Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2010-2011nr. 24, item 2

2 Fiscale rechtsbescherming

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het voorstel van wet van de leden Dezentjé Hamming-Bluemink en Groot houdende wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en enige andere wetten ten behoeve van de rechtsbescherming met betrekking tot de administratieplicht en controlehandelingen van de fiscus (30645).

Devoorzitter:

Ik heet de initiatiefnemers, de staatssecretaris van Financiën, die onderweg is, en de adviseurs van de initiatiefnemers, mevrouw Kolk en de heer Muller, van harte welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.

De heerLeijnse (PvdA):

Mijnheer de voorzitter. Vandaag mag ik mede namens de fractie van de Socialistische Partij spreken. Dat is voor het eerst en dus een groot genoegen, mede omdat daaruit blijkt dat de SP de sociaaldemocratische inbreng langzamerhand meer gaat waarderen.

In ons staatsbestel hebben de beide Kamers der Staten-Generaal onderscheiden rechten. Daar zijn wij ons dagelijks, om niet te zeggen pijnlijk, van bewust. Een van de parlementaire rechten die deze Kamer ontbeert, is het recht van het wetgevend initiatief. Daarom kijken wij soms met enige afgunst naar de overkant van het Binnenhof waar de volksvertegenwoordigers hun niet geringe creativiteit kunnen uitleven in een onbeperkte vloed van initiatiefwetsvoorstellen. Dat neemt niet weg dat onze afgunst bij tijd en wijle ook enigszins getemperd wordt door de wetenschap dat het voorbereiden en door de parlementaire behandeling begeleiden van een initiatiefwetsvoorstel bepaald geen sinecure is. Degenen onder ons die in een eerder bestaan lid van de Tweede Kamer zijn geweest, en met name zij die ook zelf eens de euvele moed hebben gehad tot wetgevend initiatief, weten dat hiermee een zeer forse inspanning gemoeid is en dat de kans om het Staatsblad te halen op voorhand niet te hoog mag worden geschat. Des te groter is in deze Kamer de bewondering en waardering voor de collega-parlementariërs die dit huzarenstukje hebben weten te volbrengen. Het is mij dan ook een genoegen om hier vandaag namens de PvdA-fractie te mogen spreken over het voorliggende initiatiefwetsvoorstel. Ik complimenteer de indieners, en natuurlijk in het bijzonder mevrouw Dezentjé Hamming, dan ook graag met hun kundigheid en doorzettingsvermogen. De beloning lijkt in zicht.

Voorzitter. Deze lovende woorden zouden niet minder welgemeend zijn geweest indien mij fractie kritisch tegenover de inhoud van het voorliggende zou hebben gestaan. Dat is echter niet het geval. Mijn fractie kan leven met de voorstellen die de indieners gaandeweg ontwikkeld hebben en ziet ook met instemming dat deze in een goede dialoog met de regering hun uiteindelijke vorm hebben gekregen. Dat laat onverlet dat ik de indieners nog enige vragen wil stellen.

Allereerst zie ik graag dat zij, ook achteraf, nog eens stilstaan bij de redengeving voor dit initiatief. Zie ik het goed, dan is er allereerst een principiële overweging, namelijk dat het ontbreken van een bezwaarmogelijkheid in eerste aanleg voor de belastingplichtige als onjuist en "niet meer van deze tijd" wordt beoordeeld, al gaat het om relatief onbelangrijke verplichtingen zoals de onderhavige. Hiermee hangt ook samen dat bij het ontbreken van een bezwaarmogelijkheid in eerste aanleg, vervolgens bij het bezwaar tegen de aanslag een omkering van de bewijslast plaatsvindt, hetgeen ook als een inbreuk op de rechten van de belastingplichtige moet worden gezien. Mijn vraag aan de indieners is of deze principiële overwegingen een rol hebben gespeeld in de redengeving voor het wetsvoorstel, maar ook wat er van deze overwegingen precies is overgebleven in de uiteindelijke vormgeving van de informatieplichten zoals die nu voorligt. Daarbij hoor ik graag van de indieners om hoeveel situaties het in de praktijk gaat waarin de inspecteur zich bij controlehandelingen beroept op informatieplichten en wat voor soort zaken dit overwegend betreft. Gaat het bijvoorbeeld veelal om kleinere aangiften inkomstenbelasting of om grote aangiften vennootschapsbelasting? Gaat het veelal om controles op particuliere belastingplichtigen of om controles op door belastingadviseurs geleverde gegevens?

