Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2008-2009nr. 38, pagina 1724-1737

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met onder meer de erkenning en financiering van de publieke omroep (31804).

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik heet minister Plasterk van harte welkom in de Eerste Kamer.

De heer Asscher (VVD):

Voorzitter. Bij onze inbreng in de commissie stelden wij nog dat onze fractie met gemengde gevoelens kennis had genomen van dit wetsvoorstel. Bij het voorbereiden op dit debat en het nogmaals lezen van het wetsvoorstel en alle stukken moet ik eigenlijk stellen dat ik met verbazing heb kennisgenomen van hetgeen ons is aangeboden en waarvan ons wordt gevraagd ermee in te stemmen. Verbazing eigenlijk vooral omdat dit wetsvoorstel zo in strijd is met het door mij hoog ingeschatte karakter van deze minister en zijn open manier van communiceren en leidinggeven. Deze minister lijkt toch een van de weinigen in dit kabinet die zich laat voorstaan op een visie en een eigen mening. De tegenstelling kon eigenlijk niet groter zijn dan met dat wat ons nu wordt aangeboden: een stuk zonder visie en zonder eigen mening. Het doet mij nog het meest denken aan de Monumentenwet: een vermolmd gebouw moet ten koste van alles in stand worden gehouden. Het fundament is rot en de visie ontbreekt, maar toch wordt er voortgeborduurd op behoud van de bestaande situatie. Kan er bij een monument nog sprake zijn van een historisch besef, een boodschap voor het nageslacht of een cultuurhistorisch belang, bij deze vermolmde ruïne is slechts te hopen dat deze zo snel mogelijk in elkaar stort. Waar is toch die visionaire minister gebleven die een heldere, geïnspireerde visie op de toekomst kan geven?

Een visie waarmee de Kamer het eens of oneens kan zijn, maar die in ieder geval ons meeneemt naar mooie vergezichten voor de toekomst van een bestel dat wordt klaargestoomd door een minister die leiding wil geven aan een maakbaar omroepland. Wel, daar zien we in de verste verte en ook in de nabije toekomst helemaal niets van. De eigen mening is vastgelopen in het drijfzand van de polder: erkenningen en het intrekken daarvan zijn afhankelijk van de visitatiecommissie, het Commissariaat voor de Media en de raad van bestuur. Kan er nog meer gepolderd worden in één wet?

En dan nog de visie. Nou ja visie, het afwezig zijn van die blik in de toekomst die zelfs in de verste verte en met een nauwgezette tekstanalyse niet te vinden is. Er zijn lichte verbeteringen zichtbaar binnen het huidige bestel, maar dat is nou net de zwakte. Deze progressieve minister is uiteindelijk de meest behoudende van dit kabinet. Hij wil namelijk vrijwel alles bij het oude houden en beschermt de machtspositie van de gevestigde orde. Hadden wij bij de behandeling van de Mediawet 2008 al zijn uitspraak "vernieuwing moet van onderop geïnitieerd worden, ik wacht af" en meer van dergelijke passieve mededelingen, nu is het vooral het behoud van het oude. Als dat niet conservatief is, dan weet ik het niet meer.

Het wordt dus tijd om een visie te ontplooien. Als dat niet die van een rooms-rood kabinet met een randje is, dan maar een liberale visie neergezet die eerder toekomstgericht is, en die ook nog een beperking van de kosten inhoudt. Want waarom moeten er drie netten gecontinueerd worden, waarom moet er verstrooiing zijn die met belastinggeld betaald wordt, waarom moet belastinggeld gegeven worden om bij sport te kunnen concurreren met de commerciële omroep, die ik liever de vrije omroep noem? Wij zien liever een beperkte publieke omroep met twee netten, minder verstrooiing en zonder reclame. Hierdoor wordt de sterke afhankelijkheid van de kijk- en luistercijfers beëindigd, worden de netmanagers afgeschaft en kunnen de omroepen zich weer profileren naar hun achterban toe.

In veel debatten aan de overkant hoor ik terecht steeds dat een van de waarden van onze samenleving is de scheiding tussen kerk en staat, maar om politiek conveniërende redenen geldt dat niet voor de publieke omroep en het bestel. Scheiding tussen kerk en staat is prachtig in Nederland, maar niet in omroepland. In de vrijwel Kamerbreed gesteunde motie-Van der Ham c.s. heeft de Tweede Kamer uitgesproken dat het tot de taken van de publieke omroep behoort om aanbod te verzorgen van levensbeschouwelijke aard, zoals de uitzending van kerkdiensten of programma's die kijkers en luisteraars informeren over de verschillende religies en levensbeschouwingen in de Nederlandse samenleving.

De heer De Boer (ChristenUnie):

In de memorie van antwoord heeft de minister in antwoord op een vraag van uw en mijn fractie gezegd dat de scheiding tussen kerk en staat betekent dat de staat zich volgens eigen inzichten en zonder zeggenschap van de kerken kan inrichten, en dat de kerken vrij zijn van overheidsinmenging bij de vormgeving van hun kerkelijke organisaties en in hun geloofsleer. Bent u van mening dat deze omschrijving van de verhouding tussen kerk en staat doorbroken wordt door bijvoorbeeld bijzondere omroepen? Dat kun u toch niet menen?

De heer Asscher (VVD):

Bij de inleiding van uw vraag leek het alsof u uit mijn tekst oplas; ik kom daar zo op terug. Het antwoord op uw vraag is dat ik waarschijnlijk een iets andere visie heb op de kerkelijke uitzendingen dan u en uw partij.

Voorzitter. De minister zal ter uitvoering van de genoemde motie de haalbaarheid van integratie van de taken van deze omroepen met de taken van omroepverenigingen en taakorganisaties onderzoeken. Het spreekt vanzelf dat hij bij dit onderzoek steeds zal nagaan of mogelijke varianten adequaat voldoen aan het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat. Ik citeer niet volledig maar ook niet selectief. Graag vernemen wij van de minister wat deze vaag klinkende toezeggingen eigenlijk betekenen. De scheiding van kerk en staat houdt immers in dat de staat organiseert zonder inmenging van de kerk – een hoog goed in ons land – en vice versa dat de kerk qua organisatie ongemoeid wordt gelaten door de staat. Maar op het kruisvlak van kerk en staat in omroepland heeft de kerk meer invloed dan de staat zou moeten wensen of toestaan. Ook de VVD heeft er geen bezwaar tegen dat de publieke omroep op bescheiden schaal en terughoudend het aanbod verzorgt van levensbeschouwelijke aard. De vraag is wel in hoeverre uitzendingen van kerkgenootschappen daartoe gesubsidieerd moeten worden. Wat is de visie hierop van de minister?

Het is doorgaans een genoegen met deze minister te debatteren; uit de "choc des opinions" komt nog wel eens wat positiefs. Overigens vaker als een partij in het kabinet zit. Dat is echter eerder een uitdaging om toch te komen tot iets positiefs vanuit de oppositie. Ik wil nu dan ook wat nader ingaan op de details, zonder te herhalen wat wij schriftelijk al afgehandeld hebben. Laten we nog eens kijken naar een van de belangrijkste elementen van dit wetsvoorstel: de draaideurproblematiek, de erkenning van omroepgemachtigden en de intrekking daarvan.

Ik zei al: er wordt weer heel wat gepolderd in dit land en in dit voorstel. De criteria voor de toetreding zijn geformuleerd in stroming, genre en doelgroepen en de inhoud moet anders zijn dan hetgeen al voorhanden is. Ik vernam deze week van de directie van een nieuwe omroep dat deze aan het Commissariaat voor de Media gevraagd heeft of er een overzicht is van welke stromingen er nu vertegenwoordigd zijn bij de publieke omroep, maar dat het commissariaat het antwoord daarop schuldig blijft. Een gedegen inzicht blijkt er niet te bestaan in welke stromingen, genres en doelgroepen er nu wél vertegenwoordigd zijn.

Is de minister bereid op korte termijn een overzicht te doen publiceren met een inventarisatie van wat er nu in de publieke omroep aan deze drie criteria vertegenwoordigd is, opdat de nieuwe omroepen daar hun voordeel mee kunnen doen om duidelijk een toegevoegde waarde te kunnen neerzetten? Ik heb de minister gevraagd waarom nieuwe omroepen iets nieuws moeten toevoegen en daar mijns inziens onvoldoende antwoord op gehad. Wil de minister dat nog eens toelichten, ook in het kader van de bestaande omroepen, waarvan sommige erg op elkaar zijn gaan lijken? Waarom lijkt het erop dat nieuwkomers strenger worden aangepakt of benaderd? Indien bij bestaande omroepen de herkenbaarheid wegvalt, is er ook geen sprake meer van een toegevoegde waarde.

