2 Voortgezet onderwijs

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met onderwijskwaliteit, onderwijstijd en vakanties (32640).

De voorzitter:

Ik heet de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van harte welkom.

De beraadslaging wordt geopend.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

Voorzitter. Het wetsvoorstel dat wij vandaag behandelen, kent een lange en roerige voorgeschiedenis. Aanleiding voor het wetsvoorstel was de grote onvrede, ook onder leerlingen, over de ophokuren: uren waarin leerlingen verplicht op school moeten zijn, maar geen les krijgen. De onvrede over de ophokuren heeft, naar goed Nederlands gebruik, geleid tot het instellen van een commissie, de commissie-Cornielje. Het voorstel waar deze commissie mee kwam, had twee elementen: het voorkomen van ophokuren en het verminderen van de werkdruk voor leerkrachten in het voortgezet onderwijs.

Om ophokuren te voorkomen stelde de commissie een realistisch urencriterium voor. Scholen zouden in alle jaren, met uitzondering van het eindexamenjaar, 1000 uren les moeten geven. Om de werkdruk te verminderen zou de zomervakantie teruggebracht moeten worden van zeven naar zes weken. In ruil daarvoor zouden leerkrachten, verspreid over het jaar, vijf roostervrije dagen krijgen. Met name deze laatste maatregel oogstte veel kritiek. Uiteraard oogstte het kritiek omdat het door veel leraren ervaren werd als een verslechtering van de arbeidsvoorwaarden, maar ook omdat de minister zich met deze maatregel rechtstreeks mengt in wat bij uitstek een aangelegenheid is van de cao-partners.

Ik denk dat alle partijen in dit huis het erover eens zijn dat het gaat om de kwaliteit en niet om de kwantiteit van de onderwijstijd. Natuurlijk is een bepaalde massa aan uren noodzakelijk, maar hoeveel uur het precies moet zijn, is toch een beetje nattevingerwerk. In dat verband verbaast mijn fractie zich over het feit dat scholen die niet aan de urennorm voldoen, een boete krijgen, ook als hun onderwijs op orde is. Kan de minister hierop ingaan?

Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is het urencriterium verder aangescherpt. In de eerste twee leerjaren blijft de urennorm gehandhaafd op 1040 uur. Hierbij mogen dan wel 60 uren maatwerk worden geteld als onderwijstijd. Van verschillende kanten is erop gewezen dat dit, in vergelijking met het oorspronkelijke wetsvoorstel, tot een verhoging van het aantal lesuren leidt. In het oorspronkelijke wetsvoorstel waren 960 lesuren het minimum en mochten maximaal 40 uren aan maatwerk worden gegeven. In het gewijzigde wetsvoorstel ligt dit minimum in de eerste twee leerjaren op 980. Volgens de minister is van een verzwaring voor de scholen geen sprake. De tweemaal 20 extra lesuren in de eerste twee jaar worden gecompenseerd door het feit dat in de latere jaren sprake is van een verlichting van 960 naar 940 uur. Ook in de laatste jaren mag immers 60 uur in plaats van 40 uur maatwerk worden geleverd. Mijn fractie kan deze redenering niet volgen, want ook maatwerk vereist inzet van leerkrachten. Kan de minister ons, bij voorkeur met een concreet voorbeeld, uitleggen hoe de 20 extra lesuren in de eerste twee leerjaren worden gecompenseerd door de 20 extra maatwerkuren in de volgende jaren?

Voorzitter. Ik kom nu te spreken over de arbeidsvoorwaarden en dan met name over het inkorten van de zomervakantie van zeven naar zes weken. Op zichzelf is er met mijn fractie te praten over het wijzigen van de arbeidsvoorwaarden en ook over het inkorten van vakanties. We leven in een periode waarin iedereen harder en langer moet werken. Maar aan het huidige voorstel zitten aspecten die mijn fractie niet bevallen.

Op de eerste plaats stelt de minister dat deze regeling geen inbreuk maakt op de vrijheid van de cao-onderhandelaars. Dat lijkt mijn fractie niet juist. Een week vakantie wordt omgezet in vijf roostervrije dagen, die door het jaar heen kunnen worden opgenomen. Bij de behandeling in de Tweede Kamer is dit aantal uitgebreid tot twaalf roostervrije dagen, waarvan de leerkrachten er maximaal drie vrij mogen zijn. Op de overige negen dagen dienen leerkrachten niet-lesgebonden onderwijsactiviteiten te verrichten, bijvoorbeeld bijscholing of teambuilding.

Mijn fractie onderkent het belang van dit soort activiteiten, maar je kunt moeilijk staande houden dat dit geen inbreuk is op de arbeidsvoorwaarden. De vakantiedagen waren vrij besteedbaar en dat geldt niet voor de roostervrije dagen. Dat schoolbestuur en leerkrachten zelf kunnen invullen welke activiteiten zij op deze roostervrije dagen verrichten, doet daar niets aan af. Het gaat om een verslechtering of op zijn minst een wijziging van de arbeidsvoorwaarden. En de minister heeft altijd gezegd dat zij daar niet over gaat.

Op de tweede plaats verdedigt de minister deze ingreep als een vermindering van de werkdruk. Natuurlijk is het mogelijk om de werkdruk te verminderen door een betere spreiding van werkzaamheden. Maar er is hier meer aan de hand! Op dit moment kent men in het voortgezet onderwijs tien roostervrije dagen. Deels zijn dit compensatiedagen. In het wetsvoorstel worden de compensatiedagen afgeschaft en wordt de zomervakantie met een week ingekort in ruil voor in totaal twaalf roostervrije dagen. Leerkrachten gaan dus drie dagen langer werken, zonder dat daar een loonsverhoging tegenover staat.

Op de derde plaats wordt in het wetsvoorstel wel erg veel dichtgeregeld. Waar de minister bij het wetsvoorstel inzake passend onderwijs alles overlaat aan de schoolbesturen, stelt zij bij dit wetsvoorstel behoorlijk strakke kaders vast. Waarom dit verschil?

Voorzitter. Ik kom op het derde bezwaar van mijn fractie: het instemmingsrecht voor de medezeggenschapsraad op de vraag wat voor soort maatwerk meegeteld mag worden als onderwijstijd. Mijn fractie meent dat dit oordeel niet bij ouders en leerlingen thuishoort, omdat het bij het professionele domein van de leerkrachten behoort. Wat is volgens de minister de meerwaarde die met name ouders hieraan kunnen toevoegen? Het oorspronkelijke wetsvoorstel kon al niet op groot enthousiasme rekenen onder leerkrachten, al ging de VO-raad akkoord, maar na de wijzigingen die in de Tweede Kamer zijn aangebracht, is het draagvlak nog verder afgebrokkeld.

Aanleiding voor het wetsvoorstel waren, zoals eerder opgemerkt, de ophokuren. De grote vraag is natuurlijk wat de oorzaak van deze ophokuren was. Schieten scholen tekort in hun planning of stellen wij als politiek te hoge eisen aan scholen? Anders geformuleerd: als wij scholen verplichten om 1040 lesuren te geven, krijgen de scholen dan ook de bekostiging die daarvoor noodzakelijk is? De uitvoerige behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer heeft deze vraag niet kunnen beantwoorden. Tijdens de behandeling stelde de minister dat de lumpsum een historie kent van het steeds opnieuw opnemen van budgetten waardoor er – ik citeer – geen echt verband meer is tussen hetgeen gebudgetteerd wordt en het precieze, heel specifieke aantal uren. Wel stelt de minister dat veel scholen erin slagen om met hun lumpsum uit te komen. En zolang dat het geval is, verlangt zij dat voor alle scholen. Dit is mijn fractie iets te kort door de bocht. Is er uitgezocht waarom sommige scholen wel en andere niet met hun lumpsum uitkomen? Het zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat scholen die het met de lumpsum redden, een relatief jong personeelsbestand hebben. Is er, omgekeerd, nagegaan waarom sommige scholen tekortkomen?

De financiële positie van scholen is er sinds de aanvaarding van dit wetsvoorstel door de Tweede Kamer niet beter op geworden. Vorige week maandag luidde de voorzitter van de VO-raad dan ook de noodklok. Door de partijen van het Kunduzakkoord is een bezuiniging van 45 mln. afgesproken. Dit bedrag komt bovenop stille bezuinigingen als stijgende ziektekosten en pensioenpremies, oudere leerkrachten die langer doorwerken en de niet vergoede kostenstijging van energie. De voorzitter van de VO-raad meent dat in deze situatie de afspraken over het minimum aantal uren niet gerealiseerd kunnen worden.

Mijn fractie vraagt zich oprecht af of een urennorm van 1040 uur in de eerste twee leerjaren onder de huidige omstandigheden haalbaar is. Voor mijn fractie is van belang dat de minister helder aangeeft welke mogelijkheden zij nog ziet. Want wij zijn niet geneigd het onderwijs op te zadelen met wetten die in de praktijk onuitvoerbaar zijn.

De heer Backer (D66):

Voorzitter. "Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter." Aan die openingszin moest ik denken toen ik laatst over de Sarphatistraat fietste. Wij kennen deze zin natuurlijk allemaal, want het is de openingszin van De uitvreter, een boek van de schrijver Nescio. En die herinnering dank ik aan mijn docent Nederlands, want ik vond als leerling Nescio helemaal niet zo toegankelijk. Dankzij zijn vakmanschap, dankzij zijn inzet en dankzij zijn bevlogenheid zijn wij dit boek gaan lezen. Dat is het fundament van het onderwijs! Het vat dan ook goed de visie van D66 op het onderwijs samen: onderwijs draait om dit soort docenten.

Wij staan vandaag voor de taak om een wetsvoorstel te behandelen waarin dat elementaire element, het doorslaggevende belang van de docent, een beetje zoek lijkt te zijn geraakt. In plaats van zich af te vragen hoe de onderwijssector het beste met wetgeving kan worden ondersteund, lijkt de minister zich in te graven voor een lange loopgravenstrijd met de sector.

Scholen hebben zich in meerderheid – zie de rapportage van vorige week – allang ingesteld op de 1000 urennorm, een norm die de facto al een aantal jaren geldt. Is de minister het met mijn fractie eens dat scholen en instellingen gebaat zijn met voorspelbaarheid? Ik vraag dat zo nadrukkelijk, omdat dit ook een van de conclusies is van de commissie-Dijsselbloem.

Ik keer kort terug naar het rapport van de commissie-Cornielje, een rapport met de fraaie titel "De waarde van een norm". Met dit wetsvoorstel wordt volgens de memorie van toelichting beoogd de waarde "onderwijskwaliteit" te beschermen. Maar dat speelde wel in de tijd voordat het allemaal weer werd gewijzigd. In de loop van het wetgevingstraject dat volgde op het rapport-Cornielje, is bij de minister namelijk op enig moment de gedachte gerezen dat "waarde" en "norm" inwisselbaar zijn. Dat zijn ze niet. "Norm" is een middel, een handelingsvoorschrift om een waarde te beschermen.

En de waarde die wij willen beschermen is in dit geval de onderwijskwaliteit. Wij willen dat onderwijs van goede kwaliteit in de benodigde tijd wordt gegeven. Zo staat het terecht in de memorie van toelichting. Leerlingen willen dat ook, getuige de opstelling van het LAKS en andere organisaties. Een norm kan geschreven zijn of ongeschreven als de wettelijke norm niet deugdelijk is, niet goed uitvoerbaar is of de stand van de techniek ons leert dat een soepele uitvoering beter is. Daarvan bestaan tal van voorbeelden in de bestuurspraktijk. Ik denk dan aan de manier waarop wij naar het omgevingsrecht en naar de Arbowet kijken én de manier waarop wij sinds 2009 naar het onderwijs kijken.

De norm die in het wetsvoorstel staat, wordt in de praktijk al gehanteerd. De norm staat op 1040 uren en in de eerste twee jaar op 1000. Dat is precies wat de minister met haar wetsvoorstel probeert te regelen. Dat heeft ook bij de sector de verwachting gewekt dat zij op die lijn door zou gaan. De minister heeft dan ook vier jaar lang gewerkt aan de codificatie van de praktische uitvoering van die norm. Ik zal straks nog iets zeggen over de mogelijkheden om de uitvoering van de norm te verbeteren, maar die verbeteringen bereiken dit wetsvoorstel waarschijnlijk niet. En dat is wel een probleem.

Als er gerede twijfel bestaat over de vraag of het wetsvoorstel zal leiden tot de gewenste verbeteringen, dan moeten wij ons vandaag de vraag stellen wat wij eigenlijk aan het doen zijn. Mijn fractie vindt dat het voorstel in de loop van het wetgevingstraject een beduimeld boek met ezelsoren en doorhalingen is geworden. Is het dan nog wel verstandig om het wetsvoorstel door te zetten? Gaan de belanghebbenden er niet eerder op achteruit dan op vooruit? Biedt voortzetting van de bestaande praktijk eigenlijk niet veel meer rechtszekerheid?

Voorzitter. Ik zal in de rest van mijn betoog drie onderwerpen aan de orde stellen. Het eerste is het belang van de urennorm en de onderwijskwaliteit. Hierover is al veel gezegd en geschreven, maar ik denk dat ik hier toch nog wel iets over kan zeggen dat iets bijdraagt aan dit debat. Diverse kabinetten hebben als hun missie voor het land geformuleerd dat Nederland een kennisland moet worden en dat wij bij de beste van de vijf van de wereld willen gaan horen. De minister besteedt hieraan veel aandacht. Zij doet ook veel goede dingen met als resultaat dat het niveau omhooggaat. Dat valt te prijzen, maar desondanks moeten wij er als medewetgever voor waken dat beslissers in het onderwijs geprikkeld worden om zich uitsluitend te richten op lijstjes. De primaire onderwijstaak is immers nog altijd het geven van onderwijs zodat mensen tot ontplooiing komen en hun talenten kunnen gebruiken.

Er is een instantie die ook met lijstjes is gaan werken en dat is de Inspectie van het Onderwijs. Er is inmiddels een schat aan informatie over de inspectiepraktijk voorhanden, ook over de urennorm. Het is zeker een voordeel dat wij aan de hand van die kennis dit wetsvoorstel kunnen bespreken. Om mij in te leven in de zorgen die leven bij de onderwijssector, heb ik mij verdiept in de eisen waaraan de scholen volgens de inspectie moeten voldoen. En daar ben ik behoorlijk van geschrokken.

De inspectie is niet meer de ingenieur Renkema van Ida Gerhardt. Zoals bekend was Ida Gerhardt een lerares klassieke talen. Zij heeft daar een mooi gedicht over geschreven. Als er tijd is – maar ik vrees dat die er niet is – zou ik die graag reciteren.

De voorzitter:

Gaat uw gang maar!

De heer Backer (D66):

Ik zal de tekst even in portefeuille houden. In het jargon of in de woorden van Ida Gerhardt was de inspectie een hulpvaardige hand op de schouder, de partner waar de minister zo gloedvol over sprak bij de behandeling van de Wet op het onderwijstoezicht in januari van dit jaar. Maar het gaat nu om een beoordelingskader met 85 vraagpunten die gescoord moeten worden. Als ik het goed begrijp, zijn er daarvan 46 weer verheven tot "normindicatoren". Maar interessant voor dit debat: er zijn er maar twee van toepassing op de onderwijstijd. Uitgerekend die twee hebben een enorm gewicht gekregen. Er is twee keer ook apart over gerapporteerd. Het behalen van de urennorm is zelfs een bekostigingsvoorwaarde geworden. Er worden boetes uitgedeeld aan scholen die goed presteren, maar die ergens het vinkje van de 1000 uren niet halen. Die zijn dan niet "compliant", om het in het Engels te zeggen.

Dat is dan ook het grote verschil, zo begrijp ik tenminste van de inspectie. Er zijn op alle onderdelen mogelijkheden van "pas toe" of "leg uit" maar niet op de urennorm. En dus wordt de schaarse mankracht van de inspectie ingezet op een risico dat wij, na vier, vijf jaar verbeteringen van de urennorm waarover gerapporteerd is, helemaal niet meer als groot risico hebben geïdentificeerd. De praktijk is nu: je mag het wel uitleggen, maar als je de 1000 uren niet haalt, dan is het niet akkoord.

Waarom is die praktijk ontstaan? Er zijn twee mogelijkheden. Of de onderwijstijd is beslissend en doorslaggevend voor de onderwijskwaliteit. Of er zijn grote misstanden die op zichzelf genomen reden zijn om scholen aan te pakken. Over het eerste punt wil ik zeggen: nee, uit alle onderzoeken blijkt dat onderwijstijd wel belangrijk is, maar de kwaliteit van de docent is doorslaggevend voor de effectiviteit van de leerprestatie. Van belang zijn de klassengrootte, faciliteiten en orde, maar binnen een bandbreedte van 850 tot 1040 uren kan elke school, afhankelijk van de wijze van inrichting, kwaliteit leveren als die school goede docenten heeft. Voor de kwaliteitsmeting zijn dus basaal drie criteria voldoende: de doorstroom van leerlingen tijdens hun schoolloopbaan – het aantal doubleurs en het aantal "afstromers" – de examenresultaten en de rapportage over de onderwijstijd. De onderwijstijd is dus niet beslissend en doorslaggevend voor de kwaliteit van onderwijs, luidt onze conclusie.

