Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2011-2012nr. 33, item 6

6 Mediawet

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van onder meer de Mediawet 2008 in verband met aanpassing van de rijksmediabijdrage, beëindiging van de wettelijke taken van de Stichting Radio Nederland Wereldomroep en aanpassingen van meer technische aard (33019).

De voorzitter:

Ik kan vandaag wel bezig blijven om de minister van OCW welkom te heten, want ze is de hele dag in de Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.

Mevrouw Ter Horst (PvdA):

Voorzitter. De fractie van de Partij van de Arbeid stelt het op prijs om met de minister van gedachten te kunnen wisselen over de wijziging van de Mediawet, waarin de rijksbijdrage voor de publieke omroep wordt aangepast en de wettelijke taken van de Wereldomroep worden beëindigd. Onze inbreng is mede namens de fractie van de Socialistische Partij.

Wij hebben de minister in eerdere instantie gevraagd of zij met voortvarendheid gaat werken aan het wetsvoorstel dat de mogelijkheid biedt om verantwoord invulling te geven aan de megabezuinigingen op de publieke omroep. Het doet ons deugd dat de minister heeft aangegeven dat het wetsvoorstel voor de zomer naar de Raad van State gaat en dat zij koerst op inwerkingtreding van het wetsvoorstel op uiterlijk 1 januari 2014.

Ik vraag de minister hoe zij de aankondiging beoordeelt dat de fusie tussen AVRO en TROS on hold is gezet. Ziet zij dat als een eerste teken dat de mogelijke invulling van het wetsvoorstel dat voor de zomer naar de Raad van State gaat, mogelijkerwijs schade oploopt?

Een tweede punt van aandacht in het wetsvoorstel is uiteraard het schrappen van twee van de drie taken van de Wereldomroep. Wij betreuren dat, al realiseren wij ons dat er meer mogelijkheden zijn gekomen om de ontwikkelingen in Nederland ook in het buitenland te volgen. Echter, geldt dat voor alle plekken op aarde waar interesse bestaat om die informatie over Nederland te willen volgen? Zien wij het ook goed dat dit voorstel weer een teken is dat het kabinet weinig ambitie vertoont om een internationaal cultuurbeleid vorm te geven? Graag een antwoord van de minister op deze vragen.

Een derde punt van aandacht betreft de resterende taak van de Wereldomroep: het bieden van onafhankelijke informatie in landen met een informatieachterstand. Die onafhankelijkheid wordt niet meer in de Mediawet geborgd, maar moet, aldus de minister, via een subsidierelatie met het ministerie van Buitenlandse Zaken vorm krijgen. De minister zegt dat "een subsidierelatie nadrukkelijk afstand veronderstelt. Ook voor andere vergelijkbare journalistieke organisaties is geen sprake van een specifiek wettelijke borging, anders dan de grondwettelijke waarborgen". Zo gesteld kun je je afvragen waarom wettelijke waarborgen überhaupt nog nodig zijn en waarom niet alles in de vorm van een subsidierelatie wordt geregeld.

Misschien zou de minister nog eens kunnen toelichten wat er gebeurd is waardoor een taak waarvan de onafhankelijkheid in de wet was vastgelegd, nu niet meer door de wet wordt geborgd. Het kan toch niet zo zijn dat de enige reden daarvoor de financiering door een ander departement is. Uiteraard wachten wij het antwoord van de minister af, maar wat ons betreft heeft zij een verkeerde keuze gemaakt door die borging van de onafhankelijkheid niet in de wet vast te leggen.

