Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 24, item 5

5 Begrotingsstaten Economische Zaken

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (XIII) voor het jaar 2013 ( 33400-XIII ).

De voorzitter:

Ik heet de minister en de staatssecretaris van Economische Zaken van harte welkom. Vanaf deze plek wil ik graag de staatssecretaris van harte gelukwensen met haar verjaardag vandaag, en haar nog vele gezonde en gelukkige jaren toewensen.

In de eerste termijn van de Kamer is het woord aan de heer Reuten, die trouwens ook vandaag jarig is. Dat moet ook in de Handelingen! Mijnheer Reuten, ik wens ook u van harte geluk en evenzeer nog vele goede en gezonde jaren in het verschiet.

De beraadslaging wordt geopend.

De heer Reuten (SP):

Voorzitter. Collega Smaling begeleidt deze week promotieonderzoekers in Tanzania. Hij zou in dit debat het woord voeren, maar nu het onlangs naar vandaag verschoven is, vervang ik hem en maak daarbij dankbaar gebruik van zijn voorbereiding en zijn teksten.

Allereerst dank ik de bewindslieden voor de uitvoerige memorie van antwoord. Mijn fractie kan daarmee grotendeels uit de voeten, maar er zijn er een aantal zaken die nog opheldering vergen. Ik zal ze in zes punten kort aflopen. Paginaverwijzingen zijn naar de memorie van antwoord.

Het eerste punt is de wereldvoedselvoorziening. Op de vraag of Nederland hierin een meer leidende rol zou moeten vervullen werden ontwijkende antwoorden gegeven Ik verwijs naar pagina 6. Mag mijn fractie hieruit concluderen dat Nederland dus geen leidende rol ambieert op dit gebied?

Het tweede punt betreft de schaalvergroting. Hier zweemt de beantwoording naar gelatenheid (pagina 8–9). Begrijpt mijn fractie goed dat we hebben te accepteren dat het aantal boerenbedrijven verder daalt, dat de megastallen en gestapelde superkassen het landschap bepalen, dat er straks geen koe meer in de wei staat en dat de steeds groter wordende supermarkt aan de rand van de stad de kleine winkeltjes in het centrum failliet laat gaan? Wij lezen namelijk twee antwoorden, die beide ontwijkend zijn. Het eerste is: schaalvergroting vanwege efficiency is nou eenmaal al een tijd aan de gang. Het tweede is: de provincie gaat er over. Maar met zo'n defaitisme wordt toch geen leiding gegeven aan een land dat nieuwe kleur op het gezicht nodig heeft? Dit is een Smalingiaanse uitdrukking.

Ten derde de Oost-Europese arbeidskrachten. Ik richt mij hiervoor graag tot de minister, omdat het niet alleen gaat om werknemers, maar ook om de concurrentievoorwaarden tussen bedrijven. Op pagina 9 meldt de regering slechts dat Oost-Europese arbeidskrachten een nuttige bijdrage leveren aan de werkzaamheden in de land- en tuinbouw. Dat doen zij inderdaad, maar de vraag was of dit als een autonoom proces moet worden beschouwd en of het wenselijk is. De Europese Unie maakt zich wel druk over open grenzen en arbeidsmigratie, maar niet over de uiteenlopende sociale effecten die dit heeft. Het WRR-rapport "In betere banen" wijst hier ook op. Wat zijn bijvoorbeeld de binnenlandse werkgelegenheidseffecten wanneer deze arbeidsmigratie doorzet? In Groningen verwacht men veel werkgelegenheid in de Eemshaven, maar de vervuilende kolencentrale van RWE zal straks voornamelijk worden bevolkt door Poolse en Hongaarse werknemers. Dat zijn hardwerkende mensen, die de bedrijven en de schatkist miljoenen opleveren, maar hier zit een andere zijde aan.

Neem de Nederlandse bloembinders die vorige week op straat zijn gezet; vervangen door goedkopere Oost-Europese arbeiders. In mijn tekst staat "werknemers", maar ik gebruik de ruimere term "arbeiders". Ondernemers rekenen zich rijk en slaan de handen ineen met Oost-Europese uitzendbureaus, die de arbeiders ook nog ondermaats huisvesten. Voor Nederlandse lager opgeleiden is er zo steeds minder werk. Dat laat hen, maar ook de schatkist niet onberoerd. Hoe beziet de regering deze ontwikkeling? Ik voeg hieraan toe dat het ons niet slechts gaat om die arbeiders, maar ook om de concurrentie tussen bedrijven en de bescherming van bonafide en welwillende bedrijven. Als het gaat om werknemers, is het een kwestie voor de Arbeidsinspectie. Er zijn echter ook Europese regels in het geding, waarvan soms wordt afgeweken door uitzendbureaus van zogenaamde "zelfstandigen". Ik hoor graag van de minister wat daaraan op Europees niveau wellicht te doen is.

Mijn vierde punt betreft de intensieve dierhouderij. Wij constateren dat de regering vooralsnog tegenstribbelt als het gaat om het onderwerp "minder dieren". Mijn fractie ziet met belangstelling uit naar de in de memorie van antwoord aangekondigde stappen op dit terrein. Vooral een zin op bladzijde 10 boeit ons: "Mocht de mestverwerking onvoldoende van de grond komen, dan wil ik alsnog door middel van een stelsel van dierrechten een grens stellen aan het aantal te houden dieren." Wat moet er nu precies gebeuren, wil het kabinet dit stelsel invoeren? Is de staatssecretaris van oordeel dat er sowieso eerst moet worden geïnvesteerd in mestverwerkingscapaciteit, waar bijvoorbeeld in Brabant veel verzet tegen is?

Mijn vijfde punt is de toekomst van de Nederlandse landbouw. De regering merkt daarover op bladzijde 17 op: "De ruimtelijke inpassing van bedrijven in het landelijk gebied voldoet aan de maatschappelijke wensen." De vraag is: hoe stelt de regering die vast?

Het zesde punt is duurzame energie. Op dit vlak zijn veel zinvolle vragen gesteld door de GroenLinksfractie. Ik concentreer me op één terrein: de windenergie. De regeringsdoelstelling om de hoeveelheid duurzame energie naar 16% te stuwen, steunt de SP-fractie. Maar wij zouden van de regering graag een korte uiteenzetting horen, of ontvangen, over windenergie. Wij vrezen dat Wind op Land te snel wordt doorgedrukt, wat zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het landschap. Drie rijen windmolens langs de kust van de Noordoostpolder zullen het uitzicht bederven. Een enorme batterij windmolens in de Drentse Veenkoloniën, van Veendam tot Emmen, zal het fraaie open landschap gaan ontluisteren. Nemen we hierover niet te snel besluiten? Is de afweging met Wind op Zee, eventueel wat dichter op de kust, met daarnaast zonne-energie, wel adequaat gemaakt? Wat kunnen we leren van België, dat veel sterker dan wij een integrale benadering heeft gekozen en overweegt om vanuit een kunstmatig eiland op zee te gaan werken, waar ook de getijdenwerking een rol speelt? Levert zo'n plan, samen met de technologische sprongen vooruit, geen voortschrijdend inzicht dat kan voorkomen dat die windreuzen midden in ons dichtbevolkte land komen te staan?

Tot slot. Mijn fractie vraagt zich af of de regering er goed aan doet om zo veel regie uit handen te geven. De visie die uit de memorie van antwoord opstijgt is er een van: wij zijn een kleine, faciliterende overheid; burger en bedrijf weten wat het beste voor henzelf is, en wat er nog te bewaken valt, decentraliseren we zo veel mogelijk naar provincie en gemeente. De realiteit is dat provincies hun taken heel verschillend oppakken: je hebt veel sluimerende honden, een paar blaffende honden zoals Groningen, Gelderland en Zuid-Holland, maar alleen Noord-Brabant maakt de indruk een bijtende hond te zijn. Ook dit is weer Smalingiaans. De tendens is: verordeningen niet scherp formuleren en een terughoudende handhaving; en vooral: veel overlaten aan gemeenten. Het takenpakket voor gemeenten is enorm toegenomen, maar de budgetten niet. Heel veel gemeenten zitten al met de handen in het haar vanwege grondexploitaties met dieprode cijfers. Wat beoogt het Rijk met decentraliseren, zonder de condities te creëren waardoor de taken ook adequaat kunnen worden uitgevoerd?

Na lezing van de memorie van antwoord blijft bij mijn fractie het gevoel hangen dat de regering onambitieus uitgaat van de handhaving van de status quo in de landbouw, verandering op haar beloop laat of de verantwoordelijkheid elders neerlegt. Graag horen wij of de regering dit zelf ook zo ziet. Wij zien uit naar de antwoorden van de bewindslieden.

De voorzitter:

Het was zo Smalingiaans, dat er maar één voetnoot onder de tekst stond.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Voorzitter. Een collega en de staatssecretaris die vandaag jarig zijn; dat is toch wel bijzonder. Wij vieren het feestje zelfs in de avond, en ook dat is een bijzondere gebeurtenis.

Mijn fractie is in ieder geval blij dat wij nu kunnen spreken over de begroting van Economische Zaken. Wij danken het kabinet, de staatssecretaris en de minister, voor de uitgebreide beantwoording van onze schriftelijke vragen. Naar aanleiding daarvan willen wij een aantal nadere vragen stellen, vooral over de doelmatigheid en kwaliteit van het beleid, en over de inzet van begrotingsmiddelen om doelen te realiseren.

Allereerst heb ik een aantal vragen voor de minister van Economische Zaken over het energiebeleid. Ik zal daarbij ingaan op de reactie van het kabinet op de motie-Strik c.s., ingediend door mijn collega bij de algemene politieke beschouwingen van december 2012, met de steun van velen in deze Kamer. Een belangrijk doel bij het energiebeleid is natuurlijk om te komen tot 16% duurzame energie in 2020. In de schriftelijke beantwoording schrijft het kabinet dat die doelstelling haalbaar is met de beschikbaar gestelde financiële middelen en instrumenten. Het noemt ook diverse onderzoeken, onder andere dat van het Planbureau voor de Leefomgeving en het ECN. Het zegt dat met name de SDE-plus het kabinet in staat zal stellen om die doelen te realiseren.

De SDE-plus is een instrument dat veel mogelijkheden biedt. Toch is mijn fractie wat minder optimistisch. Wij lezen de rapporten van de genoemde instituten wat anders. Je moet namelijk werkelijk alles uit de kast halen om een kans te maken om dit doel te realiseren, en het moet allemaal meezitten. Zo royaal zitten we er dus allemaal nog niet in. Daar hoor ik graag nog een reactie op van het kabinet. Dat geldt overigens ook voor de SDE-plusregeling. Die is er nu natuurlijk op ingezet dat de subsidie allereerst naar de goedkoopste technieken gaat. Dat betekent dat wij toch een aantal kritiekpunten hebben.

Zal dit niet leiden tot een grootschalige inzet van biomassa en veel bijstook bij fossiele-elektriciteitscentrales? Kan de minister uitsluiten dat hij met deze SDE-plussubsidie in feite oude kolencentrales langer aan het werk houdt door dat bijstoken lekker te ondersteunen? Kan de minister al helemaal uitsluiten dat het mogelijk is dat zo'n oude centrale zelfs wordt omgebouwd tot een biomassacentrale, zoals Delta van plan is? En welke kwaliteitseisen stelt het kabinet aan biomassa die in aanmerking komt voor deze SDE-plusregeling?

Wind op Zee valt voorlopig buiten de boot bij de regeling, want dit is te duur. Onderzoek laat echter zien dat, om die doelstelling in 2020 te halen, windenergie uiteindelijk wel degelijk een noodzakelijk onderdeel van de regeling is. Gezien het feit dat je minstens een jaar of zeven nodig heb om dat soort parken te realiseren, is de vraag of de minister niet echt tempo moet gaan maken om er te komen. Is het kabinet bereid om al snel te beginnen met de aanbesteding van Wind op Zee, bijvoorbeeld volgend jaar? Er is overigens al een aantal projecten waar vergunningen voor verleend zijn. Daarbij is financiering echter nog een probleem. Is de minister bereid hier snel stappen in te zetten, zodat we kunnen beginnen met het bouwen van Wind op Zee?

In 2020 wordt een tekort verwacht aan duurzame energie in Europa ten aanzien van de hoeveelheid die nodig is om de doelen te realiseren. Dat zal betekenen dat de prijzen door schaarste hoger worden. Gokken dat we het straks wel gaan realiseren met hulp van andere Europese landen zou nog weleens moeilijk kunnen worden. Het maakt duidelijk dat Nederland hier zelf flink in zal moeten investeren.

Ik heb nog één vraag over de werking. Het lijkt er nu op dat deze SDE-plussubsidie vooral terechtkomt bij grote energieleveranciers en technieken die al bijna rendabel zijn. Dat roept de vraag op of de minister hiermee zijn innovatieagenda gaat realiseren en of hij juist ook meer toekomstgerichte innovaties op deze manier gaat stimuleren. Kleinschaliger technieken kunnen wel degelijk van groot belang zijn als je ze op heel grote schaal toepast. Betekent het dat deze technieken nu buiten de boot zullen vallen? Ik denk bijvoorbeeld aan een initiatief als zonnecollectoren op zwembaden. Als je dat op alle zwembaden in Nederland doet, geeft dat een enorme boost. Ook denk ik aan iets als zonthermische werking. Dit type initiatieven lijkt nu buiten de regeling te vallen, of in ieder geval moeilijk in aanmerking te komen. Is de minister bereid hier alsnog naar te kijken?

Ook zou ik de minister willen vragen om ons inzicht te geven in hoe die SDE-plusregeling daadwerkelijk tot een energietransitie gaat leiden. Laat ons zien hoe deze vergoedingen van de SDE-plus op langere termijn worden ingezet. We kunnen dan ook zien wat er in 2020 daadwerkelijk gerealiseerd wordt en hoe de minister daarbij anticipeert op innovaties en toepassingen van innovaties. Graag krijg ik daar inzicht in voor de wat langere termijn tot 2020.