Waren er dan zulke grote misstanden? Ja, die waren er. Die zijn ook aangepakt. We zien dat er een grote vooruitgang is geboekt. Daar is ongelooflijk hard aan gewerkt door het onderwijs. De minister heeft daar ook achterheen gezeten, want zij heeft al een lange historie op dit dossier. Ik moet haar complimenteren met wat daar bereikt is. Maar dat behoort, op enkele uitzonderingen na, nu tot het verleden. We zijn nu een beetje de vorige oorlog aan het voeren.

Er zijn drie dingen gebleken. Ten eerste, een grote meerderheid van de scholen met een betere organisatie en meer aandacht voor het voorkomen van de ophokuren is binnen een of twee jaar in staat gebleken om haar organisatie op orde te brengen. Ten tweede, de inspectie is op dit punt niet met het goede instrumentarium uitgerust. Dat is mijn oppervlakkige analyse, maar ik hoor graag dat het anders is. Dat heeft waarschijnlijk te maken met onheldere politieke signalen. Dat staat niet centraal in dit debat, maar ik wilde het toch even opmerken. Ten derde, de sector voelt zich als gevolg van die handhavingdruk terecht niet serieus genomen. De sector zou gebaat zijn bij een betere en intelligentere aanpak. We zouden erover kunnen nadenken hoe we dat nu het beste kunnen doen.

Ik kom te spreken over een paar wetstechnische aspecten van die 1040 uren. In de zeer korte motivering van het amendement van de heer Beertema staat dat er gewoon harder gewerkt moet worden, dat hij geen sluipende erosie van die urennorm wil hebben. Ik heb net vastgesteld dat er geen sprake is van die sluipende erosie. Het gaat zelfs de andere kant op. De praktijk is dat door de inspectie gecontroleerd wordt op 960 klassikale uren voor allen en 40 uren voor enkelen, en op 700 uren in het eindexamenjaar. De feitelijke minimumnorm voor klassikaal onderwijs is dus 960 uren. Dat is ook uitgelegd in de oorspronkelijke memorie van toelichting. Daar is indertijd ook mee begonnen. Die 40 uur is een gefixeerd maximum.

Ik merk overigens op dat de maatwerkuren als verzameling niet in het beoordelingskader van de inspectie voorkomen. Er wordt wel over gesproken, maar die uren komen niet voor als categorie. Het gekke is dat aan die 60 uren die met het amendement van de heer Beertema geïntroduceerd zijn, wel een kwalitatieve invulling wordt gegeven. Dat heeft me verbaasd, ook na lezing van de motivatie ervan. Het gaat namelijk om achterstandsleerlingen of excellente leerlingen dan wel specifieke groepen. Die omschrijving verschilt dus van de praktijktoets die de inspectie tot nu toe aanhoudt voor de 40 uren. De 40 en 60 uren zijn daarmee dus niet vergelijkbaar, tenzij de minister kan uitleggen dat ik me op dit punt vergis.

Het is natuurlijk wel degelijk een verzwaring van de huidige norm van 960 + 40 uren, met tweemaal 20 uren. Nogmaals, je kunt ze niet optellen. Daar kom ik echter straks nog op. Die gekke wetgevingsformule zat op die manier niet in het oorspronkelijke voorstel. Dan kijk je toch naar een wat virtuele wereld van het departement. Het is voor een schoolleider belangrijker dat hij 960, het liefst 1000, uren vult, ook al worden bij het halen van die norm klassen blootgesteld aan slechte docenten, dan dat hij 930 goede uren laat geven door docenten. Want in dat laatste geval haalt hij het vinkje niet in de tabel van de inspectie. Optellen mag wel, aftrekken mag niet. Stel dat je drie leerlingen met leerachterstanden hebt, die extra tijd nodig hebben. Dan heb je dus 65 uur maatwerk. Dat is dan niet conform de regel, want 60 is een maximum. De instelling mag die 5 uur dan ook niet aftrekken van het klassikale volume aan uren, want dat volume moet ten minste 960 uren bedragen. Dat speelt zich allemaal af in de theorie van het departement! Die 5 uren moeten toch gegeven worden en daar moet toch een formatieplaats voor zijn. Er moet toch les worden gegeven. Het is toch een tegenstrijdig stuk wetgeving dat we hier aan het bespreken zijn? De 980 plus 60 uren kun je dus niet optellen. Dat kan toch ook niet een basis zijn voor een handhavinginstrumentarium? Het kan toch alleen maar een indicatie zijn? We weten immers van tevoren helemaal niet hoeveel maatwerkleerlingen er zijn. Het voorstel van die 1040 uren kan dus nooit een handhaafbare norm worden. Zo gaan we dus een wissel trekken op de rechter en gaan we weer gedoe krijgen in de sector. Dit overtuigt terecht de belangenvertegenwoordigers niet, ook niet die van de scholieren, want dit is meten met twee maten.

Ik denk dat we het veel beter eens kunnen worden over de uitleg van de huidige norm en dat we daarmee verdergaan. Ik denk ook dat dit verkeerde prikkels geeft. Ik heb dat ook wel begrepen van schoolleiders en rectoren. Men zal op een of andere wijze een boete moeten voorkomen. Redenen van financiële aard en buffers kunnen meebrengen dat men dan gaat plannen om dat maar te voorkomen. De minister zegt in de stukken dat het geen enkel effect voor de bekostiging heeft. Ik heb van verschillende zeer kundige zijden gehoord dat dat wel het geval is. Wat is reëel? Ik vraag de minister hierop in te gaan. Als er inderdaad geen bekostigingseffecten zijn, dan zou ik dat ook graag van de minister toegezegd willen hebben. Als die effecten er wel zijn, dan hoor ik graag dat die gecompenseerd zullen worden. Mevrouw Linthorst zei het al: we gaan al terug met de bekostiging. Dat gebeurt helaas sluipenderwijs.

Ik heb ter afronding van dit onderdeel nog een laatste punt: het voldoen aan de urennorm is voor de instellingen een inspanningsverbintenis. Ik ben blij dat de minister dat in de schriftelijke voorbereiding heeft bevestigd. Ik stel ook vast dat in de discussie aan de overzijde enkele leden ervan uitgingen dat met het amendement van de 1040 uren leerlingen aanspraak konden maken op die 1040 uren. Dat is een andere premisse. Het richt zich op de instellingen.

Ik ben toe aan het tweede punt van de wetstechnische punten: het instemmingsrecht van de medezeggenschapsraad. De gedachte om leerlingen, ouders en docenten een rol te geven is sympathiek, maar – vergeef me dat ik het zeg – het is toch een product van slordig denken. Dat blijkt ook uit het voorstel. De minister laat in het midden of er door de MR een bevoegdheid is gecreëerd om mee te beslissen over de inhoud van het onderwijsprogramma. Er wordt uitgelegd dat het niet zo is, maar in de nadere memorie van antwoord staat toch ook weer een beetje dat het wel zo is. Mij dunkt dat het wel degelijk een bevoegdheid is die er niet was, waarmee onderwijstijd kan worden beïnvloed. Het beoordelingskader van de inspectie is immers geen limitatieve lijst.

Het begint eigenlijk ook al in de memorie van toelichting. Daarin staat het volgende. "Het wetsvoorstel brengt ouders en leerlingen in de positie om de school bij de les te houden daar waar de kwaliteit van het onderwijs onder druk komt te staan doordat er bijvoorbeeld te weinig uren worden gerealiseerd."

Voorzitter. Deze tekst zou er bij Nescio niet doorkomen. Waarom zouden wij dat als wetgever wel doen? Ik begrijp de gedachte wel, maar op deze wijze is de bevoegdheidsafbakening onhelder. Dan gaan er dus in organisaties problemen ontstaan op die grensvlakken van bevoegdheden. Men heeft wel andere dingen te doen. Er kan ook rechtsongelijkheid ontstaan. Bij de ene school wordt het wel onderwijs en moet het naar de inspectie en bij de andere school niet. Ik denk dat dit helemaal geen verbetering is. Het verbaast ook, want nog geen maand of twee maanden geleden hebben wij een brief ontvangen van de minister waarin de pilots met de medezeggenschap worden geëvalueerd. De bestaande situatie blijkt goed en gunstig. Welk probleem zijn wij nou eigenlijk aan het oplossen?

Ik vat dit blokje even samen. Het gaat om een verdere inperking van de rol van de professionals. Het is een aanmoediging van de ouders om zich te bemoeien met de lesinhoud en een aanmoediging om bij ongelijk krijgen te eisen dat uren worden ingeroosterd. Dat lijkt mij geen verstandige wetgeving.

Dan kom ik op de "onteigeningsvraag"; zo noem ik het maar. Het voorstel beperkt de vrijheid van scholen om dagen in te roosteren waarop docenten geen les geven, hetzij omdat zij roostervrij zijn, hetzij vanwege vakantie. Er is van alles te zeggen over die vakanties en de inroostering. Mij lijkt dat daarin verbeteringen zijn aan te brengen en dat de bonden daarbij een taak hebben. Liet de vrijheid een aaneengesloten periode van zeven weken vakantie toe, met dit voorstel kan dat niet meer. De vakantietijd wordt daardoor gemaximeerd tot zes weken in de zomer. De omzetting van drie dagen vakantie van docenten in ingeroosterde uren en het niet langer compenseren van twee christelijke feestdagen zijn verplicht geworden. Daar kunnen we lang of kort over praten, maar dat is natuurlijk gewoon een verslechtering van de arbeidsvoorwaarden. Waarschijnlijk is het ook een inbreuk op het EVRM en op het Europees Sociaal Handvest.

D66 is helemaal niet zo van de taboes. Mij lijkt dat D66 recentelijk ook medeverantwoordelijkheid heeft genomen in het Lenteakkoord, waarin dingen zijn overeengekomen die zeer ingrijpend zijn, maar hervormingen moeten wel op een rechtmatige wijze tot stand komen. Bij het omzetten van een week vakantie van docenten in ingeroosterde uren en het niet meerekenen daarvan gaat het om in geld waardeerbare aanspraken. Dat is de formele, juridische kant, maar het is ook een respectloze ingreep die in de loop van het debat weinig elegant is toegelicht, en dat terwijl veel inzet nodig is om het beroep van leraren en docenten aantrekkelijk te maken en de arbeidsvoorwaarden te verbeteren. De minister doet daar van alles aan: de nota Beter Presteren, de prestatiebox. Er gebeurt van alles. In het licht van dat streven naar de verbetering van de positie van docenten op de arbeidsmarkt en het anticiperen op de grote uitstroom in de jaren 2014–2015 in met name havo en vwo, is dit buitengewoon onverstandig en contraproductief. Het is ook niet verbazingwekkend dat wij daarover veel brieven van docenten hebben gekregen. Die komen niet – als ik het zo mag zeggen – van het gebruikelijke actiewezen, maar gewoon van teleurgestelde docenten, rectoren en andere mensen uit het onderwijsveld. Ik hoop dat wij het vandaag kunnen vermijden, maar ik denk dat er in het debat veel is gebeurd waardoor in het onderwijsveld de indruk is ontstaan dat de politiek zich zijn belangen niet aantrekt. Ik denk dat die indruk verkeerd is, maar ik wil de minister graag uitnodigen om dat vandaag recht te zetten.

Vakantie en stress zijn al aan de orde geweest. Beroepstrots is een belangrijke waarde. Die krijgt met dit voorstel een deuk. Daarom geeft dit voorstel ook psychologisch zo'n verkeerd signaal.

Ik maak nog een laatste technische opmerking over de roostervrije dagen. De minister vindt het een enorme verbetering dat roostervrije dagen een plaats krijgen in de wet. Maar waarom? Ze bestaan al jaren en zijn onderdeel van de cao. Cao's kunnen toch niet contra legem worden gesloten? Het past toch gewoon in het systeem van de wet en de bedoeling van de wetgever om de instellingen de ruimte te geven om dit te doen? Wat is hier nu eigenlijk de winst? Er zijn "verboden" tijdstippen in de wet gekomen. Het is een bevoogding die overbodig is en, nogmaals, contraproductief.

Ten slotte kom ik aan mijn tussenafweging. Zo noem ik het maar, want ik hoop dat de minister enkele zaken te berde zal brengen die mijn fractie kunnen overtuigen. Het is wel een beetje een "up-hill battle"; dat moet ik wel toegeven. Docenten, schoolleiders, ouders en leerlingen waren de afgelopen weken volledig in beslag genomen door de laatste lesweken en de eindexamens. De resultaten van de eindexamens zijn nu bekend: over de hele linie is het redelijk goed uitgepakt. Er is natuurlijk ook teleurstelling. Wij hebben het allemaal kunnen zien. Ik weet niet of het ook zo is bij de minister in de straat, maar in mijn straat hangen vlaggen en rugzakjes. Men is daar dus mee bezig geweest. Ondanks die drukte hebben vele betrokkenen ons laten weten, ook voor dit debat, hoeveel moeite zij hebben met dit wetsvoorstel en hoezeer zij zich niet serieus genomen voelen. Het debat in 2011 in de Tweede Kamer eindigde met een concessie van de minister aan de gedoogpartner PVV. Als ik dat zo nalees, dan denk ik "contre coeur". Voor degenen die geen Frans meer in het pakket hebben: met hartenpijn van de minister. Ik vertaal het maar even zo. Het was een politieke afweging. Dat heeft ze ook eerlijk toegegeven. Inmiddels is het echter de zomer van 2012. Er is een heleboel gebeurd. De formatie voor het nieuwe schooljaar is al klaar. De minister heeft dat ook ingezien en gezegd dat het niet eerder kan ingaan dan het schooljaar 2013–2014. Kortom, de situatie die al jaren bestaat, die prima werkt en waarover de inspectie rapporteert dat het steeds beter gaat, zal in elk geval tot januari 2013 voortduren. In de tussentijd vinden nog verkiezingen plaats. Het huidige kabinet is demissionair. Het is dan toch wel een opmerkelijke keuze van een demissionair kabinet, dat voor zijn begroting afhankelijk is van een andere Kamermeerderheid, om dit wetsvoorstel door te zetten. Deze Kamer heeft natuurlijk ook waargenomen dat er nog recentelijk massale demonstraties zijn geweest. Het is niet onze taak om daar meteen op te reageren, maar wij noteren dat natuurlijk wel. Ik twijfel ook helemaal niet aan de goede intenties van de minister, die oorspronkelijk met dit wetstraject goed is begonnen, maar de analyse van het wetsvoorstel, de ontmoetingen met de mensen in het veld en de afgelopen maanden gaven toch een onthutsend beeld – ik spreek maar even voor mezelf – van een discongruentie tussen de reële wereld van het onderwijs en de ambtelijke of politieke virtuele werkelijkheid. Dit beeld is in de laatste fase van de behandeling gaan domineren.

Ik ga even terug naar het begin van mijn betoog. Als het antwoord op de vraag of dit wetsvoorstel een of meer normen definieert die de centrale waarde van de onderwijskwaliteit beschermen of bevorderen, het criterium moet zijn, wat voor ons het geval is, dan moet ik concluderen dat hierover bij mijn fractie grote twijfel bestaat. Ik zeg het maar even eerlijk. Als deze Kamer het voorstel verwerpt of als de minister het voorstel terugtrekt, wat misschien nog wel eleganter is, zou dan werkelijk onherroepelijk iets belangrijks verloren gaan? Het is bijna een retorische vraag, maar ik wil de minister toch graag vragen om daarop in te gaan. Kan misschien op een andere wijze een modus worden gevonden waarmee het onderwijs verder kan? Anders blijft dit maar een onafgemaakte zaak. Het lijkt mij dat wij het antwoord op die vraag maar moeten bespreken nadat wij de antwoorden van de minister hebben gehoord. Zo nodig zal ik de Kamer vragen om een uitspraak als die kan bijdragen aan de oplossing.

De heer Smaling (SP):

Voorzitter. Een pluspunt van de wet die wij vandaag behandelen, is dat zij mij de gelegenheid bood om 36 jaar na het behalen van het diploma eindelijk weer eens mijn geliefde middelbare school te bezoeken. Zo veel is nog hetzelfde, maar zo veel is ook veranderd. De kleurencombinatie die het gebouw uitrolde terwijl ik mijn fiets parkeerde, is zoveel bonter dan destijds. Toch was er dezelfde uitgelatenheid. Behangen met allerhande gadgets, waar wij toen geen weet van hadden. Het contrast tussen enerzijds de moderne mediatheek en de rijen computers en anderzijds de rekenliniaal met die blauwe plastic huls waarmee je de klasgenoot voor je op het hoofd mepte als de leraar even niet keek. Spijbelen terwijl je bij wijze van spreken nog werd uitgezwaaid door de leraar. Het bestaat niet meer. Blowen in de garderobe tijdens de pauze? No way! Elke zin eindigen met "weet je wel", of "reeds". Het is afgelopen. Verleden tijd. Kortom, generaties bewegen en blazen verse zuurstof en creativiteit de scholen in. Mores veranderen, maar ook duiken nieuwe problemen op waar oude zijn verdampt of ondervangen.

Door de jaren heen is er ook een grote hoeveelheid wetgeving bij gekomen. Ik ben van het tweede jaar van de Mammoetwet. Dat klinkt al bijna even lang geleden als het bestaan van de mammoet zelf. Bewindspersonen en Kamerleden stuiterden en stuiteren regelmatig over elkaar heen door de veranderdrift. Nieuwe schoolvormen werden uitgevonden en aangepast. Gratis schoolboeken, die Europees moesten worden aanbesteed, werden bedacht. Schaalvergroting deed zich overal gelden. Nieuwe posities werden gecreëerd voor spreadsheetterroristen, die als bevoegd gezag door het leven gaan, maar nooit voor de klas staan. En de school werd ondertussen steeds meer een markt, met de ouder en het kind als klant. En wie bleef te midden van al deze stormen overeind? Juist. De leraar. Dat wil zeggen: tot nu toe. Want vandaag en binnenkort behandelen we twee zeer ingrijpende wetsvoorstellen die je zou kunnen samenvatten onder de titel "Hoe jagen we de leraar definitief in de gordijnen?".