Tot slot kom ik bij het amendement dat in de Tweede Kamer is ingediend met betrekking tot de programmagegevens. Dat amendement regelt dat programmagegevens tegen een marktconforme prijs verplicht beschikbaar moeten worden gesteld. Nadat de memorie van toelichting is verschenen, heeft de rechter in kort geding uitspraak gedaan over het "publiceren van gegevens die het programma betreffen door De Telegraaf". Ik gebruik met opzet een andere formulering dan "programmagegevens". Inmiddels hebben wij een brief van de NPO ontvangen met daarin een aantal elementen waarvan wij graag zouden zien dat de minister daarop reageert. Ik neem aan dat zij de brief kent, zodat ik daarnaar kortheidshalve kan verwijzen. Wij willen graag van haar vernemen of het, gezien de complexe juridische materie, niet verstandiger is om het bewuste artikel niet per 2012 in werking te laten treden, maar per 1 januari 2016, zodat tijd resteert om de consequenties van het amendement goed te doordenken.

De heer Flierman (CDA):

Voorzitter. De CDA-fractie heeft met waardering kennisgenomen van de antwoorden van de regering op haar schriftelijke vragen. Wat ons betreft willen wij in dit debat vooral nog stilstaan bij de positie van de Wereldomroep en bij de beschikbaarheid van de programmagegevens. Wat de minimumbijdrage betreft: die is te klein om erover te praten, maar wij vinden de uitzonderingspositie voor jongeren nog steeds curieus. Ik kan mij dezer dagen niet inhouden om te denken aan de jongere die toevallig lid is van een omroep, maar ook nog te lang studeert. Die zal na het betalen van € 3000 langstudeerdersboete toch met waardering constateren dat hij van overheidswege € 7,50 korting krijgt op zijn contributie aan de omroep. Dat is toch mooi meegenomen.

Maar serieus: de Wereldomroep dus. De regering constateert terecht dat de omstandigheden waaronder deze organisatie werkt de afgelopen tijd ingrijpend zijn veranderd, onder andere door nieuwe technologische ontwikkelingen zoals internet en mobiele telefonie. Aanpassing van het klassieke takenpakket en concentratie op de onafhankelijke informatievoorziening in landen met een informatieachterstand liggen dan ook voor de hand.

Na aanvaarding van het voorliggend wetsontwerp liggen de gewijzigde opdracht en de positie van de Wereldomroep niet meer in de wet vast. Dat roept de vraag op hoe de opdracht van de organisatie, zoals die in de toelichting is omschreven, dan wordt gewaarborgd. De regering schetst de nieuwe taak van de Wereldomroep weliswaar in de toelichting, maar niet duidelijk is waar of hoe die wordt vastgelegd. Wij horen daarop graag nog een toelichting van de minister.

Soortgelijke vragen laten zich stellen over de onafhankelijkheid van de Wereldomroep. Die gaat de regering blijkens de toelichting zeer ter harte. De redenering in de memorie van antwoord dat die onafhankelijkheid net zo wordt geborgd als die van elke andere privaatrechtelijke organisatie, en net als elke andere organisatie met een subsidierelatie met de overheid, is misschien formeel juist. Een organisatie echter die de eerstkomende jaren voor 100% gesubsidieerd wordt door de overheid en daarna voor ten hoogste 75%, is in praktische zin natuurlijk niet onafhankelijk. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat de regering zal zorgen dat die onafhankelijkheid wordt gewaarborgd. Wij horen graag hoe de minister dat gaat realiseren.

De Wereldomroep vervult nog één kerntaak. Er is overigens vandaag al meer in nostalgische termen gesproken en ik kan niet nalaten te zeggen dat het woord "kerntaak" volgens mij voor velen die de periode-Den Uyl/Van Agt hebben meegemaakt nog een heel andere associatie oproept dan sindsdien het geval is. Maar goed, er is dus nog één kerntaak over: de informatievoorziening in landen met een informatieachterstand. Is de regering voornemens via de subsidierelatie op de een of andere manier sturing aan de uitoefening van die kerntaak te geven? Bijvoorbeeld door een norm te formuleren voor de uitoefening van die taak en door in de statuten van de organisatie vast te laten leggen dat zij zich dient te houden aan standaarden van journalistieke professionaliteit, zoals evenwichtigheid, zorgvuldigheid en hoor en wederhoor? We horen daarop graag een reactie van de minister.

