tegen het regeerakkoord. Wij hebben het niet over de gemeenteraadsleden, want daarover heeft al een debat plaatsgehad. Daarover heeft ingewikkelde, maar zorgvuldige besluitvorming plaatsgehad. De conclusie was: dat gaan wij niet doen.

De heer Van der Staaij (SGP):

Daar gaat deze motie juist wel over. In deze motie gaat het nadrukkelijk over gemeentelijke vertegenwoordigers. Daarom hebben wij nu juist dit interruptiedebat.

De voorzitter:

Ik kan vanaf deze stoel niet met u in debat gaan, maar ik vond de bescheiden opstelling van deze minister nu juist zo verfrissend.

De heer Heijnen (PvdA):

De heer Van der Staaij heeft gelijk als hij het heeft over gemeenteraadsleden. Waar verzet het coalitieakkoord zich tegen het aannemen van deze moties? Het gaat niet om de minister, maar om de PvdA-fractie. Deze moties zijn geamendeerd, ook door mij met de suggestie om "gemeenteraad" te schrappen.

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik heb het over deze motie. In het dictum daarvan is expliciet sprake van het verminderen van het aantal gemeentelijke volksvertegenwoordigers. Ik verzin dat niet, het staat er echt. Wij kunnen zeggen dat wij er geen bezwaar tegen hebben als wij een andere motie maken, maar ik vind dat de discussie daardoor niet wordt verhelderd. Laten wij teksten nemen zoals zij er liggen. Het andere betekent dus in feite een voorstel tot grondwetswijziging om het aantal Kamerleden te verminderen. Dat is een andere discussie. Ik lees daarover niks in het regeerakkoord, maar wij kunnen die discussie voeren, hoewel ik er geen voorstander van ben.

De voorzitter:

Wij gaan verder niet door over deze motie.

Minister Ter Horst:

Voor de helderheid wil ik nog één ding zeggen. Mijn preadvies slaat op de motie zoals die is geamendeerd door de heer Heijnen. Het gaat daarbij niet om het gemeentelijke niveau. Ik heb daarover gezegd dat wij daarover een besluit hebben genomen. De discussie daarover gaan wij niet opnieuw openbreken. Dat geldt dus voor de motie op stuk nr. 27. Volgens mij is het nu wel duidelijk.

Met de motie op stuk nr. 29 verzoekt de heer Heijnen de regering, aanvullende maatregelen te nemen om meer allochtonen in dienst te nemen en te houden teneinde de kabinetsdoelstelling te halen en de Kamer over deze maatregelen te informeren. Het kabinet beoordeelt dit als ondersteuning van het beleid. Ik heb, dacht ik, al toegezegd dat ik de Kamer daarover in april 2009 verder zal informeren.

De motie op stuk nr. 30 is van mevrouw Kuiken, de heer Bilder en de heer Anker en gaat over de brandweer. In deze motie wordt de regering opgeroepen, te onderzoeken in hoeverre de brandweer op dit moment door wettelijke en verzekeringstechnische beperkingen gehinderd wordt in het uitvoeren van realistische oefeningen. Ik heb deze vraag aan het begin van mijn betoog beantwoord. Mij zijn geen regels bekend. Deze motie is volgens mij daarom overbodig.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Ik ga ervan uit dat de minister uiterst goed geïnformeerd is. Het betekent twee dingen. Ik heb de informatie niet uit mijn duim gezogen. Ik haal deze bij de korpsen. Het kan betekenen dat de korpsen slecht op de hoogte zijn van de huidige regels omtrent de Arbeidsinspectie. In dat geval vraag ik de minister of daarover duidelijkheid kan worden verschaft. Het kan ook betekenen dat de Arbeidsinspectie anders handelt dan de wet voorschrijft als het gaat over de wijze waarop de brandweer moet oefenen.

Minister Ter Horst:

Het lijkt mij geen goed idee om naar aanleiding van de berichten die mevrouw Kuiken heeft gekregen, het hele brandweerkorps te informeren. Mijn voorstel aan mevrouw Kuiken is dat zij mij op de hoogte stelt welke korpsen deze signalen afgeven. Dan zullen wij die korpsen informeren.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Dat lijkt mij een goede suggestie. Ik trek hierbij mijn motie in.