De voorzitter van de raad van bestuur heeft er bij een overleg nog eens op gewezen dat in deze wet de toelating beter wordt geregeld dan de intrekking, of beter gezegd uitzetting. Dit is de draaideurproblematiek: redelijk makkelijk erin, moeizaam of niet eruit. De eis van twee negatieve adviezen van de visitatiecommissie is begrijpelijk, gezien de consequenties van een enkel negatief advies. Onbegrijpelijk is dat dit in een periode van vijf en twee jaar gebeurt. Op die manier verandert er vrijwel nooit wat. Is de minister bereid, hier een nuance in aan te brengen? Na één negatief advies volgt een tweede onderzoek van de visitatiecommissie na één jaar. Dan volgt bij een tweede negatief advies toch uitzetting. Gaarne zijn mening hierover. Zou dit niet de starheid van het huidige bestel kunnen verbreken, zonder de zorgvuldigheid aan te tasten tegenover de omroepgemachtigde, de leden en de medewerkers? Frequentere visitatie zou dit probleem eveneens kunnen oplossen.

Een ander punt is de voorhang van de AMvB. Volgens de brief van u, mevrouw de voorzitter, aan de minister-president handhaaft onze Kamer het standpunt dat eerst de betreffende wet moet zijn aangenomen, voordat de AMvB kan worden voorgehangen. Gesteld dat deze wet vandaag nog zou worden aangenomen, dan is er nog slechts één week voor een geldige voorhang, voordat het reces begint. Dat zou deze Kamer toch niet mogen aanvaarden. Dat betekent volgens ons dat deze AMvB pas na het reces tot stand kan komen. Wat is de visie daarop van de minister? Tevens zou ik graag willen weten wat de visie daarop is van de andere fracties. Afhankelijk van het antwoord van de minister zal onze fractie bezien of hier een motie over moet worden ingediend.

Ik vind het overigens onbegrijpelijk dat ons tot en met gisteren stukken bereikten over dit wetsvoorstel. Niet alle stukken heb ik op tijd ontvangen en dat maakt een zorgvuldige behandeling door de Kamer erg lastig. Er schijnt ook een brief te zijn over de toelatingseisen, maar die heeft mij nog niet bereikt.

Voorzitter. Dan is een beloningscode vastgelegd in het Beloningskader Presentatoren in de Publieke Omroep, ook wel BPPO genoemd. Onze fractie heeft er bezwaar tegen dat ook dit BPPO pas dit weekend aan onze Kamer is gestuurd, waardoor het toch heel lastig is om dit de zorgvuldige behandeling te geven die het wel degelijk nodig heeft.

Ook vorig jaar, bij het eerste feuilleton van de serie Mediawet, hebben we het gehad over de beloningscode. Ik zei toen het absurd te vinden dat presentatoren, deejays en andere artiesten gebracht zouden worden onder een beloningscode. De minister pareerde dat in zijn antwoord met de woorden: de heer Asscher gebruikt grote woorden. Dat heeft mij aan het denken gebracht of hij daarmee gelijk had. Immers, dit is de chambre de réflexion, dus nadenken over de woorden van de minister past ook een senator.

Welnu, ik heb toch met verbazing de beloningscode gelezen. Als die code al niet absurd is, dan is deze in ieder geval onpraktisch, betekenisloos en ongewenst. Wel positief staat mijn fractie tegenover een beloningscode voor bestuurders in de publieke en de semipublieke sector. Naar onze mening zijn beloningen vaak ver doorgeschoten boven een niveau dat een weerspiegeling is van de zwaarte en complexiteit van de functie. Maar de vrije markt staat daar los van, is niet te vergelijken en de beloning is de resultante van onderhandelingen tussen gelijkwaardige marktpartijen. Ik zei het in december al: als u dit invoert, minister, dan zien wij u nooit meer terug op Nederland 1 bij Pauw & Witteman of in een vergelijkbaar programma, om de simpele reden dat zij dan allang zijn verhuisd naar de commerciële omroepen.

Ik zeg het dus nog maar eens: het is ongewenst om de vrije markt af te toppen en dan te denken dat die aftopping geen consequenties heeft voor het aanbod. Mijn fractie voelt niets voor een beloningscode voor presentatoren en andere artiesten, tenzij de minister hier heel erg goed en Machiavellistisch over heeft nagedacht. Als het zijn diepere achterliggende bedoeling is om daarmee de kijk- en Iuistercijfers van de publieke omroep ver naar beneden te brengen, opdat we het met minder netten kunnen stellen, dan zeg ik ruiterlijk: chapeau. Dan is er immers dus toch een visie in deze Mediawet verstopt. Wij vragen de minister hier nog eens uiteen te zetten wat de ratio is om het BPPO in te voeren en met welke argumenten de vrije markt wordt voorzien van een heel kader aan regels uit Den Haag.

Voorzitter. Ik wil mij verder beperken tot enkele punten van dit merkwaardige wetsontwerp. Laat ik maar eens een positief punt noemen: de bevordering van de pluriformiteit. Wie kan het daar nou niet mee eens zijn? Ik heb even opgezocht of de pluriformiteit die ten grondslag ligt aan dit wetsontwerp en dit bestel, ook wordt waargemaakt. Op een willekeurige avond bracht het ene net Lingo, het andere een regiosoap, komedie, nog meer komedie, en op 3 was er sport en een thriller. De dag daarop: Lingo, Blik op de Weg, Vinger aan de Pols, gepaard met regiosoap, landschappen, Niet Gelukkig, Geld Terug en op 3: komedie, 40 dagen zonder seks, Xperience en Sterretje Gezocht. Ik geef toe dat daar tussendoor een paar informatieve programma's lopen, maar als dat nou de pluriformiteit is die we hoog moeten houden, dan denk ik dat het bestel wel aan zijn einde is. Niet alleen door het subsidiëren van deze programma's en zeker niet omdat ik er niet naar kijk. Nee, het is voor velen heel leuk om naar dit soort programma's te kunnen kijken, maar de vraag is maar net of we die moeten subsidiëren via de publieke omroep en dus met belastinggeld.

We hebben het eind vorig jaar ook al over het feit gehad dat het belang van de televisie afneemt en dat van het internet toe. Steeds meer televisies worden geleverd met internet of internetaansluitingsmogelijkheden. We hoeven helemaal niet meer al ons gefiscaliseerde kijk- en luistergeld te stoppen in de netten 1, 2 en 3. We kunnen tegenwoordig kijken wat we willen, wanneer we dat willen en waar we dat willen. Door het internet is het belang van de publieke omroep aan het verdwijnen, overal in Nederland, behalve in Hilversum. Is de minister het met de VVD-fractie eens dat het belang van de publieke omroep hierdoor afneemt en dat alleen al om die reden de publieke middelen die naar Hilversum gaan, kritisch bekeken moeten worden? Is de minister het met de VVD-fractie eens dat het tijd wordt om niet langer passief af te wachten wat er uit Hilversum komt, maar dat het tijd is om een visie op tafel te leggen?

Voorzitter. Daarmee kom ik weer tot mijn zo positief bedoelde inleiding. Wat zou het toch mooi zijn als deze minister zijn conservatieve masker aflegt en komt met een positief vergezicht, zodat we hier eindelijk echt kunnen debatteren over de toekomst van het bestel en de publieke omroep.

De heer Dölle (CDA):

Voorzitter. Mag ik de heer Asscher, die zo wanhopig smeekt om een visie van de regering of althans van de progressieve minister daaruit een vraag stellen? Ik begrijp van de VVD-fractie dat de publieke omroep een monument is. Het is vermolmd, het is een ruïne, het is aan het eind. Een verbouwing helpt eigenlijk ook niet meer. Daar staat dan de stralende liberale visie tegenover van twee netten amusement en ander divertissement, plus de sport eruit en over naar de vrije omroepen. Daardoor wordt dus de publieke omroep heel anders dan bijvoorbeeld in Duitsland, in Engeland of in Frankrijk het geval is. Als je kennisneemt van de bijdrage van de heer Remkes in de Tweede Kamer, dan ligt dat toch weer een nuance anders. Heb ik de VVD-bijdrage zo goed begrepen? Terug naar twee zenders, uitgebeend van divertissement, ontspanning en sport, en het voortouw bij de commerciële of de vrije omroepen, zoals de heer Asscher ze noemt?