Hoe zal de keuze plaatsvinden van de gebieden waarop de Wereldomroep zich richt? Doet de Wereldomroep dat geheel op eigen gezag en onafhankelijk of is dit onderwerp van gesprek in de subsidierelatie? In samenhang daarmee vroegen wij ons nog af in welke taal de Wereldomroep gaat werken.

Dan de beschikbaarheid van programmagegevens: die is bij amendement in de wet opgenomen, maar roept toch de nodige vragen op. Het leek zo eenvoudig, maar blijkt toch knap ingewikkeld. Voor de goede orde: het principe dat de programmagegevens ter beschikking komen, staat voor ons niet ter discussie. Maar door de leveringsplicht en door de prijs voor het verstrekken van programmagegevens door de publieke omroep in de wet vast te leggen, kan een merkwaardig verschil ontstaan tussen de publieke en de commerciële omroepen. Of voor laatstgenoemde omroepen ook een leveringsplicht geldt, is mij nog niet helemaal duidelijk, maar dat zal de minister nog wel kunnen duiden. In ieder geval zijn de commerciële omroepen niet aan een prijsvoorschrift gebonden en kunnen zij voor hun gegevens dus vragen wat zij willen. Daardoor ontstaat een wettelijk en een ander, echt marktconform, tarief als ik het goed heb begrepen. Het verschil tussen die twee kan dan weer gevolgen hebben voor de publieke omroep. Hoe ziet de minister dit?

Ook de verhouding tussen het amendement en het Europees recht en met name de Databankenrichtlijn enerzijds en de geschriftenbescherming in de Auteurswet anderzijds is nog niet helder, zo blijkt ook uit de memorie van antwoord. Over de betekenis van de geschriftenbescherming in relatie tot deze Europese uitspraak wordt zeer verschillend gedacht. Zoals zo vaak zijn de juristen het helaas volstrekt niet met elkaar eens. Wij begrijpen dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie de uitspraak van het Europees Hof nog bestudeert en de Commissie Auteursrecht om advies zal vragen.

Wij zouden echter graag dat advies en de conclusies van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vernemen alvorens genoemd artikel in werking treedt. De minister kan krachtens het voorliggende voorstel zelf bepalen op welk moment het bewuste artikel in werking treedt. Is zij bereid met deze inwerkingtreding te wachten tot de adviezen bekend zijn en op waarde kunnen worden gewogen? Zo nodig kan in de aankomende wijziging van de Mediawet dan wellicht nog een verbetering van het bewuste artikel worden aangebracht om te zorgen dat het zijn beoogde doel bereikt en tegelijkertijd niet strijdig is met andere Europese of nationale wetgeving.

Wij wachten de antwoorden van de regering op deze vragen met belangstelling af.

De heer Van Boxtel (D66):

Voorzitter. De verleiding is groot om als jurist te reageren op de opmerking van collega Flierman dat juristen het nooit eens zijn. Maar ja, mijn ervaring is dat ingenieurs en economen het ook nooit eens zijn. Kijk maar naar het Europadebat en de economie: zoveel hoofden, zoveel zinnen. Dat is toch ook troostrijk?

Wij spreken over een belangrijk voorstel tot wijziging van de Mediawet dat primair beoogt een aanpassing van de rijksmediabijdrage en de opheffing van de Wereldomroep als publieke media-instelling te bewerkstelligen. Het wetsvoorstel voorziet in een verlaging van de financiële bijdrage van de overheid aan de mediabegroting met ruim 50 mln. in 2013 tot ruim 200 mln. voor het jaar 2017. Bij deze wijziging van de Mediawet blijft het niet. Een volgende wijziging van de Mediawet bevat maatregelen die nodig zijn om de bezuinigingen te realiseren. Deze maatregelen zien op de taak en de organisatie van de publieke omroep, aldus de minister. Zij heeft ons reeds geïnformeerd dat fusies tussen omroepen een voorwaarde zijn om de voorgenomen bezuinigingen te kunnen realiseren. In het verlengde van de woorden van mevrouw Ter Horst vraag ik de minister ook wat dat beeld op het ogenblik eigenlijk is. Ik denk niet alleen aan AVRO en TROS, maar ook aan VARA en BNN. Wat is op dit moment de stand van zaken en heeft de minister er ook hoop op dat de fusies doorgaan? Met ingang van 1 januari 2016 zou de landelijke publieke omroep namelijk bestaan uit maximaal zes erkende omroeporganisaties en twee taakorganisaties.

