31ste vergadering

Dinsdag 4 december 2001

14.00 uur

Voorzitter: Van Nieuwenhoven

Tegenwoordig zijn 137 leden, te weten:

Van den Akker, Albayrak, Apostolou, Van Ardenne-van der Hoeven, Arib, Atsma, Augusteijn-Esser, Bakker, Van Baalen, Balemans, Balkenende, Barth, Van Beek, Van den Berg, Biesheuvel, Van Blerck-Woerdman, Blok, Bolhuis, Van Bommel, Buijs, Bussemaker, Van de Camp, De Cloe, Cornielje, Cörüz, Crone, Depla, Van Dijke, Dijksma, Dijkstal, Dijsselbloem, Dittrich, Van den Doel, Duijkers, Duivesteijn, Eurlings, Feenstra, Geluk, Van Gent, Giskes, Gortzak, De Graaf, De Haan, Halsema, Hamer, Harrewijn, Van Heemst, Hermann, Herrebrugh, Hessing, Hillen, Van der Hoek, Hoekema, Hofstra, Ten Hoopen, De Hoop Scheffer, Horn, Kamp, Kant, Karimi, Klein Molekamp, Van der Knaap, Kortram, Kuijper, Lambrechts, Leers, Van Lente, Luchtenveld, Marijnissen, E. Meijer, Th.A.M. Meijer, Melkert, Middel, Van Middelkoop, Molenaar, Mosterd, Nicolaï, Van Nieuwenhoven, Noorman-den Uyl, Oplaat, Örgü, Oudkerk, Van Oven, Passtoors, De Pater-van der Meer, Pitstra, Poppe, Rabbae, Ravestein, Rehwinkel, Remak, Rietkerk, Rijpstra, Rosenmöller, Ross-van Dorp, Rouvoet, Santi, Scheltema-de Nie, Schoenmakers, Schreijer-Pierik, Slob, Smits, Snijder-Hazelhoff, Van Splunter, Spoelman, Van der Staaij, Van der Steenhoven, Stellingwerf, Stroeken, De Swart, Swildens-Rozendaal, Terpstra, Udo, Ter Veer, Te Veldhuis, Vendrik, Verbugt, Verburg, Verhagen, Visser-van Doorn, Van der Vlies, Van Vliet, M.B. Vos, O.P.G. Vos, Voûte-Droste, De Vries, Waalkens, Wagenaar, Van Walsem, Weekers, Weisglas, Van Wijmen, Wijn, Wilders, De Wit, Witteveen-Hevinga en Zijlstra,

en de heer De Grave, minister van Defensie, mevrouw Borst-Eilers, vice-minister-president, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mevrouw Herfkens, minister voor Ontwikkelingssamenwerking, de heer Van Boxtel, minister voor het Grote Steden- en Integratiebeleid, mevrouw Kalsbeek, staatssecretaris van Justitie, de heren Bos, staatssecretaris van Financiën, Remkes, staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, en mevrouw Vliegenthart, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De voorzitter:

Ik deel aan de Kamer mede dat zijn ingekomen berichten van verhindering van de leden:

Blaauw, wegens bezigheden elders, tot en met donderdagochtend;

Hindriks, Timmermans, Valk en Van 't Riet, wegens verblijf buitenslands, de gehele week;

Koenders, wegens verblijf buitenslands, ook morgen;

Van der Hoeven, wegens verblijf buitenslands, tot en met morgenmiddag.

Deze berichten worden voor kennisgeving aangenomen.

De voorzitter:

Ingekomen is een brief van de heer Van Gijzel, gedateerd 29 november jl., waarin hij met onmiddellijke ingang het lidmaatschap van onze Kamer neerlegt. Van dit ontslag is mededeling gedaan aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en aan het Centraal stembureau.

Verder heeft de heer Van Gijzel mij een brief geschreven, gericht aan u allen, die ik nu voorlees.