Een tweede vraag mijnerzijds betreft de regeling zoals die nu voorligt. De inspecteur krijgt nu, als ik het goed zie, niet de verplichting opgelegd om zijn informatieverzoeken altijd te gieten in de vorm van een voor beroep vatbare beschikking. Hij kan dit doen, maar het hoeft niet. Mijn vraag is wat de indieners in dit opzicht verwachten. Zal naar hun opvatting vaak de vorm van de voor beroep vatbare informatiebeschikking worden gehanteerd of zal dat slechts zelden gebeuren? Is er wellicht een zinnig onderscheid te maken naar zaken en informatievragen waarin deze vorm de voorkeur verdient en situaties waarin dit niet het geval is? Ook kan het, lijkt mij, geen kwaad als de indieners, wellicht ten overvloede, nog eens ingaan op de situatie dat de inspecteur de informatievraag bewust niet de vorm geeft van een voor beroep vatbare beschikking. Welke mogelijkheden staan de belastingplichtige open indien hij meent dat de vraag van de inspecteur geen rechtsgrond heeft en wat heeft dat voor repercussies in het vervolg van de aangifteprocedure?

Ten slotte heeft het thema van de werkbelasting van de Belastingdienst en de kosten die gemoeid kunnen zijn met de behandeling van bezwaren een grote rol gespeeld in de afwegingen rond dit wetsvoorstel. De regering heeft tegen de aanvankelijk heldere vormgeving van het informatieverzoek in de oorspronkelijk tekst van het initiatiefvoorstel groot bezwaar gemaakt omdat zij een vloedgolf van bezwaarschriften meende te moeten verwachten, met de behandeling waarvan vele miljoenen euro's gemoeid zouden zijn. Nu is dit type argumentatie de afgelopen jaren van de zijde van de regering niet geheel onbekend en wij hebben als Kamer wel geleerd om daar niet altijd onmiddellijk van onder de indruk te raken. Ik constateer echter dat in dit geval de initiatiefnemers zeer serieus op dit bezwaar zijn ingegaan en moeite hebben gedaan om hun voorstel zo aan te passen dat de verwachte werkbelasting en kosten tot een minimum teruggebracht konden worden. Mijn vraag aan de indieners is daarom of zij werkelijk geloof hebben gehecht aan de donkere voorspellingen van de regering op dit punt, en zo ja, waarom? Natuurlijk hoor ik ook graag wat de indieners in de praktijk verwachten aan extra werkbelasting voor de Belastingdienst en de extra kosten die daarmee gemoeid zijn als hun wetsvoorstel in de huidige vorm door deze Kamer naar het Staatsblad zou worden getild.

Ik zie de antwoorden van de indieners en de regering met meer dan gewone belangstelling tegemoet.

De heerDoek (CDA):

Mijnheer de voorzitter. Ik mag mijn collega Essers vervangen die de voorbereiding van de behandeling van dit wetsvoorstel voornamelijk heeft gedaan, maar op het ogenblik te Rome verblijft om daar een nieuwe generatie jonge fiscalisten uit heel Europa internationaal belastingrecht bij te brengen. Dat is ook een belangrijke zaak. Doorgaans mag ik hem vervangen als er wat exotische onderwerpen aan de orde zijn, zoals de belastingheffing op de BES-eilanden; een onderwerp uitsluitend voor geïnteresseerden. Dit wetsvoorstel valt uiteraard niet onder de exotische wetsvoorstellen, maar het is toch wel heel bijzonder.

