Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 1, item 3

3 Verruiming aansprakelijkheid voor minderjarigen

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het voorstel van wet van het lid Oskam tot wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de verruiming van de aansprakelijkheid van ouders voor gedragingen van minderjarigen vanaf de leeftijd van veertien jaar ( 30 519 ).

De voorzitter:

Ik heet de initiatiefnemer, de heer Oskam, de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en de adviseurs van de initiatiefnemer, de heren Fleurke, Dees en Çörüz, van harte welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.

De heer Franken (CDA):

Voorzitter. Mijn fractie heeft met belangstelling kennisgenomen van het initiatiefvoorstel van onze oud-collega Cokun Çörüz waarin sprake is van een verruiming van de aansprakelijkheid van ouders of voogden voor het gedrag van minderjarigen door ook voor kinderen vanaf 14 jaar een risicoaansprakelijkheid van de ouders te vestigen. Daarmee kunnen ouders volledig aansprakelijk worden gesteld voor de door hun minderjarige kinderen bewust toegebrachte schade. De initiatiefnemer wil daarmee tegengaan dat de samenleving, de benadeelde zelf of de verzekeraar bij voortduring moeten opdraaien voor de schade die door minderjarigen opzettelijk is veroorzaakt.

Namens mijn fractie wil ik graag mijn waardering uitspreken voor de inspanningen van de indiener en zijn opvolger, en hun staf, voor met name de uitgebreide en goed verzorgde beantwoording van onze vragen. Van belang is ook nog dat door de indiening van dit voorstel uitvoering wordt gegeven aan een aanbeveling die is opgenomen in het regeerakkoord van CDA, PvdA en CU voor het kabinet Balkenende IV.

Voor de beoordeling van het wetsvoorstel moeten we uitgaan van de huidige situatie. Het plaatje ziet er als volgt uit:

  • - Bij kinderen tot 14 jaar is voor een "doen" van het kind de ouder of voogd volledig aansprakelijk.

  • - Bij kinderen van 14 en 15 jaar zijn naast het kind zelf, de ouders of degenen die met de voogdij zijn belast aansprakelijk wanneer het een fout, dat wil zeggen een handelen of een nalaten van het kind, betreft en het aan de ouders is te wijten dat deze fout niet is voorkomen. De ouders hebben daarbij een disculpatiemogelijkheid. Er is dus sprake van een schuldaansprakelijkheid met een omkering van de bewijslast. De ouders gaan vrijuit wanneer het hun niet kan worden verweten de gedraging van het kind niet te hebben belet. Voor de toetsing of de ouders alles hebben gedaan wat van hen kan worden gevergd, zullen als factoren in aanmerking worden genomen: de leeftijd van het kind, de aard en het ontwikkelingsniveau van het kind, eisen van het dagelijks leven en de leefomstandigheden van de ouders.

  • - Bij kinderen van 16 jaar en ouder is alleen het kind aansprakelijk voor schade ten gevolge van zijn onrechtmatige daden, met een schuldaansprakelijkheid. Ouders kunnen dan slechts worden aangesproken indien zij zelf in verband met de door het kind gemaakte fout een onrechtmatige daad hebben gepleegd.

De consequentie van de voorgestelde wijziging is dat ten gevolge van de op hen rustende risicoaansprakelijkheid ouders hoofdelijk, dus naast hun kinderen, volledig aansprakelijk zijn voor de onrechtmatige daden van 14- tot en met 17-jarigen. Zij kunnen wel op het kind verhaal nemen, maar dat zal meestal niet veel opleveren. De positie van de ouders wordt dus in twee fasen verzwaard: voor 14- en 15-jarigen komt in plaats van schuld met omkering van de bewijslast een risicoaansprakelijkheid en voor 16- en 17-jarigen gaat het van, kort gezegd, geen aansprakelijkheid naar het dragen van het risico voor de door het kind veroorzaakte schade.

Inhoudelijk kan mijn fractie zich vinden in de opvatting dat wanneer er door minderjarigen, al of niet opzettelijk, schade wordt toegebracht, deze niet voor rekening van de benadeelde hoort te blijven. De indiener heeft met name het oog op vernielingen van bushokjes – abri's heten die tegenwoordig, met een goed Nederlands woord – en auto's, het aanbrengen van graffiti en andere vormen van baldadigheid. Het is daarom goed verdedigbaar dat naast de kinderen van 14 jaar en ouder zelf, de ouders of voogden voor deze schade mede aansprakelijk worden geacht met, zoals in een toevoeging op de wetsbepaling is opgenomen, een verhaalsrecht van de ouders of voogden op de minderjarige pleger van 14 tot 18 jaar zelf.

Bij de beoordeling van dit wetsvoorstel heb ik nog eens gekeken naar de redenen die hebben gegolden bij de totstandkoming van ons huidige Burgerlijk Wetboek om te kiezen voor het getrapte systeem dat ik zojuist heb beschreven. Beoogd werd een tussenoplossing te creëren tussen enerzijds de risicoaansprakelijkheid voor kinderen tot 14 jaar en anderzijds de schuldaansprakelijkheid vanaf 16 jaar. Het verlengen van de risicoaansprakelijkheid tot 16 jaar werd toen onaanvaardbaar geacht om twee redenen. De eerste was dat ouders niet geacht konden worden een kind uit deze leeftijdsgroep onder permanent intensief toezicht te houden en de tweede dat het risico, gezien de bijdrage van de 14- en 15-jarigen aan het totaal van vermogens- en geweldsmisdrijven, toch wel verzekerbaar moest blijven. Nu denk ik dat punt a nog onverkort geldt. De indiener heeft daaromtrent gesteld dat het wetsvoorstel zal bijdragen aan een toename van het verantwoordelijkheidsbesef van ouders en opvoeders om zich daadwerkelijk te richten op preventieve gedragscorrectie met betrekking tot onder hun gezag staande minderjarigen. Wij hebben nog geen onderbouwing van deze stellingname gelezen. Kan de huidige indiener die alsnog geven? Of moeten we hieromtrent volstaan met zijn keuze dat de minderjarige vanaf 14 jaar meer en nu expliciet op zijn eigen gedrag wordt aangesproken door het verhaalsrecht van de ouder op het kind? De ouder, is dus kennelijk zijn redenering, zal meer toezicht gaan houden, want het gaat hem anders geld kosten.

Het tweede punt, de verzekerbaarheid, zal dunkt me, geen ernstige belemmering vormen. De verzekeringsdichtheid is in Nederland groot als het om aansprakelijkheidsverzekeringen voor particulieren, AVP, gaat. Meer dan 95% van de gezinnen in ons land heeft zo'n verzekering. Het thans geldende wettelijk stelsel houdt in dat opzettelijk veroorzaakte schade door een persoon jonger dan 14 jaar onder vigeur van de AVP wordt vergoed, omdat op ouders voor kinderen tot 14 jaar een wettelijke risicoaansprakelijkheid rust. Nu in de nieuwe regeling de grens van de risicoaansprakelijkheid van de ouders wordt verhoogd van 14 naar 18 jaar, zal de AVP-verzekeraar opzettelijk door het kind veroorzaakte schade ook altijd aan de ouders moeten vergoeden. Immers, de AVP-verzekeraar kan geen beroep doen op een opzetuitsluiting van de ouders op wie een risicoaansprakelijkheid rust. Dat betekent dat de verzekeraar meer aan door de ouders geleden schade zal vergoeden, maar minder op grond van een schadeverzekering aan gelaedeerden hoeft uit te keren. De schadelast zal daarom niet beduidend groter worden dan thans het geval is.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Ik hoor de heer Franken zeggen dat onder het wetsvoorstel de opzettelijk veroorzaakte schade tot 18 jaar door de verzekeraars zal worden vergoed, omdat het niet onder geldende opzetclausules valt. We hebben een brief van het Verbond van Verzekeraars gekregen – ik neem aan dat hij die brief ook heeft gezien – waarin wordt aangegeven dat het Verbond van Verzekeraars weliswaar geen advies geeft, omdat dat volgens het mededingingsrecht niet zou kunnen, maar dat het zich kan voorstellen dat er verzekeraars zijn die dit opzettelijk handelen met een nieuwe opzetclausule kunnen uitsluiten. Kan hij daarop ingaan?

De heer Franken (CDA):

Misschien hebben we verschillende brieven gekregen, maar in de brief die ik heb ontvangen heb ik dat niet gelezen. Wanneer er een wettelijke risicoaansprakelijkheid van ouders voor hun kinderen geldt, kunnen de ouders gewoon verzekerd zijn. Maar dan geldt het voor ieder gedrag van de kinderen. Die opzetclausule zal, naar ik aanneem, alleen gelden voor de verzekerde. Ik neem aan dat dit, als dat niet het geval is, doorwerkt naar het verzekerd belang. Hier zit natuurlijk ook nog een commercieel aspect aan vast. Er zal premieverhoging plaatsvinden, maar er kan ook een premieverlaging plaatsvinden, doordat er minder hoeft te worden uitgekeerd aan slachtoffers, aangezien er een direct verhaal op de daders, dan wel de ouders van de daders mogelijk wordt.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Het lijkt me goed als de initiatiefnemer en wellicht de staatssecretaris op dit punt duidelijkheid verschaffen over de vraag wat volgens hen "rechtens" is. Als de aansprakelijkheid die we bij de ouders gaan leggen verzekerbaar wordt – dat is dan immers in feite wat er volgens u gebeurt, waarbij ik overigens mijn twijfels heb – wat blijft er dan nog over van het idee om die aansprakelijkheid juist niet door anderen dan die ouders te laten dragen? Er worden dan toch juist meer zaken verzekerbaar dan nu het geval is?

De heer Franken (CDA):

Dan wordt er meer verzekerbaar dan nu het geval is. Er zal een reden voor premieverhoging zijn, maar daar staat een premieverlaging tegenover ten aanzien van al die mensen en instanties die een schadeverzekering hebben lopen, omdat die schade makkelijker kan worden verhaald. Dat is mijn inschatting. Ik ben benieuwd of daarvoor een mooie berekening kan worden gegeven. Het punt dat ik wil maken, is dat dat argument, dat in 1992 toen het nieuwe BW er kwam nog gold, niet meer zo sterk is. Over het eerste punt daarentegen wil ik graag nog iets horen van de indieners.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Heb ik mijnheer Franken nu goed begrepen dat hij meent dat uit de brief van het Verbond van Verzekeraars blijkt dat de aansprakelijkheid van de ouders hoe dan ook onder de dekking van de APV zal blijven vallen? Aangezien het nooit zal gaan om opzet van de ouders zelf, is het niet mogelijk dat dit zal worden uitgesloten? Heeft hij die mogelijkheid niet gelezen in de brief van het Verbond van Verzekeraars?