Ik belicht kort de voorgenomen bezuinigingen in het licht van de volgende wijziging van de Mediawet. De D66-fractie heeft eerder aangegeven dat de bezuinigingen fors zijn, maar zij onderschrijft de noodzaak ervan in het huidige economische tijdsgewricht. De minister ziet zich voor een uitdaging gesteld. Nochtans liggen hierin naar onze overtuiging kansen besloten. Een kans om publieke middelen efficiënter in te zetten. Een kans om de Mediawet in rapport met de tijd te brengen. Een kans om de publieke omroep te moderniseren. Om met dit laatste te beginnen: de tijd dat de burgers zich langs de lijnen van omroepverenigingen organiseren, lijkt echt vervlogen, maar nog altijd is het huidige publieke omroepbestel gestoeld op de voor ons land ooit zo karakteristieke verzuilde samenleving. Een omroepbestel waarin de oude zuilen, gebaseerd op een of meer levensbeschouwelijke karakteristieken, thans nog zichtbaar zijn, vormt een anachronisme in het medialandschap. Wellicht dat de ingezette fusiebeweging daarin verandering zal brengen. Een vernieuwde publieke omroep zou voorts een sterkere gerichtheid op hoogwaardige programmering moeten ontplooien. Daartoe behoren programma's met een culturele waarde, pluriforme nieuwswaarde en onderzoeksjournalistiek. Daarmee kan zij zich echt onderscheiden van de commerciële omroepen. Minder versnippering en meer samenwerking tussen de omroeporganisaties dragen bij aan de noodzakelijke en voorgenomen bezuinigingen. Mijn fractie spreekt de hoop uit dat de minister deze overwegingen ook bij haar volgende wijziging van de Mediawet zal betrekken. Zij zou ernaar streven de Tweede Kamer die volgende wijziging in het najaar van 2012 aan te bieden. Mijn fractie ziet hiernaar belangstellend uit.

Ik keer terug naar het voorliggende wetsvoorstel. Mijn fractie heeft drie kanttekeningen gemaakt. Ten eerste: de publieke omroep zal, als de voorgenomen bezuinigingen doorgang vinden, keuzes dienen te maken in haar programmering. Mijn fractie heeft haar zorg geuit in hoeverre de publieke omroep dan kan voldoen aan pluriformiteit van haar programmering. De minister heeft ons in haar memorie van antwoord geïnformeerd dat uit het rapport van de Boston Consulting Group blijkt dat ook met een verlaging van de rijksmediabijdrage en minder omroeporganisaties, een programmering tot stand kan komen met behoud van diezelfde pluriformiteit. De bezuiniging zou voor het grootste deel kunnen worden opgevangen uit het maken van meer of langere afleveringen van programma's en het vergroten van het aandeel aangekocht buitenlands materiaal. Mijn fractie zal de vorderingen op het gebied van de pluriformiteit van de programmering aandachtig blijven volgen.