De voorzitter:

Aangezien de motie-Kuiken c.s. (31700-VII, nr. 30) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

Minister Ter Horst:

Voorzitter. De motie op stuk nr. 31 van de heer Brinkman gaat over homogeweld. Hij vraagt de regering om een universiteit in Nederland of een andere objectieve instantie onderzoek te laten doen naar homogeweld door allochtonen en om hierbij ook daders met een dubbele nationaliteit, ongeacht of zij een tweede-, derde- of vierdegeneratieallochtoon zijn, als allochtoon aan te merken. De motie van de heer Brinkman is volgens mij overbodig. Het gaat om serieuze problematiek. De heer Brinkman kan ervan uitgaan dat ik en de politie die problematiek serieus zullen nemen. Ik vind de motie overbodig, omdat de Kamer in het voorjaar van 2009 de rapportage over homofoob geweld van mij zal krijgen, waarin de hele registratie over 2008 is opgenomen. De Kamer heeft kort geleden over het eerste deel van 2008 een rapportage gekregen. Begin 2009 zullen wij met een rapportage over heel 2008 komen. Ik ben wel bereid om die rapportage een beetje aan te kleden. Daarin zullen niet alleen de cijfers staan. Wij zullen ook proberen om daarvan een analyse te geven en om voorstellen te doen voor maatregelen om het homofobe geweld te verminderen. Hiermee probeer ik een handreiking te doen aan de heer Brinkman.

De heer Brinkman vraagt in zijn motie op stuk nummer 32 over de waterschappen of de regering bereid is om alle waterschappen op te heffen en de taken van de waterschappen te incorporeren binnen het takenpakket van de provincies. Ik ontraad de Kamer aanneming van deze motie. Er zijn in het coalitieakkoord geen afspraken over gemaakt en, belangrijker nog, het kabinet is van mening dat de waterschappen hun rol in bestuurlijk Nederland vervullen en dat er geen reden is om te komen tot opheffing van de waterschappen.

De motie van de heer Brinkman op stuk nr. 33 betreft de hoofddoekjes van politiepersoneel. De heer Brinkman verzoekt de regering, politievrouwen ook binnen een politiebureau te verbieden een hoofddoekje te dragen. Ik ontraad de Kamer aanneming van de motie. Ik heb aangegeven dat ik vind dat het dragen van een hoofddoek niet mag in combinatie met een uniform en ook niet in publieksfuncties. Het kabinet heeft er echter geen bezwaar tegen dat iemand die in de backoffice werkt en geen publieksfunctie heeft, een hoofddoekje draagt. Ik heb de Kamer dat standpunt doen toekomen en ik zal het met de bonden nog hebben over de precieze uitwerking. De opvatting van het kabinet hierover houdt gelijke tred met het advies van de Commissie Gelijke Behandeling. De motie van de heer Brinkman doet dat in mindere mate.

In zijn motie op stuk nr. 34 over geweld door Marokkanen verzoekt de heer Brinkman de regering, de burgemeesters en korpschefs op te leggen dat de politie bij constatering van enig geweld of anderszins, misdrijven gepleegd door dit Marokkaans... door Marokkanen ogenblikkelijk en altijd tot aanhouding van de verdachten dient over te gaan. Ik ontraad de Kamer aanneming van deze motie. In alle gevallen waarin het opportuun, noodzakelijk of wenselijk is dat verdachten worden aangehouden, gebeurt dat ook. Dat is onafhankelijk van iemands huidskleur, dan wel culturele achtergrond.

In de motie op stuk nr. 35 wordt de regering verzocht, onderzoek te doen naar de feitelijke beschikbaarheid van agenten in landelijke gebieden in landelijke gebieden en te bevorderen dat tot een evenwichtige spreiding wordt gekomen. Ik moet de Kamer aanneming van deze motie ontraden. Waarom? Omdat het de verantwoordelijkheid is van de regionale colleges om tot een verdeling te komen van de agenten over het gebied. In een regionaal college worden daarover afspraken gemaakt. Ik acht het mijn taak noch mijn verantwoordelijkheid om daarin in te grijpen. Aangezien het een regionale verantwoordelijkheid is, hebben de indieners wellicht partijgenoten op regionaal dan wel lokaal niveau die daar hun invloed kunnen aanwenden.