De heer Franken (CDA):

Dat klopt. Zo'n clausule kun je maken ten aanzien van de wederpartij, dus de verzekerde. Dat is netjes geregeld in Boek 7. Maar hier gaat het om heel iets anders, namelijk om het onzekere voorval, dat qua definitie wordt uitgebreid.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Onder de huidige polissen ziet uitsluiting van dekking ingeval van opzet alleen op opzet van de verzekerde. Hier gaat het echter om opzet van het kind waarvoor de verzekerde aansprakelijk is. Daarom is onder de huidige polissen de dekking niet uitgesloten voor de ouders. Maar in meergenoemde brief geeft het Verbond van Verzekeraars aan dat, mochten verzekeraars dit niet willen dekken, zij deze schade uitdrukkelijk in hun voorwaarden zullen moeten uitsluiten. Van verschillende zijden – ik meen ook van de kant van de verdediger – heb ik begrepen dat een dergelijke uitbreiding van de opzetclausule mogelijk is. Opzet van iemand voor wie de ouder aansprakelijk is, kan leiden tot uitsluiting van dekking. Zou dat voor de heer Franken onacceptabel zijn? Kan hij zich dat nauwelijks voorstellen?

De heer Franken (CDA):

Mag ik proberen het weer te geven zoals ik het begrepen heb? Je kunt opzet ten aanzien van het toebrengen van schade bij het kind, dat is ook de dader, zien en je kunt dat naar mijn mening, als er een risicoaansprakelijkheid is voor de ouder, niet zomaar uitsluiten. Iets anders is dat voor de wederpartij van de verzekeraar geldt dat je opzet en bewuste schuld niet kunt uitsluiten. Ik verwijs naar Boek 7 BW. Het gaat om twee verschillende situaties: de partijen en het verzekerd belang.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Uit contacten met het Verbond van Verzekeraars, uit zijn brief en uit eerdere stukken die zijn gewisseld heb ik begrepen dat een dergelijke uitsluiting van dekking als het kind voor wie de ouders aansprakelijk zijn opzet kan worden verweten, nu niet in de polis zit, maar wel denkbaar is. Die wijziging kunnen de verzekeraars aanbrengen. Het is belangrijk dat van de zijde van de verdediging daarover duidelijkheid komt.

De voorzitter:

Wat is uw vraag aan de heer Franken?

Mevrouw Beuving (PvdA):

Is de heer Franken het met mij eens dat het belangrijk is dat die duidelijkheid er komt?

De heer Franken (CDA):

Dat lijkt mij heel goed. Het moet allemaal duidelijk zijn voor iedereen. Duidelijkheid – tegenwoordig is daarvoor een ander Nederlands woord, namelijk "transparantie" – geldt voor allen in alle situaties. Ik onderschrijf dat geheel.

Voorzitter. Ik had eigenlijk één vraag aan de indieners, namelijk de vraag in relatie tot argument a van de wetgever voor het Nieuw Burgerlijk Wetboek in 1992. Daar komt nu dan dus nog een vraag bij. Ik onderschrijf die graag. Deze vraag heeft betrekking op de mogelijkheid voor het uitsluiten van een opzetclausule ten aanzien van de persoon die onder het verzekerde belang valt.

Ten slotte vraag ik de indiener nog hoe de situatie moet worden opgelost als er schade in groepsverband is gepleegd. Hoe te handelen ten aanzien van lid 2 van artikel 6:166 BW, waarin is opgenomen dat de hoofdelijk aansprakelijke personen voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen? De ouders zullen namelijk onderling verhaal moeten nemen. Zal daarvan iets terechtkomen? Het gaat me meer om de praktijk. Hoe gaat dat volgens de indiener lopen? Of zal de draagkrachtiger ouder alleen voor de hele schuld over de brug moeten komen? Althans, zal de praktijk er zo uit gaan zien? Dat zal dan ook ten aanzien van de verzekeraar een punt van belang zijn.

Ik zie met belangstelling de antwoorden van de indiener tegemoet.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Voorzitter. Vandaag bespreken wij het initiatiefwetsvoorstel verruiming aansprakelijkheid voor gedragingen van minderjarigen vanaf 14 jaar. Namens mijn fractie wil ik allereerst mijn waardering uitspreken richting de initiatiefnemer van dit wetsvoorstel, de heer Çörüz, en zijn partijgenoot de heer Oskam, die inmiddels de verdediging heeft overgenomen.

Dit wetsvoorstel beoogt de aansprakelijkheidsregeling voor kinderen aanzienlijk te verruimen. In het Burgerlijk Wetboek is geregeld dat kinderen jonger dan 14 jaar zelf niet aansprakelijk kunnen zijn uit onrechtmatige daad. Daarmee samenhangend regelt het Burgerlijk Wetboek de aansprakelijkheid van ouders en voogden voor schade toebrengende gedragingen van kinderen tot 14 jaar. Ten aanzien van kinderen van 14 en 15 jaar kunnen ouders en voogden naast de kinderen zelf aansprakelijk worden gesteld, maar bestaat de mogelijkheid voor de ouder of voogd om zich te disculperen, dat wil zeggen dat zij zich onder omstandigheden kunnen vrijpleiten voor de gedragingen van hun kind. Minderjarigen van 16 en 17 jaar zijn naar huidig recht alleen zelf aansprakelijk voor schade toebrengende gedragingen. Met het initiatiefwetsvoorstel wordt beoogd om dit systeem aldus te wijzigen dat ten aanzien van kinderen van 14 tot en met 17 jaar ouders en voogden aansprakelijk zijn naast de kinderen zelf, zonder dat er een disculpatiemogelijkheid is. Aanvaarding van dit wetsvoorstel zou dus betekenen dat de vrijpleitmogelijkheid voor ouders van 14- en 15-jarigen komt te vervallen, alsmede dat er een risicoaansprakelijkheid voor ouders van 16- en 17-jarigen wordt ingevoerd.

De vraag rijst dan natuurlijk welke doelstellingen met deze ingrijpende verruiming van de aansprakelijkheid van ouders en voogden worden nagestreefd en of die doelstellingen de voorgestelde verruiming rechtvaardigen. Volgens de indiener is het op basis van de huidige wetgeving en jurisprudentie zo dat het veelal de jongere zelf is die als enige aansprakelijk is voor schade voortvloeiende uit vandalisme of andere jeugdcriminaliteit doordat de ouders zich kunnen disculperen. Bij gebrek aan vermogen bij de jeugdige dader moet dan de benadeelde in veruit de meeste gevallen de schade zelf voor zijn rekening nemen, aldus de indiener. Met de in dit wetsvoorstel geregelde risicoaansprakelijkheid voor ouders wordt een betere schadeloosstelling van de benadeelde beoogd, in de verwachting dat bij de ouders meestal meer te halen valt dan bij de kinderen. Voorts wordt met dit wetsvoorstel een verhoogde preventieve gedragscorrigerende werking nagestreefd: de risicoaansprakelijkheid zal de ouders extra reden geven om nauwlettend toe te zien op het gedrag van hun kinderen en om te voorkomen dat deze door vernielzuchtig gedrag schade veroorzaken.

Die laatste doelstelling, de preventieve gedragscorrigerende werking, veronderstelt dat de ouders die worden getroffen door de verruiming van de aansprakelijkheid, enkel de ouders zijn die onvoldoende toezicht op hun kind houden of anderszins tekortschieten in de opvoeding van het kind. Dat is echter niet zo. Dit wetsvoorstel wil een risicoaansprakelijkheid vestigen voor alle ouders van minderjarigen vanaf 14 jaar. Dus ook ouders die hun kind op voortreffelijke wijze hebben opgevoed, alle redelijkerwijs uit te oefenen toezicht hebben uitgeoefend en alle redelijkerwijs wenselijke instructies hebben gegeven, zullen aansprakelijk zijn als al die inspanningen niet het beoogde resultaat blijken te hebben opgeleverd en het kind toch de fout in gaat. Door geen enkele mogelijkheid van disculpatie op te nemen in het wetsvoorstel, wordt op geen enkele wijze rekening gehouden met dergelijke ouders. In dergelijke gevallen heeft het wetsvoorstel alleen het voordeel dat de benadeelde niet met zijn schade blijft zitten. Maar het uitgangspunt van de indiener dat de vernieler betaalt, wordt hier wel heel gemakkelijk gewijzigd in het uitgangspunt dat de ouders van de vernieler betalen. Dat is terecht als die ouders tekort zijn geschoten in het toezicht of in de opvoeding van het kind, maar is niet zonder meer te accepteren ten aanzien van ouders die alles hebben gedaan wat van hen als ouders mag worden verwacht. Waarom verschuift het wetsvoorstel in dit geval dan toch de verantwoordelijkheid voor de schade in feite naar de ouders? Ik leg deze vraag indringend aan de heer Oskam voor.

Ook de verzekeringskwesties die rond dit wetsvoorstel spelen – ze kwamen zonet in een interruptie al even voorbij – hangen in de optiek van mijn fractie erg samen met het voorgaande. In het kader van de huidige polissen van de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren valt de aansprakelijkheid van ouders niet onder de uitsluiting wegens opzettelijk veroorzaakte schade. Immers, niet de ouder, zijnde de verzekerde, heeft de schade opzettelijk veroorzaakt, maar het kind, voor wie de ouder aansprakelijk is, heeft dat gedaan. Het is mogelijk dat verzekeraars de polissen zullen wijzigen en ook de dekking zullen uitsluiten van schade die opzettelijk is veroorzaakt door iemand voor wie de verzekerde aansprakelijk is. Het is op dit moment echter ongewis of en, zo ja, in welke mate verzekeraars dit zullen doen. Verzekeraars mogen hier vanwege het mededingingsrecht onderling geen afspraken over maken. Het Verbond van Verzekeraars mag om dezelfde reden geen uitspraak doen over de wenselijkheid van aanpassing van de polissen. Het verbond heeft er in een brief aan de Tweede Kamer, tijdens de behandeling van dit wetsvoorstel in die Kamer, wel op gewezen dat onder de huidige polissen van de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren de opvoedkundige prikkel, die een doel van dit wetsvoorstel is, niet bereikt zal worden. Ook hier ziet de PvdA-fractie weer het dilemma ten aanzien van de ouders die hun ouderlijke taken wél goed vervullen. Ten aanzien van deze ouders is de opvoedkundige prikkel overbodig en ten aanzien van deze ouders zou het naar onze mening tragisch zijn als de door hun kind veroorzaakte schade, waarvoor zij volgens dit wetsvoorstel aansprakelijk zijn, niet onder de dekking van de verzekering zou vallen. In het geval daarentegen van ouders die hun ouderlijke taken niet goed hebben vervuld of zelfs hebben verwaarloosd, is het acceptabel of zelfs wenselijk dat zij met de schade blijven zitten en deze niet bij de verzekeraar kunnen claimen. Van de heer Oskam horen wij graag hoe hij tegen het zojuist geschetste dilemma aankijkt.