Ik vraag ook speciaal aandacht voor het belang van coöperatieven van burgers op dit vlak. Dat doe ik omdat het draagvlak en de betrokkenheid van burgers gewoon cruciaal is. De minister werkt aan een salderingsregeling, die een cruciaal onderdeel vormt van het regelen van mogelijkheden voor burgers. Wij hebben vernomen dat er op dit moment wordt gedacht aan vrij krappe gebieden waarbinnen saldering haar werk zal doen. Ik vraag de minister of hij bereid is toch ook naar ruimere gebieden te kijken, om daarmee bijvoorbeeld ook gezamenlijke windenergieprojecten mogelijk te maken. En is de minister bereid om ook te kijken naar een differentiatie tussen zon en wind in dit verband? Binnen die saldering is juist voor een windmolenpark een hogere korting op de energiebelasting nodig. Van de minister zou ik graag een reactie willen op deze vragen.

Ook zou ik aandacht willen vragen voor warmtebeleid. Een groot deel van het energieverbruik, namelijk 60%, betreft warmtegebruik. Duurzame warmte is dus erg belangrijk. Het valt sinds 2012 onder de SDE. Is het kabinet bereid dit te evalueren, zoals afgesproken? En wil het kabinet ook beleid rond restwarmte ontwikkelen? Er wordt jaarlijks namelijk een equivalent van 15 miljard kuub gas weggegooid. Dat is hetzelfde als het totale huishoudelijke gasverbruik in Nederland. Wil de minister toezeggen dat hij op dat vlak beleid gaat maken en dat hij doelstellingen zal formuleren om het verspillen van deze restwarmte aanzienlijk te verminderen?

Ik zou het kabinet willen vragen hoe het de Europese verplichting van een jaarlijkse energiebesparing van 1,5% wil invullen. De minister is daarop ook al ingegaan in antwoord op onze schriftelijke vragen. Hij zegt dat dit in beeld komt. Dat betekent naar mijn idee dat we er nog niet zijn. Dus wat gaat hij doen?

Ik zou een dringend beroep op de minister willen doen om in ieder geval één maatregel te nemen. Zorg dat het energielabel er komt, dat het verplicht wordt en dat het gehandhaafd wordt. In heel Europa is het namelijk ingevoerd en werkt het, maar in Nederland liggen we al dwars vanaf het moment dat het in 2005 werd ingevoerd. Nederland zegt gewoon dat het niet gaat handhaven. Dat betekent natuurlijk een onvermijdelijke boete van Europa. Waar het echter werkelijk om gaat, is dat op deze manier een enorm potentieel aan energiebesparing in woningen, kantoren en gebouwen blijft liggen. Het energielabel helpt daar namelijk bij. 30% van het energieverbruik in woningen en gebouwen kan budgetneutraal worden ingelost. Zeker in tijden van crisis zal dit een enorme impuls geven aan de bouwnijverheid. Kortom: waar wacht de minister op? Doe het, en geef een tijdpad aan voor hoe die investeringen in woningen, gebouwen en kantoren in de komende twintig jaar worden gestimuleerd.

Met al die nieuwe kolen- en gascentrales die gepland staan, voorzien wij een enorme overcapaciteit aan energieopwekking in Nederland. In 2020 is tweeënhalf keer zo veel vermogen opgesteld als nodig is voor de piekvraag. We zijn daarmee in een heel andere situatie beland. Een aantal jaren geleden dachten we nog dat de oude kolencentrales dicht zouden gaan. Doordat schaliegas in de Verenigde Staten de kolen verdringt, zien we dat daarvandaan zeer goedkope kolen worden geïmporteerd. Daardoor worden juist de oude kolencentrales langer opengehouden. Ook de sector zelf voorziet hierin grote problemen, en zelfs mogelijk faillissementen van nieuwe centrales.

De langdurige inzet van kolencentrales, zelfs met voorrang, heeft zeer negatieve gevolgen voor het klimaatbeleid. Wat gaat het kabinet hieraan doen? Gaat u de kolenbelasting omhoog brengen? Gaat u zich inzetten voor een verhoging van de prijs van emissierechten, de ETS, zodat er weer een prikkel ontstaat om andere vormen van energie in te zetten? Minister Timmermans heeft hier vanmiddag aangegeven dat ook hij het Europese energie- en klimaatbeleid als een gigantische opgave ziet, waarin een actieve inzet van Nederland van belang is. Hij gaf ook aan dat Duitsland vooroploopt waar het gaat om duurzame energie, en dat Duitsland daarvan straks, wanneer we een aantal jaren verder zijn, zal profiteren. Graag hoor ik de visie van de minister op dat punt.

Ik heb overigens begrepen dat de minister enthousiast is over schaliegas. Hij onderzoekt natuurlijk wel degelijk de mogelijkheden en de mogelijk schadelijke effecten. Graag hoor ik op dat punt wat schaliegas naar zijn idee gaat betekenen voor het totale energiebeleid.

Ten slotte heb ik nog een vraag voor de minister over de schriftelijke reactie op de motie-Strik. Wij zijn hem daar zeer erkentelijk voor. We moeten echter ook zeggen dat we die reactie mager vinden. De minister geeft een opsomming van verschillende beleidsinstrumenten en doelstellingen, maar hij geeft geen inzicht in het concrete, samenhangende energieverduurzamingsbeleid. Daar vroeg collega Strik juist aandacht voor. Zij vroeg aandacht voor het feit dat verschillende beleidsinstrumenten en financiële regelingen elkaar tegen kunnen werken, en zij vroeg om inzicht daarin. Een voorbeeld: hoe verhoudt zich het energieverduurzamingsbeleid tot de stevige uitbreiding van de capaciteit van fossiele energieproductie in Nederland en het ontstaan van overcapaciteit? Hoe ziet de minister de verhouding tussen grootschalige centrale energieopwekking, en decentrale opwekking van duurzame energie? Welke keuzes maakt de minister in dit verband waar het gaat om de inzet van beleid en financiële middelen? Hoe past een beleid ten aanzien van schaliegas daarin? Hoe passen kortingen op de energieheffing voor grootverbruikers en glastuinbouw in een energieverduurzamingsbeleid? Over energiebesparing schrijft de minister vrijwel niets, terwijl daar een enorme winst te halen valt. Ik heb zojuist al een aantal vragen over deze kwesties gesteld. Wij zien in de beantwoording van het kabinet graag ook deze elementen terugkomen. Wij verzoeken de regering op dat punt nog een aanvulling te geven op de beantwoording van de motie.

Ik heb ook een aantal vragen aan de staatssecretaris als het gaat om het natuurbeleid. Ik dank haar voor de eerder gegeven antwoorden. Het is goed dat het kabinet 200 miljoen extra gaat investeren in de ehs ten opzichte van de bezuinigingen die het vorige kabinet heeft ingezet. Dat waarderen wij, al is nog steeds sprake van een forse bezuiniging op dit beleid. Wij maken ons grote zorgen over de ontwikkelingen in de intensieve veehouderij, zeker in gebieden waar veel intensieve veehouderij zit en waar nog steeds groei plaatsvindt, en de toenemende druk op natuur en milieu in die gebieden. Wij zien daar voortdurende risico's voor de volksgezondheid. We zien schade aan natuur en milieu, bodem, grond- en oppervlaktewater, en dierenwelzijn. Een gebied als de Peel in Brabant neem ik even als voorbeeld. De depositie van stikstof daar is vele malen groter is, ongeveer vijf keer zo veel, als wat de natuur kan verdragen. We weten het allemaal, al jaren, maar toch is het aantal dieren in de Peel sinds de jaren negentig alleen maar toegenomen; sinds 2002 een toename van 15%. We hebben ooit allemaal prachtige dierrechten opgekocht na de varkenspest. Dat heeft veel belastinggeld gekost, maar dit is volledig tenietgedaan, meer dan dat, door de groei van het aantal dieren in deze gebieden. Wat gaat de staatssecretaris daaraan doen? Zij komt met het instrument Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). We wachten daar al jaren op, maar wordt dit de oplossing? GroenLinks vreest van niet. In de berekeningen wordt ervan uitgegaan dat de verdeling van dieren over Nederland gelijk blijft, ook in een gebied als de Peel. Maar het aantal dieren daar groeit voortdurend. We zien een toestroom naar de concentratiegebieden, omdat de sterke bedrijven daar nu eenmaal zitten. De PAS zoekt de oplossing in techniek, maar voegt ten aanzien van de bestaande technieken en de instrumenten die al in het generieke beleid zitten niet zo heel veel toe. De bijdrage aan de stikstofreductie zal landelijk niet meer dan 7% zijn als gevolg van de programmatische aanpak, en voor de Peel ongeveer 10%. Er wordt ook nog van uitgegaan dat dit allemaal voor 100% gaat werken en dat er geen dieren meer bij komen. Hoe denkt de staatssecretaris met dit beleid, dit kleine stukje winst, de gigantische schade aan natuur en milieu die daar plaatsvindt, binnen afzienbare tijd te reduceren? Bovendien mag de helft van de milieuwinst worden gebruikt voor investeringen in nieuwe bedrijven, nieuwe bedrijvigheid waaronder de intensieve veehouderij. Graag een toelichting op de aanpak via de PAS, die overigens ook nog wordt gebruikt om eerdere uitbreidingen waarvoor in feite geen vergunning was verleend, gelegitimeerd te legaliseren. Hoe gaat de staatssecretaris op die manier een bijdrage leveren aan de instandhoudingsdoelen van Natura 2000?

Hoe rijmt de staatssecretaris de gedwongen verkoop van gronden door Staatsbosbeheer met haar extra inzet voor de ehs, voor natuurbeheer, voor de kwaliteit van natuur? Gebieden waar jarenlang gigantisch in is geïnvesteerd worden verkocht, zonder dat er garanties zijn dat de natuurkwaliteit daar overeind blijft.

Dan de nieuwe Natuurwet die eraan komt. Wij zijn daar ongelooflijk benieuwd naar. Zal deze Natuurwet voorzien in een integrale visie op natuurbescherming, inclusief voldoende ecologische en juridische waarborgen, ook met het oog op Europeesrechtelijke verplichtingen, inclusief actieve herstelmaatregelen voor de natuur? Duidelijkheid over deze waarborgen, en over actieve herstelmaatregelen kan een bijdrage leveren aan de vermindering van de juridisering van het natuurbeschermingsrecht. En dat zou ons een lief ding waard zijn. Hoe gaat de staatssecretaris het Initiatief Mooi Nederland, van PvdA, D66 en GroenLinks, opnemen in de nieuwe Natuurwet?

Ik heb een aantal vragen gesteld over de realisatie van zeer belangrijke doelen van het beleid en de inzet van middelen daarvoor. Wat ons betreft noodzaakt deze crisis tot zeer doelgericht beleid, gericht op structurele oplossingen. Wij kunnen het ons niet langer permitteren tijd en geld te verspillen. Wij kunnen het ons niet langer permitteren grondstoffen en natuur te verspillen. Ik wacht met belangstelling op het antwoord van het kabinet.

De heer Koffeman (PvdD):

Voorzitter. Ik zal mij in mijn bijdrage beperken tot de dieren.

In ons land worden in totaal op elk willekeurig moment meer dan 115 miljoen dieren gehouden in de veehouderij voor de productie van voedsel onder vaak erbarmelijke omstandigheden; een kort en ellendig leven. Dieren zijn zodanig doorgefokt op productiekenmerken dat zij allerlei aangeboren gebreken en gezondheidsproblemen hebben. Jaarlijks worden meer dan 500 miljoen plofkippen geslacht die gefokt zijn op extreme groei waardoor hun lichaam uitgeput raakt, er vocht in de buikholte ontstaat, botten te zwak zijn om het gewicht te dragen, de dieren ernstige blaren hebben aan hun voetzolen, doordat ze hun hele leven slijten in hun eigen uitwerpselen en de dieren uiteindelijk niet meer kunnen lopen en door hun poten zakken. Dat is in strijd met de wet, maar het is aan de orde van de dag.

De enige reden voor deze wijze van productie is geld. Om economische redenen mishandelen we dieren levenslang en gunnen we ze niet meer dan een marginaal bestaan. Daar moet en kan nu een eind aan komen. Maar zelfregulering in een land dat 70% van zijn vlees exporteert, ontslaat de overheid niet van haar verplichting tot zorgvuldige regulering van houderijsystemen en handelsnormen. 50 miljoen kilo verdacht rundvlees en een NVWA die kampt met ernstige ondercapaciteit!

Naast reëel toezicht op voedselstromen moet ook de houderij worden gereorganiseerd. Dikbilrunderen worden voor de productie van vlees zodanig doorgefokt dat zij niet meer op een natuurlijke wijze kunnen bevallen en een keizersnede, een vergaande ingreep, de enige oplossing vormt. We zijn het met elkaar eens dat we geen honden meer moeten fokken met aangeboren afwijkingen, maar wanneer gaat de staatssecretaris het fokken van productiedieren met aangeboren afwijkingen verbieden? Door de doorfok bestaat voorts ook een verhoogd risico op misvormde kalveren. Net als bij plofkippen kan het lichaam het gewicht in veel gevallen niet aan. Melkkoeien zijn gefokt op een extreme melkproductie, die gemiddeld op 8.000 liter per jaar ligt, met uitschieters naar 12.000 liter. Om aan deze productie te voldoen, moet een koe elk jaar een kalf krijgen, dat vervolgens zonder moeder opgroeit en wordt vetgemest. Een melkkoe produceert zo veel melk dat zij alleen met een uitgebalanceerd dieet en veel krachtvoer een korte tijd gezond kan blijven, terwijl ze letterlijk opbrandt. In de praktijk betekent dit dat een koe ziek wordt als zij alleen gras eet. De koe is verworden tot een levende melkmachine, zonder dat er enig respect is voor de natuurlijke behoeften van een koe.

