Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Regels die een geconcentreerde aanpak van grootstedelijke problemen mogelijk maken (Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek) (30091).

De voorzitter:

Ik deel aan de Kamer mede dat wij op verzoek van minister Pechtold zo omstreeks kwart over zes met dit debat zullen stoppen. Ik heb gemeend, er goed aan te doen om dit verzoek in te willigen, want hij heeft vanavond een diner ter gelegenheid van zijn afscheid als burgemeester van Wageningen. Ik stel vast dat de Kamer hiermee instemt.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Voorzitter. Wij behandelen nu de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek. Dit klinkt nog een beetje theoretisch, maar ik zal zo dadelijk schetsen wat deze wet in de praktijk kan betekenen. En ik zal maar meteen met de deur in huis vallen, de fractie van GroenLinks heeft grote moeite met deze wet, die ook wel bekend staat als "de Rotterdamwet". Het is een wet waarin onder andere wordt geregeld dat gemeenten overlast gevende panden sneller kunnen sluiten en dat de ozb voor ondernemers in oude wijken verlaagd wordt. Hier is nog wel iets voor te zeggen, daar kom ik nog op terug. Maar het ernstigste element in de wet vinden wij dat mensen zonder betaald werk een woning in bepaalde wijken kan worden geweigerd. Onze fractie kan dit niet anders zien dan als discriminatie in de zuiverste vorm, en daarmee zou de Nederlandse politiek zich toch niet moeten inlaten.

Hoewel ik de eerste zal zijn om te erkennen dat Rotterdam en de andere grote steden voor enorme problemen en uitdagingen staan, wijs ik dit onderdeel van deze wet af. Het komt er namelijk op neer dat je wordt uitgesloten omdat je tot een bepaalde groep behoort. Ieder lid van die groep wordt geacht dezelfde kenmerken te hebben, dus als je geen inkomsten uit arbeid hebt omdat je in de bijstand, de WW of de WAO zit, zul je wel overlast veroorzaken, zul je wel crimineel zijn of zul je je wel met activiteiten bezighouden die niet door de beugel kunnen. Maar je kunt er toch niet van uitgaan dat een groep hierdoor gekenmerkt wordt, zodat je niet naar het individu hoeft te kijken? Wij weten natuurlijk allemaal dat je mensen niet op deze manier mag stigmatiseren en dat je helemaal niet per se bepaalde kenmerken hoeft te hebben, als je tot een bepaalde groep behoort. Ik moet zeggen dat ik het zeer ernstig vind dat in een Nederlandse wet dit uitgangspunt wordt gekozen en dat wij op deze manier keuzes zouden moeten maken. Ik zei het al, het komt neer op: u heeft een uitkering, dus u deugt niet; u bent arbeidsongeschikt, dus u zult wel overlast geven; u heeft geen baan, dus is er voor u geen plaats in de herberg.

Onze fractie vindt dit uitgangspunt fundamenteel fout en bovendien discriminerend. Ook hebben wij geen enkel vertrouwen in het probleemoplossende vermogen van deze wet. Op basis van de stapel stukken die wij hebben gekregen, vroeg ik mij af of de ministers misschien het vertrouwen in hun eigen beleid verloren hebben. Hebben zij het vertrouwen verloren dat de steden er met het grotestedenbeleid en de stedelijke vernieuwing weer bovenop geholpen kunnen worden? Geloven zij niet meer dat met investeren in de stadseconomie, de woningvoorraad, de sociale samenhang en de werkgelegenheid de negatieve spiraal in de oude wijken doorbroken kan worden? Was die analyse niet juist? Welk probleem wil dit kabinet met deze wet oplossen? Zijn de ministers het met mij eens dat zij met het botweg op slot gooien van de oude wijken voor nieuwe bewoners het vertrouwen in de toekomst van die wijken ondermijnen? Zijn zij het met mij eens dat zij door het zetten van een hek om de stad voor mensen zonder betaalde baan ten minste de indruk wekken dat de oude wijken zijn afgeschreven? Erkennen zij het risico dat het aanwijzen van deze gebieden zelfs averechts kan werken op het investeringsklimaat in die wijken en buurten?

Ik ben ervan overtuigd dat het niet effectief is om een hek rond de oude wijken te zetten en vervolgens tegen mensen zonder betaald werk te zeggen, dat zij er niet in mogen. Echter, ook als het wel zou werken, vindt de fractie van GroenLinks het nog altijd een onvoorstelbare maatregel. Dit kabinet zegt tegen een bijstandsontvanger die een woning wil betrekken, dat hij of zij ellende gaat geven in de buurt, niet omdat er enige concrete verdenking is tegen de persoon in kwestie, maar enkel op basis van statistieken. Dit kabinet zegt tegen arbeidsongeschikten dat zij een bedreiging zijn voor de leefbaarheid in de buurt. Dit kabinet zegt tegen een werkzoekende met een WW-uitkering, dat hij per definitie een onruststoker, crimineel of wietteler is. Dit kabinet schrijft mensen af. Dat vind ik onbestaanbaar en zeer stigmatiserend. En niet alleen dit kabinet doet het. Ik ben ook geschrokken van uitspraken van PvdA-bestuurders uit Delfshaven.

De heer Bruls (CDA):

De zendtijd voor karikaturen heeft nu wel lang genoeg geduurd. Mevrouw Van Gent, u gaf het zojuist zelf al aan: zelfs als deze wet zou werken, moet je het niet doen. Mijn vraag aan de fractie van GroenLinks is waar zij voor kiest. Kiest zij voor het laten voortgaan en ontwikkelen van de segregatie in heel veel wijken in ons land of houdt zij een algemene juridische beschouwing, waar ik nog op wacht, en laat zij de werkelijkheid voor wat het is? Het moet u toch ook niet ontgaan zijn dat er wel iets aan de hand is in Rotterdam en andere steden.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Mijnheer Bruls, ik weet dat u altijd goed naar mij luistert, waarvoor grote dank. In de tweede zin van mijn bijdrage heb ik aangegeven dat er wel degelijk iets moet gebeuren in de grote steden. Ik zal straks een aantal heel goede voorstellen doen die niet stigmatiserend en zeker ook niet discriminerend zijn. Ik heb de amendementen gezien waarmee u nog meer maatregelen wilt treffen zodat mensen bepaalde wijken niet in komen. Ik begrijp niet dat het CDA ermee instemt dat mensen vanwege het feit dat zij een bijstandsuitkering, WW-uitkering of een WAO-uitkering hebben, gestigmatiseerd worden. Tegen hen wordt gezegd dat zij de wijk niet in komen, omdat zij een potentiële overlastgever of een potentiële crimineel zijn. Dat is natuurlijk complete onzin, want er zitten heel veel mensen tussen die heel welwillend zijn en met wie niets aan de hand is. Als mensen, ook mensen die veel verdienen of studenten, overlast veroorzaken of er een potje van maken, moeten wij ze aanpakken. Het moet niet bij voorbaat op kenmerk gebeuren, vanwege het feit dat zij tot een bepaalde groep behoren. Ik kan het alleen maar zien als pure discriminatie, waarmee je de problemen niet oplost maar mensen problemen oplegt die zij misschien helemaal niet veroorzaken.

De heer Bruls (CDA):

Is de discriminatie die nu feitelijk plaatsvindt omdat mensen in sociaal-economische achterstanden leven, wat niets te maken heeft met stigmatisering van mensen, niet zoveel ernstiger dat je daar ook ernstige maatregelen voor moet treffen?. Ik hoor u daar niet over en heb u daar ook nooit over gehoord. Wat u hier vertelt, helpt die mensen toch niet?

De voorzitter:

Graag een korte reactie aan de heer Bruls, mevrouw Van Gent.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Mijn korte reactie is dat ik het er helemaal mee eens ben dat ook mensen met lage inkomens, met uitkeringen en middenkomens kansen en mogelijkheden moeten krijgen, veel meer dan nu het geval is. Zij zijn nu op bepaalde wijken aangewezen, omdat zij in randgemeenten niet welkom zijn, omdat er in rijke wijken voor hen geen plaats is. In de Vinexwijken kan misschien 2% van de mensen met lage inkomens terecht. Voor de rest is er geen plek. Laten wij daar dus iets aan doen. Ik zal daartoe straks ook een aantal voorstellen doen. Ik zeg dit al jaren, mijnheer Bruls, maar tot nu toe hebt u en heeft uw partij het er helaas bij laten zitten. Dat betreur ik. Maar goed, ik geef gewoon niet op. Ik zal ervoor blijven opkomen.

Voorzitter. Ik zei dat niet alleen het kabinet dergelijke uitspraken doet, groepen benoemd en daaraan problemen verbindt. Ook PvdA-bestuurders in wijken in Rotterdam zijn juichend enthousiast over de mogelijkheid om mensen met een laag inkomen puur op grond daarvan te weigeren. Daar ben ik toch wel van geschrokken, want van hen had ik beter verwacht. In het oorspronkelijke wetsvoorstel gaven deze ministers de problemen nog een kleur ook. Veel allochtonen betekende veel problemen en dus mochten die wijken op slot. Hoewel de term allochtonen uit de wet is gehaald, blijft er bij mijn fractie een vieze nasmaak over. Niet alleen bij mijn fractie overigens. Ik ben onlangs op de Mathenesserdijk in Rotterdam geweest. Ik heb daar een jongen gesproken met een vaste baan in het leger nota bene! Hij voldeed aan alle vestigings- en inkomenseisen en kreeg toch geen huisvestingsvergunning. Hij dreigt nu uit een huis gezet te worden. Hoewel de reden lag in tegenstrijdige bureaucratisch regeltjes, denkt deze jongen – dat heeft hij ook zo tegenover mij uitgesproken – dat het wel aan zijn achternaam zal liggen. Hij heet namelijk Samir Bemmadoush. Ik vind het heel erg dat dergelijke insteken worden gekozen en dit soort mensen op zeer onduidelijke gronden geweigerd wordt in een wijk.

Mevrouw Koser Kaya (D66):

Ik kan het niet laten, ik wilde eigenlijk keurig blijven zitten, maar ik ga deze vraag toch stellen. Denkt mevrouw Van Gent dat die zielige allochtonen waarover zij spreekt, ergens naar toe willen verhuizen omdat zij een bepaald inkomen hebben en nergens anders naar toe kunnen? Of is het omdat zij domweg niet anders kunnen dan naar die wijk gaan? Ik pas ervoor dat hier politiek wordt bedreven over de ruggen van allochtonen! Allochtonen willen ook goede huisvesting, een veilige woonomgeving. Zij willen een keertje serieus genomen worden!

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Precies! Daarom heb ik deze jongen ook uitgebreid gesproken. Hij was trouwens helemaal niet zielig. Dat heb ik ook niet gezegd. Hij voelde zich ook helemaal niet zielig. Hij voelde zich wel flink gepakt omdat hij graag in die wijk wilde wonen. Hij voldeed aan de eisen maar kwam via allerlei bureaucratische rimram toch niet in aanmerking. Hij zei zelf tegen mij dat het wel te maken zou hebben met zijn achternaam. Hij was diep teleurgesteld. Hij had een zeer brave baan in het Nederlandse leger aanvaard, maar hij had zoiets van wat ik ook doe, ik kom er gewoon niet tussen. Die jongen wilde daar graag wonen. Ik zei het al tegen de heer Bruls, ook voor deze jongen met een laag inkomen of een middeninkomen moet gelden dat hij in de randgemeenten of in de duurdere wijken kan wonen. Dat laat het beleid echter niet toe. Ik kom daarop straks nog uitgebreid terug. Ik misbruik niemand. Mevrouw Koser Kaya neemt het woord zielig in de mond. Ik geef alleen maar een schrijnend praktijkvoorbeeld, dat haar toch ook iets zou moeten doen.

Mevrouw Koser Kaya (D66):

Gaat die jongeman daar wonen omdat hij zich niets kan veroorloven in buurten waar het allemaal veel duurder is, of omdat hij echt graag daar wil wonen? Ik betwijfel dat namelijk. Ik denk dat de oplossing eerder gezocht moet worden in het creëren van een afspiegeling in alle buurten, ook in de witte wijken. Daarop moet mevrouw Van Gent de minister aanspreken!

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Wat mij betreft mag deze jongen overal wonen. Dat heb ik al helder aangegeven. Deze jongen behoort misschien tot een bepaalde afgebakende groep, maar hij veroorzaakt totaal geen problemen en zal dat waarschijnlijk ook niet gaan doen. Waarom zou men deze jongen dan stigmatiseren en min of meer verbieden om in deze wijk te wonen? Dat moet mevrouw Koser Kaya toch ook vreemd vinden!

Mijn fractie wil graag opheldering over de mensen die wél en de mensen die niet welkom zijn in de oude wijken. Ik ben het met de ministers eens dat de in Rotterdam gebruikte inkomensgrens – 120% van het minimumloon – niet deugt omdat daardoor gepensioneerden, deeltijdwerkers en studenten worden uitgesloten. Maar waarom zij nu mensen met een betaalde baan, gepensioneerden en studenten wél welkom en anderen niet? Klopt mijn constatering dat mensen met een bijstands-, WAO- of WW-uitkering worden uitgesloten en zo ja, op grond waarvan gebeurt dat? Waarom is bijvoorbeeld een arbeidsongeschikte die vrijwilligerswerk doet een gevaar voor de leefbaarheid en een alcohollist met een AOW-uitkering niet? Waarom is een bijstandsmoeder die deeltijdonderwijs volgt een bron van overlast en een groep corpsstudenten niet? Is dit geen discriminatie in de puurste vorm? Dit zegt overigens niet alleen GroenLinks, ook de Commissie Gelijke Behandeling, RADAR en hoogleraar Primus zijn die mening toegestaan. Ik zou een heel precieze reactie van het kabinet willen op deze vragen. Het is toch ook in strijd met de Huisvestingswet? Het was immers bedoeld om zwakken te beschermen en niet om hen uit te sluiten? Daarbij komt dat aan de mensen tegen wie het kabinet nu zegt dat zij er niet in komen, geen enkel alternatief wordt geboden. Een deel van de woningmarkt gaat op slot, maar op andere plaatsen komen er geen woningen bij. Waar moet die bijstandsmoeder, die arbeidsongeschikte of die werkzoekende dan heen?

In opdracht van de fractie van GroenLinks is onderzoek gedaan naar de woningmarkt in de regio Rotterdam. Ik zal de bewindslieden straks een exemplaar van dat onderzoeksrapport aanbieden. De conclusies daarin spreken voor zich: veruit de meeste goedkope en betaalbare woningen in de regio staan in Rotterdam. De randgemeenten hebben naar verhouding nauwelijks betaalbare huur- en koopwoningen. Die constatering heeft ook de commissie-Blok gedaan. Ik doel dan op Bleiswijk, Bernisse, Brielle, Rozenburg, Hellevoetsluis en West-Voorne.

De nieuwbouwproductie in de randgemeenten is eenzijdig gericht op hogere inkomens, waardoor de scheefheid tussen stad en ommeland alleen maar toeneemt. Kort gezegd, komt het erop neer dat mensen met een laag inkomen zijn aangewezen op de stad en dat personen met een hoog inkomen naar de randgemeenten vertrekken. Er is niemand die daartegen iets onderneemt, ook dit kabinet niet. Bijvoorbeeld de Vinexwijken zijn en blijven ontoegankelijk voor mensen met een minimuminkomen. Bij Rotterdam ligt Nesselande en bij Barendrecht Carnisselande. Helaas moet ik constateren dat in deze twee Vinexwijken nog geen 2% mensen met lagere inkomens kan wonen. Die wijken zijn dus ook in de nieuwe plannen volkomen ontoegankelijk voor deze mensen. De Kamerleden die mij zojuist hebben geïnterrumpeerd, zouden ook dat goed tot zich moeten laten doordringen. Deze minister onderneemt niets tegen de eenzijdige nieuwbouwplannen in de randgemeenten van Rotterdam en hetzelfde geldt voor andere stadsregio's. Er wordt nog steeds gediscussieerd, maar dat heeft nog steeds niet tot acties geleid.

Los van de principiële bezwaren, heeft mijn fractie veel praktische bezwaren tegen het plaatsen van een hek om de oude stadswijken. Het college van Rotterdam heeft een verheugende verklaring uitgebracht: het spreidingsbeleid werkt en inkomenseisen zijn een goed instrument. Het college baseert die tevredenheid op het feit dat zich tijdens de proefperiode minder mensen met een laag inkomen in de oude wijken hebben gevestigd. Van het experiment met de grens van 120% in Rotterdam word ik echter niet vrolijk. Dat is een typisch geval van "operatie geslaagd, patiënt overleden". In de plaats van degenen die op basis van de inkomenseisen zijn geweigerd, komen huisjesmelkers, illegale pensions, drugspanden, krakers en veel leegstand. De mensen die daar willen wonen, komen er dus niet in. Wel komen daar personen die niet gewenst zijn, zoals schimmige pandjesbazen die op grote schaal hun slag slaan.

Ik ben mijn betoog begonnen met de vaststelling dat de grote steden met behoorlijke problemen te kampen hebben. Ik ben van mening dat dit kabinet die steden, en met name de bewoners, van de regen in de drup helpt. De fractie van GroenLinks zou juist graag zien dat in de oude wijken na regen zonneschijn komt. In de eerste plaats is daarvoor nodig dat wij van kansarmen, kansrijken maken. Om dat te bereiken, moeten wij investeren in opleidingen, inburgering, taallessen en werkgelegenheid. In de tweede plaats dienen wij geen miljarden uit te geven aan bijvoorbeeld de Tweede Maasvlakte of de Betuwelijn, maar moeten wij investeren in echte banen in buurten en wijken.

Het voorstel van het kabinet om ondernemers in oude wijken te ondersteunen door minder ozb te heffen, vindt mijn fractie dan ook sympathiek. Dat neemt echter niet weg dat gemeenten blij worden gemaakt met een dode mus: het kabinet levert immers geen boter bij de vis. Ik vrees dan ook dat deze wettelijke mogelijkheid voor een ozb-korting een dode letter zal blijken. Als gemeentebestuurder zou ik liever mijn schaarse geld besteden aan specifieke investeringssubsidies in plaats van aan een generieke lastenverlichting voor het gehele bedrijfsleven in een bepaald gebied. Is het kabinet dat met mij eens? Is het de bedoeling dat wij ook ozb-korting geven aan een coffeeshop die zich wil vestigen, of aan een bordeel, een malafide uitzendbureau of een kamerbemiddelingsbureau? Die maatregelen zijn bedoeld voor alle ondernemers in een bepaalde buurt, maar het lijkt de fractie van GroenLinks beter om die specifieker onder de loep te nemen. Het is bijvoorbeeld een interessante optie om middels contractcompliance alleen die ondernemers te ondersteunen die daadwerkelijk een bijdrage leveren aan de wijkeconomie door jongeren op te leiden en werklozen uit de buurt in dienst te nemen.