In de kern zit het probleem dat mijn fractie bij dit wetsvoorstel ziet, in de keuze van de indiener voor het geheel afschaffen van de disculpatiemogelijkheid. De indiener heeft dit onder meer in reactie op de kritiek van de Raad van State onderbouwd met de stelling dat onder invloed van de jurisprudentie de aansprakelijkheidsregeling voor minderjarigen een te grote mogelijkheid kent voor ouders om zich te disculperen. Volgens de indiener is een wetswijziging daarom de aangewezen weg, maar mijn fractie vraagt zich af waarom dat dan deze wetswijziging moet zijn. Ik vraag de heer Oskam: als de in de wet neergelegde disculpatiemogelijkheid door de rechtspraak te zeer wordt opgerekt, waarom wordt dan niet die disculpatiemogelijkheid in de wet aangescherpt in plaats van deze mogelijkheid geheel af te schaffen?

De heer Franken (CDA):

Ik ben benieuwd naar de consistentie in de redeneringen die door de PvdA over dit onderwerp zijn gehouden. Ik heb gelezen dat er een voorstel is gedaan om de risicoaansprakelijkheid te verhogen tot de leeftijd van 16 gecombineerd met een disculpatiemogelijkheid voor de leeftijd van 16 tot 18. Het gaat dan om een opschuiving. Dan gaat de algemene redenering van mevrouw Beuving niet helemaal meer op.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Begrijp ik het goed dat de heer Franken mij vraagt naar de consistentie van de redenering van iemand anders in een ander orgaan? Of vraagt de heer Franken naar mijn consistentie? Volgens mij is er op mijn consistentie in het algemeen en in dit geval in het bijzonder niets aan te merken.

De heer Franken (CDA):

Dat klinkt heel mooi, maar van PvdA-zijde is ook een amendement voorgesteld. Bovendien zijn er debatten gevoerd waarin werd voorgesteld om het te verschuiven. Mevrouw Beuving doet het anders: zij zegt dat de disculpatiemogelijkheid overal moet blijven.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Ik hecht eraan om te benadrukken dat de heer Franken kennelijk verwijst naar een amendement, niet van de PvdA in het algemeen, maar van de behandelaar in de Tweede Kamer namens de PvdA. Ik hecht eraan te herhalen dat ik hier zonder last optreed in mijn functioneren. Tegelijkertijd kan ik wellicht toch iets zeggen ter toelichting op een door iemand anders ingediend amendement; amenderen is een bevoegdheid die ik zelf niet eens heb. Daaruit blijkt dat er kennelijk ook bij de PvdA-fractie in de Tweede Kamer problemen zijn met het niet ingebouwd worden van een disculpatiemogelijkheid voor ouders van 16- en 17-jarigen. Je kunt daaruit afleiden dat men op zich de stap naar het invoeren van een aansprakelijkheid van ouders van 16- en 17-jarigen geen probleem vindt, maar het niet opnemen van een disculpatiemogelijkheid dus wel. Je kunt er impliciet ook uit afleiden dat het verdwijnen van de disculpatiemogelijkheid voor 14- en 15-jarigen kennelijk niet als een probleem wordt gezien. Mijn insteek is iets principiëler. Inderdaad, in feite heeft mijn inbreng een groter bereik dan de inzet uit het amendement. Wellicht is de heer Recourt blij met mijn nog principiëlere insteek, maar dat zou hem zelf moeten worden gevraagd. In ieder geval komt het erop neer dat hij iets minder ver is gegaan.

Ik was bijna aan de afsluiting van mijn betoog toegekomen. Om mijn laatste zin uit te kunnen spreken, moet ik even mijn laatste vraag in herinnering brengen. Als volgens de indiener de in de wet neergelegde disculpatiemogelijkheid door de rechtspraak te zeer is opgerekt, waarom dan niet die disculpatiemogelijkheid in de wet aangescherpt in plaats van deze mogelijkheid geheel af te schaffen, zo vroeg ik de heer Oskam. Ik wil afsluiten met de opmerking dat een voor ons bevredigende beantwoording van deze vraag voor mijn fractie zwaar zal wegen in haar eindoordeel over dit wetsvoorstel.

De heer Reynaers (PVV):

Mevrouw de voorzitter. Het is met grote belangstelling dat de fractie van de Partij voor de Vrijheid kennis genomen heeft van het initiatiefvoorstel ter verruiming van de risicoaansprakelijkheid van ouders voor gedragingen van hun minderjarige kinderen. Ik zou dan ook willen beginnen met mijn dank uit te spreken aan de initiatiefnemer, de heer Çörüz, en aan de heer Oskam die de verdediging vandaag op zich neemt.

Hoewel mijn fractie niet deelgenomen heeft aan de schriftelijke voorbereiding van dit initiatiefwetsvoorstel, maak ik wel graag van de gelegenheid gebruik kort in te gaan op enkele aspecten van het voorstel. De PVV-fractie is van mening dat het initiatiefvoorstel een logische en ook wenselijke wijziging betreft van de huidige aansprakelijkheidsregeling voor de gedragingen van minderjarigen. Kort gezegd komt het erop neer dat de huidige risicoaansprakelijkheid van de ouders voor hun kinderen tot 14 jaar wordt verruimd tot risicoaansprakelijkheid voor alle minderjarigen. De aanleiding voor deze verruiming, zo begrijpen de leden van mijn fractie, is enerzijds gelegen in de behoefte om de verhaalsmogelijkheden van de gelaedeerde te verruimen en anderzijds in het streven een preventieve gedragscorrectie te bewerkstelligen. Mijn fractie ziet het nut van beide, al lijkt ons de uitbreiding van de verhaalsmogelijkheden het belangrijkste motief. Wellicht kan de initiatiefnemer nog even kort ingaan op de vraag of dat daadwerkelijk zo is.

De PVV-fractie signaleert met de initiatiefnemer dat het verhaal halen door een gelaedeerde op een minderjarige dader die de leeftijd van 14 jaar heeft bereikt tot problemen kan leiden. Onder het huidige recht geldt een risicoaansprakelijkheid van de ouders tot 14 jaar. Daarna is het kind zelf aansprakelijk en geldt tevens voor de ouders een schuldaansprakelijkheid tot 16 jaar. Die disculpatiemogelijkheid leidt nogal eens tot de onwenselijke situatie dat de ouders de dans ontspringen en het kind zelf geen verhaal biedt, waardoor de gelaedeerde uiteindelijk met lege handen achterblijft. Keiharde cijfers heeft mijn fractie daarover echter niet gezien. Wellicht dat dit nog enigszins kan worden toegelicht.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Dit is de zoveelste keer dat er gezegd wordt dat de rechterlijke macht die disculpatiemogelijkheid al te makkelijk aanneemt. De heer Reynaers zegt echter zelf al dat hij geen cijfers heeft gezien. In mijn schriftelijke inbreng heb ik daar ook om gevraagd. Ik heb natuurlijk ook op rechtspraak.nl gezocht. Ik heb er niet één gevonden, op een uitspraak van de Hoge Raad na. Ik steun het verzoek van de heer Reynaers om daar nu eens duidelijkheid over te krijgen. Als die cijfers er niet zijn, vind ik dat mensen onterecht roepen dat de rechterlijke macht er te makkelijk mee omgaat. Is de heer Reynaers het daarmee eens?

De heer Reynaers (PVV):

Ik ben het daar ten dele mee eens. De consequentie die mijn fractie daaraan zal verbinden, is vermoedelijk echter een andere dan die de SP-fractie eraan zal verbinden. Maar goed, dat moet elke fractie voor zichzelf uitmaken. Dat er behoefte bestaat aan verduidelijking en wellicht zelfs aan een betere onderbouwing van de vraag hoe vaak dit voorkomt, klopt wel. Dat het voorkomt, lijkt me duidelijk. Ik zie het in mijn advocatenpraktijk voorbijkomen. Maar over hoe vaak het gebeurt, heb ik ook geen concrete cijfers. Vandaar dat ik daarnaar vroeg.

Vanaf 16 jaar is het kind volledig zelf aansprakelijk en de ouders in beginsel niet. Ook dan speelt het probleem dat de minderjarige waarschijnlijk geen verhaal biedt. De verdeling van aansprakelijkheid is op zichzelf dus redelijk goed geregeld, maar in de praktijk pakt die verdeling voor de gelaedeerde tamelijk ongunstig uit waar het zijn verhaalsmogelijkheden betreft.

Hoewel de aansprakelijkheid in eerste instantie dient te liggen bij de veroorzaker van de schade, in dit geval de minderjarige zelf, onderschrijft de PVV-fractie het belang van de gelaedeerde om ook daadwerkelijk zijn schade vergoed te krijgen en wel binnen een redelijke termijn. De PVV-fractie juicht het dan ook toe dat naast het kind, ook de ouders rechtstreeks en hoofdelijk aansprakelijk gesteld kunnen worden. In die zin ben ik het dus niet eens met de spreker voor mij dat de aansprakelijkheid verschoven wordt. Volgens mij blijft die gewoon liggen bij het kind, maar daarnaast ook bij de ouders. Wellicht kan de initiatiefnemer dit bevestigen. De PVV-fractie juicht het dus toe dat naast het kind, ook de ouders rechtstreeks en hoofdelijk aansprakelijk gesteld kunnen worden. Zij zullen doorgaans draagkrachtiger zijn dan hun minderjarige kind. De benadeelde dient zijn schade hoe dan ook vergoed te krijgen. Hij heeft immers niet om zijn schade gevraagd en kan er in de meeste gevallen ook niets aan doen dat de schade is ontstaan. Ook kan hij het niet helpen dat de schade is veroorzaakt door een minderjarige vanaf 14 jaar, wat hem behalve met de schade ook nog eens opzadelt met een verhaalsprobleem. Dat lijkt overigens een verhaalsprobleem per definitie te zijn bij dergelijke jonge mensen die schade veroorzaken. De door de initiatiefnemer voorgestelde risicoaansprakelijkheid biedt in dat geval wel degelijk uitkomst.