Hoe heeft het zover kunnen komen? De commissie-Wijffels stelde al in haar rapport uit 2001 over de toekomst van de veehouderij dat "het oprekken van de productieve capaciteit van dieren tot een niveau waar het welzijn en de weerstand tegen ziekten wordt aangetast niet aanvaardbaar is." In 2010, drie jaar geleden, zou de veehouderij er totaal anders uit moeten zien. Niets is minder waar. Allesbehalve dat hebben we zien gebeuren. Opeenvolgende kabinetten gaven juist alle ruimte voor verdere intensivering, weg van het rentmeesterschap. Geld is niet het probleem bij de vergroening van de productiewijze. We kunnen juist ontsnappen aan de marginale productiewijze en overgaan tot een kwaliteitsproductie die de prijs van het product hoger maakt.

Dieren worden nog steeds aangepast aan een huisvestingssysteem, waarin ze het meest productief kunnen zijn ten behoeve van economische processen. De dieren ondergaan ook ingrepen, zodat zij elkaar of zichzelf geen schade kunnen toebrengen. Daarnaast krijgen dieren nog pijnlijke ingrepen te verwerken ten behoeve van identificatie of wensen van de verwerkende industrie. Snavels worden weggekapt, 15 miljoen varkens worden op zeer jonge leeftijd gecoupeerd zonder verdoving en nog steeds worden elk jaar bijna 4,5 miljoen mannelijke biggen gecastreerd. Per jaar worden 2 miljoen kalveren op uiterst pijnlijke wijze onthoornd. In 2001 had er al een verbod op het toepassen van pijnlijke ingrepen voor pluimvee moeten zijn. Dit verbod is telkens uitgesteld, waardoor het verbod pas in 2021 zal ingaan. Dat is twintig jaar later dan gepland! Ook een verbod op koudmerken is al in 1996 aangekondigd en zou per 1 september 2001 ingaan. Ik wil graag van de staatssecretaris weten of zij van plan is het verbod te gaan instellen en dit ook vast te leggen in de Wet Dieren.

Van het totale aantal dieren in de veehouderij wordt minder dan 2% biologisch gehouden. Die dieren ondergaan geen pijnlijke ingrepen en zijn niet extreem doorgefokt op een hoge productie. Voorgaande kabinetten hebben doelstellingen gesteld voor het totale biologische landbouwareaal of voor het marktaandeel aan biologische producten. Er zijn echter nog steeds geen doelstellingen gesteld voor het aandeel aan biologische veehouderijen of het aantal biologisch gehouden dieren. Ik vraag de staatssecretaris om daar verandering in te brengen. Is de regering bereid om doelstellingen te formuleren en ook stimulansen in te voeren om die doelstellingen te behalen? Graag een reactie.

Nederland is de slager en de melkboer van Europa, en is binnen Europa ook de grootste exporteur van miljoenen levende dieren. Met name kippen worden massaal levend getransporteerd. De transporten duren extreem lang en dieren staan zonder voedsel en water in overvolle veewagens waar ze niet normaal in kunnen gaan liggen of staan. We moeten onszelf de vraag stellen waarom we nog steeds internationale diertransporten hebben. Is een goedkoop slachthuis duizenden kilometers verderop in Parma gerechtvaardigd voor het gesleep met dieren die toch al een heel akelig leven hebben gehad? Elk jaar komen tientallen miljoenen plofkippen aan op het slachthuis met gebroken poten en vleugels, doordat ze onder hoge tijdsdruk worden gevangen in stallen, in krappe kratten worden geduwd en vervolgens via een kantelmachine op de lopende band worden gegooid. Het is wettelijk verboden om kreupele kippen op transporten te zetten, maar het wordt niet door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit gecontroleerd en het is de praktijk van alledag. Er is geen dierenarts aanwezig bij het inladen en uitladen van de kippen. Het gaat om 250 miljoen kippen per jaar en er zijn in 2011 maar 70 controles geweest door de NVWA. Er is niet meer capaciteit. Ik wil graag weten of de staatssecretaris ervoor gaat zorgen dat er meer controles komen en dat ook de aanwezigheid van een dierenarts verplicht wordt.

De staatssecretaris heeft de belangrijke taak om burgers weer vertrouwen te laten krijgen in de overheid, een overheid die staat voor volksgezondheid, voor een leefbaar platteland, voor het algemeen belang en voor de bescherming van kwetsbare waarden zoals het milieu en dierenwelzijn. Het is tijd dat deze staatssecretaris laat zien dat gedogen niet meer van deze tijd is, zeker nu de coalitiepartner, de partij van de minister, adverteert met de slogan dat er meer begrip voor slachtoffers moet komen en daders harder aangepakt moeten worden. Pak de daders aan, toon medeleven met de slachtoffers. Wat let u, zo vraag ik de staatssecretaris. Ik krijg graag een reactie met concreet zicht op concrete controle en handhaving, waarbij het toezicht op adequaat niveau wordt gebracht.

Intensivering en marginalisering, dat is de trend in de Nederlandse veehouderij. Er zijn minder bedrijven gekomen maar het aantal gehouden dieren in Nederland bleef steeds ongeveer gelijk. Dit betekent dat het aantal dieren per bedrijf is toegenomen. Als de dierenrechten wegvallen, zal dat nog veel verder toenemen. Ten opzichte van 2000 heeft vooral in de geiten- en varkenshouderij een dramatische intensivering plaatsgevonden, met een verdubbeling van het aantal dieren per bedrijf. Daarmee is ook het aantal megastallen fors gestegen. In 2000 waren het er 411 en in 2009 al 813.

Naast dierenleed brengt de veehouderij ook aanzienlijke problemen met zich mee voor de volksgezondheid. Mensen die in de buurt wonen van veehouderijen hebben last van fijnstof, endotoxinen, uitbraken van zoönosen en stank. We hebben ten tijde van de Q-koortsepidemie kunnen zien hoe ziekten van dieren op mensen kunnen overslaan. Tienduizenden mensen raakten besmet, 4.000 mensen raakten chronisch ziek en ten minste 25 mensen overleden. Naast de Q-koorts hebben uitbraken van vogelgriep en varkenspest voor miljoenen slachtoffers gezorgd. Op welke termijn moet er sprake zijn van een antibioticavrije productie, zoals wordt aangegeven in het Innovatieprogramma Antibioticavrije Ketens? Kan de staatssecretaris aangeven of het systeem van registratie van antibiotica zodanig in elkaar zit dat er geen sprake meer kan zijn van illegale handel en toediening? In hoeverre heeft de NVWA te allen tijde inzicht in het systeem van registratie en kan zij op basis hiervan handhaven? Welke reductiedoelstellingen worden er gesteld in deze kabinetsperiode?

De Nederlandse veehouderij veroorzaakt talloze maatschappelijke problemen. De kosten voor dierziekteproblemen, milieuvervuiling, volksgezondheid en dierenwelzijn zijn enorm. En de mate van wetsovertreding is vrijwel nergens zo hoog als in de veehouderij, zo kunnen we zelfs met veel te weinig toezichthouders en een overmaat aan zelfregulering vaststellen. Zolang we blijven inzetten op de massaproductie met overvolle stallen zullen de risico's voor de volksgezondheid en de aantasting van het milieu en het dierenwelzijn niet drastisch in te perken zijn. Inzetten op luchtwassers in potdichte stallen en intensivering zijn een vorm van pleisters plakken. Voor een veehouderij die relatief gezien een klein economisch belang vertegenwoordigt, namelijk 0,6% van het bnp, staan de maatschappelijke kosten in geen verhouding. Alleen al de varkenssector kost de maatschappij volgens het Instituut voor Milieuvraagstukken al minstens 1,3 miljard per jaar. Dat is 13 keer meer dan landbouwschade door in het wild levende dieren, waarover vandaag zo veel ophef werd gemaakt.

De discussie over de verduurzaming van voedsel wordt door de voorstanders van intensivering steeds verengd tot een discussie over het verduurzamen van de huidige voedselproductie. Daarmee laten zij de lange termijn, het ethisch besef en een kritische blik op onze eigen consumptie buiten beschouwing. Het is in het belang van onze planeet en al zijn bewoners dat we conservatieve krachten niet de regie geven over ons voedsel. We leven met miljarden mensen en een kwetsbaar ecosysteem op een kleine planeet en we zagen aan de tak waarop we gezamenlijk zitten. Die ene aarde, daar hangt onze gezamenlijke toekomst en die van onze kinderen van af. We zullen onze hulpbronnen eerlijk moeten delen. De voetafdruk die de gemiddelde Nederlander achterlaat is enorm, en verdrukt de behoeften van anderen. We gebruiken meer dan twee keer zo veel landoppervlak als de gemiddelde aardbewoner. Nederland komt helaas ook voor in de top tien van meest vervuilende landen ter wereld. Op de stikstofkaart van Europa zie je dat Nederland de schandvlek van Europa is. Een vijfde tot een derde van de milieudruk van elke Nederlandse consument wordt veroorzaakt door onze voedselkeuzes.

De feiten spreken voor zich: er is een grote winst te boeken wanneer er minder vlees gegeten zou worden. Maar er rust een taboe op het beïnvloeden van consumenten tot duurzaam koop- en consumptiegedrag. Je mag wel zeggen: laat de auto een dagje staan. Of: de auto kan best een dagje zonder jou. Maar een dagje zonder vlees, daar rust een taboe op. Het doorbreken van het taboe op overtuigende vermindering van vleesconsumptie en andere dierlijke eiwitten moet de hoogste urgentie hebben. De uitstoot van CO2 door de veehouderij is wereldwijd 40% groter dan die van alle verkeer en vervoer samen. 80% van het landbouwareaal in de wereld wordt ingenomen door of ten behoeve van de veehouderij. Bijna de helft van de wereldgraanoogst wordt opgeslokt door de veehouderij en voor een groot deel omgezet in mest, die tot onoverkomelijke problemen leidt. Terwijl de wereld honger lijdt, worden de wereldgraanoogsten opgeslokt voor de vleesconsumptie.

Het is helaas niet zo dat de Nederlandse consument een wezenlijke verandering op dat punt tot stand kan brengen, want wij exporteren 70% van onze productie van dierlijke eiwitten. Als opkomende economieën als Brazilië en India hetzelfde consumptiepatroon aan de dag zouden leggen als wij, zouden er vier aardbollen nodig zijn. Wat gaat de staatssecretaris doen om de Nederlandse vleesconsumptie te verminderen en die binnen de grenzen van de draagkracht van de aarde te brengen? Maakt zij de transitie van dierlijke eiwitten naar een meer plantaardig eetpatroon tot kabinetsprioriteit?

Ten slotte. Het failliet verklaarde bedrijf van Willy Selten in Oss heeft 50 miljoen kilo vlees verdacht gemaakt door niet te traceren vleesverwerking. 50 miljoen kilo, dat is 3 kilo per Nederlander, een enorme dreun voor het vertrouwen in de Nederlandse voedselvoorziening. Dat kan anders en dat moet anders. De NVWA is uitgekleed tijdens voorgaande kabinetten. Wat wil en kan de staatssecretaris doen aan de capaciteit van de NVWA om de voedselveiligheid te waarborgen? Is zij bereid om te komen tot een uitbreiding van die dienst, die zo onder druk is gezet tijdens de afgelopen kabinetten? Ik overweeg een motie in tweede termijn.

Minister Kamp:

Voorzitter. Ik dank de leden voor hun gedegen inbreng. Ik feliciteer de heer Reuten graag met weer een verjaardag en ik wens hem nog vele gezonde en gelukkige jaren toe. Het is fijn voor de staatssecretaris en mij om bij deze dubbele verjaardag hier met u allen aanwezig te mogen zijn. Dat doet ons veel plezier.

Uit de schriftelijke inbrengen en de inbrengen die wij nu hebben mogen vernemen, heb ik opgemaakt dat er brede steun bestaat voor het beleid dat wij hebben voorgesteld. Op een aantal punten zijn de woordvoerders ingegaan. Van onze kant zullen wij ook graag een bijdrage leveren aan de behandeling van de begroting van Economische Zaken voor het jaar 2013.

Ik heb kunnen vaststellen dat de Kamer heeft ingestemd met alle ramingen die wij hebben opgegeven en alle budgetten waar wij om hebben gevraagd. Dat doet ons veel genoegen. Als bewindslieden van Economische Zaken realiseren wij ons dat wij een aantal economische problemen hebben op te lossen in Nederland, maar zijn wij ons ook zeer bewust van de goede uitgangspositie die wij hebben. Ons land is een van de twintig sterkste economieën van de wereld. Wij zijn de vijfde exporteur van de wereld. De sector waarvoor staatssecretaris Dijksma in de eerste plaats verantwoordelijkheid draagt, is zelfs de nummer twee exporteur van de hele wereld. Nederland is qua concurrentiekracht het vijfde land in de wereld. Wij hebben dus echt een heel goede uitgangspositie.

Wij zien de problemen die er zijn, maar wij zien ook hoe wij die problemen kunnen oplossen. Ik zal daar niet uitgebreid op ingaan, maar even kort aangeven wat ons streven is. Ons eerste streven is om noodzakelijke hervormingen te realiseren voor de arbeidsmarkt, de woningmarkt, de zorg en de pensioenen. Daarnaast streven wij ernaar om het verdienvermogen van Nederland te versterken. Dat doen wij door ons generieke bedrijfsbeleid en door het beleid gericht op topsectoren, in het bijzonder om innovatie te stimuleren. Verder zorgen wij ervoor dat de overheidsuitgaven gesaneerd zullen worden. Dat is zeer belangrijk om de basis voor onze economie gezond te houden. Wij versterken de financieringsmogelijkheden voor het bedrijfsleven door direct garanties te bieden en door kredieten zelfs met coaching aan te bieden. Wij zorgen er ook voor dat er een zodanige wisselwerking tussen institutionele beleggers, banken en kabinet is, dat de pensioenbesparingen die in Nederland worden gerealiseerd, in grotere mate dan nu ten goede kunnen komen aan de Nederlandse economie. Ten slotte zorgen wij voor een vermindering van de regeldruk. Dat is de afgelopen drie jaar al gelukt: de regeldruk is met 11% verminderd. Onze ambitie voor de komende jaren is om een nog grotere vermindering van de regeldruk te realiseren. Dat is zeer gunstig voor het bedrijfsleven en daarmee voor de werkgelegenheid in ons land.