Voorzitter. Naast investeren in mensen moeten wij investeren in woningen. Bouwen is een belangrijk antwoord op de problemen die het kabinet met dit wetsvoorstel wil oplossen. In de stad moet gemengder gebouwd worden. De woningvoorraad in de oude wijken moet gerenoveerd worden en, zo nodig, gesloopt. Door daar kwalitatief goede woningen neer te zetten, moeten mensen met een hoger inkomen verleid worden om zich in de stad te vestigen of er te blijven. Er moet gemengder gebouwd worden in de randgemeenten, zodat mensen met een laag inkomen zich in Bleiswijk, Rozenburg of Hellevoetsluis kunnen vestigen. Er moet gemengder gebouwd worden op de Vinexlocaties, zodat deze nieuwbouwwijken niet eenzijdig worden bevolkt door mensen met hogere en hoge inkomens. Er moet goedkoper worden gebouwd in de duurdere wijken. Als er ergens sprake is van eenzijdigheid, is het wel daar. Waarom worden bijvoorbeeld Kralingse villa's niet tot studentenhuizen verbouwd of leegstaande landhuizen in Wassenaar tot appartementen voor mensen op het minimum? De miljarden overschotten van de corporaties – inmiddels ligt er bijna 20mld aan investeringscapaciteit op de plank – moeten hiervoor met voorrang worden ingezet. De commissie-Blok had ook door dat dit moet gebeuren. Ik doe een klemmend beroep op de minister van VROM om dit eindelijk eens te regelen.

GroenLinks begrijpt dat investeringen in de woningvoorraad niet van de ene dag op de andere zijn gerealiseerd. De gemengdere wijken zullen er niet binnen nu en een paar jaar staan. Daarom kunnen wij ons voorstellen dat de komende jaren als tijdelijke maatregel het scheefwonen actief wordt bevorderd. Het wordt een beetje saai: ook de commissie-Blok heeft daar behartigenswaardige woorden over gesproken. Mensen met een laag inkomen moeten gemakkelijker toegang krijgen tot woningen in randgemeenten en Vinexwijken. De meerprijs van deze woningen kan – tijdelijk uiteraard – via de normale regels van de huursubsidie worden verrekend. De keerzijde van deze medaille is dat mensen met een hoger inkomen eenvoudiger toegang moeten krijgen tot woningen die eigenlijk te goedkoop voor ze zijn. Op deze manier komt er een natuurlijke menging van rijk en arm tot stand en wordt de keuzevrijheid van alle inkomensgroepen vergroot. Ik ben ervan overtuigd dat binnen de huidige regels van de Huisvestingswet deze spreiding van onderop heel goed mogelijk is.

Tot slot een aantal opmerkingen over de aanpak van overlast in de oude wijken. Mijn fractie verzet zich er fel tegen dat mensen met een uitkering bij voorbaat zonder enige aanleiding worden gediscrimineerd, maar zodra iemand crimineel gedrag vertoont, overlast veroorzaakt of rotzooi trapt, moet er keihard worden opgetreden. De "aso's" moet intensief begeleid worden door gemeenten en corporaties. Wooncoaches moeten hen wijzen op wat wel en niet kan. Zij moeten ook gele kaarten kunnen uitdelen als laatste kans om het leven te beteren. Helpt dat niet, dan is uitzetting onvermijdelijk. Mijn fractie steunt dan ook het voorstel om overlastgevende panden eerder te sluiten. Wij horen echter graag van het kabinet of die panden vervolgens slechts worden dichtgetimmerd of dat gemeenten en corporaties deze snel opknappen om te verkopen of te verhuren.

Dat voorstel is op zichzelf niet voldoende. De mensen die overlast geven en worden uitgezet, zijn daarmee nog niet van de aardbodem verdwenen. De GroenLinksfractie pleit voor een soort Tokkietherapie voor degenen die overlast geven. Op plekken ver buiten de bebouwde kom moeten noodwoningen komen. Daar kunnen onhandelbare bewoners vervolgens intensief worden klaargestoomd voor de terugkeer naar een gewone woonwijk. Als tegenhanger hiervan pleit ik voor het belonen van goed gedrag, zoals geen harde muziek midden in de nacht, het schoonhouden van het portiek en vuilniszakken op de goede dag buiten zetten. Ik kan mij voorstellen dat gemeenten deze bewoners belonen, bijvoorbeeld met een mooi plantsoen of een straatfeest. Mijn fractie pleit er ook voor dat corporaties deze bewoners belonen, bijvoorbeeld door een zogenaamde goedebuurkorting van 10% op de huurprijs.

De heer Bruls (CDA):

Ik had de illusie dat ik in de Tweede Kamer zat en niet de in de gemeenteraad van een willekeurige gemeente. Mevrouw Van Gent, bent u de wethouder van Nederland? Dit soort zaken kan door de gemeenten gedaan worden.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

De Kamer heeft een mening over het grotestedenbeleid en over het volkshuisvestingsbeleid. Zij krijgt voorstellen voorgelegd die met toestemming van het ministerie van VROM door de gemeenten uitgevoerd kunnen worden. Ik heb overigens in een amendement van uw hand gelezen dat u dit meer vrij wilt laten. Daar ben ik niet zo voor. Wij moeten in Nederland toch wel een beetje rechtsgelijkheid houden. Ik denk dat de Tweede-Kamerleden over het principe van de wet een mening moeten hebben. Volkshuisvestingsthema's zoals randgemeenten, bouwen in dure wijken enzovoort, bespreekt de Kamer vaak uitgebreid met deze minister. Dat doet zij niet om een theekransje te houden, maar om serieuze zaken te bespreken waarover de Tweede Kamer moet besluiten.

De heer Eerdmans (LPF):

Ik ben blij dat mevrouw Van Gent na een litanie van kritiek op de Rotterdamwet nog een aantal oplossingen noemt. Als ik het goed begrijp, wil mevrouw Van Gent mensen die van drie hoog hun vuilniszak naar beneden donderen, hun auto's verkeerd parkeren, een geweldige muziekoverlast veroorzaken en de hele nacht iedereen in de naburige panden wakker houden, een straatfeest geven?

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Nee, dan heeft de heer Eerdmans niet goed geluisterd. Wij vinden dat de mensen die overlast veroorzaken, snel, hard en adequaat aangepakt moeten worden. Je kunt beter snel ingrijpen dan het laten lopen. Die mensen krijgen ook woonbegeleiding. Blijven zij er een potje van maken, dan zien wij het als een ultiem middel om hen tijdelijk elders te plaatsen. De mensen die het goed doen in de wijk, gaan wij belonen. De meeste mensen gooien natuurlijk niet met vuilniszakken. De heer Eerdmans maakt er een karikatuur van. Wij willen het niet altijd in het negatieve trekken en ook eens wat voor een buurt doen. Mensen vinden het hartstikke leuk om zelf dingen aan te dragen en te organiseren. Misschien kan ik de heer Eerdmans daarin meekrijgen. Wij hebben al eens voorgesteld om bewoners een budget te geven uit de pot voor stedelijke vernieuwing.

Ook volgens de fractie van GroenLinks moet er veel gebeuren, maar niet volgens de weg van discriminatie. Het lijkt er soms op dat de problemen worden opgelost als wij maar om het hardst roepen en bepaalde groepen eruit lichten, maar de fractie van GroenLinks is ervan overtuigd dat het zo niet werkt. Wij willen veel meer redeneren vanuit het principe dat mensen welkom zijn in een wijk als zij zich aan de spelregels houden. Minister Pechtold zei op 3 september in Trouw: "Ik ben liever een handelaar in kansen dan een handelaar in angst." Daar ben ik het heel erg mee eens. Laten wij er nou eens voor zorgen dat de mensen met de lage inkomens en de middeninkomens, die nu zo weinig te kiezen hebben, veel meer mogelijkheden krijgen, zodat zij zelf en vrij voor een huisvesting kunnen kiezen. De keuze uit de plaatsen waar zij naartoe kunnen, wordt nu alleen maar ingeperkt zonder reden, ook als het brave burgers zijn.

Voorzitter: Ten Hoopen

De heer Balemans (VVD):

Voorzitter. De grote steden van Nederland, met name Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht, worden al jaren geconfronteerd met bovenmatige grootstedelijke problemen die op lokaal niveau al lang niet meer adequaat kunnen worden aangepakt op basis van de bestaande wet- en regelgeving. Rotterdam verdient krediet, niet alleen omdat het als eerste de alarmbel rinkelde, maar ook omdat het op 1 december 2003 het eigen actieprogramma Rotterdam zet door presenteerde. Daarin werd niet alleen gejammerd en geklaagd – dat zijn Rotterdammers niet zo gewend – maar ook een visie gepresenteerd over de aanpak van problemen. Ook werd gezegd dat het op een aantal terreinen de hulp van het Rijk nodig had.

Het is nu september 2005 en nu is die hulp er, met de wet die is ingediend onder de mooie naam Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek. Het had sneller gekund. Wij kunnen leren van de daadkracht van Rotterdam. Maar goed, het wetsvoorstel is er en na vandaag kunnen naar mijn mening de G4 en de andere steden met meer dan 100.000 inwoners daadwerkelijk aan de slag.

Laat ik maar meteen zeggen dat het wetsvoorstel in het algemeen kan rekenen op de steun van mijn fractie. In tegenstelling tot wat de regering in de nota naar aanleiding van het verslag lijkt weer te geven, kan de VVD zich wel vinden in het uitgangspunt van de regering dat deze wet niet alleen geldt voor de G4 maar ook voor de andere steden. Ik heb er in mijn bijdrage alleen nadrukkelijk op gewezen dat juist voor steden zoals Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht de nood het hoogst was. De uitbreiding van de reikwijdte tot de G31 kan de VVD ondersteunen. De een hoeft de ander nu eenmaal niet dwars te zitten.

Alvorens in te gaan op de concrete inhoud van het wetsvoorstel heb ik een aantal opmerkingen over de werking van het wetsvoorstel. Dat heeft ook te maken met de prestatieconvenanten van het GSB. In maart 2005 zijn tussen het Rijk en de 30 grote steden prestatieconvenanten getekend. Volgend jaar komt Sittard-Geleen daar overigens bij. Dan praten wij dus over de G31. Ik neem aan dat ook zij onder de werking van dat wetsvoorstel zullen gaan vallen. Als dat niet het geval is, hoor ik dat graag.

De minister stelt in zijn brief van 16 augustus, dus in Kamerstuk nr. 7, dat het wetsvoorstel een aanvulling is op het grotestedenbeleid. Dat ben ik met hem eens. Daarmee is het logischerwijs dus onderdeel van het gehele GSB. Dat gehele GSB wordt echter medio 2007 geëvalueerd en in het wetsvoorstel staat dat het binnen vijf jaar moet worden geëvalueerd; dat is dus 2011. Dat lijkt mij nou niet zo handig als dit een integraal onderdeel van elkaar is geworden. Over dat verschil in tijdspanne heb ik een aantal vragen aan de minister. Wat betekent het voor de totale evaluatie van het GSB als wij nog moeten wachten op wat er hier gebeurt met dit wetsvoorstel? Of kan de minister de Kamer wellicht toezeggen dat er bij de evaluatie van het totale GSB, dus in 2007, al een eerste analyse ligt van de resultaten die op basis van deze wet geboekt zijn?

Deze wet is ook van toepassing op de steden die onderdeel zijn van het GSB, dus de G31. Het is echter mogelijk dat een gemeente, bijvoorbeeld op 1 januari 2006 – dan is de wet al in werking getreden – door de grens van 100.000 inwoners breekt en verder ook op alle andere terreinen in beginsel voldoet aan de criteria voor het toekennen van de status van GSB-stad. Ik pleit er niet voor om zo'n gemeente dan tussentijds toe te voegen aan het GSB, want dat kost ook geld; die discussie hebben gevoerd. Mijn vraag is echter wel of dit, bijvoorbeeld voor een stad zoals Almere, betekent dat zo'n gemeente vanaf het moment waarop zij eigenlijk een vergelijkbare positie heeft als de andere GSB-steden, rechten kan ontlenen aan de mogelijkheden die deze wet biedt. Dan heb ik het dus niet over de mogelijkheden die de GSB-convenanten bieden, maar over de mogelijkheden die deze wet biedt. Anders moeten wij weer vele jaren wachten voordat een stad die in problemen komt, eindelijk geholpen kan worden. Nogmaals, voorzover ik het kan overzien, kost dit wetsvoorstel het Rijk geen extra geld. Daarop krijg ik graag een reactie.

Verder is mijn fractie blij met de reactie van de minister op onze suggestie om de datum van inwerkingtreding naar voren te halen. Ik heb toen als datum 1 januari 2006 genoemd. De minister is daarin meegegaan. Zelfs nog beter: hij heeft gezegd dat de inwerkingtreding de dag na de publicatie in de Staatscourant zal plaatsvinden. Volgens mij is dat, als het een beetje meezit, nog eerder dan 1 januari 2006, maar daar hebben wij ook de overkant van het Binnenhof voor nodig.

Wat staat er niet in het wetsvoorstel? De VVD-fractie had drie onderwerpen graag opgenomen gezien in het wetsvoorstel. Dat betreft de bestuurlijke boete, de leerwerkplicht en de dubbele wachtlijsten voor scholen. Met betrekking tot de bestuurlijke boete en de leerwerkplicht stelt de regering dat opname in dit wetsvoorstel zou leiden tot vertraging van het wetsvoorstel en de invoering daarvan. Om die reden zie ik af van verdere amendering, want het laatste wat ik wil, is tegen de steden zeggen dat zij niet vanaf morgen, maar pas over een halfjaar aan de slag kunnen. Op het punt van de bestuurlijke boete heb ik echter wel een suggestie waaraan de minister misschien kan meewerken. De wetsvoorstellen die op het punt van de bestuurlijke boete bij de Kamer zijn ingediend en in behandeling zijn, zien op twee aspecten, enerzijds de kleine ergernissen en anderzijds de verkeersovertredingen. Is het niet mogelijk om bij experiment – Rotterdam heeft al vaker experimenten uitgevoerd – toe te staan dat bijvoorbeeld de G4 in het kader van de aanpak van de malafide huisjesmelkers mogelijkheden krijgt met het instrument van bestuurlijke boete? Daarop krijg ik graag een reactie van de ministers, omdat met name Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Amsterdam op dat punt misschien een stuk daadkrachtiger kunnen zijn dan het wetsvoorstel nu mogelijk zou maken.

Ook met betrekking tot de dubbele wachtlijsten van scholen is er een plan dat uit de koker van Rotterdam komt. De regering heeft daarover al advies van de Onderwijsraad gekregen. Minister Pechtold heeft mij in een AO toegezegd dat hij contact zal opnemen met zijn collega van OCW om te bekijken of dit onderwerp in het wetsvoorstel zou kunnen worden opgenomen. Dat is niet gebeurd, maar ik krijg graag antwoord van de minister op de vraag wat dat overleg heeft opgeleverd en wanneer dat komt. Ook Rotterdam moet immers door in de aanpak van haar onderwijsklimaat.

Dan kom ik bij de inhoud van het wetsvoorstel. Het vestigings- en investeringsklimaat en het inrichten van kansenzones bieden goede mogelijkheden om extra impulsen te geven aan de aanpak van de achterstandsgebieden van de grote steden. Er zit ook een mooie tijdlimiet aan: vier jaar en eventueel nog een verlenging met vier jaar. Stel nu dat het noodzakelijk blijkt om de kansenzone langer in stand te houden dan nu in het wetsvoorstel is voorzien. Nu weet ik dat wij een evaluatie krijgen binnen vijf jaar, maar ik vraag mij af waarom in het wetsvoorstel niet is voorzien in een soort hardheidsclausule. Je vraagt de gemeente natuurlijk wel nadrukkelijk wat zij heeft gedaan in die periode van vier of acht jaar, maar ik kan mij voorstellen dat er bijzondere omstandigheden zijn, die plotseling van buiten naar binnen komen, die het toepassen van een hardheidsclausule rechtvaardigen. Ik zou graag zien dat die ruimte er komt. Anders is het einde oefening en dan gooien wij misschien het kind met het badwater weg.

Ook de ozb-maatregelen zijn voor de VVD-fractie een acceptabele inbreuk op de heersende wetgeving, want van die maatregelen gaat een directe werking uit. Het zorgt voor directe lastenverlichting voor het bedrijfsleven en vooral voor de kleine ondernemers. Juist voor die kleine ondernemer kan € 2500 enorm veel betekenen.

Het wetsvoorstel biedt ook de ruimte om nadere eisen te stellen aan de toegang tot de woningmarkt.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Vindt u dat elk bedrijf zich daar moet kunnen vestigen of gaan wij daar ook criteria voor ontwerpen? Het verlagen van de ozb voor die bedrijven moet door de gemeenten intern worden opgelost, dus dat kan voor anderen betekenen dat de ozb stijgt. Vindt u dat een goed plan?

De heer Balemans (VVD):

De doelstelling is het verhogen van de leefbaarheid van de wijk. Als een gemeente twintig aanvragen voor hetzelfde type bedrijf krijgt, dan kan ik mij bijna niet voorstellen dat al die bedrijven toestemming krijgen. Er zullen er misschien twee, drie of vier toestemming krijgen en een ander deel niet. Het criterium is de leefbaarheidsverhoging en de bijdrage aan de wijk. Ik zie ook dat er ruimte is voor differentiatie. Dat zal de gemeente vooral zelf moeten beoordelen, omdat de gemeente beter weet hoe de lokale situatie is. Als een stad overgaat tot het verlagen van de ozb of de ozb zelfs tot nul reduceert in een kansenzone, dan staan er twee mogelijkheden open. Óf de gemeente verhoogt de ozb in het algemeen voor de stad met uitzondering van die kansenzones. Óf de gemeente dekt het verlies uit de algemene middelen of anders uit de gemeentebegroting. Ik heb daar geen problemen mee. Het gevaar is alleen dat al die gemeenten alles gaan aanwijzen als kansenzone en dan bij het Rijk komen vragen om compensatie voor de ozb. Dat zie ik niet gebeuren.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Dat wil ik natuurlijk ook niet. Zou een investeringssubsidie niet veel interessanter zijn? Daarmee kun je veel meer sturen wat voor soort bedrijven in zo'n kansenzone komt. Met een vorm van contract compliance kun je ook de mensen uit die buurten daar aan het werk helpen.

De heer Balemans (VVD):

De ozb-maatregel is al een soort investeringsimpuls. Dat element zit er dus al in. Verder wil ik het echt aan de gemeenten zelf overlaten om binnen hun begroting en binnen hun gemeentelijke beleid extra investeringen te doen in bepaalde wijken. Er zijn op andere terreinen ook subsidiestromen, bijvoorbeeld in het kader van de 56-wijkenaanpak. Wij moeten als Rijk niet precies willen voorschrijven wat zij tot op de millimeter gaan doen, want dan tasten wij de gemeentelijke autonomie aan.

Voorzitter. Ik kom weer terug op de toegang tot de woningmarkt. Mijn fractie kan zich voorstellen dat daar nadere regels voor komen. Het doel van die maatregel is immers om te komen tot een duurzame verbetering van de leefbaarheid in die gebieden. Wij kunnen dan ook instemmen met de eisen aan inkomens voor nieuwe intreders tot de woningmarkt. Iedereen wil graag wonen in een wijk die floreert, die leefbaar is, waar geen rotzooi op straat ligt. Als het op de ene manier niet kan, is het gerechtvaardigd om het op een andere manier te doen.

Gelijke gevallen moeten gelijk worden behandeld, natuurlijk, maar het is de vraag of er sprake is van gelijke gevallen. Een achterstandswijk is geen gelijk geval ten opzichte van andere wijken die wel floreren. Mijn fractie vindt dat het in die gevallen mogelijk moet zijn om ongelijke behandeling toe te passen. Natuurlijk moet de menselijke maat daar gelden.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

U bent toch een liberaal, dus u vindt het individu belangrijk, niet groepskenmerken en dat soort zaken. Hoe kunt u nou zeggen dat mensen die behoren tot een bepaalde groep, namelijk die van uitkeringsgerechtigden en wel mensen die bijstand, WW en WAO ontvangen, alleen vanwege dat kenmerk niet toe mogen worden gelaten in bepaalde wijken? Het gaat toch om individuen die als enige gezamenlijke kenmerk de uitkering hebben en niet per se overlast veroorzaken?

