Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2011-2012nr. 33, item 9

9 Mediawet

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van onder meer de Mediawet 2008 in verband met aanpassing van de rijksmediabijdrage, beëindiging van de wettelijke taken van de Stichting Radio Nederland Wereldomroep en aanpassingen van meer technische aard (33019).

De beraadslaging wordt hervat.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Voorzitter. Ik ben nog altijd blij met de lange titel van deze wet, die mij de gelegenheid gaf om mijn telefoon af te zetten en mijn pen te pakken. Ik dank de Kamer voor de reactie van de geachte afgevaardigden in de eerste termijn, die nuchter en zakelijk was maar waaruit toch ook betrokkenheid sprak bij het onderwerp dat hier speelt.

Het is misschien goed om te vertellen dat ik dit keer drie blokjes gebruik, iets bescheidener dan daarnet. Het eerste blokje betreft de fusie van omroepen, pluriformiteit, beloningen en contributie. Het tweede betreft de Wereldomroep, onafhankelijkheid, prioriteitsgebieden en Suriname. Het derde blokje betreft de programmagegevens. Ik zal telkens voor het gemak zeggen wanneer ik een blokje heb afgerond.

Eerst heb ik een korte introductie. Wij bespreken vanavond het wetsvoorstel tot aanpassing van de rijksmediabijdrage en beëindiging van de wettelijke taken van de Wereldomroep. Ik heb gekozen voor twee wetsvoorstellen vanwege de noodzakelijke voortgang en de zorgvuldigheid. Nu dit wetsvoorstel. Ik ben volop bezig om binnen heel korte tijd het tweede wetsvoorstel, dat uiteindelijk faciliterend is voor wat wij hier besluiten, ook bij de Raad van State te brengen. Het is inmiddels weer een stapje verder in de onderraden. Ik hoop het kort na de zomer de Tweede Kamer en kort daarna ook de Eerste Kamer te kunnen toesturen.

Het voorliggende voorstel is nodig om de bezuinigingen te realiseren zoals wij die hebben gepland en die ook moeten beginnen per 1 januari 2013. Dat is belangrijk voor het financieel kader. Maar het is ook belangrijk omdat er duidelijkheid moet komen voor mensen die achter Hilversum zitten. Wij spreken in Nederland vaak over "Hilversum". Dat doen wij niet altijd met veel liefde, terwijl wij een prachtige publieke omroep hebben waarmee wij echt voor een duppie op de eerste rang zitten. Dat zeg ik even in de richting van de heer Sörensen want – echt waar – in andere landen is het heel wat duurder en kent de omroep niet zo'n mooie kwaliteit die wij vaak te bieden hebben en waarvoor wij ook prijzen krijgen, zoals nog heel recent gebeurde. Maar "Hilversum" zijn ook gewoon mensen. Bij de Wereldomroep werken meer dan 200 mensen die in deze tijd een ontslagbrief hebben gekregen en die op een gegeven moment ook duidelijkheid moeten krijgen.

Dat betekent ook dat het goed is dat wij vandaag hier met elkaar over praten en dat er zo mogelijk ook besluitvorming zal plaatsvinden voor de zomervakantie. De behandeling en de stemming zijn van grote betekenis en dus ook van emotionele betekenis.

Ik verdedig hier de bezuiniging, maar ik wil ook wel stilstaan bij de persoonlijke gevolgen voor de mensen in Hilversum. Dat geldt niet alleen voor de Wereldomroep; bij de NPO gebeurt dit nu ook. Waar de omroepen aan het praten zijn – ik kom daar zo op terug – over de fusies zitten daar ook allemaal mensen achter die uiteindelijk vanwege de efficiencyslagen die worden gemaakt eveneens moeten vertrekken. Dat is heel pijnlijk.

Aan de andere kant maak ik wel een compliment aan Hilversum, want men pakt het buitengewoon constructief en voortvarend op. Dat zien wij niet bij alle bezuinigingen die het land op dit moment op zich af ziet komen.

Dit zeg ik even ter introductie, om toch ook de menselijke kant in beeld te brengen van dit belangrijke wetsvoorstel.

Dat brengt mij bij mijn eerste blokje, waarin ik inga op de vragen die zijn gesteld door de diverse geachte afgevaardigden. De heer Van Boxtel en mevrouw Ter Horst vroegen naar de stand van zaken rond de fusies. Mevrouw Ter Horst vroeg nog heel nadrukkelijk hoe zij nu het bericht over AVRO en TROS moet duiden dat gisteren in NRC Handelsblad stond. Uit onderzoek is gebleken dat een fusie de manier is om te bezuinigen zonder kwaliteitsverlies. De heer Van Boxtel gaf ook aan wat er dan zoal veranderde om wel de kwaliteit in stand te houden. De omroepen hebben met elkaar een plan bedacht. Iedereen die Hilversum kent, moet natuurlijk vaststellen dat dat een geweldige prestatie is geweest. Wij mogen wel zeggen: een historische prestatie, want meestal was er vroeger ruzie en nu heeft men elkaar gevonden. In een soms onzekere politieke omgeving heeft men gewoon koers gehouden. Dat is echt een compliment waard, aan de voorzitter van de NPO, die hierin een grote rol heeft gespeeld, maar ook aan de voorzitters en alle mensen die hierbij betrokken zijn, zoals de ondernemingsraad in dat Hilversumse wereldje. Men streeft uiterlijk voor 1 januari 2014 naar die fusie, want die is nodig om een erkenning te kunnen krijgen. Dat zal ik ook in de wet die ik u na de zomervakantie hoop te kunnen aanbieden laten zien.

Op dit moment zijn de omroepen eigenlijk allemaal druk bezig om die fusie vorm te geven. Gisteren heb ik inderdaad van AVRO en TROS vernomen dat zij hun fusie enigszins opschorten totdat bekend is wat een nieuw kabinet wil. Ik begrijp dat wel. Men zegt natuurlijk: even duidelijkheid. Deze omroepen liepen wat voorop met fuseren, maar wanneer zij straks gefuseerd zijn terwijl de wet er nog niet helemaal door is, krijgen zij straks te maken met de grens van 400.000 leden en hebben zij dus een probleem, waarbij ze zichzelf in de vingers snijden. Dus het is verstandig om de ontwikkelingen hier in Den Haag te volgen en alles wel helemaal klaar te hebben, doordat de statuten klaarliggen. Op het moment dat hier dan de klap is gegeven, kan men gelijk de nieuwe statuten van een gezamenlijke omroeporganisatie tekenen. Maar ik vind het verstandig dat zij even wachten, want zij schieten er anders ook echt financieel bij in. Dat zou ik de AVRO en de TROS, maar ook de andere fusiepartners, niet willen aanbevelen.

De bezuinigingen op de publieke omroep vinden dus in die zin brede steun dat zij goed worden opgepakt. Ik maak zelf zeer veel voortgang met de grote wijziging van de Mediawet die na de zomervakantie komt. Dit is de eerste stap daarin om voor 1 januari 2013 ook echt de bezuiniging voor de Wereldomroep rond te hebben.