De heer Reuten heeft aangegeven dat hij op een aantal punten een reactie wenst. Die zullen wij graag geven. Van mijn kant zal ik eerst ingaan op hetgeen hij heeft gezegd over de werkgelegenheid en de Oost-Europese arbeidskrachten, waarvan hij vaststelt dat zij in Nederland actief zijn en dat zij nog steeds ons land binnenkomen vanuit Oost-Europa. De heer Reuten weet net zo goed als ik dat dat gegeven er nu eenmaal is. Wij zijn onderdeel van de Europese Unie. Daar hebben wij veel belang bij en veel voordeel van. Een van de gevolgen van het feit dat wij deel uitmaken van de Europese Unie is dat onze mensen vanuit Nederland overal in Europa kunnen gaan studeren, werken of wonen, maar dat geldt natuurlijk ook voor de andere mensen in Europa. Zij kunnen naar Nederland komen. Wij hebben er ook geen probleem mee als zij hier komen werken. Als de verhoudingen normaal zijn, kunnen de Nederlandse arbeidskrachten de concurrentie met arbeidskrachten uit het buitenland goed aan. De werkgevers van mensen die uit het buitenland naar Nederland komen, hebben zich ook te houden aan het minimumloon en de cao-verplichtingen. Die gelden net zo goed voor mensen uit Oost-Europa als voor Nederlanders, maar Nederlanders hebben natuurlijk het voordeel dat zij het land kennen, dat zij in allerlei circuits zitten, dat zij al een woning hebben en dat zij de taal spreken. Als je voldoende opgeleid bent, als je een opleiding hebt waar je iets mee kunt in Nederland, als je bereid bent om aan te pakken en het geld voor je werkgever waard te zijn, kun je de concurrentie met arbeidskrachten uit andere landen aan.

Ik denk dat wij op dat punt nog een aantal verbeteringen kunnen doorvoeren. Daar zijn wij ook mee bezig. Wij werken aan verbeteringen voor de arbeidsmarkt. Wij werken bijvoorbeeld aan het Techniekpact. Daarmee willen wij bereiken dat de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt veel beter wordt dan tot nu toe het geval is, met name voor de technische beroepen. De Kamer zal bewindslieden dit vaker hebben horen zeggen, maar de manier waarop wij het nu organiseren, met drie ministeries, intensieve betrokkenheid van de werknemers en werkgevers en intensieve betrokkenheid van de regio's, die voor de arbeidsmarkt van het grootste belang zijn, is echt een heel nieuwe aanpak. Die zullen wij het komende jaar volhouden. Binnenkort, volgende maand, zullen wij met het Techniekpact naar buiten komen en duidelijk maken dat dit een succes zal worden. Daarmee wordt de positie van Nederlandse werknemers verder versterkt.

Uiteindelijk is het dan aan iedereen om de kansen die er zijn, te pakken. Als er in het noorden van ons land, in Groningen, grote bouwprojecten zijn en je bent ijzervlechter of je hebt een ander bouwkundig beroep, dan heb je daar grote mogelijkheden. Als daar straks centrales geëxploiteerd moeten worden, als er werk is in grote energiegebruikende industrieën en als je in het noorden woont, dan heb je dus de kans om die banen te krijgen. Ik denk dus dat het aan de mensen in het gebied zelf is om de mogelijkheden die er zijn, te benutten. Als er in een bepaald gebied te weinig mogelijkheden zijn, moeten zij bereid zijn om naar een ander gebied te gaan waar meer mogelijkheden zijn. Die mobiliteit op de arbeidsmarkt is van groot belang. Ik zie dus de instroom van Oost-Europese arbeidskrachten, maar ik zie ook de mogelijkheden om daar als land van te profiteren. Aan de ene kant krijg je immers mogelijk arbeidskrachten die je in Nederland niet hebt. Aan de andere kant kunnen degenen die een baan zoeken in Nederland omdat zij geen werk hebben, door die instroom zien dat het werk er wel degelijk is. Zij kunnen die kansen zelf benutten, in plaats van ze door anderen te laten benutten.

De heer Reuten (SP):

Regels zijn regels en Europese regels zijn Europese regels. Het is altijd moeilijk vast te stellen hoeveel malafide praktijken er precies zijn, want er is een grijs gebied. Dat weten wij niet precies, maar wij krijgen regelmatig indicaties. Er zijn twee zaken. Ten eerste zijn er uitzendbedrijven c.q. bedrijven die zich niet aan de cao-afspraken houden. In beginsel zou de Arbeidsinspectie daarop moeten toezien. Als zij genoeg menskracht heeft, kan zij dat. Ten tweede zijn er buitenlandse uitzendbureaus die het spelen via de band van de zelfstandigere arbeidskrachten. Dat is een heel moeilijk terrein. Ik zou met name op dit punt graag van de minister weten wat wij hier op Europees niveau aan kunnen doen. Ik neem aan dat de richtlijnen daarvoor veranderd zullen moeten worden. Ik spreek deze minister en niet zonder meer de minister van Sociale Zaken daarop aan omdat het ook gaat om de concurrentie tussen goedwillende bedrijven en bedrijven die gebruikmaken van malafide praktijken. Dan worden de goedwillende bedrijven die kant op geduwd.

Minister Kamp:

De overweging van de heer Reuten is ook geheel mijn overweging. Het gaat erom, de goedwillende bedrijven, ondernemers en werknemers te beschermen. Dat doen wij ook. Voor controle op uitbetaling van het minimumloon hebben wij onze eigen inspectie, de Inspectie SZW. Deze werd door de heer Reuten nog even aangeduid met de oude naam "Arbeidsinspectie"; tegenwoordig heet het de Inspectie SZW. De sociale partners zien toe op de naleving van de cao's, want cao's zijn privaatrechtelijke overeenkomsten tussen sociale partners. Wij zien als kabinet ook goede mogelijkheden om samen te werken in onze controle op uitbetaling van het minimumloon en hun controle op de naleving van de cao's. In het kader van het sociaal akkoord zijn daarover ook afspraken gemaakt.

Schijnzelfstandigheid doet zich ook voor. Wij hebben dat recentelijk in beeld gebracht met onderzoek. Wij hebben nu afspraken gemaakt tussen verschillende ministeries over een effectieve aanpak hiervan. Voor schijnconstructies geldt hetzelfde. Mijn collega's van SZW en van Veiligheid en Justitie en ikzelf zijn zeer gemotiveerd om dat te doen. Wij zijn daar systematisch mee bezig. Dit geldt voor de malafide uitzendbureaus. Destijds heb ik als minister van Sociale Zaken een project opgezet dat met evenveel enthousiasme door mijn opvolger, de heer Asscher, is overgenomen. In mijn nieuwe functie ondersteun ik hem ook daarin. Wij pakken malafiditeit aan en wij doen dat om bonafiditeit, zoals de heer Reuten zegt, juist te ondersteunen. Wij zien wat er misgaat en dat pakken wij aan. Een aantal dingen gaat ook goed. Mensen vanuit Oost-Europa brengen hier wat extra's. Zij komen hier op een goede plek in de samenleving terecht in verschillende delen van het land. Als er mensen komen hier banen te vervullen, zijn die banen er dus. Wat houdt ons dus tegen om die banen zelf in te vullen? Dit was mijn reactie op het eerste punt dat de heer Reuten naar voren heeft gebracht.

Hij sprak ook over duurzame energie. Hij wil een korte uiteenzetting krijgen over windenergie. Ik zal die graag geven. Wij zijn van mening dat windenergie een mogelijkheid is om duurzame energie op te wekken die in Nederland zeker benut moet worden. Wij doen dit al op vrij grote schaal. Wij deden dit al honderden jaren geleden, maar doen het nu op een andere manier. Het opwekken van duurzame energie door wind op zee en wind op land is een goed onderdeel van een mix, maar wij gokken daar niet alleen op. Wij vinden dat bij het produceren van duurzame energie vele mogelijkheden moeten benutten. Windenergie hoort daar ook bij. Wij hebben afspraken gemaakt met de provincies over wind op land. De provincies hebben aangegeven wat ze kunnen en hoe ze dat willen verdelen. Wij zijn het daar met hen over eens geworden en zullen dat samen met hen realiseren. De provincies dragen de eerste verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke inpassing. Die taak nemen zij zeer serieus. De provincies zullen dus de plannen sturen die er op dat gebied zijn. Zij geven aan waar het volgens hen wel en niet kan. Vervolgens wordt er bij het verlenen van een vergunning naar de ruimtelijke inpassing gekeken. Wij zijn via onze eigen bevoegdheid betrokken bij grotere projecten. Daarbij kijken wij ook in grote mate naar de landschappelijke en ruimtelijke inpassing. Wind op land is iets nieuws in het landschap, maar het is niet overal een verbetering in het landschap. Het kan echter heel goed met grootschalige andere infrastructuur gecombineerd worden. Voor plekken waar dat niet kan, is er extra aandacht nodig, om ervoor te zorgen dat je wel van de voordelen profiteert, maar de nadelen zo laag mogelijk laat zijn.

Wind op zee speelt ook een rol. Nederland heeft al een aantal windmolens op zee. Andere landen hebben dit ook. Een tweetal grootschalige windparken op zee is al toegezegd. Daar is al veel geld voor beschikbaar gesteld. Ik praat dan niet over tientallen of honderden miljoenen, maar echt over miljarden. Die parken zullen nog gerealiseerd worden. Ik denk dat er nog meer wind op zee nodig zal zijn. Ik kom daar zo bij de beantwoording van de vragen van mevrouw Vos nader op terug.

De heer Reuten noemde ook de mogelijkheid van wind op zee, maar wat dichter bij het land. Net zoals de heer Reuten vind ik dit een serieuze mogelijkheid. Vandaar dat wij nu in beeld aan het brengen zijn waar dat precies op welke wijze en op een verantwoorde manier gerealiseerd zou kunnen worden. Dat zal onderdeel zijn van de totale mix.

De heer Reuten vraagt zich af of wij te snel besluiten nemen. Met name voor de wind op zee vind ik dat een terechte opmerking, net als de andere opmerkingen van de heer Reuten overigens. Als je op dit moment besluit tot wind op zee – mevrouw Vos zei dat je zeven jaar verder bent voordat die windmolens draaien – neem je nu een besluit op basis van de huidige techniek, terwijl die techniek zich snel aan het ontwikkelen is. Als je er een paar jaar later toe zou besluiten, kun je de molens misschien iets later laten draaien, maar dan heb je wel mogelijkheden om de kosten te drukken en om een hoger rendement te realiseren. Wij zijn dus aan het zoeken naar een goed evenwicht tussen snelheid, beheersing van kosten en het verkrijgen van een zo hoog mogelijk rendement. De komende tijd zullen wij daar nog druk mee bezig zijn, met name in verband met het energieakkoord waar de SER op dit moment aan werkt.

De heer Reuten en de andere woordvoerders weten dat het kabinet de SER om advies heeft gevraagd over duurzame energie en de toekomst van de energiewinning en -opwekking in Nederland. De SER wil dat graag doen in de vorm van een akkoord, waarbij alle natuurorganisaties, de werknemers- en werkgeversorganisaties, de grotere energie producerende bedrijven, de beheerders van de elektriciteitscentrales dus, en de grote energie consumerende bedrijven – die wij gelukkig ook nog hebben in Nederland – worden betrokken. De SER werkt nu samen met diverse ministeries aan een totaal energieplan. Wij proberen het daarin met zijn allen eens te worden over de richting van de energieproductie en -consumptie in de komende tientallen jaren. Wij proberen bovendien zowel op de langere termijn als op de kortere termijn tot afspraken te komen, waarbij de verschillende initiatieven zich onderling kunnen versterken in plaats van elkaar het leven moeilijk te maken. Het overleg in de SER loopt goed. Er wordt goed samengewerkt. Natuurlijk moeten er op een gegeven moment keuzes gemaakt worden en dan komt het erop aan of je ook echt samen tot conclusies kunt komen. Ik heb goede hoop dat dit lukt. Ik zal op een aantal punten wat terughoudend zijn in mijn antwoord. Dat doe ik niet om zaken vooruit te schuiven, maar om recht te doen aan het overleg dat nu binnen de SER plaatsvindt. Mijn conclusies en opvattingen zijn mogelijk van belang, maar het is zeker van belang als je met een groot aantal partijen tot die conclusies kunt komen.

De heer Reuten zegt dat wij veel kunnen leren van België. Dat ben ik met hem eens. Wij kunnen van alle landen leren, zoals andere landen misschien iets van ons kunnen leren. In het begin heb ik al gezegd wat de huidige positie van Nederland is. Daar kijken heel veel landen met belangstelling naar, kan ik de heer Reuten verzekeren. Hij zegt dat de Belgen dit allemaal meer integraal benaderen. Dat waag ik te betwijfelen. De wijze waarop wij omgaan met energie, is uitzonderlijk integraal. Zeker de aanpak met een energieakkoord in SER-verband en onze instrumenten van de SDE-plusregeling en de SDE-plusheffing zijn bij uitstek onderdeel van een integrale aanpak. Ik gun de Belgen dat zij van onderdelen van ons beleid kunnen leren, zoals wij graag van hen leren.

Mevrouw Vos staat niet zo te juichen over het halen van de 16%-doelstelling als zij vermoedt dat het kabinet staat te juichen. Wij staan daar niet echt over te juichen. Op dit moment wekken wij 4,25% duurzame energie op en gebruiken die ook, terwijl wij de doelstelling hebben om in 2020 op 14% te komen, althans volgens de richtlijn van de Europese Unie die voor ons geldt. In het regeerakkoord staat dat wij er zelfs 16% van maken. Wij zien dat dit absoluut niet vanzelf gaat, maar wij zien ook dat het mogelijk is. Het kabinet denkt dat wij die uitdaging aan moeten gaan, omdat het belang van duurzame energie zo groot is. Ik hoef mevrouw Vos niet te vertellen wat precies de achtergrond is waarom dit zo belangrijk is. Ik hoop dat mevrouw Vos van mij aanneemt dat ik ervan overtuigd ben dat dit van groot belang is. Wij gaan daar echt alles aan doen. Om in zeven jaar tijd van 4,25% naar 16% te gaan, is een zeer grote opgave. Wij hebben aangegeven hoe wij dat kunnen bereiken en hoe de duurzame energieopwekking ongeveer verdeeld moet worden. Wij hebben berekend wat dit allemaal gaat kosten. In de begroting en in de meerjarenbegroting is er ook een dekking voor die kosten. Wij denken dat wij hiermee in staat zijn om dit te realiseren. Het is doorgerekend door het Planbureau voor de Leefomgeving en door ECN. Beide instanties hebben gezegd: wat je wilt, is nogal wat, maar het kan wel. Wij gaan daar nu ons best voor doen.