De heer Asscher (VVD):

Net als de heer Dölle heb ik kennisgenomen van de visie van de heer Remkes. Ik geloof niet dat die moet worden samengevat als twee zeer uitgeklede netten, zoals de heer Dölle beschrijft. Het moeten twee volwaardige netten zijn à la het BBC-model, wat ons betreft zonder STER. Deze netten moeten zodanig zijn opgebouwd dat de echte pluriformiteit op het gebied van informatie, educatie en cultuur, gelardeerd met dat wat nodig is, op twee netten zal verschijnen.

De heer Schouw (D66):

Voorzitter. Het is geen geheim dat onze fracties, die van D66 en de OSF, ten aanzien van de publieke omroep een BBC-achtig model voorstaan. Het onderhavige wetsvoorstel, de tweede in een reeks van drie aanpassingen van de Mediawet, brengt geen ingrijpende hervormingen van het publieke bestel met zich mee. De regering heeft ook aangegeven dat zij grootscheepse wijzigingen in het bestel onwenselijk vindt. Dat is jammer. Het getuigt van weinig ambitie, weinig visie en weinig moed. Daarom zal ik vooral ingaan op de specifieke veranderingen die dit wetsvoorstel beoogt tot stand te brengen. Ik wil ten aanzien daarvan drie zaken aan de orde stellen, namelijk het gelijke speelveld, goed bestuur en de legitimiteit van het ledensysteem.

Ik kom eerst op het gelijke speelveld. Doordat de regering, deze minister – ik kan het toch niet anders duiden en plaatsen – niet de durf heeft om wat fundamenteler naar het systeem te kijken, zucht het omroepsysteem onder nieuwkomers, uitstromers, criteria, beoordelingen en toegevoegde waarde. Dat is de omroepdraaimolen. Door de toepassing van het criterium "toegevoegde waarde", waarin wordt bepaald dat er een toegevoegde waarde moet zijn ten aanzien van de te vertegenwoordigen maatschappelijke stroming, het type programma dat gemaakt zal worden en het publiek dat daarmee bereikt dient te worden, worden aspirant-omroepen op een grote achterstand gesteld ten opzichte van de bestaande omroepen. Dat lijkt mij onredelijk.

Hoe zou de regering een situatie beoordelen waarin een aspirant-omroep voor een gedeelte hetzelfde publiek zou willen bedienen als een bestaande omroep, maar dan met een kwalitatief hoogwaardiger programma? Als ik het goed begrijp, zou er volgens de beoogde regelgeving voor die aspirant-omroep geen plaats zijn in het huidige publieke bestel. De gevestigde orde wint zo wel heel simpel de competitie van de nieuwkomers. Zou de regering aan kunnen geven op welke wijze dit de publieke omroep ten goede komt? Onze fracties juichen continue in- en uitstroom van omroepen tot het publieke stelsel niet toe, maar wij kunnen ons toch niet onttrekken aan het idee dat door de regelgeving vooral de gevestigde belangen worden gediend. Wij horen hier graag de reactie van de regering op.

Het huidige systeem geeft enorm hoge transactiekosten, naar onze schatting vele tientallen miljoenen euro's, terwijl iedere groep morgen een digitaal mediakanaal kan starten. Waarom moeten al die groepen nu eigenlijk op overheidskosten een plek verwerven binnen het publieke bestel? Ik gun het natuurlijk elke krant van Nederland om op kosten van de belastingbetaler publieke zendtijd te verzorgen, maar als je er met een beetje afstand en gezond verstand naar kijkt, zie je wel dat het eigenlijk gek is. Een juridische knip tussen zo'n bestaande instelling en de "nieuwe" omroep komt erg gekunsteld over.

Onze voorspelling is – het zal een liberale traditie zijn – dat het ouderwetse systeem dat wij nu hebben op den duur zal vastlopen. De transactiekosten zijn te hoog, er is gedoe over integriteit, er is verschil in lidwaarde en er is sprake van versnippering. Dat is weer de omroepdraaimolen.

De legitimiteit van de publieke omroep komt steeds meer onder druk te staan. Is de minister bereid om snel een langetermijnvisie te ontwikkelen en te presenteren, bijvoorbeeld voor een periode van vijf of tien jaar? Wil hij daarbij ook de opkomst van zaken als nieuwe media en themakanalen betrekken? Wil de minister ook een BBC-achtig model als alternatief meenemen in die toekomstverkenning? En hoe ziet dat proces er eigenlijk precies uit?

Ten aanzien van de transparantie van de publieke omroep, kom ik er niet omheen te refereren aan het artikel over het zelfreinigende vermogen van het publieke bestel dat op 13 juni jongstleden in NRC Handelsblad verscheen. Het ging over de Bibaboerderij en over de leescoupé. De gedragscode voor de publieke omroep bestaat uit zes richtlijnen en twee regelingen. De richtlijn voor goed bestuur en toezicht heeft, in tegenstelling tot de andere richtlijnen, geen bindend karakter. Hebben wij het goed begrepen uit de rapportage van de Commissie Integriteit Publieke Omroep (CIPO) van 25 juni jongstleden dat met de inwerkingtreding van deze wetswijziging ook richtlijn 1 een bindend karakter krijgt? De Commissie Integriteit Publieke Omroep was niet op de hoogte van deze gang van zaken. Onze fracties maken zich serieuze zorgen over het toezicht op de integriteit en over de integriteit zelf bij de publieke omroep.

Er is ook sprake van een gebrek aan transparantie. De jaarrekeningen van verschillende omroepen worden niet openbaar gemaakt. Dat is een ongelooflijke gang van zaken, temeer omdat de publieke omroep gefinancierd wordt uit belastinggeld. Daar moet natuurlijk democratische controle op kunnen plaatsvinden. Wat gaat de minister doen?

In de rapportage van de CIPO wordt de aanbeveling tot verdere zelfregulering van de omroepen gedaan. Het bevreemdt onze fracties dat de regering, die toch niet wars is van centralistische gedachten, de omroepen hierin vrijlaat. Wij hebben immers allemaal kunnen lezen dat zelfregulering niet altijd leidt tot goed bestuur. Vergelijk dit eens met de krachtdadige aanpak van collega-minister Van der Laan ten aanzien van de woningcorporaties. Het kan dus wel, ingrijpen, een lijn neerzetten en integriteit afdwingen. Waarom kan dat hier niet of waarom wil de minister dat hier niet? Wij zouden graag zien dat de regering verdergaat dan het doen van een moreel appel op de omroepen en verzekert dat de gedragscode nageleefd wordt.

Vanmorgen was op het nieuws te horen dat de minister de uitzendlicentie van de TROS dreigt in te trekken. Wij zijn benieuwd wat de consequenties van zo'n dreigement zijn. Gaat de TROS echt na nog één overtreding op zwart? Welke andere sancties heeft de minister nog in de achterzak? Wat te denken van de onderlinge strijd tussen moslimomroepen? Onderlinge ruzies worden voor tonnen aan publiek geld uitgevochten. Publiek geld wordt gebruikt om de uurtarieven van advocaten te betalen in plaats van voor het maken van programma's. Een minister die dan op zijn handen blijft zitten, moet zich realiseren dat de publieke legitimatie achteruit holt.

Het gaat onze fracties erom dat "Hilversum" symbool komt te staan voor een eiland van graaiers en grabbelaars. De salarissen zijn onthutsend en de redeneringen hiervoor flinterdun. Alle systeemafspraken om dit te veranderen of te beheersen, lijken bovendien inadequaat. De minister wil rust, zo schrijft hij in alle stukken, maar is het niet juist tijd voor een grote schoonmaak?

Ik kom nu op de legitimiteit van het ledensysteem. De kurk waar het Nederlandse systeem op drijft, wordt gevormd door de lidmaatschappen. Een bewust lidmaatschap van burgers geeft uitdrukking aan een diep gevoel van identiteit. Een clustering van die identiteiten heeft recht op overheidsgeld en zendtijd. 3,7 miljoen Nederlanders zijn lid van een omroep. Wij nemen, net als de regering, het lidmaatschap van deze mensen serieus. Wij zouden deze lidmaatschappen echter niet als maatschappelijke steun willen kwalificeren, maar meer als de erfenis van een verzuilde maatschappij en het resultaat van succesvolle commerciële ledenwerf­campagnes. Het zijn vooral abonnees op een blad en ontvangers van een cadeau. Voor € 5,75 word je lid van de TROS en krijg je de cd van Jan Smit ter waarde van € 17,80 er gratis bij. Voor € 10 word je lid van KRO Detectives en ontvang je een complete dvd-box. Voor eenzelfde bedrag kun je ook kiezen voor het lidmaatschap KRO Wandelen. In dat geval ben je gelijk verbonden met de grootste wandelclub van Nederland. Er is dus hierbij sprake van een "wandelomroeplidmaatschap".