Dan het tweede punt. Blijft de pluriforme programmering wel bestaan? Die zorg is door de heer Van Boxtel naar voren gebracht. Ik denk dat dat een terechte zorg is. Het is eigenlijk ook mijn drive geweest om te bekijken hoe wij op een verantwoorde manier tot deze bezuiniging kunnen komen. Dat is de reden dat ik de Boston Consulting Group heb gevraagd om eens heel goed te gaan kijken, die buitengewoon degelijk werk heeft verricht, dat ook breed wordt gedragen in Hilversum. Men heeft eigenlijk gezegd: je kunt de pluriformiteit en de kwaliteit behouden maar je zult op een aantal onderdelen wel andere keuzes moeten maken.

Bijvoorbeeld het inkopen van producties van buiten kan Nederland nog verbeteren. Wij hebben nog een heel ruime marge die wij kunnen benutten voordat wij tegen de marges van bijvoorbeeld België aan zitten. Wij hebben veel landen om ons heen die hoge kwaliteit leveren. Kijk maar naar de BBC. Er zijn heel veel mogelijkheden, dus al met al is het heel goed mogelijk om dit te doen. Op die manier kan de besparing op een goede manier worden ingevoerd. Dan doen wij het goed met ons belastinggeld, want als wij hetzelfde niveau kunnen handhaven met minder geld, moeten wij dat ook niet willen nalaten, want het moet wel allemaal eerst worden verdiend.

Wij gaan inderdaad naar een balans van acht omroepen. Het worden er dan ook niet minder. De heer Nagel vroeg of dit uiteindelijk een stap helemaal terug wordt. Nee, wat mij betreft zijn het er acht. Dat is een heel grote stap, want u weet als geen ander dat wij van een wel heel breed veld kopen. Het waren 21 omroepen toen ik startte als minister en het zijn er straks acht, waarvan twee echt aangewezen, namelijk de NTR en de NOS, en zes in de constructie zoals Hilversum die heeft voorgesteld en die ik van harte ondersteun.

De heer Van Boxtel (D66):

Mag ik de minister op dit punt iets vragen? Er zit toch iets ingewikkelds in de boodschappen die wij gisteren in de krant lazen van de voorzitters van bijvoorbeeld TROS en AVRO. De minister sprak met veel compassie over wat de medewerkers bij de omroep ondergaan. Het is natuurlijk nooit leuk als je weet dat je een ontslagaanzegging gaat krijgen, maar tegelijkertijd communiceren deze omroepen nu: wij zetten de boel on hold. Ik vraag mij af hoe dat te rijmen is met het spoor dat wij hebben op weg straks naar het andere wetsvoorstel. Hoe gaat het eigenlijk met de nieuwe zendgemachtigden? Wij hebben PowNed en nog een paar andere gehad. Gaan die in die zes mee? Wat voor contouren ziet de minister ontstaan? Het is mij niet echt helder wat hiermee gaat gebeuren.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Op de eerste vraag is het eigenlijk vanzelfsprekend dat AVRO en TROS nu de ontwikkelingen afwachten en on hold zetten in afwachting van de wetgeving. Want als zij dat niet doen, snijden zij zichzelf vreselijk in de vingers. Dan zijn zij wel gefuseerd, met op dit moment bijvoorbeeld een plafond van 400.000 leden waarvoor je zendtijd en geld krijgt, terwijl ik dat er straks in de nieuwe wet afhaal om fuseren ruimte en mogelijkheden te geven.

Ik heb dat overigens al in de brief van juni aan de Tweede Kamer geformuleerd en ook nog een keer in december. Ik heb in die brief aangegeven hoe ik met PowNed en WNL wil omgaan. Als die straks voldoen aan de telling en aan het toegevoegde karakter van hun bijdrage, ten opzichte van wat er reeds was, dan krijgen zij de opdracht om te zoeken naar een partner. Dat moet één van de zes zijn. Daar moet men zich bij aansluiten. Lukt dat niet, misschien omdat omroepen zeggen dat men niet welkom is, dan vraag ik de mij geëigende organisaties, bijvoorbeeld het Commissariaat voor de Media, om advies en dan kom ik met een aanwijzing. Men zal uiteindelijk toch ergens moeten worden ondergebracht. Dat is nodig, omdat we anders binnen no time weer op de 21 omroepen zitten. Dan groeit het aantal zomaar door, want er zullen zich vast wel nieuwe partners in de toekomst aanmelden. Dat worden dan ook weer zelfstandige omroepen. Ik wil het echter bij die zes houden. Ik heb het liefst dat ze er met elkaar uitkomen, maar in the end heb ik straks – de kwestie is al door de onderraden gegaan – de aanwijzingsbevoegdheid.

Dan de vraag of dit een tussenstap is en of wij naar een bestel met drie spelers gaan. Ik zou graag willen weten wie dat dan zijn, maar met die zes heb je wat mij betreft een heel mooie pluriformiteit. Als je de eenheden voor je ziet, dan kun je constateren dat iedereen zijn eigen kleur, achtergrond en identiteit heeft. Men krijgt de ruimte om straks ook het eigen merk te voeren, maar degenen die straks in een omroeporganisatie samenwerken, hebben elkaar op basis van inhoud gevonden. Wij willen die pluriformiteit dus graag behouden, want Nederland is een land dat nog altijd heel pluriform is georganiseerd. Daar voelen wij ons ook wel bij. De Kamer is daar een mooi voorbeeld van, maar wij zien het op heel veel terreinen, ook in het onderwijs. Dat is eigenlijk iets heel moois en dat past bij ons. Als wij dat op een verantwoorde manier kunnen faciliteren – acht omroepen vind ik verantwoord; niet te gek, maar toch ruimte voor pluriformiteit – dan vind ik dat wij het zo moeten houden. Voor zover het mij nog gegeven is, ben ik niet van plan om naar drie te gaan.

Ik kom bij de ouderencontributie, een kwestie die de heer Nagel met veel enthousiasme naar voren heeft gebracht. Ik begrijp dat, want hij heeft heel direct met die doelgroep te maken. Hij heeft daar zorgen over. Hij vraagt zich af of deze mensen straks voldoende in staat zullen zijn om lid te zijn. Ik waardeer de zorg van de heer Nagel, maar gelet op het bedrag waarover wij het hebben, € 15 per jaar, vind ik toch dat dit redelijk is. Die € 5,72 is al meer dan tien jaar niet opgehoogd. Het bedrag is ook nooit geïndexeerd, terwijl de waarde van de euro in de loop van de tijd wel is verminderd. Ik vind het bedrag dus heel reëel. We hebben het overigens over f.1,25 per maand; nee, sorry, over € 1,25. Ik ging verder met guldens, maar daar ben ik nog helemaal niet aan toe, zeg ik tegen de heer Sörensen. Mij lijkt dat dit moet kunnen, ook gelet op het feit dat ouderen gewend zijn om lid te zijn van verenigingen. De jongeren hebben wij hiermee een extra zetje willen geven. Het beleid rond jongeren is overigens heel verschillend, geef ik toe. Bij het voetbal zijn het inderdaad jonkies, maar bij natuur- en milieuorganisaties gaat het vaak om hogere leeftijden. Ik vind dit een goede zaak, want voor jongeren is het vaak niet zo vanzelfsprekend om zich aan een lidmaatschap te committeren. Wij vinden dat echter belangrijk. Men vraagt zich soms af waar wij het nog over hebben als het gaat om omroepen, maar omroepen hebben altijd nog meer leden dan politieke partijen. Toch hebben wij allemaal het gevoel dat wij er ook nog mogen zijn. Dat geldt dus ook voor omroepen. Om die reden heb ik deze afweging gemaakt. Ik vind dat ook redelijk.