Mevrouw Vos heeft op onderdelen daarvan nog aanvullende opmerkingen gemaakt. Zij liet zich kritisch uit over biomassa. Als de Europese Unie in de richtlijn vastlegt dat Nederland 14% moet halen en dat kernenergie niet onder duurzame energie valt en wind, zonnecellen, aardwarmte en biomassa wel bij duurzame energie horen, dan is dat zo. Mevrouw Vos zal het dan met ons eens zijn dat wij moeten proberen om wat is vastgelegd, op een evenwichtige manier uit te voeren. Het is niet zo dat we alles op biomassa zetten of dat we kritiekloos zijn wat biomassa betreft. Natuurlijk moet de biomassa ook duurzaam geproduceerd zijn. We zijn ons daarvan zeer bewust. We willen ook niet dat biomassa gaat overheersen. Biomassa kan worden gebruikt voor het bijstoken in kolencentrales, mits dat op een verantwoorde manier gebeurt, zoals in Nederland zeker mogelijk is. Bij oude centrales gaat het wat makkelijker. Nieuwe centrales moeten eerst een aantal jaren indraaien voordat ze bijstook kunnen realiseren. Als het echter eenmaal zover is en zeker als het zou kunnen worden gecombineerd met het afvangen van CO2, dan heb je een moderne wijze van productie, dan kun je door de combinatie van bijstoken van biomassa en afvangen van CO2 tot een heel toekomstgerichte, duurzame productie komen. Ik zei al dat biomassa niet het enige is waarop we gokken, maar die kan wel onderdeel zijn van een grote mix.

Mevrouw Vos vroeg of ik wilde uitsluiten dat grote kolencentrales worden omgebouwd tot biomassacentrales, zoals DELTA van plan is. Ik wil dat niet uitsluiten. Ik wil afwachten hoe de situatie op de markt zich zal ontwikkelen en hoe de afspraken eruit gaan zien in het kader van het energieakkoord in SER-verband. Hoe het zich in de markt gaat ontwikkelen, zien we als volgt. We denken dat we in Nederland in een luxe situatie zitten. Waar andere landen zich druk moeten maken over de vraag of ze wel voldoende capaciteit hebben om elektriciteit te produceren, zitten wij in de gelukkige situatie dat er bij een vraag van 23 gigawatt een productie is van 27 gigawatt en dat er daarnaast nog 4 gigawatt in aanbouw is. Binnen een periode van drie jaar zullen we dus 31 gigawatt aan productievermogen hebben, terwijl er een vraag is van 23 gigawatt. Dan heb je de mogelijkheid om het geheel te bezien. Wat voor capaciteit hebben we? Waarover kunnen we misschien afspraken maken met Duitsland? En als we in Nederland te veel capaciteit hebben, hoe kan er dan een keuze worden gemaakt? Die keuze moet niet door het kabinet of de overheid worden gemaakt. Die keuze moet worden gemaakt door degenen die in een marktomgeving investeren en exploiteren. Zij moeten bezien hoe die markt zich ontwikkelt en hoe de prijzen zijn. Zij zijn ook gebonden aan de door de overheden gestelde regels. Binnen die omgeving moeten zij hun eigen keuzes maken. Wij denken dat die keuzes op een verantwoorde wijze zullen worden gemaakt, zeker als daarover in het kader van het energieakkoord afspraken kunnen worden gemaakt.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Ik wil twee vragen aan de minister stellen. Natuurlijk is ook biomassa nodig. Daar gaat het niet om. Ik wil echter het volgende aan het kabinet vragen. De minister komt met een mooie subsidieregeling, de SDE-plusregeling. Het zou zonde zijn als al die middelen die extra op tafel komen en door burgers worden opgebracht, vooral zullen worden ingezet voor het gebruik van biomassa waarmee oude kolencentrales dan veel langer kunnen produceren. Ik noem dat geen innovatieve en vernieuwende duurzame ontwikkeling. Dat het een beetje moet, alla, maar als het een heel grote betekenis gaat hebben binnen dat SDE-pluspakket, dan is dat volgens mij niet de duurzame innovatie waar we voor zouden moeten staan. Mijn volgende vraag betreft toch die grote overcapaciteit aan fossiele energie die we in Nederland aan het creëren zijn. Als ik het zo hoor, dan is de minister daar wel blij mee. Hij zegt dat het aan de markt is om keuzes te maken. Het lijkt me dat hier juist de overheid en de gezamenlijke Europese overheden gericht zullen moeten kiezen hoe ze de energiemarkt gaan reguleren en hoe ze ervoor gaan zorgen dat we alle belangrijke maatschappelijke doelstellingen realiseren en we straks niet een markt hebben waarop ongelofelijke hoeveelheden kolenenergie geproduceerd worden, wat op dit moment het geval lijkt te zijn.

Minister Kamp:

Dat laatste is in mindere mate het geval dan mevrouw Vos denkt. We hebben tussen de 60% en 70% productie van elektriciteit door middel van gas. Er is in Nederland dus geen massieve kolenproductie. Er zijn wel veranderingen gaande in de wereld als gevolg van het schaliegas dat in Amerika beschikbaar is. Daardoor gaan er minder kolen daarnaartoe en is er meer van beschikbaar. Dat komt elders op de markt en de prijs gaat naar beneden. Op een gegeven moment zal de gasprijs zich weer stabiliseren. Dat zal dan ook weer effect hebben op kolen. Wij kunnen natuurlijk zelf regels maken voor kolen. Dat doen we ook. Die hebben we ook. Er zijn niet alleen milieuregels, maar op dit moment is er ook nog een kolenbelasting. Er wordt dus zeker niet kritiekloos naar kolen gekeken.

Ik denk echter niet, zoals mevrouw Vos, dat de oplossing wat betreft de elektriciteitsproductie is dat de overheid alles gaat reguleren. We hebben er destijds juist voor gekozen om daarvoor markten te laten ontstaan. Daar mogen we ook blij mee zijn. De bedrijven zijn van de overheden overgenomen, waardoor er heel veel geld voor overheden beschikbaar is gekomen. Vervolgens hebben bedrijven besloten om al dan niet te investeren en, als ze gingen investeren, om dat in kolen, gas of iets anders te doen. Dat maken ze allemaal zelf uit. Het gevolg van al die door bedrijven genomen beslissingen is dat we op dit moment geen capaciteitsprobleem hebben in Nederland. We hebben capaciteit over. Er komt zelfs nog meer capaciteit beschikbaar, weliswaar niet zo veel als mevrouw Vos zei, maar er is wel te veel capaciteit. Dat geeft dan weer de mogelijkheid om er keuzes in te maken en om ontwikkelingen te beïnvloeden. Ik denk dat we er erg blij mee moeten zijn.

We zitten dus in de luxe positie dat we hebben wat nodig is, dat we bij kunnen sturen en dat we er ook nog eens in SER-verband met elkaar over kunnen praten hoe dat het beste kan worden gedaan. Uiteindelijk blijft overeind dat de eindbeslissingen over de elektriciteitsproductie niet door de overheid moeten worden genomen maar door de partijen die het geld in de productie steken. Uit de ontwikkelingen van de laatste jaren blijkt dat dit de goede keuze is geweest.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Eén vraag dan nog. Ik voorzie ten minste één groot probleem. Een enorme hoeveelheid goedkope kolen uit de Verenigde Staten komt naar Europa, omdat men daar nu volop in het schaliegas zit en dus die kolen niet nodig heeft. Het komt hier allemaal op de markt. Ik hoor overal dat dit ertoe leidt dat energieproducenten denken: ha, lekker goedkoop, ik ga mijn kolencentrales weer eens even flink laten draaien. En ik hoor dat gascentrales op dit moment eerder worden afgeschakeld. Kortom, we komen in een situatie dat uiteindelijk toch de goedkoopste brandstof wordt ingezet om maar lekker elektriciteit te produceren, met alle gevolgen voor het milieu van dien. Op dat punt zeg ik: hier moeten de overheden in Nederland en Europa ingrijpen, hier moet iets gebeuren. Wat gaat de minister doen om ervoor te zorgen dat die ontwikkeling niet doorzet? Gaat hij de kolenbelasting verder verhogen? Gaat hij een flinke impuls geven aan het emissierechtensysteem, samen met zijn Europese collega's? Ik acht dit een ongewenste ontwikkeling. De markt zelf corrigeert het nu niet. De markt zelf neemt volgens mijn fractie verkeerde beslissingen.

Minister Kamp:

Die laatste conclusie deel ik niet. Mevrouw Vos vroeg wat wij eraan gaan doen. Als je elektriciteit produceert met kolencentrales, zeker met oude kolencentrales, dan stoot je zeer veel meer CO2 uit dan als je energie produceert met gascentrales, zeker met de moderne gascentrales die in Nederland beschikbaar zijn en de komende tijd nog extra beschikbaar komen. Om dat goed te laten functioneren, moeten de goede keuzes worden gemaakt, ook vanuit milieuoogpunt. Wat betreft de productietechniek is het belangrijk dat er een goed Europees systeem voor handel in CO2-rechten is: het ETS, het European Trade System. Dat moet goed functioneren. Ik ben van mening dat een scherpe CO2-doelstelling, ondersteund door een goed werkend Europees handelsstelsel, de beste lijn is. Op dit moment is de prijs voor de CO2-rechten te laag. Het ETS functioneert niet goed. Daarom zal Nederland Europees Commissaris Oettinger sterk ondersteunen in zijn streven om het ETS wel goed te laten functioneren. We zetten ons daarvoor in bij de Europese Commissie. We zetten ons daarvoor in bij de landen in onze omgeving, onze buurlanden. We zullen dat ook in Europees verband, met de 27 landen van de Europese Unie gezamenlijk, nastreven. We willen onze doelstelling voor duurzame energie voor 2020 halen. We willen ook dat de toekomstige doelstellingen zo veel mogelijk op CO2 worden gericht, en andere doelstellingen eventueel ondersteunend daaraan. We zullen het vanuit de overheid ertoe leiden dat de elektriciteitsproductie in de toekomst zodanig zal zijn dat die ook voor mevrouw Vos aanvaardbaar zal zijn. Dat betekent een groter aandeel duurzame energie. En voor zover de fossiele brandstof wordt aangewend, zullen we dat zodanig doen dat de CO2-uitstoot daarvan zo laag mogelijk is. Dat is het streven van het kabinet en dat doet het met grote overtuiging.

Mevrouw Vos is volgens mij te kritisch en te somber over de SDE-plusregeling. Zij denkt dat die regeling zal inhouden dat wij vooral biomassa gaan ondersteunen, maar dat is echt niet het geval. De SDE-plusregeling ziet er juist op dat iedereen die initiatieven heeft die mogelijkheden mag aandragen, of dat nu gaat om energieopwekking door het gebruik van het inkomende en uitgaande water van de Oosterschelde of om vergisting, aardwarmte, windmolenparken of zonne-energie. Op grond van die aanvragen kunnen wij besluiten om subsidie toe te kennen. Die regeling houdt in dat wie het minste geld nodig heeft, de grootste kans krijgt op subsidiëring.

Mevrouw Vos zegt dat dit ertoe zal leiden dat het geld vooral naar biomassa gaat. Dat is vorig jaar, in 2012, niet gebleken. Dit jaar zijn wij ook met de eerste ronde van de SDE-plusregeling aan de gang en daaruit blijkt dat er 105 grote zonneprojecten zijn voorgesteld, 3 grote windmolenprojecten, 21 vergistingsinstallaties, 25 biomassaketels en 12 geothermieprojecten. Er blijkt een heel breed scala aan voorstellen te zijn gedaan. Wij zien hetzelfde beeld als vorig jaar. Wij hebben inmiddels voor 1,3 miljard euro aan projecten voorgedragen gekregen. Dat betekent dat er nog 1,7 miljard euro in de loop van dit jaar kan worden vergeven. Wij hebben er vertrouwen in dat ook bij het resterende deel van de 1,7 miljard euro een breed scala aan voorstellen zal worden gedaan, zodat wij de komende jaren veel innovatie en kostenbeheersing krijgen en een bredere duurzame-energieopwekking, waardoor wij minder kwetsbaar zijn als er op onderdelen tegenvallers zijn.

Mevrouw Vos zegt dat er een tekort aan duurzame energie in Europa wordt voorzien. Ik zie dat nog niet direct. Zweden zit al bijna aan 50% duurzame energie, in Duitsland gaat het snel vooruit evenals in Nederland: in zeven jaar tijd van 4% naar 16% als het gaat zoals wij wensen. Dat betekent dat er flinke groei zit in de duurzame energie. In Duitsland is het zelfs zo dat er op de dagen waarop de zon schijnt en het waait, meer duurzame energie wordt geproduceerd dan het hele land, alle huishoudens, bedrijven en instellingen, met elkaar kunnen consumeren. Uit de zon en de wind komt dan in Duitsland meer dan de totale vraag. In Duitsland houdt men ook een aantal centrales draaiende, dus dat betekent dat er vaak een forse overproductie is in Duitsland. Die elektriciteit wordt dan afgezet in de buurlanden en dat gaat regelmatig voor een negatieve prijs. Zij produceren die stroom, zij leveren die uiteindelijk aan Polen, Tsjechië of Nederland en zij moeten er ook nog geld bijleggen.