En wat te denken van de VARA? Surf naar de website van die omroep, en je ziet flitsend op het beeldscherm verschijnen: "Stap 1: kies een cadeau". En dat voor € 7 per jaar. Wat zou er overblijven van alle kruimellidmaatschappen als er een minimale drempel zou zijn van € 50 per jaar voor een lidmaatschap? Als er sprake zou zijn van zo'n drempel, zouden wij pas echt weten hoe groot de participatie van de maatschappij is bij al deze bewegingen. Ik vind het prima als de regeringspartijen blijven geloven in dit systeem, maar ik blijf mij ertegen verzetten. Men moet er niet gek van opkijken als de publieke geloofwaardigheid van dit systeem verder verdampt.

De heer Dölle (CDA):

De heer Schouw vindt dat het bij lidmaatschappen vooral gaat om kralen en spiegeltjes, om wandeltochten en andere zaken. Ik parafraseer de zaak een beetje. Daarmee diskwalificeert de heer Schouw in zekere zin de keuze van een burger om lid te worden van een organisatie. Hetzelfde kan gelden voor de keuze van een burger om lid te worden van D66, het CDA, de ANWB ...

De heer Schouw (D66):

Nee, dit geldt niet voor de leden van D66, want die betalen minimaal een contributie van € 60 per jaar. Dat vormt een redelijke drempel.

De heer Dölle (CDA):

Oké. Uw partij heeft overigens ook een minimaal ledenbestand.

De heer Schouw (D66):

€ 60 is iets anders dan € 5,75.

De heer Dölle (CDA):

Daarmee ben ik het eens. Ik zal daarover straks ook iets zeggen. Ik vind het echter gevaarlijk als politici de stem die een burger uitbrengt, de contributie die hij ergens voor betaalt of het lidmaatschap dat hij aangaat, diskwalificeren of minder waarderen. Als wij daarmee beginnen, zijn wij mijns inziens een verkeerde weg ingeslagen.

De heer Schouw (D66):

Dat ben ik met u eens. Ik vraag u echter ook om een beetje met mij mee te denken. Wie een uitzending van De Wereld Draait Door of van Paul de Leeuw wil meemaken en daarbij graag op een van de eerste drie rijen wil zitten, moet voor € 5,75 lid worden van de VARA. Iemand die geen lid wordt, moet voor een mindere plaats € 7 betalen. Dit voorbeeld staat voor het perverse dat in dit systeem is gekropen. Ik vind dat wij dat weleens met elkaar mogen benoemen. Er zitten perverse elementen in het systeem. Het is de verantwoordelijkheid van de politiek om die te benoemen. Daarna kunnen wij bekijken wat wij eraan kunnen doen.

De heer Asscher (VVD):

Ik hoor een mooi liberaal verhaal van de heer Schouw. Wat is zijn visie op het feit dat de AMvB is voorgehangen zonder dat de wet is aangenomen?

De heer Schouw (D66):

Daarover hebben wij zojuist gesproken in het seniorenoverleg. De heer Asscher heeft op dit punt uiteraard het gelijk aan zijn kant. Ik wacht zijn motie op dit punt af.

De heer De Boer (ChristenUnie):

Ik wil graag meedenken met de heer Schouw. Kan hij een indicatie geven van het deel van de 3,7 miljoen leden dat heel bewust voor een bepaalde omroep heeft gekozen, wellicht al heel lang geleden? Hij kan de keuze afdoen met recente aardig of onaardige acties. Hij zei echter ook dat dit systeem een overblijfsel van vroeger is. Overblijfsels zijn vaak ook heel positief te waarderen.

De heer Schouw (D66):

U hebt daar een punt. Ik kan natuurlijk geen percentage noemen, want daarover zijn uiteraard geen gegevens bekend. Ik heb er wel een idee over. Ik denk dat erg veel van de 3,7 miljoen leden de laatste jaren lid zijn geworden door middel van een muisklik om een cd of een cadeau te verkrijgen, of een uitzending te kunnen meemaken. Daarbij laat een bedrag van € 5,75 zich gemakkelijk afschrijven. Dit is een buitengewoon lage drempel. Ik diskwalificeer dit niet, maar ik vind wel dat wij dit gegeven moeten meewegen bij de beoordeling van het systeem van lidmaatschappen. Een kritische reflex zou de zaak wat meer in balans kunnen brengen, juist met het oog op de toekomst. Ik zie de minister voortdurend nee schudden als ik het hierover heb, maar dit maakt mij hierin alleen nog maar feller. Juist van een wetenschapper verwacht ik een kritische reflex, ook op deze punten.

Ik kom tot mijn conclusie. Het beeld van de publieke omroep dat ontstaat na het lezen van relevante stukken is diffuus. Er bestaat geen duidelijkheid over de financiering van televisieprogramma's, er zijn verschillende regels voor bestaande en aspirant-omroepen, er is gedoe met de salarissen van bestuurders en presentatoren, er is een gebrek aan transparantie en ledenwerfacties lopen uit de hand. Het simpele gegeven van de veelheid aan omroepen compliceert het verhaal nog verder.

In het debat over de vaststelling van de nieuwe Mediawet, in december 2008, brak ik nog een lans voor de opruiming van de publieke omroep. Er is al een aantal stappen in de goede richting gezet door het creëren van herkenbare netten voor de publieke omroepen. Dat heb ik toen gezegd, en daar sta ik nog steeds achter. Door de mogelijkheid van uittreding uit het bestel is nu bovendien een kleine opening gemaakt. Ik vrees echter dat de minister en ik elkaar vandaag niet overtuigen van de noodzaak van een nieuwe visie op het publieke omroepbestel. Dat zou ik buitengewoon jammer vinden. De kleine wijzigingen die voorzien zijn in dit wetsvoorstel zijn desondanks voor onze fracties kleine stapjes die hopelijk in de goede richting gaan. Wij zien met veel belangstelling uit naar de beantwoording door de minister.

Mevrouw Tan (PvdA):

Voorzitter. Bij deze erkenning gaat het in hoofdzaak inderdaad over de voor- en achterdeur van de publieke omroep. De aandacht is daarbij uiteraard gericht op potentiële nieuwe omroepen zoals Wakker Nederland en PowNed, en aspirant-omroepen als Omroep MAX en LLiNK. Intussen gaan de ontwikkelingen echter door. Hetzelfde geldt helaas ook voor de speculaties. Een en ander wordt soms aangewakkerd door de Tweede Kamer, bijvoorbeeld door het amendement van CDA, VVD en PVV over extra bezuinigingen, met name voor de NPS. Nog steeds geniet de NPO ruime belangstelling van de pers. Direct staan er koppen in de krant, bijvoorbeeld in de Volkskrant de kop "Zware ingreep dreigt voor NPS".

Een en ander is echter nog niets vergeleken bij de hype, zoals ik het noem, die is ontstaan na de publicatie in NRC Handelsblad van zaterdag 13 juni, van artikelen met koppen als "Bij ons in Hilversum" en "Plasterk eist beter gedrag van omroep". Op 15 en 16 juni stonden vervolgens alle grote landelijke dagbladen vol over deze berichten. In de Haagsche Courant stond bijvoorbeeld een hoofdredactioneel commentaar onder de kop "Stoppen met subsidie voor publieke omroepen". De fractie van de PvdA vindt dit lichtelijk overtrokken, maar wellicht is het ook een beetje tekenend voor de stemming in het land, althans bij sommige groepen.

De aantijgingen zijn wel serieus en de minister heeft aan het Commissariaat voor de Media en aan de Commissie Integriteit Publieke Omroep gevraagd om een rapportage binnen twee weken. Deze stukken zijn keurig binnen de gestelde termijn gearriveerd en wij hebben ze gisteren ontvangen, waarvoor dank. Het is uiteraard belangrijk om te bekijken wat er precies aan de hand is en welke gevolgen daaraan te verbinden zijn. Een en ander is uiteraard niet tot op de bodem en met een zorgvuldig hoor en wederhoor uitgezocht. Er komt dus nog een vervolg. In de brief van 29 juni reageert de minister echter vrij scherp op de conclusies van de twee adviesinstanties. Hij stelt ook dat hij al eerder allerlei maatregelen heeft genomen inzake de zelfregulering, om die te vervangen en te versterken.