In de motie op stuk nr. 36 wordt de regering verzocht, de gemeenten niet te ontraden of te ontmoedigen Mosquito's te gebruiken, alvorens met de Kamer is overlegd over de grondwettelijkheid en de wenselijkheid van deze voorziening. Mijn voorstel is deze motie aan te houden, want ik ben uiteraard bereid met de Kamer over dat onderwerp te spreken. Ik zal dat ook doen voordat ik de gemeenten daarover iets bericht. De opvattingen van het kabinet hierover zijn bekend.

De motie op stuk nr. 37 gaat over de convenantsgelden voor de veiligheidsregio's. Ik moet de Kamer aanneming van deze motie ontraden. Het zou ten opzichte van al die regio's die met mij een convenant hebben gesloten niet zorgvuldig zijn om tijdens het spel de regels te veranderen. Dat zou betekenen dat ik eerst tegen die regio's heb gezegd dat ik van hen verwacht dat zij aan bepaalde eisen voldoen, maar dat ik nu aangeef dat dit toch niet hoeft en dat ik andere regio's ook die mogelijkheden bied. Ik vind dat niet netjes en het is bestuurlijk niet consistent. Mijn tweede argument om de aanneming van deze motie te ontraden, is dat het niet nodig is. Regio's die willen samenwerken in de vorm van districten, hebben die mogelijkheid al. Dat zie je gebeuren en daar is helemaal niets tegen. Zij hebben die mogelijkheid omdat de BDUR-regeling, die geld geeft aan veiligheidsregio's om tot een betere rampenbestrijding te komen, voldoende middelen biedt. Zij biedt veel meer middelen dan in voorgaande periodes om tot een dergelijk samengaan in districten te komen. Het is dus niet nodig en ook niet netjes.

De heer Anker (ChristenUnie):

Wat "niet netjes" betreft: ik zou het ook heel vervelend vinden als ik achteraf de spelregels zou veranderen. Het punt is dat wij hier wel eens zijn begonnen aan een discussie daarover en dat wij toen hebben gezegd dat wij het daarover moeten hebben wanneer wij de Wet op de veiligheidsregio's gaan bespreken. Dat duurt alweer bijna een jaar. De Kamer heeft dus niet echt de gelegenheid gehad om zich überhaupt te bemoeien met die spelregels. Wij komen nu in een situatie waarin zich een flink aantal regio's heeft gevormd, maar juist regio's waar men daar moeite mee heeft en waar men andere vormen van samenwerking heeft gevonden, zeggen: wij doen ons best, maar wij krijgen geen geld. Er is daar wel degelijk van alles en nog wat in beweging gezet. Ik vind het dan netjes om dat toch te honoreren.

Minister Ter Horst:

Ik wil mijzelf niet herhalen; dat is niet de bedoeling. Ik zou het ten opzichte van de negentien regio's waarmee ik een convenant heb gesloten, niet netjes vinden als andere regio's die niet aan de in dat convenant opgenomen voorwaarden voldoen, toch die financiële mogelijkheden krijgen. Dat zou mij echt te ver gaan. Ik begrijp de ergernis van de heer Anker enigszins, in de zin dat hij – net als ik overigens – had gehoopt dat wij met elkaar eerder over de Wet op de veiligheidsregio's hadden kunnen spreken. Ik ga ervan uit dat dit nu zeer binnenkort kan. Afhankelijk van de agenda van de Kamer – dat snap ik ook – zou dat misschien nog voor de kerst kunnen. Het is echter absoluut later dan wij beiden hadden gehoopt.

De heer Anker (ChristenUnie):

Die laatste opmerking vind ik een beetje flauw, want de verantwoordelijkheid voor de late behandeling ligt niet bij de Kamer. Wij wachten namelijk al een tijdje op uw nader verslag. Als u had gehoopt dat wij het er snel over zouden hebben en dat wij niet achteraf dit soort debatten zouden hoeven voeren, dan hadden wij dat nader verslag eerder moeten hebben. Bovendien hadden wij dan eerder een principiële discussie moeten voeren over de vraag op welke wijze wij de veiligheidsregio vormgeven voordat ze in de praktijk al steeds verder vorm krijgen. Dat was ook mijn bezwaar in eerste termijn. Wij gaan straks juridisch afhechten wat in de praktijk aan het ontstaan is.