De heer Balemans (VVD):

Het gaat niet alleen om het veroorzaken van overlast, maar ook om het leefklimaat, de leefbaarheid, de werkgelegenheid in een wijk. Als je een situatie slecht vindt en vindt dat die moet worden verbeterd, moet je maatregelen nemen. In de geschiedenis heeft dit parlement wel vaker maatregelen genomen waarbij bepaalde groepen voorrang kregen of juist niet. Denk aan de jarenlange campagnes om vrouwen voorrang te geven bij gelijke geschiktheid: mannen vonden dat in het begin heel discriminerend, maar wij wilden vrouwen juist gelijke kansen op de arbeidsmarkt geven; daarom kozen wij voor de voorkeursbehandeling.

Terugkerend naar de woningmarkt, de maatregel laat onverlet dat iemand die geen toegang krijgt tot een bepaalde wijk, de mogelijkheid heeft om elders in die stad huisvesting te vinden. U weet dat er convenanten over bouwlocaties bestaan tussen de gemeenten die vallen onder deze wet en de omringende gemeenten en dat de laatste ook de verantwoordelijkheid hebben om te zorgen voor voldoende sociale woningbouw als die niet meer in de betreffende wijken wordt gegenereerd. Die mensen staan dus niet in de kou!

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Jawel, want in de randgemeenten en de rijke wijken zijn ze ook niet welkom en in Vinexwijken wordt niet voor hen gebouwd. Ook dat is een probleem.

De heer Balemans (VVD):

Die afspraken zijn nu wel gemaakt.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Die afspraken zijn gemaakt, maar nog niet gerealiseerd en dat kan zeker nog wel even duren.

De gelijke kansen voor vrouwen is een leuk voorbeeld, maar vrouwen werden wel individueel voor een sollicitatie uitgenodigd, er werd dus ook naar hun capaciteiten gekeken; met te lage kwalificaties konden ze geen hoge baan krijgen. De gevallen werden dus individueel bekeken. Hier is het probleem dat mensen die tot één bepaalde groep worden gerekend, alleen omdat zij bijstand, WW of WAO ontvangen. Natuurlijk vormen ze niet één groep met mensen die crimineel zijn, overlast veroorzaken of sociale problemen geven.

De heer Balemans (VVD):

Bij mijn weten vraagt iemand een vestigings- of woningvergunning aan op individuele basis en zal de gemeente op individuele basis beoordelen of hij, komend uit die groep, al dan geen toegang kan krijgen. Ik geef toe dat er een extra beperking in zit, en wel de huidige samenstelling van de wijk. Ik ben er echter van overtuigd dat op basis van dit wetsvoorstel en de afspraken tussen de steden die onder dit wetsvoorstel vallen en hun randgemeenten, voldoende mogelijkheden bestaan om een fatsoenlijke woonplek te vinden in dit land.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Dit is een zeer verdraaid liberaal standpunt en dat betreur ik.

De heer Balemans (VVD):

Wij willen een liberaal beleid, dat ook ruimte geeft aan de grote steden. Dat kan met dit wetsvoorstel.

Dan kom ik nu toe aan de Commissie Gelijke Behandeling. Op 5 september 2005 hebben wij een brief gekregen, waarin de Commissie andermaal heeft gewezen op de discriminerende effecten van de inkomenseis. Ik heb al eerder aangegeven dat ik mij kan voorstellen dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld en dat ongelijke gevallen ongelijk mogen worden behandeld. Toch wil ik graag nog een reactie ontvangen van de minister op die brief.

Een punt van aandacht zijn de gehandicapten. Sommige groepen mensen hebben te maken met belemmeringen waaraan zij helemaal niets kunnen doen. Van studenten weten wij dat zij geen topinkomen hebben, en voor gepensioneerden geldt hetzelfde, maar waarom vallen gehandicapten niet in dezelfde categorie? Ik vind het vreselijk om over categorieën te praten, maar dit is een groep die aan zijn beperkingen niets kan doen.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Wat is uw objectieve criterium? Mag een bijstandsmoeder, die na aandringen van de CDA-fractie zelfs ontheffing kan krijgen van de sollicitatieplicht, ook de wijk niet in? Volgens de huidige criteria van het wetsvoorstel komt zij er niet in. Waar ligt dan uw objectieve grens?

De heer Balemans (VVD):

Ik wist dat ik dit soort discussies over mij zou afroepen toen ik de opmerking over de gehandicapten maakte. Ik begrijp dat mevrouw Gent vindt dat de grens nog verder zou moeten worden opgerekt. Het beleid is er echter op gericht mensen die in de bijstand zitten te helpen om betaald werk te vinden. De overheid kan een beperking die een gehandicapte heeft, nooit wegnemen. Dat is fysiek onmogelijk, en daarin zit voor mij het verschil. Hetzelfde geldt voor een student. Deze heeft studiefinanciering en kan nauwelijks enorme inkomens verwerven. Hetzelfde geldt voor iemand met pensioen. Wij kunnen van mening verschillen, maar: "that's it!"

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

De studenten zijn ook niet allemaal schatjes. Velen zijn dat wel, maar studenten kunnen ook overlast veroorzaken. Dat kenmerk zegt op zichzelf genomen dus niet zo veel. Dit geldt ook voor mensen met een handicap of voor mensen die alleen een bijstandsuitkering ontvangen. Natuurlijk moeten deze mensen aan werk worden geholpen en moeten zij kansen krijgen. Maar waarom mogen deze mensen de wijken niet in? U vraagt nu weer voor een extra groep een uitzondering. Waar gaat het de VVD-fractie nu precies om? Welke groepen moeten er precies onder vallen? Gaat het om mensen die overlast veroorzaken of gaat het om mensen die op grond van een kenmerk, namelijk dat zij een uitkering hebben, worden gestigmatiseerd?

De heer Balemans (VVD):

In mijn beleving legt u een verkeerde link tussen de groepen mensen die in het wetsvoorstel worden genoemd, en het veroorzaken van overlast. Laat ik heel duidelijk zijn: iedereen die overlast veroorzaakt, moet gewoon worden aangepakt. Of je nu rijk bent of arm en of je nu werk hebt of niet; dat maakt mij helemaal geen bal uit! Dat is heel simpel, en ik wil dus ook die koppeling helemaal niet maken.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Dan zijn wij het met elkaar eens, want dat is precies mijn punt. Die koppeling wordt nu wel gemaakt, want mensen worden op basis van een kenmerk, dus omdat zij tot een bepaalde groep behoren, in bepaalde wijken niet toegelaten. Dat komt niet omdat deze mensen overlast zouden veroorzaken of meer sociale problemen geven, neen, het gebeurt puur op basis van het kenmerk dat deze mensen een uitkering hebben. Mensen moeten echter pas worden aangepakt als zij een probleem veroorzaken. Dat geldt voor de rijke stinkerd, voor de student en voor de ondernemer. Er mag niet bij voorbaat worden gezegd: jij behoort tot een bepaalde groep, dus jij gaat problemen veroorzaken.

De voorzitter:

Dit gaat de kant op van een betoog. Ik stel voor dat de heer Balemans zijn betoog vervolgt.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Ik wil toch wel graag antwoord op mijn vraag.

De voorzitter:

Ja, dat is goed, maar daarna vervolgt de heer Balemans zijn betoog.

Het woord is aan de heer Balemans.

De heer Balemans (VVD):

Het gaat om de leefbaarheid van de wijken. De wijken moeten zo veel mogelijk gemengd zijn samengesteld, dat wil zeggen arm en rijk, allochtoon en autochtoon, mensen met een hoge opleiding en mensen met een lage opleiding moeten bij elkaar in de wijk wonen. Dit wetsvoorstel, met de eisen die daarin op dit punt worden gesteld, biedt daartoe de mogelijkheden. Mijn fractie is het daarmee eens.

Voorzitter. De VVD-fractie vindt het niet nodig om in artikel 97 lid 1 van de Woningwet te spreken over ernstige bedreiging van de leefbaarheid als criterium om over te gaan tot sluiting van gebouwen en het overnemen van het beheer ervan. Wat mijn fractie betreft, is een bedreiging van de leefbaarheid op zichzelf al ernstig genoeg. Ik zou ervoor willen waken dat wij een argumentatie krijgen voor de rechter over wat ernstig is en wat niet ernstig is. Ik zou dat niet willen. Ik ga er namelijk van uit dat gemeenten sowieso niet lichtvaardig overgaan tot sluiting van gebouwen. Dit voorstel, zou ik haast zeggen, lijkt een beetje ingegeven door wantrouwen. Proportionaliteit staat immers altijd voorop bij het overheidsoptreden. Ik kan mij bijna niet voorstellen dat de minister werkelijk denkt dat gemeenten dergelijke maatregelen lichtvaardig nemen. De vraag is ook of je met alle procedures die je gaat krijgen bij rechtbanken, niet de daadkracht ontneemt aan gemeenten om op te treden. Ik heb inmiddels gezien dat er ook een amendement ligt van een collega. Is het kabinet bereid om de Woningwet in die zin aan te passen door het woordje "ernstig" te schrappen? Volgens mij heb je dan nog steeds dezelfde reikwijdte en dezelfde daadkracht of zelfs nog meer daadkracht voor de gemeenten.

Voorzitter. Ik rond af. De VVD-fractie is over het algemeen tevreden over de verruiming van de bevoegdheden die de regering biedt aan de grote steden voor de aanpak van de problemen. Maar wij zijn er nog niet. Er is een aantal open einden. Ik heb al eerder gerefereerd aan de gedachte om het instrument van bestuurlijke boete ook toe te passen, bijvoorbeeld als experiment, om malafide huiseigenaren aan te pakken. Als je dat niet voor alle gebieden wilt doen, begin dan eens bij de G4, want daar is de nood het hoogst. Wij weten uit Rotterdam en uit Den Haag dat men daar dagelijks mee geconfronteerd wordt. Ik zou ook daar graag meer ruimte willen zien voor het aanpakken van die problemen. In het licht van de bestrijding van de jeugdwerkloosheid wordt ook gekeken naar de leerwerkplicht voor jongeren tot 23 jaar en naar het mogelijk maken van dubbele wachtlijsten. Ik heb al gezegd dat daarover niets in het voorstel staat. Ik wil graag dat de ministers aangeven in welke tijdspanne deze zaken ook daadwerkelijk naar de Kamer komen. Het heeft geen enkele zin, de grote steden op een aantal terreinen de ruimte te geven als zij die niet ook krijgen op het gebied van werkgelegenheid en goed onderwijs of als zij nog een halfjaar of langer moeten wachten totdat die maatregelen er komen. Laten wij heel eerlijk zijn: 2006 wordt voor de grote steden een cruciaal jaar. Wij weten allemaal hoe het gaat hier. In het licht van de verkiezingen vallen dingen nog wel eens stil en ik wil niet dat de grote steden moeten wachten tot 2008 voordat zij aan de slag kunnen.

Mevrouw Vergeer (SP):

Is de heer Balemans ook van mening dat als mensen een bepaalde wijk niet in kunnen, dat zij dan ergens anders wel een kans moeten hebben?

De heer Balemans (VVD):

Ja, ik heb daar in mijn betoog ook aandacht aan besteed.

Mevrouw Vergeer (SP):

Ja, maar ik vond u te vaag. Dat is de reden waarom ik de vraag stel. Waarop moet dat oordeel volgens u gebaseerd worden? Wie moet dat oordeel vellen? Is dat de minister? Of de gemeenteraad? Of allebei? Hoe concreet moet het zijn?

De heer Balemans (VVD):

In het wetsvoorstel wordt voorzien dat de gemeente nadere eisen stellen. Die nadere eisen worden getoetst door de minister. Daar zit dus het rijk bij. Als een gemeente iets wil wat niet door de beugel kan, dan neem ik aan dat deze ministers capabel genoeg zijn om op de rem te trappen of te zeggen dat het anders moet. Dat is één.

Vervolgens gaat de gemeente aan de slag. Om te beginnen, moet er een aanwijzing zijn dat er een kansenzone is. Wordt het een persoon niet toegestaan om zich in een bepaalde kansenzone te vestigen, dan zijn er ook al afspraken gemaakt tussen de gemeenten die onder dit wetsvoorstel aan de gang kunnen en de gemeenten om hen heen. Wat de fractie van de VVD betreft, zijn er dus voldoende mogelijkheden om iedereen te voorzien van een fatsoenlijke woning, al dan niet met voorrang.

Mevrouw Vergeer (SP):

Is de heer Balemans het met mij eens dat het voor de Tweede Kamer heel belangrijk is dat duidelijk op papier komt te staan, welke criteria er gebruikt worden voor de alternatieven voor mensen die uit de wijk geweerd worden en welke cijfers daarvoor nodig zijn? Heeft hij er ook behoefte aan om dat duidelijk te definiëren?

De heer Balemans (VVD):

Voorzitter. Dat klinkt sympathiek, maar ik ben er zeer huiverig voor dat de Tweede Kamer op de stoel gaat zitten van de gemeenten. Ik denk dat deze wet voldoende ruimte biedt. Deze wet is ook vatbaar voor juridische procedures als mensen het er niet mee eens zijn. Ik zou daar vooral niet als Tweede Kamer nu al alles willen gaan dichttimmeren.

Mevrouw Vergeer (SP):

Ik heb nog een vervolgvraag.

De voorzitter:

Nee, u hebt nu drie maal het woord gehad.

Mevrouw Adelmund (PvdA):

Dan zal ik die vervolgvraag stellen. Ik kan mij dit denken heel goed voorstellen. Mijnheer Balemans, bent u nu van plan om van het elders huisvesten van mensen die worden afgewezen een zaak te maken? Vindt u dat u daar zicht op moet hebben? Of zegt u, als de oude VVD, dat iedereen die wil wonen moet kunnen wonen en dat iedereen die wil zwemmen moet kunnen zwemmen? Sommige mensen kunnen niet zwemmen. Sterker nog, zij zien nooit een zwembad.

De heer Balemans (VVD):

Ik weet niet wat de oude VVD is. De VVD is een moderne partij. Ik heb nu al een aantal keren gezegd in dit debat dat er afspraken zijn gemaakt en convenanten zijn gesloten waardoor het niet zo hoeft te zijn dat mensen geen woning krijgen. Ik vind dat een eerste verantwoordelijkheid van de convenantpartners en ik vind het ook een verantwoordelijkheid van de gemeente. Ik heb geen zin om bij iedere gemeente iedere week langs te gaan om te vragen wat er die week is gedaan. Dat is onze rol niet. Wij hebben gemeentelijke autonomie in dit land. Laat dat zo blijven.

Mevrouw Adelmund (PvdA):

Ik hoor u het woord "verantwoordelijkheid" gebruiken. In de wet staat dat het niet zo moet zijn, dat is wat anders. U zegt dat er een verantwoordelijkheid is voor het huisvesten van deze mensen en dat die op lokaal niveau moet liggen. Ik heb toch goed begrepen dat u vindt dat er een verantwoordelijkheid is?

De heer Balemans (VVD):

Ja, het gemeentebestuur of de lokale overheden hebben een verantwoordelijkheid in het licht van de afspraken die zijn gemaakt. Ik heb daar vertrouwen in.

De heer Eerdmans (LPF):

Voorzitter. Namens de fractie van de LPF spreek ik waardering en steun uit voor dit wetsvoorstel. Het biedt een concrete oplossing voor een groot probleem dat zich in Rotterdam en ook in andere grote steden voordoet, namelijk dat van de concentratie van mensen met lage inkomens in verkommerde wijken. Deze "Rotterdamwet" kan de leefbaarheid en de draagkracht van die stadswijken weer doen toenemen. Dat is iets waar ik GroenLinks nog nooit eerder over heb gehoord, mevrouw Van Gent, ook niet in Rotterdam. Uw grote voorbeeld misschien, wethouder Meijer, heeft nooit iets gedaan. Hij heeft dit proces vertraagd en tegengewerkt. Weest u nu een keer blij dat in deze Kamer een wet wordt aangenomen die daadwerkelijk verbetering biedt op het terrein van leefbaarheid in de oude wijken.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Dit is toch een typisch geval van uitlokking. Ik vind het allemaal best. Ik vind het op zich heel goed dat de rotte plekken, al die leegstaande panden en huizen, in Rotterdam worden aangepakt. Het is goed dat daar wat projectontwikkelaars op worden gezet. Dat is natuurlijk wel al jarenlang voorbereid. U zult van mij niet horen dat er nooit fouten zijn gemaakt in Rotterdam, maar er zijn ook een heleboel goede dingen gebeurd die nu worden voortgezet. Dat kunt u niet wegpoetsen. Dat vind ik allemaal zo gemakkelijk.

Een ander punt is het aanpakken van overlast. U volgt misschien niet alle discussies, daar heb ik best begrip voor. Ik heb heel vaak bij discussies over het grotestedenbeleid en VROM aangegeven dat GroenLinks de overlast wil aanpakken. U zegt dat u dit beleid volledig steunt en u complimenteert het kabinet. Vindt de LPF-fractie dat tegen mensen die tot een bepaalde groep behoren en bepaalde uitkeringen hebben, moet worden gezegd dat zij in bepaalde wijken niet welkom zijn omdat zij potentiële overlastveroorzakers zijn? Dat wil ik gewoon even duidelijk van u weten.

De heer Eerdmans (LPF):

Weet u waar ik zou moe van wordt bij GroenLinks, mevrouw Van Gent, dat u gewoon veertig jaar lang iets op zijn beloop laat. Nu komt er een "Rotterdamwet". Ik ga net zo lang praten als u hier deed, dus laat u mij maar even aan het woord. Wij zien het helemaal uit de hand lopen in Rotterdam. Er is nu een college van burgemeester en wethouders dat het lef heeft om zo'n verdraaid lastig probleem te keren. Dat doet het op een enorm gedurfde wijze en deze aanpak gaat ook nog eens werken op een korte termijn. Vervolgens gaat u hier een verhaal houden alsof er helemaal niets van klopt en het kabinet net zo goed naar huis kan gaan omdat het een waanzinnig discriminerende wet is vol met racistische input. Op die manier probeert u de hele zaak hier nog eens op een kantelberg te zetten zodat wij met zijn allen weer naar beneden moeten lopen. Nou mevrouw Van Gent, dat gaan wij niet doen. Wij gaan namelijk een andere kant op in Nederland en dat zult u een keer moeten accepteren. Misschien steunt u dit beleid over tien jaar wel.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

De tevredenheid onder de bewoners van Nederland is niet toegenomen, maar u moest het even kwijt. Daar heb ik begrip voor.

De heer Eerdmans (LPF):

Ik moet nog veel meer kwijt. Laat mij maar even doorgaan.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Ik zou het op prijs stellen, als de heer Eerdmans mij antwoord gaf op mijn vraag of de LPF vindt dat mensen, omdat zij tot een bepaalde groep behoren of een bepaalde uitkering hebben, niet welkom zijn.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Eerdmans om antwoord te geven op de vraag van mevrouw Van Gent. Daarna vervolgt hij zijn betoog.