Toch heeft mijn fractie enkele vragen. Ons is in de berichtgeving de discrepantie opgevallen in de reacties tot nu toe van enerzijds de voorzitter van de genoemde Commissie Integriteit Publieke Omroep, de heer Dijkstal, en van anderzijds prof. dr. Tineke Bahlmann van het Commissariaat voor de Media. Wat leidt de minister hieruit af over het functioneren van die adviescommissies in het kader van de zelfregulering? Vindt hij het verzoek van het Commissariaat voor de Media om meer bevoegdheden te krijgen gerechtvaardigd? Bij de PvdA-fractie rijst, om eerlijk te zijn, toch enige twijfel over de toegevoegde waarde van de CIPO, temeer nu vorige week door de minister in goed overleg met de raad van bestuur van de publieke omroep een knoop is doorgehakt over het handhaven van de Balkenendenorm als het gaat om de beloningen, met uitzondering van heel incidentele gevallen. In de pers wordt het getal vijf genoemd. Je moet je daarop natuurlijk nooit precies vastleggen, maar het gaat om die orde van grootte. Kan de minister een reactie geven op onze aarzelingen over de toegevoegde waarde van de CIPO?

Dit vormt een illustratie van de grote mate van complexiteit in het systeem van bevoegdheden en verantwoordelijkheden bij de Nederlandse publieke omroep, waarvoor de mediawetten, de huidige Mediawet, de voorgaande en de komende, een wettelijke basis vormen. Er is een complex bouwwerk ontstaan van, om het met een lelijk Nederlands woord te zeggen, "countervailing powers" met adviserende, initiërende en controlerende functies en aan het eind de discretionaire bevoegdheid van de minister van OCW. Daar komt bij dat soms een groeimodel wordt toegepast, zoals in de discussie over de vraag hoe het moet met de ontvlechting van de NOS uit de NPO en hoe de commissie van toezicht dan moet worden bezet. Dat laatste mag voorlopig nog via een personele unie, geloof ik, maar de commissie moet over twee jaar weer meer op afstand komen. Dat maakt het er allemaal niet eenvoudiger op.

De Visitatiecommissie Landelijke Publieke Omroep 2004-2008, weer een ander orgaan, beveelt dan ook aan om de onderlinge samenhang, frequentie en planning van de verschillende verantwoordingsprocessen, adviestrajecten en toezichttaken nog eens goed tegen het licht te houden. Daarmee zouden efficiencyverbetering en het voorkomen van onnodige overlap te bereiken zijn. Vooral de evaluatie door de Raad voor Cultuur vanuit het perspectief van de vakgenoten en die door de visitatiecommissie vanuit de publieke verantwoording zouden volgens de visitatiecommissie de aandacht verdienen. De PvdA-fractie maakt zich ernstige zorgen dat met deze bestuurlijke drukte, inclusief de uiteindelijke ministeriële discretionaire bevoegdheid, ook in de toekomst de onafhankelijkheid van de publieke omroep wel eens onvoldoende wettelijk gewaarborgd zou kunnen blijken. Graag ontvang ik hierop een reactie van de minister.

In de memorie van antwoord geeft de minister met recht aan dat wijziging van de spelregels zoals die nu worden vastgesteld, pas weer aan de orde is voor de erkenningsperiode 2015-2020, dus in de volgende kabinetsperiode. Maar de aanbevelingen van de visitatiecommissie krijgen dit najaar een kabinetsreactie. Hoe verhoudt zich dat tot de voorbereidende verkenning van de toekomst van de publieke omroep ter uitvoering van de motie-Vendrik? Niet alleen de VVD ziet uit naar een toekomstvisie op de publieke omroep, maar dat geldt ook voor de PvdA-fractie, al vrees ik dat sommige verwachtingen wellicht niet in dezelfde richting gaan, om niet te zeggen soms in tegengestelde richtingen. Dat zien wij echter wel wanneer het debat er komt. De minister kondigt immers in de memorie van antwoord aan dat hij "voor de behandeling van de mediabegroting komend najaar de Tweede Kamer nader zal informeren over de opzet van de verkenning". Dat daarbij al die adviesinstanties betrokken zullen zijn, maakt het allemaal niet eenvoudiger, maar het hoort wel. Wanneer gaat de minister de fundamentele discussie over de toekomst van de publieke omroep agenderen? Zal deze in ieder geval nog ruimschoots binnen deze kabinetsperiode vallen, ijs en weder dienende? Voor de PvdA-fractie is een van de aandachtspunten de bestuurlijke drukte waarover ik net sprak, mede in combinatie met de discretionaire bevoegdheid van de minister.

De kern bij het bepalen wie wel of niet onderdeel mag gaan of blijven uitmaken van de publieke omroep zit in de beoordeling van de prestaties of de aspiraties, zoals uit dit wetsvoorstel blijkt. Die kern zit, met andere woorden, in het oordeel over de bestaande of de beoogde uitvoering van de pluriforme taakopdracht.

Ik plaats een kleine persoonlijke kanttekening. Ten tijde van mijn binnenkomst in Nederland als migrant aan het begin van de jaren zestig was het liedje "Een beetje" van Teddy Scholten nog populair, want dat had kort daarvoor het Eurovisie Songfestival gewonnen voor Nederland. In een van de daaropvolgende jaren waren De Spelbrekers aan de beurt, twee heren, met "Kleine kokette Katinka". Zij eindigden op nagenoeg de laatste plaats. De enkele keer dat Nederland scoorde in het songfestival was dat bij mijn weten met vrouwelijke artiesten. Mies Bouwman was voor Hilversum het boegbeeld. In de periode daarna was dat vooral Sonja Barend. Vandaag de dag hebben wij Clairy Polak bij NOVA en soms bij Buitenhof, en op de radio Mieke van der Weij als enige vrouwelijke presentatrice van het populaire programma Met het oog op morgen. Dat te midden van een leger aan Pauw en Wittemannen en Knevel en Van den Brinken. Waar is de Nederlandse Oprah Winfrey? Die vraag heb ik zeer onlangs, te weten afgelopen zaterdag, aan de minister gesteld in een openbaar debat. Zijn antwoord was dat wij gelukkig niet een systeem hebben zoals in Rusland, waar de regering de omroep benoemingen kan opdragen.

Met die stelling op zich kan geen rechtgeaarde Nederlander het oneens zijn, maar daar hoort wel een fikse kanttekening bij. De visitatiecommissie heeft namelijk niet alleen waardering voor de hoofdlijnen, zoals het programmeermodel en de gezamenlijke doelstellingen op netten en zenders. Daarvoor is slechts lof; ga hier vooral mee door, zo zeg ik tegen anderen die soms een andere richting lijken op te gaan. Naast de waardering van de visitatiecommissie is er echter kritiek en die liegt er niet om. Ik geef enkele citaten: "Culturele diversiteit is nog onvoldoende in alle geledingen verankerd ... Er wordt nog onvoldoende inzichtelijk en onvoldoende pluriform gerapporteerd over het gehalte aan culturele diversiteit in de programma's en het personeel ... Het is aan de NPO om eventueel met behulp van externe deskundigheid een doorbraak tot stand te brengen bij het betrekken van allochtonen in de kijk- en luisterpanels ..." Alleen al in kijk- en luisterpanels zijn er niet genoeg allochtonen! "Volgens sommigen slaagt de NPO er onvoldoende in om te vertolken wat er leeft onder bepaalde bevolkingsgroepen op een manier die voor deze publieksgroepen herkenbaar is ..." Heel ernstig is ook wat gesteld wordt in dit citaat: "Gebrek aan overkoepelend beleid en systematische rapportage staat beoordeling of ambities zijn waargemaakt in de weg." Tot zover de citaten van de visitatiecommissie. Ook de Raad voor Cultuur doet een uitspraak over diversiteit: "De raad verwacht van de publieke omroep een bredere aanpak van het thema diversiteit, inclusief de links-rechtsdiscussie en andere aspecten van diversiteit zoals sekse, opleiding en leeftijd."

De slechte representatie van vrouwen en allochtonen is dus een andere verschijningsvorm van de kwestie met betrekking tot de overmatige linksheid of onvoldoende rechtsheid van de publieke omroep. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat er onvoldoende voeling is met en representatie is van allerlei groepen uit de samenleving. Waarom heeft de NPO niet een charter ondertekend zoals in het bedrijfsleven gebruikelijk is, zo vraag ik de minister. Waarom geen streefcijfers en rapportages over ingezette methoden en instrumenten? "We kunnen ze niet vinden" is als excuus immers allang achterhaald. Waarom geen Oprah Winfrey Academy voor jonge vrouwelijke en allochtone talenten, met competities en awards? Is het niet zinvoller om hierover het debat te voeren in plaats van het eindeloze geharrewar over de budgetten? Vanmorgen werd in een radiodebat op Radio 1 tussen de heer Atsma van het CDA en Gerard Timmer, de netcoördinator bij de NPO, door de laatste betoogd dat het bij de publieke omroep niet ging om de hoogte maar om de breedte van het publieke bereik. Wel, daar houden wij de publieke omroep dan graag aan, en in de toekomst nog meer.