Minister Ter Horst:

Het is was niet de bedoeling om flauw te zijn en ik heb ook niet gezegd dat het de verantwoordelijkheid van de Kamer is dat wij dit zo laat bespreken. Absoluut niet. Dat is mijn verantwoordelijkheid. Ik heb gezegd dat wij het beide betreuren, omdat ik zelf niet de mogelijkheid had om het in hoger tempo dan nu het geval was naar de Kamer toe te leiden. Dit is namelijk een buitengewoon ingewikkelde kwestie.

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik heb nog een vraag over de motie op stuk nr. 36 over Mosquito's. De minister heeft gevraagd, haar aan te houden. Ik zal mij daarover beraden en dat bespreken met de mede-indieners. Wanneer komt daar echter duidelijkheid over? De minister heeft aan het begin van het jaar naar aanleiding van allerlei vragen daarover gezegd dat zij nog voor de zomer met een rapport op dat punt zou komen. Daarin zouden dan uitgebreid alle voor- en nadelen en wenselijkheden worden besproken. Wij horen haar nu echter alleen maar kort zeggen: ik ben er eigenlijk niet zo voor. Verder hebben wij helemaal geen argumentatie gehoord. Wanneer krijgen wij daarover een fatsoenlijk stuk van de minister?

Minister Ter Horst:

Ik heb gezegd dat ik bereid ben om daar met u over te spreken. Daarvoor hebt u informatie nodig. Ik zal dan ook zorgen dat u die informatie krijgt. Het gaat er met name om dat ik aan de Kamer heb toegezegd dat ik zou kijken of er grondwettelijke bezwaren zijn tegen het gebruik van de Mosquito. Die exercitie heb ik uitgevoerd. Daarnaast heb ik mij ook afgevraagd of dit een wenselijk middel geacht moet worden. Over die beide overwegingen – dus de toetsing aan de Grondwet of er bezwaren zijn vanuit mensenrechtelijk oogpunt en mijn opvatting over het gebruik van de Mosquito – zal ik de Kamer uiteraard berichten voordat wij daar in een algemeen overleg of anderszins over zullen spreken. Doe ik hiermee recht aan uw vraag?

De heer Van der Staaij (SGP):

Wanneer komt daar dan duidelijkheid over?

Minister Ter Horst:

Die kan ik heel snel geven. Die exercitie is wat mij betreft namelijk afgerond.

De heer Van der Staaij (SGP):

Omdat al veel eerder was aangekondigd dat het er aan zat te komen, verbaasde het mij dat wij nu alleen de conclusie hoorden en niet de argumentatie.

Minister Ter Horst:

Dat begrijp ik. Dat heb ik echter gedaan vanuit het idee dat ik, als ik er wel een wettelijke basis voor zou creëren, naar de Kamer toe zou komen. Ik begrijp nu echter dat de Kamer eraan hecht dat ik – dat staat namelijk in de motie – ook als ik dat niet doe, dit met haar bespreek. Dat is de reden waarom de Kamer dat stuk nu pas krijgt.

Mevrouw Griffith (VVD):

Ik hoop dat de minister het met mij eens is dat hierover nu een beetje verwarring is ontstaan in het land. Daarom zou ik het fijn vinden als wij in de toekomst in dit soort gevallen eerst een stuk krijgen, zodat wij daar op een goede manier over kunnen praten. Nu is in bijna alle kranten gezegd dat het niet mogelijk is. Gemeenten worden nu onrustig.

Minister Ter Horst:

Laten wij nu even wel wezen, een gemeente hangt zo'n ding op en doet dat op eigen verantwoordelijkheid. De wettelijke situatie is niet beter of slechter geworden. Die was precies hetzelfde op het moment dat ze dat ding ophingen, als nu. Ik zal u de informatie die ik heb en mijn opvatting daarover zo snel mogelijk doen toekomen. Dan kunnen wij daar ook zo snel mogelijk over spreken en als er een onduidelijkheid is, die zo snel mogelijk wegnemen.

In de motie van de heer Van der Ham op stuk nr. 38 wordt de regering verzocht om naar aanleiding van de bevindingen zo spoedig mogelijk met een plan te komen voor verdere intensiveringen van de bestrijding van homofoob geweld. Ik heb net in de richting van de Kamer naar aanleiding van een andere motie gezegd dat ik bereid ben om het overzicht dat in het voorjaar wordt gegeven, aan te kleden. Volgens mij past hetgeen de heer Van der Ham wil, daar precies in. Ik heb dan ook de neiging om te zeggen dat deze motie overbodig is en om de aanneming daarvan te ontraden.