Wij hebben met grote interesse kennisgenomen van dit initiatiefwetsvoorstel. Dit kon al vanaf juni 2006. Van het wetsvoorstel zoals het er eerste instantie lag, heb ik tegen mijn collega Essers gezegd: "dat motte we maar niet doen". Die opmerking was gestoeld op mijn 28-jarige ervaring als belastingadviseur. De indieners zullen tegenwerpen dat dit een belastingadviseur is die voor een grote maatschap met grote cliënten werkt en daar komt dit eigenlijk niet voor. Ik moet eerlijk zeggen dat ik in al die jaren weinig te maken heb gehad met overdreven verzoeken om informatie. Een aantal gevallen kende ik wel, maar als je daar goed naar keek, kon je wel begrijpen dat de fiscus er zo in stond. In het voortraject waren vaak al allerlei dingen fout gegaan. Dat sluit aan bij hetgeen door de indieners en de staatssecretaris naar voren is gebracht, dat in een aantal gevallen mediation eraan vooraf had behoren te gaan. In die jaren kenden wij dat nog niet.

Het wetsvoorstel heeft een lange geschiedenis. De CDA-fractie prijst de initiatiefneemster voor haar volharding. Hannie van Leeuwen, die lid is geweest van de Tweede Kamer en ook van deze Kamer, zei mij in 2005 over een initiatiefwetsvoorstel Warmtewet in de Tweede Kamer, dat er al een tijdje lag: ach, lees het verder maar niet, want als het zo lang duurt, komt het er nooit. Dat is deze indieners gelukkig niet overkomen. Trouwens, de Warmtewet is ook deze Kamer gepasseerd, alhoewel het KB daarvoor nog steeds niet is geslagen. Ik hoop voor de indieners dat het met dit wetsvoorstel anders afloopt. Ik ben er eigenlijk van overtuigd dat dit het geval zal zijn. Dat verdienen de indieners ook.

Gelet op het feit dat er thans slechts een gebrekkige rechtsbescherming tegen informatieverzoeken bestaat, namelijk via de burgerlijke rechter, zijn wij van mening dat de met dit wetsvoorstel te bereiken verbetering van die positie kan worden aangemerkt als positief. De thans gekozen inhoudelijke benadering – het bij de inspecteur leggen van het initiatief om een informatiebeschikking te nemen – voorkomt de aanvankelijk door het departement van Financiën en ook door ons gevreesde te grote belasting van het ambtelijke apparaat van de Belastingdienst. Als gevolg van dit gevonden compromis nemen wij aan dat ook de staatssecretaris van Financiën zich kan vinden in dit voorstel. Dit hebben wij al een paar keer kunnen lezen, maar het is altijd prettig om dit ook voor de wetgeschiedenis nog een keer vast te leggen. Gaarne een bevestiging van de staatssecretaris dat hij zich in dit voorstel kan vinden. Overigens hecht mijn fractie eraan om uit te spreken dat zij van oordeel is dat de Belastingdienst en zijn medewerkers in het algemeen zeer goed en adequaat werk leveren. Onze Belastingdienst heeft ook internationaal een uitstekende reputatie. Dat mag ook wel eens gezegd worden.

In het verslag hebben wij een aantal kanttekeningen bij dit wetsvoorstel geplaatst. Onze eerste kanttekening zag op de belastingplichtige die bezwaren heeft tegen het hem opgelegde informatieverzoek, maar desalniettemin niet het risico wil lopen van een omkering en verzwaring van de bewijslast. Het gewijzigde initiatiefwetsvoorstel ziet alleen op de in de ogen van de inspecteur ernstige gevallen waarin in zijn ogen niet wordt voldaan aan de informatieplicht en waarin omkering en verzwaring van de bewijslast aan de orde is. De belastingplichtige die bezwaren heeft tegen het hem opgelegde informatieverzoek, maar desalniettemin niet het risico wil lopen van een omkering en verzwaring van de bewijslast, heeft geen baat bij dit wetsvoorstel. Hij kan immers niet zelf om een informatiebeschikking vragen. Daarvoor is hij afhankelijk van de inspecteur, maar die zal daar pas toe overgaan als hij vindt dat de belastingplichtige niet aan zijn verplichtingen voldoet en dat de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast aan de orde is. Dat risico wil een belastingplichtige in de regel nu eenmaal voorkomen. De initiatiefnemers bevestigen in de memorie van antwoord dat de wisselwerking tussen onwelgevallige informatieverzoeken en omkering en verzwaring van de bewijslast inderdaad aanwezig is, maar dat dit niet nieuw is. Ook thans riskeert een belastingplichtige die moeite heeft met een informatieverzoek en hieraan niet voldoet omkering en verzwaring van de bewijslast. So far, so good.