Ik behandel drie zaken wat meer in detail.

De eerste betreft het alsnog vaststellen van de onderwijstijd in de onderbouw op 1040 uur. De OECD-overzichten van "Education at a glance" laten één ding heel goed zien: onderwijstijd en onderwijsprestatie hebben vrij weinig met elkaar te maken en zijn zeer slecht gecorreleerd. Landen met weinig lestijd doen het soms uitstekend, zoals Finland, en landen met veel lestijd doen het soms heel matig, zoals Italië. Alles ertussenin bestaat ook. Het Europees gemiddelde is trouwens 865 uur. Nederland zit dus heel hoog, of wij het nou over 1000 of 1040 uur hebben. Nederland scoort echter ook vrij hoog. De commissie-Dijsselbloem, waarop de commissie-Cornielje zich goed heeft gebaseerd, suggereerde nog een bandbreedte, maar uiteindelijk is het voorstel van de commissie-Cornielje toch 1000 uur geworden voor de onderbouw. Een sterk argument daarbij was dat de bekostiging is afgestemd op 1000 uur. Dat wordt als haalbaar gezien. Dan wordt in de Tweede Kamer toch het veelbesproken amendement ingediend om er 1040 uur van te maken. Ik kan me voorstellen dat het voor de minister uit de lucht kwam vallen. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer zei de minister wel dat zij een voorstander is van 1040 uur. Het amendement beschouwde zij, nadat het aantal keren was gewijzigd, als winst. Dat werd een paar keer zo uitgesproken. We hoeven het niet altijd met commissies eens te zijn; het is ons werk om hun rapporten te lezen en daar wat van te vinden. Het voorstel van de commissie-Cornielje kwam echter rechtstreeks voort uit de bevindingen van de commissie-Dijsselbloem. Ook de bevindingen van de commissie-Meijerink zijn door de commissie-Cornielje goed benut. Men is met veel wijsheid en over de volle politieke breedte – in met name de commissie-Dijsselbloem – aan de gang geweest. In feite is geprobeerd om alle klippen in het onderwijsveld te omzeilen. Iedereen is gehoord. Het advies was 1000 uur. Bijlage 3 bij het rapport van de commissie-Cornielje is echt een "must read" voor elke politicus; daarin komt de waan van de dag in optima forma voorbij. Het is een chronologisch verslag van het politieke rumoer rondom onderwijstijd door de jaren heen. Soms was dat zinvol, soms had dit het oogmerk om voor even een voetafdruk achter te laten in de "hall of fame" die het parlement heet. De heer Beertema van de PVV komt er ongetwijfeld ook in, al had hij zeker nobele motieven voor zijn amendement.

Waarom heeft de minister zich niet meer met hand en tand tegen het amendement verzet? Ik snap dat het voor een minister lastig is om met een amenderende Tweede Kamer te moeten werken. De Kamer heeft nu eenmaal het recht van amendement. Ze had toch ook het risico kunnen nemen dat die wet zou sneuvelen? De minister had achter haar scholen en achter haar leraren moeten gaan staan. In de ogen van mijn fractie is dat een grote beoordelingsfout. Ik hoop dat het daar de rest van het debat over gaat. Waarom geeft de minister in de Tweede Kamer publiekelijk toe een voorstander van 1040 uur te zijn? Waarom werd het amendement opgevat als winst? Uit een enquête van de VO-raad blijkt ook nog dat 88% van de schoolbesturen de 1040 uur naast zich neerlegt en gewoon 1000 uur zal inplannen, zoals aanvankelijk overeengekomen. De Inspectie controleert ook op 1000 uur, dus dat lijkt veilig. Maar ja, je creëert hiermee een soort gedoogde burgerlijke ongehoorzaamheid en dat lijkt me toch niet wenselijk.

Verder is er nu sprake van 60 uur aan maatwerk die meegeteld mogen worden. Dat maatwerk, zo maak ik op uit de nadere memorie van antwoord, hoeft echter slechts aan enkele leerlingen te worden aangeboden en het betreft ook niet noodzakelijkerwijs alle vakken en alle docenten. Klopt het dat in feite één docent op jaarbasis met één leerling 60 uur in de weer kan zijn en dat daarmee de school als geheel aan die norm van 1040 uur voldoet? Dit zou gelden voor scholen met slechts modaal presterende leerlingen. Die zitten tussen dat gymnasium in het Gooi en de vmbo-school in, in een achterstandswijk waar relatief veel excellentie, respectievelijk bijspijkermaatwerk, moet worden aangeboden. Krijgen die scholen voor beide extremen extra middelen om dit maatwerk te leveren? Nee, zegt de nadere memorie van antwoord. Graag hoor ik van de minister hoe zij dit ziet.

Ten slotte kom ik in relatie tot dit punt op het "ophokuur". Dat is al genoemd – dat wordt hét woord van het jaar, als dat al niet hét woord van vorig jaar was – en daar was het toch allemaal om begonnen. Leerlingen stonden daarom in 2007 op het Museumplein. Is dat probleem in de ogen van de minister met dit wetsvoorstel werkelijk ondervangen? Bijvoorbeeld het Daltonuur lijkt mij oplossing, maar dat zeg ik misschien ook omdat ik zelf op een dergelijke school heb gezeten.

Het tweede punt betreft het verregaand ingrijpen in periodes waarin onderwijs gegeven dient te worden. Hoe vaak en met name wanneer er vakantie, roostervrije dagen of studiedagen kunnen worden opgenomen, levert een puzzel zonder weerga op in de beide memories van antwoord. Na lezing blijft er maar één vraag hangen: wat was nou werkelijk het probleem? Voor drie van die dagen moet een aparte AMvB worden opgesteld. Hoe ver wil je als wetgever gaan? Is het probleem van de minister het aantal lesuren dat een leerling krijgt, of is dat het aantal vakantiedagen dat een leraar krijgt? Als het eerste het geval is, en dat blijkt ook uit de memorie van antwoord, vraag ik mij af waarom zij dan een maximum aan het aantal vakantiedagen stelt. Wil zij daaraan paal en perk stellen, of wil zij dat niet?

Ondanks een welles-nietesspel in de schriftelijke rondes, is duidelijk dat er wordt ingegrepen op het niveau van de cao. Dat blijkt trouwens ook uit de mondelinge behandeling door de Tweede Kamer. Ik dacht dat we dat niet meer zouden doen. Graag horen wij waarom dit zo moet en hoe met droge ogen is vol te houden dat deze wet slechts "kaderstellend" is, zoals in de memorie van antwoord wordt beweerd. De VVD heeft daarover ook schriftelijke vragen gesteld, maar het antwoord daarop is wat mij betreft niet afdoende.

Punt 3 betreft het voorstel dat tot doel heeft, de zeggenschap van ouders en leerlingen te vergroten. De Raad van State raadt dit af. Verder geeft de recente evaluatie van de Wet medezeggenschap op scholen daartoe niet de minste aanleiding. Als adviesrecht verandert in instemmingsrecht, betekent dat een forse wijziging van de machtsverhoudingen in de medezeggenschap. Los van de informatieachterstand die ouders en leerlingen doorgaans hebben in de medezeggenschapsraad, staat dat je simpelweg niet mag verwachten dat ze altijd een gemeenschappelijk belang voor ogen hebben. De memorie van antwoord stelt dat de wettelijke borging van de "horizontale dialoog" naar de mening van de regering nodig is om te voorkomen dat in scholen gewoontes kunnen "groeien", waardoor de "horizontale dialoog" geleidelijk aan onder druk komt te staan. Ik moet dan echt denken aan dr. Clavan, het typetje van Van Kooten en De Bie. Het is in ieder geval een verschrikkelijk jargon. Bij "horizontale dialoog" heb ik heel andere associaties en het is een nietszeggende zin. Om welke gewoontes gaat het hier? Hoe groot is die druk en wat wordt verstaan onder geleidelijke druk? Waarom moet die dialoog geheel horizontaal zijn en is dat al niet het geval?

Ouders worden in de memorie van antwoord ook opgevoerd als "ervaringsdeskundigen". Dat is een onjuiste typering. Ze zijn "belanghebbenden". Dat is heel wat anders. Ze nemen een dienst af en willen het beste voor hun eigen kind. Wat telt, is de tevredenheid over die dienst. Als die tevredenheid te wensen overlaat, kan de ouder naar onze beste traditie inspreken. Als veel ouders ontevreden zijn, gaat dat rondzingen en daar zal een school alleen maar last van hebben. Daarbij speelt zelfregulering dus een rol. Verder is er een landelijke geschillencommissie, die trouwens bijna nooit geschillen hoeft te behandelen. Zij behandelt vijftien geschillen per jaar, wat ik niet veel vind. En de inspectie is er. Je zou dus zeggen dat er genoeg checks-and-balances zijn.

Vergelijk een ouder met twee kinderen en een leraar die op jaarbasis honderd kinderen voor zijn neus heeft. Zeg dat die leraar optimaal functioneert omdat hij of zij zich gesteund weet door de minister en dat hem of haar niet, zoals nu, op allerlei manieren het leven zuur wordt gemaakt. Die leraar "kweekt" dan misschien wel 80 alerte, leuke, sociale kinderen, waarin een hoop kennis en vaardigheden postvatten. Het multipliereffect van een goede leraar kan enorm groot zijn. De leraar in dit voorbeeld is 40 keer effectiever dan die ene leuke ouder aan wie we nu instemmingsrecht willen geven. Ik hoop dat de minister dat met mij eens is.

De memorie van antwoord begint met de zin dat de regering constateert dat in de dynamiek rondom de lerarenstaking op 26 januari jongstleden, en daarvoor bij de leerlingenstaking op 21 december jongstleden, beeldvorming over het wetsvoorstel over onderwijstijd de overhand had in plaats van de feitelijke inhoud ervan. Deze beginregel is één van de meest stuitende regels die mij in mijn tijd als Eerste Kamerlid onder ogen is gekomen. Met deze zin wordt duidelijk hoe ver een wetgever af kan komen te staan van een deel van zijn bevolking. Het feit dat de Eerste Kamer met deze zin als het ware wakker geschud zou moeten worden, maakt het nog erger. De afkeer van het meervoudige massale protest spat er werkelijk vanaf. Er is sprake van een totaal gebrek aan empathie tegenover een beroepsgroep waarop wij juist verschrikkelijk zuinig zouden moeten zijn. Het is een beroepsgroep die zich over het algemeen de benen onder het lijf vandaan loopt en die een aanzienlijk deel van zijn vrije tijd in het vak steekt. Het is een beroepsgroep die gebrand is op het kneden en wapenen van onze tieners, die na het voortgezet onderwijs uitwaaieren in de maatschappij. Het is een beroepsgroep die vergrijst. Een steeds groter deel van de beroepsgroep bestaat uit mensen die niet de benodigde bevoegdheden hebben. Die beroepsgroep schreeuwt om vers, goed opgeleid bloed, maar waar is het wenkend perspectief voor deze mensen? Het is een beroepsgroep die niet alleen geacht wordt om een vak te verstaan, maar waarvan ook verwacht wordt dat hij gezag én begrip uitstraalt en dat hij met een maximum aan bereidheid en bekwaamheid de knop steeds omzet en iedere leerling zoveel mogelijk maatwerk biedt. Het is een beroepsgroep die straks voor een eerstegraads bevoegdheid geacht wordt om een masterdiploma te behalen.

De vraag is echter of de werktijd die gereserveerd is voor deskundigheidsbevordering, voldoende is. Het leven als deeltijdstudent had zonder tussenkomst van deze Kamer, in het bijzonder van die van collega Ganzevoort van GroenLinks, namelijk ook nog een "langstudeerboete" kunnen opleveren. Het is een beroepsgroep die te maken krijgt met toegenomen zeggenschap van ouders en leerlingen die lichtjes doet denken aan de Culturele Revolutie. Het is een beroepsgroep die er straks, als het aan deze regering ligt, ook nog eens kinderen bij krijgt met forse handicaps of gedragsproblemen, terwijl de klassen reeds vol zijn. Die kinderen hebben een vorm van extra aandacht nodig waarvoor die leraar helemaal niet is opgeleid. Die kinderen zullen dan de aandacht opeisen, waardoor die niet meer aan de andere leerlingen geschonken kan worden. En het is een beroepsgroep die nu al een uitvalpercentage van 17 kent wegens een burn-out.

En wat staat er in de memorie van antwoord? Daarin staat dat de regering niet het risico ziet van stijging van de uitvalspercentages betreffende docenten. Hoezo ziet de regering dat risico niet? Waarop is die veronderstelling gebaseerd? Wat deden al die mensen dan bij die stakingen? Waarom spreek ik dan de ene na de andere leraar die al op het randje zit? Een minister van Onderwijs dient altijd, dag en nacht en in woord en geschrift, achter haar lerarenkorps te staan. Mijn fractie ziet dat niet en verbaast zich daarover omdat deze minister juist wel over die capaciteiten beschikt.

Met alle sympathie voor de minister zeg ik dat dit wetsvoorstel echt volledig herschreven moet worden. Gezien de acties die er zijn geweest, is duidelijk dat daarvoor geen draagvlak is. Dat geeft de minister ook ruiterlijk toe in de memorie van antwoord. Dat alleen al lijkt ons genoeg reden om de wet aan te houden. Het zou de politiek in dit geval sieren als zij niet de baas wilde spelen, maar als zij terugkeerde naar de tekentafel en bekeek wat werkelijk nodig is, waaraan "het veld" behoefte heeft en waarmee het uit de voeten kan.

De minister geeft in haar exposé in de memorie van antwoord over de Finse situatie hoog op over het Nederlandse onderwijs. Wees daar dan ook zuinig op en repareer geen zaken die niet kapot zijn. Gewoon die norm van 1000 uur in de onderbouw invoeren, zoals is afgesproken, 190 lesdagen garanderen voor leerlingen, scholen royaal de ruimte bieden voor het leveren van maatwerk, zowel aan de excellente als aan de bijspijkerkant. Scholen zelf laten bepalen waarover het moet gaan, zich niet bemoeien met vakantieperiodes en roostervrije dagen en die "horizontale dialoog" niet forceren door middel van wetgeving.

Een "Leven Lang Leren" was de afgelopen tijd de alliteratie in onderwijsland. Wat mijn fractie betreft luidt die vanaf vandaag "Lang Leve de Leraar".

De voorzitter:

Dank u wel. U hebt zich volgens mij in ieder geval kandidaat gesteld voor hét woord van het jaar: "spreadsheetterroristen". Prachtig!

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Voorzitter. De meeste problemen lossen zich op als er niet te veel wordt gestoord. Dat is typisch een wijze uitspraak die je zou toeschrijven aan je grootmoeder. Je kunt wel van alles en nog wat willen regelen, maar soms is het beter om even af te wachten. Dan ontdek je dat een deel van de problemen alweer vanzelf is opgelost. Zo'n grootmoeder zou daarbij zeggen dat dit natuurlijk niet voor alle problemen geldt en dat je soms juist snel en daadkrachtig moet zijn. De kern van wijsheid is, weten wanneer je moet ingrijpen en wanneer je terughoudend moet zijn. Tot zover een wijze grootmoeder, nu naar dit wetsvoorstel.

Dan blijkt dat van die wijsheid weinig te herkennen is. Precies om die reden is dit wetsvoorstel zo omstreden. Hoe zat het ook alweer? Er werd al jarenlang discussie gevoerd over het aantal uren onderwijs dat scholen verzorgden, over onduidelijkheden op het gebied van schoolprogrammering rondom vakanties en dergelijke. De aanscherping van het inspectietoezicht leidde tot minder uitval van lessen – dat is ook logisch, vanwege de sancties – maar ook tot wat sindsdien "ophokuren" heet. Als je de sancties gewoon oplegt, zorgen scholen wel dat de uren gemaakt worden. Dat gebeurt dan ook zonder dat dit inhoudelijk effect heeft. Terecht hadden leerlingen, ouders en docenten daartegen grote bezwaren. In reactie op die spanningen, met de LAKS-demonstratie op het Museumplein als hoogtepunt, stelde de minister de commissie Onderwijstijd in. Dat leidde tot een uitgebalanceerd en breed gedragen advies. Eigenlijk hoefde de minister niet meer te doen dan dit te concretiseren en de uitkomst te verankeren die met alle betrokkenen was gevonden. Men had het probleem op hoofdlijnen al opgelost, zeg maar, en het was nu de kunst om ze daar vooral niet te veel bij te storen. Men kan zelfs zeggen dat het concretiseren vooral moest gebeuren door scholen en docenten met medezeggenschap van leerlingen en hun ouders.