De laatste motie is die van de heer Van der Ham en de heer Heijnen over "early voting". Dat is een verzoek aan de regering om te onderzoeken op welke wijze binnen Nederland gekomen kan worden tot een veilige en werkbare vorm van early voting en hoe een bijdrage kan worden geleverd aan verdere opkomstbevordering. Deze motie is ingediend naar aanleiding van de mogelijkheden die daarvoor in de Verenigde Staten bestaan. Ik ontraad aanvaarding van deze motie. De staatssecretaris heeft in eerste termijn al gezegd dat er naar haar oordeel geen reden is om over te gaan tot early voting in Nederland. De stemlokalen hebben ruime openingstijden. Kiezers die op de dag van de verkiezingen niet in staat zijn om hun stem uit te brengen, kunnen eenvoudig iemand anders via volmacht laten stemmen. Het opkomstpercentage bij verkiezingen voor de Tweede Kamer is heel erg hoog, zo rond de 80. Wij zien allemaal graag dat het 100 wordt. De noodzaak van early voting zien wij echter niet in.

Mij resten nog de amendementen en de vraag van mevrouw Kuiken. De heer Van Raak heeft een amendement ingediend over het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie. Ik heb al gezegd dat wij bij de evaluatie in 2009 bekijken of wij de zaak voortzetten. Het onderwerp wordt ook door mij van belang gevonden. Ik ontraad aanvaarding van dit amendement om die reden.

De heer Van Raak (SP):

Dit verdient enige toelichting. Discriminatie moet geregistreerd worden. Ik begrijp dat daar nu 0,85 fte voor is. Daar moet het hele land het mee doen. Dat lukt niet. Het expertisebureau heeft twee doelen: de registratie op orde krijgen en houden, en mensen scholen die te maken hebben met aangifte van discriminatie. Het gaat dus om uitbreiding en om voortzetting. Een minister die alles in het werk wil stellen om discriminatie te bestrijden, moet toch vijf ton over hebben voor een centrum dat wil registreren en scholen? Die twee dingen wil de minister toch ook zien gebeuren?

Minister Ter Horst:

Het is goed om te blijven kijken naar wat wij al doen. Over registratie is in 2007 met de politie afgesproken dat wij vanaf 2008 discriminatie registreren. Registratie gebeurt dus al. Daarom kunnen wij ook het aantal homofobe incidenten aan de Kamer melden. Wij registreren alle incidenten die te maken hebben met discriminatie. Daarnaast sprak de heer Van Raak over scholing. Er wordt op dit moment al sterk geïnvesteerd in de opleiding van agenten. Dat doen wij in de vorm van "multicultureel vakmanschap". Zo heet dat. In de initiële opleiding voor agenten en daarna is dat geborgd. Bovendien is een bedrag van € 280.000, ter beschikking is gesteld aan de korpsen. Dit is eveneens te besteden aan multicultureel vakmanschap. Ik weet niet of de heer Van Raak dit allemaal wist, maar mijn opvatting is in ieder geval dat wij hiermee al voor een groot deel datgene realiseren wat de heer Van Raak met zijn amendement beoogt.

De voorzitter:

U sloeg het amendement op stuk nr. 16 over, minister.

Minister Ter Horst:

Daaraan kom ik nu toe. Dit amendement, eveneens van de heer Van Raak, betreft het klokkenluidersfonds. De heer Van Raak stelt voor om daarvoor een bedrag van 2 mln. vrij te maken. Ik ontraad de Kamer aanneming van dit amendement. Zoals men weet, heb ik op de begroting van BZK, waarover wij nu spreken, een bedrag van 2,5 ton opgenomen voor ambtenaren en eventueel ex-ambtenaren van Rijk en politie. De bedoeling is dat daarmee de kosten van juridische procedures kunnen worden gedekt, zodat niemand van klokkenluiden weerhouden wordt doordat hij de juridische procedures niet kan financieren. Naar mijn opvatting hebben wij niet meer nodig dan dat. Stel dat dit bedrag van 2,5 ton is uitgeput, ben ik altijd bereid om bij een volgende begroting een groter bedrag op te nemen.