Het initiatiefwetsvoorstel biedt een dergelijke belastingplichtige in de toekomst echter de mogelijkheid van een rechtsgang teneinde het informatieverzoek zelf door de rechter te laten toetsen. Wij achten het in dit verband van belang dat in het geval de rechter zou beslissen dat het informatieverzoek rechtmatig is, aan belanghebbende een redelijke termijn wordt geboden om zonder omkering en verzwaring van de bewijslast aan dat informatieverzoek te voldoen. Dit is slechts anders bij kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Het antwoord in de memorie van antwoord stelt ons wat dit betreft gerust.

Een andere kanttekening die we hebben geplaatst, zag op belastingplichtigen die echt iets te verbergen hebben en die door het maken van bezwaar en beroep tegen een informatiebeschikking kostbare tijd kunnen winnen, omdat zij op die manier de daadwerkelijke effecten van omkering en verzwaring van de bewijslast mogelijk kunnen uitstellen tot het oordeel van de rechter. In de memorie van antwoord bevestigen de initiatiefnemers in feite dat op deze wijze kwaadwillende belastingplichtigen wel degelijk kostbare tijd kunnen winnen, ook al staat de uiteindelijke omkering en verzwaring van de bewijslast al vast. Als gevolg van de gewonnen extra tijd bestaat immers het risico dat de fiscus alsnog achter het net vist. Hoe kijken de initiatiefnemers en de staatssecretaris tegen dit risico aan?

Onze laatste kanttekening zag op het gegeven dat op grond van het thans voorliggende wetsvoorstel ten aanzien van informatieverzoeken die betrekking hebben op derden, slechts kan worden geprocedeerd over het toekennen van een redelijke kostenvergoeding in geval van een onrechtmatig opgelegde verplichting. De beslissing of die verplichting al dan niet onrechtmatig is opgelegd, blijft ter beoordeling aan de inspecteur. Wij blijven er moeite mee hebben dat er, als de rechter oordeelt dat een dergelijk informatieverzoek onrechtmatig is, dan uitsluitend een kostenvergoeding kan worden verkregen. Een onrechtmatig informatieverzoek zou toch eigenlijk teruggedraaid moeten kunnen worden? Waarom wordt in een dergelijk geval dan toch door de initiatiefnemers genoegen genomen met uitsluitend een kostenvergoeding? Wat vindt de staatssecretaris hiervan?

Overigens kan men zich afvragen of deze incongruentie derden die met de gevolgen van een dergelijk onrechtmatig informatieverzoek worden of zijn geconfronteerd, geen aanleiding kan geven om met succes te betogen dat de inlichtingen op niet rechtmatige wijze zijn verkregen en om die reden buiten beschouwing behoren te blijven. Het zou ons niet verbazen als dit aanleiding kan geven voor een nieuwe rechtsontwikkeling die wellicht door de indieners en de staatssecretaris niet is voorzien. Gaarne een reactie van zowel de indieners als de staatssecretaris.

Wij zien met vertrouwen en belangstelling de beantwoording van onze vragen door de initiatiefnemers en de staatssecretaris tegemoet.

De heerBiermans (VVD):

Voorzitter. Ik benijd de heer Doek niet. Hij mag hier af en toe schitteren als collega-Kamerleden elders vertoeven. Ik heb het geluk dat ik inmiddels acht jaar nagenoeg alle fiscale en financiële wetten heb mogen doen. Dat doet mij elke keer weer deugd. Dit wetsvoorstel en deze behandeling doen mij extra deugd. Ik zal dat toelichten.

Reeds in 1997 heeft het toenmalige kabinet van VVD, PvdA en D66 aangekondigd, met een regeling te komen om het informatierecht van de inspecteur te beperken en de belastingplichtige rechten te geven om zich tegen een overvragende inspecteur te kunnen weren. Vandaag behandelen wij het initiatiefwetsvoorstel met het nummer 30645. Dat nummer is veelzeggend. Op 12 juli 2006 is het oorspronkelijke wetsvoorstel aan de voorzitter van de Tweede Kamer aangeboden. De toenmalige indieners van het wetsvoorstel vonden dat ze lang genoeg op het kabinet hadden gewacht en ontwierpen zelf een wetsvoorstel. De staatssecretaris heeft het wetsvoorstel aanvankelijk ontraden. In twee latere brieven aan de Tweede Kamer was hij al wat milder gestemd. In de memorie van antwoord aan deze Kamer uit hij zich gelukkig positief over de strekking van het wetsvoorstel. De indieners, vier in totaal, waarvan drie opeenvolgende Tweede Kamerleden van de PvdA en één van de VVD hebben inmiddels drie nota's van wijziging het licht laten zien.

