Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2010-2011nr. 24, item 3

3 Stemmingen

Aan de orde zijn de stemmingen in verband met het wetsvoorstel Wijziging van de titels 6, 7 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen) (28867).

(Zie vergadering van 5 april 2011.)

Devoorzitter:

Ik geef gelegenheid tot het afleggen van stemverklaringen vooraf.

De heerVan de Beeten (CDA):

Voorzitter. Collega Franken heeft vorige week aan het einde van het debat per interruptie nog eens benadrukt dat het wenselijk zou zijn dat de reparaties die moeten worden uitgevoerd aan het wetsvoorstel zoals het thans voorligt, bij novelle plaatsvinden. De staatssecretaris heeft toen echter nadrukkelijk beloofd dat hij zich ervoor zal inzetten dat de problemen die door de amendering van het wetsvoorstel aan de overzijde zijn ontstaan, nog in het najaar van 2011 door middel van een reparatiewet worden opgelost. Wij hebben er voldoende vertrouwen in dat de staatssecretaris zich daarvoor met zijn volle gewicht zal inzetten en het beloofde resultaat aldus zal bereiken.

MevrouwQuik-Schuijt (SP):

Voorzitter. Mijn fractie staat hier wat anders in. De voornaamste reden dat wij hierin niet geloven, is dat je bij een reparatiewet niet ten gronde het probleem aanpakt. Ons grootste bezwaar tegen de wetswijziging die nu overblijft, is dat daarover in de Tweede Kamer überhaupt niet is gesproken, noch over het tijdstip waarop de ontbinding van de huwelijksgemeenschap ingaat, noch over het feit dat de notaris niet meer naar de rechtbank hoeft voor een wijziging van de huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk. Deze elementen zijn volledig ondergesneeuwd bij de behandeling van het hoofdonderwerp in de Tweede Kamer, wel of niet gemeenschap van goederen, maar wij zijn van mening dat deze twee onderwerpen wel degelijk serieuze behandeling behoeven. Het is niet gegarandeerd dat die onderwerpen bij de behandeling van een reparatie- of veegwet goed worden besproken. Hetzelfde geldt voor de beleggingsleer waarover wij ook zeer grote twijfels hebben en waaraan in de Tweede Kamer ook geen enkel woord is gewijd.

Wij zijn van mening dat dit goed had moeten worden bekeken. De staatssecretaris heeft die weg niet gekozen. Mijn fractie zal daarom tegen het wetsvoorstel stemmen.

De heerHoldijk (SGP):

Voorzitter. De Kamer heeft vorige week geen vierde termijn voor beraadslaging over het nu voorliggende wetsvoorstel gevraagd. Dat had op zichzelf onze instemming, maar door die omstandigheid is wat ons betreft nu een stemverklaring meer dan gewenst. De Kamer heeft immers in het debat vorige week geen conclusie getrokken.

De staatssecretaris, zo stelden wij vast, bleef bij zijn in derde termijn ingenomen standpunt dat hij het advies van de heren Neleman en Nuytinck niet volgde, in die zin dat deze beide heren hadden geadviseerd dat een novelle noodzakelijk was voorafgaand aan de afhandeling van het wetsvoorstel. Wij van onze kant gaven de voorkeur aan de oplossing die in het advies van beide genoemde heren wordt voorgestaan.

De staatssecretaris is ons echter één mijl tegemoetgekomen – de minister zal die terminologie wellicht verstaan – door toe te zeggen dat hij zal bevorderen dat vóór de aanstaande zomer, in mei of juni dus, een voorstel voor een reparatiewet aan de ministerraad wordt voorgelegd zodat het voorstel mogelijk in oktober of november aanstaande kan worden behandeld in deze Kamer. Dit alles onder de voorwaarde dat het voorliggende voorstel hier zou worden aangenomen.

Gegeven het feit dat het wetsvoorstel niet in de mogelijkheid voorziet van een gefaseerde inwerkingtreding van onderscheiden bepalingen en om, voeg ik hier, misschien wat ondeugend, aan toe, de Tweede Kamer niet in de verleiding te brengen opnieuw ten principale over de stelselwijziging te praten en veranderingen aan te brengen, zullen wij, zij het schoorvoetend, instemmen met het wetsvoorstel in de vorm waarin het nu voorligt. Het mag vanzelfsprekend heten dat wij de staatssecretaris aan zijn toezegging zullen herinneren, mocht dat nodig zijn.

MevrouwHaubrich-Gooskens (PvdA):

Voorzitter. De hele Kamer heeft vorige week gevraagd om een novelle. De staatssecretaris heeft daarin niet bewilligd. Hij heeft wel hard toegezegd dat nog voor de zomervakantie een reparatiewet zal zijn ingediend bij de ministerraad. Ik hoop dat de Kamer hem daaraan nog tijdig zal herinneren. Wij zullen gegeven die toezegging voor het wetsvoorstel stemmen.

In stemming komt het wetsvoorstel.

Devoorzitter:

Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van het CDA, de VVD, de PvdA, de ChristenUnie, GroenLinks, de SGP, D66, de OSF en de Fractie-Yildirim voor dit wetsvoorstel hebben gestemd en de aanwezige leden van de fracties van de SP en de PvdD ertegen, zodat het is aangenomen.