Toen ging er echter iets mis. Bij de uitwerking van het wetsvoorstel, tijdens het debat met de Tweede Kamer, in discussies met het veld en bij de beantwoording van de vele schriftelijke vragen van deze Kamer, raakte de minister steeds meer verstrikt in detailregelingen en detailargumenten. Ze zag zich geroepen, gedwongen of wat dan ook om het uitgebalanceerde voorstel van de commissie-Cornielje open te breken om de gedoogpartner te gerieven en probeerde dat vervolgens te neutraliseren door te schuiven met maatwerkuren. Ze ging rommelen met vakantiedagen en raakte in de knoop met vakbonden en anderen die door hadden dat ze daarmee direct of indirect aan cao-afspraken kwam. De vragen die dat allemaal opriep, werden van lieverlee steeds meer inconsistent beantwoord. Het is tegelijk wel en niet een versoepeling, scholen kunnen wel en niet zeven weken vakantie plannen, de minister bemoeit zich wel en niet met de aanwezigheid van leraren op onderwijsvrije dagen. De minister goochelt af en toe met de bestaande wettelijke situatie, de feitelijke situatie van het toezicht door de inspectie, de in het oorspronkelijke wetsvoorstel beoogde situatie en met de laatste variant van het voorliggende wetsvoorstel. Ze doet dat totdat niemand het meer snapt. Ze dreigde met de woorden dat, als dit wetsvoorstel niet werd aangenomen, automatisch de bestaande wettelijke kaders strikt zouden moeten worden gehandhaafd. Er was sprake van een onnodig en onterecht powerplay in de relatie met deze Kamer. Het is immers juist onze taak om dit wetsvoorstel te toetsen op coherentie, uitvoerbaarheid en dergelijke. We kunnen die afweging ook wel maken zonder zo'n dreigement.

Het dieptepunt van dat alles – ik hecht eraan om dat hier te zeggen – was de manier waarop in het debat over docenten werd gesproken. Dat gebeurde niet alleen door politici zoals de heren Beertema en Elias. Zij zetten de docenten weg als laf, lui en nog meer. De minister nam daarvan ook onvoldoende afstand. Zij noemde hun staking onverantwoord en joeg ongeveer het gehele veld tegen zich in het harnas. Dat kwam ook tot uitdrukking in enkele misplaatste opmerkingen over de minister vanuit het veld. Ook dat wil ik graag noemen. In januari van dit jaar bleek het vertrouwen van docenten in het voortgezet onderwijs in "hun" minister gedaald te zijn naar 6%. Wat begon als een breed gedragen compromis, werd onnodig getransformeerd tot een struikelblok en bevriezing van de relatie tussen de minister en het onderwijsveld. Ze liet namelijk merken dat de relatie met haar gedoogpartner haar meer waard was dan inhoudelijke discussies of dan de relatie met al die betrokken docenten, schoolleiders, ouders en leerlingen. Dat is misschien wel de grootste schade die dit wetgevingsproces heeft aangericht.

Ik hecht eraan om dit kader te schetsen omdat de manier waarop het debat gevoerd is en de weerstand die dat heeft opgeroepen, invloed heeft gehad op het draagvlak van het wetsvoorstel en dus op de uitvoerbaarheid daarvan. Hoe moet een wet uitwerken als daarmee bij alle betrokkenen alleen maar weerstand is opgeroepen? Waarom heeft de minister een consensusoplossing verruild voor een weg die moet worden afgedwongen? Ik schets dat kader vooral omdat mijn fractie zo graag zou willen weten wat de minister geleerd heeft van dit proces en wat ze een volgende keer anders zou doen. Hoe zou ze een volgende keer voorkomen dat een zaak zo uit de hand loopt? Ik hecht er ook aan om hier uit te spreken dat mijn fractie wél grote waardering heeft voor de inzet van docenten om jongeren te begeleiden en voor te bereiden op het participeren in de samenleving. Ik sluit mij aan bij datgene wat collega's daarover hebben gezegd. Het is een beroepsgroep die onder grote werkdruk een essentiële bijdrage levert aan een steeds complexer wordende samenleving en het voorbereiden van jongeren daarop. Dat kunnen wij met onze wetgevende taak ondersteunen en faciliteren, maar wij kunnen het ook ondermijnen. Dat kunnen wij bijvoorbeeld doen met onnodige diskwalificaties en een stortvloed van nieuwe regelingen. Het is wijsheid om te weten wanneer je moet ingrijpen en wanneer je niet moet storen.

Ik ga over naar de inhoud van het wetsvoorstel. Er zijn vier zaken aan de orde, namelijk kwaliteit, onderwijstijd, vakanties en medezeggenschap. De doelstelling van het wetsvoorstel is het waarborgen van kwaliteit en van transparantie en betrouwbaarheid van het onderwijsaanbod van scholen. Daar hoort dus bij het terugdringen van lesuitval en wat dies meer zij. Op zich is dit een legitiem doel. Onderwijskwaliteit gaat ons allen immers ter harte. In de memorie van toelichting wordt dit dan ook terecht voorop geplaatst. Bij kwaliteit gaat het over de onderwijsinhoud, over zinvol, inspirerend en uitdagend onderwijs. Verder gaat het daarbij om een variatie van onderwijsactiviteiten. Dat onderwijs moet gegeven worden door bekwame en dus gekwalificeerde docenten. Ouders en leerlingen zouden medezeggenschap moeten hebben over het programma als geheel. Op het laatste kom ik terug. Op zich zijn dit belangrijke zaken. Dat maakt het des te verdrietiger dat ze eigenlijk in het vervolg geen rol spelen. Het gaat verder namelijk slechts over procedurele voorwaarden, zoals medezeggenschap en onderwijstijd. Kwaliteit op zichzelf is verder echter geen thema van belang. Daarom vraag ik de minister of het mogelijk is dat medezeggenschap en onderwijstijd op grond van dit wetsvoorstel volledig geregeld zijn en dat het onderwijs toch niet van de beoogde kwaliteit is? Dat lijkt mijn fractie namelijk heel goed mogelijk. Daarom zouden wij graag horen op welke wijze die beoogde kwaliteitsverhoging door dit voorstel is gewaarborgd. Misschien zal de minister verwijzen naar de "horizontale dialoog" met alle betrokkenen, maar die betrokkenen mogen niet meepraten over de onderwijsinhoud en het is maar de vraag of bijvoorbeeld ouders en leerlingen voldoende geïnformeerd zijn om zinvol invulling te geven aan hun medezeggenschap. Ik constateer hier nogmaals met leedwezen dat de kwaliteitszorg die we zouden verwachten van de relatie met de inspectie, al is uitgekleed door de keuze voor risicogericht toezicht. Daarbij spelen weinig inhoudelijke kwaliteitscriteria een rol. Laat ik het dus maar eens op een andere manier vragen: zou dit wetsvoorstel er echt anders uitzien als het niet gericht was op het verhogen van kwaliteit? Ik vermoed dat dit niet het geval zou zijn en dat roept de vraag op of dit spreken over de kwaliteit niet misleidend is en of het niet een vlag is op iets wat inmiddels op een modderschuit lijkt. Graag wil ik een reactie van de minister hierop.

Ik kom op de onderwijstijd. Dit is waarschijnlijk het meest bediscussieerde onderdeel. In de wandelgangen heet het dan ook wel de "1040-urenwet". Ik ga maar niet in op het feit dat het voor verschillende leerjaren verschillend is. Ook hierbij is het eerste uitgangspunt de kwaliteit, wat blijkt uit de memorie van toelichting. Een urennorm draagt bij aan de kwaliteit, aldus de memorie van toelichting. Sommige Tweede Kamerleden schijnen dan ook gedacht te hebben: Ah, hoe meer uren, des te meer kwaliteit. Maar dat is natuurlijk onzin. Er is geen rechtstreekse relatie te leggen tussen kwantiteit en kwaliteit, wat ook de internationale vergelijking laat zien. Collega Smaling wees daarop. En aangezien we internationaal gezien zeker niet laag zitten met onze urennorm, is het maar zeer de vraag of een verhoging van de kwaliteit in onze context wel echt afhangt van het aantal onderwijsuren. Je kunt landen niet zomaar met elkaar vergelijken omdat elk land zijn eigen onderwijssysteem heeft. Je kunt echter wel constateren dat er misschien wel honderd succes- en verbeteringsfactoren te vinden zijn en dat dat in ons geval, in Nederland, niet een aangescherpte urennorm is. Het gaat om de kwaliteit van de docent, waardering voor de docent, een goede beloning, een nationaal akkoord met alle stakeholders, onbelemmerde doorleermogelijkheden voor docenten enzovoorts. Van de urennorm als zodanig kunnen we moeilijk zeggen dat dat de waarborg is voor de kwaliteit van het onderwijs.

De discussie is naar mijn idee precies hier uit de hand gelopen. Dat is het geval omdat het gegroeide compromis van 1000 uren, dat ook in het inspectietoezicht uitgangspunt was en is, opeens door de minister werd losgelaten in ruil voor een 1040 urennorm. Van dat aantal uren, waren dan weer 60 uren voor maatwerk beschikbaar. Die uren moesten gericht zijn op excellente leerlingen of op ondersteuningsbehoeftige leerlingen. Het was allemaal gedoe met uren die breder kunnen worden ingevuld met allerhande zinvolle onderwijsactiviteiten. Daardoor werd het spelen met woorden en is onduidelijk geworden of er meer ruimte is gekomen of minder ruimte. De minister roept natuurlijk dat er meer ruimte is gekomen, maar het veld zegt dat er minder ruimte is ontstaan. "Semantiek", zegt mijn fractie. Daarom hebben we gevraagd naar de relatie tussen klokuren en lesuren. Terecht antwoordt de minister dat het gaat om klokuren en dat geplande lesuren daarnaar worden omgerekend. Ondertussen wordt echter wel de looptijd van de ene klas naar de andere klas meegerekend. Neem een programma met lessen van 50 minuten. Het gaat dan om 1200 lessen per jaar. Als er sprake is van 5 minuten looptijd per les, zijn we op jaarbasis 100 uur kwijt aan heen en weer lopen. 100 uren die weglekken en wij debatteren over 40 uren meer of minder. Projectweken, sportdagen, mentorlessen en maatschappelijke stages tellen bovendien ook mee, en natuurlijk de onnavolgbare maatwerkuren die voor sommigen wel gelden maar voor anderen niet. Waar hebben we het eigenlijk over? Misschien kan de minister nog een poging wagen om uit te leggen hoe zich dit verhoudt tot de bestaande situatie, tot de inspectie en alles wat daarbij hoort. Ik wil vooral antwoord op de vraag hoe scholen weten wat ze in hun programma mogen opnemen en wat niet om aan die 1040 uren te komen. Ik kan de minister vertellen dat de scholen aan die uren komen. Als de minister dat wil, krijgt zij 1040 uren. Daar wordt gewoon een mooi programma omheen geschreven, maar dan is het niet meer dan een papieren werkelijkheid.

Men kan de conclusie trekken dat er voldoende ruimte is voor scholen om het onderwijs vorm te geven op de manier die men zinvol vindt. In die zin doet ook de aangepaste urennorm, die van 1040 uren in plaats van 1000 uren, op zich niet eens zo heel erg veel kwaad. Scholen blijken, met wat fluctuaties, die norm vaak wel te halen, maar het probleem zit ergens anders en het ligt dieper. Als het gaat om de urennorm, is dit gewoonweg een slecht wetsvoorstel. Het creëert namelijk een schijnzekerheid. Er wordt veel te veel op detailniveau geregeld, maar de fundamentele vraag blijft staan hoe eigenlijk goed onderwijs wordt gegeven. De inspectie krijgt de opdracht om met een geavanceerd rekenmachientje te checken of de school, als je alle onderwijsvormen optelt, al dan niet de 1040 uren van Beertema haalt. Dat heet kwaliteit. Waarom wordt er niet een stap terug gedaan? Waarom vragen we niet van de school dat hij voldoende kwaliteit levert en dat hij daarover transparant communiceert naar leerlingen en ouders? Waarom gaan we niet pas naar het aantal uren kijken als daarvoor een aanleiding is, bijvoorbeeld omdat de kwaliteit tekortschiet? Misschien kan de ene school het wel met 900 uren af en heeft de andere school er 1100 nodig. Dat is de bandbreedte waarover eerder gesproken is. Misschien zijn er wel heel verschillende onderwijsconcepten. Wellicht is de relatie tussen kwaliteit en kwantiteit niet zo scherp. Mogelijk is de discussie over het aantal uren, zoals wij die nu voeren, veel te algemeen en is die daardoor onzinnig. Graag wil ik een reactie hierop van de minister.

Mijn volgende punt betreft de vakantiedagen. Ook wat dat betreft wil de minister te veel regelen. Het begon met de vraag van ouders om meer duidelijkheid te scheppen over de uitvallende lesdagen rond met name de zomervakantie en ook vanwege vergaderingen en cursussen. Dat is opnieuw een legitieme vraag en het probleem kon vrij eenvoudig worden opgelost door scholen te verzoeken, die informatie helder te verschaffen en zich aan hun plannen te houden opdat ouders en leerlingen weten waaraan ze toe zijn. Vervolgens regelde de minister echter weer in detail hoeveel dagen dat moesten zijn en wie daarover moest beslissen. Ze regelde dat leraren dan wel op school moesten zijn om taken te vervullen, tenzij collectief was afgesproken dat ze ergens anders zouden zijn enzovoorts. Ik weet niet of de minister Monty Python kent, maar dat gevoel is het ongeveer. Toen die discussie de mensen in het veld niet overtuigde, haalde de minister er het argument van de werkdruk bij. Op deze manier zou men door het jaar heen 1,5 uur per week minder werken, omdat het beter gespreid was. Daardoor zouden minder leraren te maken krijgen met een burn-out. Tja, dit is echt een voorbeeld van een papieren oplossing voor een serieus probleem.

Er is inderdaad sprake van een grote werkdruk en van een verhoogd risico op het krijgen van een burn-out en andere psychische klachten. Dat wordt echter niet opgelost door 1,5 uur per week minder te werken. De belangrijkste factoren voor een gezond functioneren in het beroep, zijn ruimte om het eigen werk in te vullen en het krijgen van waardering voor men doet. Daarom is het dedain van politici over leraren zo schadelijk. In plaats van het scheppen van ruimte en het structureel geven van waardering, prutst de minister er een paar roostervrije dagen in. Leraren moeten echter wel op school zijn en de school moet open blijven. Het is alsof zij daarover gaat en alsof dat niet direct ingrijpt op de cao van leraren en op het beleid dat scholen zelf voeren als ten aanzien van de planning van hun onderwijsondersteunende activiteiten, vergaderingen en wat dies meer zij. Het wetsvoorstel biedt volgens de minister meer ruimte dan de huidige wet. Ja, theoretisch gezien is dat het geval en heeft de minister dus gelijk. Maar waarom wordt alles tot in detail geregeld? Waarom wordt er niet een stapje teruggedaan en wordt er geen ruimte gelaten aan de scholen om wat dat betreft hun eigen beleid te voeren en dat transparant in de schoolgids te presenteren? Waarom wordt er niet voor gekozen om pas in te laten grijpen door de inspectie als de kwaliteit van de school tekort schiet? Mijn fractie vraagt de minister wat er eigenlijk verloren gaat als dit onderdeel uit het wetsvoorstel geschrapt wordt? Zou het vanuit het perspectief van de wetgever niet voldoende zijn om van scholen te verlangen dat ze betrouwbaar en duidelijk zijn over de dagen waarop onderwijs wordt gegeven? Kon dat dan niet simpeler geregeld worden?

Mijn laatste punt is medezeggenschap ofwel "horizontale verantwoording", zoals dat in het wetsvoorstel heet. Ik moet erkennen dat ik daarbij sinds de bijdrage van de heer Smaling, de komende tijd allerlei bijgedachten ga hebben. Medezeggenschap is een belangrijk punt in de kwaliteitszorg, vooral omdat de rol van de inspectie is teruggebracht tot risicogericht toezicht. Dat betekent dat meer en meer verwacht wordt van de professionals zelf en van de inbreng van leerlingen en ouders. Ook wat dit betreft ontstaat echter onmiddellijk onduidelijkheid. Kennelijk heeft deze medezeggenschap slechts betrekking op de soorten onderwijsactiviteiten en dus niet over de inhoud. Het laatste zouden we overigens problematisch vinden vanwege de professionele verantwoordelijkheid van de leraar. Ook als het echter gaat over de soorten onderwijsactiviteiten, is het niet zo eenvoudig. De Raad van State noteert diverse struikelblokken in het goed functioneren van deze medezeggenschap en volgens ons zijn die niet weggenomen. Die struikelblokken zijn: individuele belangen, informatieachterstand bij ouders en leerlingen, beperkte bereidheid om in medezeggenschapsraden plaats te nemen en gebrekkige afstemming tussen medezeggenschapsraadsleden en hun achterban. Dat betekent om te beginnen dat zeer de vraag is of deze horizontale afstemming wel biedt wat gewenst en nodig is. Daarnaast blijft een lastige vraag of deze afstemming met de medezeggenschapsraad geen inbreuk maakt op de professionele autonomie van de leraar. Ook op dit punt heeft de beantwoording van de minister ons niet overtuigd, maar wellicht kan ze een aanvulling geven.

Ik kom tot een afronding. De meeste problemen lossen vanzelf op als je niet stoort, aldus de wijze grootmoeder aan het begin van mijn bijdrage. In dit geval betekent dat concreet dat het onderwijsveld zelf tot een nieuwe balans was gekomen. Toen de minister dat echter wilde verankeren in een wet, raakte ze verstrikt in de details met als gevolg een goed bedoeld wetsvoorstel dat is ontspoord. Het regelt onnodig veel details, strijkt de gehele beroepsgroep tegen de haren in en doet niet wat het ten diepste zou moeten doen, namelijk de kwaliteit van het onderwijs garanderen. Aan het eind van het traject moeten we dan ook de meest fundamentele vraag stellen, namelijk voor welk probleem deze wet een oplossing is. Biedt het een oplossing voor een te groot percentage aan lesuitval? Daarvoor hebben de meeste scholen al goede maatregelen genomen. Biedt het een oplossing om onduidelijkheid over schooldagen te voorkomen? Dat probleem kan heel simpel worden opgelost met een verwijzing naar de schoolgids. Biedt het dan een oplossing voor de hoge werkdruk? Daar helpt het niet bij. Biedt het een oplossing voor gebrekkige kwaliteit? Dat is ook niet het geval. Biedt het een oplossing voor het probleem van een te laag aantal lesuren? Als dat probleem er al is, verandert dat niet.

