Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-2008nr. 92, pagina 6531-6534

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 14 mei 2008 over zwerfjongeren.

De voorzitter:

Ik verzoek de woordvoerders, alleen eventueel te interrumperen bij de reactie van de minister op ingediende moties.

Mevrouw Agema (PVV):

Voorzitter. Ongeveer duizend kinderen in Nederland leiden een zwervend bestaan. Wij willen deze kinderen een thuis en een toekomst geven, dat is het beste wat wij voor hen kunnen doen. De gesloten jeugdzorg is de zwaarste vorm van jeugdzorg en deze dient in het uiterste geval ingezet te worden, zo schreef minister Rouvoet al een keer in een brief aan de Kamer. Volgens ons is er beslist sprake van "in het uiterste geval" wanneer kinderen een zwervend bestaan leiden. De minister moet actie ondernemen in plaats van afwachten en hopen dat alles op termijn wel weer goed zal komen. In wezen doet de minister op dit punt niets.

Wij willen dat deze kinderen op adem kunnen komen, dat zij de kans krijgen om hun leven weer op de rit te zetten, dat zij geholpen worden om te werken aan een rooskleurige toekomst. Daarom dien ik een motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, er zorg voor te dragen dat de circa 1000 minderjarige zwerfkinderen in ons land door middel van een rechterlijke machtiging ondergebracht worden in jeugdzorginstellingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Agema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 3(31323).

Mevrouw Bouchibti (PvdA):

Voorzitter. In een beschaafd land als Nederland mag het niet voorkomen dat jongeren op straat leven of, erger nog, slapen. Dit kunnen wij niet tolereren, dit is een welvarend land als Nederland onwaardig. Onze fractie ziet dat er op lokaal, provinciaal en landelijk niveau meer aandacht wordt besteed aan deze problematiek. Ook uit de brief van de minister bleek al dat dit voor de regering een belangrijk thema is; dank voor deze brief.

Er blijft voor ons nog wel een punt over. Niet alle betrokken partijen gebruiken de definitie van zwerfjongeren die de regering heeft aangegeven, terwijl het ons toch vereist lijkt om in ieder geval over hetzelfde te spreken. Daarom hebben wij de motie die mevrouw Uitslag zal indienen, mede ondertekend.

Mevrouw Uitslag (CDA):

Voorzitter. Opnieuw staat het onderwerp zwerfjongeren op de agenda, dat is mooi. De Kamer en de minister hebben in drie termijnen gedebatteerd over de definitie, de ketensamenwerking tussen de jeugdzorg en de gemeentelijke instanties, de "warme overdracht" en de 18-minners, die door de jeugdzorg nog al te vaak en al te gemakkelijk worden doorgeschoven naar het volwassenencircuit.

Wij hebben het nu over jongeren die een zwervend bestaan leiden, die moeilijk te vatten zijn omdat zij niet opvallen, en die veelal door de jeugdzorg en door onze samenleving zijn uitgekotst. Vaak gaat het om jongeren die zelf ook klaar zijn met de jeugdzorg, dus laten wij de complexiteit van deze doelgroep niet onderschatten. Het gaat bijvoorbeeld over Danny, die nu in Hardenberg verblijft, opgevangen door het Leger des Heils. Hij is twintig en hij heeft een half uur nodig om mij te vertellen hoe hij van Rotterdam naar Hardenberg is gezworven, omdat hij zijn geheugen kapotgeblowd heeft. Het gaat om kinderen met een heel bizarre achtergrond of gezinssituatie.

De regering geeft aan dat zij de randvoorwaarden waarborgt voor het voeren van regie door gemeenten en voor een warme overdracht van de ene instelling naar de andere. Maar wat ons betreft is er voor de betrokken bewindslieden een grotere rol bij de ketensamenwerking weggelegd. De minister is verantwoordelijk voor een goed werkende jeugdzorgketen en een sluitende aanpak. Hij zal de ketenpartners moeten wijzen op hun verantwoordelijkheid en hij zal concrete stappen moeten zetten om de koers te bepalen. De staatssecretaris voert overleg met betrokken organisaties over de definitie van zwerfjongeren. Wij dringen erop aan dat er snel een definitie bepaald wordt en dat er rekening gehouden wordt met de bijzondere positie van zwerfjongeren, zowel in het jeugdzorgbeleid als in de maatschappelijke opvang. Zwerfjongeren zijn moeilijk te vatten, maar als zij eenmaal in beeld zijn, mag geen enkele instantie ze meer loslaten. Of het nu de gemeente, Bureau Jeugdzorg of andere zorginstellingen zijn, zij mogen niet meer worden losgelaten. Het is onze verantwoordelijkheid. Daarom wil de fractie van het CDA samen met die van de PvdA een motie indienen om eerder gevoerde debatten kracht bij te zetten.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat door gemeenten en instanties verschillende definities van het begrip "zwerfjongeren" worden gehanteerd met verschillende leeftijdsgrenzen en dat dit de eenduidigheid van beleid en ketensamenwerking niet ten goede komt;