"Beste collega's,

Na ruim twaalf jaar lidmaatschap van de Tweede Kamer heb ik vorige week mijn mandaat teruggegeven. In de afgelopen dagen heb ik heel veel reacties op mijn besluit mogen ontvangen. Ook velen van jullie hebben gereageerd. Daarvoor mijn hartelijke dank. Helaas heb ik een groot aantal mailtjes van jullie niet gelezen. De computer waarschuwde me, zodra een Kamerlid mailde, dat het hier een "demon" betrof die wisselende namen gebruikte zoals Duivesteijn, Marijnissen of Van Splunter, vervolgens automatisch het volledige bericht vernietigde en eindigde met de alarmtekst "virus alert".

In de afgelopen jaren is een beeld ontstaan dat de Kamer, en dus de Kamerleden, het contact met de samenleving zou missen. Ik deel die opvatting niet. Kamerleden werken niet alleen heel hard, zij zijn overwegend buitengewoon goed geïnformeerd over wat er in ons land gebeurt en wat er onder de mensen leeft. Niet veel landen in de wereld kennen een parlement waar de controle op de publieke macht zo goed geregeld is en waar de drempel om in contact te treden met Kamerleden zo laag is. Daarbij speelt de journalistiek een niet te onderschatten rol: als brenger van goed en kwaad nieuws, als voedingsbron voor Kamerleden, maar ook als Voorzitterverslaggever van het handelen in en rond het parlement. Deze rol vervult zij meestal op een hoog niveau, hoewel het soms, wat mij betreft, nog best een tikje diepgravender mag zijn. Af en toe wordt de argumentatie van bewindspersonen, door de media, net even iets te makkelijk voor de enige waarheid aangenomen. Dit geldt overigens soms ook voor Kamerleden.

Met regelmaat doen negatieve opmerkingen met betrekking tot de positie van de Kamer en het functioneren van haar leden de ronde, ook onder bewindspersonen. Ik vind dat niet terecht en ongewenst, omdat een samenleving die zich smalend en neerbuigend uitlaat over haar parlement uiteindelijk een volksvertegenwoordiging krijgt die aan de zijlijn staat van ons politiek bestel. Zo wordt bijvoorbeeld met regelmaat gesteld dat Kamerleden te veel schriftelijke vragen zouden stellen, in de hoop dat het aantal zal afnemen. Men beziet de kwantiteit en gaat voorbij aan de kwaliteit. Een niet helder antwoordende regering, die zich bedient van "kluitje-in-het-riet"(KIR)-antwoorden, roept terecht nieuwe vragen op. Niet het Kamerlid dient dan bekritiseerd te worden, maar de regering. De Kamer is de enige weg waarlangs de kiezer zich vertegenwoordigd weet.

In de afgelopen weken is veel gesproken over de leerstellingen van Montesquieu. Terecht werd daarbij aandacht gevraagd voor een onafhankelijke rechtspraak, die overigens in de afgelopen weken mijns inziens geen moment in het geding is geweest. Een andere scheiding der machten, namelijk die tussen het parlement en het kabinet, kreeg daarbij veel minder aandacht. Met name de laatste jaren zie ik dat het met de mond beleden dualisme zich in de praktijk steeds vaker vertaalt in monistische formules. Het is mijn overtuiging dat de Kamer, voor haar eigen bestwil, op haar tellen moet passen. Het politieke debat mag soms best scherper en onafhankelijker. Niet alleen naar de inhoud, maar ook naar de vorm. Het interpellatiedebat heeft te vaak plaats gemaakt voor een prioriteitsloze ronde van krachteloze mondelinge vragen. Overigens ben ik mij ervan bewust dat het laatste interpellatiedebat in deze Kamer mij ook niet echt goed bevallen is.