Dan de democratische controle. Ik was blij met de interventie van de heer Van Boxtel tijdens het betoog van de heer Sörensen, hoewel hij daar fideel op reageerde. Hij realiseerde zich dit eigenlijk ook wel. We hebben een Commissariaat voor de Media. Dat heeft wettelijke taken. Dat ziet op een en ander toe. Als iets niet klopt, dan komen dingen boven en wordt een en ander bijgestuurd. Het commissariaat let hier scherp op; lees de rapporten er maar op na. Men mag er dus van uitgaan dat de gulden rechtmatig en doelmatig wordt besteed. Dat willen wij ook met belastinggeld. Het is een politieke afweging of wij er geld aan willen besteden, maar dat kun je de mensen in Hilversum niet kwalijk nemen. Zij gaan in ieder geval zorgvuldig met een en ander om.

Dan kom ik bij de vraag van de heer Nagel over de omroepbestuurders. Hoeveel bestuurders verdienen nog een salaris boven de balkenendenorm? Laat één ding duidelijk zijn: ik vind het ook onwenselijk dat bestuurders van omroeporganisaties daarboven zitten. Ik vind persoonlijk dat men er het beste aan doet om onder die norm te gaan zitten. Dat heeft de voorzitter van de NPO ook direct gedaan toen hij aantrad. Hij heeft zijn salaris omlaag gebracht. Ik vind dat de goede mores. Datgene wat in een rechtspositie of in een contract is vastgelegd, kunnen wij echter niet zomaar wijzigen. Dat is de werkelijkheid en gelet op onze rechtsstaat is dat maar goed ook. Dat betekent dat wij dit deels moeten accepteren. Op dit moment verdienen drie bestuurders nog meer dan de balkenendenorm. Wij hopen dit nog aan te passen. Na inwerkingtreding van de Wet normering topinkomens zullen bestuurders bij de publieke omroep niet meer dan het Wnt-normbedrag verdienen. Daarop vooruitlopend, wordt bij benoeming van nieuwe bestuurders nu al het normbedrag gehanteerd. Wij hebben de kraan dus al dichtgedraaid. Van bestuurders die geruime tijd geleden zijn benoemd en boven het normbedrag zitten, moeten wij het contract echter laten verlopen. Daar zitten overigens ook mensen tussen die al hebben ingeleverd, kijkend naar hun huidige salaris. Dat is een goede zaak.

Er is ook gevraagd door de heer Nagel of ik kan garanderen dat de vele subsidies voor gebouwen en bestuurders zullen verdwijnen en dat de nieuw gefuseerde omroepen geen nieuwe huisvesting zullen betrekken en leegstand achterlaten. Als de maatregelen uit het rapport van de BCG worden doorgevoerd, dan zullen de overheadkosten daadwerkelijk dalen. Dat is een van de efficiencyslagen uit het rapport. De kosten van huisvesting dalen dan ook substantieel, maar leegstaande gebouwen zal men moeten kwijtraken. Dat kun je niet direct afdwingen, maar men is er intensief mee bezig. De BCG is opnieuw ingehuurd om een zo efficiënt mogelijk huisvestingsplan op te stellen. Uiteindelijk moet men tot aangepaste huisvesting komen, maar dat kan wel even duren, want deze tijd is lastiger dan een andere tijd. De incidentele kosten moet men in die tijd overbruggen. Het doel is echter helder, namelijk huisvesting die past bij een kleinere omroepwereld dan wij die tot nu toe hadden.

Ik kom bij het tweede blokje, het blokje van de Wereldomroep, de onafhankelijkheid, de prioriteitsgebieden en Suriname. Daar zijn de nodige vragen over gesteld. Het heeft ook tot een debat in de Tweede Kamer geleid. Alles afwegende, heeft de Tweede Kamer de lijn van het wetsvoorstel gevolgd, maar het was zeker geen zwart-witdiscussie. Ik wil eerst aangeven – dat heb ik nadrukkelijk afgestemd met mijn collega Rosenthal – dat de Wereldomroep onafhankelijk blijft. Hoe doen wij dat? Bij de subsidieaanvraag van de Wereldomroep zit ook het Handvest Radio Nederland Wereldomroep. Dat adresseert die onafhankelijkheid. Het handvest geeft ook aan dat de onpartijdigheid en integriteit van de Wereldomroep niet mogen worden gecompromitteerd door externe relaties en of financiering. Dat betekent dat de Wereldomroep geen gelden accepteert van organisaties waarvan de activiteiten vragen kunnen oproepen over de objectiviteit en de journalistieke onafhankelijkheid van de Wereldomroep. Die kant zit er ook aan. Ik vind het goed dat men dit voor zichzelf scherp neerzet. Op basis van het handvest is het onafhankelijk functioneren van de Wereldomroep onderdeel van de gesubsidieerde activiteiten. Zo zal de minister van Buitenlandse Zaken er straks een besluit over nemen.

Misschien is het goed expliciet aan te geven dat het natuurlijk van de gekke zou zijn als wij deze organisatie, terwijl wij die juist voor het vrije woord willen inzetten, het vrije woord zouden willen ontnemen. Ik ben ervan overtuigd dat dit helemaal niet bij Nederland past. Wij doen dat ook niet bij andere free press organisaties die, gesubsidieerd door ons, in het buitenland dingen doen. Ik ben ervan overtuigd dat de Kamer de minister van Buitenlandse Zaken à la minute op het matje zou roepen om daarover in debat te gaan. We staan wat dat betreft in een heel betrouwbare traditie van distantie waar het gaat om organisaties die worden gesubsidieerd door Buitenlandse Zaken.

De heer Van Boxtel (D66):

De minister refereert aan het handvest. Ik heb haar in eerste termijn gevraagd of dit gelijk is aan een onafhankelijk redactiestatuut. Ik krijg daar graag antwoord op. Gesteld namelijk dat de kortingen doorgaan die sommige partijen bepleiten op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking en dat een journalist van de Wereldomroep de minister of de staatssecretaris kritisch gaat bevragen. En gesteld dat de heer Castricum van PowNed ondergebracht wordt bij de Wereldomroep. Is daar dan ruimte voor of wordt er dan toch geïntervenieerd? Ik wil echt weten of dat ook gezien kan worden als een onafhankelijk redactiestatuut.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Dat is gewoon een onafhankelijk redactiestatuut. Dat wordt daarmee ook geborgd.