De heer Eerdmans (LPF):

Mijn opmerkingen waren puur bedoeld om mevrouw Van Gent uit haar tent te lokken. En dat is gelukt.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

U moet gewoon antwoord geven op mijn vraag.

De heer Eerdmans (LPF):

Ik was net een minuut bezig met mijn betoog.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

U kunt toch wel antwoord geven op mijn vraag?

De heer Eerdmans (LPF):

Laat u mij eerst eens uitpraten en luistert u dan naar wat ik zeg.

De voorzitter:

U bent beiden parlementariër. Daarbij hoort een bepaald gedrag. Het woord is aan de heer Eerdmans.

De heer Eerdmans (LPF):

Voorzitter. De kern van de Rotterdamwet is dat een gemeenteraad kan besluiten om bepaalde eisen te stellen aan bewoners van stadswijken of mensen die daar willen wonen, waar de leefbaarheid door de concentratie van lage inkomens onder druk staat. Het college van Rotterdam zit bovenop de problemen in plaats van dat het lui achter een Haags bureau zit. Ik vind het een pluim waard voor wethouder Pastoors, die deze kar in Rotterdam heeft getrokken.

Het is vooral mooi dat wij door middel van experimenten in Rotterdam al kunnen waarnemen dat deze Rotterdamwet gaat functioneren. Afgelopen vrijdag waren er in het Journaal opgetogen sociaal werkers te zien. Zij zeiden: eindelijk een plan dat werkt. Zij doelden op de segregatie van lage inkomens in Rotterdam-Zuid, -West en in het centrum. Die wordt nu een halt toegeroepen. In de periode dat die wet in werking is, is het aantal woningen in de huursector dat verhuurd wordt aan hoge inkomens, gestegen van 21% naar 62%. Het effect is dat er minder overlast en meer leefbaarheid is in onder andere Charlois en West Kruiskade. Dit blijkt uit de studie van het Centrum voor Onderzoek en Statistiek Rotterdam (COS).

De Commissie Gelijke Behandeling dient een bezwaarschrift in, in verband met discriminatie op grond van ras en nationaliteit. De onderbouwing van dat bezwaarschrift vind ik heel zwak. Daarin staat dat men er helemaal geen zicht op heeft of deze maatregel van de gemeente Rotterdam de allochtonen treft. De commissie weet alleen dat er veel mensen met lage inkomens geweerd worden. Hieruit blijkt het direct noch indirect een discriminatoire maatregel te zijn. Men heeft dus geen inzicht in de effecten. Het is dan zeer kort door de bocht om daarop het stempel van racisme of discriminatie te zetten.

Tegen deze achtergrond kun je zeggen dat elke maatregel dan in zekere zin een discriminerend effect heeft. Zo discrimineert de Belastingwet de hogere inkomens; die zijn de sigaar, precies zoals de wet dat bedoelt. De bedoeling van de onderhavige wet is inderdaad om lage inkomens, de kansarmen, uit de wijken te krijgen en daar de meer hogere middeninkomens voor terug te krijgen.

Er komt een kleine aanpassing om het vermeende discriminerende effect weg te nemen: de 120%-eis wordt vervangen door "inkomen uit een dienstbetrekking". Dat is heel keurig en netjes. Allochtonen of autochtonen die geen inkomen uit een dienstbetrekking hebben, hebben dus precies dezelfde pech. Verhalen over allochtonen die hierdoor gediscrimineerd worden, zijn dan ook helemaal niet waar. Nogmaals, het gaat om de eis van een inkomen uit een dienstbetrekking.

Ik heb een vraag over de fraudegevoeligheid van dit punt. Stel dat iemand zich in een aangewezen wijk wil vestigen en die persoon heeft een standaardcontract van drie maanden via een uitzendbureau. Daarmee wordt voldaan aan de eis van een inkomen uit een dienstbetrekking. In de maanden dat deze mijnheer of mevrouw werk heeft, kan de aanvraag worden toegekend. Misschien is er daarna echter geen dienstverband meer. Er blijkt dan toch een werkloze in een huis te zitten. Volgens mij voorziet de wet niet in deze situatie. Hoe kunnen wij deze situatie dus voorkomen? Is het een idee om bij de aanvraag de werksituatie van de aanvrager over een periode van een jaar te bekijken in plaats van gedurende een heel korte tijdspanne?

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Het gaat er mij om dat individuen worden gediscrimineerd, omdat zij tot een bepaalde groep behoren. Ik heb daartoe niet het voorbeeld gebruikt van de allochtoon en de autochtoon. Het gaat om een beperkte groep werklozen: WW, WAO en bijstand. Ik heb het niet over vutters of werkloze bijstandsmoeders. Hoe kun je nu van mensen die tot die groep werklozen behoren, meteen zeggen dat zij problemen veroorzaken? Dat is ook het principiële punt van de Commissie Gelijke Behandeling.

De heer Eerdmans (LPF):

Het blijft uw grote misverstand dat dat helemaal niet het doel is. Het doel is inderdaad om kansarmen te weren. U koppelt daaraan criminelen, bandieten en rovers. Dat is uw conclusie, niet die van mij, noch die van voorafgaande sprekers. De heer Balemans heeft dat ook helemaal niet gezegd.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Als het gewoon goede, brave burgers zijn, maar als zij toevallig wel een uitkering hebben, waarom zou u hen dan uit die buurt weren?

De heer Eerdmans (LPF):

Omdat die wijken door hun hoeven zakken.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Die wijken zakken niet daarom door hun hoeven.

De heer Eerdmans (LPF):

Als gevolg van het slappe beleid van de laatste tijd zitten daar alleen maar kansarme mensen bij elkaar gestapeld. Dat is precies het probleem dat u hebt veroorzaakt.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

U maakt zich zorgen om de kansarmen. Dat doet GroenLinks ook. Vindt u dan niet ook dat er meer maatregelen moeten komen dat deze mensen, met lage en lagemiddeninkomens ook elders terecht kunnen, bijvoorbeeld in de randgemeenten en de Vinexwijken? Daarvoor heb ik nog nooit enig initiatief van uw kant gezien.

De heer Eerdmans (LPF):

Het blijkt juist dat gemakkelijker dan verwacht woonruimte elders wordt gevonden door de afgewezen zoekers. Dat vond ik verrassend uit het onderzoek. Dat heeft helemaal geen probleem gevormd. Wees blij met de maatregel zoals die werkt. Het liefst gaan wij natuurlijk in polonaise de andere kant op, maar laten wij het ook eens omarmen dat wij hier een wet hebben die gaat werken.

Ik heb nog een vraag aan het kabinet over de beslissing van de gemeente tot weigering. Het bestuursrecht heeft in mijn ogen de bevoegdheid om een beslissing terug te draaien, door die namelijk te toetsen aan het ongeschreven beginsel van onbehoorlijk en behoorlijk bestuur. Daarin zou ook het gelijkheidsbeginsel kunnen zitten. Het zou obstakels kunnen opwerpen als dat betekent dat een gemeente om die reden zegt dat het niet door de beugel kan vanwege dat beginsel en de maatregel om die reden terugdraait. Graag hoor ik van het kabinet of dit inderdaad in de praktijk nog wel eens een obstakel kan zijn.

Mevrouw Vergeer (SP):

U zei daarnet dat de kansarmen elders eerder een kans krijgen dan was verwacht. Dat zou blijken uit de evaluatie. Bent u ook bekend met de statistieken van de stad Rotterdam waaruit blijkt dat het aantal betaalbare woningen al een aantal jaren achtereen aan het afnemen is? Krijgen kansarmen die uit Rotterdamse kansarme wijken worden geweerd misschien elders een woning? Dat zouden wij toch niet willen, omdat wij de mensen juist een kans willen geven om in een kansrijke buurt te gaan wonen?

De heer Eerdmans (LPF):

Het laatste is natuurlijk de grote lol van deze wet, dat landelijk het beleid wordt aanvaard dat kansarmen uit bepaalde kansarme wijken worden geweerd. Dan komen zij dus automatisch in wijken waar niet de concentratie plaatsvindt. Ik heb juist de stellige indruk dat de gemeente Rotterdam meer huizen bouwt dan ooit tevoren in de afgelopen jaren.

Mevrouw Vergeer (SP):

Aan indrukken hebben wij niets, wij moeten feiten hebben. Die feiten kan ik u zo geven. Dat kan ik straks in mijn termijn doen. Is het een vrome wens van u dat mensen ook in een kansrijke buurt moeten komen, of gaat u daarvoor ook zorgen? Het grote probleem op dit moment in Nederland zijn betaalbare woningen in middenklassewijken.

De heer Eerdmans (LPF):

Dat ligt ook op het bordje van minister Dekker. Ik kan u alleen maar zeggen dat het effect van deze wet zal zijn dat in ieder geval niet nog meer kansarmen bij elkaar gaan zitten. Dat bent u toch met mij eens, of niet?

Mevrouw Vergeer (SP):

Dat is maar de helft van de wet en maar de helft van wat wij willen. Wij willen kansen geven aan mensen.

De heer Eerdmans (LPF):

Ja, maar zij zullen ergens heen moeten.

Mevrouw Vergeer (SP):

Dat is wat ik aan u vraag.

De heer Eerdmans (LPF):

Het lijkt mij dat de wal het schip keert in dit verband.

Mevrouw Vergeer (SP):

Ik stel vast dat u hierop geen antwoord hebt. Dat vind ik heel kwalijk.

De heer Eerdmans (LPF):

Ik sluit vrolijk af, met complimenten aan dit kabinet, aan het college van de stad Rotterdam en aan Leefbaar Rotterdam. Men is daar met durf en lef bezig. Het lijkt mij goed om de zaken die zeker veertig jaar op hun beloop zijn gelaten ten goede te keren. Ik meen dat wij staan aan de basis van een vernieuwing die niet alleen Rotterdam maar heel Nederland goed kan gebruiken.

Mevrouw Koser Kaya (D66):

Voorzitter. De regering heeft dit wetsvoorstel ingediend naar aanleiding van de verzuchtingen van de mensen in de grote steden, vooral die uit Rotterdam. Hiermee laat de regering zien deze verzuchtingen serieus te nemen. Zowel de Raad van State als de Commissie Gelijke Behandeling hebben twijfels geuit over sommige onderdelen van het voorstel omdat deze wellicht een discriminerend oogmerk zouden hebben. Er zou geen objectieve rechtvaardiging zijn aangevoerd voor dit onderscheid.

Voor mij is de belangrijkste vraag die moet worden beantwoord, wat de mensen ermee opschieten. Naar mijn overtuiging wensen mensen een mooie woning in een veilige buurt, met perspectief op werk. De mensen in Rotterdam hebben niet zonder reden een krachtig signaal afgegeven.

Wij kunnen naar aanleiding van de bezwaren van de Raad van State en de Commissie Gelijke Behandeling in oude reflexen schieten, maar wij kunnen ook stellen dat het kabinet op dit moment een oplossing moet bieden voor de uitzichtloosheid waarin veel mensen in achterstandswijken in Rotterdam en andere grote steden verkeren. De realiteit laat een ander beeld zien dan de legalistische gelijkheid van de Raad van State en de Commissie Gelijke Behandeling.

Bij het benoemen van de problemen interesseert het mij niet of iemand groen, geel of blauw is. De oplossing interesseert mij wel. Als jongens mensen uit een buurt wegpesten, moeten die jongens worden opgepakt. Als verloedering het probleem is, moet de overheid zorgen voor goede huisvesting en moeten mensen worden gestimuleerd om hun buurt schoon te houden. Als een buurt een getto wordt, moet de overheid ervoor zorgen dat de buurt een afspiegeling wordt van de samenleving. Ik pas ervoor om politiek te bedrijven over de rug van allochtonen. Dat heb ik zojuist ook al gezegd. Het gaat mij erom dat wij de problemen en de oplossingen daarvoor bespreken.

Ik kan alvast wel zeggen, dat de fractie van D66 deze maatregelen een kans wil geven. Wij zullen onze steun daarom niet aan de voorstellen onthouden. Over enkele jaren zullen wij kunnen zien hoe effectief de maatregelen zijn geweest. Ik wil ook zeggen dat, indien blijkt dat daadwerkelijk wordt gediscrimineerd en dat mensen niet aan een andere woning kunnen komen, ik de eerste zal zijn die in deze Kamer haar verantwoordelijkheid zal nemen en aan de bel zal trekken.

Ik zal thans ingaan op de specifieke onderdelen van het voorstel. De regering schept de mogelijkheid tot het instellen van kansenzones in achterstandsgebieden binnen de grote steden. De belangrijkste maatregel is de tijdelijke verlaging van de ozb voor kleinschalige bedrijven.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Ik heb nog een vraag over het vorige onderdeel waarover mevrouw Koser Kaya sprak. Tot twee keer toe zegt zij, eerst in een interruptie op mijn betoog en nu opnieuw in dat van haarzelf, dat zij geen politiek wenst te voeren over de rug van allochtonen. Dat heeft niemand echter gedaan. Wij zijn het er allen over eens dat problemen moeten worden aangepakt. Waarom moeten mensen die tot een bepaalde groep behoren, problemen worden opgelegd? Als enige groep heb ik mensen met een uitkering genoemd. In het voorstel worden deze bij voorbaat als probleemgroep gezien. Ik ben benieuwd hoe mevrouw Koser Kaya hierover denkt. Zij weet net zo goed als ik dat deze mensen niet bij voorbaat een probleem hoeven te zijn, maar dat deze mensen verder nergens naar toe kunnen.

Mevrouw Koser Kaya (D66):

Ik ben in mijn tekst heel duidelijk geweest. Ik heb gezegd dat iedereen een mooie en goede woning dient te kunnen krijgen. Als dit voorstel ertoe leidt dat dit niet gebeurt, zal ik de eerste zijn die aan de rem trekt. Ik heb hierin ook een verantwoordelijkheid.

Het maakt mij helemaal niets uit of het gaat om allochtonen of de sociale onderklasse van autochtonen. Ook deze mensen willen een veilige buurt en een veilige woning hebben. Dat is voor mij een cruciaal punt. Vanuit deze mensen geredeneerd, moeten wij er alles aan doen om hen ook kansen en perspectief op werk te bieden. Dat doe je niet door iedereen in een buurt vast te houden, waarin de sociale onderklasse oververtegenwoordigd is. Daarop zullen wij ook een antwoord moeten bieden.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Het probleem is dat deze mensen niet terecht kunnen in de randgemeenten en Vinexgebieden, omdat het beleid daarop niet is afgestemd. Als bepaald wordt dat zij bepaalde wijken niet in mogen omdat zij tot deze groepen behoren, betekent het dat mensen naar andere wijken moeten. Maar wij weten niet, of zich daar niet ook dezelfde problemen voordoen of gaan ontstaan.

De voorzitter:

En wat is nu uw vraag?

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Wat lossen wij hiermee dan op?

Mevrouw Koser Kaya (D66):

Ik moet zeggen dat ook ik moet kotsen van het not-in-my-backyardprincipe. Ook in die wijken zullen de mensen er maar aan moeten wennen dat er andere mensen in hun omgeving komen wonen. Het kabinet dient hierin zijn verantwoordelijkheid te nemen en ik begrijp uit dit wetsvoorstel dat het dit ook doet.

Verlaging van de ozb kan net het laatste zetje zijn dat een ondernemer nodig heeft om te besluiten, zich te vestigen in een achterstandsgebied of daar te blijven. Dit kan op velerlei terrein – veiligheid, sociale cohesie, aantrekkelijkheid et cetera – een positieve uitstraling op de buurt hebben. Tegelijkertijd moeten wij er niet te veel van verwachten, want het is een beperkte maatregel. Het gaat om een verlaging van de ozb in 35gebieden in 8steden, het gaat Koser Kayadus maar om een beperkt aantal buurten. De betrokken gemeenten moeten zelf compensatie zoeken voor de gemiste ozb-inkomsten. Dit kan leiden tot lastenverzwaring voor andere groepen. Ik herhaal nog maar eens de zorg van onze fractie, tot uiting gebracht in het verslag, dat verhoging van de ozb-tarieven buiten de kansenzones op gespannen voet staat met een ander wetsvoorstel, namelijk het wetsvoorstel om het gebruikersdeel van de ozb af te schaffen en het andere deel te maximeren. Graag een reactie hierop.

Welke mogelijkheden ziet de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing om de administratieve lasten in de kansenzones nog verder te verlagen? Onduidelijkheid bij het aanvragen en verkrijgen van vergunningen en subsidies is waarschijnlijk ook een struikelblok voor veel ondernemers; wat gaat de regering hieraan doen?

Ten slotte de toegang tot de woningmarkt. Allereerst leg ik er graag de nadruk op dat het de voornaamste taak van de overheid zou moeten zijn, van kansarme inwoners kansrijke inwoners te maken. Scholing, werkgelegenheid en gemengd bouwen zijn daarbij belangrijke factoren. Tegelijkertijd moeten wij onder ogen zien dat een concentratie van kansarmen succesvol beleid kan bemoeilijken, vandaar dat de fractie van D66 in principe positief staat tegenover de maatregelen om te proberen, de instroom van kansarmen in nader aan te wijzen gebieden te reguleren. Het betreft een minimale inbreuk, omdat de voorwaarde geldt dat woningzoekenden die door de maatregelen in de aangewezen gebieden geen huisvesting kunnen krijgen, wel elders in de gemeente of in de regio passende huisvesting moeten kunnen krijgen. Graag ook hierop een reactie van beide bewindslieden.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Met dit laatste ben ik het van harte eens, maar ik zou het wat concreter willen maken. Betekent dit voor u dat je eigenlijk zou moeten bepalen dat in de Vinexwijken minimaal 30% van de woningvoorraad voor de lage en de lagere middeninkomens beschikbaar moet zijn? Dit is nu 2%.

Mevrouw Koser Kaya (D66):

Ik heb ook aangegeven dat de samenstelling van de bevolking van die wijken uiteraard een afspiegeling van die van de totale bevolking moet zijn. Dit betekent dat er genoeg woningen moeten zijn voor kansarmen.

Mevrouw Vergeer (SP):

Voorzitter. Dit wetsvoorstel sluit aan bij wat de fractie van de SP al vijfentwintig jaar bepleit, namelijk gemengde wijken: geen witte en geen zwarte wijken, geen rijke en geen arme wijken. De concentratie van kansarmen, onder wie veel allochtonen, leidt in Rotterdam en in andere grote steden tot grote problemen. Ze belemmert ook de kansarmen zelf, zich te ontworstelen aan hun achterstand. Hun kinderen gaan veelal naar scholen met een concentratie van leerachterstand. De gevolgen zijn groot voor deze kinderen, ondanks de inspanningen van de scholen. Het kabinet wil gemengde scholen bevorderen; dat vindt de SP een goede zaak, al zou het wel wat doortastender mogen. Maar daarover gaat het nu niet, het gaat bij dit wetsvoorstel om het differentiëren van wijken. Dat is een goed middel om het isolement van kansarme gezinnen en een opeenhoping van sociaal-economische problemen tegen te gaan. Gedurende een lange tijd rustte er een taboe op dit standpunt, maar het debat in de Tweede Kamer over integratie na het rapport van de commissie-Blok "Bruggen bouwen" heeft een vruchtbare discussie over het thema spreiding weer mogelijk gemaakt. Het gaat erom tussen de kansarmen ook kansrijken te laten wonen, maar ook andersom. Dat laatste is om financiële redenen na de liberaliseringspolitiek van CDA en PvdA en de paarse kabinetten veel moeilijker te realiseren. Dat blijkt dan ook in de Rotterdamse regio. De commissie-Blok heeft vastgesteld dat met name de verzelfstandiging van de woningbouwverenigingen, de bruteringsoperatie onder leiding van Heerma, het beëindigen van de objectsubsidie en de huurinkomensquota hebben geleid tot het ontstaan van lage-inkomenswijken. De Rotterdamwet stelt dan ook een eenzijdige aanpak van spreiding voor. De kansarmen mogen bepaalde aangewezen wijken niet meer in en moeten naar elders verhuizen, maar de kansrijken kunnen wonen waar zij willen. Waarom staat in deze wet niets over woonvergunningen voor kansrijken? Tegelijkertijd wordt niet gewerkt aan het creëren van voldoende betaalbare woningen in duurdere wijken.