constaterende dat binnen de Wet op de jeugdzorg een leeftijdsgrens wordt gehanteerd van 18 of 23 jaar en binnen de Centra voor Jeugd en Gezin een leeftijdsgrens van 23 jaar, dat de definitie van zwerfjongeren tot 25 jaar geldt en dat sommige zwerfjongeren hierdoor buiten de boot dreigen te vallen;

overwegende dat zwerfjongeren moeilijk in beeld komen bij verschillende instanties en een bijzondere positie innemen tussen het beleid en de financiering van jeugdzorg en maatschappelijke opvang;

verzoekt de regering, in samenspraak met de VNG en betrokken organisaties vóór het einde van het jaar een eenduidige definitie van zwerfjongeren te ontwikkelen en te hanteren, waarbij de leeftijdsgrens niet tot problemen en afschuifgedrag leidt bij de verantwoordelijke instanties,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Uitslag en Timmer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 4(31323).

Mevrouw Leijten (SP):

Mevrouw de voorzitter. Ik zal het niet lang houden, want wij hebben in drie termijnen goed gesproken over de vraag wat wij nog moeten doen om zwerfjongeren geen zwervend bestaan te laten leiden. De minister is goed ingegaan op de zorgen en wensen van de Kamer, maar er is nog één punt waarop wij de minister een duwtje in de rug willen geven. Dat betreft de aansluiting tussen de gemeente en het Bureau Jeugdzorg op het moment dat een jongere een zwervend bestaan leidt. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat zwerfjongeren niet tussen wal en schip mogen vallen;

verzoekt de regering, bij de ontwikkeling van nieuwe plannen de gemeente de leiding te geven bij het bepalen van behandeling van zwervende jongeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Leijten. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 5(31323).

Wij wachten even tot de minister de moties heeft.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Rouvoet:

Voorzitter. Ik dank de woordvoerders voor hun inbreng. Wij hebben nu in een aantal termijnen goed met elkaar gesproken over de problematiek van de zwerfjongeren. Wij hebben geconstateerd dat er voor de verschillende instanties belangrijke verantwoordelijkheden liggen om aan die problematiek tegemoet te komen. De problematiek is inderdaad schrijnend. Wij zijn het daar volstrekt over eens.

Resteert in dit debat een reactie van mijn kant op de drie ingediende moties. De eerste motie is ingediend door mevrouw Agema. Zij komt terug op de vraag of de gesloten jeugdzorg voor minderjarige zwerfjongeren in alle omstandigheden de aangewezen voorziening is. Zij heeft in haar bijdrage in het debat terecht gezegd dat het zaak is om ook zwerfjongeren een thuis en een toekomst te bieden. Een vraag die in het overleg ook aan de orde was, is of de gesloten jeugdzorg in alle omstandigheden de meest aangewezen voorziening is. Ik heb toen uiteengezet dat dat niet op voorhand het geval is. Er zijn verschillende vormen van jeugdzorg beschikbaar, zoals mevrouw Agema ook weet. Als er een indicatie wordt afgegeven voor de een of andere vorm van jeugdzorg heeft ook een zwerfjongere recht op de zorg die geboden kan worden.