Het op naam krijgen van een initiatiefwetsvoorstel is in het algemeen geen sinecure. Het op naam krijgen van dit wetsvoorstel met de welluidende naam "Voorstel van wet van de leden Dezentjé Hamming-Bluemink en Groot houdende wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en enige andere wetten ten behoeve van de rechtsbescherming met betrekking tot de administratieplicht en controlehandelingen van de fiscus" is een prestatie van formaat. Ineke Dezentjé is gedreven en vasthoudend geweest. Zij is creatief geweest. En zij heeft oog gehad voor wat haalbaar is. Een voor de staatssecretaris niet acceptabel wetsvoorstel heeft zij omgeturnd tot een wetsvoorstel waar ook hij tevreden mee is. Uit de wetsgeschiedenis van dit wetsvoorstel blijkt hoezeer zij heeft moeten strijden om het wetsvoorstel in deze Kamer te krijgen, chapeau. Chapeau ook voor de heer Groot, die zich als derde PvdA-Kamerlid in de materie heeft verdiept en zich achter het wetsvoorstel heeft geschaard.

Er is een tekort aan rechtsbescherming voor de ondernemers in de wet, dat door diverse kabinetten, de wetenschap en de rechtspraktijk is erkend. Daarvoor biedt dit initiatiefwetsvoorstel een oplossing. De indieners zijn van mening dat de overigens gezonde nieuwsgierigheid van de belastinginspecteur een juridische grens behoort te kennen. Het overvragen en het stellen van onredelijke termijnen voor de beantwoording zijn grote ergernissen van belastingplichtigen. Toegegeven zij – ik zeg dit met nadruk – dat de meeste inspecteurs hun grenzen kennen en op een zeer constructieve manier met belastingbetalers omgaan.

De kern van het wetsvoorstel is dat het zware middel van de omkering van de bewijslast bij een verzoek om informatie van de inspecteur niet zonder meer geldt, maar alleen als de inspecteur dit specifiek aangeeft. In dat geval heeft de belastingplichtige het recht om een in zijn ogen onredelijk verzoek om informatie in een bezwaar- en beroepsprocedure te bestrijden. Verder creëert het wetsvoorstel de mogelijkheid om via een procedure een kostenvergoeding te eisen in het geval de inspecteur informatie aan de belastingplichtige vraagt die een derde betreft. Tot slot bevat het wetsvoorstel een regeling van een kostenvergoeding als de inspecteur in de ogen van de rechter ten onrechte een administratieve verplichting heeft verzwaard. De initiatiefnemers van het wetsvoorstel geven in de memorie van antwoord op een vraag van mijn fractie gelukkig aan dat er sprake zal zijn van een vergoeding van de in redelijkheid werkelijk gemaakte kosten.

De praktijk heeft lang moeten wachten op deze regeling. Door VNO-NCW, MKB-Nederland, de SRA, de NOB en vele wetenschappers is het wetsvoorstel toegejuicht. Het tekort aan rechtsbescherming heb ik ook in mijn vroegere praktijk als belastingadviseur waargenomen. Het wetsvoorstel is (weer) een goede stap in de richting van het open stelsel van rechtsbescherming. Zowel de indieners van het wetsvoorstel als de staatssecretaris onderschrijven de wenselijkheid van dat open stelsel. In afwijking van de rest van het bestuursrecht in ons land kent ons belastingrecht geen open stelsel van rechtsbescherming. Daardoor is slechts bezwaar en beroep mogelijk tegen fiscale beschikkingen als de wet bezwaar en beroep uitdrukkelijk mogelijk maakt. De indieners zien terecht geen goede reden voor deze afwijking.