De complexe constructie van het stelsel heeft uiteraard ook gevolgen voor de inrichting van de besluitvorming. Terwijl wij vandaag over dit wetsvoorstel beraadslagen zijn relevante stukken net wel of net niet beschikbaar; voor het grootste gedeelte zijn ze gelukkig net wel beschikbaar. Wij voeren dit debat dus in een rijdende trein. Vorige week ontvingen wij het rapport De Volgende Editie van de commissie-Brinkman die adviseert over de innovatie en toekomst van de pers. Interessant zijn enkele aanbevelingen van die commissie die te maken hebben met de publieke omroep. Wat is de primaire reactie van de minister op de aanbeveling van de commissie-Brinkman over samenwerking tussen dagbladpers en NPO in alle fasen van productie en exploitatie van nieuws en achtergronden? En op de suggestie om technologische innovatieresultaten van de NPO, die immers qua research and development met publieke middelen zijn gefinancierd, via opensourcetoepassingen toegankelijk te maken?

De PvdA-fractie onderschrijft de opvatting dat de voorhang bij de evaluatiecriteria niet aan de orde kan zijn, voordat dit wetsvoorstel, dat daarvoor de basis vormt, door deze Kamer is aangenomen. Ik begrijp echter dat is afgesproken dat wij de nadere besluitvorming opschorten, totdat onze voorzitter antwoord van de minister-president heeft gekregen op een eerdere brief van maart dit jaar over de voorhangprocedure, dit mede gezien de vragen die zo-even zijn gesteld over de termijnen.

In het verlengde van de technologische aanbeveling van de commissie-Brinkman is het advies van de Raad voor Cultuur van belang, mede gezien de reactie op de meerjarenbegroting. Volgens de raad is de NPO er niet in geslaagd over te brengen wat deze op de platforms van nieuwe media wil doen. En hij voegt daaraan toe: "Met name in het kader van de EU-discussie over eventuele marktverstoring door nieuwe mediadiensten van publieke omroepen, moet de publieke omroep duidelijk aangeven wat hij met die platforms wil en waarom hij daarop een taak voor zichzelf ziet."

In reactie op onze desbetreffende vragen wordt in de memorie van antwoord informatie gegeven over de themakanalen. Onze vragen waren echter wat breder bedoeld. Het ging ons om de vraag of het aanbod aan nieuwe media en dienstverlening van voldoende niveau en gehalte is in vergelijking met collega's en concurrenten binnen en buiten Nederland en de EU. Hoe scoort bijvoorbeeld het populaire "uitzending gemist" ten opzichte van het product TV on demand van de BBC? Is er voldoende crossmediaal aanbod van gehalte bij de publieke omroep waar alle groepen in de samenleving zich in kunnen herkennen? Worden de mogelijkheden voldoende effectief benut?

Onder de huidige politieke en economische omstandigheden vraagt het behoud en de versterking van publieke omroepen naar de inzichten van de PvdA-fractie extra aandacht. Binnen de EU liggen andere publieke zenders, inclusief de BBC, onder vuur. Ook in Duitsland, Frankrijk en België staan internetactiviteiten en reclame-inkomsten ter discussie. Is niet een veel slagvaardiger en effectiever optreden hoognodig voor het waarborgen van de continuïteit van de publieke omroep? Volgens ons is op zijn minst nodig een sanering van de bestuurlijke drukte, een inhaalslag van diversiteit en pluriformiteit om de afstand tot het publiek en de luisteraars te verkleinen, om te beginnen bij allochtonen en vrouwen, en een profilering van samenhangend, overkoepelend beleid van de publieke omroep, vooral op het gebied van de nieuwe media.

De heer Schouw (D66):

Mevrouw Tan heeft een gezonde, kritische houding – dat waardeer ik in haar – ook tegenover dit wetsvoorstel. Vindt zij ook dat de publieke omroepen op termijn tegen het licht moeten worden gehouden en dat er een langetermijnvisie moet komen, zodat een aantal van de ontwikkelingen die zij schetst op hun plaats kunnen vallen?

Mevrouw Tan (PvdA):

Ik heb de minister zo-even gevraagd naar de planning voor het antwoord op het rapport van de visitatiecommissie en de uitvoering van de motie-Vendrik, waarin heel nadrukkelijk wordt gevraagd om een langetermijnvisie. Die discussie moet in deze kabinetsperiode gevoerd worden. De PvdA-fractie wil een fundamentele, toekomstgerichte discussie, maar gaat daarbij uit van de ingezette lijn, waarbij de samenhang en de gezamenlijkheid van de publieke omroep als geheel veel meer profiel krijgt en niet, zoals nu met de nieuwe media, veel te versnipperd wordt gewerkt.

De heer Dölle (CDA):

Voorzitter. De nieuwe mediawetgeving vormt een drieluik. Vandaag gaat het tweede luik waarschijnlijk open of, zo men wil, dicht. Het gaat vandaag over de erkenningswet.

Onze fractie heeft vorig jaar op 16 december hier al uitgesproken waarom en hoe zij kritisch-loyaal staat tegenover dat unieke, merkwaardige Nederlandse omroepbestel, dat ook in buitenlandse ogen zo opvallend is. Dat bestel weerspiegelt net zoals ons duale onderwijssysteem, ons uitbundige politieke partijwezen, ons bonte spectrum aan particulier en maatschappelijk initiatief, oftewel de civil society, en zelfs onze privaat- en publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie het historisch pluriforme profiel van ons vaderland. De meerwaarde van het omroepbestel ligt in onze ogen daarnaast in de relatief grote toegankelijkheid, de verworteling, ook nu nog, in substantiële delen van de bevolking en de grote autonomie van dit deel van de media tegenover staat en markt.

Christendemocraten hebben daarom een positieve grondhouding tegenover de Nederlandse publieke omroep. We herkennen die houding gelukkig ook bij de regering. Wij staan positief tegenover de centrale elementen van het voorliggend wetsvoorstel, zoals de glijdende schaal en het programversterkingsbudget, zoals gesteld bij de schriftelijke voorbereiding, maar we zien wel degelijk donkere wolken aan de horizon voor het publieke bestel.

Eerst en vooral de spectaculaire ontwikkelingen in de techniek. Die kunnen er in een sterk individualiserende maatschappij onverhoopt, of voor de liberalen verhoopt, toe leiden dat het omroepbestel als een kaduuk schip op drooggevallen land achterblijft. De regering ziet dat ook scherp. Ze gaat met de motie-Vendrik aan de slag, maar laat zich verder terecht het hoofd niet op hol brengen. Het publieke bestel is al vaak gretig het einde aangezegd en net zo dikwijls kwamen die voorspellingen niet uit, maar een donkere wolk is het. Een tweede grote donkere wolk is de versplintering, overdreven gezegd de balkanisering, van het publieke bestel. Onze fractie komt daar straks nog op terug. Een derde donkere wolk waarop vooral de Raad voor Cultuur wijst, een gezelschap waarop wij nog terugkomen, is de verwatering en vercommercialisering van de publieke omroep als gevolg van kijkcijferfetisjisme. Er is nog een vierde slagschaduw die over het bestel valt. Die komt voort uit de steeds grimmiger wordende confrontatie, ook in dit wetsvoorstel, van twee niet geheel met elkaar verenigbare strevingen: de wens voor meer afstemming, centralisatie en publieksbereik tegenover de wens dat omroepen een authentiek en eigen stempel op het aanbod zetten.

Naast deze vier grote donderwolken zijn er kleinere, maar ook die kunnen dreigend komen opzetten: de Europeesrechtelijke jurisprudentie rond de vier vrijheden bijvoorbeeld, de defamering van de publieke omroep als "linkse staatsomroep" en de vervreemding van de professionals van de achterban in de omroepverenigingen.