Voor de gesloten jeugdzorg, waarvan ik inderdaad heb gezegd dat dat in het uiterste geval een aangewezen vorm kan zijn, zijn specifieke voorwaarden gesteld. Dat is namelijk een zware vorm van jeugdzorg, die volgens de wettelijke voorschriften alleen open staat voor de jeugdigen met ernstige opgroei- en opvoedproblemen, die hun ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat opneming en verblijf in de gesloten jeugdzorg noodzakelijk is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg onttrekt of door anderen daaraan wordt onttrokken. Bepalend daarbij is dus dat het moet gaan om ernstige gedragsproblemen en opgroei- en opvoedingsproblemen. Daarvoor is in de eerste plaats een indicatie van Bureau Jeugdzorg nodig en in de tweede plaats een machtiging van de kinderrechter dat gesloten jeugdzorg de aangewezen zorg is. Dat betekent namelijk nogal wat beperkingen in de vrijheid van jeugdigen. Op die twee voorwaarden, conform de wetgeving die door de Kamer geaccordeerd is, is gesloten jeugdzorg mogelijk, ook voor zwerfjongeren. Gesloten jeugdzorg kan echter geen oplossing zijn voor alle zwerfjongeren, ongeacht de aard van hun problematiek. Dan doen wij tekort aan de specifieke en zware vorm van gesloten jeugdzorg. Om die reden moet ik de aanneming van deze motie ontraden.

Mevrouw Agema (PVV):

Ik moet nu toch concluderen dat de minister dus eigenlijk helemaal niets doet voor de circa duizend kinderen die een zwervend bestaan leiden. Het gaat er, zoals ook duidelijk in de motie is te lezen, om dat die kinderen in ieder geval bij de nek gepakt worden en dat er iets met hen gedaan wordt. De minister doet echter helemaal niets. Wat doet hij nu concreet voor die duizend kinderen die een zwervend bestaan leiden?

Minister Rouvoet:

Die conclusie laat ik uiteraard geheel voor u. Wij hebben in drie termijnen een heel debat gevoerd. U kon bij de beantwoording van mijn kant niet aanwezig zijn, heb ik begrepen. Ik heb toen op uw vragen op dit punt gereageerd. Wij hebben uitvoerig met elkaar gesproken. U hebt ook van een aantal woordvoerders gehoord dat het een goed debat is geweest. Er zijn verschillende vormen van zorg beschikbaar, ook voor zwerfjongeren. Dat begint in het gemeentelijke domein, de opvang, maar als het nodig is moeten zij zo snel mogelijk worden doorgeleid naar vormen van jeugdzorg. Dat kan onder omstandigheden ook gesloten jeugdzorg zijn. Maar als u mij vraagt of de regering van mening is dat wij alle zwerfjongeren moeten opnemen in de gesloten jeugdzorg, ook als zij niet in aanmerking komen voor het specifieke, zware behandelaanbod dat daar geboden wordt, is mijn antwoord ontkennend.

De voorzitter:

Nee, mevrouw Agema. De minister heeft uitgebreid op uw motie geantwoord. De minister vervolgt nu zijn betoog.

Minister Rouvoet:

Voorzitter. In de tweede motie, ingediend door mevrouw Uitslag en mevrouw Timmer, wordt de regering gevraagd om in samenspraak met de VNG en betrokken organisaties voor het einde van het jaar een eenduidige definitie voor zwerfjongeren te ontwikkelen en te hanteren. Daarbij mag de leeftijdsgrens niet tot problemen en afschuifgedrag leiden bij verantwoordelijke instanties.

Ik beschouw deze motie als een ondersteuning van het beleid. Wij hebben in het overleg besproken dat zowel provincies als gemeenten ervan doordrongen moeten zijn dat een goede aansluiting noodzakelijk is. Wij hebben ook geconstateerd dat de leeftijdsgrenzen uiteen kunnen lopen waardoor je in ieder geval het risico loopt dat een behandeling niet op tijd wordt ingezet of dat een indicatie niet meer kan worden gerealiseerd.

Ik heb tijdens het algemeen overleg al gezegd dat ik inmiddels met de provincies in gesprek ben over die problematiek van de leeftijdsgrens, de voortzetting van de behandeling en de zorg voor een goede aansluiting tussen provincie en de gemeente, ook na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, opdat er een warme overdracht plaatsvindt. Ik zal dit gesprek voortzetten. Samen met staatssecretaris Bussemaker heb ik een casusonderzoek toegezegd waarin wordt nagegaan hoe vaak dit voorkomt en wat de redenen zijn om geen behandeling in gang te zetten. Daaraan wordt nu gewerkt.