Er is op het punt van duurzame-energieproductie heel veel gaande in Europa. Wij zullen met elkaar moeten proberen om dat in goede banen te leiden en vooral om de manier waarop wij stimuleren realistisch te laten zijn. In Duitsland heeft men op dit moment al voor 600 miljard euro subsidie voor duurzame energie gegeven. Dat zijn bedragen die uiteindelijk door de afnemers van die energie moeten worden opgebracht. Het is heel verstandig om niet alleen te kijken naar duurzame energie, maar ook naar de portemonnee van de mensen die dat allemaal moeten opbrengen. Dat is precies wat wij doen met onze SDE-plusregeling. Wij proberen duurzame energie breed gevarieerd, toekomstgericht maar voor een zo laag mogelijke prijs te realiseren. Ik hoop dat ik voldoende ben ingegaan op de innovatie. Juist door de SDE-plusregeling kom je aan bod voor subsidie als je innoveert en voor lage kosten duurzame energie kunt produceren. Daarvan gaat een enorme prikkel uit voor innovatie. Onze SDE-plusregeling staat innovatie niet in de weg. Integendeel: onze SDE-plusregeling is juist één grote innovatiemachine.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Het is goed om te horen dat de minister zegt dat er heel breed en op heel veel wordt ingezet. Kan hij voor deze Kamer inzichtelijk maken hoe hij de inzet van de SDE-plusgelden ziet voor de komende jaren tot aan 2020 en hoe hij anticipeert op innovatie op dat vlak? Voor het bedrijfsleven is het van groot belang dat er duidelijkheid komt over de stappen en het pad dat het kabinet bewandelt bij de inzet van deze SDE-plusgelden. Kan de minister het inzicht in die stappen verstrekken?

Minister Kamp:

Zeker. Wij hebben al aangegeven hoe wij die 16% willen bereiken en hoe volgens ons de verdeling over de verschillende vormen van duurzame energie eruit zal zien. Die informatie is al een keer bij de Kamer gekomen. Ik ben graag bereid om ieder jaar bij de begroting inzicht te geven in de ontwikkeling. Ik kan alleen niet voorspellen wat het in 2014, 2015 of 2016 gaat worden, omdat het juist de bedoeling is dat er met innovatie allerlei nieuwe dingen opkomen. Er kunnen dus verschuivingen plaatsvinden. Biomassa kan bijvoorbeeld minder interessant worden en wind op zee interessanter of er kunnen vernieuwingen bij aardwarmte zijn, waardoor wij die beter kunnen benutten. Hoe wij uiteindelijk het SDE-plusgeld gaan besteden, hangt dus af van de resultaten van de innovatie en de voorstellen die worden gedaan. De hoofdlijn voor de periode tot 2020 heb ik al geschetst. Jaarlijks doe ik verslag aan de Kamer over de ontwikkelingen. Als ik een trend bespeur die interessant is voor de Kamer, zal ik zeker niet nalaten om die bij de begroting aan de Kamer te melden.

Het bedrijfsleven stelt zeer op prijs dat wij een concreet doel voor 2020 hebben neergezet, dat wij daar het geld bij hebben gelegd en dat wij nu samen in SER-verband proberen breed gedragen afspraken over het energieakkoord te maken.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

De minister kan wel degelijk op basis van alle kennis over ontwikkelingen op duurzame-energiegebied aangeven wat de verwachtingen zijn, welke vormen van duurzame energie zich zullen ontwikkelen in de komende jaren, hoe hij daarop SDE-plusgelden zal inzetten en welke innovaties hij verwacht. Daarnaast vind ik het een belangrijk punt dat hij ook aangeeft dat hij SDE-plusgelden, die bijvoorbeeld in een beginfase hard nodig zijn, gaat afbouwen voor bepaalde ontwikkelingen als die vrijwel rendabel zijn. Volgens mij kan de minister net iets meer bieden dan wat hij net heeft gezegd, namelijk om het van jaar tot jaar te bekijken.

Minister Kamp:

Ik kan het niet anders zeggen dan ik het heb gezegd. Voor zover wij nu informatie hebben over hoe de mix eruit zal zien, heb ik die gegeven. Dat is doorgerekend door het Planbureau voor de Leefomgeving en het ECN. Ik kan het niet mooier maken dan dat. Ik kan van jaar tot jaar aangeven hoe het zich in de praktijk ontwikkelt. Ik kan niet voorspellen wat de innovatie de komende jaren zal zijn, maar als ik daarin een trend bespeur, zal ik de Kamer dat zeker laten weten. Met de hoofdlijn die wij al hebben gegeven, met de informatie van jaar tot jaar en met mijn bereidheid om trends aan te geven, informeer ik de Kamer volgens mij optimaal.

De heer Koffeman (PvdD):

Ik ben blij met de optimistische geluiden die de minister laat horen op het gebied van duurzame-energieontwikkeling, maar gisteravond zei professor Rotmans in Tegenlicht dat wij in de lijst van 25 landen die zich bezighouden met duurzame-energieontwikkeling en innovatie op dat gebied, de laatste plaats innemen. Dat is toch niet acceptabel of in lijn met wat minister Kamp net zei, namelijk dat wij zo'n geweldige voorhoedepositie nastreven?

Minister Kamp:

Stel dat wij de slechtste zouden zijn, dan is het heel goed dat wij nastreven om het beter te gaan doen. Dat lijkt mij op zichzelf prima. Wij zijn natuurlijk niet de slechtste. Als voorbeeld noem ik wind op zee, een van de grote vernieuwingen van de laatste jaren. We krijgen dus elektriciteit die op zee wordt geproduceerd. We hebben daar op land geen last van, maar we kunnen er wel van profiteren. Er staat geen windmolen op zee of de mast komt uit Nederland. De verdeelkap die erbovenop zit, komt ook uit Nederland. Ik denk dat een kwart van alle investeringen in heel Europa in windmolenparken op zee uit Nederland komt. De machines die in China zonnecellen produceren, komen uit een fabriek in Vaassen. Op het punt van innovatie is er dus een enorme power in Nederland. Onze hightech industrie heeft breed gezien een sterke positie in de wereld. Dat blijkt uit het feit dat Nederland de vijfde exporteur ter wereld is. We innoveren, we hebben een grote concurrentiekracht en we kennen een hoge arbeidsproductiviteit. Het verhaal dat wij het slechtste jongetje van de klas zijn, is bij mij aan dovemansoren gericht.

De heer Koffeman (PvdD):

De minister probeert het nu te beredeneren. Maar mocht het zo zijn dat de gegevens van professor Rotmans objectief zijn en ik stuur ze hem toe, dan wil hij daar nog eens naar kijken?

Minister Kamp:

Ik kijk en luister naar iedere professor die wat zegt of schrijft. Als daaruit voor ons iets te leren is, zullen we dat zeker niet nalaten. Dat is juist het kenmerk van de Nederlandse overheid: we kijken naar de dingen die niet goed gaan, die we proberen te verbeteren. Daardoor heeft Nederland een heel hoog voorzieningenniveau. Ik noem als voorbeeld de leveringszekerheid van elektriciteit. Waar andere landen te weinig capaciteit hebben, hebben wij te veel capaciteit. Waar andere landen vaak uitval hebben, hebben wij juist voortdurend gegarandeerde levering van gas en elektriciteit, waar andere landen vaak voor een groot deel afhankelijk zijn van vloeibaar gemaakt aardgas hebben wij een leidingnet waarop ieder huishouden in Nederland is aangesloten. Ons elektriciteitsnet en ons gasnet zijn bijna perfect, en 95% van de Nederlanders is aangesloten op internet. Laten we ook kijken naar wat we al bereikt hebben en laten we vanuit een positie van kracht de dingen die nog beter moeten gaan aanpakken.

Mevrouw Vos wees op de initiatieven wat lokale energie betreft. De coöperaties van burgers moet je stimuleren en de saldering moet ruimhartig worden ingevuld. Met mevrouw Vos vind ik dat de lokale energieopwekking en de betrokkenheid daarbij van burgers van groot belang is. Daarmee produceer je immers ook weer duurzame energie, maar je kunt de mindset van mensen veranderen: ze zijn bezig met energie, energiebesparing en kostenbeheersing en willen daaraan zelf een bijdrage leveren. Ik sta dus zeer positief tegenover lokale energieopwekking. In het regeerakkoord staat ook dat we dat gaan bevorderen; mevrouw Vos refereerde daaraan. Ik heb met de SER de volgende afspraken gemaakt. Al ons voorwerk hebben we gedeeld met de SER, die nu bekijkt hoe een mogelijk akkoord eruit kan zien en hoe de lokale energie daarin een plaats kan vinden. Ik denk dat het netjes is om dat nu af te wachten en ruimte te bieden aan de SER.

Mevrouw Vos liet zich positief uit over warmte. Als je elektriciteit produceert, komt daar warmte bij vrij die vaak verloren gaat. Dat is waar, maar dat geldt voor een auto, airco of verwarming. Gelukkig hebben we in ons land veel warmtekracht. We kunnen dan gelijktijdig van een installatie de elektriciteit en de warmte gebruiken. Dat zou eerder meer dan minder moeten, wat ik zeer met mevrouw Vos eens ben. Maar zij weet ook dat, als je in Groningen warmte produceert, je die niet naar de Randstad kunt brengen. In de buurt van Assen is de warmte dan inmiddels wel verdwenen. Je moet proberen de warmte in te zetten op de plaats waar ze geproduceerd wordt. Wij zorgen ervoor dat de mogelijkheden optimaal worden benut en we proberen meteen te verkennen hoe met nieuwe technieken het gebied waarover de warmte kan worden benut, kan worden vergroot. Ik ben zeer gemotiveerd om de warmtemogelijkheden alle aandacht te geven. Vandaar dat in de SDE-plusregeling warmte is opgenomen, naast elektriciteit en gas.

Als liberale politicus zou het misschien beter zijn om het wat meer oneens te zijn met mevrouw Vos, maar dat lukt me ook niet op het punt van energiebesparing. Zij wenst de 1,5% energiebesparing gerealiseerd gezien, waarbij zij het energielabel noemt. Ik ben het zeer met mevrouw Vos eens dat we die 1,5% moeten gaan realiseren, al was het maar omdat het in de Europese richtlijn staat. Wij werken er hard aan om dat voor elkaar te krijgen. Op het punt van energiebesparing hebben we met name in de industrie al veel gedaan. Weer 1,5% daarbovenop leggen is nogal wat. Van alles op dit terrein vind ik energiebesparing het meest aantrekkelijk en wezenlijk. Ik ben zeer gemotiveerd om de uitdaging die in de Europese richtlijn zit, om te zetten in beleid.

Mevrouw Vos wil daar het energielabel graag bij betrekken. Iedereen in Europa heeft dat volgens haar voor elkaar, behalve Nederland. Dat was, denk ik, een grapje van mevrouw Vos, want er zijn maar drie landen in Europa die de richtlijn op het punt van energiebesparing al helemaal hebben ingevoerd in hun wet- en regelgeving. Een daarvan is Zweden, dat dat ook nog eens zonder sancties heeft gedaan. Juist dat land lijkt het meest succesvol. Wij gaan door met het energielabel. Het vorige kabinet heeft al een voorstel gedaan aan de Kamer om het energielabel te implementeren, maar helaas heeft de Tweede Kamer dat verworpen, zodat het de Eerste Kamer niet heeft bereikt. We zullen met nieuwe voorstellen komen en we zullen er daarbij voor zorgen dat van ervaringen elders in Europa optimaal wordt geprofiteerd. Ik denk dat energiebesparing in de bebouwde omgeving, waarvoor het energielabel een hulpmiddel is, de aandacht verdient waarom mevrouw Vos vraagt. In het kader van het SER-akkoord is daarvoor grote aandacht, ook vanuit het ministerie van Wonen en Rijksdienst. Er is al een initiatief voor een fonds genomen. We zijn aan het kijken waar we de regelgeving kunnen veranderen om dat proces te ondersteunen. Ik ben ervan overtuigd dat energiebesparing in de bebouwde ruimte, met gebruikmaking van het energielabel, een belangrijk onderdeel van het SER-akkoord zal gaan worden, aannemende dat dat akkoord tot stand zal komen.

Mevrouw Vos geeft aan dat dat een impuls kan geven aan de bouwmarkten. Dat ben ik met haar eens. Als we erin slagen om daar tot een opzet te komen waardoor je via veranderingen in gebouwen en een andere manier van omgaan met energie in woon- en andere gebouwen tot besparingen kunt komen – daar zit heel veel werk aan vast – dan kunnen we dat in deze tijd heel goed gebruiken.

De voorzitter:

Hoelang denkt u nog nodig te hebben?

Minister Kamp:

Ik ben bijna klaar.

Wij nemen op dit moment geen initiatieven wat schaliegas betreft. Ik ben van plan om schaliegas – dat is eigenlijk gewoon gas, maar het zit in een andere steensoort – zakelijk te gaan beoordelen. Als we het gaan winnen, gaan we eerst kijken wat de effecten daarvan zijn, welke risico's er zijn en hoe je die kunt beperken. Als we dat in beeld hebben en als we denken dat proefboringen verantwoord mogelijk zijn, dan gaan we proefboringen mogelijk maken. Als dan blijkt dat er gas is, dan kunnen we op grond van alle informatie die we dan verzameld hebben besluiten of we het gaan doen. We hebben in ons land al heel veel conventioneel gas beschikbaar. Schaliegas is daar een interessante aanvulling op, maar niet meer dan dat. Schaliegas komt namelijk in veel kleinere hoeveelheden uit de winningsputten. Ik denk aan een verschil tussen 30.000 kuub per dag en een miljoen kuub per dag. Het gas levert per jaar naar schatting 2 tot 4 miljard kuub op, terwijl wij op dit moment een productie van 50 miljard kuub aan conventioneel gas hebben. Het is interessant maar in de dagelijkse praktijk in de Nederlandse situatie veel minder interessant dan sommigen denken.