De PVV-fractie acht het rechtvaardig dat de ouders naast de minderjarige vanaf 14 jaar aansprakelijk kunnen worden gesteld. Immers, de ouders zijn verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kind. Een van de meest intrigerende opmerkingen uit de memorie van toelichting was wat de PVV-fractie betreft dan ook dat vele ouders reeds in de veronderstelling verkeerden risico-aansprakelijk te zijn voor wat hun kinderen zoal uitspookten. Ten onrechte, maar het tekent wel heel duidelijk het verantwoordelijkheidsbesef dat veel ouders gelukkig nog steeds hebben en dat ook van ouders mag worden verwacht. Daarmee zie ik toch ook wel bevestigd dat dit wetsvoorstel aansluit bij iets wat breder in de samenleving leeft. Kort en goed, de PVV-fractie meent dat onderhavig initiatiefwetsvoorstel aan alle betrokkenen duidelijkheid verschaft over hun positie, de gelaedeerde uitzicht biedt op daadwerkelijk verhaal en de aansprakelijkheid in essentie toch houdt waar die hoort, namelijk bij de veroorzaker van de schade. Bovendien – en dat waardeert de PVV-fractie nog het meest – biedt het initiatiefwetsvoorstel ouders alle ruimte om zelf te bepalen of zij, na de schade volledig te hebben vergoed, hun kind al dan niet alsnog aanspreken.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

De heer Reynaers zegt dat hij het heel terecht vindt dat de aansprakelijkheid wordt gelegd bij de ouders. Zij zijn immers verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kind. Ziet de heer Reynaers in dezen geen enkel probleem als ouders alles doen wat in hun vermogen ligt om hun kind zo goed mogelijk op te voeden, maar toch geconfronteerd worden met een kind dat om wat voor reden dan ook, zoals slechte vrienden of psychiatrische stoornissen, ontspoort? Mevrouw Beuving noemde dit ook al. Kun je die ouders daarvoor verantwoordelijk houden?

De heer Reynaers (PVV):

Ik begrijp uw vraag. Achter het begrip "verantwoordelijkheid" schuilt nogal wat. Ik moet erbij zeggen dat het inherent aan een risicoaansprakelijkheid is dat je toch aansprakelijk bent, ook al kun je er helemaal niets aan doen. Dat is vervelend, maar wij kennen in onze samenleving wel meer risicoaansprakelijkheden. In specifieke situaties bestaat altijd de mogelijkheid dat het onbillijk uitpakt of vervelend uitkomt.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Wij kennen veel meer risicoaansprakelijkheden. Die zijn over het algemeen verzekerbaar. Is dat voor de heer Reynaers ook een argument? Vindt hij dat de risicoaansprakelijkheid van ouders in dit geval verzekerbaar moet zijn?

De heer Reynaers (PVV):

Nee, mijn fractie staat achter dit wetsvoorstel. Wat ons betreft gaat dit wetsvoorstel zuiver om een verdeling van aansprakelijkheid. In een wereld zonder verzekeraars zouden wij dit wetsvoorstel ook gewoon steunen.

Wat mijn fractie het meeste waardeert in dit wetsvoorstel, is dat hier toch nog de mogelijkheid geboden wordt dat ouders zelf bepalen of zij hun kinderen alsnog aanspreken of niet. Daarmee treden wij toch achter de voordeur, want dan gaat het om de opvoeding van die kinderen. Indien het kind tot op zekere hoogte verhaal biedt, bijvoorbeeld omdat het zelf inkomsten heeft, zal het voor de hand liggen dat het kind zelf ook voor een vergoeding zorgt. Het spreekt dan bijna voor zich dat dit een gedragscorrigerend effect zal sorteren. Het is echter ook zeer goed mogelijk dat het in bepaalde gevallen helemaal niet juist zou zijn om het kind met een geldvordering te confronteren en voor de rest van zijn jonge leven met een schuld op te zadelen. Daar heeft de gelaedeerde dan echter niets meer mee te maken, want die heeft zijn schade vergoed gekregen. Vervolgens moeten de ouders zelf bepalen wat zij juist achten voor hun kind. Veel ouders zullen ongetwijfeld kiezen voor het vergoeden van de schade en hun kind verder met rust laten in die zin dat ze het kind niet meer zullen confronteren met een vordering. De ouders die dat wel zouden willen of die in een situatie komen te verkeren waarin het niet anders kan, kunnen daar uit opvoedkundig oogpunt gewoon voor kiezen. Nogmaals, de gelaedeerde staat daarbuiten en blijft daarbuiten, want zijn schade is vergoed.

De PVV-fractie zal het initiatiefwetsvoorstel dan ook van harte steunen.

Mevrouw Duthler (VVD):

Voorzitter. Dit wetsvoorstel is schriftelijk voorbereid door mijn fractiegenote mevrouw Broekers-Knol. Zij bekleedt inmiddels, zoals u weet, een andere functie in deze Kamer. Aan mij de eer om namens de fractie plenair het woord over dit wetsvoorstel te voeren. Graag breng ik ook de complimenten over aan de indieners van het wetsvoorstel en hun medewerkers voor het vele werk dat zij hiervoor hebben verricht.

Onderhavig wetsvoorstel betreft een wijziging van een belangrijke bepaling van het aansprakelijkheidsrecht van boek 6 van ons BW over de kwalitatieve aansprakelijkheid van ouders of voogden voor schade door een fout van een kind dat 14 jaar of ouder is. Op dit moment is er geen risicoaansprakelijkheid gezien de disculpatiemogelijkheid. Als de ouder of voogd niet kan worden verweten dat hij de gedraging van het kind niet heeft belet, is hij niet aansprakelijk. Het antwoord op de vraag of ouders of voogden er alles aan hebben gedaan wat redelijkerwijs van hen kon worden verwacht om de onrechtmatige gedraging van hun kind te beletten, is doorslaggevend. Al in 1948 heeft de Hoge Raad deze maatstaf uitgewerkt in een aantal criteria dat de heer Franken in zijn betoog al heeft genoemd.

Dat was 1948. De tijden zijn veranderd. De maatstaf blijkt niet meer te werken. De rechter blijkt in de praktijk al snel deze disculpatiemogelijkheid te aanvaarden. Een kind wordt geacht een zodanige mate van vrijheid te bezitten dat het zijn eigen persoonlijkheid kan ontwikkelen en zelfstandig kan leren. In een uitspraak van de rechtbank 's Hertogenbosch van 2009 gaf de rechter aan: "de ouders zullen in het algemeen niet behoeven aan te tonen dat zij geen schuld hebben aan het niet beletten van een schadeveroorzakende, onrechtmatige daad van hun kind van 15 jaar, als het een vrijheid genoot die normaal kan worden geacht." Tja, dit is wel een heel ruime uitleg van het tweede lid van het huidige artikel 169 van boek 6 BW. De vraag is of de wetgever destijds een dergelijke ruime uitleg heeft bedoeld. Ik betwijfel dat. Bij de bestudering van het wetsvoorstel vroeg ik me wel af of we met het geheel laten vervallen van de disculpatiemogelijkheid niet het kind met het badwater weggooien. Ligt het niet eerder aan de ruime uitleg die de rechter aan de disculpatiemogelijkheid geeft, dan aan de bepaling zelf? Heeft de indiener van dit wetsvoorstel overwogen om het te houden bij een schuldaansprakelijkheid en niet te kiezen voor een algehele risicoaansprakelijkheid? Die vraag sluit aan bij de vraag van mevrouw Beuving. Zo ja, wat heeft de doorslag gegeven om toch bij een algehele risicoaansprakelijkheid uit te komen?

Hebben we wel een nieuwe wet nodig, zo vroeg ik mij af bij de voorbereiding van dit debat. Nu weet mijn fractie wel dat wij geen nieuwe uitleg van een wet maken, alleen maar een nieuwe wet. In dit geval houdt de nieuwe wet in dat de disculpatiemogelijkheid, waarvan de uitleg in de loop der jaren zo is opgerekt, geheel komt te vervallen. We zouden kunnen zeggen: de rek in uitleg is eruit. Wij zien echter dat ook de rek in begrip voor deze kinderen en hun ouders er in de samenleving uit is. Want wie draait uiteindelijk voor de kosten van gebroken winkelruiten, uitgebrande prullenbakken en vernielde bushokjes op? Diefstal en vandalisme blijken immers de grootste schadeposten te zijn volgens de memorie van antwoord. Dat zijn behalve particulieren, vaak ook de ondernemer en de overheid: de sigarenboer op de hoek, de buurtwinkel en de gemeente. Het is de grote vraag of het terecht is dat de kleine ondernemer en gemeenten de schade moeten dragen. Niet dus, naar de mening van mijn fractie. Bovendien is het leereffect voor minderjarigen klein als de particulier, de ondernemer of de gemeente de schade uiteindelijk toch wel weer betaalt. Als je bewust schade toebrengt aan andermans eigendommen, moet je daar ook voor staan, moet je ook de consequenties daarvan dragen. Ook ouders spelen een rol daarin. Deze minderjarigen en hun ouders voelen de consequenties nooit als een ander de verantwoordelijkheid bij hen wegneemt door de schade voor zijn rekening te nemen.