Graag vraag ik de initiatiefnemers of zij geheel tevreden zijn met dit wetsvoorstel. Het oorspronkelijke wetsvoorstel bood belastingplichtigen meer rechtsbescherming. Wat zouden de initiatiefnemers hun collega-parlementariërs die ook een wetsvoorstel op hun naam willen krijgen, aanbevelen om de volgende stap richting open stelsel te zetten? Zijn zij zelf niet enigszins teleurgesteld dat het oorspronkelijke voorstel niet in deze Kamer ter behandeling voorligt?

Bij de schriftelijke beantwoording heeft mijn fractie de staatssecretaris de vraag gesteld of hij bereid is om de mogelijkheid van een open stelsel te onderzoeken. Hij gaat helaas niet zover dat hij een toezegging ter zake doet. Dat vinden wij jammer. Kan hij nog eens aangeven waarom hij dat niet doet, want een open stelsel van rechtsbescherming hoort toch thuis in een rechtsstaat?

De leden van mijn fractie zijn ondanks de "maren" blij met het wetsvoorstel. Zij complimenteren nogmaals de initiatiefnemers ervan en kijken uit naar de reactie van hen en uiteraard van de staatssecretaris. Ik beloof dat – en als ik niet meer in deze Kamer zit, vraag ik aan mijn opvolger om dat te doen – ook de staatssecretaris de complimenten krijgt, als hij onderzoek naar het open stelsel toezegt en zal doen.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 12.25 uur tot 13.30 uur geschorst.

Devoorzitter:

Ik verzoek de leden te gaan staan.

Afgelopen zaterdag werd ons land opgeschrikt door een gewelddadig schietincident in Alphen aan den Rijn. Zeven personen vonden de dood, onder wie de schutter zelf. Zeventien mensen raakten gewond, een aantal van hen zeer ernstig. De omstandigheden waaronder deze dodelijke aanslag plaatsvond, en nog het meest de koelbloedige handelwijze van de dader, hebben ons allen verbijsterd. Niet alleen de inwoners van Alphen aan den Rijn, maar de hele Nederlandse samenleving is door deze gebeurtenis geschokt. Wat ons raakt, is de volstrekte redeloosheid van de geweldsdaad en de willekeur waarmee slachtoffers werden gemaakt onder het winkelend publiek.

Een grillige speling van het lot trof de slachtoffers in Alphen aan den Rijn. Tegelijk beseffen wij dat een daad van waanzin zoals deze ieder ander had kunnen treffen. Dit inzicht versterkt de collectieve verslagenheid en het gevoel van onmacht na de gebeurtenis van afgelopen zaterdag, die herinneringen oproept aan de aanslag in Apeldoorn op Koninginnedag in 2009. De vraag dringt zich op of en, zo ja, hoe de samenleving zich kan beschermen tegen de terreurdaad van een enkeling en hoe burgers het vertrouwen kunnen behouden dat zij veilig zijn in het publieke domein.

Vandaag gaan onze gedachten uit naar de slachtoffers en hun nabestaanden. Ook denken wij aan de familieleden en vrienden die nog in grote onzekerheid verkeren over de conditie en de perspectieven van de zwaargewonden. Ons respect gaat uit naar degenen die soms met gevaar voor eigen leven onmiddellijk hulp hebben geboden, en naar de professionele hulpdiensten die zich om de slachtoffers hebben bekommerd.

Wij voelen ons verbonden met de gemeenschap van Alphen aan den Rijn, die hartverscheurend leed in haar midden te dragen heeft en slachtoffers en nabestaanden met warmte en empathie heeft omringd. Wij betuigen ons medeleven met allen die door deze daad wreed zijn getroffen. Wij leven intens met hen mee. Wij zijn bij hen in gebed of anderszins. Mogen zij zich daardoor gedragen en gesterkt weten.

Ik geef het woord aan de minister-president.

MinisterRutte:

Mijnheer de voorzitter. Het afschuwelijke drama dat zich afgelopen zaterdag afspeelde in winkelcentrum De Ridderhof in Alphen aan den Rijn heeft Nederland in het hart geraakt. Een daad zo ongerijmd, zo willekeurig en ook zo onverwacht dat er eigenlijk geen woorden zijn voor de verbijstering die wij allemaal voelen. Namens het kabinet wil ik hier ons diepe medeleven overbrengen aan iedereen die door deze ramp is getroffen.