Waarvoor is het wetsvoorstel er dan wel? Het antwoord is volgens mijn fractie dat dit wetsvoorstel een oplossing biedt voor een probleem dat al opgelost is door het veld, de mensen in het onderwijs zelf. Docenten en schoolleiders hebben, gestimuleerd door oproepen van ouders en klachten van leerlingen en aangespoord door de inspectie, heel veel verbeterd. Daar moeten we ze niet te veel bij storen. Wij horen graag van de minister of er nog een ander probleem is dat met dit wetsvoorstel wordt opgelost, want wij zien het niet. Daarmee is er eigenlijk geen noodzaak voor deze onrust veroorzakende wet. Wat moet er dan gebeuren? De minister heeft herhaaldelijk gezegd dat ze, als dit wetsvoorstel het niet haalt, de huidige wet strak gaat handhaven. Dat is eerlijk gezegd kinderachtig "gepruil". Niet de huidige wet biedt het feitelijke kader, maar dat doet het huidige inspectietoezicht en dat werkt behoorlijk goed. Daarom roepen wij de minister op om dat kader te volgen en zodoende, in samenwerking met het onderwijsveld, de gevonden oplossingen verder te ondersteunen. Wat ons betreft is in dat toezicht niet het kale aantal uren interessant, maar de vraag of scholen inhoudelijk kwalitatief goed onderwijs geven. Dat moet zinvol, interessant, uitdagend en gevarieerd zijn. Wat ons betreft, werkt de minister langs die lijnen verder aan wat er echt toe doet, namelijk goed onderwijs. Graag wil ik een reactie van de minister op deze oproep. En ja, dat moet ook een keer worden gecodificeerd in een wetswijziging. Misschien kan de opvolger van deze minister daarmee aan de slag. Wij hopen op een opvolger met grootmoederlijke wijsheid.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Voorzitter. Niet alle wegen leiden naar Rome. En zelfs wie in Rome is, kan zich nog afvragen welke weg gekozen moet worden. Vorig jaar liep ik in Rome en deed ik daar de ervaring op die velen wel zullen kennen. In een poging om een handige route door de binnenstad te vinden, liepen we straat in en straat uit en kwamen we na een uurtje dwalen tot onze verbazing op het punt waar de wandeling begonnen was. We waren dus niet veel verder gekomen.

Iets van dat gevoel maakte zich van mij meester bij de voorbereiding van deze behandeling. Zijn we na wat dwaaltochten uiteindelijk niet op hetzelfde punt uitgekomen? Regelt de vigerende wet, de wet die we al hebben, niet goeddeels datgene wat na amendering de uitkomst is van de behandeling door de Tweede Kamer? Op de eerste oogopslag is dat zo. Wat de uren onderwijstijd betreft, blijft de bestaande regeling bestaan, namelijk de norm van 1040 uren in de onderbouw, die van 1000 uren daar tussenin, die van 700 uren in het examenjaar en minimaal 190 schooldagen. Het lijkt er dus op dat we op hetzelfde punt zijn uitgekomen. Hoe nodig is een wet die wel duidelijkheid probeert te scheppen, die voorziet in een wettelijke basis voor maatwerkuren en roostervrije dagen, die medezeggenschap op de onderwijskwaliteit mogelijk maakt voor ouders en leerlingen, maar die intussen voor veel onrust zorgt in het veld en die negatieve adviezen oogst van onderwijsorganisaties? Is de huidige onrust in het onderwijsveld niet vooral een uiting van ongenoegen over de politiek die de condities voor het onderwijs verandert op die manier dat voor gevoelde problemen als werkdruk en teruglopende bekostiging geen oplossingen worden geboden? Dat, terwijl de indruk werd gewekt dat dit voorstel daarvoor juist een handreiking was. Kan het belangrijkste deel van de zaken die beoogd worden met deze wet niet door de scholen zelf worden geregeld en gebeurt dat niet al? Het laatste is door collega Ganzevoort omstandig betoogd.

Niet alle wegen leiden naar Rome. Het doel van dit wetsvoorstel wordt bepaald door een discussie over de kwaliteit van het voortgezet onderwijs van een aantal jaren geleden. Scholieren staakten voor beter onderwijs en protesteerden tegen de "ophokuren". Het is terecht dat dit wetsvoorstel het woord "onderwijskwaliteit" voorop stelt. We zien ook echt de grote inspanningen van de minister daarachter. Daar ging het toen en daar gaat het nu om. Ik heb ondermeer als ouder van schoolgaande kinderen die discussie goed gevolgd. De kern van het protest destijds was dat onderwijsuren kwalitatief goed bestede uren moesten zijn. Indertijd was er de kritiek op het studiehuis – dat was één van de contexten toen – en de collectieve wending naar meer zelfwerkzaamheid door de leerling en individuele leertrajecten die veel "zachte" zelfstudie-uren omvatten. Velen hebben sindsdien de onderwijsvisie onderstreept dat de docent weer voor de klas moet, dat het inderdaad gaat om die leerkracht, en dat goed onderwijs staat of valt met de man of vrouw die het verzorgt. Het kernprobleem is niet dat scholen wellicht wat ruimhartig zijn met roostervrije dagen of dat zij lesuitval niet goed opvangen. Dat zijn afgeleide en reparabele problemen en die worden al gerepareerd. De kernvraag is of het onderwijsproces zelf voldoende op orde is.

Het is goed geweest dat de minister hiervoor een commissie aan het werk heeft gezet, namelijk de commissie-Cornielje. Deze heeft pacificerend gewerkt en kwam met een voorstel dat gedragen werd. Het kernstuk daarvan was de bepaling van de 1000 urennorm en de wijze waarop er vervolgens naar onderwijskwaliteit gekeken werd. De manier waarop daar vervolgens echter politiek in gewinkeld werd, heeft het wantrouwen van het veld gevoed en het zet ook de discussie over onderwijskwaliteit meteen weer op scherp. Leidt dit wetsvoorstel nog wel naar het beoogde doel, of moeten we met elkaar zeggen: "uithuilen en opnieuw beginnen"?

In dit licht is de omzetting van een deel van de 1040 uren naar 60 maatwerkuren een punt van aandacht, zo niet van zorg. De minister kan daarmee leven, maar ze perken de vrijheid van scholen wel weer verder in. Per saldo zijn 980 lesuren in de onderbouw over en dienen 60 uren te worden besteed aan een extra aanbod. Over dat aanbod leven in onze fractie nog wel de nodige vragen. Dat aanbod dient wel verplicht te worden gesteld aan alle leerlingen. Geldt die plicht voor alle leerlingen? Hoe zal dat gaan? Er zal ook worden geselecteerd, want het gaat toch om maatwerk. Hoe gaat de school met de selectie van leerlingen om voor dat verplichte aanbod, bovenop de 980 uur? Of kan de leerling die niet excelleert of die geen extra ondersteuning nodig heeft, volstaan met die 980 uren? Hoe dan ook, dit systeem dwingt een school opnieuw om creatief te zijn met de invulling van uren, maar de relatie met onderwijskwaliteit is binnen zo'n keurslijf niet op voorhand duidelijk. Een discussie over urennormen en roostervrije dagen brengt niet automatisch de onderwijskwaliteit waar om is gevraagd, zeker niet als het bedrag per leerling de komende jaren daalt. Welke visie op kwaliteit, welke onderwijsvisie, wordt met dit wetsvoorstel beoogd?

Ik stel deze vraag ook omdat de trend die in mijn ogen het begin was van deze discussie, op de scholen intussen gewoon doorzet en die met de laatste ingrepen eerder wordt aangemoedigd dan dat die wordt afgeremd. Scholen willen wat kunnen variëren in het aanbieden van typen van lesuren. Soms zijn dat maatwerkuren. Soms zijn dat extra uren voor projecten en soms zijn het keuze-uren die besteed worden aan vakgerichte zelfstudie op school. Juist de uitbreiding – misschien moet ik spreken van "wildgroei" – van dat type lesuren deed echter de vraag rijzen wat het beste onderwijs is dat een leerling kan krijgen. Op sommige scholen hebben die keuze-uren inmiddels een hoge vlucht genomen en wordt er huiswerk gemaakt, gewacht en aan opdrachten gewerkt. Er vindt dus een "zachte" invulling plaats van vakken die anders een "harde" invulling hadden gekregen. Gelet op die ontwikkeling, zijn urennormen slechts uitwendige dingen. Het gaat erom wat er met die uren wordt gedaan en dat is afhankelijk van andere impulsen.

Onze fractie heeft ook zeker bedenkingen bij de organisatie van de medezeggenschap met betrekking tot de onderwijskwaliteit. Wij sluiten ons op dit punt aan bij de bedenkingen van de Raad van State. Waarom is het nodig dat ouders en leerlingen via de medezeggenschapsraad grotere zeggenschap krijgen over de inrichting van het onderwijs: de kwantitatieve en kwalitatieve invulling van de onderwijstijd? Ouderbetrokkenheid is een groot goed, maar de inspraak van ouders moet vooral worden vormgegeven door scholen zelf en laat de eindverantwoordelijkheid over het onderwijs bij het bevoegd gezag en de onderwijsprofessionals.

Onze fractie heeft de nodige reserves bij dit wetsvoorstel. De weg naar Rome, versterking van de onderwijskwaliteit, moet niet geplaveid worden met regels. We hebben een stelsel waarin scholen veel zelf mogen doen. Dat is een groot goed. Wellicht dat ten aanzien van de planning van roostervrije dagen de teugels wat strakker moeten worden aangehaald, maar de geluiden uit het veld geven aan dat scholen dat zelf al doen. Staan voor de minister geen andere wegen open om te bereiken wat ze wil, bijvoorbeeld het gericht aanwijzingen geven aan de inspectie? Zo is de twijfel bij onze fractie gevoed. Wij vragen ons dus af of dit wetsvoorstel wel echt nodig is.

Onze fractie staat al met al ambivalent tegenover deze wetswijziging en wacht de antwoorden van de minister af voordat ze tot een eindafweging komt. We zien die antwoorden met belangstelling tegemoet.

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Voorzitter. Levendig herinner ik mij nog hoe verbaasd wij, leerlingen, waren toen onze leraar Grieks uitlegde dat het begrip "school" afkomstig is van het Griekse woord "scholè", dat "vrije tijd" betekent! Wij, scholieren, ervoeren de school niet in de eerste plaats als vrije tijd, al beschouwden wij de uren die wij op school doorbrachten over het algemeen wel als zinvol bestede tijd.

Leraren hebben – ik wil dat graag benadrukken – een veel grotere invloed op het leven van hun pupillen dan zij vaak beseffen. Ja, de invloed is niet zelden van doorslaggevende betekenis voor het kiezen van een bepaald beroep, dankzij het bezielende voorbeeld van één enthousiaste en inspirerende docent of docente.

Voordat ik inga op de specifieke problematiek van het onderhavige wetsvoorstel, wil ik dan ook allereerst gezegd hebben dat mijn fractie in geen enkel opzicht het standpunt deelt als zouden leraren laks zijn, of niet hard genoeg werken of iets van dien aard. Bijna twee derde van mijn leven heb ik het onderwijs van nabij kunnen volgen, namelijk eerst als leerling en later als moeder van zes kinderen, zodat ik mij dus wel als "ervaringsdeskundige" zou willen betitelen. En de ervaring heeft mij geleerd dat leraren zich over het algemeen voor de volle honderd procent inzetten voor "hun" leerlingen en dat zij er alles aan doen om hun kennis op bevlogen wijze op hun pupillen over te dragen en hen klaar te stomen voor het eindexamen.

Tegelijk is ook mij echter gebleken dat het in de loop van de tijd steeds vaker voorkwam dat lessen om allerlei uiteenlopende redenen, die ongetwijfeld gegrond zijn – denk aan ziekte of anderszins – plotsklaps en ongestructureerd uitvielen, zonder dat deze nog werden gecompenseerd. Het resultaat was dat leerlingen minder en minder onderwijs kregen. Volkomen terechte, aanhoudende klachten van ouders over deze gang van zaken bleven niet uit. Dat is precies een van de redenen waarom wij vandaag dit wetsvoorstel behandelen.

Dit wetsvoorstel heeft veel stof doen opwaaien. Dat stof is nog steeds niet helemaal neergedwarreld. Integendeel, zowel door leerlingen als door leraren – en dat laatste mag zeker opmerkelijk worden genoemd – is gestaakt tegen dit voorstel en het wetsvoorstel over passend onderwijs. Er zijn massaal handtekeningenacties gevoerd en Kamerleden zijn bedolven onder protestbrieven, zodat de minder oplettende lezer welhaast wel moest denken dat er van alles mis moest zijn met dit voorstel. Wij hebben dan ook begrip voor degenen die verontrust zijn geworden naar aanleiding van alle propaganda die tegen dit voorstel is gevoerd.

Zowel in haar memorie van antwoord als in haar nadere memorie van antwoord is de minister dan ook nog eens uitvoerig ingegaan op alle vragen, opmerkingen en kritische kanttekeningen die haar vanwege deze Kamer zijn geworden. Met groot uithoudingsvermogen en, ik zou haast zeggen, engelengeduld zijn die punten waarop het wetsvoorstel vanuit het veld felle kritiek heeft gekregen, nog weer eens door haar verklaard en, wat onze fractie betreft, in grote lijnen overtuigend weerlegd. Mijn fractie dankt de minister daarvoor, want nadere opheldering en verklaring waren en zijn inderdaad hard nodig, na de ons inziens onjuiste beeldvorming, die is ontstaan tijdens en rondom de acties, als zou dit wetsvoorstel een ramp voor onderwijsland zijn. De Eerste Kamer is een chambre de réflexion en wij moeten stand houden tegen de waan van de dag.

Een korte terugblik is wellicht op zijn plaats. Aanvankelijk heeft de minister de aanbevelingen van de Commissie Onderwijstijd, de commissie-Cornielje, integraal overgenomen en uitgewerkt in het oorspronkelijke wetsvoorstel. Over dit voorstel is ook uitgebreid met het veld gesproken en algemene overeenstemming bereikt.

Tijdens de parlementaire behandeling in de Tweede Kamer is een tweetal wijzigingen in het voorstel opgenomen, een bij amendement, het amendement-Beertema, en een bij nota van wijziging.

Vooropgesteld moet worden dat het het goede recht is van de Tweede Kamer om een amendement aan te nemen. Niet de minister, maar de Tweede Kamer neemt een amendement aan. In dit geval heeft de minister zich aan het oordeel van de Tweede Kamer gerefereerd, nadat zij zich ervan had vergewist dat door de uitbreiding van het aantal maatwerkuren de door haar en het veld gewenste versoepeling van de urennorm toch tot stand kon komen.

Door het amendement-Beertema, waarbij de urennorm op 1040 klokuren per jaar is blijven staan – deze norm staat immers nu ook al in de huidige wet –, althans voor de eerste twee jaren van de middelbare scholen, en door een nota van wijziging waarin het maximum aantal onderwijsvrije dagen voor de leerlingen wettelijk wordt vastgelegd, is er uiteindelijk toch afgeweken van de aanbevelingen van de commissie-Cornielje. En het zijn juist deze afwijkingen geweest die geleid hebben tot de genoemde massale onrust binnen het veld, waardoor de volgens mijn fractie onterechte beeldvorming is ontstaan als zou dit wetsvoorstel een enorme verslechtering voor het gehele onderwijs betekenen.

De leerlingen waren boos, omdat zij vreesden dat de zogenaamde ophokuren weer van stal zouden worden gehaald, nu in de eerste twee jaar van de opleiding – alléén in de onderbouw dus, zeg ik er speciaal voor de SP bij, en níét ook in de bovenbouw – het aantal klokuren op in totaal 1040 is gebleven.

De leraren waren boos, omdat hun een week schoolvakantie zou worden ontnomen – althans zo is richting het veld steeds de propaganda geweest – en omdat hun professionaliteit in twijfel zou worden getrokken, zodat ze als het ware onder toezicht zouden worden gesteld van de ouder- en leerlinggeleding in de medezeggenschapsraad.

De vakbonden ten slotte waren boos, omdat verondersteld werd dat de minister zaken wilde regelen die tot de competentie van de cao-partijen behoren. Het voorstel zou betuttelend zijn en de vrijheid van de cao-onderhandelaars tot nul reduceren.

De heer Backer (D66):

Mevrouw Lokin spreekt over de waan van de dag en stelt dat het wetsvoorstel onzorgvuldig is gelezen. Ze zegt echter ook nadrukkelijk dat de minister zich heeft vergewist van steun van het veld toen zij het compromis aanvaardde.

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Ik zei: van de steun van de Kamer. Ik sprak niet over de steun van het veld.