Ondanks kritiek vind ik dat we ook wel onze trots mogen uitspreken over hoe ons parlement functioneert. Honderdvijftig mensen die naar mijn stellige indruk en overtuiging met veel overgave en oprecht "hun werk" doen. Ik heb het een grote eer gevonden dat ik gedurende drie periodes deel heb mogen uitmaken van uw Kamer.

Ik doe nog één bekentenis. Twaalf jaar lang ben ik als de dood geweest voor hoofdelijke stemmingen. Die angst kwam door een traumatische ervaring tijdens mijn allereerste zitting, net na mijn installatie in 1989. Nog onder de indruk van het feit dat ik echt Kamerlid was geworden hoorde ik voorzitter Dolman een hoofdelijke stemming aankondigen. De griffier trok nummer 49 en riep "Van Gijzel". De adrenaline spoot door mijn lichaam, ik wist van "voor" noch "tegen". Ik ging staan, wat in de oude bankjes absoluut niet kon en werd dus even hard teruggeworpen. In de val omlaag siste mijn buurman "tegen", hetgeen ik, onder hard gelach van de overige leden, beschroomd herhaalde. Zo worden we allemaal door kleine voorvallen getekend in dit huis.

Met heel veel plezier kijk ik terug op de rol die ik heb mogen vervullen als voorzitter van de vaste commissie voor Financiën. De leden van die commissie alsmede de staf wil ik daar zeer voor danken.

Tot slot wil ik, naast de collega's, vooral alle medewerkers in het complex van de Tweede Kamer heel hartelijk bedanken voor al hun inspanningen en vriendelijke woorden. Dat geldt voor de schoonmakers in de vroege ochtenduren, het restaurantpersoneel tussen de middag en de stenografen tot in de late uren en alle andere medewerkers en -werksters die het leven van een Kamerlid binnen deze muren iets aangenamer maken.

Ik hoop binnenkort nog van eenieder persoonlijk afscheid te kunnen nemen.

Het ga jullie allen goed.

Rob van Gijzel"

(Applaus)

De voorzitter:

Geachte medeleden,

Bij het afscheid van een collega is het gebruikelijk om aandacht te besteden aan het parlementaire optreden van het Kamerlid, los van de actualiteit.

Ik wil dat in dit geval doen door te memoreren dat Rob van Gijzel in de eerste periode van zijn lidmaatschap, dat begon op 14 september 1989, woordvoerder was over buitenlandse politiek. Zijn maidenspeech op 21 december van dat jaar betrof de toenmalige Amerikaanse interventie in Panama. Ook was hij woordvoerder over kwesties als Oost-Timor en wapenhandel.

Eind 1991 nam Rob van Gijzel de verkeersportefeuille over van de heer Castricum. In die nieuwe rol signaleerde hij bij de toenmalige minister Maij-Weggen de neiging om proefballonnen op te laten om te kijken hoe hoog ze konden komen. De heer Van Gijzel heeft altijd de gave gehad van pregnante formuleringen waarop anderen wel moesten reageren. Aan die polemische opstelling lagen een grote dossierkennis en een groot maatschappelijk netwerk ten grondslag. Dit zijn twee belangrijke troeven voor een parlementariër.

Hier komt bij dat Rob van Gijzel een neus heeft voor maatschappelijke misstanden en dat mensen die zulke misstanden ervoeren, hem wisten te vinden. Als hij iets van ongerechtigheid vermoedde, liet hij niet meer los. Dit is een goede eigenschap voor een parlementariër. De Tweede Kamer heeft reden om de heer Van Gijzel dankbaar te zijn voor zijn inzet.

Laten wij hopen dat hij diezelfde eigenschappen en zijn parlementaire ervaring in nieuwe functies goed zal kunnen gebruiken. Het ga je goed, Rob van Gijzel!

(Applaus)

De voorzitter:

De overige ingekomen stukken staan op een lijst, die op de tafel van de griffier ter inzage ligt. Op die lijst heb ik voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd.

Naar boven