Mijn fractie ziet dus zeker de maatschappelijke behoefte aan een wettelijke regeling voor de groepen benadeelden die schade hebben geleden door roekeloos gedrag of vandalisme van jongeren ouder dan 14 jaar, en die nu onvoldoende mogelijkheden voor verhaal hebben. Als het gaat om de vraag voor wiens rekening de schade moet komen, dan zijn dat dus zeker niet de benadeelden zelf: de particulieren, de ondernemers of de gemeenten. Dan blijven er twee groepen over, namelijk de 14- tot 18-jarigen en/of de ouders. Dat regelt dit wetsvoorstel. De ouders en de kinderen zijn beiden aansprakelijk, maar in de onderlinge verhouding dient de schade uiteindelijk gedragen te worden door het kind. Op een vraag van mijn fractie of de ouders automatisch een executoriale titel krijgen op het moment dat het kind niet betaalt, antwoordt de initiatiefnemer dat daarvoor een uitspraak van een rechterlijke instantie nodig is. Het is aan de ouders of en wanneer ze de vordering innen. Dit zou inderdaad al te veel inmenging zijn van de overheid in de verhouding ouder-kind en dat staat mijn fractie tegen.

Bij aansprakelijkheidsvraagstukken horen altijd verzekeringsvraagstukken. Is de aansprakelijkheid te verzekeren en zo ja, welke mogelijkheden zijn er? Dit speelt in deze kwestie ook. Wij hebben het al eerder gehad over de brief van het Verbond van Verzekeraars. In die brief staat dat het verbond daar eigenlijk geen uitspraak over kan doen. Iedere verzekeraar zal zelf een besluit nemen over het al of niet opnemen van deze uitbreiding in de polisvoorwaarden. Wat het verbond wel aangeeft, is dat het twijfelt aan de effectiviteit van het wetsvoorstel als schade, opzettelijk veroorzaakt door minderjarige kinderen tussen 14 en 18 jaar, gedekt zou worden door de verzekeringen. Dit verbond doet in de brief geen uitspraak over de vraag of verzekeraars hun polissen zullen aanpassen en opzettelijk veroorzaakte schade zullen uitsluiten. Tussen de regels door lees ik wel in de brief dat als deze uitsluiting er niet is, ouders gemakkelijk kunnen denken dat de verzekeraar de schade wel vergoedt. Er is dan minder reden om nauwlettend toe te zien op het gedrag van hun kinderen en om te voorkomen dat deze door vernielzuchtig gedrag schade veroorzaken.

Ik maak uit de brief van het Verbond van Verzekeraars op, hoewel het er niet met zo veel woorden staat, dat het verwacht dat deze uitbreiding van aansprakelijkheid van ouders niet verzekerbaar zal zijn, in ieder geval niet bij alle verzekeraars. Mijn fractie houdt er bij de beoordeling van dit wetsvoorstel dan ook rekening mee dat die schade niet verzekerbaar zal zijn. Heel graag wil ik net als andere fracties weten hoe de indiener van dit wetsvoorstel dat zelf ziet, hoe de staatssecretaris het ziet en hoe de indiener dat weegt.

De heer Franken (CDA):

Deze vraag onderschrijf ik graag. Ik heb hier een brief van het Verbond van Verzekeraars voor mij, maar ik weet niet of het dezelfde is. In een alinea op bladzijde 2 staat dat dit betekent dat de AVP-verzekeraar opzettelijk veroorzaakte schade tot 18 jaar wel altijd zal moeten gaan vergoeden. "Een AVP-verzekeraar kan namelijk geen beroep doen op de opzetuitsluiting in de polis jegens de risicoaansprakelijke ouders." Ik hoop dat u dezelfde brief hebt.

Mevrouw Duthler (VVD):

Ik lees mee, maar de brief gaat nog verder. Het Verbond van Verzekeraars zegt dan: mochten verzekeraars die opzet niet willen dekken, dan zullen zij die schade uitdrukkelijk in hun voorwaarden moeten uitsluiten. Dan schrijft het verbond: "Het is essentieel om in dit verband te benadrukken dat iedere verzekeraar zelf een besluit zal moeten nemen om deze uitbreiding al dan niet in de polisvoorwaarden mee te nemen." Zij kunnen dus eigenlijk geen uitspraak doen. Wat mij triggert, is dat aan het eind van de brief staat dat zij toch wel veel twijfels hebben en dat zij "uiteraard meer dan bereid zijn mee te denken over andere vormen van preventieve maatregelen".

Het is een brief die voor meerdere uitleg vatbaar is, dat blijkt wel. Daarom wacht ik met veel belangstelling op de visie van de indiener en van de staatssecretaris. Hoe interpreteren zij deze brief? Ik heb bij de voorbereiding van het debat ook uitroeptekens en vraagtekens gezet. Het was lastig om te interpreteren en niet in één keer te lezen.

Een andere vraag is hoe de indiener aankijkt tegen een waarborgfonds, zoals in de Tweede Kamer aan de orde is geweest. Hoewel met dit wetsvoorstel wel alle schade te verhalen is op de daders, is nog niet zeker dat die schade ook betaald gaat worden. Niet alle daders of ouders zullen de financiële middelen hebben om de schade te vergoeden. Het voordeel van een waarborgfonds is dat de benadeelde niet zelf opdraait voor de schade en de premies collectief betaald worden door de verzekerden. Mijn fractie heeft hierover nog geen oordeel en is benieuwd naar de visie van de indiener en de staatssecretaris.

Ik kom tot een afronding. Dit wetsvoorstel voorziet in een maatschappelijke behoefte en past ook bij de verkiezingsslogan van de VVD dat "vandalen moeten betalen". Bij de huidige regelgeving blijft de benadeelde meestal met de schade zitten, omdat er weinig of niets bij de minderjarige te halen valt, of omdat ouders een beroep kunnen doen op de disculpatiemogelijkheid. Het wetsvoorstel brengt daar verandering in.

De VVD-fractie heeft oog voor de juridische haken en ogen van dit wetsvoorstel, die ook in de Tweede Kamer aan de orde zijn geweest. Zo vraagt de VVD-fractie zich af waarom niet is gekozen voor een uitbreiding van de schuldaansprakelijkheid in plaats van een algehele risicoaansprakelijkheid. Ook is zij benieuwd wat de verzekeraars gaan doen. Gaan ze de vergoeding voor opzettelijk veroorzaakte schade onder de uitsluiting brengen of niet? Mijn fractie vraagt zich af wat het effect is als zij het wel doen. Hoe kijkt de indiener aan tegen een waarborgfonds waarvan benadeelden gebruik kunnen maken als er bij de ouders en het kind wel te verhalen, maar niets te halen valt? De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd naar de antwoorden.

De heer Holdijk (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Gaarne sluit ik mij aan bij diegenen die hun complimenten hebben uitgesproken jegens de oorspronkelijke formele indiener alsook de verdediger van het wetsvoorstel en allen die hen hebben ondersteund en nog ondersteunen.

Aan de behandeling van dit wetsvoorstel kleeft niet het euvel van snelheid en oppervlakkigheid. Het is in 2006 ingediend, zoals bekend. In mijn ogen is het wel als een tekort aan te merken dat de commentaren van de advocatuur en de rechterlijke macht ontbreken. Gelukkig is er wel een degelijk advies van de Raad van State.

Aan de kant van mijn fractie is trouwens ook sprake van een tekort: aan de schriftelijke voorbereiding heb ik niet deelgenomen. Waarschijnlijk vroegen andere voorstellen op dat moment om de voorrang. Niet minder belangrijk is dat de doelstelling van dit voorstel dermate sympathiek oogde dat het bij voorbaat op een positieve bejegening zou mogen rekenen. Wie zou nu niet het motto "de vernieler betaalt" omarmen? Nadere bestudering van het voorstel heeft echter twijfels over de wenselijkheid ervan doen rijzen. De oorzaken van die twijfels hoop ik in het vervolg van mijn bijdrage toe te lichten.

De strekking van het wetsvoorstel sluit aan bij een overheersende tendens in de rechtsontwikkeling, met name in het strafrecht, om de slachtoffers en benadeelden in bescherming te nemen. Waarom zou dat niet of minder gelden in het civiele recht? Het gaat in dit wetsvoorstel in de kern om gedragingen of onrechtmatige daden die strafrechtelijk verwijtbaar zijn. Discussies over het huidige Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, dat in 1992 in werking is getreden, dateren van de jaren 1981 tot 1986. De bestaande wetgeving met betrekking tot de toerekening van onrechtmatige daden van minderjarigen vormt een afspiegeling van een zorgvuldig gekozen balans met drie leeftijdscategorieën wat betreft de verantwoordelijkheid van ouders en minderjarigen die onder hun gezag staan.

Dit gegeven van een trapsgewijze opbouw van de aansprakelijkheid van de minderjarige vraagt om de nodige voorzichtigheid bij aanpassingen van de bestaande aansprakelijkheidsregelingen. Niet onbetwist is, denk ik, dat het voorstel een ingrijpende aanpassing behelst. Men kan zich op het standpunt stellen dat de keuze van leeftijdsgrenzen altijd enigermate arbitrair is, maar in dit voorstel verdwijnt iedere leeftijdsgrens, als ik het goed zie, behoudens die van 18 jaar uiteraard. Het oude Burgerlijk Wetboek kende geen leeftijdsgrens voor de eigen aansprakelijkheid van het kind. Hier was de schuld van het kind, in de zin van verwijtbaarheid, een vereiste. Daar kom ik later op terug.

De eerste en voornaamste vraag die men zich bij voorstellen tot wijziging van wetgeving moet stellen, is wat de aard van het probleem is dat men wil oplossen. Is er bijvoorbeeld sprake van een leemte in de wet? Of is er sprake van een leemte, om het zo maar te noemen, in de rechtspraak? De initiatiefnemer is blijkbaar van mening dat niet zozeer de wettelijke regeling in het licht van zijn doelstelling tekortschiet, als wel dat de wettelijke kaders de rechter te veel ruimte laten, waardoor deze met name bij de leeftijdscategorie van 14- en 15-jarigen te gemakkelijk uitgaat van de disculpatie van de ouders. Klopt deze analyse? Zo ja, is wetswijziging dan de meest voor de hand liggende en de enige oplossing in dezen?

De initiatiefnemer wil met het wetsvoorstel een verschuiving bewerkstelligen die ertoe strekt dat de primaire aansprakelijkheid ten opzichte van de derde-benadeelde bij de ouders komt te liggen in plaats van bij de minderjarige, of bij de ouders én de minderjarige. Wat voor de categorie beneden 14 jaar geldt, zou ook voor beide hogere leeftijdscategorieën gaan gelden. De vraag is of dat redelijk en verstandig is.