Ten tweede regelt het wetsvoorstel ook de taken van de Wereldomroep. Het behelst de beëindiging van de wettelijke taken van de Wereldomroep. De kerntaak van de Wereldomroep, te weten verspreiding van het vrije woord, wordt evenwel niet beëindigd. Deze taak ziet op het voorzien van onafhankelijke informatie in landen met een informatieachterstand. Wij kunnen ons daarin vinden. De Wereldomroep zal voor zijn kerntaak worden gesubsidieerd door het ministerie van Buitenlandse Zaken. De Raad van State is kritisch over de vraag of door de tot stand te brengen subsidierelatie de onafhankelijke journalistiek gewaarborgd wordt. Wij delen die opvatting. De minister stelt zich op het standpunt dat ook in de subsidierelatie de Wereldomroep onafhankelijkheid kent. Het vervallen van de inbedding van de werkzaamheden van de Wereldomroep in de Mediawet en de overgang naar de subsidiesfeer van het ministerie van Buitenlandse Zaken brengen met zich dat de Wereldomroep zich nog steeds in een onafhankelijke positie bevindt, aldus de minister. Een subsidierelatie zou nadrukkelijk afstand veronderstellen. Maar kan de minister garanderen dat de subsidierelatie niet onder druk komt te staan, ook niet als de Wereldomroep voorziet in informatie die de minister van Buitenlandse Zaken niet past? Er zijn echt genoeg aanleidingen om hierbij een groot vraagteken te plaatsen. Wij willen echt zien hoe dit in de uitwerking geconcretiseerd wordt: een onafhankelijk redactiestatuut, onafhankelijke toetsing en in ieder geval geen directe relatie.

Ten derde hebben wij gewezen op de belangrijke functie die de Wereldomroep vervult in de Caraïbische gebieden binnen het Koninkrijk en in Suriname. De minister heeft ons geïnformeerd dat er na beëindiging van de wettelijke taken van de Wereldomroep een beperkte mediavoorziening zal komen voor de Caraïbische eilanden binnen het Koninkrijk. Zij heeft ervoor gekozen om de landelijke publieke omroep verantwoordelijk te maken voor het media-aanbod in de Nederlandse taal. Maar acht de minister het van belang om ook Suriname te bedienen? Daar wonen nog altijd heel veel mensen die de Nederlandse taal bezigen en er wonen meer dan 350.000 Surinamers in Nederland. De memorie van antwoord wekt de suggestie dat Suriname in dezelfde mate wordt voorzien van Nederlandstalig media-aanbod als de Caraïbische eilanden binnen het Koninkrijk nu BVN (het Beste van Vlaanderen en Nederland) in Suriname is te ontvangen. Maar naar het zich laat aanzien, geldt deze mediavoorziening niet voor Suriname en dit terwijl in Suriname een groot aantal Nederlandstaligen woonachtig is. Kan de minister ons informeren of Suriname op dezelfde wijze en in dezelfde mate wordt voorzien van Nederlandstalig media-aanbod als de Caraïbische eilanden binnen het Koninkrijk? En zo nee, waarom niet?

Wij zien de antwoorden met belangstelling tegemoet.

De heer Sörensen (PVV):

Mijnheer de voorzitter. Voor ons ligt wetsvoorstel 33019 dat het budget van de publieke omroep een beetje terugdraait, maar volgens mijn fractie lang niet voldoende.

Ons publieke bestel is ontstaan in 1925 en de huidige contouren dateren al van 1930. In de tachtig jaren daarna is er in essentie weinig veranderd qua structuur. Veranderde de wereld met de komst van veel meer radio, televisie, computers en sociale media, ontzuiling en betere scholing van de bevolking, de publieke omroep bleef onveranderd bestaan, sterker nog, hij heeft zijn positie verstevigd.

Aanvallen van binnenuit om de verzuiling te breken, zijn vakkundig om zeep geholpen op typisch Nederlandse wijze, namelijk door de criticasters zelf een plekje in het publieke bestel te geven. De AVRO en de TROS zijn ooit opgericht om het bestel van binnenuit te veranderen maar zijn onderdeel van het media-establishment geworden. Wij voorzien dat Wakker Nederland en PowNed hetzelfde lot beschoren is.

Publieke omroepen hebben tot doel het algemene nut na te streven. In de praktijk betekent dit dat zij de zegeningen van ons economische en politieke bestel zonder al te veel kritiek accepteren onder het mom: je bijt niet in de hand die je voedt en wie appelen vaart, die appelen eet. Dat alles gebeurt in ons land anno 2012 nog steeds verzuild! Alle politieke partijen inclusief de nieuwe partij 50PLUS hebben een plekje binnen het publieke omroepbestel, op één partij na! Het nieuws en de zogenaamde actualiteitenprogramma's werken voor de elite. Ik zal u voorbeelden besparen, want dan zou ik ook zeven uur vol kunnen maken. Nogmaals, ik zal dat niet doen.