De CDA-fractie gaat vanuit die zo-even beschreven kritisch-loyale grondhouding in op het voorliggende wetsvoorstel, uiteraard in aansluiting op onze schriftelijke inbreng. Daarbij moet het ons van het hart dat de beantwoording niet overal optimaal was. Hier en daar was die zelfs routineus. We hebben afgezien van een tweede ronde, omdat het wetsvoorstel dan waarschijnlijk over het reces getild zou moeten worden, waardoor het veld te veel in verlegenheid wordt gebracht. Gelet op eerdere ervaringen met deze bewindspersoon vertrouwen we erop dat de minister in dit plenaire debat zijn licht wat guller zal laten schijnen op deze kwesties.

Allereerst is het helder dat de regering de criteria representativiteit en een voldoende aantal leden beide op zich onvoldoende vindt om een club die zich in Hilversum meldt, te kwalificeren als een omroep die voorlopig erkend moet worden. Er moet toegevoegde waarde zijn. In dit wetsvoorstel wordt die toegevoegde waarde geoperationaliseerd door het oprekken van het stromingsbeginsel en door het van belang verklaren van genres en publieksbereik. Dat is niet niks. De regering zegt eigenlijk: "Ook al hebt u meer dan voldoende leden en vertegenwoordigt u duidelijk een stroming, dan nog laten we u niet toe als de toegevoegde waarde ontbreekt." De politieke discussie daarover is al eerder gevoerd aan de overzijde. Op onze vragen over enkele gevolgen van deze "Wende" is onvoldoende geantwoord. Daarom herhalen we die vragen uit de schriftelijke voorbereiding.

Betekent deze invalshoek dat onder omstandigheden kijkcijfers beslissend kunnen zijn voor de voorlopige erkenning van een omroep? De minister antwoordde dat zijn adviseurs – het Commissariaat voor de Media, de raad van advies en de visitatiecommissies – van deze gegevens gebruik kúnnen maken bij hun rapportage. Dat is ongetwijfeld het geval, maar wij willen graag antwoord op onze vraag of de regering van opvatting is dat bij bedoelde erkenningsbesluiten kijkcijfers een doorslaggevende rol kunnen spelen en als dat zo is, wanneer dat het geval is.

Indien de toegevoegde waarde van een voorlopig erkende omroep verdwijnt omdat een bestaande omroep die wegneemt door dezelfde stroming met dezelfde genres en inhoud te gaan bedienen, kan of moet dan de definitieve erkenning van die omroep worden geweigerd? Het antwoord op die vraag blijft uit, tenzij wij dat moeten zoeken op blz. 2 van de memorie van antwoord waar de woorden "geëigende aanpak" worden gebruikt en uitgelegd. Dat zou betekenen dat indien de voorlopig erkende omroep heeft gedaan wat zij beloofde, de definitieve erkenning een verworven recht is. Is het juist dat de vraag of een omroep toegevoegde waarde bezit bij de aanvraag om definitieve erkenning ex tunc wordt beantwoord, dus op het tijdstip van aanvraag van de voorlopige vergunning, en niet ex nunc op het tijdstip dat over de definitieve erkenning wordt beslist? Dat is voor ons een cruciaal punt, waarover wij graag helderheid krijgen.

Wij hebben onvoldoende antwoord gekregen op de vraag of een groep die zich slechts op de noemer van dezelfde politieke overtuiging aandient, als maatschappelijke stroming kan worden beschouwd. Dat geldt ook voor de vraag die opkomt indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord. Komen de overheid en haar adviseurs niet op bijzonder glad "politiek" ijs als zij moeten beoordelen of die politieke overtuiging aanwezig is en een toegevoegde waarde bezit, omdat deze elders in het medialandschap niet, onvoldoende of net een slagje anders is gerepresenteerd?

Wij hebben de regering gevraagd voorbeelden te noemen waarbij de minister zou kunnen afwijken van het principe dat nadat de visitatiecommissie twee keer geel trekt, ministerieel rood volgt.

De heer Schouw (D66):

Hoe wij er ook naar kijken, het criterium toegevoegde waarde blijft volgens mij arbitrair. Zou die toegevoegde waarde ook kunnen zitten in een kwalitatieve verhoging van al bestaande omroepen, bijvoorbeeld in een betere kwaliteit? Is dat voorstelbaar voor de CDA-fractie?

De heer Dölle (CDA):

Voorzitter. Het begrip toegevoegde waarde is geïntroduceerd door degenen die dit wetsvoorstel hebben voorgesteld. Wat de heer Schouw oppert, zou inderdaad een mogelijkheid zijn: een andere groep, een groter bereik, meer kijkcijfers, een bepaalde leeftijdsgroep, laaggeschoolde jeugd, hooggeschoolde jeugd, allochtone c.q. autochtone jeugd, ouderen, enz. Zo hebben wij het begrepen, maar wij vragen de regering niet voor niets of wij het goed hebben begrepen.

Voorzitter. Ik vervolg mijn betoog. De regering noemt als voorbeeld een situatie waarin die gele kaart ondeugdelijk is gegeven en dit besluit door de rechter wordt verworpen. Dat begrijpen wij, maar dat was niet onze vraag. Wij vroegen of de minister van oordeel is dat het hem ook nadat een omroep twee keer geel heeft gekregen, vrijstaat om uit een oogpunt van coulance toch te besluiten om geen rood te geven. Het antwoord op deze vraag is belangrijk voor de uitleg van een en ander.

De NPS heeft op verzoek van de minister de Programmaraad geëvalueerd. De NPS wil die raad eigenlijk wel kwijt en heeft liever een onafhankelijk klankbord van meer professionele personen uit de wereld van kunst, cultuur en journalistiek. De maatschappelijke organisaties die tot nu toe in die Programmaraad zitten, kunnen voor hun diensten worden bedankt. Door deze wisseling van de wacht zou de maatschappelijke verankering steviger worden.

Wij verbazen ons over die opvatting van deze ledenloze A-omroep; een omroep die in deze dagen bovendien al dan niet via opgewonden groepen internetters vaak een links elitaire en randstedelijke inslag krijgt aangewreven. Zo'n omroep kan inderdaad een betere maatschappelijke verankering gebruiken. De regering die de opvatting van de NPS deelt, moet ons nogmaals uitleggen waarom het verbannen van de maatschappelijke organisaties uit de Programmaraad en het vervangen van die organisaties door professionals een sterkere maatschappelijke verankering tot gevolg heeft.

Wij hebben in het voorlopig verslag gewezen op de naar ons inzicht inconsequente opstelling van onze medewetgevers, de regering en de Tweede Kamer, bij de financiering van de lokale omroep. Die financiering is niet in een doeluitkering geregeld, maar toch eisen zij nadrukkelijk dat de gemeenten de lokale omroepen financieren. De richtbedragen per woning worden bijgeleverd in de toelichting van het amendement op stuk nr. 58. De gemeenteraad kan daar slechts van afzien als de Programmaraad onvoldoende representatief is.

Dit lijkt wel erg op een vermomde doeluitkering. Een doeluitkering is niet iets smerigs, er zijn er talloze geweest en veel doeluitkeringen hebben goed gewerkt. Wij zouden tegen de minister willen zeggen: gebruik die dan ook en bezondig u niet aan een semantiek en aan een vorm die historisch en retorisch geassocieerd wordt met de autonomie zoals onze Grondwet die in art. 124, lid 1 aan decentrale overheden verschaft. Teneinde misverstand te voorkomen, wil ik nog wel herhalen dat juist wij de lokale omroep een groot goed vinden, maar dat het ons ook de taak van deze Kamer lijkt om voor consistentie in wetgeving op te komen. Of wij vinden de financiering uit overheidsmiddelen een zo belangrijke zaak dat deze onttrokken dient te zijn aan de gemeenteraad en kiezen voor een doeluitkering, of wij vinden dat dit tot de gemeentelijke autonomie behoort en laten de beleidsafwegingen op decentraal niveau. Ook op dit punt hebben wij graag een reactie van de regering.

De regering werpt zich als een leeuw voor de Raad voor Cultuur. Dat is mooi, maar deze raad neemt fundamenteel afstand van de regeringspolitiek. De verdediging van de omroepverenigingen noemt de raad "een stap terug" en de huidige legitimatie van de pluriformiteit "onhoudbaar". Het alternatief is de PMO, een BBC-achtige constructie die ook onder het mediavolk populair is. Overigens heeft de BBC op het moment ook de nodige problemen. De regering laat zich dus adviseren over zaken als de toegevoegde waarde die een omroep zou kunnen hebben, door een adviesorgaan dat niets ziet in de wijze waarop in Nederland de publieke omroep is georganiseerd. De regering deelt overigens de zorg van de raad over verwatering en vervlakking van het publieke bestel niet, maar vindt de kritische houding van de raad in dezen eerder een pre.