Mevrouw Vos sprak over de motie van mevrouw Strik. Zij vindt de reactie van het kabinet op die motie nogal mager. Dat ben ik niet met haar eens. Met die motie vroeg mevrouw Strik om inzicht in de energiezaken in Nederland. Wij hebben dat niet alleen in woorden maar zelfs in cijfers heel nauwkeurig aangegeven. Mevrouw Vos heeft daaraan een heleboel andere vragen gekoppeld. Zij vraagt hoe wij de capaciteit van fossiele energieproductie zien. Zij sprak over overcapaciteit, over de verhouding tussen de opwekking van duurzame energie en de opwekking van fossiele energie. Hoe past schaliegas daarin? Hoe passen kortingen op de rekeningen van grootverbruikers daarin? Zij sprak ook over de glastuinbouw. Als uit de tweede termijn blijkt dat mevrouw Vos wil dat ik op al haar vragen inga, zal ik dat met alle plezier doen. Het zal een halfuurtje kosten om die vragen de aandacht te geven die zij verdienen. Samenvattend wil ik in algemene zin zeggen dat wij ervan overtuigd zijn dat wij in Nederland het accent moeten verschuiven van fossiele energie naar duurzame energie, dat wij alles uit de kast halen om dat zo snel en zo grondig mogelijk te doen en dat wij dat heel graag doen in internationaal verband en wel zodanig dat wij onze werkgelegenheid niet aantasten. Het heeft geen zin dat wij allerlei maatregelen nemen waardoor de fabrieken naar andere landen verdwijnen, de productie gewoon doorgaat en de mensen in Nederland werkloos worden. Wij proberen het zowel in nationaal als in internationaal verband zodanig te doen dat het én voor het milieu én voor de energiezekerheid én voor de werkgelegenheid met elkaar in balans is.

Ik kijk even of er nog andere dingen zijn, voorzitter. Mogelijk kan mijn bijdrage in eerste termijn voldoende zijn. Ik ben blij dat de jarige staatssecretaris vandaag ook aanwezig is om de andere onderwerpen te bespreken.

De voorzitter:

Misschien dat zij nog net binnen haar verjaardag antwoord kan geven op de resterende vragen.

Staatssecretaris Dijksma:

Voorzitter. Dat is een bijzondere ambitie die u mij voorlegt. Ik wil natuurlijk graag proberen om daaraan tegemoet te komen. Ook ik wil de medejarige feliciteren.

Ik wil mijn beantwoording in vier blokjes vormgeven. Allereerst de toekomst van de landbouw, inclusief schaalgrootte, mestbeleid en de PAS. Verschillende leden hebben daarover vragen gesteld. Het tweede blokje betreft de discussie over dierenwelzijn. Daarbij komen ook ingrepen en dergelijke aan de orde. Het derde blokje gaat over voedsel en over het vertrouwen in voedsel, en last but not least wil ik ingaan op het natuurbeleid.

Gezien de tijd lijkt het mij verstandig om lange inleidingen achterwege te laten. Ik wil wel een paar opmerkingen maken over hoe u het beleid voor de komende jaren moet zien. Nederland is een grote speler bij de export van agroproducten. Wij zijn na de Verenigde Staten maar liefst de tweede exporteur ter wereld. Ik ben daar trots op. Dat zal niet iedereen zijn, maar ik vind het wel fair om dat hier in uw midden te zeggen. Het is niet vanzelfsprekend dat wij dat zijn en blijven. Verschillende leden hebben terecht aangegeven dat wij voor een aantal flinke vraagstukken staan in een moeilijke economische situatie. De vraag is wat onze ambitie is. Je kunt een wereldspeler willen zijn op het gebied van export, maar wij willen ook graag een wereldspeler zijn op het gebied van verduurzaming van de agrosector. De sector moet werken aan groene groei met een sterke maatschappelijke binding en borging. Daarbij hoort verduurzaming van de productie, oog voor mens, dier, natuur en milieu. Wij moeten die verduurzaming ook echt concreet gaan invullen. Dat kunnen wij bijvoorbeeld doen met hulp van de vergoeding van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, door terugdringen van het antibioticagebruik en door verbetering van het dierenwelzijn. Dat zijn flinke uitdagingen, maar wel uitdagingen waarvan ik denk dat wij die aankunnen.

De heer Koffeman heeft gevraagd of wij bereid zijn om het marktaandeel van het biologisch areaal verder te formuleren en of wij stimulansen willen invoeren om doelen op dat terrein te bereiken.

Verduurzaming is echt een belangrijke opgave voor zowel het kabinet als voor de sector. Wij zien gelukkig dat het marktaandeel van de biologische sector sterk groeit. Ook in Europees verband wordt de biologische sector steeds meer geïntegreerd in een marktgerichte benadering. Wij moeten bijvoorbeeld via de topsectoren inzetten op verdere groei. Daarover overleggen wij met de sector en wij zullen extra onderzoeksmiddelen inzetten om dat voor elkaar te krijgen.

Mevrouw Vos vroeg naar de stand van zaken rondom de PAS. Uw Kamer wacht al heel lang op het wetsvoorstel. Het is hard nodig dat het er komt. Het is onze ambitie om de PAS op 1 januari te laten ingaan. Misschien mag ik bescheiden vragen om uw hartelijke medewerking in dezen want dan zou dat misschien kunnen lukken? Wij hebben recentelijk nog bestuurlijk overleg gehad met de provincies en de waterschappen en wij hopen voor de zomer het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer te kunnen indienen. Ondertussen vraagt mevrouw Vos zich af of de Programmatische Aanpak Stikstof de juiste antwoorden geeft op de problemen van vandaag. Zij vroeg of niet te veel schade gewoon doorloopt. De PAS leidt tot een landelijke daling van de stikstofuitstoot. Daardoor ontstaat ontwikkelruimte. Wij willen het land niet op slot zetten, want dan hebben wij een groot probleem. De PAS heeft niet als doel dieraantallen te reguleren. Ik zal straks nog ingaan op de vragen over de schaalgrootte. De PAS is bedoeld om stappen vooruit te zetten die gericht zijn op natuurdoelen, op een substantiële daling van de stikstofuitstoot en op slimme herstelstrategieën. Er wordt ook ontwikkelruimte geboden aan ondernemers, maar die is wel begrensd. Ik verwacht dat dit wetsvoorstel wel degelijk een belangrijke rol kan spelen op dit onderwerp.

Een aantal leden heeft gesproken over een tweetal andere indringende onderwerpen: de schaalgrootte en mestproblematiek. Ik wil niet zeggen dat zij mij met deze onderwerpen in staatsrechtelijke verwarring brengen, maar wel in een wat lastige positie. Ik heb namelijk de Tweede Kamer beloofd om de komende maanden met een voorstel te komen voor deze twee onderwerpen en dat eerst daar te bespreken. Ik hoop dat de Kamer het mij niet kwalijk neemt dat dit nog niet in de begroting zat die inmiddels feitelijk in werking getreden is. Ik wil de tijd tussen de afgelopen maanden en nu gebruiken om mij echt te kunnen verdiepen in dat onderwerp. Het debat in de Tweede Kamer over de mestwetgeving is al een stukje gevorderd. Ook hier in deze Kamer komt een wetsvoorstel op dat terrein in discussie. Niet de omvang van de veestapel, maar het realiseren van de Europese milieunormen staat voorop. Wij streven naar verplichte mestverwerking voor alle veehouders met een overschot. Het realiseren van mestverwerking is eigenlijk een voorwaarde voor verantwoorde groei. Dat is dus een collectieve opgave voor de sector. Als die mestverwerking niet voldoende van de grond komt, is sturing door middel van dierrechten nodig. Daarover neem ik eind van dit jaar een besluit, mede op basis van ex-antebeleidsevaluaties ex ante die het Planbureau voor de Leefomgeving zal uitvoeren. Het systeem is zodanig vormgegeven dat wij daarmee de sector de gelegenheid bieden om via mestverwerking de milieudoelen te halen. Wij hebben echter ook een stok achter de deur. Op het moment dat men de afspraken niet nakomt, moeten wij onze verantwoordelijkheid nemen en zelfstandig via die rechten het beleid gaan organiseren. Dat is op één punt alvast een vooruitblik.

Dan het punt van de schaalgrootte. Daarover zijn in de schriftelijke vragen duidelijke vragen gesteld. De heer Reuten noemde de beantwoording "wat omzichtig". Ik hoop dat hij niet bedoelt dat hij geen antwoord kreeg. In april of mei van dit jaar zal het kabinet zijn reactie op het rapport van de Gezondheidsraad naar de Tweede Kamer sturen. Daar zal ook de discussie gevoerd worden over een gebied als de Peel en de verantwoordelijkheden van provinciale besturen in relatie tot de gezondheid van omwonenden en maatschappelijke acceptatie van de intensieve veehouderij. Het lijkt mij goed om daarop niet vooruit te lopen. Ik ga ervan uit dat wij die discussie voluit zullen voeren.

Ik kom als vanzelf bij het blokje dierenwelzijn. De heer Koffeman heeft daarover concrete vragen gesteld. Hij heeft gevraagd wat ik ga doen op het punt van de ingrepen bij dieren. Hij noemde in dat verband het jaartal 2021 en sprak de verwachting uit dat het veel eerder geregeld zou zijn. Zoals bekend, heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen met het verzoek om de zaak naar voren te halen. Dat overleg met de sector loopt. Ik ben dat overleg gestart. Ik verwacht zeer binnenkort met nieuws daarover te komen. Op grond van de Wet dieren zal ik met een regeling komen voor de beperking van de ingrepen bij dieren. Dat punt komt dus vanzelfsprekend nog terug. Ik heb heel goed het signaal begrepen van een meerderheid van de Kamer dat 2021 gevoelsmatig gelijk staat aan sint-juttemis. Daarop wil men niet wachten; het moet eerder. Met die boodschap ben ik op pad gegaan.

De heer Koffeman vraagt waarom er nog steeds internationale dierentransporten plaatsvinden. Nederland is een groot voorstander van beperking van het transport van dieren tot acht uur. Ik heb dat al meermalen sinds mijn aantreden bij de Landbouwraad en de Europese Commissie aan de orde gesteld. Helaas is er nog geen meerderheid voor dit standpunt in de Europese Unie. Dat neemt niet weg dat wij op dat onderwerp gewoon blijven doorzetten en ervoor zorgen dat het op de agenda staat.

In relatie tot de diertransporten noemde de heer Koffeman specifiek kippen, maar hij had ook andere diersoorten kunnen noemen. Bij de diertransporten is borging van dierenwelzijn het uitgangspunt. Dat is nadrukkelijk de verantwoordelijkheid van transporteurs. Eigenlijk is het systeem nu zo geregeld dat de NVWA controleert op dat systeem van de transporteurs. Daarmee kunnen zij in principe risicogericht handhaven. Ik heb al eerder gezegd dat indien blijkt dat deze kwaliteitssystemen niet functioneren, wij daarvoor verantwoordelijkheid zullen moeten nemen. Dat kan betekenen dat de controle niet meer bij de sector zelf zal liggen, maar bij de overheid. Dat is zeker een optie, maar wel gebaseerd op de plaats waar de grootste problemen zitten, want: if it ain't broke, don't fix it.

Het punt van de antibiotica schaar ik ook maar even onder dierenwelzijn, hoewel de noodzaak van het terugdringen van het antibioticagebruik in de veterinaire sector heel veel te maken heeft met volksgezondheid en met resistentie. De doelstelling is 70% reductie in 2015 ten opzichte van het jaar 2009. Eigenlijk is al voldaan aan de reductiedoelstelling voor dit jaar. Die was 50% ten opzichte van 2009. Ik ben dus minder somber dan de heer Koffeman vond dat ik moet zijn. Ik vind dat grote stappen gezet worden op dat dossier. Inmiddels weten wij dat de sector bereid is om lijsten met veelgebruikers te overleggen aan de NVWA. Daarmee kunnen we nog beter vormgeven aan het risicogericht handhaven. De heer Koffeman stelt op termijn een antibioticavrije productie voor. Ik moet daarover eerlijk zijn: dat is een illusie. Net als bij mensen kunnen dieren ziek worden. Er zal altijd, ook in de toekomst, antibiotica gebruikt worden om ziektes te bestrijden. Nu wordt echter soms op voorhand antibiotica gebruikt. In het terugdringen daarvan worden grote stappen gezet. Dat geldt ook voor het bestrijden van illegale handel en toediening. Ik kan een halfuur uitweiden over wat er op dat punt gebeurt, maar dat zal ik niet doen. In elk geval wordt met het OM flink aan de weg getimmerd, wat recentelijk is gebleken uit acties die ook in de media kwamen.

Ik kom te spreken over het volgende blokje: voedsel. De heer Reuten heeft gevraagd of Nederland nog een leidende rol wil spelen in het verbeteren van de wereldvoedselvoorziening. Het antwoord op die vraag is: ja, heel graag. Eigenlijk doet Nederland veel meer dan menigeen weet. Nederland is een belangrijke partner van de VN voedsel- en landbouworganisatie en speelt een grote rol in de verdere ontwikkeling van de uitvoering van mondiale afspraken. Een van de onderwerpen is de climate smart agriculture. We proberen echt om zuinig om te gaan met grondstoffen en om maximalisatie van de oogst verder aan te jagen. Samen met andere landen wordt als aanjager opgetreden. Van 9 tot 13 september wordt via de Global Ocean Actions Summit in Den Haag de rol van oceanen voor de voedselzekerheid en de duurzame economische groei nadrukkelijk op de kaart gezet. Vanzelfsprekend kan een delegatie uit uw midden daarbij aanwezig zijn. Dat wordt een heel bijzonder spektakel. We zetten graag de Nederlandse kennis en kunde van ons agrarisch bedrijfsleven en onze kennisinstellingen in. De topsectoren tuinbouw en uitgangsmaterialen maar ook agro en food hebben de ambitie om aan verduurzaming van de ketens wereldwijd bij te dragen.