Het interesseert de Nederlandse kijker en luisteraar absoluut niet wie zijn of haar favoriete programma uitzendt. Vrijwel niemand weet wie "boer zoekt vrouw" of "tussen kunst of kitsch" uitzendt. Als mensen lid zijn van een omroepvereniging, is het meestal uitsluitend vanwege de programmaboeken of de gidsen. Slechts een fractie van de kijkers c.q. luisteraars kiest bewust voor een omroep van haar of zijn denominatie. Daarom hoopt mijn fractie dat met deze wet een begin is gemaakt met de onttakeling van het bestel oftewel de staatsomroep. Nog steeds stoppen we 800 mln. in de publieke media om naast nieuws ook quizzen, shows en sportprogramma's te vertonen die net zo goed of misschien zelfs beter door de commerciële omroepen gemaakt kunnen worden.

Gelukkig is er na veel kritiek wel een einde gekomen aan de hoge beloningen die boven de balkenendenorm lagen, maar de controle op de uitgaven van de publieke omroepen is zeer pover omdat het systeem van verenigingen amper werkt. Er is dus eigenlijk geen echte democratische controle op de uitgave van een enorme hoeveelheid belastinggeld. Wij geven het geld aan omroepverenigingen en die geven het uit terwijl er soms maar één keer per jaar een ledenvergadering is. Daarom zeggen wij: prima, deze bezuinigingen; nog 800 mln. te gaan!

De heer Van Boxtel (D66):

Voorzitter. Ik ben het inhoudelijk met veel van de opmerkingen van de heer Sörensen eens. Er kan echt een hoop veranderen. Ik neem echter afstand van zijn kwalificatie dat er geen democratische controle is. Het zijn wel publiekrechtelijke instellingen die gewoon hun jaarcijfers bekendmaken en waarop accountantscontroles plaatsvinden. In die zin ben ik het niet eens met de suggestie dat het een grijze pot geld zou zijn waarmee iedereen maar wat doet. Dat is echt niet waar.

De heer Sörensen (PVV):

Daarin heeft de heer Van Boxtel gelijk. Ik doel alleen op het feit dat er ledenvergaderingen worden uitgeschreven die amper worden bezocht. Dat is de kern van de zaak. De ledenvergadering dient uiteindelijk ook haar fiat te geven aan het financiële wel en wee van de vereniging. Dat gebeurt amper.

De heer Nagel (50PLUS):

Mag ik de heer Sörensen vragen of de ledenvergaderingen van de PVV dan beter bezocht worden?

De heer Sörensen (PVV):

Dat is een retorische vraag! Ik moet er vreselijk om lachen.

De heer Nagel (50PLUS):

Voorzitter. De fractie van 50PLUS heeft de discussie over verhoging van het minimale lidmaatschapsgeld van € 5,72 naar € 15 nauwgezet gevolgd. Wij vinden dit een bizarre verhoging, die in het licht van de geplande grote lastenverzwaringen in het Kunduzakkoord heroverwogen moet worden. De argumentatie van de regering vinden wij misleidend.

Jongeren tot 25 jaar kunnen lid worden van een omroepvereniging tegen het bijzondere tarief van € 7,50, terwijl veel jongeren van tegen de 25 al een volwaardig inkomen hebben. In de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer zegt de minister dat het jongerenlidmaatschap tegen een laag tarief voorkomt bij veel maatschappelijke organisaties in de politiek en de sport. In de politiek gaat het daarbij om zeer kleine aantallen en bij sportverenigingen geldt een heel andere leeftijdsgrens dan de minister suggereert. Treffend is dan ook de uitspraak van de minister dat "wellicht alleen jongeren moeite hebben met de contributieverhoging". Daaraan voegt zij toe: "€ 15 is voor alle lagen van de bevolking op te brengen."