Daarbij aansluitend had de heer Flierman gevraagd naar het sturen via de subsidierelatie bij de uitvoering van de taak van het vrije woord, naar de norm in de statuten en de naleving van de politieke standaarden. De regering zal niet sturen op de uitoefening van de taak; dat is niet gewenst. Sturen kan namelijk op gespannen voet komen te staan met de onafhankelijkheid, die Buitenlandse Zaken ook wil respecteren. Het is ook niet nodig vanwege het genoemde Handvest Radio Nederland Wereldomroep. Het onafhankelijk redactioneel statuut en het handvest zijn aparte dingen die elkaar aanvullen, zo zeg ik tegen de heer Van Boxtel. Dat zegt ook iets over de wijze waarop de Wereldomroep moet acteren. Immers: it takes two to tango.

Waar wordt de nieuwe taak van de Wereldomroep vastgelegd? Die taak van de Wereldomroep gericht op het vrije woord is prioriteit van de regering. Ook de Tweede Kamer blijkt hieraan te hechten. Het is dan ook deze taak die de Wereldomroep in de subsidie bij Buitenlandse Zaken heeft uitgewerkt. Dat is geheel conform het regeerakkoord. Het subsidieverzoek op basis van die taak is inmiddels ingediend. Op basis van dat subsidieverzoek zal de subsidie worden verleend. Daarmee is de taak ook vastgelegd. De taak gericht op het vrije woord wordt derhalve vastgelegd in de subsidiebeschikking.

De heer Flierman (CDA):

Dat handvest komt, heel oneerbiedig gezegd, toch een beetje als een konijn uit de hoge hoed tevoorschijn. Dat intrigeert mij wel. Dat handvest lijkt enerzijds de normstelling rond journalistieke onafhankelijkheid, integriteit, zorgvuldigheid et cetera te bevatten. Is dat anderzijds als een soort grondwet van de Wereldomroep op te vatten, waarin komt te staan wat zijn taak zal zijn? Ligt daar zijn opdracht ook in besloten? Moet ik het zo verstaan?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Nee. Er zijn twee dingen. Het handvest borgt de onafhankelijkheid en geeft opnieuw aan waar de Wereldomroep maar ook de subsidiegever respect voor moeten hebben. Daarnaast wordt in de subsidieaanvraag zelf de taak beschreven zoals men die wil invullen op de inhoud. Het is dus een complex van twee aspecten.

De subsidieaanvraag hebben we inmiddels ontvangen. Ik heb hem al uitgebreid beschreven. Ik heb er vertrouwen in dat voor de zomer positief gereageerd zal worden op deze aanvraag.

Dan kom ik bij de keuze voor de prioriteitsgebieden en de talen van de Wereldomroep. De keuze voor de prioriteitsgebieden en de talen wordt door de Wereldomroep in de subsidieaanvraag gemaakt. In deze aanvraag staan enkele regio's genoemd met beperkte persvrijheid. Het gaat om delen van Afrika, het Midden-Oosten, Centraal Amerika en China. De keuze van de talen zal daarop worden toegesneden. Het is mooi om prachtige Nederlandse dingen te zeggen in Zuid-Afrika. Daar kom je misschien nog wel een aardig eind, maar in andere landen is dat minder. Het moet natuurlijk ook echt aansluiten. Men past dat aan. Dat is het beeld dat zij vanuit hun enorme knowhow in de subsidieaanvraag aangeboden hebben aan de minister van Buitenlandse Zaken. Nogmaals, ik hoop voor de zomer een positief besluit te vernemen.

Tot slot kom ik bij Suriname. Het is waar dat Suriname een taalverbondenheid heeft met ons. In die zin ben ik blij dat BVN overal bereikbaar is, hetzij via de satelliet, hetzij via de ether, hetzij via de kabel. Dat is best wel veel nieuws. Daarmee ben je volledig up-to-date. Op vakantie kijk ik er ook met buitengewoon veel plezier naar. Als het gaat om extra aandacht, kiezen wij echter voor de koninkrijksdelen. Suriname is daar geen onderdeel meer van. We moeten gewoon prioriteiten stellen. Dat is all in the game. Dat zijn de lusten en de lasten van onafhankelijkheid.

De heer Van Boxtel (D66):

Ik begrijp dat antwoord, ook staatsrechtelijk. Het is een ander land. Ik heb echter problemen met de enkelvoudige verwijzing naar BVN. BVN is een eenzijdige nieuwsdoorgifte vanuit Nederland naar de West. Het is niet wat de Wereldomroep nu doet, namelijk ook omgekeerd duiding van het nieuws aldaar. Kijk naar de bezuinigingen bij de publieke omroepen maar ook bij de commerciële omroepen, waarvan de verslaggevers al niet meer gestationeerd zijn in Paramaribo en soms al niet eens meer op de Antillen. Dat betekent dat er toch een groot gat zal ontstaan in de intense wisselwerking van vrije nieuwsgaring tussen deze continenten. Ik vraag de minister nadrukkelijk om met haar collega Rosenthal te heroverwegen of dit goede keuzes zijn. BVN dicht dat gat niet. Ik vind het ook leuk om daar op vakantie naar te kijken, maar dat is niet wat ik wil. Ik hoor in onze nieuwsgaring weinig meer van wat daar plaatsvindt. Dat is echt een erodering van de intensiteit die wij noodzakelijk vinden, ook vanuit lotsverbondenheid en vanuit de taalunie die wij met elkaar vormen en die ik graag zou willen handhaven. Ik doe dit verzoek, maar als de minister daar geen gehoor aan geeft, zal ik eventueel in een motie om een uitspraak daarover vragen.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik heb begrip voor hetgeen de heer Van Boxtel naar voren brengt, namelijk dat hij dat echt jammer vindt. Dat is echter de werkelijkheid als je bezuinigt. Ik kan nu best wel zeggen dat wij het erbij nemen, maar ik heb gezien hoeveel moeite het kostte om de Antillen beter mee te laten doen dan in het eerste voorstel van de NPO aan de orde was. De Kamer had daar stevige kritiek op. Dat begrijp ik ook wel. Daarom heb ik uiteindelijk voor elkaar gekregen dat er wat meer formatie die richting op is gegaan. Eerlijk gezegd zie ik geen ruimte om Suriname daar ook in mee te nemen. Via internet kun je natuurlijk behoorlijk van elkaar op de hoogte blijven. Waarom zeiden we dat de Wereldomroep uiteindelijk niet meer die rol hoefde te vervullen? Omdat we over en weer in de wereld heel goed via internet van zaken op de hoogte kunnen blijven. Ik begrijp dus het punt van de heer Van Boxtel. Echter, aangezien ik veel moeite heb moeten doen om de BES-eilanden en de drie landen goed op de rails te krijgen, zie ik het niet gebeuren dat Suriname er ook nog bij komt. Er zijn namelijk grenzen: men doet het nu uit bestaande budgetten. Ik heb namelijk wel eerst alles wegbezuinigd op dit vlak. BVN is erbij gekomen. Dat wordt ook gratis opgepakt. Daar heb ik geen extra geld voor gegeven. De overzeese delen van het Koninkrijk heeft men ook gedaan. Suriname zou er extra bij komen. Dat vind ik te veel gevraagd van de omroeporganisaties. Maar goed, ik sta natuurlijk geen motie in te weg; dat recht heeft de heer Van Boxtel altijd. Ik wacht het rustig af.