De heer Van Raak (SP):

Vorig jaar heeft de Kamer een motie aangenomen voor een klokkenluidersfonds. De minister is erin geslaagd om deze op de extreemst minimalistische wijze uit te voeren, namelijk alleen voor haar eigen ambtenaren en voor 2,5 ton. Ik hoop dat ontzettend veel ambtenaren en politieagenten hiervan gebruik zullen maken. Daarom moeten wij niet een heel klein fondsje maken, maar een fonds waarmee wij in ieder geval uit de voeten kunnen. Het heeft ook een symbolische waarde dat wij een fonds hebben waarmee duidelijk wordt: mensen, als jullie in de problemen zijn, kunnen wij jullie helpen. Dan moet niet in oktober of in juli de bodem bereikt zijn. Daarnaast hoop ik – en een groot deel van de Kamer hoopt dit volgens mij eveneens – nog steeds op een fonds voor alle Nederlanders. Daar zal in ieder geval veel meer in moeten dan 2,5 ton.

Minister Ter Horst:

Ik weet niet of wij om symbolische redenen 2 mln. moeten vrijmaken. Dat betekent namelijk dat wij die 2 mln. niet aan iets anders kunnen besteden. De begroting van BZK is niet zo ruim dat wij zomaar 2 mln. kunnen stallen die wij niet zullen gebruiken. Ik ben daarvan dus geen voorstander. Met een bedrag van € 250.000 geven wij aan dat wij voor iedereen die bij het Rijk of bij de politie werkt of gewerkt heeft en die klokken wil of moet luiden, de kosten van de juridische procedures voor onze rekening willen nemen, als men daartoe zelf niet in staat is. Volgens de nieuwe regeling komen ook mensen die in het verleden bij het Rijk of bij de politie gewerkt hebben daarvoor in aanmerking. Dat is de beweging die wij maken. Daarnaast zei de heer Van Raak dat dit eigenlijk voor iedereen zou moeten gelden. Uiteraard, dat vind ik ook. De vraag is echter wel of wij dat moeten betalen. Daarom ben ik in overleg met de STAR, zoals wij met elkaar hebben gedeeld. Als ook de STAR voorstander is van een onafhankelijk meldinstituut, komen wij zeker nog over een dergelijk fonds te spreken.

De heer Van Raak (SP):

Het melden van maatschappelijke misstanden is niet de verantwoordelijkheid van werkgevers maar van de overheid, de gemeenschap. Daarom moet deze minister dit regelen. Zij moet het niet aan anderen overlaten. Kunnen wij dan ook de minimalistische afspraak maken dat de minister niet wacht tot de nieuwe begroting, mocht halverwege het jaar het geld opraken, maar dat zij dan gewoon extra geld in het fonds stort? Is de minister het met mij eens dat die kans aanwezig is? Als het fonds een succes wordt, is het geld op.

Minister Ter Horst:

Hierin volg ik ongeveer dezelfde redenatie als net. Als mensen een beroep doen op het fonds voor de juridische procedures, kunnen wij niet het eerste halfjaar zeggen dat zij dat geld krijgen en in het tweede halfjaar dat zij het niet krijgen. Dat gaat niet gebeuren. Zou het zo zijn dat op de helft van het jaar de € 250.000 uitgegeven is, en daarna nog mensen een beroep op ons doen voor juridische procedures, dan zal dat worden gehonoreerd.

Ik kom op het amendement van de heer Bilder. Daarin wordt gesteld dat de toerusting van (kandidaat-)gemeenteraadsleden – het gaat alleen om gemeenteraadsleden – in de eerste plaats een taak is van politieke partijen en hun scholingsinstituten. De heer Bilder beoogt met het amendement middelen in te zitten via politieke partijen en hun scholingsinstituten. Ik laat het oordeel over dat amendement over aan de Kamer. Politieke partijen hebben evenals alle andere organisaties in dit land die subsidie ontvangen een subsidietaakstelling gekregen. Wij moeten voorkomen dat de indruk wordt gewekt dat de subsidietaakstelling via een andere weg weer ongedaan gemaakt wordt. Ik ben ervan uitgegaan dat dit niet de bedoeling is van het amendement. Ik heb het amendement dus op zijn merites bekeken. De heer Bilder vindt dat de politieke partijen hiervoor verantwoordelijk moeten worden gemaakt. Dit zou betekenen dat ik niet meer verantwoordelijk ben. Ik zeg het maar even zoals het is. Als dit zou betekenen dat er centraal geen geld meer beschikbaar zou zijn voor dit soort dingen, via de VNG of anderszins, en alles via de politieke partijen loopt, gaat daarmee de verantwoordelijkheid over naar de politieke partijen. Ik weet niet precies wat de dekking is, maar het hangt er een beetje vanaf of er geld overblijft om het op een andere wijze te doen. Uiteraard voel ik mij daarvoor dan wel verantwoordelijk.