De heer Backer (D66):

Dat vind ik toch wel intrigerend. De minister heeft op een gegeven moment geoordeeld dat het kon. Daarna was er ongeloof in de sector over het feit dat het blijkbaar in één avond kon worden geregeld. Wij hebben allemaal brieven ontvangen met als teneur: de minister heeft vier jaar lang de 1000 urennorm verdedigd en plotseling heeft zij in één avond haar standpunt totaal gewijzigd. Ik vind het met het oog hierop toch wel een rare suggestie dat de mensen die zich daarover hebben verbaasd, zich zouden laten leiden door de waan van de dag of het wetsvoorstel niet goed gelezen zouden hebben.

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Ik doel op het amendement dat door de Tweede Kamer is aangenomen. Ik kan mij niet anders voorstellen dan dat ook het veld zich neerlegt bij zo'n uitspraak van de Kamer. De minister kan daar een oordeel aan verbinden, maar het is niet aan haar om een amendement tegen te houden. Zij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de Tweede Kamer en een democratischer opstelling is volgens mij niet mogelijk. Ze heeft zich er verder wel degelijk van vergewist dat de door het veld gewenste versoepeling van de urennorm gehandhaafd kon worden door het maximum aantal maatwerkuren te verhogen.

Mevrouw Dupuis (VVD):

Is mevrouw Lokin werkelijk van mening dat de vijf collega's die voor haar het woord hebben gevoerd, vatbaar zijn voor propaganda en dat zij dingen hebben beweerd die strijdig zijn met wat er werkelijk aan de hand is?

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Men kan natuurlijk van mening verschillen over de impact van het voorstel. Ik heb heel veel gesprekken gevoerd met mensen in het veld en daaraan heb ik de herinnering overgehouden dat men nogal eens zei de wet niet goed gelezen te hebben, wanneer ik uitlegde wat er volgens mij in het wetsvoorstel staat. De onvrede over het wetsvoorstel lijkt mij dan ook vooral ingegeven door de onvrede als gevolg van wat er de laatste jaren allemaal in het onderwijs is gebeurd. Die algehele onvrede is volgens mij de belangrijkste reden waarom men is gaan staken. Ik kan daar wel begrip voor hebben, maar dat laat onverlet dat het onterecht is om alle onvrede op dit wetsvoorstel te laten neerdalen.

De heer Backer (D66):

Ik stel de interventie van collega Dupuis op prijs, ook al wilde ik er zelf niet meteen over beginnen. In het betoog van mevrouw Lokin ligt toch zeker net als in haar antwoord de gedachte besloten dat de vijf sprekers het niet goed gelezen hebben. Kennelijk zijn zij in de ogen van mevrouw Lokin onmachtig om aan het veld uit te leggen wat er werkelijk in de wet staat. Mevrouw Lokin kan dat wel, maar wij niet!

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Ik hoop dat ik na deze interruptie het woord weer mag hernemen, want in mijn verdere betoog probeer ik nu juist uit te leggen hoe ik het wetsvoorstel lees. Dan zal ook duidelijk worden dat ik het voorstel inderdaad anders lees dan mijn voorgangers.

Voorzitter. Laat ik voor de SP nog maar een keer herhalen dat door het amendement-Beertema niets is veranderd aan het aantal uren in de onderbouw van het vwo. In de nota van wijziging is het maximum aantal onderwijsdagen ...

De heer Smaling (SP):

Ik vind dit buiten alle proporties. U hebt uw punt gemaakt. Er is geen enkele reden waarom u uw woorden zou moeten herhalen. Ik snap ook helemaal niet waarom u meent dat wel te moeten doen. Ik verzoek u het hierbij te laten, althans wat betreft de verwijzingen naar de SP.

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

De SP kwam er pas na de memorie van antwoord in de Eerste Kamer achter dat die 1040 uur slechts de onderbouw betreft.

De heer Smaling (SP):

Dat is prima, maar ik zou het toch meer op prijs stellen dat u een serieus betoog houdt en niet allerlei flauwe spelletjes speelt.

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Als u dat dan ook doet, dan ben ik daarmee akkoord.

Voorzitter. In de nota van wijziging is een maximum aantal onderwijsdagen en vrije dagen voor de leerlingen vastgelegd. Ik wijs er nog maar een keer op dat het om de leerlingen gaat. De nota van wijziging heeft er dus toe geleid dat er uiteindelijk is afgeweken van de aanbevelingen van de commissie-Cornielje. Ik merk nu dat ik mijzelf herhaal. Ik ga verder waar ik gebleven was.

Het wetsvoorstel is behoorlijk ingewikkeld en het kost inderdaad tijd en inspanning om erachter te komen wat er precies wordt geregeld, ten behoeve van wie en op welke wijze. Ook ik heb mij daar grote inspanning voor moeten getroosten. Ons is uit gesprekken met verschillende groepen, organisaties en individuen uit het veld gebleken dat er niet heel veel actievoerders zijn geweest die het wetsvoorstel werkelijk hebben gelezen, laat staan grondig hebben bestudeerd. En dat is betreurenswaardig, omdat heel veel mensen door alle commotie op het verkeerde been zijn gezet over de inhoud van het voorstel.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Is mevrouw Lokin van mening dat het zo ingewikkeld moest zijn? Dat het ingewikkeld is, is wel duidelijk. Dat is wat alle eerdere sprekers ook hebben betoogd. Maar had het niet simpeler gekund? Als zelfs mevrouw Lokin er zo veel moeite voor moet doen en als het echt zo ingewikkeld is om uit te leggen, is het dan niet gewoon een slecht wetsvoorstel?

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Nee, sommige zaken zijn nu eenmaal ingewikkeld en kunnen niet eenvoudiger worden geformuleerd.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Sommige zaken worden ingewikkeld gemaakt.

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Inderdaad, maar dat geldt niet voor dit voorstel. Dat is althans mijn overtuiging.

Voorzitter. Ik zal nog kort ingaan op een aantal andere onderwerpen. Ik begin met het verplichte minimum aantal klokuren onderwijstijd voor leerlingen, inclusief maatwerkuren, te weten de norm 1040/1000/700. De klokurennorm wordt door het amendement-Beertema alleen voor de eerste twee jaar gehandhaafd op 1040 uur. Dat is een uitbreiding van 40 uur in verhouding tot waarop thans feitelijk wordt getoetst. In de daarop volgende studiejaren wordt het aantal klokuren, conform het advies van de commissie-Cornielje en conform de huidige praktijk, teruggebracht van 1040 naar 1000 uur. Het gaat dus om twee jaren met 40 uur extra, waarvan per jaar 60 uur als maatwerkuur kan worden besteed. Deze maatwerkuren, maximaal 60 uur, mogen in alle jaren als onderwijstijd worden meegerekend. Maatwerkuren zijn uren die toegankelijk zijn voor alle studenten, maar niet voor allen verplicht zijn, bijvoorbeeld om achterstanden bij leerlingen weg te werken of om excellente leerlingen een extra stimulans te geven. Deze uren zijn dus niet voor alle studenten verplicht. Het begrip "onderwijstijd" wordt dus uitgebreid met maatwerkuren en wel tot een maximum van 60 uur per jaar in alle jaren van de middelbare opleiding.

Het begrip "onderwijstijd" vergt nadere aandacht, want niet alleen maatwerkuren, maar ook allerlei andere activiteiten vallen onder dit begrip. Zo worden nu bijvoorbeeld ook de minuten die leerlingen kwijt zijn om tussen de lessen van het ene lokaal naar het andere te lopen om bureaucratische redenen – dit overigens in tegenstelling tot bijvoorbeeld Finland – gewoon als onderwijstijd geteld. Wanneer men op jaarbasis uitgaat van in totaal 1140 lesuren gedurende 190 dagen – lesuren zijn geen klokuren: in Nederland duren ze meestal 50 minuten – bij een gemiddelde van zes lesuren per dag en een leerling vijf minuten nodig heeft om zich van het ene klaslokaal naar het andere te begeven, dan worden hieraan alleen al 95 echte klokuren per jaar besteed. Als je die aftrekt van die 1040 uur, komen wij uit in de buurt van de norm die men in Finland voor het aantal onderwijsuren hanteert.

De heer Backer (D66):

Ik maak hierover toch maar een opmerking, want doe ik dat niet dan hebben wij het straks nog de rest van de ochtend over heen en weer lopende scholieren.

Sommige scholen zijn in domeinen ingedeeld en daar verliest men hierdoor nauwelijks tijd. Verder zijn er ook scholen die weer heel anders zijn georganiseerd. Dat is een goede zaak, want die grote variëteit biedt scholen nu juist de ruimte die zij nodig hebben om dingen goed te organiseren. Het zou daarom jammer zijn als wij het beeld laten bestaan dat er zo veel heen en weer wordt gelopen. Daarmee suggereert mevrouw Lokin namelijk dat men de beschikbare tijd niet goed besteedt.

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Aan dat tijdverlies ontkom je natuurlijk niet. Ik sprak alleen maar over de definitie van het begrip "onderwijstijd" en over wat er allemaal onder die definitie valt. Die 60 extra maatwerkuren vallen daaronder, maar ook de overlooptijd en de tijd die opgaat aan stages, schoolreisjes, excursies, proefcolleges, voorlichting op universiteiten en, onder omstandigheden, bepaalde vormen van zelfstudie buiten het schoolgebouw.

Er is geen limitatieve opsomming van wat er allemaal onder het begrip "onderwijstijd" valt. Deze grote vrijheid in ons huidige onderwijsbestel kan worden ingevuld door docenten, met instemming van de ouder- en leerlinggeleding over de soorten onderwijstijd. Dat is althans wat in het wetsvoorstel wordt geregeld. Daardoor kunnen de ouder- en leerlinggeleding straks voorkomen dat onder het begrip "onderwijstijd" de ophokuren herleven. Aan het begrip "onderwijstijd" worden drie eisen gesteld, onder meer de eis dat het uitdagend en inspirerend moet worden gegeven. En naar mijn vaste overtuiging vallen de zogenaamde ophokuren daar echt niet onder.

Op dit moment worden de scholen in de praktijk gecontroleerd en afgerekend op 1000 klokuren per jaar, ook in de eerste twee jaar, hoewel de wet een norm van 1040 uur kent voor de onder- en de bovenbouw. Voor de eerste twee jaar zullen de scholen dus werkelijk 1040 klokuren moeten programmeren, waaronder maximaal 60 maatwerkuren. Dit geldt natuurlijk alleen voor de scholen die hieraan nog niet voldoen, want een derde van de scholen voldoet feitelijk al aan de 1040 urennorm. Sommige scholen zullen dus inderdaad een extra inspanning moeten leveren om die thans niet, maar dan wel gecontroleerde extra 40 uur binnen het onderwijs in te vullen. De minister heeft in de Tweede Kamer aangegeven – zij herhaalt dit in de memorie van antwoord en de nadere memorie van antwoord in de Eerste Kamer – dat de nieuwe norm van 1040 uur zorgvuldig zal worden ingevoerd.

Kan de minister nu reeds aangeven hoe zij deze zorgvuldige invoering gaat concretiseren? Kan zij bijvoorbeeld toezeggen dat de controle op die extra 40 uur in de komende twee jaar gefaseerd wordt verhoogd, zodat de scholen deze norm geleidelijk kunnen verhogen van 1000 naar 1040 uur – bijvoorbeeld 20 uur extra per jaar – zonder dat de scholen een boete krijgen als zij de uren daarboven in de overgangsperiode nog niet geprogrammeerd en daadwerkelijk uitgevoerd hebben?

Een tweede punt betreft het instemmingsrecht van de ouder- en leerlinggeleding van de medezeggenschapsraad op de kwantitatieve en kwalitatieve invulling van een onderwijsprogramma. De rol van de Inspectie van het Onderwijs wordt veranderd. De inspectie houdt toezicht op de kwantitatieve naleving van de urennorm en controleert of de voorwaarden voor inspraak en verantwoording in orde zijn, maar wordt op afstand gezet ten gunste van de diverse geledingen binnen de medezeggenschapsraad.

De ouder- en leerlinggeledingen van de medezeggenschapsraad krijgen instemmingsrecht op de kwantitatieve en kwalitatieve invulling van de onderwijstijd, de eerder genoemde horizontale verantwoording. Deze ruime formulering heeft ook bij mijn fractie tot de nodige onrust geleid, reden waarom wij onze reserves tegen dit voorstel hebben uitgesproken. Dit is immers een fundamenteel punt. De professionals en het bevoegde gezag gaan over de inhoud van het onderwijs, uiteraard binnen de kaders van de wet, en niemand anders. Dat wil zeggen: zeker niet de ouder- en leerlinggeleding. De formulering in de wet lijkt de medezeggenschapsraad echter een instemmingsrecht te geven, ook met betrekking tot de inhoud van het onderwijs. Ik citeer: "de wijze waarop een onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 6f, eerste lid, kwantitatief en kwalitatief wordt ingevuld".

Inmiddels heeft mijn fractie uit de memorie van antwoord en de nadere memorie van antwoord begrepen dat dit nimmer de bedoeling van de regering is geweest, maar dat het instemmingsrecht nu juist een extra waarborg geeft dat bijvoorbeeld ophokuren niet aan worden gemerkt als onderwijstijd. Ophokuren worden daardoor onmogelijk, aangezien de ouder- en leerlinggeleding van de medezeggenschapsraad het totaal aantal uren en de verschillende soorten activiteiten die als onderwijstijd gelden, moeten goedkeuren. Ouders en leerlingen hebben hierdoor dus een extra waarborg tegen ophokuren in handen gekregen.

Leraren hoeven niet bevreesd te zijn dat er aan hun professionaliteit en hun verantwoordelijkheid voor de inhoudelijke invulling van het onderwijs wordt getornd. Voor de inhoud van het onderwijs zijn en blijven zij verantwoordelijk, uiteraard in overeenstemming met het bevoegd gezag en binnen de door de wet gestelde kaders.

De, naar mijn fractie inmiddels heeft begrepen, onbedoeld te ruime formulering in het wetsvoorstel heeft inderdaad tot veel misverstand aanleiding gegeven. Mijn fractie pleit er dan ook met klem voor dat de tekst van de wet opnieuw zo wordt geformuleerd dat hieromtrent geen enkel misverstand meer kan ontstaan.

Is de minister bereid middels een veegwet dan wel een novelle artikel 24c van de Wet op het voortgezet onderwijs zo te herformuleren dat daaruit ondubbelzinnig blijkt dat het instemmingsrecht van de ouder- en leerlinggeleding niet ziet op de inhoud van het onderwijsprogramma, maar slechts op het totaal aantal uren en de verschillende soorten activiteiten die als onderwijstijd worden geprogrammeerd? Afhankelijk van het antwoord van de minister op deze vraag zal mijn fractie bezien of zij haar goedkeuring aan het voorstel kan geven.

Ik kom op het derde punt: het verplichte maximumaantal vrije dan wel onderwijsvrije dagen voor leerlingen. De zomervakantie wordt in dit wetsvoorstel voor de leerlingen teruggebracht van zeven naar zes weken. Met instemming van de lerarengeleding van de medezeggenschapsraad worden, naast de centraal vastgestelde vakanties en vier nationale en christelijke feestdagen, in totaal per schooljaar negen roostervrije dagen plus drie vrije dagen, dus in totaal twaalf (rooster)vrije dagen, voor de leerlingen gepland waarop geen onderwijs wordt gegeven. Deze komen in de plaats van de zevende week vakantie. Maximaal zes van deze roostervrije dagen kunnen aaneengesloten aan het begin of einde van de grote vakantie worden ingezet, zodat feitelijk de zevende vakantieweek voor de leerlingen weer in ere kan worden hersteld, zij het dat de school in die week niet gesloten is. Als de CDA-fractie het goed begrijpt, worden dus uiteindelijk de facto twee vrije dagen van de grote vakantie ingeleverd, in ruil waarvoor er negen roostervrije dagen extra terugkeren.

De compensatie voor feestdagen die in vakanties vallen, wordt, conform het advies van de commissie-Cornielje en het oorspronkelijke door de minister ingediende wetsvoorstel, wel afgeschaft, maar deze werd dan ook gezien als een ongewenst en oneigenlijk gebruik van het wettelijk toegekende aantal vrije dagen. Hier is geen sprake van een recht dat wordt afgepakt, maar van ongewenste wildgroei die terecht gesnoeid wordt.

Feitelijk werken leraren al in hun vakantietijd ten behoeve van de school. Dat was nooit wettelijk geregeld. Zij gebruiken dus al een aantal vakantiedagen om lessen voor te bereiden, te vergaderen, bijscholingscursussen te volgen of anderszins te werken. Nu wordt dat wettelijk geregeld. Mijn fractie kan zich met deze wijzigingen verenigen. Zij ziet het als een voordeel dat er een maximum wordt gesteld aan de roostervrije en vrije dagen voor leerlingen, zodat er niet alleen duidelijkheid is over het aantal uren waarop onderwijs wordt gegeven, maar er ook voorafgaand aan het schooljaar duidelijkheid bestaat over het aantal dagen waarop de leerlingen onderwijs krijgen, namelijk 365 dagen minus 104 weekenddagen minus 71 vrije c.q. roostervrije dagen is in totaal 190 dagen school.