De heer Sörensen (PVV):

Ik wil reageren op wat collega Van Boxtel zei. Dat is namelijk zo significant. Hij is benieuwd naar de nieuwsgaring vanuit Suriname en daar wil hij ons allemaal voor laten betalen. Alle Nederlanders moeten ervoor betalen dat de heer Van Boxtel klaarblijkelijk geen geld heeft om een schotel te kopen. Op die manier kan hij namelijk ook volop op de hoogte blijven van hetgeen in Suriname gebeurt.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Overigens kan het altijd nog zijn dat een Wereldomroep er iets mee wil blijven doen, als het daar bar wordt en het vrije woord in gevaar komt. Dan moet men dat met Buitenlandse Zaken overleggen. Dan komt het uit dat budget.

Dan kom ik bij het punt van de programmagegevens.

Mevrouw Ter Horst (PvdA):

Volgens mij is de minister op één punt niet ingegaan. De taak die nu overblijft voor de Wereldomroep is in feite dezelfde als de taak die de Wereldomroep onder het huidige bestel heeft. Als dit niet klopt, moet de minister het zeggen. Hoe verantwoordt de minister dan toch dat die taak uit de Mediawet verdwijnt? Wat is er gebeurd, waardoor bij de totstandkoming van de Mediawet werd gevonden dat die taak van de Wereldomroep van de drie à vier taken wel in de Mediawet moest komen, en die taak nu blijft, terwijl de minister zegt dat hij niet meer in de Mediawet hoeft? Daarop wil ik graag een toelichting.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Als dit de enige taak was die de Wereldomroep ooit had, en die wij nu doorzetten voor minder geld, zou er geen aanleiding voor zijn. Het takenpakket is echter aanzienlijk versmald. Uiteindelijk is er maar één taak overgebleven van de, naar ik meen, drie grote hoofdtaken. Mocht ik het fout hebben, dan horen mensen boven dat en geven zij mij daarover een seintje. Uiteindelijk is die ene taak overgebleven. Voor die taak kennen wij meer organisaties die Nederland op dit moment subsidieert. Dat gebeurt prima via een subsidiekader. Naast het gewone subsidiekader waarbinnen de organisatie Free Press werkt, hebben wij ook nog het charter dat ik net noemde. Op meerdere onderdelen is de zaak gegarandeerd, maar het takenpakket is heel erg versmald. Het brede takenpakket legitimeerde inderdaad de positie in de Mediawet. Uiteindelijk is alleen het vrije woord overgebleven. Dat kan heel goed via de bestaande subsidierelatie, gelet op de ervaring van Buitenlandse Zaken.

Ik kom bij de programmagegevens. Daarover heeft de heer Flierman de nodige vragen gesteld. Ook mevrouw Ter Horst heeft dat gedaan. Allereerst is gevraagd of de regel die nu in het amendement-Miltenburg/Van der Ham is neergelegd door de beugel kan. Jazeker, dat kan echt de toets der kritiek doorstaan, ook in het licht van Europese staatssteunregels en het EVRM. Daarnaar hebben wij heel goed gekeken voordat ik dit amendement in de Kamer positief waardeerde. Maatschappelijk belang is dat er meer mogelijkheden voor gidsen komen. De beschikbaarheid voor allerhande elektronische gidsen maakt ook innovatie mogelijk. De regeling wordt heel sterk ondersteund door de distributiesector. Er is een brief over dit onderwerp van de kabeldistributeurs. Het publiek en ook de omroepen zelf weer profiteren er weer van. Hun aanbod wordt op meer plaatsen bekend en vindbaar.

Er is geen sprake van concurrentievervalsing, staatssteun of onteigening, zoals de NPO aanstipt. De Kamer vroeg mij om even in te gaan op de brief. Dit is zeker niet het geval, want er wordt niets onteigend en er moet een vergoeding worden betaald voor dit benutten. Voor gidsen zijn ook de commerciële gegevens nodig. Ik noem RTL, SBS, et cetera. De vergoeding is zodanig dat er enerzijds een goede businesscase kan ontstaan voor kranten als De Telegraaf, NRC Handelsblad en noem maar op, die er wat mee zouden willen, terwijl het anderzijds voor commerciële omroepen ook aantrekkelijk kan zijn om het te doen. Daarnaar heeft het Commissariaat voor de Media goed gekeken. Als de commerciële omroepen het niet doen, is het de vraag of het interessant is voor de kranten. Als men het dan toch doet, komt alleen de publieke omroep op de bühne. Dat lijkt mij wel in het voordeel van de publieke omroep, maar ik kan mij voorstellen dat de kranten dan denken: laat dan maar zitten. Dat zal uiteindelijk moeten blijken. Daarvan heb ik geen beeld. Men houdt daar nog even de kaarten tegen de borst. Het commissariaat heeft het goed onderzocht. Als commerciële omroepen hogere vergoedingen zouden blijven vragen, dan wordt het niet interessant en is het bereik ook niet interessant. De commerciële omroepen stellen op dit moment al tegen vergoeding hun gegevens voor langere tijd ter beschikking voor de elektronische programmagidsen op de tv. Als men dit breder wil gaan doen, zal men toch dicht bij dat bedrag moeten zitten, wil er überhaupt een businesscase zijn voor de kranten om het interessant te doen zijn. Dat is één.

Mevrouw Ter Horst en de heer Flierman vroegen beiden of hetgeen wij nu doen, moet worden uitgesteld in afwachting van uitspraken van staatssecretaris Teeven. Ik denk dat dat niet nodig is, want die komen eraan. De ingangsdatum is 2013. Vanwege de belangen van de bezuiniging, et cetera, en duidelijkheid voor de Wereldomroep, verzoek ik de Kamer dringend dit wetsvoorstel te laten doorgaan, als zij dit wil natuurlijk. Het lijkt mij een redelijke termijn. Wij hebben hiervoor nog een halfjaar te gaan. Ook de Tweede Kamer wil uitdrukkelijk dat dit snel is geregeld. Ik zie geen reden tot uitstel, ook niet vanwege het Europese Dataco-arrest dat vragen oproept over de bescherming van geschriften. De regeling in de Mediawet staat namelijk los van de auteursrechtelijke vraagstukken. Dat heeft ook de kortgedingrechter vorige week duidelijk aangegeven. Ook de Commissie Auteursrecht heeft mondeling laten weten dat dit het geval is. Het advies van de Commissie Auteursrecht over Dataco en de geschriftenbescherming komt waarschijnlijk half juli aanstaande. Dat is vrij snel. Daarna bepaalt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie zijn visie. Ik zal hem zeker vragen te zorgen om dit op tijd te doen omdat de wet op 1 januari aanstaande in werking treedt met het amendement dat er nu in zit. Nogmaals, dat is geen reden voor uitstel, want de regeling in de Mediawet staat op zichzelf. Die twee zaken hebben niet direct met elkaar van doen, maar de Kamer heeft wel voor die tijd de informatie.