Nu stelt de regering in de nota naar aanleiding van het verslag, een evenwichtige spreiding van betaalbare woningen te willen. Dat is de crux van het probleem. Van de oplossing komt mijns inziens echter weinig terecht. Goedkope woningen worden op grote schaal verkocht en er worden te weinig bijgebouwd, ondanks de mooie woorden van het kabinet. Het kabinet zal dus moeten waarmaken wat er staat, namelijk dat het voldoende gespreide betaalbare woningen wil aanbieden. In artikel 7 staat wel dat de minister van VROM de mogelijkheid om kansarme wijken aan te wijzen kan stopzetten, als blijkt dat er geen mogelijkheden zijn om naar andere plekken te verhuizen, maar dan is het kwaad al geschied. Hier moet een steviger middel ingezet worden. De minister moet niet achteraf het aanwijzen intrekken, maar van tevoren de zekerheid hebben dat kansarmen elders een kans hebben. Mijn vraag, die ik zojuist ook aan de heer Balemans stelde, is dus heel concreet. Welke criteria gebruikt de minister om toestemming te geven? Kan zij die aan de Kamer doen toekomen? Welke cijfers gebruikt zij daarbij? Bijvoorbeeld de lengte van de wachtlijsten, hoelang moet men wachten op de nieuwe woning, of het aantal nieuwe woningen dat beschikbaar is? Maar het gaat ook om de garantie, het geval dat een kansarme niet mag wonen in een kansarme wijk in Rotterdam, maar wel in een andere kansarme wijk in de regio. Dan doet de minister geen recht aan wat de minister zegt te willen, namelijk de kansen van mensen vergroten. Ik krijg hierop graag een reactie.

Het probleem is dus dat er onvoldoende alternatieve woningen zijn. Daarmee valt of staat dit plan. De woningnood maakt dat er onvoldoende alternatieven zijn. Het beeld dat de fractie van de SP op dit moment van de werking van de wet heeft, is dat kansarmen nog kansarmer worden gemaakt. Zij komen nu namelijk terecht in een grote ring om Rotterdam. Dat is vergelijkbaar met de voorsteden van Parijs, met ook daar gettovorming tot gevolg. De wet verplaatst het probleem in even geconcentreerde vorm als nu. Wij hebben hierover ook een schriftelijke discussie met de minister gehad. Gevraagd werd aan de minister of er dan geen stromen kansarmen op gang zouden komen. De minister stelde dat het wel zou meevallen, omdat niet zoveel wijken worden aangewezen waarvoor de criteria gelden. Er zouden dus ook niet zoveel mensen behoeven uit te wijken. Het punt bij dit antwoord is dat het erg vage verwachtingen zijn. Waar baseert de minister zich op? Wat zijn de criteria? Wat zijn de cijfers? Ziet Rotterdam het ook zo dat maar een heel beperkt aantal wijken worden afgesloten op grond van die criteria? Naar de mening van de SP-fractie heeft de stad Rotterdam veel omvangrijker plannen.

Er is in de wet een lijst opgenomen met criteria waaraan mensen moeten voldoen om in een bepaalde aangewezen wijk te kunnen wonen. De SP-fractie mist daarin de sociale binding, bijvoorbeeld het geval dat iemand zijn zieke ouders verzorgt. Ik noem maar een voorbeeld. De SP-fractie vindt dat in deze wet voor die omstandigheden uitzonderingen gemaakt moeten kunnen worden. Wij hebben ook kennisgenomen van het Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie over de mogelijk discriminerende werking van de wet. Op dit punt is de SP van mening dat de regering haar standpunten correct heeft onderbouwd, maar – en dan kom ik weer op de uitvoering van de wet – de minister moet niet alleen kijken naar de tekst van de wet, maar vooral naar de uitwerking. Worden de problemen met de kansarmen, de allochtonen en de achterstandswijken wel op een positieve manier aangepakt? Nogmaals, wij zijn blij dat het taboe rond het onderwerp is doorbroken, maar de toon van de discussie in Rotterdam en de aangedragen oplossingen zijn wel van belang.

Wij bevelen de minister aan veel meer sociale woningbouw te realiseren, ook in de duurdere wijken, de afspraken van de grote steden met de randgemeenten streng te controleren en de mogelijkheid te behouden om uitzonderingen te maken op de criteria voor woningzoekenden als de mensen aantoonbaar een sociale binding met de wijk hebben.

Verder speelt zich een aantal praktische problemen op lokaal niveau af. Ik denk echter dat de Kamer daarvan wel een goed beeld moet hebben. Het is niet de eerste keer dat de Algemene Rekenkamer het kabinet verwijt dat er wel heel veel beleid is maar dat er te weinig wordt gelet op de uitvoering. Ik wil toch die vragen stellen, ook al regarderen deze de gemeenten. Heeft de minister inzicht in die problemen? Op het ogenblik kan het in de stad Rotterdam gebeuren dat iemand een huurcontract krijgt terwijl hij daarna geen woonvergunning krijgt. Het huurcontract en de woonvergunning moeten natuurlijk gelijktijdig worden gegeven, anders kan iemand uit een woning worden gezet terwijl hij wel een huurcontract heeft. Het gebeurt inderdaad dat mensen zonder pardon op straat gezet worden. Dat is onmenselijk. Ik mis in deze wet een adequaat middel om dit te voorkomen.

Een tweede aspect is dat ambtenaren soms onvolledig ingelicht zijn over de werking van het systeem en woningzoekenden verkeerde informatie geven. Gedane toezeggingen zouden niet mogen worden doorkruist. Welke rechten heeft een huurder op zo'n moment?

Mijn volgende punt betreft de bestrijding van illegale bewoning. Illegaal wonen is onmenselijk. Het zijn vaak geen menswaardige levensomstandigheden. In een beschaafd land moet dat niet voorkomen. Ik verwijs naar de rampen in Parijs.

De heer Balemans (VVD):

Ik kan mij toch niet voorstellen dat mevrouw Vergeer wil dat een ambtenaar alles doorkruist doordat hij enorm zit te blunderen in zijn toezeggingen en informatieverstrekking.

Mevrouw Vergeer (SP):

Ik begrijp de vraag niet helemaal.

De heer Balemans (VVD):

Een ambtenaar verstrekt verkeerde informatie aan iemand die een woning zoekt. Er is echter sprake van opgewekt vertrouwen bij de overheid. Dat gaat ook via de Algemene wet bestuursrecht. Daar ben ik voor. Maar het moet niet doorslaan. Er zijn ook ambtenaren die aperte onzin uitkramen. Als ik aan de andere kant zat, zou ik mijn mond houden en denken: ik krijg die vergunning toch wel want ik verwijs daar straks naar. Er moet wel sprake zijn van een bepaalde redelijkheid.

Mevrouw Vergeer (SP):

De heer Balemans zoekt spijkers op laag water. Ik vraag de minister om duidelijk te maken hoe er in zo'n geval gehandeld moet worden. Als dit inderdaad een substantieel probleem is, lijkt het mij logisch dat er geen mondelinge toezegging gevraagd wordt maar iets op schrift. Op die manier is er een duidelijk bewijs op grond waarvan iemand zijn recht kan halen. Het moet duidelijk zijn wat het betekent als iemand een papiertje heeft van een ambtenaar waar iets op staat.

Ik wees op de onmenselijke situatie in Parijs. Illegalen hebben officieel geen recht op een woning. De SP-fractie pleit er ook niet voor dat de gemeenten op dit punt uitzonderingen maken. Als mensen hier illegaal komen om te werken, moeten zij in vreemdelingenbewaring gehouden worden. Er zijn echter ook andere voorbeelden. Wij kennen er genoeg. Ik wijs op de uitgeprocedeerde asielzoekers die geen mogelijkheid hebben om te vertrekken, op mensen die wachten op een beslissing, op slachtoffers van mensenhandel. Die mensen kun je niet zomaar wegsturen, die moeten onderdak aangeboden worden. Ik heb hierop graag een reactie van de minister. Bovendien geeft het feit dat er eerst een huurcontract gesloten kan worden en er pas later een woonvergunning komt, ruimte aan huisjesmelkers om tijdelijk illegalen in huizen te plaatsen totdat de negatieve beschikking er is. Dan staan zij weer op straat en komt er weer een andere groep. Ook hierover wil ik graag het oordeel van de minister.

De belastingvoordelen voor kleine ondernemers in de kansenzones vinden wij sympathiek. Wij hebben wel als randvoorwaarde gesteld dat er geen oneerlijke concurrentie mag komen tussen deze kleine ondernemers en anderen die wel belasting betalen. De regering heeft ons verzekerd dat dit inderdaad niet het geval is, omdat deze winkeltjes een zeer lokaal bereik hebben. De SP vindt dat deze maatregel niet misbruikt mag worden door slimme grote ondernemers die in dergelijke plaatsen kleine winkeltjes beginnen. De heer Balemans zal dat vast wel met mij eens zijn. Hoe zorgt de minister ervoor dat dit inderdaad niet gebeurt?

Wij hebben informatie gekregen over de daling van de werkloosheid in de kansenzones in Frankrijk. De uitkomsten daarvan zijn bemoedigend. Zijn er aanwijzingen dat er in de oude wijken van Rotterdam en die van andere grote steden veel onbenut potentieel aanwezig is? Welke ondersteuning biedt het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor deze maatregelen?

Op papier lijkt met het wetsvoorstel voldaan te worden aan de deftige begrippen "subsidiariteit" en "proportionaliteit". Op papier zouden de kansarmen door deze maatregelen niet nog minder kansen krijgen, maar juist meer omdat zij de gelegenheid krijgen om in gemengde wijken te wonen. Naar onze mening zijn daar echter te weinig waarborgen voor. Ik wacht het antwoord van de minister af. Op dit punt en op dat van de sociale binding aan de wijk heb ik amendementen in voorbereiding.

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter. Voor de SGP-fractie staat het buiten kijf dat de leefbaarheid in sommige grootstedelijke wijken van ons land dermate ernstig is dat buitengewone, onorthodoxe maatregelen gerechtvaardigd zijn om die zo veel mogelijk te verbeteren. De betrokken gemeenten, met als eerste onder zijns gelijken en als voortrekker de gemeente Rotterdam – deze gemeente verdient een compliment voor haar voortvarende en vasthoudende aanpak – vragen daar ook met nadruk om. Met het onderhavige wetsvoorstel ligt een pakket maatregelen voor om in die behoefte te voorzien.

Helaas is de bijdrage van mijn fractie om een of andere reden niet in het verslag terechtgekomen en dus ook niet in de beantwoording van de regering meegenomen. Zeker daarom hecht ik eraan namens de SGP-fractie op enkele punten nog nader in te gaan. Mijn fractie heeft begrip voor de achtergrond en motivatie van het onderhavige wetsvoorstel. Mijn opmerkingen gaan voornamelijk over de gekozen instrumenten en de vormgeving daarvan.

Terecht is door de regering niet gekozen voor een zogeheten lex specialis voor Rotterdam. De voorliggende voorstellen vloeien weliswaar min of meer rechtstreeks voort uit het actieplan van de gemeente Rotterdam, maar de onderliggende problematiek doet zich nadrukkelijk in meerdere gemeenten voor. De regering heeft gekozen voor structurele regelgeving, zij het dat de daarin geregelde aanwijzingsmogelijkheden van gebieden – terecht – gelden voor een beperkte periode, zodat na enige tijd heroverweging noodzakelijk is. De wet als zodanig kent echter wel een structureel karakter. Moet daaruit worden geconcludeerd dat de regering ervan uitgaat dat de uitbreiding van het beleidsinstrumentarium voor grote steden tot in lengte van jaren noodzakelijk zal blijven? Kan de minister daar een analyse van geven?

Ten aanzien van het vestigings- en investeringsklimaat worden in het onderhavige wetsvoorstel alleen de bepalingen met betrekking tot de onroerendzaakbelasting geregeld. Daarnaast worden er nog diverse andere maatregelen genomen, zoals een investeringssubsidie voor het MKB, waarvoor aan de gemeente Rotterdam jaarlijks 6mln ter beschikking wordt gesteld. De vraag doet zich daarbij voor of deze regeling ook geldt voor andere grote steden met een vergelijkbare problematiek als Rotterdam. In de nota naar aanleiding van het verslag stelt de regering dat de situatie in Rotterdam buitenmaats is. Men kan altijd van mening verschillen over de maat. Gaat het om een principieel of een gradueel verschil? Graag verneem ik van de regering nog eens wat de rechtvaardigingsgrond voor een specifieke investeringsregeling is.

Het is mij niet duidelijk waarom er bij het bepalen van de kansenzones ter verbetering van het ondernemersklimaat niet wordt aangesloten bij de door de gemeenteraad aan te wijzen gebieden in het kader van de voorstellen ten aanzien van de woningmarkt. Vanuit beide invalshoeken zullen vaak dezelfde wijken en buurten als problematisch worden aangemerkt.

Ook naar de mening van de SGP-fractie zijn er bij het substantiële karakter van de ozb-maatregel vragen te stellen. Natuurlijk is een bedrag van enkele duizenden euro's voor een noodlijdend middenstandsbedrijf van betekenis. De vraag is echter wel of het voldoende is om gedragsverandering te bewerkstelligen. Terecht geeft de regering aan dat deze maatregel geen panacee is, maar moet worden gezien als onderdeel van een groter pakket aan maatregelen. Dat neemt de vraag naar de toegevoegde waarde van de ozb-maatregel echter niet weg. Graag hoor ik de regering daar nogmaals over.

Ik kom bij de al uitvoerig bediscussieerde belangrijke vraag hoe het zit met de verenigbaarheid van grondrechten en het gelijkheidsbeginsel. Terecht wordt aan dat punt zwaar getild en is daar in de stukken al uitvoerig op ingegaan. Wij delen de opvatting van de regering dat in de voorgestelde regelingen geen sprake is van het maken van een direct onderscheid en dat dus op geen enkele manier sprake is van een directe discriminatie. Je kunt natuurlijk altijd te maken hebben met een effect waarbij indirect onderscheid wordt gemaakt naar etniciteit. Dat kan inderdaad het geval zijn, maar dat is op zich niets om direct zenuwachtig van te worden. Dat kan met heel veel maatregelen zo zijn. Het kan ook zo zijn dat je met bepaalde stevige maatregelen op het gebied van de criminaliteit bepaalde allochtone groepen extra raakt omdat bepaalde groepen bijvoorbeeld zwaarder in de misdaadcijfers zijn betrokken. Op zich is daar niets mis mee. Je bedoeling is er absoluut niet op gericht en je hebt er een goed verhaal bij, waardoor dit effect niet iets is wat je stiekem beoogt, maar gewoon een logische consequentie van een beleid dat hard nodig is.

Zo kijken wij eerlijk gezegd ook aan tegen dit wetsvoorstel en de vraag of er al dan niet sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Er is geen zweem van discriminatie aan verbonden en de achterliggende problematiek die men wil aanpakken, is zonder meer urgent en dient krachtig te worden aangepakt. Bestaande beleidsinstrumenten zijn daarvoor belangrijk, maar kunnen uit de aard van de zaak pas na verloop van lange tijd leiden tot substantiële resultaten. Er zijn op korte termijn ook ingrijpender maatregelen nodig als andere, minder vergaande maatregelen geen of onvoldoende succes kunnen oogsten; dat is in de wettelijke bepalingen op allerlei manieren ook van garanties voorzien. Daarom volgen wij de in de stukken uiteengezette redenering van de regering. Het zal, ook gelet op de hele systematiek van het wetsvoorstel, in belangrijke mate aankomen op de manier waarop die gereedschapskist door gemeenten wordt gebruikt. Daarbij gaat het niet alleen om de letter van de wet, maar ook om het degelijk en deugdelijk motiveren van een besluit en om de vraag of de eventuele inperking van grondrechten die in lichte mate aan de orde is, bij de rechter de toets van de kritiek kan doorstaan. De juridische houdbaarheid vraagt dus ook bij de concrete besluiten nadrukkelijk aandacht.

Aanvullende maatregelen voor bepaalde aangewezen wijken of buurten zullen mogelijk ook gevolgen hebben voor de bevolkingssamenstelling van de omliggende gemeenten. In hoeverre is daarmee het risico aanwezig dat slechts verplaatsing van de problematiek zal optreden? Wil de regering ook nog nader ingaan op die verplaatsingsaspecten?

Als allerlaatste punt nog een juridisch-technisch puntje. De Raad van State heeft in het advies commentaar uitgeoefend op het gebruik van de begrippen "proportionaliteit" en "subsidiariteit". De raad erkent dat de toetsing onderdeel van die besluiten behoort uit te maken, zoals daar in de artikelen 6, 8 en 9 naar wordt verwezen, maar vroeg zich af of dat ook werkelijk in de tekst van de wet zelf genoemd moet worden omdat dat wellicht verwarring kan wekken in het licht van de andere invulling van die begrippen in de Europese context en omdat het niet gebruikelijk is om het op zo'n manier in wetsbepalingen te zetten. Wil de regering nader op dat punt ingaan? Is het wel echt nodig om die begrippen te hanteren, gelet op het feit dat het begrip "noodzakelijk" al gebruikt wordt en gelet op de door de Algemene Wet Bestuursrecht gestelde algemene normen waaraan besluiten moeten voldoen, onder andere op het gebied van motivering en zorgvuldigheid? Ik betwist niet wat er inhoudelijk staat, want besluiten moeten aan die professionaliteits- en subsidiariteitstoets voldoen, maar moet je het ook met zoveel woorden echt expliciet in de wetsbepaling zeggen? Op dat punt krijg ik graag een nadere reactie.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Ik heb één vraag. U bent uitgebreid ingegaan op discriminatie. Vindt u het echter geen vorm van discriminatie als een bijstandsmoeder, dus een moeder met een bijstandsinkomen, die door de gemeente is vrijgesteld van de sollicitatieplicht, van de gemeente bepaalde wijken niet in mag omdat zij eigenlijk de oorzaak van problemen is? Vindt u niet dat bijvoorbeeld zulke personen gewoon wel in zo'n wijk zouden moeten kunnen wonen? Zij behoren immers tot een groep en er wordt niet meer gekeken naar het individu.

De heer Van der Staaij (SGP):

Als de gemeente zou zeggen "U bent de oorzaak van de problemen" zou dat een rare opmerking zijn. Dat vloeit ook niet uit dit wetsvoorstel voort. Het gaat er gewoon om dat je een bepaalde gemengde samenstelling beoogt. Dat is eigenlijk het hele verhaal van de motivering van dit wetsvoorstel. Ik vind dat gewoon een goed verhaal. Ik vind dus dat ambtenaren dat best kunnen uitleggen: het betekent een bepaalde beperking die niet leuk kan zijn, maar wij hebben wel met elkaar het democratisch gedragen besluit genomen dat wij, als andere maatregelen onvoldoende werken, ook deze maatregelen nodig hebben om de leefbaarheid te dienen.