De heer Bilder spreekt over politieke partijen, maar het gaat over gemeenteraadsleden. Ik ga ervan uit dat ook gemeenteraadsleden van lokale politieke partijen daarvoor in aanmerking komen. De heer Bilder heeft dit niet expliciet gezegd in zijn toelichting, maar ik zou het wel netjes vinden als dit ook geldt voor lokale politieke partijen. Dit zou ook betekenen dat daarmee een al lang bestaande discussie met lokale politieke partijen voorbij is. Zij willen de kwaliteit van hun gemeenteraadsleden namelijk ook verbeteren. Dat kan ik niet doen omdat ik niet degene ben die geld verschaft aan lokale politieke partijen. Daarom wordt de discussie al jaren gevoerd. Met dit amendement zal ook dit probleem uit de wereld zijn. Nogmaals, ik heb ervan gezegd wat ik ervan heb gezegd. Ik laat het oordeel over het amendement aan de Kamer.

De heer Bilder (CDA):

Ik wil nog even ingaan op een paar opmerkingen van de minister. De minister spreekt over het budget. Bij mijn weten is hetgeen wij hier hebben genoemd, niet het totale beschikbare bedrag voor de opleiding van raadsleden. Dat is mijn antwoord op de vraag van de minister.

Wij stellen verder dat het bedrag bedoeld is voor het opleiden van raadsleden. Daarmee spreekt het voor zich dat een ieder die vanuit zijn organisatie het opleiden van raadsleden als een taak kan zien, dus iedere politieke beweging of partij ...

De voorzitter:

De afspraak is dat een interruptie niet langer dan een halve minuut mag duren.

De heer Bilder (CDA):

Ik ben ook bijna aan het einde van mijn antwoord. Wat mij betreft is het vanzelfsprekend dat een ieder die de verantwoordelijkheid heeft voor het opleiden van raadsleden, kan putten uit dat budget.

Minister Ter Horst:

Het zal dan ook niet gaan via de Wet subsidiëring politieke partijen, maar via een projectsubsidie of anderszins, waar ook andere dan de geëigende politieke partijen voor in aanmerking komen.

Het amendement op stuk nr. 20 van de heer Heijnen betreft het voorstel om middelen voor de bevordering van de opkomst bij verkiezingen in te zetten via politieke partijen. Wij hebben er heel serieus naar gekeken, maar ik moet aanneming van het amendement ontraden. Wij zien het als onze verantwoordelijkheid om de opkomst te bevorderen. Wij zien dit niet uitsluitend als een verantwoordelijkheid van de politieke partijen zelf. De regering heeft volgens ons de verantwoordelijkheid om te stimuleren dat zo veel mogelijk mensen gaan stemmen. Wij ontraden aanneming van dit amendement dus met name op principiële gronden.

Mevrouw Kuiken heeft gevraagd of het mogelijk is om te komen tot een veelplegersaanpak van overlastgevenden, vanuit de redenatie dat zo'n aanpak ook is gebruikt voor drugsverslaafden. Dat gebeurt in feite al. Er vindt een aantal dingen plaats. Wij proberen natuurlijk om te voorkomen dat jongeren afglijden naar de criminaliteit. De Kamer is op de hoogte van de FF Kappe-bevelen, ProKid, het stapelen van boetes et cetera. Met name het stapelen van boetes, waarbij bij de rechter tot één eis wordt gekomen, is al staande praktijk. De aanpak van de veelplegers onder drugsverslaafden bestond er ook uit dat een aantal strafbare feiten werd opgeteld en dat de strafmaat dus niet ging over een enkel feit, maar over een stapeling daarvan. Dus de mogelijkheid om meerdere boetes te combineren tot één eis bij de rechter bestaat nu ook al.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

De stemmingen over de ingediende moties vinden volgende week dinsdag plaats.

Ik had ook nog kunnen zeggen dat de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wegens verblijf in het buitenland vandaag afwezig was.

De vergadering wordt van 17.05 uur tot 17.15 uur geschorst.