Een minister die dit met droge ogen verkondigt, is het contact met een belangrijk deel van de maatschappij kwijt. Feit is dat juist veel ouderen lid zijn van een omroepvereniging. Er zijn honderdduizenden alleenstaande vrouwen die alleen een AOW-uitkering met soms een klein pensioen ontvangen. Ongeveer een miljoen mensen krijgen alleen een AOW-uitkering en een klein pensioen. Veel anderen hebben eveneens een laag inkomen.

De AOW is achtergebleven bij de loonontwikkeling. Pensioenen werden in de afgelopen jaren vaak niet meer geïndexeerd. Voor de komende jaren ziet het er voor de genoemde inkomensgroepen nog veel somberder uit. De AOW gaat naar de nullijn, terwijl de prijzen en de btw stijgen. Pensioenen worden niet alleen niet geïndexeerd, maar ook dreigt er flink op gekort te worden. Voor 2013 wordt al een korting van 6% à 7% genoemd.

De heer Sörensen (PVV):

Ik hoor de heer Nagel zeggen dat vooral ouderen lid zijn van een omroepvereniging. Weet hij ook waarom vooral ouderen lid zijn?

De heer Nagel (50PLUS):

Voor een deel heeft dat te maken met traditie, maar ook met overtuiging. Het is niet zo, zoals de heer Sörensen suggereerde, dat men alleen lid is vanwege het omroepblad of om erachter te komen welke programma's vertoond worden. Dertig jaar geleden stond dat in De Telegraaf. Heden ten dage maken mensen hun keuze heel bewust. Dat geldt ook voor omroepen als de EO, met zijn fantastische jongerendag.

De heer Sörensen (PVV):

De heer Nagel pleit voor goedkopere voorzieningen voor ouderen. Dat is zijn goed recht. Ik zou bijna zeggen: wie is het daar niet mee eens? Maar is het dan niet goedkoper voor ouderen om helemaal geen lid te worden van een omroepvereniging?

De heer Nagel (50PLUS):

Het gebeurt natuurlijk steeds vaker dat ouderen niet kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer omdat dat hen financieel onmogelijk wordt gemaakt. De fractie van 50PLUS streeft juist naar een tegenovergestelde beweging. Weet de heer Sörensen wat de lidmaatschapskosten zijn van een omroepvereniging inclusief een abonnement op een blad? Ik heb 38 jaar bij een omroepvereniging gewerkt en weet hoe het in elkaar steekt. Ik kan u verzekeren dat de lidmaatschapsgelden niet alleen aan verenigingsactiviteiten, maar deels ook aan programma's besteed worden.

De heer Sörensen (PVV):

Misschien kan de heer Nagel dan via een connectie in de Tweede Kamer met een initiatiefwet komen om alle omroepgegevens vrij te geven. Daarmee doet hij wat voor de ouderen.

De heer Nagel (50PLUS):

Het gaat nu om het lidmaatschap dat bepalend is voor de hoeveelheid zendtijd die een omroep krijgt. Omroep MAX heeft bijvoorbeeld geen programmablad. Het gaat de kwart miljoen leden puur om het lid zijn.

Mensen met alleen maar een AOW-uitkering en een klein pensioen moeten echt elke euro omdraaien. Zij moeten kijken waarop ze in hun eigen budget kunnen besparen. Soms moeten zij sociale contacten missen omdat ze geen treinkaartje of bloemetje kunnen betalen. Voor deze mensen, vaak trouwe aanhangers van een omroep, is een verhoging met € 10 echt een fors bedrag. Dat bedrag is niet, zoals de minister zegt, voor alle lagen van de bevolking op te brengen.

Het kabinet hoort in te springen op de actuele situatie, zeker na de bekendmaking van het Kunduzakkoord. De fractie van 50PLUS vraagt dat met klem. De fractie wil weten of de minister dat met haar eens is en, zo nee, waarom niet. Ook vragen wij of zij bereid is op de recente ontwikkelingen in te spelen. Bovendien heeft de overheid geen enkel belang bij deze verhoging met bijna 300%.