Voor de leraren betekent deze normering in de praktijk nauwelijks een wijziging, aangezien zij in hun vakanties feitelijk al werk verrichtten voor de school. Zij krijgen daar nu een wettelijke compensatie voor in de vorm van roostervrije dagen, waarvan er maximaal zes aansluitend aan de grote vakantie kunnen worden ingeroosterd en de overige door het jaar heen, om de werkdruk te verlichten. De lerarengeleding heeft instemmingsrecht over de vaststelling van de roostervrije dagen, dat wil zeggen wanneer deze worden geprogrammeerd, niet alleen rondom de grote vakantie maar ook door het jaar heen. Het is zinvol om de werkdruk ook door het jaar heen te spreiden. Er blijft voor de leraren juist dankzij het instemmingsrecht voldoende vrijheid van keuze over wanneer zij precies hun vrije en roostervrije dagen willen programmeren.

De heer Backer (D66):

Mag ik collega Lokin vragen of zij ook de brief van de onderwijsbonden gelezen heeft. Als ik haar zo hoor, dan gaan ze er eigenlijk op vooruit. Dat is ook een beetje de toon die de minister in haar nadere memorie van antwoord heeft. Mevrouw Lokin kan het hen in het begin van haar betoog heel goed uitleggen.

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Dank u!

De heer Backer (D66):

Maar dan is het toch merkwaardig dat ze het anders zien. Ze ervaren dit als een ingreep in hun eigen arbeidsvoorwaarden. Ik heb zelf al aangegeven dat ze daar volgens mij gelijk in hebben.

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Dat is beeldvorming. Ik zeg niet per se dat zij erop vooruitgaan. Dat hebt u mij niet horen zeggen. Ik zeg dat nu wettelijk wordt vastgelegd hoeveel uren en op welke dagen de leerlingen onderwijs krijgen c.q. vrij hebben. Dat is een zekerheid voor de leerlingen. Ik kom nog te spreken over de cao. Misschien kan de heer Backer dat even afwachten.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

ik vind dat mevrouw Lokin wel wat creatief omgaat met het begrip roostervrije dagen. In het wetsvoorstel staat immers uitdrukkelijk dat van de twaalf roostervrije dagen, er drie vrij gepland mogen worden en dat negen dagen aan niet-lesgebonden activiteiten worden besteed. Dat is iets anders dan een vrije dag.

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Ik heb het niet alleen over vrije dagen, ik heb het ook over roostervrije dagen. Het wetsvoorstel ziet alleen op vrije en roostervrije dagen voor leerlingen. Ik hoop dat dit een keer doordringt.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

Mevrouw Lokin zegt wel dat daarmee de werkdruk verminderd wordt. Maar als op die negen roostervrije dagen wel niet-lesgebonden activiteiten plaatsvinden, dan is er geen sprake van vermindering van werkdruk, maar van verplaatsing van werkdruk.

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Leraren hebben nu ook al roostervrije dagen. Op die dagen kunnen allerlei activiteiten plaatsvinden. Het kunnen bijvoorbeeld bijscholingsdagen zijn. Het is natuurlijk absoluut een verlichting als je geen les hoeft te geven. Het is wel werken, ik zeg ook niet dat het een vrije dag is, maar het is wel een verlichting om tussendoor een roostervrije dag in te kunnen plannen. Het voordeel van dit wetsvoorstel is dat het voor het hele jaar geprogrammeerd wordt, zodat ouders, leerlingen en leraren weten waar ze aan toe zijn.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Het verhaal van mevrouw Lokin roept bij mij een vraag over de werkdruk op. Het is fijn dat zij zich daar zorgen over maakt. Meent zij werkelijk dat anderhalf uur per week voorkomt dat leraren een burn-out krijgen? Of spelen andere factoren daar toch een grotere rol in?

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

U hebt het over anderhalf uur per week. Dat zijn die negen roostervrije dagen door het jaar heen. Het zijn er in ieder geval zes. Doordat ze door het jaar heen worden gepland, geeft dat een vermindering van de werkdruk door het jaar heen.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

En dat is van dien aard dat we daardoor minder problemen hebben met psychische uitval, burn-out en dergelijke?

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Dat hopen we.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik help het u hopen.

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Dank u.

Voorzitter. Ik vervolg mijn betoog met de vrijheid bij de cao-onderhandelingen. Ook op dat punt is het wetsvoorstel enorm aan kritiek onderhevig. De regering constateert – naar mijn idee terecht – dat er bij de gezamenlijke inzet van de personeelsvakorganisaties voor de nieuwe cao-onderhandelingen wordt uitgegaan van 40 schoolweken, waarvan 38 weken volledige lesweken zijn. Ik kan niet goed rekenen, maar dit kan ik nog uitrekenen. Men komt dan precies uit op 190 lesdagen. Dat is namelijk 38 keer 5 lesdagen is volgens mij 190 lesdagen.

Uitgaande van de 1040 klokuren zou er – alleen in de eerste twee jaar van de opleiding dus – gemiddeld per lesdag 5,5 klokuren les moeten worden gegeven. Uitgedrukt in lesuren van 50 minuten zijn dat gemiddeld per dag 6,6 lesuren. Als we daar het heen en weer lopen van aftrekken, blijven er zo'n beetje zes echte lesuren per dag over in de eerste twee jaar van de opleiding. Ik vraag me af of dat teveel gevraagd is. In deze zes lesuren zijn dan ook nog eens die maatwerkuren inbegrepen.

Mijn fractie is overtuigd door het betoog van de regering in de memorie van antwoord, dat zij met dit wetsvoorstel niet ingrijpt in de vrijheid van werknemers en werkgevers waar het de cao-onderhandelingen betreft. Zij blijft met dit voorstel binnen de marges waarover wordt onderhandeld. De minister treedt met deze regeling niet buiten de kring van haar bevoegdheden, zij frustreert het cao-overleg niet en zij maakt gewoon gebruik van haar bevoegdheid om het onderwijs te reguleren. Zij is daar niet alleen toe bevoegd, zij is er zelfs toe verplicht krachtens artikel 23, lid 1 van de Grondwet dat het onderwijs niet voor niets als "een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering" omschrijft.

Last but not least. Niemand van mijn voorgangers heeft het daarover gehad. Dit wetsvoorstel regelt ook dat scholen verplicht worden om vooraf een beleid op te stellen in het geval er sprake is van onverwachte lesuitval die altijd, ieder schooljaar plaatsvindt, door ziekte, door bijscholing van docenten, enzovoorts. Mijn fractie juicht dit toe en acht dit een grote verbetering en een stap voorwaarts richting het terugdringen van ongewenste lesuitval.

De regering heeft als bijlage bij de memorie van antwoord een overzicht toegevoegd van de huidige wettelijke toestand in vergelijking met het oorspronkelijke wetsvoorstel en het wetsvoorstel zoals het thans in geamendeerde en gewijzigde vorm voor ons ligt. Dit overzicht is zeer verhelderend.

Ik vat samen. Het wetsvoorstel schrijft voor de eerste twee jaar 1040 klokuren voor als onderwijstijd, al dan niet in de vorm van maatwerk. Maatwerk wordt met deze maatregel dus gestimuleerd met maximaal 60 uur per jaar. Dit zal de kwaliteit van het onderwijs ongetwijfeld ten goede komen. Deze norm van 1040 klokuren staat reeds in de huidige wet, thans voor de eerste drie jaar, zij het dat er sinds enige jaren feitelijk gecontroleerd wordt op 1000 klokuren. In feite betekent de norm van 1040 klokuren voor de eerste twee jaar dus een vermeerdering van de lestijd met nog geen kwartier extra per dag in verhouding tot de huidige praktijk. Waar hebben we het over!

Mijn fractie verzoekt de minister concreet aan te geven op welke wijze zij deze feitelijke verhoging van de klokurennorm voor de eerste twee jaar zorgvuldig wil invoeren. Wil zij toezeggen dat hier een gefaseerde invoering kan plaatsvinden, bijvoorbeeld gedurende twee jaar, waarbij ieder jaar een verhoging van 20 klokuren extra moet worden gerealiseerd, zodat de scholen die thans nog niet aan de 1040 urennorm voldoen, hier twee jaar de tijd voor krijgen en niet financieel worden beboet als ze de uren daarboven nog niet hebben kunnen programmeren?

Voor de bovenbouw – het derde en volgende jaren – verankert het voorstel conform het voorstel van de commissie-Cornielje het minimum wettelijk aantal klokuren op 1000 per jaar respectievelijk 700 per examenjaar. In de huidige wet zijn dat er 1040 in de bovenbouw.

In het voorstel wordt voorts vastgelegd dat twee vrije dagen van de grote vakantie worden omgezet in negen roostervrije dagen, waarvan er maximaal zes mogen worden geprogrammeerd direct voor of na de grote vakantie, zodat de zeven weken vakantie voor de leerlingen weer kunnen herleven, zij het dat de school in die week wel geopend moet zijn.

Met betrekking tot het instemmingsrecht van de verschillende geledingen van de medezeggenschapsraad dient in de tekst van de wet een nieuwe, scherpe formulering te worden opgenomen, waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de te verkrijgen instemming van de ouder- en leerlinggeleding slechts ziet op de verschillende vormen van onderwijstijd en de verdeling van de totale onderwijstijd, en niet op de inhoud van het onderwijs. Leraren behouden dus hun volledige bevoegdheid over de inhoud van het onderwijs, uiteraard in samenwerking met het bevoegd gezag en binnen de kaders van de wet.

Ouders en leerlingen kunnen dankzij het instemmingsrecht zelf voorkomen dat er ophokuren worden geprogrammeerd. In de tekst staat "zij zijn in positie gesteld". Ik denk dan altijd meteen aan zwangerschap of aan een veldslag tussen legers, maar dat terzijde.

De vakbonden gaan zelf uit van 190 dagen onderwijs per jaar. Daarbij gaat het om 38 keer 5 dagen. Dat is precies het aantal dagen waarop leerlingen geacht worden les te krijgen, gelet op het aantal vrije en roostervrije dagen door het jaar heen. Dit voorstel maakt daarop geen inbreuk en beknot de onderhandelingsvrijheid van de sociale partners niet. Bij een berekening van 1040 klokuren – alleen in de eerste twee jaar – komt dit neer op 5,5 klokuren onderwijs per dag, ofte wel 6,6 lesuren. Zouden de stakende leraren en leerlingen werkelijk hebben beseft dat zij in opstand zijn gekomen tegen gemiddeld één kwartier onderwijs meer per dag – en dat nog slechts in de eerste twee jaar van de opleiding – en tegen twee dagen minder vakantie, in ruil waarvoor negen roostervrije dagen ter eigen invulling worden teruggegeven?

De heer Backer (D66):

Mag ik mevrouw Lokin nog een vraag stellen over een onderwerp dat zij niet heeft aangeroerd. Misschien heb ik het echter gemist. Zij gaat uit van de constatering dat er uren bij moeten. Zij zegt: dat moet dan gefaseerd worden ingevoerd. Daaruit blijkt dat zij zich realiseert dat de scholen dat nu niet kunnen. Dat blijkt ook uit het laatste inspectierapport.

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Nee, die zijn geprogrammeerd

De heer Backer (D66):

Viervijfde van de scholen haalt nu grosso modo de 1000 urennorm. In het laatste inspectierapport staat echter dat er voor 1040 uren een heleboel moet gebeuren. Ik begrijp dat mevrouw Lokin het daarom gefaseerd zou willen doen. Die verzwaring betekent toch ook iets voor de bekostiging? Heeft zij op dat punt concrete gedachten en voorstellen? Wat gaat er dan gebeuren? Sommige instellingen hebben misschien reserves, maar andere instellingen helemaal niet. Het zou toch uit de normale bekostiging betaald moeten worden. Het kan toch niet gratis?

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Nee, geachte collega, maar niet voor niets zijn die 60 maatwerkuren per jaar ingevuld. Maatwerkuren zijn uren die leerlingen kunnen maar niet hoeven te volgen. In de praktijk zal een aantal leerlingen deze maatwerkuren niet volgen. Dat betekent dat niet alle leraren hoeven te worden ingezet voor die 60 maatwerkuren extra. In het eindexamenjaar is het 700 uur. Vanaf het derde jaar is het 1000 uur conform de norm. Het gaat dus om twee jaar, waarin één uur per week extra moet worden ingevuld, door alle leraren tezamen. Waar hebben we het over! Dat vraag ik me echt af.

De voorzitter:

Dank u wel.

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Voorzitter. Ik ben klaar met mijn betoog.

De voorzitter:

Dat lijkt mij ook.

De heer Sörensen (PVV):

Mijnheer de voorzitter. Ik heb op het allerlaatste moment besloten om ook iets te zeggen, om de eenvoudige reden dat ik vind dat over dit wetsvoorstel ontzettend, maar dan ook ontzettend lang is gediscussieerd, zowel in de Tweede Kamer als in de media als in de Eerste Kamer. Er is zelfs zo lang over gediscussieerd dat de invoering dit jaar niet meer kon plaatsvinden, omdat de roosters, zoals iedereen weet, al in april worden gemaakt.

Ik wil ook even terugkomen op de maatschappelijke onrust die het heeft veroorzaakt, waar mijn collega Beertema en ik – beiden ex-docent – voortdurend mee zijn geconfronteerd. Veel collega's spraken met name over die 1040 uren. Ik heb hetzelfde geconstateerd als mevrouw Lokin, namelijk dat men toch niet goed op de hoogte is van wat er is gebeurd. Ik neem dat voor een groot gedeelte de vakbonden kwalijk. Ik heb ze dat zelfs zo kwalijk genomen, dat ik na 40 jaar trouw lidmaatschap, waaronder een aantal jaren als kaderlid, heb besloten om mijn lidmaatschap op te zeggen. Dat heb ik ook gedaan vanwege de toon die is gezet. Ik heb een boekje van Anton Zijderveld, een socioloog uit Rotterdam, er nog eens nageslagen. Dat boekje heeft als titel "Populisme als politiek drijfzand". Als populist zijnde, moet je zo'n boekje natuurlijk lezen. In het boekje wordt gezegd dat populisten grof en ongenuanceerd zijn. In dat geval zijn de bestuursleden van de AOb, de bond, dus klaarblijkelijk populisten. Ik moet u zeggen dat de campagne ongekend grof en ongekend persoonlijk richting de minister en mijn collega Beertema is geweest.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Misschien zou een definitie van populisme ook kunnen zijn dat u luistert naar wat het volk nu zegt. U zegt eigenlijk dat de mensen die protesteren, dom zijn.

De heer Sörensen (PVV):

Dat zeg ik helemaal niet. Hebt u mij dat horen zeggen?

De heer Kuiper (ChristenUnie):

U zegt dat ze ongelijk hebben. U sluit zich aan bij woorden die ook door uw voorganger hier zijn gebezigd, namelijk "propaganda", "verkeerde beelden" en dergelijke.

De heer Sörensen (PVV):

Er zijn bepaalde dingen opgeblazen en andere dingen zijn gewoon verzwegen. Dat heb ik geconstateerd. Als ik met mijn collega's daarover sprak, dan zeiden ze: ik wist niet eens dat die norm van 1040 er daarvoor al was, dat die gewoon is gehandhaafd en dat het alleen voor de onderbouw geldt. Dat is gewoon helemaal niet naar voren gebracht. Het is mijn taak om mijn collega's op dat punt gerust te stellen.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik denk dat de mensen in het onderwijs heel goed weten wat hier gaande is. Ik heb brieven ontvangen van docenten die zeggen: vanwege mijn principes wil ik niet staken, maar ik wil u wel laten weten dat wij achter de staking en de argumenten die naar voren worden gebracht, staan. Die signalen waren voor mij heel duidelijk. Die kwamen van scholen in het land, die je anders nooit hoort. Maar nu wel! Die mensen weten echt heel goed wat hier gaande is.

De heer Sörensen (PVV):

Ik heb andere signalen gehad. Ik heb heel wat mensen gerust kunnen stellen. Maar goed, ik heb het al over de toon gehad. C'est le ton qui fait la musique. En we zitten hier in de chambre de réflexion.

Ik had geen spreektijd aangevraagd, om de eenvoudige reden dat ik dit onderwerp al zo ontzettend uitgekauwd vind. Er zijn tientallen vragen gesteld, het is de minister aan één stuk door moeilijk gemaakt. Dat is natuurlijk ook heel terecht. Daarom ga ik er verder inhoudelijk niet meer op in. Ik ben het eigenlijk inhoudelijk volkomen met collega Lokin eens, ook als het gaat om haar verzoek met betrekking tot de medezeggenschapsraad. Er moet heel duidelijk worden gesteld dat die zich niet zal bezighouden met de inhoud van het onderwijs.

Ik wil nog iets zeggen. Klaarblijkelijk ben ik een van de weinigen die ooit ophokuren hebben gegeven. Er wordt gezegd dat dit niet inventief kan, maar dat is een misverstand. Dat kan geweldig inventief. De kern van de zaak is dat je als docent binnen vrij korte tijd weet welke klassen je voor je neus kunt krijgen. Je hebt dan twee keuzes. De eerste is tegen de leerlingen zeggen: ga zitten en doe wat voor jezelf. Ik moet zeggen dat ik dat als een docent die orde kan houden, makkelijk kan doen, maar dat is uitermate onbevredigend. Je hebt ook een tweede keuze. Je krijgt namelijk vrijwel altijd dezelfde klassen omdat je een uurtje wordt ingeroosterd. Dat is dan een tussenuur. Je geeft het eerste uur les, het tweede uur niet en het derde uur weer wel. Zo krijg je er vier of vijf, afhankelijk van de school. Zo weet je precies welke klassen je krijgt. Je kunt doodgewoon je collega vervangen en de lessen geven die hij of hij gegeven zou hebben. Zeker in de onderbouw is dat geen al te zware opgave. Je kunt ook zorgen voor een aantal standaardlessen, waarmee je de kinderen heel goed een uur bezig kunt houden en waar je je collega enorm mee kunt helpen als je die beëindigt met een kleine korte toets.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

De heer Sörensen zegt terecht dat er allerlei onaangename dingen zijn gezegd tegen de minister en de politici, ook door het veld. In mijn bijdrage heb ik ook gemeld dat ik daar moeite mee heb. Ik heb echter ook gezegd dat ik grote moeite heb met politici die met dedain spreken over leraren en die de hele beroepsgroep hier wegzetten als laf, lui en wat dies al niet meer zij. Dat is door meer leden hier genoemd. Is de heer Sörensen bereid om afstand te nemen van de politici, ook van zijn eigen collega's aan de overkant, die spreken over het onderwijsveld en de leraren op een manier die schadelijk is, die minachtend is en het debat niet verder helpt?