Zondagavond sprak ik met nabestaanden, met ooggetuigen en hulpverleners. Dat waren gesprekken om stil van te worden. Het ongeloof, de ontzetting en het enorme verdriet van deze mensen hebben mij en minister Opstelten heel, heel diep geraakt. Wat mij trof, was het onwerkelijke gevoel dat veel mensen hadden. Alsof het niet echt waar kon zijn. Zo'n schietpartij is meestal nieuws uit een ander land, is nieuws van ver weg, maar niet iets dat je verwacht op een zonovergoten zaterdag in een rustig winkelcentrum in Alphen aan den Rijn. Helaas is de harde realiteit een andere. Het is echt gebeurd.

De komende dagen en weken, maar ook maanden, zullen dan ook moeilijk worden voor heel veel mensen; voor iedereen die plotseling een naaste moet missen, voor de gewonden en hun families, die in sommige gevallen nog steeds leven tussen hoop en vrees; en voor iedereen die het zag. Door al die mensen zullen de emoties verwerkt moeten worden. Voor al deze mensen zal het leven waarschijnlijk nooit meer hetzelfde zijn. Er is een vóór en er is een ná 9 april 2011.

Vanaf deze plaats kan ik alleen herhalen wat ik zondag al zei: Nederland staat om u heen en rouwt met u mee. Wij wonen deze dagen allemaal in Alphen aan den Rijn. Wij willen troost bieden waar het kan en zullen een helpende hand toesteken waar dat nodig is.

In dit verband wil ik mijn groot respect uitspreken voor politie, hulpverleners en burgemeester Eenhoorn en zijn team. Zij hebben in de moeilijkste omstandigheden alles gedaan wat nodig en mogelijk was. Ook zij verdienen onze steun.

Natuurlijk leven er nu heel veel vragen. Bijvoorbeeld over wat zich nou precies in De Ridderhof heeft afgespeeld, of over de achtergrond van de dader. Dat zijn stuk voor stuk terechte vragen die tot op de bodem moeten worden uitgezocht. In dit stadium gaat onze aandacht allereerst uit naar de slachtoffers en hun nabestaanden, naar de gewonden en hun families en naar iedereen die op welke manier dan ook bij dit drama is betrokken. Zij verdienen nu ons medeleven en onze zorg.

Laten wij er met elkaar voor zorgen dat de saamhorigheid en de steun die wij de laatste dagen zo spontaan hebben zien opkomen, ook blijft, ook na volgende week en ook na komende maand. Want daarin ligt voor een belangrijk deel de kracht die alle betrokkenen nodig zullen hebben om dit enorme verlies en dit enorme verdriet te verwerken.

Namens het kabinet wens ik iedereen die door dit drama is geraakt, heel veel sterkte toe.

Devoorzitter:

Ik vraag om een ogenblik van stilte.

(De aanwezigen nemen enkele ogenblikken stilte in acht.)

Devoorzitter:

Dank u.

Ik schors de vergadering voor een enkel ogenblik om de aanwezigen de gelegenheid te geven, burgemeester Eenhoorn van Alphen aan den Rijn, die in ons midden is, te begroeten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Devoorzitter:

De ingekomen stukken staan op een lijst die in de zaal ter inzage ligt. Op die lijst heb ik voorstellen gedaan voor de wijze van behandeling. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd.

(Deze lijst is, met de lijst van besluiten, opgenomen aan het einde van deze editie.)

Devoorzitter:

Ingekomen is een beschikking van de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal houdende aanwijzing van mevrouw Van Nieuwenhuizen tot vertegenwoordiger in de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa in plaats van mevrouw Hennis-Plasschaert.

Aan de orde is een verslag van de commissie voor de Verzoekschriften over het verzoekschrift van F.K. te T., betreffende zorgtoeslag (32513, B). Ik stel voor, conform het voorstel van de commissie voor de Verzoekschriften te besluiten.

Daartoe wordt besloten.

Devoorzitter:

Aan de orde zijn de stemmingen. Ik heet de minister van Veiligheid en Justitie en de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, die namens de regering aanwezig zijn bij de stemmingen, van harte welkom in de Eerste Kamer.

Hebben alle leden de presentielijst getekend?