De voorzitter:

Nee mevrouw Van Gent, u zei dat u één vraag had.

Mevrouw Adelmund (PvdA):

Deze wet gaat over het versterken van de leefbaarheid en daar zijn wij voor, maar of wij voor deze wet zijn, moet nog blijken. Wij willen namelijk heel uitgebreid ingaan op de vraag op welke wijze de maatregelen zo kunnen worden ingezet dat het vooruitgang oplevert voor mensen. Wij willen ook vaststellen dat wij de grens niet overgaan waar het discriminerend zou zijn en mensen uitsluit. Het is gezien de documentatie die wij hebben gekregen voor dit debat, ook van burgers die zich grote zorgen maken over dit onderdeel in de wet, van groot belang dat dit hier duidelijk wordt besproken. Wij moeten wetten maken voor alle burgers en niet alleen wetten die handig zijn voor bestuurders. Onze intentie is om te werken aan een wet voor alle burgers en ik neem aan dat dit voor iedereen geldt.

In verschillende instanties hebben wij al gesproken over de Rotterdamwet. De eerste reactie is gegeven door Wouter Bos op 1 december 2003. Wij hebben gesteld dat wij het Rotterdamse voornemen om concentratiewijken te ontlasten steunen, maar wij hebben ook gezegd dat het illusiepolitiek is als je denkt dat je er alleen met beperkingen uitkomt. Het omgekeerde is tegelijkertijd nodig. Je hebt ook middelen nodig op het gebied van onderwijs, inburgering, veiligheid en wijkverbetering om de problemen op te lossen. Deze wet is heel beperkt. Het gaat allemaal niet over deze onderwerpen, maar het ongeduld over deze onderwerpen neemt toe.

In het rapport van de commissie-Blok, waaraan drie leden hier aanwezig hebben deelgenomen, hebben wij in anderhalf jaar tijd dertig jaar becommentarieerd. Direct daarna is een debat gevoerd en toen is de motie-Bos Kamerbreed aangenomen, waarin de regering wordt verzocht om gemeenten te verplichten afspraken te maken over huisvesting van kansarmen. Ik moet concluderen dat deze wet, met deze concrete maatregel voor kansarmen, er sneller ligt dan de mogelijkheden die gecreëerd moesten worden om kansarmen in andere wijken dan de knikkerputjes van de stad te huisvesten. Ik krijg daar graag een reactie op.

Ik kijk ook even naar de wijze waarop Rotterdam er zelf over gesproken heeft. Dat zal ik hier niet allemaal herhalen, maar ik zeg wel dat het in de Rotterdamse gemeenteraad grote verbazing wekt dat zoveel departementen langs elkaar heen werken. Dat is wel een vraag die hier aan de orde kan komen. ISV, GSO, Operatie Jong, economische kansenzones en het verkokerde onderwijsachterstandenbeleid. Ik weet dat het laatste een klacht is die niet alleen aan dit kabinet hangt, maar dat dit al veel langer speelt. Op welke wijze gaat het kabinet de samenhang bevorderen tussen de maatregelen die deze problematiek moeten verhelpen? In het verleden ging het over veel meer dan over de maatregelen die wij nu bespreken. Wij zijn dus kritisch over de wet. De problemen in Rotterdam zijn bovenmaats en daar moet een oplossing voor gevonden worden.

Allereerst ga ik in op de afzonderlijke maatregelen, zoals de ozb-maatregel. Op dat punt is er zoveel meer denkbaar. Ik kijk naar collega Van Gennip en naar wat collega Van Hoof doet met de WW'ers. Zij mogen ook ondernemer worden, alleen niet in deze wijken volgens deze wet. Deze bewindslieden doen alleen voorstellen die neerkomen op een sigaar uit eigen doos, want het zijn middelen van de gemeente zelf. Ik ben er op zichzelf niet tegen. Ik vind het prima als een ondernemer tijdelijk belastingvrijstelling krijgt. Wij hebben een rondetafelgesprek gehouden. Ik moet zeggen dat niemand daardoor het besluit zal nemen om ondernemer te worden, maar het kan helpen. Het is al met al een wat magere maatregel. Als het toch zo is dat gemeenten het uit hun eigen middelen betalen, geef dan alle gemeenten de ruimte om dit te doen. Daar heb ik een amendement voor ingediend.

Het stimuleren van het eigen ondernemerschap moet ook nog in vier jaar plaatsvinden, met mogelijk een verlenging. Ik heb een amendement ingediend om het iets langer te kunnen laten duren; dit soort schone zaken hebben namelijk meestal tijd nodig. Mijn amendement vraagt om zes jaar.

De heer Bruls (CDA):

Daar komen wij wel uit. Maar waar wij niet uitkomen, is dat de gemeente Wassenaar maatregelen moet ondergaan omdat de buurgemeente Den Haag grote problemen heeft. Kunt u dat uitleggen? Dat is de consequentie van de inhoud van uw amendement. In mijn amendement wordt voorgesteld om dit voor de GSB-gemeenten te doen; daarvan is met allerlei toetsen aangetoond dat ze problemen hebben. Volgens uw voorstel moeten alle honderden gemeenten in Nederland die maatregel ondergaan. Op zich heb ik daar niet zo veel tegen, maar ik dacht dat het wetsvoorstel bijzondere maatregelen voor de grootstedelijke problematiek beoogde.

Mevrouw Adelmund (PvdA):

Dan kent u het wetsvoorstel niet goed. Er wordt een duidelijke inperking voorgesteld voor achterstandgebieden. De percentages zijn bekend en zelfs via een nota van wijziging nog bijgesteld. Ik heb eerder een opmerking over Wassenaar gemaakt en kreeg daarop een briefje van de gemeenteraad; ik waag me er dus niet zomaar meer aan. Nu krijgt u dat briefje, meneer Bruls. Ik kan me echter voorstellen dat Wassenaar en andere gemeenten niet voldoen aan de criteria in dit wetsvoorstel. Ik stel daarom voor om kritisch te kijken naar het criterium van 100.00 en van 10 tot 30.000. Daarvoor hebben wij ook amendementen ingediend. De gemeenten die voldoen aan andere criteria van de wet moeten wel de kans krijgen om ondernemerschap te stimuleren via deze – ik blijf het zeggen – wat magere maatregel.

Een ander onderdeel van de wet is de mogelijkheid om panden te sluiten. Het moet minister Dekker zijn opgevallen dat wij daar een groot voorstander van zijn, want wij hebben daar stelselmatig over gesproken; ik verwijs naar het initiatief van collega Depla voor het aanpakken van huisjesmelkers. Wij hebben ook twee concrete verbeteringen voorgesteld, maar de heer Bruls was ons hierin voor: gemeenten moeten gelijk kunnen ingrijpen in ernstige gevallen als de leefbaarheid onder druk staat en herhaling op de loer ligt.

Bij het volgende moet ik uitgebreid stilstaan. In de ons omringende landen gaan de discussies voortdurend over diversiteit of discriminatie. De rechtszaken in Parijs gaan precies over dit vraagstuk; Parijs kent een dergelijke wet immers al. Een jonge Parijzenaar is een sociale huurwoning geweigerd. Hij gaat in beroep. In Rotterdam lopen blijkens de evaluatie inmiddels ook al een aantal beroepszaken. Natuurlijk ben ik voor de mogelijkheid voor burgers van de gang naar de rechter als zij hun recht willen halen. Als je kunt incalculeren dat dit je op grote schaal zal gaan overkomen – wat de Raad van State en de Commissie Gelijke Behandeling aan de orde stellen – zou je dieper op deze zaak moeten ingaan. Dit heeft voor mij precies te maken met het kernpunt van kansen creëren en kansen benutten. Voor mijn partij is het onaanvaardbaar dat wij de kansen van mensen die al weinig kansen hebben, verder limiteren. Als het limiteren van de kansen en keuzevrijheid van kansarmen, het weren van kansarmen zoals het ook wel wordt genoemd, het doel van deze wet is, dan heeft het kabinet ons niet achter zich. Wij zien deze wet dan anders dan het kabinet. Wij vinden dat tegelijk met deze wet, als die er komt, de kansen voor deze mensen moeten worden vergroot. Als die balans niet kan worden bereikt, dan is dit onderdeel voor ons zelfs niet bespreekbaar. Het zou betekenen dat mensen die al de minste kansen hebben, nog minder kansen krijgen. Wat het betekent om arm te zijn, kun je zelfs zien aan levensduur. Deze mensen zouden dan ook al niet in bepaalde gebieden kunnen gaan wonen. Ik vind dit alleen acceptabel als het onderdeel uitmaakt van een beleid om mensen niet langer in de knikkerputjes van de stad terecht te laten komen. Met deze wet kunnen de desbetreffende mensen meer kansen worden geboden, maar dan denk ik aan de motie-Bos, die er al zo lang ligt en die binnenkort alleen maar tot een onderzoek gaat leiden. Dit betekent dat wij de kansen van kansarmen verder inperken. Aan hun recht op vrije huisvesting wordt geknabbeld. Tegelijkertijd worden hun kansen in omliggende regio's niet vergroot. Als dat zo is, is dit onderdeel onacceptabel. Beide ministers hechten zeer aan de grondrechten. Zij komen nu echter aan een zeer belangrijk grondrecht, te weten het recht op vrije huisvesting, met name van de mensen die deze niet via hun portemonnee kunnen kopen. Alleen wanneer de bewindslieden dit compenseren, is dit deel van de wet aanvaardbaar voor sociaal-democraten. Wij onderschrijven het doel, maar het gaat nu om het middel, om de oplossing.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Ik ga even in op de keuzevrijheid. Ik begrijp best dat u dit zo indringend vraagt, want het is voor u een lastig dilemma. Geldt voor de PvdA-fractie dat de gelijke keuzevrijheid voor mensen in de WW, de WAO of de bijstand gerealiseerd moet zijn voordat u instemt met het inperken van de keuzevrijheid en van de kansen van deze groepen in bepaalde aangewezen gebieden?

Mevrouw Adelmund (PvdA):

Dit heeft te maken met de kanteling die zo vaak in de debat plaatsvindt over de Rotterdamwet. Tijdens de persconferentie van afgelopen donderdag heeft de heer Pastors een zodanige interpretatie aan de wet gegeven, dat het niet anders kan dan dat de helft van de Kamer daartegen zal stemmen. Toen ik hem ernaar vroeg, zei hij direct dat dit zijn bedoeling niet is. Wat het commentaar van de Commissie Gelijke Behandeling betreft: positieve discriminatie werd altijd ingezet om mensen met een structurele achterstand te compenseren met extra kansen. Mevrouw Vergeer, u en ik hebben anderhalf jaar kunnen zien dat mensen die arm zijn, altijd naar dezelfde gebieden van de stad worden verwezen. Als die kansarmoede met deze wet zou kunnen worden doorbroken, ben ik daar een ongelooflijk groot voorstander van.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Dat was eigenlijk de vraag niet, want daarover zijn wij het natuurlijk helemaal met elkaar eens. Waar het echter om gaat, is dat deze mensen, waarvoor u en ik bevlogen zijn, op dit moment geen alternatief hebben. De Vinexwijken zitten voor hen op slot. Ook de randgemeenten zitten op slot en het gaat nog wel even duren voordat dit is geregeld. Ik vraag u nogmaals: stemt de PvdA-fractie in met deze maatregelen, met de kennis die de volkshuisvestingsspecialisten van de PvdA bezitten? U hebt het over knikkerputjes, maar met deze maatregelen raken mensen alleen maar verder in de put, want zij moeten dan naar andere wijken, waar het ook niet veel beter is. Waar staat de PvdA-fractie nu? Dat is mij niet helemaal duidelijk.

Mevrouw Adelmund (PvdA):

U hebt recht op een rechttoe, rechtaan antwoord, want u stelt een heel belangrijke vraag. Gezien de huidige tendensen in Rotterdam ben ik het met u eens dat wij ons zorgen moeten maken over de manier waarop deze wet kan uitpakken. Het aantal goedkope woningen neemt af, bijvoorbeeld omdat de corporaties een beleid voeren om te mengen. Er gaan meer goedkope woningen naar mensen die scheef gaan wonen. Het scheef wonen wordt veel minder aangepakt dan tot nu toe het geval is geweest, omdat men differentiatie wil. Wij hebben dus te maken met een aantal maatregelen, allemaal in dezelfde trechter, die kunnen uitpakken op de wijze zoals u schetst. Daarom wil ik er nog een hele serie vragen aan toevoegen, en ik ben heel benieuwd naar het antwoord van het kabinet. Als het kabinet er geen kant-en-klaar antwoord op heeft, vind ik dat wij in dit experiment niet kunnen meegaan. Ik wil dus weten op welke wijze de kansen worden gecreëerd voor de mensen die kansarm zijn. Ik zeg er wel gelijk bij dat het hun verantwoordelijkheid is om die kansen te benutten.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Voorzitter...

De voorzitter:

Ik stel voor dat mevrouw Adelmund haar betoog vervolgt; zij heeft een klip en klaar antwoord gegeven.

Mevrouw Adelmund (PvdA):

Ik ben het eens met mevrouw Van Gent. Ik noem de Vinexwijken, de nieuwbouw en de plaatsen waar herstructurering plaatsvindt. U kent ook de beelden van de Mathenesserdijk, waar de brieven hangen op de huizen van de mensen die denken dat zij na de herstructurering niet kunnen terugkomen. Dat is een groot vraagstuk. Kijkt u naar de mensen die niet in een Vinexwijk terecht kunnen komen, terwijl hun droom wel is tuintje voor, tuintje achter en met zijn allen barbecuen. Dat is toch wel een groot vraagstuk. Er kan maar een heel klein percentage van die groep daar terecht. Ik weet dat het lang duurt voordat de stenen gestapeld zijn. Dat hebben wij ook onderzocht in de commissie-Blok. Het duurt gemiddeld vijftien jaar en zolang kun je dus niet de ene maatregel wel nemen en de andere niet. Dat moet in balans komen. Dat moet in de antwoorden van dit kabinet in balans komen. In de nota naar aanleiding van het verslag zit het er nog niet helder genoeg in. Als je mensen kansen afneemt, dan moet je ze op een ander moment weer een kans geven. Dat moet met beleid en niet alleen met onderzoek. Denkt u aan de motie-Bos.

Ten aanzien van Rotterdam zit er nog een aantal speciale gevallen in, maar daar heeft ook de heer Balemans al naar gevraagd. Ik heb een amendement ingediend over het indirecte onderscheid dat ontstaat tussen chronisch zieken en gehandicapten. Er is nu een inkomensbron in de wet opgenomen in plaats van de 120% minimumloon, maar daar zit inkomen uit arbeid in. Er is al gevraagd wat dan de omvang het arbeidscontract moet zijn of wat de duur van het contract moet zijn. Daar zitten vast veel vragen onder. Ik dien geen amendement in, maar zodra het kabinet dat gaat beperken, ga ik dat wel doen. Inkomsten uit arbeid zijn mijns inziens inkomsten uit arbeid en de arbeidsmarkt kennende, moet ik u zeggen dat eenderde van de werknemers onder afwijkende contracten werkt. Dat is de moderne tijd. Zij hebben geen zekerheid over de toekomst van hun arbeidscontract. Dat geldt vooral voor jongeren. In bepaalde sectoren is het zelfs een uitzondering als je zekerheid hebt over je arbeidscontract. Er is net een vraag gesteld over het criterium dat nu in de wet staat, inkomsten uit arbeid, maar ik moet u zeggen dat ik dat nu opvat zoals het in de wet staat.

Ik wil u ook nog meenemen in Adelmundde redenering wat er zou moeten gebeuren met mensen die dus niet naar het knikkerputje gaan. Dat zijn potentiële huurders en daar moet een oplossing voor komen. Nu weet ik dat de wachttijden in de gemeenten heel lang zijn voor huizen. Ik kan mij voorstellen dat er wordt gevreesd voor oneigenlijk gebruik als wij nu zeggen dat mensen die zich hebben aangemeld en niet aan de beurt zijn gekomen, een huis krijgen. Dan weet ik in ieder geval dat morgen heel veel mensen ineens in het knikkerputje willen wonen, want die krijgen dan een huis. Zo zal het niet geregeld kunnen worden. Ik heb een amendement ingediend. Ik wil dat de ministers met mij meedenken over de vraag hoe het wel geregeld kan worden. Als het niet geregeld wordt, dan stuurt dit kabinet de kansarmen vooruit in een maatschappelijke strategie, waarvan wij dan zeggen: over een hele tijd betekent dat ook verbetering voor jullie, want wij hebben bedacht dat het voor jullie ook niet meer goed is om daar te wonen. Zij zullen toch ergens moeten wonen en graag beter dan in de knikkerputjes.

Ik zou nog lang kunnen spreken over de oplossingen die gekozen zijn, maar gezien de spreektijd doe ik dat niet. Ik vind het van het grootste belang dat de vraagstukken die hier liggen door het kabinet op een wijze worden behandeld waardoor meer balans ontstaat dan er nu is in de nota naar aanleiding van het verslag. Deze verschuiving past wel bij de verschuivingen die er al zijn geweest. Wij hebben eerst de voorstellen van Rotterdam gehad. Daarna kregen wij een wetsontwerp. Wij hebben discussies gehad in de Kamer. Wij hebben de Raad van State gehad, daarna een enorme bijstelling. Wij hebben vervolgens een verslag gehad vanuit de Kamer, daarna weer kleine wijzigingen vanuit het kabinet. Ik hoop van harte dat de ministers de laatste wijzigingen erbij leggen die balans brengen in dat vraagstuk. Ik kan mij toch ook niet voorstellen dat er met een advies van de Commissie Gelijke Behandeling anders wordt omgegaan als het even niet uitkomt. Of dat wij discriminatie ineens een heel andere prioriteit geven in onze samenleving dan tot nu toe. Ik wil graag met de ministers meten hoe deze maatregel dusdanig kan worden ingezet dat zij voorrang oplevert voor mensen, met name voor kansarme mensen. Als u dat met mij doet, kan ik mijn fractie voorleggen om voor dit wetsvoorstel te stemmen. Als u dat niet doet, is dat voor ons een heel groot dilemma.

De heer Bruls (CDA):

Voorzitter. Ik maak er geen geheim van: mijn fractie zal dit wetsvoorstel steunen. Wij zullen dat met groot enthousiasme doen. Met even groot enthousiasme gaan wij er vandaag en morgen nog wat veranderingen in aanbrengen. Ik wil allereerst een paar zinnen wijden aan de manier waarop wij die wet zien. Mevrouw Adelmund heeft daar terecht naar gevraagd. Er moet wel een visie zijn op de wet in zijn geheel. Deze wet is geen panacee voor alle kwalen, maar past wel goed in het instrumentarium om de problematiek en de uitdagingen in de grote steden aan te pakken. Ik zal ook ingaan op de drie hoofdthema's van dit wetsvoorstel in de volgorde zoals zij in de memorie van toelichting staan.

Het grotestedenbeleid heeft volgens de CDA-fractie eigenlijk maar één belangrijk doel, namelijk het versterken van de stedelijke samenleving. Wij willen de positieve rol versterken van bewoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en alle andere groepen die actief zijn in een samenleving. Onze inspanning moeten zijn gericht op het realiseren van een sociale samenhang binnen de stedelijke gemeenschap. Wij moeten, zoals ik al vaker heb gezegd, van een Gesellschaft waarin mensen met elkaar leven naar een Gemeinschaft waarin mensen het met elkaar doen.