Van vele zijden is er reeds op gewezen dat de voorgestelde regeling bezwaren oproept in situaties waarin sprake is van de onmogelijkheid van ouders om reëel toezicht op hun kind uit te oefenen. Ik behoef ze niet opnieuw te schetsen. Ze zijn in de schriftelijke voorbereiding uitvoerig aan de orde gekomen. De bezwaren zijn mijns inziens ook helder wanneer het om 16- en 17 jarigen gaat. Het is duidelijk dat in het opvoedings- en verzorgingsproces altijd risico's moeten worden genomen. De vraag is wie in eerste instantie de nadelige gevolgen van gerealiseerde risico's behoort te dragen. De initiatiefnemer houdt ons de volgende vraag voor. Wat is per saldo redelijker: de benadeelde met zijn schade laten zitten of de ouders de schade laten vergoeden? In theorie zouden die ouders de schade vervolgens soms weer kunnen verhalen op het kind, zo voeg ik er maar aan toe. Op de ouders zou een risicoaansprakelijkheid komen te rusten.

In het algemeen gesproken zou ik zeer terughoudend willen zijn met het creëren of uitbreiden van risicoaansprakelijkheid. Risicoaansprakelijkheid is immers een kwalitatieve aansprakelijkheid, die niet is gebaseerd op schuld of verwijtbaarheid, maar op een bepaalde rol, hoedanigheid of kwaliteit, in casu de enkele omstandigheid dat ouders het ouderlijk gezag over hun minderjarige kinderen hebben.

De verzekeringsrechtelijke aspecten laat ik in mijn benadering van de vragen die in dit verband rijzen nu even buiten beschouwing. Aansprakelijkheid en eventuele verzekering daarvan zijn in de praktijk weliswaar met elkaar in verband staande onderwerpen, maar deze moeten mijns inziens principieel gescheiden worden gehouden. Ik ben het ook met de initiatiefnemer eens dat volledige verzekerbaarheid afbreuk kan doen aan de verantwoordelijkheid van de ouders om bepaald gedrag te corrigeren. Volledige verzekerbaarheid kan ook afbreuk doen aan de verantwoordelijkheid van de jongere, zo voeg ik er maar aan toe. Het gaat bij dit wetsvoorstel overigens vooral om onverzekerbare schade. De morele verantwoordelijkheid van de ouders vormt de grondslag voor hun juridische aansprakelijkheid. De vraag is of dit voor alle leeftijden, onder en boven de 14 jaar, en voor alle vormen van gedragingen met schadelijke gevolgen in gelijke mate moet gelden.

Uitgangspunt voor mijn fractie is dat de persoonlijke verantwoordelijkheid van de jongere boven de 14 jaar voorop moet staan. Hij dient verantwoordelijk te zijn voor zijn gedragingen. Die zelfstandige verantwoordelijkheid neemt toe naarmate de jongere ouder is en zelfstandiger optreedt. Het Burgerlijk Wetboek biedt daarvoor specifieke ruimte. Het moge duidelijk zijn dat ik daarmee niet bedoel dat het Burgerlijk Wetboek ruimte biedt om strafrechtelijk verwijtbare daden te plegen.

Zo-even stelde ik de aspecten aansprakelijkheid en verzekering gescheiden te willen houden en geen voorstander te zijn van de uitbreiding van de risicoaansprakelijkheid. Ik voel veel meer voor schuldaansprakelijkheid eventueel met een disculpatiemogelijkheid in dezen, ook gezien de grotere verantwoordelijkheid die de jongere wordt toegekend naarmate deze ouder wordt. Daarbij valt dan ook nog in praktische zin in aanmerking te nemen dat kinderen zich voor ongelukken, dus voor niet-opzettelijke onrechtmatige daden, kunnen verzekeren. De initiatiefnemer baseert zich op het principe "de vernieler betaalt". Mevrouw Duthler sprak over het principe "de vandaal betaalt", maar dat komt op hetzelfde neer. De vernieler betaalt, maar de vraag is of het idee van volledige risicoaansprakelijkheid van de ouders er niet in resulteert dat wat betreft het primaire proces van het verhalen gezegd moet worden: de vernieler, de minderjarige, betaalt niet. De vraag is eigenlijk of het aansprakelijk houden van de ouders niet als een soort pseudoverzekering moet worden beschouwd. De vraag is dan vervolgens welke preventieve, gedragscorrigerende werking voor de minderjarige van deze verschuiving van verantwoordelijkheden verwacht mag worden.

Samengevat, het zijn deze vragen die oorzaak zijn van de fundamentele twijfels waarover ik in het begin van mijn bijdrage sprak. Uiteraard zie ik met belangstelling uit naar de reactie van de initiatiefnemer op de opgeworpen vragen en geleverde beschouwing.

Mevrouw Scholten (D66):

Voorzitter. Een jaar geleden kwam de heer Oskam de CDA-gelederen in de Tweede Kamer versterken en vandaag verdedigt hij hier in de Eerste Kamer het wetsvoorstel van zijn voormalig fractiegenoot de heer Çörüz. Het is leuk om daarbij stil te staan, maar het is des te leuker dat de heer Çörüz zelf ook de heer Oskam zal bijstaan bij de verdediging. Ik wens de heer Çörüz alsnog geluk met het in de Tweede Kamer behaalde resultaat.

Het is goed om hier vandaag met de heer Oskam na te denken over de vraag hoe de financiële gevolgen van wangedrag door minderjarigen het best kunnen worden aangepakt. Mijn fractie is het, net als alle andere fracties, uiteraard eens met het uitgangspunt dat geleden schade moet worden hersteld. De vraag waarvoor wij hier vandaag staan, is wat daarvoor de beste methode is. Hoe kan rekening worden gehouden met de belangen van alle betrokkenen en hoe moeten deze belangen worden gewogen? Het voorliggende wetsvoorstel geeft daarvoor een oplossing. Deze oplossing ziet er op het oog eenvoudig uit, maar de vraag is of voldoende rekening is gehouden met alle belangen. De voorgestelde oplossing heeft namelijk een aantal complicaties. Ik ben gelukkig niet de eerste die daarop wijst. Ik wil daar namens de fractie van D66 graag bij stilstaan.

Het gaat hierbij om drie onderwerpen. We hebben gevraagd naar de concrete cijfers over de schade die minderjarigen veroorzaken, maar die zijn er helaas niet. De initiatiefnemer verwijst naar cijfers in het WODC-rapport uit 2010. Die cijfers zijn inderdaad niet mis, maar de vraag is of ze kunnen helpen, want ze zijn niet gesplitst naar daderleeftijd.

Het volgende punt is de positie van de ouders. Als ik "ouders" zeg bedoel ik uiteraard ook de voogden. Met het wetsvoorstel zullen ouders risicoaansprakelijk worden voor al het wangedrag van minderjarigen van 14 jaar en ouder. Dat is een belangrijk signaal voor degene die schade lijdt, want hij kan gemakkelijker verhaal halen, maar die verhaalsmogelijkheid heeft een direct effect op de ouder en de relatie met zijn kind, ook als die ouder geen enkele schuld treft. Het onderwerp is al eerder ter sprake gekomen.

Dan het verzekerbare risico. Ik ben het met de heer Holdijk eens dat aansprakelijkheid en verzekerbaarheid uit elkaar moeten worden gehouden. In de praktijk is dit echter toch een punt van aandacht en zorg, omdat aansprakelijkheid vaak wordt opgelost met verzekerbaarheid. Ook in dit geval zal ik daarbij stilstaan.

Ik ga weer even terug naar de cijfers. Dat er geen concrete cijfers zijn, is jammer. We weten dus niet hoe groot het probleem is dat de indiener met dit wetsvoorstel wil oplossen. Hoeveel minderjarige daders die wangedrag verrichten worden geverbaliseerd? Als we geen proces-verbaal hebben, hebben we namelijk ook geen begin van uitvoering van aansprakelijkheid. In het geval van vernielde bushokjes en andere vernielde dingen zijn vaak geen daders op te sporen, omdat het gebeurt zonder dat het wordt opgemerkt. Het punt is: als je geen proces-verbaal hebt, weet je ook helemaal niet waar je moet beginnen met het oplossen van het probleem waarvoor we hier vandaag staan. Overigens stond er een interessante opmerking in het WODC-rapport, namelijk dat de aangiften van vernieling elk jaar minder worden. Je kunt je afvragen of dit zo is omdat er minder wordt vernield of omdat er minder mee wordt gedaan door de politie. Dat zijn vragen die we vandaag niet hoeven te beantwoorden, maar met de genoemde opmerking wordt wel een signaal afgegeven.

Ik kom te spreken over de ouders. De in de stukken herhaalde kerngedachte is dat de slachtoffers schadeloos gesteld moeten worden. Daarvoor is de risicoaansprakelijkheid van de ouders nodig. Deze vorm van aansprakelijkheid wordt vooral verbonden aan de plicht van ouders om hun kinderen "respect voor de eigendom van anderen" bij te brengen. Daar is helemaal niets op tegen. Dat is een beginsel dat in iedere opvoeding van groot belang zou moeten zijn en zowel in het privaatrecht als in het strafrecht een vrij vooraanstaande plaats inneemt. Dat hoef ik verder niet uit te leggen. De vraag is echter of deze ouderlijke plicht zo ver gaat dat ouders rechtstreeks aansprakelijk moeten zijn voor de financiële gevolgen van het wangedrag van hun kinderen. Die gedachte volgend zouden ouders evengoed aansprakelijk moeten zijn voor schade die hun meerderjarige kinderen aanrichten. Want waarom wordt de grens voor de slachtoffers getrokken bij de datum waarop de juridische verantwoordelijkheid van ouders jegens hun kinderen grotendeels ophoudt? Ik krijg daarop graag een reactie van de initiatiefnemer.

Mijn fractie blijft dit een lastig onderwerp vinden, ook omdat de minderjarige vanaf 16, al is hij nog minderjarig, steeds meer als volmondig en zelfstandig wordt beschouwd en ouders op kinderen van deze leeftijd minder en minder grip hebben. Ook de Raad van State wees daarop. Er worden grote risico's gelegd op de schouders van ouders die op het gedrag van hun minderjarige kind geen invloed meer hebben. De initiatiefnemer onderkent dit probleem maar is van mening dat desondanks de verhaalsmogelijkheid van degene die de schade heeft geleden, voorop moet blijven staan, uitsluitend en alleen omdat er bij de minderjarige nu eenmaal niets te halen valt. De vraag rijst dan onmiddellijk op grond waarvan de initiatiefnemer ervan uitgaat dat dit bij de desbetreffende ouder wel het geval is. Ook daarop zou ik graag een reactie horen.