De heer Sörensen (PVV):

Ik moet heel eerlijk zeggen dat ik niet precies weet waaraan de heer Ganzevoort refereert. Het is mij niet opgevallen. Was mij dat wel opgevallen, dan zou ik mij daar, uiteraard, direct van hebben gedistantieerd. Het enige wat ik weet, is dat de heer Beertema en ik jaren docent zijn geweest, en niet op de makkelijkste scholen.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Als de heer Sörensen in de afgelopen periode niet heeft gemerkt wat er onder andere door zijn collega is gezegd, dan heeft hij, vrees ik, een voorval van amnesie, wat het wat ingewikkeld maakt om de rest van zijn betoog te volgen.

De heer Sörensen (PVV):

Mijn verdere betoog is heel makkelijk te volgen, want ik ben klaar.

De heer Backer (D66):

De heer Sörensen heeft natuurlijk het voordeel van het gezag van oud-docent en dat gebruikt hij ook in zijn betoog. Ik zie hem zeker zo'n uur geven; dat is het punt niet. Hier staan wij echter in een andere hoedanigheid. Het komt ons volstrekt niet toe om daarover te oordelen, maar het viel mij op dat de 1040 uur in de discussies in de Tweede Kamer ineens terugkwamen. Het is voor iedereen duidelijk dat dit een politieke provocatie is. De minister was op dat moment kennelijk gedwongen – het hele veld had allang vrede met 1000 uur – daarop te acteren. Uiteindelijk is er een politiek compromis uit gekomen. Dat is door collega Beertema, en naar ik meen ook door anderen, gekarakteriseerd als een dromedaris. Dat is hun woord, niet het mijne. Die dromedaris is hier met verve en dapperheid door mevrouw Lokin en door de heer Sörensen verdedigd, maar het was wel een dromedaris. Wij hebben het wetsvoorstel iets technischer ontleed en gezegd dat het grote gebreken kent. Waarom gaat de heer Sörensen helemaal niet op die technische gebreken in?

De heer Sörensen (PVV):

Mevrouw Lokin heeft dat al uitgebreid gedaan. Waarom zou ik dat dan nog een keer gaan doen? Dit hele debat was niets anders dan een grote herhaling. Nogmaals, ik was aanvankelijk van plan om helemaal geen spreektijd aan te vragen.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik denk toch dat het nodig is om dit gesprek nog even voort te zetten, want het was inderdaad de PVV-fractie in de Tweede Kamer die met het amendement kwam nadat met de commissie in het veld een bepaalde balans, een bepaalde consensus, was ontstaan. Staat de heer Sörensen daarachter?

De heer Sörensen (PVV):

Ja, net als de andere partijen in de Tweede Kamer, het CDA en de VVD.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Kan de heer Sörensen mij dan zeggen wat precies het argument was om na deze consensus – 1000 uur is een goede norm waarmee het veld goed kan werken – te stellen dat naar 1040 uur moest worden overgegaan?

De heer Sörensen (PVV):

Het belangrijkste argument lijkt mij dat het altijd al zo geweest is en dat het absoluut niet noodzakelijk is om dat aantal uren te verkorten.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Omdat het altijd zo geweest is? Dat is het enige argument dat de heer Sörensen kan aanvoeren? Hij noemde deze Kamer een kamer van reflectie. Het gaat hier dus ook om argumenten. Er zijn argumenten tegen elkaar afgewogen voor de vaststelling van 1000 uur. Daarmee zit Nederland al boven de norm die internationaal wordt gehanteerd.

De heer Sörensen (PVV):

U kent die argumenten?

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ja.

De heer Sörensen (PVV):

Waarom vraagt u het dan aan mij?

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik vraag aan u waarom uw partij het nodig vond om van 1000 naar 1040 uren te gaan. Daarmee is namelijk een heel stelsel uit het lood getrokken, want die 1000 uur was een kern van het verhaal. Daarmee is ook een stukje pacificatie, rust in het veld, verstoord. Daardoor is het veld in opstand gekomen. Waarom vond uw partij het nodig om dat te doen? Wat waren daar nu de beslissende argumenten voor?

De heer Sörensen (PVV):

Ik moet u zeggen dat ik die argumentatie niet helemaal heb gevolgd.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Welke andere argumenten dan het argument dan het altijd al zo is geweest, waren er? Dat is immers geen inhoudelijk argument.

De heer Sörensen (PVV):

Als je kijkt naar de praktijk, zie je dat de meeste uren uitvallen in de onderbouw. Ik zou niet een-twee-drie kunnen zeggen wat daar de oorzaak van is, maar waarschijnlijk zijn de lessen in de onderbouw toch het moeilijkst. Er is ook een vrij hoog ziekteverzuim. Ik denk dat mijn collega om die reden heeft gezegd: er vallen toch al zo veel lessen uit in de onderbouw, laten we ervoor zorgen dat er niet nog eens 40 uitvallen.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

U denkt dat dit de reden is van uw partij?

De heer Sörensen (PVV):

Ja.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

U weet het niet zeker?

De heer Sörensen (PVV):

Nee. Dat zou voor mij een reden zijn. Dat is dus mijn argument en niet dat van de heer Beertema, maar misschien is het ook zijn argument.

Mevrouw Linthorst (PvdA):

Voor de Handelingen wil ik graag het volgende vastleggen. Wat het argument van de Tweede Kamer ook is, de Tweede Kamer heeft het volste recht om amendementen in te dienen. Dat daarmee een zorgvuldige overeenkomst wordt doorbroken, het zij zo. Als we dat niet willen, moeten we de Tweede Kamer afschaffen.

De heer Sörensen (PVV):

U kent mijn standpunt over het afschaffen van of de Tweede of de Eerste Kamer.

Mevrouw Dupuis (VVD):

Voorzitter. Het is in zekere zin een voorrecht om als laatste van een lange rij sprekers het woord te voeren. Ik moet wel opmerken dat er een verontrustend verschil in perceptie van de feiten bestaat tussen de eerste vijf sprekers en de zesde en zevende spreker. Mijn perceptie, dat zal zo blijken, sluit volledig aan bij die van de eerste vijf sprekers. Dit is een erg merkwaardige situatie. Ik ben er erg op gesteld als de minister over de feiten volledige helderheid geeft. Het kan niet waar zijn dat er zo'n groot verschil in perceptie is ontstaan. Dan moet er iets niet kloppen. Daarmee wil ik beginnen. Het is een lastig proces geweest. We zijn nu eindelijk zover dat wij er definitief over spreken. Ik wil nu graag mijn bijdrage namens de VVD-fractie laten horen. Nogmaals, deze sluit bijzonder nauw aan bij die van de eerste vijf sprekers.

Ook mijn fractie heeft moeite met de bejegening van leraren door de minister. De toonzetting en de inhoud van de twee memories van antwoord zijn nog steeds van dien aard dat niet de indruk wordt gewekt dat de werkomstandigheden en de positie van leraren de minister zeer ter harte gaan. Integendeel. Herhaaldelijk wordt opgemerkt dat er vele belanghebbenden zijn in het onderwijs en dat het niet alleen om de leraar gaat. Maar diens arbeidsvoorwaarden en werkomstandigheden, ja zelfs diens professionaliteit, worden door dit wetsvoorstel geraakt en vormen de kern ervan. Het gaat over de leraar en daar wil de VVD-fractie het nu ook verder over hebben.

Wij hebben nog steeds forse kritiek op diverse aspecten van het wetsvoorstel. Het toont te weinig respect voor de leraar en diens vaak zeer zware taken. Het gaat in tegen cao-afspraken die met de bonden zijn gemaakt. Het regelt in detail zaken die volgens onze fractie helemaal niet door de overheid c.q. bij wet zouden moeten worden geregeld en het zet de leraar in een zwakkere positie tegenover ouders en leerlingen. Al met al is het een wetsvoorstel dat ons inziens geen schoonheidsprijs verdient, om het zwakjes uit te drukken. Ik noem een aantal cruciale zaken die de VVD-fractie niet bevallen.

Allereerst is er de veelbesproken 1040 urennorm. Deze is duidelijk tegen de zin van de minister in de wet terechtgekomen. Om haar toegeven aan de druk in de Tweede Kamer te rechtvaardigen, merkt de minister in de beide memories van antwoord op dat deze uitbreiding eigenlijk geen probleem is. Daarbij legt de minister uit dat met een andere manier van interpreteren deze uitbreiding in feite niets om het lijf heeft. Deze uitleg vinden wij onduidelijk. Daarom vragen wij nu of de minister nog eens precies kan uitleggen welke soort activiteiten en soorten uren er allemaal onder vallen. Zijn dit klokuren of lesuren? En van welke omvang zijn deze uren, 45 minuten of 50 minuten? Daarbij is niet alleen helderheid gewenst. Wij horen ook graag hoeveel manoeuvreerruimte er voor de scholen is om deze opgelegde urennorm naar eigen inzicht in te vullen.

Daarnaast heeft de fractie nog twee dwingende vragen over dit onderwerp. Waarom is het überhaupt nodig om dit zo strak te reguleren? Het blijkt immers dat scholen voldoende uren maken. Ook staat vast dat de vereiste norm vergeleken bij andere Europese landen verrassend hoog is. Daar is geen twijfel over; die gegevens heeft de minister zelf verschaft. Vervolgens wil de VVD-fractie graag weten hoe de 1040 urennorm uitwerkt voor de leraren zelf. Deze kwestie is vanochtend al vaak aan de orde gekomen. Hoe wordt dit betaald? Hoeveel extra werktijd wordt van de leraren gevergd om aan deze norm te voldoen? Of verandert er niets? Dan klopt er ook iets niet. Ook dat horen wij dan graag. De consequenties voor de leraren vinden wij een ernstig punt.

Voor de vermindering van de vakantietijd geldt eveneens dat de minister hieraan in de memorie van antwoord een eigen lezing geeft. De vijf vrije dagen gaan af van de grote vakantie, maar er is compensatie. Hoe zit het nu precies? Dit is door alle fracties gevraagd, behalve door de fracties van het CDA en de PVV. Ook de bonden, die toch werkelijk vaak verstand van zaken hebben, begrijpen nog steeds niet hoe het zit. Dat blijkt uit hun allerlaatste brief, van 8 juni. Graag krijg ik opnieuw een schets van de arbeidsrechtelijke positie van de leraar, mede in verband met de cao, die van een ander vakantieschema uitgaat. Welke vrijheid hebben scholen om de roostervrije dagen in te delen? Waarom is de minister trouwens van mening dat leraren te veel vakantie hebben? Heeft zij enig idee van de gigantische werkdruk van fulltimeleraren? De VVD-fractie kent leraren die geen andere keuze zien: zij melden zich ziek om alle proefwerken en werkstukken na te kunnen kijken. Mijn fractie zou daarom graag beschikken over een onafhankelijk onderzoek naar de werkbelasting van de leraar. Daarbij gaat het niet alleen om de uren, maar ook om de voorbereiding van lessen, om het nakijken van proefwerken en werkstukken en andere activiteiten. Wij zouden het resultaat daarvan graag van de minister ontvangen. In Europees verband geldt dat de Nederlandse leraar in het voortgezet onderwijs meer lesuren per week moet geven dan zijn Europese collega's. Ons lijkt dan ook dat er wel degelijk een argument is voor een ruime vakantie, als compensatie voor de volle werkweken.

In dit verband wil de VVD-fractie ook duidelijkheid over de betekenis van lesvrije dagen. Het zijn allemaal vragen die al gesteld zijn; daarvoor mijn excuses, voorzitter. Kennelijk moeten de leraren of de leerlingen op de lesvrije dagen wel op school zijn, maar moeten zij iets anders doen. Wat moeten zijn dan doen? Gaat het dan om bijscholing? Die vindt toch niet op de school plaats? Gaat het om tijd om proefwerken na te kijken, en dan zeker in een volle klas of in een volle lerarenkamer? Hoe zit dat nou precies? Een vergelijking met een andere beroepsgroep laat het merkwaardige karakter van deze maatregel zien. Stel dat artsen een aantal dagen wel in het ziekenhuis aanwezig moeten zijn, maar de patiënten dan niet te woord staan of behandelen. Dat zou iedere Nederlander toch een onbegrijpelijke maatregel vinden? Waarom gebeurt dit dan wel bij leraren en leerlingen? De logica en het nut hiervan ontgaan de VVD-fractie. Graag horen wij de rechtvaardiging van deze zeer gedetailleerde en onbegrijpelijke regelgeving. Anders gezegd: wij willen heel graag weten waarom de minister zich kennelijk genoodzaakt voelt om zich met zaken zoals deze zo intensief te bemoeien.

Ten slotte is er de kwestie van de medezeggenschap. Hierover heeft de fractie in beide voorlopige verslagen zeer kritische opmerkingen gemaakt. Ons punt is dat het door ouders en leerlingen in de medezeggenschapsraad laten meebeslissen over kwaliteit en kwantiteit van het onderwijs, een regelrechte uitholling oplevert van de professionaliteit van de leraar. Blijkens de talrijke brieven van lerarenorganisaties, schooldirecties, besturen en individuele leraren is het zo inderdaad bij het veld overgekomen. Wij kunnen ons de woede indenken. Eerder in een voorlopig verslag merkten wij al op dat artsen toch ook niet geconfronteerd worden met cliëntenraden van ziekenhuizen, die oekazes uitdelen over diagnostiek en therapie? Dit is lachwekkend, inderdaad. Maar waarom dan wel bij leraren? Wij begrijpen het ministerie niet. Hoe kun je zo'n regeling maken? Het is toch terecht dat de leraren hier woedend over zijn? Dit is toch ook een bewijs dat de minister heel weinig met leraren op heeft? Ook wij zijn heel ontevreden hierover. Overigens geldt ook hier weer dat het functioneren van de medezeggenschapsraden blijkens recente rapportages geen enkele aanleiding geeft tot grote zorg.

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

De vergelijking van een leraar met een arts gaat hier volkomen mank. Ik vraag mij af of mevrouw Dupuis eigenlijk wel het verschil weet tussen klokuren, lesuren, onderwijstijd et cetera. Alles wordt op één grote hoop gegooid. Je moet daarin wel een scherp onderscheid maken. Dat is het ingewikkelde van het wetsontwerp.

Mevrouw Dupuis (VVD):

Ik denk dat ik dat onderscheid goed ken, maar ik vind het juist in het wetsontwerp zo onduidelijk. Als wij het al onduidelijk vinden, hoe zit het dan met de scholen? Er is dus reden voor zorg, lijkt mij.

Mevrouw Lokin-Sassen (CDA):

Ik heb in de beantwoording van de minister duidelijkheid gekregen over al deze verschillen. Zij heeft uitgelegd hoe het precies zit. Wij hebben het grondig gelezen.

Mevrouw Dupuis (VVD):

U hebt het grondig gelezen.

Blijkens recente rapportages geeft het functioneren van de medezeggenschapsraden geen aanleiding tot zorg. De noodzaak van aanvullende wetgeving is ons inziens dan ook nul. Het huidige wetsvoorstel op dit punt lost geen enkel probleem op, maar creëert er veel en tast de professionaliteit van de leraar aan. Dit is onaanvaardbaar voor de VVD-fractie.

Het is niet prettig om zo kritisch te moeten zijn, maar gezellig blijven is niet de taak van de Eerste Kamer, hoewel het hier wel vaak heel gezellig is. Wij hebben de opdracht om te zien of wetten noodzakelijk zijn – omdat zij een probleem oplossen – consistent zijn, maatschappelijk draagvlak hebben en uitvoerbaar zijn. Daarmee heb ik de belangrijkste zaken genoemd. Toetsing op al deze punten pakt slecht uit voor het voorliggende wetsvoorstel. Wij zijn heel benieuwd naar de reactie van de minister.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Mij blijkt dat niemand meer het woord wenst in eerste termijn. Tijdens de eerste termijn had ik even het idee dat ik voorzitter was van de Rekenkamer en niet van de Eerste Kamer, maar dat terzijde.

Er stond voor nu een vervolgdebatje op de agenda, maar wij hebben inmiddels het tijdstip bereikt waarop de lunchpauze staat gepland. Ik stel voor om deze pauze te benutten en om 13.30 uur verder te gaan met de stemmingen en daarna de rest van de agenda af te werken. Anders komen we echt in de knel met ons tijdschema. We gaan nu dus pauzeren tot 13.30 uur. Daarna zien we elkaar weer.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 12.42 uur tot 13.30 uur geschorst.

De voorzitter:

De ingekomen stukken staan op een lijst die in de zaal ter inzage ligt. Op die lijst heb ik voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd.

(Deze lijst is, met de lijst van besluiten, opgenomen aan het eind van deze editie.)

Naar boven