Naast sociale samenhang is leefbaarheid een leidend thema voor de CDA-fractie. Juist in steden is het bereiken daarvan een grote uitdaging gezien de voortdurende "anonimiteitsval". In steden kunnen mensen anoniem wegduiken. Sommigen doen dat bewust, maar heel vaak gebeurt dat tegen hun zin. De samenwerking tussen de steden en het Rijk in het grotestedenbeleid is daarbij een middel en geen doel op zich. Daar hebben wij al eerder over gesproken. Het moet gaan om de mensen en groepen in de stad. Daar is al eerder een lans voor gebroken door mijn fractie. Wij vinden dat het huidige grotestedenbeleid te zeer een samenspel is tussen bestuurders. Ik zal daar straks graag aan meedoen, maar het moet verder gaan.

Wij zijn erg blij dat de nieuwe minister voor BVK al in een aantal brieven de positie van burgers centraal heeft gesteld. Ik heb die passages met buitengewoon grote belangstelling gelezen. De andere passages heb ik uiteraard ook gelezen, maar hierbij vonkten mijn ogen even. Wij zijn erg benieuwd hoe minister Pechtold hier vorm aan wil geven, maar dat zullen wij morgen wel horen. Het is natuurlijk mooi gezegd dat burgers een centrale rol in het grotestedenbeleid moeten krijgen, maar de vraag is hoe wij dat gaan doen. Dat moet in elk geval verder gaan dan een subsidie aan het Landelijk Samenwerkingsverband Achterstandswijken, hoe belangrijk en nuttig dat ook is.

Het onderhavige wetsvoorstel moet passen in die aanpak, anders staat het op zichzelf en dan kan ermee aan de haal worden gegaan. Dan is het mogelijk dat er in deze prachtige en belangrijke ruimte wordt gezegd, weliswaar niet ongestoord, dat het erom gaat om mensen aan te pakken die een puinhoop veroorzaken, zoals mevrouw Van Gent deed. Ik daag haar toch nog eens uit om deze nacht goed te besteden, naast de welverdiende nachtrust, aan het nalezen van de wet en de memorie van toelichting. Zij heeft er echt niets van begrepen.

Er zijn maatregelen nodig die leiden tot investeringen in de mensen in de stad. Die balans is heel erg belangrijk. Er zijn ook maatregelen nodig die gemeenten adequaat regulerende bevoegdheden geven. Beide typen van maatregelen zijn nodig. Met dit wetsvoorstel worden regels, bevoegdheden en bepaalde verantwoordelijkheden aan gemeenten gegeven. Dat laat onverlet dat het investeren in mensen en in de samenleving heel belangrijk is. Het gaat natuurlijk niet alleen maar om het weren van kansarmen, zoals bijstandsgerechtigde moeders, uit bepaalde delen van de stad. Het gaat ook om het investeren in die moeders of wie het ook mag treffen. Daar zijn steden echter zelf aan zet. Wij kunnen hen daarbij wel helpen. Wij zijn ook zeer voor de leerwerkplicht voor mensen jonger dan 23 jaar. Dit parlement heeft de motie-Verhagen aangenomen die daar onder andere over ging. Wij moeten het echter ook niet allemaal op één hoop gooien. Het heeft betrekkelijk weinig zin om nu alles onder deze wet te gaan voegen en om te zeggen dat de wet niet deugt als het er niet in staat. Dat vind ik een redenering waar wij onszelf veel te kort mee doen.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Op grond van dit voorstel mag iemand die in de VUT zit overal wonen. Sommige bijstandsmoeders zijn vrijgesteld van sollicitatieplicht. Gemeenten hebben, mede op aandrang van de CDA-fractie, de bevoegdheid gekregen om daartoe te besluiten. Die moeders zijn niet beschikbaar voor de arbeidsmarkt en verwerven geen inkomen uit arbeid. Zij hebben als kenmerk dat zij bijstand hebben en komen dus bepaalde wijken niet in. Waarom mogen deze mensen, die natuurlijk kansen moeten hebben, bepaalde wijken niet in?

De heer Bruls (CDA):

In een wijk waar alleen maar jonge Antilliaanse bijstandsmoeders bij elkaar wonen, vormen die vrouwen niet het probleem. De wijk als zodanig heeft echter geen enkel perspectief. Het zal ook in uw woonplaats Groningen voorkomen dat mensen zo bij elkaar wonen. In dit land bestaan nu al wijken waar mensen voor de derde generatie een uitkering hebben. Dat is geen toeval. Het is geen consequentie van bewust beleid, maar er wel een effect van. Het kan niet zo zijn dat er niets aan deze situatie wordt gedaan en dat deze niet wordt doorbroken met de nieuwe instrumenten die volgens mij nodig zijn. Je moet dan inderdaad een keer tegen hen durven te zeggen: het is beter voor jou dat wij jou op een andere plek laten wonen. Met andere woorden: op de ene plek niet wonen, maar wel op de andere plek. Dat is dus weer die balans en die samenhang! Dit is zeer goed te verdedigen. GroenLinks moet eens willen zeggen dat Antilliaanse jonge vrouwen die op zeer jeugdige leeftijd kinderen hebben gekregen en wier man misschien ergens anders dan in Rotterdam rondhangt, in bepaalde delen van de stad bij elkaar blijven wonen zonder dat zij enig perspectief op werk hebben en zonder dat zij een stap hoger op de sociale ladder komen. Een dergelijke situatie vind ik namelijk niet te verdedigen.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

De heer Bruls geeft hiermee een opmerkelijke wending aan het debat. Ik heb het over bijstandsmoeders en hij begint over een specifieke groep jonge Antilliaanse vrouwen met kinderen. Laten wij de groepen dan ook benoemen en het niet vaag en algemeen houden. Nu gaat het om iedereen. Het gaat er nu niet om dat wij de problemen van iemand gaan oplossen. Nu wordt er gezegd: u behoort tot een groep, dus u komt een bepaalde wijk niet in, ook als u helemaal geen problemen hebt. Dit is mijn punt. Natuurlijk vind ik ook dat de problemen aangepakt moeten worden. Ik vraag mij alleen af of dat gebeurt door tegen mensen te zeggen: u komt deze wijk niet in; wij hebben niet direct een alternatief, want de randgemeenten en de Vinexlocaties laten het er volkomen bij zitten. Gaan wij dus de problemen echt oplossen in plaats van tegen de desbetreffende personen zeggen "gaat u maar langer op de wachtlijst staan, want wij hebben voor u geen plek in de herberg"? Dat is nu de principiële vraag.

De heer Bruls (CDA):

Het probleem zal in ieder geval niet opgelost worden, als wethouder Ineke van Gent in Groningen het probleem op zijn beloop laat en de Antilliaanse meisjes gewoon bij elkaar blijven komen. Op zich zijn daar nog wel allerlei redenen voor aan te voeren. Dat is de situatie waar wij mee te maken hebben. U hebt het over een fictieve situatie en ik praat over de realiteit. Die reële problemen zijn niet op te lossen met het bestaande instrumentarium. De onderhavige wet bevat waarborgen terzake. Straks kom ik daar uitgebreid op terug.

Rotterdam of welke stad dan ook kan niet aan deze wet beginnen, als die gemeente bijvoorbeeld niet eerst het eigen huisvestingsbeleid via vergunningen op orde heeft gebracht. Daarmee is men ook begonnen. Dat wordt dus veranderd. Pas daarna kunnen de instrumenten uit de onderhavige wet worden toegepast. Daarover is het wetsvoorstel ook redelijk duidelijk. Het biedt ons de zekerheid dat wij iets kunnen gaan doen aan de problemen.

Voorzitter. Het is niet zo dat dit wetsvoorstel een compleet antwoord op alle grootstedelijke uitdagingen moet geven. In onze christen-democratische visie moeten steden en burgers in de eerste plaats op een eigen wijze vorm daaraan geven. Zij moeten dus op een eigen wijze uitdagingen en kansen kunnen aanpakken. Wel kunnen wij ervoor zorgen dat er door het Rijk hulpmiddelen worden aangereikt, niet meer en niet minder. Zo zie ik het. Daarvoor moeten waarborgen gelden. Dit wetsvoorstel regelt dat op drie terreinen.

Allereerst wil ik ingaan op de ozb en de kanszones. Wij ondersteunen van harte de mogelijkheid van de economische kanszones. De redenen voor de instelling van die zones staan ook in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel. Er moet geprobeerd worden om de benedenwaartse spiraal van negatieve economische gevolgen te keren. Daarvoor zijn er soms wat andere middelen nodig.

Het is de vraag of een paar duizend euro beslissend zal zijn voor een ondernemer. Ik denk van niet, maar het kan wel iets toevoegen aan het besluitvormingsproces over bijvoorbeeld een investering in een bepaalde wijk of over het blijven aldaar. Het kan ook gaan om de opening van een nieuwe vestiging. Uit een oogpunt van valse concurrentie is het juridisch wel een zware maatregel. Daarmee moet dus heel zorgvuldig worden omgegaan. Ook daarin voorziet het wetsvoorstel. De maatregel kan eigenlijk alleen maar effectief zijn in samenhang met andere maatregelen. Ik noem factoren zoals veiligheid, leefbaarheid en de aanwezige koopkracht in een wijk. Die zijn volgens mij van veel groter belang voor de vestiging van MKB-ondernemingen.

Ik heb een vraag over de motie-Ten Hoopen die verleden jaar is ingediend bij de behandeling van de begroting van Economische Zaken. Die motie gaat over economische kanszones. Terecht zegt het kabinet dat die motie met name gaat over kanszones van innovatiegebieden, voor nieuwe technologische bedrijvigheid. Mijn fractie zal het betreuren als de uitkomst van dit debat zal zijn dat de ene kanszone de andere uitsluit. Ik bedoel hiermee dat een achterstands- of een aandachtswijk heel geschikt kan zijn voor iets innovatiefs. Een bepaalde overlap, compleet of gedeeltelijk, van twee kanszones moet mijns inziens mogelijk zijn. Daarop krijg ik graag een bevestigend antwoord van het kabinet. Maatwerk moet wel mogelijk blijven, zowel bij de uitvoering van de innovatieve kansenzone als van deze kansenzone, die meer is gericht op achterstandswijken. Wij blijven ook na de nota naar aanleiding van het verslag wel onze twijfels houden over een aantal kenmerken van de maatregelen. Ik heb daarover nu ook al een aantal amendementen ingediend.

Als er in een gemeente meer dan één kansenzone is aangewezen, moet voor alle kansenzones hetzelfde ozb-regime gelden, zo wordt in deze wet voorgesteld. Mijn fractie vindt dat onnodig betuttelend en niet in overeenstemming met de werkelijkheid. Binnen een stad is er ook verschil te maken tussen de diverse achterstandswijken. Zij lijken soms op elkaar, op een aantal kenmerken, maar zijn natuurlijk nooit identiek. De meeste steden doen dat in hun beleid ook wel. Zij maken weliswaar een bepaalde onderverdeling, maar leggen toch per achterstandswijk soms wat meer accent op bijvoorbeeld herstel van het groen in de openbare ruimte, of op herstel van de economie. Allerlei andere varianten zijn natuurlijk denkbaar. Er mag wat ons betreft daarom ook onderscheid worden gemaakt tussen de diverse kansenzones, ook waar het gaat om de vaststelling van het ozb-tarief. Daarom heb ik ook een amendement ingediend om differentiatie in ozb-tarieven tussen kansenzones binnenéén gemeente mogelijk te maken.

Een gemeente kan ook een gebied aanwijzen voor de ozb-maatregel binnen een aantal wettelijke criteria. Die criteria zijn deels veel te beperkend. Mevrouw Adelmund sprak daar ook al over. Op grond van het huidige, voorliggende ontwerpwetsvoorstel kunnen slechts acht steden gebruik maken van deze maatregel. Daarbij moet men bedenken dat een aantal van die steden slechts één zone kan aanwijzen, terwijl het leeuwendeel in Rotterdam of Amsterdam zit. Ik zeg hiermee niets ten nadele van Rotterdam of Amsterdam, maar dit is ook weer onnodig beperkend. Het gaat immers om een bevoegdheid die wij een gemeenteraad geven. Laat die gemeenteraad dan ook maar bepalen wat wel of niet wenselijk is binnen de gemeente. Daar voert men ook het maatschappelijk debat met al die ondernemers in de stad die ongetwijfeld zullen zeggen: hier worden wij misschien weggeconcurreerd, maar wij willen niet onnodig beperkend zijn. Wij stellen daarom in een amendement voor om het criterium van het aantal inwoners te verlagen van 10.000 tot 5000, zodat ook kleinere wijken in aanmerking komen. Er zijn maar enkele steden die met wijken van een niveau van meer dan 10.000 werken onder de GSB-gemeenten.

Verder heeft mijn fractie grote bezwaren tegen het criterium dat alleen steden met meer dan 100.000 inwoners gebruik kunnen maken van deze wettelijke mogelijkheid. Mijn fractie is voorstander van de mogelijkheid dat alle steden van het aanwijzen van gebieden gebruik kunnen maken wanneer sprake is van een bijzondere behoefte aan omschakeling wegens lokale sociaal-economische problemen, wegens achterstanden op dat vlak. Het zou in ieder geval moeten gelden voor alle gemeenten die deelnemen aan het GSB. Daartoe heb ik een amendement ingediend.

Van de verwijzing naar het voorgaande beleid via de Urban-regeling zegt de regering zelf dat dit niet meer strikt noodzakelijk is. Die grond, waarvoor ik nog gevoelig zou zijn, is dus niet meer nodig en kunnen wij niet meer hanteren. Dan is het de vraag of een achterstandswijk in Schiedam anders zou moeten worden behandeld, of zou moeten worden uitgesloten, dan een wijk in Rotterdam.

De heer Balemans (VVD):

Als ik het amendement van de heer Bruls goed begrijp, zegt hij dat deze ontwerpwet alleen mag gelden voor de steden die vallen onder het GSB-beleid.

De heer Bruls (CDA):

Ja, dat is de consequentie van het amendement, maar ik zeg u direct dat met mij goed te praten is als dat anders zou moeten zijn. Ik ben ook wel gevoelig voor de situatie van Almere.

De heer Balemans (VVD):

Dank u, dat was namelijk de gemeente die ik wilde noemen.

De heer Bruls (CDA):

Dat dacht ik al. Mijn interventie van zojuist was gericht aan het adres van mevrouw Adelmund. Wassenaar zal hier niet in komen, dat ben ik met haar eens, maar ik noem Doesburg met 10.000 inwoners en stadsrechten, en ik wijs op Wageningen. Hoe ver gaat dit? Almere of Apeldoorn zijn echt steden waarvoor wij dit zouden kunnen toepassen. Hoe omschrijven wij het begrip "stad" dan in juridisch sluitende zin?

De heer Balemans (VVD):

Is de heer Bruls het met mijn constatering eens dat ook deze ontwerpwet zou moeten openstaan voor steden die in de toekomst de grens van 100.000 inwoners zullen passeren en die ook voor het overige zouden voldoen aan de criteria die gelden voor GSB-steden? Daaronder valt Almere wel, maar Doesburg niet.

De heer Bruls (CDA):

Over de kans dat Doesburg eronder valt doe ik geen uitspraken. Dat zullen wij tegen die tijd wel zien. Die kans lijkt mij niet zo groot. Ik heb bewust gekozen voor het criterium van de GSB-steden. Ik meen dat dat aardig tegemoetkomt aan uw opvatting. Ik kan het nog wat meer open formuleren, maar u hebt ook gesproken over een evaluatiemoment. Dat zouden wij meer kunnen vervroegen dan in uw voorstel. Dat hebben wij al afgesproken. Dan zouden wij hiermee een koppeling kunnen leggen. Ik verwacht niet dat wij volgend jaar allerlei nieuwe steden op de stoep zullen hebben die opeens aan de GSB-criteria voldoen.

Mevrouw Adelmund (PvdA):

Ik heb al eerder gezegd dat er ten aanzien van het ozb-verhaal nog een ander criterium geldt: ten minste 25% niet actief en ten minste 45% huishoudens met een laag inkomen. Dat schift al enorm uit. In dit verband lijken mij de zeer succesvolle experimenten met de kansenzones in Rotterdam typisch iets wat wij breder kunnen doorzetten. Ik vraag aan de heer Bruls of hij daar vannacht ook nog even over wil denken.

De heer Bruls (CDA):

Rotterdam bevindt zich in ieder geval aan de goede kant van de streep. Eerlijk gezegd begrijp ik de vraag van mevrouw Adelmund niet. Wij hebben het nu toch over steden die er niet onder zouden vallen?

Mevrouw Adelmund (PvdA):

Ik neem aan dat ik soms te snel ga voor de heer Bruls. Ik zal het voor hem nog eens wat langzamer uitleggen. Rotterdam kent kansenzones. De gemeente legt daar nog wat ander geld bij. Wij zien daar prachtige resultaten. De heer Bruls heeft gesproken over het breder toepassen van de ozb-maatregel zoals die door het kabinet wordt voorgesteld. Ik heb gevraagd of hij vannacht ook wil nadenken over het verder uitbreiden van de kansenzones, zoals die in Rotterdam zo goed werken, naar andere steden. Dat kost maar heel weinig geld. Via het FEZ zou het geregeld kunnen worden. In onze tegenbegroting is er al in voorzien.

De heer Bruls (CDA):

Dat zal ik dus mooi niet doen, tot het moment dat Rotterdam mij vraagt om er wethouder te worden en dat zal ik afwijzen. Niets ten nadele van Rotterdam, want ik heb steden aan de Maas in mijn hart gesloten.

Ik ben het met mevrouw Adelmund eens dat toegang tot de woningmarkt het meest besproken onderdeel van deze wet is, zeker in de Rotterdamse samenleving. Een van de onderdelen van de situatie in de grote steden is de zogenaamde selectieve immigratie: huishoudens uit de hogere inkomensgroepen trekken weg, terwijl nieuwkomers en achterblijvers in de wijk vaak tot de lage inkomensgroepen behoren en zijn aangewezen op een uitkering. Vaak leidt dat tot ongewenste segregatie langs sociaal-economische en etnische lijnen. Wanneer wij dit op zijn beloop laten, zal deze situatie zich alleen maar verergeren.

Stadsdeelvoorzitter Dominique Schrijver van de PvdA heeft daarover een aantal jaar geleden terecht de noodklok geluid. De cruciale vragen die ten aanzien van dit onderdeel van de wet voorliggen, is of wij verder gaan met alle goede maatregelen zoals woningdifferentiatie, gedifferentieerd bouwen en het geven van een ander aanzien aan de wijken, of wij daarvan over vijftien jaar de resultaten zullen zien, en of het in de tussentijd goed zal gaan. Ik meen dat het in de tussentijd niet goed zal gaan. Dat is niet alleen het signaal dat luid en duidelijk uit Rotterdam-Charlois komt. Dit geluid komt uit de hele gemeente Rotterdam en wordt gesteund door andere steden die met soortgelijke segregatieprocessen te maken hebben. De bestaande wettelijke en gemeentelijke instrumenten moeten eerst ten volle worden ingezet. Ik heb het zojuist al gehad over de huisvestingsvergunning. Rotterdam heeft deze nu ten volle ingezet, maar dat had al veel eerder moeten gebeuren. Op basis van de ervaringen in andere steden waar het al gebeurde, kan worden vastgesteld dat je er hiermee niet helemaal komt. Volgens de huidige wetgeving moet de gemeente zorgen voor een rechtvaardige verdeling van woningen. Dat is nog iets anders dan het investeren in maatregelen op het gebied van leefbaarheid en veiligheid in de buurt. Het is niet zo, dat mensen met een laag inkomen verantwoordelijk zijn voor de problemen. Je kunt echter wel constateren dat een clustering langs sociaal-economische en etnische lijnen buurten zwakker en kwetsbaarder maakt voor degenen die kwaad willen. Dat gebeurt ook in Nederland, niet alleen in de grote banlieue van Parijs. Dat vraagt om onorthodoxe instrumenten.