De initiatiefnemer noemt ook nog de mogelijkheid dat in geval de ouder het "habe nichts"-verweer voert, de rechter de schade kan matigen. Dan stuit je echter weer op het probleem van de firewall die zo langzamerhand wordt opgeworpen voor het bereiken van de rechter. Gelukkig zit de staatssecretaris vandaag naast de indiener. Hij weet dat daarvoor van belang is dat de griffierechten niet zo zouden moeten worden verhoogd en dat ook de rechtsbijstand nog zorgvuldig zal moeten worden bekeken, want deze mensen komen anders helemaal niet bij de rechter terecht.

Ik grijp terug naar de discussie die heeft gespeeld voor de invoering van het nieuw Burgerlijk Wetboek in 1992; de heer Franken wees er ook al op. Ik heb de Parlementaire geschiedenis er nog eens op nageslagen. Destijds werd beoogd om een schuldaansprakelijkheid te creëren tussen enerzijds de risicoaansprakelijkheid voor kinderen tot 14 jaar en anderzijds de schuldaansprakelijkheid van kinderen vanaf 16 jaar. Dat werd de disculpatiemogelijkheid van ouders. Het verlengen van de risicoaansprakelijkheid tot 16 jaar werd destijds – ik heb het dan over ongeveer 30 jaar geleden – onaanvaardbaar geacht, omdat a. ouders niet geacht kunnen worden een kind in deze leeftijdsgroep onder permanent toezicht te houden en b. het risico verzekerbaar diende te blijven. De initiatiefnemer vindt deze redenering thans niet meer doorslaggevend, omdat de disculpatiemogelijkheid onvoldoende uit de verf is gekomen.

De vraag die dan opkomt is: waar blijkt dat uit? De initiatiefnemer noemt enkele rechterlijke uitspraken waarin ouders hun aansprakelijkheid met succes hebben aangevochten. Dat zijn er niet veel. Daarom is het meer dan jammer dat de initiatiefnemer zijn oor niet te luisteren heeft gelegd bij de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. Deze landelijke club van rechters weet meer dan wie ook hoe de rechtspraak op dit punt is uitgekristalliseerd en zou dus ook kunnen aangeven of de disculpatiemogelijkheid al dan niet onvoldoende uit de verf is gekomen. We weten dat nu niet. De andere vraag die opkomt is: waarom was het toen onaanvaardbaar en waarom zou dat nu in deze tijd niet meer zo zijn? Ook op die vraag krijgt mijn fractie graag een antwoord.

De verzekerbaarheid is al even genoemd. In het debat van destijds diende het risico van de ouders verzekerbaar te blijven. Een niet onbelangrijke vraag is of dit risico met dit wetsvoorstel nog steeds gedekt is. Mij is opgevallen dat de oorspronkelijke initiatiefnemer, de heer Çörüz, en de heer Oskam nu over deze vraag niet op dezelfde lijn zitten. Volgens Çörüz is de risicoaansprakelijkheid van ouders in het wetsvoorstel niet gedekt en zal de verzekeraar met een aanpassing moeten komen. Volgens de heer Oskam in de memorie van antwoord is dit risico wel gedekt. Volgens de polis hebben de ouders hun schuldaansprakelijkheid verzekerd en die dekking geldt ook voor opzettelijk veroorzaakte schade door de oudere minderjarigen, aldus de heer Oskam. Als dat zo is, gaat ten eerste de gedragscorrigerende werking teloor. Ook vorige sprekers hebben het daarover gehad. Het Verbond van Verzekeraars wijst daarop in de reeds besproken brief. Ouders hoeven zich dan dus geen zorgen te maken over het gedrag van hun kinderen en over hun eigen educatieve mogelijkheden. De schade die hun kinderen veroorzaken is dan sowieso gedekt.

Ook ik vraag me echter af of de verzekeraars deze interpretatie van de polisbepalingen zullen ondersteunen. Opzettelijk veroorzaakte schade valt nu eenmaal niet onder de dekking, ook al is het kind niet als verzekerde aan te merken. Ook dan zullen de verzekeraars naar verwachting de schade die minderjarigen veroorzaken op de polis van dekking uitsluiten. Waarom zij dat gaan doen, ligt wat mij betreft voor de hand. Hun vergoedingsplicht wordt opgerekt. Dat kunnen ze weliswaar oplossen door een premieverhoging door te voeren, maar dan moeten ze de polisbepalingen wijzigen en kunnen ze van de verzekerden – mevrouw Beuving had het al over de voortreffelijke ouders – opzeggingen verwachten. Commercieel is het dus een heel heikel punt. Dat is naar mijn idee de verwachting. Ook op dit punt zou ik graag de reactie van de initiatiefnemer horen.

Ik heb in de Handelingen van het wetgevingsoverleg in de Tweede Kamer gezien dat de staatssecretaris dit initiatief steunt. Volgens de staatssecretaris past dit in het systeem van het adolescentenstrafrecht. Dat argument is mij niet helemaal duidelijk. Het adolescentenstrafrecht – het wetsvoorstel ligt op dit moment bij ons in behandeling – is erop gericht om de jongere, ook die onder de 18, meer volgens het volwassenensysteem te berechten. Met dit wetsvoorstel gebeurt eigenlijk het tegenovergestelde: het geeft de minderjarige minder eigen verantwoordelijkheid dan hij nu heeft. Ik krijg daarop graag een toelichting van de staatssecretaris.

Voorzitter. U zult begrijpen dat mijn fractie kritisch staat tegenover dit wetsvoorstel. Zij is echter wel benieuwd naar de antwoorden van de mensen aan de overkant van deze Kamer.

Mevrouw Quik-Schuijt (SP):

Voorzitter. De SP feliciteert de indiener, en via hem de initiatiefnemer, maar ik vind het leuk om te zien dat de initiatiefnemer hier zelf ook is, met het voltooien van dit wetsvoorstel, inclusief de uitgebreide beantwoording van de vragen tot nu toe. Monnikenwerk, dat weten wij.

Desalniettemin staan wij kritisch tegenover deze uitbreiding van risicoaansprakelijkheid van ouders in geval van schadeberokkening door hun kroost van 14 jaar en ouder. Niet dat wij het probleem van bushokjes vernielende jongeren ontkennen of bagatelliseren. De jongere zelf is daarvoor primair aansprakelijk, in de huidige wet en in dit wetsvoorstel. In dit voorstel kan degene die de schade heeft geleden echter volstaan met het aanspreken van de ouder. Deze kan het hele bedrag zonder meer verhalen op zijn kind. Tegen deze constructie hebben wij een aantal bezwaren. Wij hebben voorts nog een vraag aan de indiener. Laat ik beginnen met de vraag. Het was mijn eerste vraag in het voorlopig verslag: is het juist dat een juridische ouder of voogd met gezag, dus een ouder die niet uit het gezag is ontheven of ontzet – in de Tweede Kamer ontstond hierover verwarring tijdens het wetgevingsoverleg – in geval dit voorstel tot wet wordt verheven, altijd aansprakelijk is voor de door een fout van het kind aan derden veroorzaakte schade, met uitzondering van de situatie omschreven in artikel 6:165, lid 2? Ik heb het dan over een kind dat uit huis is geplaatst, al dan niet met een ondertoezichtstelling, waar de ouder dus op geen enkele manier toezicht op kan uitoefenen. Ik heb het over een kind van gescheiden ouders die wel samen het gezag houden, maar waarvan één ouder het kind niet ziet tot zijn groot verdriet. Is deze ook volledig aansprakelijkheid? Ik zie geen enkele disculpatiemogelijkheid, dus ik neem aan dat het antwoord moet zijn: er is geen enkele mogelijkheid, behalve artikel 165, lid 2. Hierover is bij de behandeling van het wetsvoorstel tijdens het wetgevingsoverleg in de Tweede Kamer veel verwarring gezaaid. Ik vind het van belang dat hier duidelijkheid over komt.

Het is duidelijk dat dit wetsvoorstel voornamelijk is bedoeld om schade aan de overheid vergoed te krijgen, schade die te vaak ten laste van de belastingbetaler komt. De SP-fractie heeft hier alle begrip voor maar zij gelooft meer in preventief beleid, gericht op het indammen van schade en schadeveroorzakende baldadigheden. Wij denken dan aan armoedebeleid, meer toezicht, efficiënte alcoholcontrole en het bieden van meer vooruitzicht aan de jeugd door het verminderen van de jeugdwerkloosheid. Is de indiener het met ons eens dat het voor ouders onmogelijk is om controle uit te oefenen op het gedrag in het uitgaansleven van een 17-jarige? Hoe rechtvaardig is een risicoaansprakelijkheid als je niets kunt doen om dat risico te beperken? De indiener wijst op art. 247 van boek 1 BW dat de ouders verantwoordelijkheden toebedeelt ten aanzien van alle minderjarigen. Is het de indiener bekend dat er een aantal pogingen is geweest om dit artikel te nuanceren, zodat de verantwoordelijkheid van ouders geleidelijk aan afneemt naarmate de eigen verantwoordelijkheid van de minderjarige toeneemt? Er was destijds consensus over de geleidelijk toenemende verantwoordelijkheid maar niet over de formulering daarvan. Er is daarnaast een hele serie artikelen te noemen waarin aan minderjarigen van 16 jaar en ouder verantwoordelijkheden worden toebedeeld.

Wij lezen in de toelichting op het wetsvoorstel dat indiener van oordeel is dat schuldaansprakelijkheid, zoals die nu in de wet is geformuleerd, niet toereikend is omdat de rechter te vaak aanneemt dat aan de ouder niet kan worden verweten dat hij de gedraging van het kind niet heeft belet. Van dit standpunt, maar dat is niet nieuw, hebben wij geen onderbouwing aangetroffen.