Dit is wat ik had te melden. Volgens mij heb ik alle vragen beantwoord.

De voorzitter:

Ik dank de minister van harte. Wij zijn toe aan de repliek door de Kamer.

Mevrouw Ter Horst (PvdA):

Voorzitter. Ik dank de minister voor haar beantwoording. Ik zal nog op enkele punten ingaan. Ik volg haar blokjes. Het eerste blokje gaat over de toekomst van de publieke omroep. Ik constateer dat de minister zich weinig zorgen maakt over het on hold zetten van de fusie tussen de TROS en de AVRO en dat zij een goede reden ziet waarom dat gebeurt. Ik wijs er wel op dat ze de fusie hebben uitgesteld tot 1 september 2013 op zijn vroegst. Is dat dan ook de datum die de minister voorziet voor het in werking treden, niet van dit wetsvoorstel, maar van het wetsvoorstel waaraan zij zo voortvarend werkt?

Het tweede blokje gaat over de onafhankelijkheid van de overblijvende taak van de Wereldomroep. Ik vind haar uitleg waarom er nu een subsidierelatie gaat ontstaan en geen borging meer in de wet, toch niet helemaal bevredigend. Of ik moet constateren dat de overgebleven taak van de Wereldomroep, namelijk onafhankelijk informatie bieden in landen met een informatieachterstand, eigenlijk nooit in de Mediawet had moeten staan? Daarover zegt de minister nu dat dit heel goed via een subsidierelatie kan worden geregeld. In hindsight zou je dan misschien moeten vragen: waarom heeft die taak dan ooit in de wet gestaan?

Er is echter nog een ander punt waarover ik de minister een uitspraak wil ontlokken. Een subsidierelatie is binnen de kortste keren beëindigd. Dat geldt niet voor de rijksbijdrage voor de omroepen. Als je de rijksbijdrage voor de omroepen wilt wijzigen, heb je een wetswijziging nodig. Daarom spreken wij nu ook met elkaar. Voor een subsidiebeëindiging is dat niet het geval. Dat betekent dat het voortbestaan van de overblijvende taak van de Wereldomroep veel discutabeler is geworden, nu die uit de wet wordt gehaald. Ik wil dus van de minister horen of er een tijdsperiode is waarvoor volgens haar de subsidie moet worden gegeven. Kan zij zeggen dat dit in ieder geval voor vijf of tien jaar het geval is? Dat zou ik graag van haar horen.

Het derde blokje gaat over de programmagegevens. De PvdA-fractie is er niet om ervoor te zorgen dat het kabinet geen verkeerde keuzen maakt, maar ik wil toch wijzen op de brief van de NPO, waarin in feite staat dat het mogelijk is dat het amendement zal leiden tot ongeoorloofde staatssteun. Er ontbreekt een overgangsregeling en het ontbreken van nadere compensatie is juridisch twijfelachtig. Bovendien lijkt het amendement in strijd met de Mediawet. Dat is toch niet mis? Samen met mijn collega van de CDA-fractie vraag ik of het wellicht toch verstandig is om te overwegen de inwerkingtreding van dit onderdeel te temporiseren. De minister heeft volgens mij de vrijheid om dit wat later te doen ingaan.

De heer Flierman (CDA):

Voorzitter. Ook ik dank de minister voor haar beantwoording. Ik constateer dat de positie, het handelen en de opdracht van de Wereldomroep de komende tijd zijn geborgd in een drietal documenten c.q. relaties. Het handvest voor de Wereldomroep is daarin erg belangrijk, evenals dat redactiestatuut dat de onafhankelijkheid van de redactie garandeert. Het handvest stelt ook een norm voor de manier waarop de Wereldomroep zal moeten werken. En verder is er de subsidierelatie. Ik ben met mevrouw Ter Horst geïnteresseerd in de duur van de subsidierelatie. Dat geheel moet een zekere continuïteit garanderen die de Wereldomroep uittilt boven het niveau van de willekeurige subsidierelatie waarbij je met inachtneming van de termijnen van de Algemene wet bestuursrecht kunt zeggen: we stoppen ermee. Dat was niet de bedoeling. Dat begrijp ik ook van de minister. Daarover hoor ik dus graag nog iets. In feite herhaalt de minister haar stellingname over de programmagegevens in de memorie van antwoord, namelijk dat het in de Tweede Kamer aangenomen amendement past binnen de huidige wet- en regelgeving en niet op gespannen voet staat met Europese regelgeving. Tegelijkertijd maakt de minister melding van de mondelinge uitslag van de studie die gaande is. Graag verneem ik kort na de vakantie, als alles zo ongeveer klaar is, het advies van de commissie en het oordeel daarover van de minister en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Ik laat mij graag overtuigen door dat advies. Mocht echter toch geconcludeerd worden dat er spanning is met het Europees recht, dan zou de minister dat, nog voordat de bewuste bepaling in werking treedt, kunnen herstellen – het woord "veegwet" is hier al meer gevallen – in de wetgeving die na de zomer op ons afkomt. Ik ben het met de minister eens dat er snel duidelijkheid moet komen, dus wat mij betreft nemen wij de voorliggende wet aan. De minister heeft echter de bevoegdheid om zo nodig een enkel artikel uit de wet iets later in werking te laten treden. Dat zou in dit geval kunnen gebeuren als wij constateren dat er strijdigheid is met Europees recht. Het laatste moet deze Kamer niet willen.

De heer Van Boxtel (D66):

Voorzitter. Ook ik dank de minister voor haar beantwoording. Ik sluit mij graag aan bij de vraag van de collega's Ter Horst en Flierman over de duur van de subsidierelatie. Ik vind dit een heel cruciaal punt.

Mij moet iets van het hart. Ik kondig geen motie aan waarin wordt uitgesproken om meer geld te sturen. Het gaat mij erom dat ook dit weer een maatregel is die bijna symbool staat voor een krimpend Nederland in een steeds groter wordende wereld. Wij sluiten ambassades en trekken ons terug achter de dijken. De gewaardeerde collega Sörensen geeft zelfs de tip: koop een schotel en dan weet je genoeg. Dat is precies het symbool waar ik het over heb. Er bestaat een verbondenheid – niet meer politiek; dat realiseer ik mij goed – met de BES-eilanden, met de drie overgebleven onafhankelijke gebiedsdelen, maar ook met een land als Suriname, ook al omdat er 350.000 Surinamers in Nederland wonen. Met die landen hebben wij veel meer gemeen dan alleen een politieke geschiedenis. Wij hebben met die landen ook een culturele relatie. Ik kan mij derhalve goed voorstellen dat de minister zegt dat zij het geluid dat hier over tafel is gekomen meeneemt naar haar collega van Buitenlandse Zaken, zodat die erop kan toezien dat die relatie in het handvest, in de uitwerking van het werkprogramma van de Wereldomroep, niet vergeten wordt.