Mevrouw Ter Horst noemde al dat de minister van plan is nog voor het zomerreces met een wet te komen waardoor er nog acht zendgemachtigden overblijven. Daarvoor wordt het de hoogste tijd, want in de afgelopen decennia is een wildgroei aan zendgemachtigden ontstaan. Het aantal zendgemachtigden als bedoeld in artikel 2.42, 6.1, eerste lid, en 6.5, eerste lid, is inmiddels opgelopen tot twintig, als ik de tel tenminste niet ben kwijtgeraakt. Zendgemachtigden lopen uiteen van de Unie van Baptistengemeenten tot de Hindoe Media, en van de Boeddhistische Unie tot de Moluks Evangelische Kerk. Veel van deze omroepen hebben eigen gebouwen, goed betaalde bestuurders en zij vertragen het welig tierende omroepoverleg. Deze situatie is niet meer van deze tijd: andere communicatiemiddelen liggen in dit internettijdperk meer voor de hand.

De minister gaat dit probleem aanpakken. Kan zij ook garanderen dat de vele subsidies, onder andere voor gebouwen en dure bestuurders van heel kleine omroepen, zullen verdwijnen, en dat de uitgebreide overlegcultuur overbodig wordt?

Het aantal van acht zendgemachtigden is ook internationaal bezien nog steeds veel te veel. Het werkt kostenverhogend. Wij zijn voorstander van een systeem met maximaal drie zendgemachtigden naast de commerciële zenders, die ook hun bijdrage leveren. Ziet de minister het voorgenomen aantal van acht als een tussenstap naar een verdere stroomlijning van een publieke omroep met inderdaad minder zendgemachtigden?

De heer Van Boxtel (D66):

Wat zijn dan volgens de heer Nagel de drie overgebleven omroepen? Dat intrigeert me. Hij noemt een mooi getal, maar dat vraagt om verduidelijking.

De heer Nagel (50PLUS):

Die zendmachtigingen zouden net als nu een soort overkapping kunnen zijn van een bepaalde stroming. Je zou er zo voor kunnen zorgen dat maatschappelijke stromingen echt vertegenwoordigd zijn. Eén van de drie zou kunnen zorgen voor een goede actualiteitenzender. Dat is echter een kwestie van uitwerking. Acht is nog steeds erg veel; internationaal bezien, en gegeven het feit dat we ook nog eens een aantal Nederlandstalige commerciële zenders hebben.

De heer Van Boxtel (D66):

Er blijven voor mij dan nog steeds twee zendgemachtigden te raden over: ik neem aan één voor vijftigplussers en één voor vijftigminners?

De heer Nagel (50PLUS):

Ja, en dan krijgt de heer Van Boxtel bij ons onderdak. Wij zouden in ieder geval van de minister willen horen of zij deze beperking ziet als een tussenstap naar verdere stroomlijning.

Er is nog een punt dat uit het oogpunt van kapitaalvernietiging aandacht verdient. Zullen de nieuw gefuseerde omroepen ook nieuwe huisvesting betrekken? En laten zij daarbij opnieuw leegstand ontstaan? Ik weet dat de AVRO en de TROS in onderhandeling zijn over het gebouw van de Wereldomroep. In dit verband wijs ik de minister erop dat kapitale panden als de voormalige NCRV-studio, de KRO-studio en de AVRO-studio grotendeels of geheel leegstaan.

Ik heb nog een laatste vraag over de honorering. Het gaat me daarbij niet om de honorering van de medewerkers, maar die van de omroepbestuurders. Is het juist dat er nog altijd drie omroepbestuurders zijn die een salaris boven de balkenendenorm ontvangen? Heeft de minister hierover een standpunt? Wij wachten het antwoord van de minister met belangstelling af.

De voorzitter:

Is er nog iemand anders van de leden die het woord wenst te voeren in deze eerste termijn? Dat is niet het geval.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.