Ten slotte is een belangrijk bezwaar van de SP-fractie in deze Kamer dat deze regeling de verhouding tussen ouders en hun kinderen op scherp stelt. De indiener gaat ervan uit dat ouders maar verhaal op hun kinderen moeten halen. Wij vinden dat een ongewenste situatie. Wij hadden, zij het aarzelend, kunnen instemmen met een verlenging van de risicoaansprakelijkheid tot 16 jaar, zoals voorgesteld in het amendement- Recourt, en wellicht ook nog met een schuldaansprakelijkheid voor 16- en 17-jarigen. Het voorliggende voorstel is voor ons echter onacceptabel. Desondanks wachten wij de antwoorden van de indiener met belangstelling af.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Voorzitter. Voordat ik het wetsvoorstel kritisch zal bespreken, ook van mijn kant de complimenten en felicitaties aan de heren Çörüz en Oskam.

leder draagt zijn eigen schade. Het lijkt of dit beginsel van ons recht nauwelijks meer geaccepteerd wordt. Net als het feit dat aan leven onlosmakelijk risico's verbonden zijn. We willen altijd iemand de schuld kunnen geven van onze ellende. We willen onze schade tot op de laatste cent vergoed zien, en liefst nog iets erbovenop als genoegdoening.

Dit wetsvoorstel past binnen deze trend, en appelleert bovendien aan het sentiment dat we slachtoffers niet in de kou mogen laten staan en daders harder moeten aanpakken. Een wetsvoorstel dat beoogt de slachtoffers van onrechtmatig handelen door pubers een verhaalsmogelijkheid te bieden door de ouders van de pubers aansprakelijk te maken, klinkt dan ook sympathiek. We zijn hier echter niet om te beoordelen of een wetsvoorstel sympathiek klinkt, maar of het juridisch steekhoudend is, en rechtvaardig qua effecten.

Ons huidige stelsel van aansprakelijkheidsrecht en de daaraan verbonden verzekeringspraktijk is naar het oordeel van mijn fractie een uitgebalanceerd geheel, waarin verschillende beginselen en uitgangspunten zorgvuldig zijn afgewogen. In de eerste plaats noem ik het beginsel dat ieder zijn eigen schade draagt. Op dit beginsel volgt een grote tenzij: tenzij iemand anders aansprakelijk gesteld kan worden voor deze schade. Voor het aansprakelijkheid kunnen stellen van iemand anders geldt een aantal voorwaarden, waaronder die dat de schade het gevolg moet zijn van een handelen of nalaten wat aan die ander verweten moet kunnen worden, of waarvan we het met zijn allen rechtvaardig vinden dat die ander er risico voor draagt. Ten aanzien van minderjarige kinderen is het systeem nu zo dat de aansprakelijkheid voor toegebrachte schade door kinderen tot 14 jaar niet aan hen zelf verweten kan worden, maar dat we het rechtvaardig vinden dat hun ouders hiervoor risicoaansprakelijk zijn. Kinderen vanaf 14 jaar zijn zelf aansprakelijk voor hun handelen. Daarnaast bestaat er voor kinderen van 14 en 15 jaar een beperkte aansprakelijkheid voor ouders: zij zijn aansprakelijk, tenzij zij zich kunnen disculperen. Dit systeem kent een innerlijke logica: daar waar het gedrag aan het kind kan worden verweten, is er minder juridische rechtvaardiging om de ouders aansprakelijk te houden. Risicoaansprakelijkheid bestaat in ons rechtssysteem vooral daar waar geen verantwoordelijkheid bij de schadeveroorzaker gelegd kan worden; of dat nu om een dier, een opstal of een kind gaat. Daar waar wel verantwoordelijkheid bij de veroorzaker gelegd kan worden, bestaat veel minder rechtvaardiging voor het vestigen van een risicoaansprakelijkheid. Ook vanuit het perspectief van het opvoeden en zelfstandig worden van kinderen vindt mijn fractie het huidige systeem, waarbij de verantwoordelijkheid van jongeren voor hun eigen handelen geleidelijk toeneemt, en die van hun ouders dienovereenkomstig afneemt, met in het midden een zekere overlap, getuigen van een zorgvuldige afweging.

Doen we met het huidige systeem slachtoffers tekort? Blijven we bij schade die toegebracht wordt door jongeren onevenredig vaak steken in het eerste beginsel "ieder draagt zijn eigen schade"? Dat is maar de vraag. Zoals gezegd, jongeren zijn vanaf hun veertiende jaar zelf verantwoordelijk voor hun handelen, en aansprakelijk voor de door hen toegebrachte schade. Het slachtoffer heeft dus een mogelijkheid iemand aansprakelijk te stellen en te proberen zijn schade te verhalen. Waar het om culpoos veroorzaakte schade gaat, zal deze doorgaans gedekt worden door de aansprakelijkheidsverzekering die de meeste ouders ten behoeve van hun minderjarige kinderen hebben afgesloten. Daar bestaat vanuit het perspectief van het slachtoffer dus geen probleem. Blijft over de schade die opzettelijk is veroorzaakt door jongeren die geen verhaal bieden. Daarvan kan het voor het slachtoffer lastig zijn deze te verhalen, hoewel bij veel jongeren niet uitgesloten is dat zij op termijn wel verhaal zullen gaan bieden. Vervelend voor de gedupeerde, maar de situatie is op zichzelf genomen niet anders dan bij schade die opzettelijk is veroorzaakt door een meerderjarige die geen verhaal biedt. Ook in zo'n geval kan een slachtoffer zijn eigen schade moeten dragen. Wanneer we dat onrechtvaardig vinden, moeten we daar wat aan doen, bijvoorbeeld door het uitbreiden van de reikwijdte van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Dit fonds keert nu alleen uit wanneer er sprake is van geweld tegen personen, maar overwogen zou kunnen worden om uit het fonds ook opzettelijk toegebrachte schade aan goederen te vergoeden.

Mijn fractie ziet in het feit dat niet alle schade daadwerkelijk verhaald kan worden op de aansprakelijke minderjarigen onvoldoende rechtvaardiging om ouders aan wie geen enkel verwijt gemaakt kan worden, risicoaansprakelijk te maken voor de schade die door hun kind wordt veroorzaakt.

Ik heb zojuist betoogd dat de fractie van GroenLinks op vrij principiële gronden kritisch staat tegenover het wetsvoorstel. Daarnaast hebben we ook nog een aantal vragen over de praktische uitwerking van het wetsvoorstel, met name over de verzekeringskwesties. Dit is al diverse keren genoemd. In zijn memorie van antwoord aan deze Kamer betoogt de heer Oskam dat het nadelige effect van het wetsvoorstel voor ouders beperkt zal zijn, omdat 95% van hen verzekerd is voor aansprakelijkheid, en de schade door de verzekering gedekt zal worden, nu de opzetclausule niet van toepassing is als het niet om de opzet van de verzekerde gaat. Dit antwoord doet vermoeden dat het probleem dat om een oplossing vraagt, niet zozeer ligt in de vraag wie aansprakelijk is, maar in de uitsluitingsclausules van de verzekeringen. In de huidige situatie kan schade ten gevolge van opzettelijk handelen van 14- tot 17-jarigen door de verzekeraar worden uitgesloten, omdat het om een eigen aansprakelijkheid van een verzekerde gaat. In de situatie van het wetsvoorstel is die uitsluiting met de huidige clausule niet langer mogelijk omdat het dan om een risicoaansprakelijkheid van de ouders gaat, zo begrijpen wij. Het effect van het wetsvoorstel zal in deze redenering zijn dat de door jongeren opzettelijk toegebrachte schade verzekerbaar wordt, waarmee meer benadeelden schadeloos gesteld kunnen worden. Wanneer dit het effect is dat nagestreefd wordt, dus dat de schade verzekerbaar wordt, is het dan niet logischer om de regelgeving met betrekking tot de toegelaten uitsluitingsclausules aan te passen, in plaats van de wetgeving omtrent de aansprakelijkheid?

Onlangs hebben wij een brief gehad van het Verbond van Verzekeraars – het is al eerder genoemd – waarin de positie van de verzekeraars wordt uitgelegd. Anders dan de heer Oskam acht het Verbond van Verzekeraars het niet wenselijk dat de door jongeren opzettelijk toegebrachte schade onder de aansprakelijkheidsverzekering van de ouders gaat vallen. Dit zou afbreuk doen aan de preventieve gedragscorrectie en het volgens de verzekeraar ongewenste effect hebben dat alle verzekerden meebetalen aan de schade. Kan de heer Oskam reageren op dit verschil van inzicht met de verzekeraars? Wat is het standpunt van de staatssecretaris hierover?

Het Verbond van Verzekeraars geeft aan vanuit mededingingsoogpunt geen adviezen aan de verzekeraars te kunnen geven over de uitsluiting van de aansprakelijkheid van ouders door opzettelijk handelen van hun kinderen van 14 tot 18 – zeg maar een nieuwe opzetclausule – maar tussen de regels valt te lezen dat niet uitgesloten moet worden dat deze uitsluitingsclausules er zullen komen. Leidt dat volgens de indiener en de staatssecretaris tot een gewenste situatie?

De implicaties van een niet-verzekerbare aansprakelijkheid kunnen enorm zijn. Wij hebben het niet alleen over het intrappen van bushokjes; het kan ook gaan om enorme letselschades. Het is niet ondenkbaar dat gezinnen ten gevolge van een letselschadeclaim hun huis zullen moeten verkopen. Daarvan is niet alleen het kind dat een misdaad heeft begaan de dupe, maar ook alle andere kinderen in het gezin. Acht de indiener een dergelijk effect gerechtvaardigd waar het gaat om schade waaraan de ouders en hun eventuele andere kinderen part noch deel hebben? Hoe denkt de staatssecretaris hierover?

Wat staat ouders te doen, die alle moeite hebben gedaan om hun kind op het rechte pad te houden, maar daarin hebben gefaald? Moeten zij de rechter vragen om van het ouderlijk gezag te worden ontheven, om zo hun aansprakelijkheid te ontlopen? Hoe zien de indiener en de staatssecretaris dat?

Ik sluit af. Dat ieder zijn eigen schade draagt in die gevallen waarin het niet mogelijk is die schade te verhalen op degene aan wiens handelen de schade te wijten is, is soms moeilijk te verteren. Maar dat ouders, zonder de mogelijkheid zich hiervoor te verzekeren, volledig aansprakelijk gesteld kunnen worden voor gedragingen van hun oudere kinderen, waarop zij geen enkele invloed kunnen uitoefenen, is dat wat ons betreft ook. Ik wacht de antwoorden met belangstelling af.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.