Mevrouw Adelmund (PvdA):

Om de heer Bruls goed te kunnen begrijpen, wil ik hem graag enkele vragen stellen. Hij gaat er dus ook van uit dat de maatregelen tijdelijk zijn? Hij gaat er ook van uit dat het een paardenmiddel is? En hij gaat ervan uit dat eerst alle andere middelen moeten zijn toegepast?

De heer Bruls (CDA):

Ik vind het geen paardenmiddel. Dat suggereert dat het een slecht en een bot middel zou zijn. Ik ga er wel van uit dat het tijdelijk is. Dat staat ook in het wetsvoorstel. Inderdaad moeten ook andere instrumenten worden toegepast. Met andere woorden: dit instrument moet passen in het totale beleid dat de gemeente voert. Daarvan is naar mijn mening sprake in Rotterdam, Amsterdam en andere grote steden. Toetje klinkt wat oneerbiedig, maar dit is wellicht net het instrument dat voor sommige gebieden in onze steden echt nodig is om het tij te keren. Ik verwacht overigens niet dat het op grote schaal gebruikt zal gaan worden in de Nederlandse steden.

Mevrouw Adelmund (PvdA):

De laatste remedie dus? Tijdelijk, als alle andere middelen zijn toegepast?

De heer Bruls (CDA):

Ja. Dat zijn dan ook de voorwaarden. Toen Rotterdam zijn plannen presenteerde, was dat de eerste reactie van het kabinet. Daarom is Rotterdam ook begonnen met de huisvestingsvergunningen. Het zou natuurlijk nogal apart zijn om dit instrument toe te passen als iedereen zo maar een pand kan betrekken zonder dat je er überhaupt vat op hebt. Ik heb het woord prehistorisch gebruikt; dat was misschien overdreven, maar "historisch" is ook al een tijd geleden...

Er is bij de inzet van deze instrumenten dus een zorgvuldige afweging nodig. Er is maatwerk nodig en daarbij moeten gemeenten op de gewenste schaal kunnen werken. Soms is dat op stadsdeelniveau, soms op wijkniveau en soms op het niveau van een straat, een buurt of misschien zelfs een woningcomplex. Mijn fractie is er tevreden over dat deze maatvoering met dit wetsvoorstel mogelijk wordt gemaakt. Hiermee wordt ook tegemoetgekomen aan de vrees van sommige groepen inwoners die zich afvragen wat er over hen heen zal komen. Dit wetsvoorstel geeft gemeenten de mogelijkheid om dit instrument echt precies toe te passen.

Mevrouw Adelmund (PvdA):

U sprak zojuist van wijken, straten, buurten of complexen. Nu weet u dat er in de wet gesproken wordt van "gebieden". Dat is een heel ruim begrip en u heeft ook in de rondetafelgesprekken kunnen horen dat degenen die deze maatregel zouden willen gebruiken, aan complexen, straten of delen van wijken denken. Bent u het daarmee eens?

De heer Bruls (CDA):

Ja. En ik heb zojuist ook aangegeven dat dit wetsvoorstel dit volgens mij ook mogelijk maakt.

Mevrouw Adelmund (PvdA):

Vindt u het begrip "gebieden" niet erg ruim?

De heer Bruls (CDA):

Mijn huis is mijn gebied.

Het voorstel om de sociaal-economische positie als uitgangspunt te nemen en niet het criterium van 120% van het wettelijk minimumloon te hanteren vinden wij een zeer goede aanpassing. De gemeente Rotterdam heeft naar aanleiding van de resultaten van het experiment zelf ook aangegeven dat dit beter uitpakt. Het maakt bijvoorbeeld de aanpak van fraude door malafide huiseigenaren en dus de bureaucratische overlast een stuk minder, dus zo moeten wij het zeker doen. Ik ben wel geïnteresseerd in het oordeel van de regering over het complete resultaat van het experiment. Geeft dat nog aanleiding tot aanpassing, misschien niet in deze wet, maar wellicht wel bij allerlei andere beleidsafspraken met de gemeente Rotterdam en andere gemeenten?

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Ik wil nog even terugkomen op dat kenmerk. Het gaat om mensen met een uitkering krachtens de WW, de WAO of de Algemene Bijstandswet, dat zijn de drie groepen die uiteindelijk zijn overgebleven. Maar het kabinet zegt altijd dat die uitkeringen vanwege het geweldig succesvolle arbeidsmarktbeleid maar tijdelijk zijn, dat de mensen in die groepen weer perspectief krijgen. Nu gaat het allemaal niet zo vlot, zoals ook uit het rapport van het SCP blijkt, maar waarom zou je dan deze mensen uitsluiten? Iemand met WW hoeft helemaal niet op bijstandsniveau te zitten en hij heeft sociaal-economisch nog perspectief. Dit geldt ook voor iemand in de bijstand of in de WAO, dus ik snap het eigenlijk niet zo goed. U onderschrijft als lid van een regeringsfractie altijd dat deze mensen nog perspectief hebben, maar nu zegt u eigenlijk dat zij sociaal-economisch eigenlijk te weinig perspectief hebben. Hoe komt dat dan? Dat is dan toch gewoon een kwestie van falend beleid?

De heer Bruls (CDA):

Ik heb de indruk dat u om bepaalde zaken heen draait. Een maatregel als deze neem je niet zo maar. Een gemeenteraad die een voorstel aan de minister voorlegt – ik kom er zo nog op terug hoe wij dit anders zouden moeten inkleden – moet een behoorlijk zware toets doorstaan. Je moet daarbij nagaan of het niet met andere middelen kan, of het in verhouding is met het doel dat je wilt bereiken en of je dat doel überhaupt met dat middel bereikt. Maar het is inherent aan elk instrument dat er een bepaalde afbakening is, want ik ben het ermee eens dat niet alle WW'ers op één hoop gegooid kunnen worden. En er bestaan behoorlijke verschillen tussen WW'ers en bijstandsgerechtigden, ook wat de perspectieven betreft. Maar deze groepen hebben het zeker in de huidige economisch moeilijke tijden natuurlijk wel een stuk lastiger, en dat heeft niets met falend kabinetsbeleid te maken. Ik wil het mechanisme doorbreken dat mensen die werkloos raken of die hun huis hebben moeten verkopen, bijna automatisch in bepaalde wijken bij elkaar gezet worden omdat bepaalde goedkope woningen geclusterd zijn. En inderdaad, het kan betekenen dat iemand zegt dat hij zo weer een baan krijgt omdat de sector waarin hij werkte, weer tot bloei komt. Dat is bij dit soort maatregelen onvermijdelijk. Ik vind het belangrijker dat er voor de ene voor wie het anders kan zijn, een uitzondering kan worden gemaakt. Een gemeente of woningeigenaar kan in zo'n geval een uitzondering maken, zoals bij elke goede maatregel. Het gaat vandaag echter om de negen anderen van de tien die niet het perspectief hebben. Die mensen wil ik perspectief bieden, door tegen hen ook eens te zeggen dat wij het zo niet doen en dat zij ergens anders moeten gaan wonen. Wij zijn dat niet gewend en uw partij is dat helemaal niet meer gewend sinds de sixties, maar ik vind het wel uit te leggen.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

In de sixties was ik nog niet zou oud, mijnheer Bruls. Maar dit terzijde.

U zegt dat mensen in deze tijden misschien wat minder sociaal-economisch perspectief hebben. Vervolgens beperkt u hun keuzevrijheid. U wilt deze mensen kansen geven. Ik ben dat helemaal met u eens. Je moet mensen dan in eerste instantie kansen geven om hun sociaal-economische perspectief te verbeteren. Daarover heb ik heel veel gezegd, maar in wezen gebeurt dat te weinig of heeft het langer tijd nodig. Intussen komen mensen echter bepaalde wijken niet in, bijvoorbeeld een bijstandsmoeder met vrijstelling van de sollicitatieplicht, omdat de CDA-wethouder dat heeft toegestaan. Hoe kunt u dat objectief uitleggen? Of ben je overgeleverd aan willekeur? Het is toch een grondrecht dat je niet overgeleverd bent aan willekeur?

De heer Bruls (CDA):

Volgens mij kunnen het Rotterdamse college, waar de bal ligt, het Amsterdamse college, het Groningse college, het Nijmeegse college en voor mijn part het Venlose college uitstekend de samenhang uitleggen. U maakt steeds de fout, bewust natuurlijk, om één kant van pakket maatregelen te belichten.

Het gaat om investeren in mensen op allerlei manieren. Wij doen dat nu al. Deze maatregel komt erbij. Als u al een onbalans bespeurt, is het misschien omdat tot op dit moment te veel een beleid is gevoerd van alleen maar investeren en niet kijken of er andere maatregelen zijn. Er hoort een bepaalde regulering bij. Ik heb aan het begin van mijn betoog al gesproken over maatregelen die investeren in mensen mogelijk maken. Als christen-democraten zijn wij daar hartgrondig voor. Het gaat soms echter ook om maatregelen waarmee je iets moet reguleren. Dan gaat het om maatregelen waarbij je zaken anders aanpakt, waarbij je tegen mensen zegt dat zij ergens niet kunnen wonen maar dat je andere mooie plekken in de aanbieding hebt. Die balans moet er zijn. Deze wet brengt een deel van de balans in orde. Ik ben het echter met iedereen eens dat die balans er moet zijn. Anders loopt het niet goed.

Op het punt van de bevoegdheid van de minister van VROM tot aanwijzing binnen gemeenten kent mijn fractie wel een worsteling. Ik ben het met andere sprekers eens dat de voorwaarden, de criteria waaraan een gemeente moet beantwoorden voordat het wordt goedgekeurd, wat blijven zweven. Sterker nog, wij lezen in de nota naar aanleiding van het verslag dat de minister van VROM niet voornemens is de voorwaarden nader in te vullen. Het is toch van tweeën een en ik zal meteen aangeven wat wij kiezen. Wij geven de voorkeur aan een model waarbij gemeenteraden hun eigen keuze op basis van de wettelijke criteria maken. Dat is niet het model dat nu in het wetsvoorstel is opgenomen. Het wetsvoorstel heeft een wat hybride karakter op dit punt. Met het door ons voorgestane model is te verteren en uit te leggen dat de gemeenteraad zelf criteria opstelt, met inachtneming van de wet, die verantwoordt naar de eigen burgers, daarover het debat in de stad kan aangaan en vervolgens gebieden aanwijst. Wij vinden wel dat de minister van VROM moet instemmen met de keuze. Zij zal een bepaalde afweging moeten maken of de gemeenteraad het niet te lichtvaardig doet. Met het kabinet denk ik echter dat dit niet zal gebeuren. In de nota naar aanleiding van het verslag staat onder andere: "omdat de gemeenteraad bij uitstek als democratisch gelegitimeerd orgaan in staat moet worden geacht de afweging te maken die aan de aanvraag ten grondslag moet liggen. De gemeenteraad zal zich daarbij zonder meer rekenschap geven van de maatschappelijke gevolgen van een dergelijke aanwijzing." Halleluja, riep ik uit. Dat zijn pas zinnen; modelzinnen uit een handboek over gemeentelijke autonomie. Ik vind het echter niet passend dat de minister bijvoorbeeld na één jaar kan zeggen dat men er niet helemaal aan beantwoordt en de maatregel kan intrekken. Dan heeft de gemeente het gehele apparaat in gang gezet, de maatschappij overtuigd dat het een goede maatregel is en heeft zij er geld, menskracht en energie in geïnvesteerd. Twee keer vier jaar is prima, maar als je kiest voor vier is het vier jaar. Ik vind dat de minister niet achteraf een aanwijzing moet intrekken. Ik heb dat ook in een amendement opgenomen.

Mevrouw Vergeer (SP):

Kunnen de criteria volledig lokaal worden vastgesteld of is toch nog een wettelijk kader nodig?

De heer Bruls (CDA):

De vraag is of er meer nodig is dan het huidige wettelijke kader. Ik heb er begrip voor dat het Rijk een bepaalde behoefte heeft om daarop toe te zien, maar ik denk dat een gemeente er alle belang bij heeft dat een aangewezen gebied wordt goedgekeurd door de minister. Het heeft geen enkele zin om gebieden voor te dragen die vervolgens door de minister van VROM moeten worden afgewezen omdat er niet genoeg vervangende woonruimte op andere locaties is. Als het aangewezen gebied wordt goedgekeurd, heeft de gemeente vier jaar lang de kans om het tij te keren.

Mevrouw Vergeer (SP):

Volgens mij is het probleem dat het begrip "proportionaliteit" zeer ruim geïnterpreteerd kan worden. De Kamer moet vaststellen welke gegevens nodig zijn om te kunnen beoordelen of daaraan voldaan is.

De heer Bruls (CDA):

Dat is de andere benadering, namelijk Den Haag als burgemeester van alle steden. Die benadering kiest het CDA niet.

Mevrouw Adelmund (PvdA):

Ik weet dat het genoegen voor de heer Bruls nog maar heel kort duurt, maar ik herinner hem eraan dat er 150 gekozen volksvertegenwoordigers in de Kamer zitten.

De heer Bruls (CDA):

Iedereen heeft recht op zijn of haar mening. Mijn fractie kiest voor een andere weg. Ik heb eerlijk erkend dat er twee modellen zijn. Het zou anderen sieren als zij hier ook openhartig over zijn. Het heeft geen enkele zin in een bepaalde opvatting te blijven hangen. Ik weet dat er risico's zitten aan een wat meer open benadering. Ik daag de critici uit om een poging te doen om die criteria aan te scherpen. Dan zal blijken dat zij heel snel op de stoel van de gemeenteraad terechtkomen.

Mevrouw Vergeer (SP):

Je zou inderdaad kunnen zeggen dat de Kamer op de stoel van de gemeenteraad gaat zitten als zij bepaalt aan welke criteria de gemeente zich moet houden. Ik wijs er echter op dat de Kamer dit vaker doet om willekeur te voorkomen. Het doel van dergelijk ingrijpen is de bescherming van burgers.

De heer Bruls (CDA):

De inzet van mijn fractie is om burgers wat meer ruimte te geven. Wij stellen te veel regels voor gemeenten en burgers.

Ik heb een amendement ingediend ten aanzien van de mogelijkheid om panden te sluiten en het beheer ervan over te nemen. Ik stel voor om het woord "ernstige" in de formulering een "ernstige bedreiging van de leefbaarheid te schrappen". De argumenten daarvoor zijn al eerder genoemd. Het kan nooit een lichtvaardige maatregel zijn. Met de heer Balemans vind ik bedreiging van de leefbaarheid al ernstig genoeg.

Wij zijn nog steeds in blijde verwachting van verdergaande maatregelen, bijvoorbeeld de snellere uitwisseling van gegevens tussen allerlei instanties, de mogelijkheid van het omkeren van de bewijslast bij malafide eigenaren van panden en de vergroting van de mogelijkheden van verbeurdverklaring van panden. Wanneer komt de regering hierop terug, zoals zij beloofd heeft? Wat mij betreft, moet dit voor het eind van het jaar gebeuren. Ook op dit punt gaat het om de balans. Wij steunen de aanpak en wij willen snelheid in het wetgevingsproces houden, maar voor sommige gemeenten is dit instrumentarium niet voldoende. Voor de gemeente Den Haag geldt dit wellicht nog meer dan voor Rotterdam.

Deze wet hoeft niet het eindpunt te zijn van de specifieke aanpak van de problematiek van grote steden. Het is op zichzelf al memorabel dat wij voor het eerst een wet behandelen die specifiek is gericht op grote steden en wellicht straks op alle steden. Enerzijds is dit triest, maar anderzijds ook hoopgevend voor iedereen die in een grote stad leeft. Er zijn dingen die nog geregeld moeten worden. Dat kan, wat mijn fractie betreft, gerust in een tweetraps- of drietrapsraket. Dit is de eerste raketstart. Dat moet het ook echt zijn; er moet dus vaart in zitten. De tweede trap zien wij graag tegemoet.

Met betrekking tot de evaluatie deel ik de opvatting van collega's dat wij daarmee eerder aan de slag moeten. Om het niet te bewerkelijk te laten zijn, stel ik voor om dat te koppelen aan de tussentijdse evaluatie van het grotestedenbeleid. Een evaluatie – of, zoals de heer Balemans zei, een eerste analyse – past daar heel goed in. Dat vormt een mooie gelegenheid om te bekijken hoe het grotestedenbeleid nog minder bureaucratisch, nog effectiever en met nog meer ruimte voor gemeenten en al hun burgers kan.

Mevrouw Vergeer (SP):

Ik heb uw opmerking dat wij op lokaal niveau niet te veel regeltjes moeten maken, even op mij laten inwerken. In artikel 3 worden wel regels gesteld voor het aanwijzen van een kansenzone. Bent u daar ook tegen?

De heer Bruls (CDA):

Nee. Het debat waarover wij het hebben, is of de regels meer op rijksniveau worden ingevuld, zoals u dat wilt, of dat de regels die nu in deze wet staan, voor de minister voldoende zijn om te beoordelen of zij instemt met de aanwijzing van zo'n kansenzone, waarna de gemeente op de haar bekende wijze de verdere regels opstelt in een verordening. Ik kies voor die laatste weg en niet voor de weg om hier nog meer aanwijzingen en regels te geven. Ik heb daar in alle openheid bij gezegd dat dan ook moet worden aangegeven wat je nog meer zou willen reguleren. Dat is knap lastig, want vult u het begrip "subsidiariteit" maar eens in. Dat is heel lastig; daar worstelt Europa al veertig jaar mee.

De voorzitter:

Nog een afrondende vraag van mevrouw Vergeer.

Mevrouw Vergeer (SP):

Waarom vindt de heer Bruls dan dat dat wel kan als het gaat om het definiëren van de kansenzones? Waarom laat hij dat dan niet aan de gemeenteraad over en waarom wil hij dat wel op detailniveau regelen?

De heer Bruls (CDA):

Het gaat om de definitie van wat je onder "kansenzone" verstaat. U stelt voor om het zelfs van toepassing te verklaren voor wijken vanaf nul inwoners. Dat vond ik eerlijk gezegd een onzinnig voorstel; daarom heb ik daar "5000" ingevuld, maar dat mag ook een ander getal zijn. Dat gaat echter niet om het aanwijzen van de kansenzones zelf en het sociaal-economisch beleid van gemeenten. Dat laat ik aan de gemeenten over.

Mevrouw Vergeer (SP):

Er staan percentages in die...

De voorzitter:

Nee, morgen komt de eerste termijn van de regering. Wij krijgen het debat dus nog volop terug. Wij zijn nu keurig op tijd, zodat de minister op tijd aan zijn andere verplichtingen kan voldoen.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

Sluiting 18.18 uur

Naar boven