De minister nam iets in de mond wat ik link vond. Zij zei dat als het daar "bar" wordt, wij daar misschien wel naartoe gaan. Wij moeten niet alleen ergens naartoe gaan als het bar wordt. Wij moeten geïnteresseerd willen zijn in wat er in een bepaald gebied speelt en wat relevant kan zijn in de wisselwerking tussen onze landen, los van de actuele politieke spanningen die er misschien heersen. Het gaat over het contact van mensen, het gaat erom duiding te krijgen van de zaken die in dat gebied spelen. Als wij op dit punt het kind met het badwater weggooien, onder het mom van uitsluitend bezuinigingen, maken wij veel meer kapot dan ons lief is en dan is dat ook bijna niet meer te herstellen. Ik roep de minister op om dit punt mee te nemen. Ik hoop dat de minister dit in tweede termijn kan toezeggen. Ik maak mij grote zorgen over dit punt, in het bredere palet van de bezuinigingswoede en het doorsnijden van allerlei cruciale contacten.

De minister heeft de door ons gestelde vragen naar tevredenheid beantwoord. Wij zullen het wetsvoorstel derhalve steunen. Wel ben ik benieuwd naar het antwoord op de vraag van de heer Flierman of er eventueel nog een reparatiewetje kan komen als er sprake is van strijdigheid met Europese wet- en regelgeving.

De heer Sörensen (PVV):

Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen. Wij zullen het wetsvoorstel steunen.

De heer Nagel (50PLUS):

Voorzitter. Ik dank de minister voor haar heldere antwoorden. Het was een prettige ervaring. Een compliment! Er komen nog meer gelegenheden om op een aantal punten in te gaan. Ik beperk mij nu kortheidshalve tot één punt.

Ik heb het gevoel dat de minister te weinig begrip heeft voor wat wij aan de orde hebben gesteld. De groep die alleen maar AOW of een klein pensioen heeft, ervaart dat de prijzen en de btw stijgen, maar dat de AOW op de nullijn blijft. Ik hoor de minister zeggen dat het maar om € 15 gaat, om een verhoging met slechts een tientje. In een ander debat vandaag, over de huurverhoging, hoorden wij dat het maar om € 30 per maand gaat. Op jaarbasis is dat € 360. In een ander debat hoorden wij over het niet-indexeren, wat elk jaar maar 2% scheelt. Straks komt er iemand die zegt dat de pensioenen worden gekort, maar dat het slechts gaat om 6% of 7%. Het eigen risico wordt verhoogd, het gaat echter maar om een paar tientjes. De btw gaat omhoog, maar het gaat slechts om een paar honderd euro. Als wij dat allemaal stapelen, moeten wij ons realiseren wat dit betekent voor de groep die echt moeite heeft om rond te komen. Wij hebben geen idee wat wij die mensen aandoen.

De minister is een groot voorstander van pluriformiteit. Zij moet zich realiseren dat een omroep als MAX geen programmablad uitgeeft, maar alleen leden heeft, 250.000, waaronder veel mensen uit de lagere-inkomensgroep. Ook andere omroepen hebben veel leden uit de lagere-inkomensgroep. Die mensen zullen straks moeten kiezen, omdat zij niet meer rond kunnen komen. Zij kunnen het niet helpen als de btw omhoog gaat. Zij kunnen het niet helpen als de prijzen omhoog gaan. Zij kunnen het niet helpen als de pensioenen gekort worden. Zij kunnen het niet helpen als allerlei voorzieningen als het eigen risico omhoog gaan. Als zij op een gegeven moment moeten kiezen, zullen zij kiezen voor dat extra tientje waar zij niets voor terugkrijgen, omdat zij van MAX immers geen programmablad krijgen. De keus is dan snel gemaakt. Daarmee wordt de door de minister gewenste pluriformiteit geweld aangedaan en wordt juist de groep met de lagere inkomens getroffen, zeker nu het Kunduzakkoord op tafel ligt, wat een nieuw gegeven is. Ik vraag haar daarmee rekening te houden, uit oogpunt van een rechtvaardig, eerlijk en billijk beleid.

De minister heeft een uitzondering gemaakt voor de jongeren tot 25 jaar, die vaak wel een inkomen hebben. In deze omstandigheden vind ik dat zij ook de groep ouderen, de 65-plussers, op grond van de voornoemde harde feiten moet ontzien. Voor ons is dat reden om een motie op dit punt in te dienen.

Motie

De voorzitter: Door de leden Nagel, Koffeman en De Lange wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat voor het omroeplidmaatschap aan jongeren tot 25 jaar de hoogte wordt bepaald op € 7,50;

overwegende dat vele ouderen met alleen AOW of AOW met een klein pensioen, ernstig in hun besteedbaar inkomen teruggaan door het niet indexeren van de pensioenen en mogelijk straks het korten van de pensioenen, alsmede tal van maatregelen in het Kunduzakkoord die de koopkracht van deze ouderen verder aantasten;

spreekt als haar mening uit dat een verhoging van het lidmaatschapsgeld van bijna 300% voor deze ouderen kan betekenen dat vele ouderen af moeten zien van het lidmaatschap van een omroep;

verzoekt de regering, het lidmaatschap voor 65-plussers gelijk te doen zijn aan dat voor de jongeren, te weten € 7,50,

en gaat over tot de orde van de dag.

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt letter E (33019).

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Voorzitter. Ik dank de geachte afgevaardigden voor hun reactie in tweede termijn. Ik begin met de vraag van mevrouw Ter Horst of ik voornemens ben de wet per september 2013 in te voeren. Nee, dat is niet het geval, maar men moet volgens de nieuwe wet wel voor 1 januari 2014 opnieuw een aanvraag doen voor de licentie. Dat moet men doen in de gefuseerde staat. Daarom begrijp ik dat men gaat fuseren in september 2013. Dan is de wetgeving afgerond en is men op tijd voor het momentum dat in de wet staat.

Het takenpakket is inderdaad versmald. Het vrije woord blijft over. Dat is eigenlijk geen mediaopdracht maar een inhoudsopdracht. Die kan heel goed vastgelegd worden via een subsidiebeschikking. De Mediawet is nooit bedoeld om het geldbedrag vast te zetten. Wij doen dat nu inderdaad wel met de media-instellingen, maar zij zijn straks officieel geen media-instelling meer. Zij hebben gewoon een ander type opdracht gekregen.

In overleg met mijn collega heb ik afgesproken dat de Wereldomroep in plaats van een subsidierelatie van drie jaar een subsidierelatie van vier jaar krijgt. Het is een langere termijn om zeker te stellen dat de Wereldomroep in die periode ook echt vooruit kan.

Mijn informatie is dat er geen probleem is met het voorliggende amendement. Het is echt goed doordacht. Het is overigens geen KB, het gaat echt mee met de wet. Ik zal de heer Teeven wel vragen om zo snel mogelijk te komen met zijn reactie op het advies van de Commissie Auteursrecht. Als het onverhoopt toch nodig is, kunnen wij in Nederland altijd heel snel dingen regelen. Ik heb echter geen enkel signaal dat dit het geval is.