De staatssecretaris heeft tijdens de eerste termijn van het algemeen overleg toegezegd dat zij met de VNG het gesprek zou aangaan over de definitie. Dit gesprek is inmiddels gaande. In die zin beschouw ik deze motie als een aansporing om dit gesprek voort te zetten met alle energie die wij hebben en op korte termijn tot een afronding te brengen. De indienster, mevrouw Uitslag, onderkent dat hier ook een verantwoordelijkheid voor de gemeenten ligt. Daarom is het gesprek met de VNG van groot belang. Zoals gezegd, zijn wij daarmee volop bezig en over de inzet mag geen twijfel bestaan. Wij moeten tot een eenduidige definitie komen, juist om die problematiek van de aansluiting op te lossen. Ik laat het oordeel over deze motie dus aan de Kamer met de aantekening dat wij haar beschouwen als een ondersteuning van het beleid.

Rest mij de motie van mevrouw Leijten waarin de regering wordt verzocht om bij de ontwikkeling van nieuwe plannen de gemeente de leiding te geven bij het bepalen van de behandeling van zwervende jongeren. Deze motie is voor mij wat problematisch, omdat zij open is geformuleerd. Ik weet niet precies op welke nieuwe plannen wordt gedoeld. De motie is heel algemeen en ik zal er dan ook in het algemeen op reageren.

Voor het bepalen van de behandeling van jongeren in het algemeen, of dit nu zwerfjongeren zijn of niet, is op grond van de vigerende wetgeving, de Wet op de jeugdzorg, het Bureau Jeugdzorg aangewezen. Dit bureau bepaalt wat er geïndiceerd is aan zorg. Ik wil dat graag zo houden. Het is bekend dat wij volgend jaar nog eens goed zullen kijken hoe die wet in de praktijk functioneert, maar gegeven de wettelijke taak van het Bureau Jeugdzorg om een indicatie af te geven bij de behandeling van jongeren, dus ook zwerfjongeren, die zorg nodig hebben, moet ik het aannemen van deze motie ontraden. Zo verschuift die taak voor zwerfjongeren naar de gemeenten en daarvan kan binnen het huidige wettelijke stelsel geen sprake zijn.

Mevrouw Leijten (SP):

Ik begrijp niet dat de minister het aannemen van deze motie ontraadt, want hij heeft zelf gezegd dat hij van mening is dat de gemeenten doorzettingsmacht moeten krijgen. Het cruciale punt is dat een gemeente die zegt: wij hebben hier een meisje dat of jongen die klaar is met Bureau Jeugdzorg maar waarvoor wij maatschappelijke opvang kunnen regelen, een indicatie voor intern verblijf nodig heeft om dat te kunnen bekostigen. Bureau Jeugdzorg moet dan afgaan op de gemeente. Dat willen wij regelen. Wij hebben dit in het debat niet kunnen bereiken en daarom heb ik deze motie ingediend. Ik ontken de rol van het Bureau Jeugdzorg niet, maar in dit specifieke geval dat een jongere blijkbaar niet goed is behandeld door het Bureau Jeugdzorg – hij leidt immers een zwervend bestaan – moet een gemeente doorzettingsmacht hebben.

Minister Rouvoet:

Bedoelt mevrouw Leijten met haar motie te zeggen dat zij het eens is met de regering dat als instanties er zelf niet uitkomen, de gemeente in laatste instantie een doorzettingsmacht moet hebben omdat zij daar niet in kan berusten? Uiteindelijk moet er een beslissing worden genomen conform de brief die ik medio november 2007 aan de Kamer heb gestuurd en waarin ik schrijf dat in laatste instantie de gemeente – lees: in de praktijk de wethouder jeugd – een doorzet­tingsmacht moet hebben omdat een bepaalde instantie een oplossing moet vinden. Daarin is voorzien en daarvoor komt een wettelijke regeling.

De motie van mevrouw Leijten wekt echter de indruk verder te gaan, namelijk dat gemeenten de leiding moeten krijgen bij het bepalen van de behandeling van zwervende jongeren. In die zin gaat de motie te ver en is ze te open, omdat dit op zijn minst de indruk wekt dat dit in de richting gaat van indicatiestelling die bij Bureau Jeugdzorg hoort. Als de motie alleen betekent dat mevrouw Leijten het eens is met de regierol van de gemeenten, is ze op zijn minst overbodig.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Wij zullen aanstaande dinsdag over de ingediende moties stemmen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.