De heer Koffeman heeft gevraagd wat ik wil en kan doen om de vleesconsumptie te verminderen. Hij sprak in dit verband over een taboe. Dieetpatronen en keuzes zijn en blijven een verantwoordelijkheid van consumenten. In de eerdere debatten heb ik gezegd dat wij twee dingen tegelijk moeten doen. Vanuit de westerse wereld ligt er de opgave om verantwoordelijkheid te nemen voor een zorgvuldig gebruik van grondstoffen. We willen echter ook in de zeer nabije toekomst 9 miljard monden voeden. Die twee dingen moeten samen kunnen gaan. Ik heb eerdere voorstellen voor een vleestaks afgewezen omdat ik oprecht niet geloof dat je daarmee mensen kunt overtuigen. Als je vindt dat mensen moeten overwegen om eens een dag iets anders te eten, dan moet je ze intrinsiek overtuigen aan de hand van informatie. Dat verschilt echt van het afdwingen met negatieve prikkels. Het debat daarover moeten wij voeren en ik vind het verstandig om dat op deze manier te doen.

De heer Koffeman heeft terecht, onder verwijzing naar de recente discussie over de fraude met paardenvlees – of rundvlees; het is maar hoe je het wilt zien – erop gewezen dat het hard nodig is dat burgers vertrouwen in de overheid. Ik zou daaraan toevoegen: en in de voedselketen als geheel. Wij hebben een aantal maatregelen aangekondigd om de fraudeurs aan te pakken. Ik noem: hogere boetes, effectievere controle en grotere inzet van bestuurlijke maatregelen, waardoor je bedrijven bijvoorbeeld sneller kunt stilleggen. Daarnaast speelt een discussie die veel meer op de lange termijn is gericht, namelijk over de vraag hoe je de voedselketen kunt beschouwen. Waar zitten de zwakke schakels en is daaraan wellicht iets te doen? Om dat laatste te realiseren heb ik samen met het bedrijfsleven de Taskforce voedselvertrouwen ingesteld. Voor de zomer komen wij met een plan van aanpak. Ik hoop oprecht dat dit een bijdrage kan leveren, want dat is zeker nodig; daarover zijn wij het zeer eens.

De heer Koffeman heeft ook gevraagd naar de mogelijkheid om de NVWA zo sterk mogelijk te laten opereren. Hij had daar ook enkele oordelen over. Die laat ik voor zijn rekening, maar ik denk wel dat het van belang is om vast te stellen dat wij moeten inzetten op een efficiënt en adequaat controle- en handhavingsbeleid en dat wij ook opnieuw moeten nadenken over onze handavingsstrategieën. De inspecteur-generaal gaf daar recentelijk nog een voorbeeld van. Op het moment dat je merkt dat er grondstoffen – zoals het zo mooi heet – paardenvlees in dit geval, massaal vanuit een deel van de wereld misschien deze kant op komen, ben je misschien ook nieuwsgierig naar het antwoord op de vraag wat daar dan mee gebeurt. Dit is een nieuwe manier van kijken naar wat er op de voedselmarkt gebeurt, maar hoogstwaarschijnlijk wel een zeer noodzakelijke manier. Wij maken extra middelen vrij. Ook op dit punt geldt dat wij versterkt willen inzetten op bestuurlijke handhaving en op verzwaring van boetes en straffen. Pak de daders, bescherm de slachtoffers: zeker!

Ik kom op het natuurbeleid. Dit kabinet heeft een grote ambitie op het gebied van het natuurbeleid, zoals mevrouw Vos terecht heeft aangegeven, waarbij wij niet steeds over onze schouder willen terugkijken, maar vooral vooruitkijken. Mijn inzet is om te komen tot een robuuste ecologische hoofdstructuur. Misschien kunnen wij het beter een nationaal natuurnetwerk noemen, want dat spreekt meer tot de verbeelding. Verder zetten wij in op het goed beheren en vooral ook aanwijzen van Natura 2000-gebieden. Ik ben voornemens om voor de zomer in drie tranches – eindelijk zeg ik erbij – 90 gebieden aan te wijzen. Wij moeten ook onze slag slaan op het gebied van de biodiversiteit. Als het aan mij ligt doen wij dat slim, samen en snel. Dat kan ook, want wij werken met heel veel partijen aan dezelfde doelstellingen. Wij proberen echt op dit onderwerp een brede coalitie te smeden van partijen die onze inzet delen. Wij organiseren ook een natuurtop. Ik weet niet of u 22 juni vrij hebt in uw agenda, maar u bent van harte uitgenodigd. Daar zullen wij niet alleen maar aan de mensen in het land laten zien hoeveel mooie dingen er gebeuren, maar zullen wij ook met heel veel betrokkenen spreken over het beleid voor de komende jaren, want dat moet een inclusief beleid zijn. Het is geen Haags tekentafelverhaal. Het moet een verhaal van de betrokken mensen zijn.

De waarde van natuur en biodiversiteit is niet altijd in geld uit te drukken. Wij moeten beschermen en beheren, maar ook genieten, zeg ik erbij. Dat laatste delft nog weleens het onderspit. Ik heb zojuist al het een en ander gezegd over de visie die wij hebben op de ecologische hoofdstructuur. Het moet een robuust netwerk zijn. In het regeerakkoord hebben wij het geformuleerd als "een plus". Ik overleg op dit moment met de provincies over de wijze waarop wij dit voor elkaar gaan krijgen.

Mevrouw Vos heeft mij gevraagd hoe het zit met een ander actueel onderwerp, te weten de gedwongen verkoop van grond door Staatsbosbeheer. Er is bij de start van dit kabinet inderdaad weer 200 miljoen bij gekomen, maar de taakstelling voor Staatsbosbeheer lag er nog en die ligt er nog steeds. Die kan door grondverkoop worden ingevuld. Ik ben niet principieel tegen grondverkoop, maar ik ben wel tegen uitverkoop. Staatsbosbeheer heeft voor de eerste tranche gronden in Overijssel een voorstel gedaan. Geen van de gronden die van dit voorstel deel uitmaken, ligt binnen de ehs; dat geldt ook voor de toekomst. Wij gaan ook geen grond verkopen waarvan wij later zeggen dat wij die achteraf gezien misschien nodig hadden gehad om dat robuuste nationale natuurnetwerk te realiseren. Het gaat dus vooral om landschapselementen en over hoekjes; gronden die over waren bij ruilverkaveling. De wettelijke bescherming van de Flora- en faunawet blijft van toepassing. De gemeente is natuurlijk verantwoordelijk voor het bestemmingsplan en de gemeente Hellendoorn heeft mij al laten weten niet van plan te zijn om de bestemming te wijzigen. Dit is wel een politiek en maatschappelijk zeer gevoelig voorstel. Om die reden heb ik in de Tweede Kamer afgesproken dat wij nu alleen de eerste tranche van de verkoop, die al op internet was ingezet, uitvoeren. Daarna gaan wij evalueren wat de verkoop heeft opgebracht op het punt van bestemming en opbrengst. Wij proberen daarmee inzichtelijk te krijgen wat nu het effect is van wat wij doen. Ik ben wel van mening dat wij er niet van kunnen uitgaan dat gronden die verkocht worden, meteen hun natuurbestemming verliezen. Ik merk dat dit nog weleens heel snel gebeurt in het debat. Veel agrariërs en particulieren willen, al dan niet in collectieven, ook gronden verwerven met een groene bestemming als doel. Daar is natuurlijk helemaal niets mis mee. Als wij zeggen dat de natuur van ons allemaal is, kan het niet zo zijn dat dit alleen maar geborgd is wanneer bijvoorbeeld Staatsbosbeheer of een andere terrein beherende organisatie daarvoor verantwoordelijkheid draagt.

Mijn laatste punt betreft de nieuwe Natuurwet. Mevrouw Vos vroeg hoe het daarmee staat. In het regeerakkoord hebben wij opgenomen dat het wetsvoorstel dat nu bij deze Kamer ligt, maar dat controversieel was verklaard, zal worden aangepast. Een aantal onderwerpen is van belang. Wij willen onze internationale doelen en afspraken halen, maar met een echt inhoudelijk doel, namelijk bij te dragen aan de biodiversiteit. Daarnaast geldt dat vermindering van de regeldruk een belangrijk aanknopingspunt is. Ik heb de Tweede Kamer gemeld dat wij de nota van wijziging van het wetsvoorstel zo mogelijk voor de zomer van 2013 zullen toesturen. Daarbij zal ik natuurlijk ook op zoek gaan naar een breed draagvlak. Daarmee zou ik willen eindigen. Er is een initiatief van verschillende partijen, waaronder die van mevrouw Vos, die met een nota zijn gekomen getiteld Mooi Nederland. Het is op zichzelf genomen ontzettend belangrijk dat partijen initiatieven tonen, maar tegelijkertijd zullen wij op zoek moeten naar breed draagvlak voor wetgeving. In dit huis weet u dit volgens mij echt als geen ander. Ik heb onmiddellijk gezegd dat dit mijn doel is. Ik zou dolgraag dat wij de polarisatie op het onderwerp natuurbeleid echt beëindigen. Dit betekent dat wij met een wetsvoorstel voor natuurbescherming naar de Kamer moeten komen waar breed politiek en maatschappelijk draagvlak voor is, zodat wij niet iedere keer zodra er een nieuw kabinet aantreedt, de behoefte hebben om op dit onderwerp met een nieuw wetsvoorstel te komen. Misschien is dat idealistisch. Het is al middernacht geweest, en misschien denkt u nu: wij dromen al een beetje. Maar het zou wel echt geweldig zijn als dit lukt. Daarom doe ik ook op uw Kamer een beroep om gezamenlijk te bezien wat nu de mogelijkheden zijn om dit mooie land te beschermen, om ook ondernemers en anderen daarin een plek te bieden, en te komen tot een robuust natuurbeleid. Dit moet wel zodanig zijn dat komende generaties, in ieder geval ook mijn kleinkinderen, zullen zeggen: zij hebben toen iets goeds gedaan en ze waren het nog met elkaar eens ook. Wat zou dat mooi zijn.

De voorzitter:

Ik kijk nu even naar de collega's. Ik moet u zeggen dat ik een beetje ontstemd ben, in de zin dat wij in deze Kamer de afspraak hebben dat wij beleidsdebatten plannen met bepaalde aantallen: drie in het voorjaar, drie in het najaar. Mij was verteld dat er was gevraagd om een kort debat over de begroting van Economische Zaken. Inmiddels zijn wij meer dan twee uur aan de gang met dit debat, dus dat kun je geen kort debat meer noemen. Bovendien is een van de aanvragers er niet. Deze werd goed vervangen door de heer Reuten, maar het was toch verbazingwekkend omdat mevrouw Vos en de heer Smaling de aanvragers van het debat waren. Gelet op de uitgebreide antwoorden die al in de schriftelijke ronde zijn gegeven en nu ook weer door de minister en staatssecretaris in dit debat, wil ik de Kamer voorstellen om het voor vandaag hierbij te laten. Wij zitten al dertien uur op een stoel, mijn achterwerk is inmiddels een plank. Ik wil niet zeggen dat dit het belangrijkste en doorslaggevende argument is, maar de Arbeidsomstandighedenwet mag hier ook best wel bij worden gehaald. Ik vraag de collega's om hun medewerking, zodat het debat hiermee kan worden afgerond.

De heer Koffeman (PvdD):

Voorzitter. Ik wil graag een motie indienen, wat mij betreft in een derde termijn of op een ander tijdstip.

De voorzitter:

Als de andere collega's ermee instemmen dat er nu nog een motie wordt ingediend, kan daarop nog een korte reactie komen en sluiten wij daarna dit debat. Ik zie dat dit akkoord is.

Mijnheer Koffeman, u kunt nu uw motie indienen.

De heer Koffeman (PvdD):

Voorzitter. Een heel korte introductie op mijn motie. Wij hebben het er al over gehad: het land is echt geschokt door de massaliteit waarmee de voedselvoorziening verdacht is gemaakt. De capaciteit van de NVWA is in de afgelopen jaren drastisch teruggebracht. De staatssecretaris heeft gezegd dat zij de kwalificatie daarvan voor mijn rekening laat. Dat begrijp ik, maar ik wil graag de toezegging van het kabinet dat de NVWA substantieel zal worden versterkt. Daarover wil ik een motie indienen.

Motie

De voorzitter: Door de leden Koffeman, Reuten, Vos en Strik wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de ontdekking van 50 miljoen kilo rundvlees die mogelijk vermengd is met paardenvlees, het vertrouwen in de Nederlandse voedselproductie ernstig geschaad heeft;

overwegende dat de opsporings- en handhavingscapaciteit van de NVWA sterk is teruggelopen onder invloed van de bezuinigingen van achtereenvolgende kabinetten;

overwegende dat adequate wetshandhaving van cruciaal belang is voor het vertrouwen in de voedselproductie;

verzoekt de regering, te komen met een plan van aanpak tot substantiële versterking van de NVWA,

en gaat over tot de orde van de dag.

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt letter F (33400-XIII).

Wij zullen volgende week over deze motie stemmen, zoals te doen gebruikelijk.

Staatssecretaris Dijksma:

U hebt de tekst voldoende helder voorgelezen. Ik wil twee dingen over deze motie zeggen. We krijgen natuurlijk onmiddellijk een discussie over de vraag wat een "substantiële versterking" is. Ik vraag de heer Koffeman of hij bereid is om deze motie aan te houden. Wij doen namelijk wat hij vraagt. Naar aanleiding van de recente schandalen en ontwikkelingen komen wij met een voorstel om effectiever aan de slag te kunnen met de toezichtstrategieën en de focus van de NVWA. Als dat plan er eenmaal is en de heer Koffeman dat niet genoeg vindt, tref ik hem hier ongetwijfeld opnieuw.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik constateer dat de heer Koffeman zijn motie aanhoudt, in afwachting van de ontwikkelingen.

Op verzoek van de heer Koffeman stel ik voor, zijn motie (33400-XIII, letter F) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Het wetsvoorstel wordt zonder stemming aangenomen.

De voorzitter:

De fractie van de PvdD wordt conform artikel 121 van het Reglement van Orde aantekening verleend dat zij geacht wil worden zich niet met het wetsvoorstel te hebben kunnen verenigen.

Sluiting 0.10 uur.