De heer Flierman (CDA):

Krijgen wij die reactie ook?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik zal ervoor zorgen dat de Kamer die informatie krijgt zodra die beschikbaar is. Nogmaals, maakt u zich geen zorgen. Volgens mijn informatie zijn er geen problemen met de punten die in de brief stonden.

De heer Van Boxtel vroeg waarom ik zei: als het te bar wordt. Als in Suriname mensen niet meer het vrije woord ter hand mogen nemen, komt de taak van de Wereldomroep in beeld. Het kan zijn dat de Wereldomroep dit dan als prioriteit aanmerkt. Ik ben het met de heer Van Boxtel eens dat er inderdaad banden worden doorgesneden. Ik kan wel zeggen dat ik het ga regelen, maar ik heb gezien hoe lastig het was om het binnen de bestaande middelen te regelen voor het deel dat wel tot het Koninkrijk behoort. Bij mij is alles van de taak van de Wereldomroep wegbezuinigd. De NPO pakt dit op samen met de NTR. Ik heb gezien hoe moeilijk het is om dit voor elkaar te krijgen. Mocht de motie aangenomen worden, dan zal ik mij daar zeker nog eens over buigen. Op dit moment kan ik niet anders dan naar eer en geweten zeggen dat ik er echt geen geld voor heb. Men heeft de portemonnee al omgekeerd om de BES-eilanden op een goede manier te regelen, terwijl er geen budget meer voor gereserveerd was.

De heer Van Boxtel (D66):

Ik vraag niet om meer geld. Ik vraag of met de positionering van de BES-eilanden ook in de gaten wordt wat eventueel wel of niet dienstig is om te rapporteren uit Suriname. In het debat in de Tweede Kamer is het uitsluitend beperkt gebleven tot de drie landen en de BES-eilanden. Ik vraag de minister bij haar collega ruimte te vragen om ook dat andere deel van het Caraïbische gebied daarbij te betrekken. Ik vraag niet om meer geld maar om een verbreding van de focus. Dat moet volgens mij gewoon kunnen.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik moet helaas ontkennen dat het geen geld kost, want het kost wel geld. Dat heb ik gemerkt toen ik het goed wilde regelen op de BES-eilanden en op de drie eilanden die bij het Koninkrijk horen. Daar hebben wij extra formatie. Op mijn verzoek heeft de NPO dat verhoogd en gezorgd dat er meer naar toe gaat want de Tweede Kamer was niet tevreden over de manier waarop het geregeld was. Dat heeft echter geld gekost. Het gaat niet voor niets in het leven. Er moeten mensen zijn die uren steken in het opletten. Ik liep daar tegenop.

Mijn collega is voor het vrije woord. Het is voor Suriname nog niet echt nodig om dat te realiseren. Ik sprak over als het te bar wordt. Ik kan hem die opdracht niet geven. Als de Wereldomroep daar ideeën over heeft, moeten zij niet nalaten die te ventileren. Zij heeft oude banden. Misschien zegt Buitenlandse Zaken: Prima, neem het mee. In het kader van de smalle opdracht verspreiding van het vrije woord denk je toch primair aan andere gebieden. Bij Suriname is sprake van een andere drive. Het gaat om historische banden en om groepen die van elkaar op de hoogte willen blijven. Ik wil best aan de NTR vragen of hij iets kan met deze vraag. Ik zeg echter eerlijk dat dit volgens mij zeer begrensd is, want ik wil geen verwachtingen wekken die ik niet kan waarmaken.

Ik dank de heer Nagel voor zijn vriendelijke woorden. Dat is wederzijds.

De heer Nagel heeft een motie ingediend over de bijdrage van de senioren. Wij hebben er in de Tweede Kamer heel goed over gesproken. Het beeld was: gelijke monniken, gelijke kappen. Uiteindelijk hebben wij de jongeren uitgezonderd, niet zozeer vanwege de inkomenssituatie maar omdat deze jongeren niet gewend zijn om lid te worden van een vereniging. Er zijn grote groepen ouderen die deze bijdrage wel kunnen betalen. Ik vind niet dat de hele groep de ruimte moet krijgen om een lager bedrag te betalen. Ik begrijp de zorg van de heer Nagel, maar mensen moeten uiteindelijk zelf afwegen wat zij kunnen en willen doen in een financieel krappe situatie. Ik kan die afweging niet maken. Ik hoop dat de mensen zullen zeggen dat het dit lidmaatschap hun echt wat waard is. Ik denk dat € 1,25 per maand reëel is voor het lidmaatschap. Het bedrag van vijf euro zoveel is nooit bijgesteld terwijl dat wel realistisch is. Je moet iets over hebben voor een lidmaatschap anders is de waarde daarvan eigenlijk minimaal.

De heer Nagel (50PLUS):

De minister heeft uiteraard gelijk met haar laatste opmerking. Het bedrag van € 1,25 hoeft inderdaad niet veel te zijn. Ik heb echter zojuist aangegeven dat het gaat om een groep mensen van meer dan een miljoen die de komende tijd getroffen wordt door bezuinigingsmaatregelen. Deze mensen zullen moeten kiezen wat zij afstoten. Wij debatteren hier niet voor niets. Wij wisselen argumenten uit. Er zijn nieuwe gegevens over extra maatregelen in het najaar die deze groep zullen treffen. Ik vraag de minister of zij nogmaals wil kijken of het niet billijk is om deze categorie 65-plussers op dezelfde manier te behandelen als de jongeren.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik heb die ruimte gewoon niet. Wij hebben hierover uitgebreid gesproken in de Tweede Kamer. Uiteindelijk is besloten om één uitzondering te maken, niet zozeer vanwege het geld maar veel meer vanuit de vraag of jongeren zich willen binden. Dat ligt lastig bij deze groep. Vaak zijn jongeren wat minder vermogend, maar sommigen zijn wel vermogend. Daar ligt het probleem niet. Uiteindelijk moeten mensen zelf afwegen of zij lid blijven van een omroep. Overigens alle omroepen doen het zonder gids voor dat bedrag. De gids kost altijd extra. Ik meen dat € 1,25 per maand buitengewoon reëel is. Het is een laag bedrag waarmee de betrokkenheid realistisch onderstreept wordt. Een lidmaatschap moet ook iets inhouden. Als mensen een andere afweging maken, respecteer ik dat, hoe moeilijk zo'n afweging ook kan zijn. Ik heb een uitzondering kunnen maken voor de jongeren en daar houd ik het bij.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor haar beantwoording en voor haar langdurige aanwezigheid in deze Kamer. Graag tot een volgende keer.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor haar beantwoording en voor haar langdurige aanwezigheid in deze Kamer. Graag tot een volgende keer.

Wenst een van de leden stemming over dit wetsvoorstel? Ik constateer dat de heer Reuten stemming wenst.

Ik stel voor, volgende week te stemmen over het wetsvoorstel en over de motie-Nagel c.s.

Daartoe wordt besloten.

De vergadering wordt enkele minuten geschorst.