Natuurlijk is het het goed recht en wellicht de plicht van de raad om het bestel als atavistisch en achterhaald te beschouwen en aan te dringen op vervanging. Maar daar gaat het niet om, het gaat om de vraag of van zo'n orgaan gevraagd dan wel gevergd kan worden dat het ingeschakeld blijft in besluittrajecten die op een ander kompas zijn georiënteerd. Het lijkt ons dat tussen adviesorgaan en geadviseerde toch sprake moet zijn van een zekere minimale gezamenlijke beleidsoriëntatie. Wij vragen dan ook aan de regering om op dit aspect wat verder in te gaan.

Mijn volgende opmerking betreft de klachtenbehandeling. De vraag of niet wat meer transparantie en bescherming mag worden gevergd tegen onevenredige en niet gerechtvaardigde beschadiging van mensen door valse en/of apert feitelijk onjuiste berichtgeving, speelt ook in andere landen. De impact van media fall-out kan enorm zijn en de gang naar de rechter is lang niet altijd een reële optie. Natuurlijk behoort het voortouw voor een goede klachtenregeling bij de media zelf te liggen, ook bij de publieke omroep, maar de regering kan wel degelijk vragen dat zo'n regeling tot stand komt binnen de omroepen. "De leugen regeert, plus" zogezegd. De minister hecht daar ook aan, maar zou moeten overwegen in dezen minder vrijblijvend te zijn in zijn contacten met betrokken media en omroepverenigingen. Relativeer de sacraliteit waarmee een deel van de media zijn eigen metier buiten en boven toetsing wil plaatsen. Waarom neemt de minister het bestaan van een dergelijke klachtenregeling niet als erkenningsvoorwaarde op?

De taakorganisatie Educom functioneert in een bijzondere educatieve umwelt. Zij verkeert met een aantal alliantiepartners zoals de KNAW, Open Universiteit en Kennisnet, die uiteraard gelet op de projecten waarbij men betrokken is, rekenen op meerjarige afspraken. De minister ziet dat punt volgens de CDA-fractie ook en wijst op de mogelijkheid crossmediale meerjarige afspraken te maken tussen Educom en de raad van bestuur van de NPO. Begrijpen wij de minister goed dat hij in beginsel zo'n handelwijze zou appreciëren?

Onze fractie nam uiteraard kennis van het recente tumult rondom het beloningskader, de "kinderboerderij" van de TROS en nog een aantal andere zaken. Wij sluiten ons aan bij vragen die daaromtrent zijn gesteld en wachten de antwoorden daarop af.

Mevrouw de voorzitter. Onze fractie sprak over donkere wolken die mogelijk het bestel bedreigen. Sommige daarvan kunnen wij verdrijven. In het kader van deze wet is dat vooral het spook van de versplintering dat rondwaart in het bestel. De regering doet dat onder andere door de introductie van de toegevoegde waarde als toelatingscriterium, maar dat is een niet geheel probleemloze weg, zoals ik hiervoor heb betoogd.

Een tweede mogelijkheid is de uitbreiding van de totaal beschikbare zendtijd voor omroepen, maar dat is in deze context irreëel.

Een derde mogelijkheid is het verhogen van de collectieve drempel, dus hogere ledentallen eisen voor omroepen die voorlopige erkenning willen. Hierbij lijkt wel wat strijd te zijn, juist met de strekking van het voorliggende wetsvoorstel.

Een vierde mogelijkheid is het leggen van een wat hogere drempel voor het individuele lidmaatschap van omroepen. De ledenacquisitie moet niet verworden tot kralen- en spiegeltjeswerving – dat ben ik met de heer Schouw eens – of tot liftgedrag waarbij de facto het lidmaatschap door anderen wordt gesubsidieerd. Dergelijke zaken zouden meer moeten worden gekeerd. De wederzijdse betrokkenheid van omroep, bestuur en leden kan via erkenningsvoorwaarden wellicht worden verbeterd, uiteraard binnen de perken van het verenigingsrecht; kortom, een beetje meer de vrijblijvendheid voorbij, dus minder vrijblijvendheid.

Hoe staat de regering tegenover deze vier mogelijkheden? Ziet zij er meer en wat zijn haar voorlopige gedachten daarover? Wij wachten met belangstelling de antwoorden af.

De heer Asscher (VVD):

Het is een interessant betoog om het, zolang er nog niet een nieuw bestel op tafel ligt, met wat kritische noten bij het oude te houden, maar dat verbaast mij natuurlijk niet helemaal van het CDA. Collega Dölle heeft mij in het verleden in het mediadebat wel eens geholpen op het gebied van het staatsrecht. Ik kom dan ook terug op de vraag die ik eerder heb gesteld: hoe staan hij en zijn fractie tegenover het verschijnsel van de AMvB zonder dat het wetsvoorstel is aangenomen?

De heer Dölle (CDA):

Ik weet nog niet of de heer Asscher hierover een motie indient, zoals hij heeft aangekondigd. Het punt is dermate belangrijk dat ik het in de fractie zal inbrengen. Het gaat hem om de vraag of je een AMvB kunt voorhangen voordat de wet waarop die AMvB berust van kracht is geworden. Ik weet dat dit ook speelt in de discussie tussen de voorzitter en de minister-president. Ik heb er wel een persoonlijke opvatting over, maar het lijkt mij goed, gelet op de ernst van zijn vraag, om dit even in de fractie te bespreken.

De heer De Boer (ChristenUnie):

Mevrouw de voorzitter. Deze bijdrage is namens de fracties van de ChristenUnie en de SGP.

Allereerst willen wij de minister danken voor de uitvoerige wijze waarop hij de vragen van onze fracties heeft beantwoord. Uit de antwoorden blijkt een stevige betrokkenheid bij het onderhavige wetsvoorstel. Dat is goed. Bovendien mogen wij constateren dat het bij deze minister mogelijk is dat heel snel een memorie van antwoord volgt op het voorlopig verslag van deze Kamer. Laten wij daar maar een gewoonte van maken, zou ik zeggen.

Onze fracties willen in reactie op de memorie van antwoord nog een zestal punten aan de orde stellen, allereerst in het kader van de zogenaamde kerkelijke omroepen de relatie tussen staat en kerk. Mede in antwoord op een vraag van onze fracties definieert de minister als kern van die relatie dat er in de verhouding tussen kerk en staat geen institutionele en inhoudelijke zeggenschap over en weer mag zijn. De overheid, aldus de minister, mag de staat volgens eigen inzichten en zonder zeggenschap van de kerken inrichten en de kerken zijn vrij van overheidsinmenging bij de vormgeving van hun kerkelijke organisatie en in hun geloofsleer.

Welnu, onze fracties zijn het met deze omschrijving geheel eens. Daar gaat het over bij de verhouding kerk en staat, niet meer en niet minder. Wij zouden het bijzonder op prijs stellen als wij in dit kader van de VVD-fractie mogen horen waar kerkelijke omroepen en uitzendingen de eigenstandige, institutionele en inhoudelijke zeggenschap van de overheid hebben aangetast en beïnvloed. Dat was net een klein onderdeel van het betoog van de heer Asscher. Als het namelijk niet zo is, moeten wij die relatie ook niet meer zo leggen. Wel zijn onze fracties benieuwd naar het onderzoek dat de minister wil doen ter uitvoering van de motie-Van der Ham c.s. naar mogelijke integratie van de taken van de zogenaamde kerkelijke omroepen met die van omroepverenigingen. Kan de minister al wat naders over dit onderzoek melden?

Vervolgens willen wij kort ingaan op de discussie over het verbreden van programma's van bestaande omroepen, ook naar doelgroepen buiten de "eigen" specifieke stroming. De minister zegt dat "de doelstelling openheid ondergeschikt is aan de doelstelling pluriformiteit". Dat is mooi, maar ook versnippering van zendtijd moet worden tegengegaan. Met alle begrip voor het werkbaar houden van het systeem, als een groep burgers die voldoet aan wettelijke criteria een eigen omroep wil starten, kan vanuit de overheid toch niet gesteld worden: beste burgers, u voldoet wel aan de wet, maar we vinden dat u toelaten te veel versnippering in de hand werkt en bovendien is er een andere omroep bezig u al te bedienen? Werkt dat zo? Heeft de Raad van State dan ook geen punt, als hij het stromingscriterium doorslaggevend vindt? Die opvatting is ons inziens niet gemakkelijk af te doen, zoals de minister doet, met de opmerking dat de Raad een stap terug in de tijd doet. Je kunt ook zeggen: beter gekeerd dan verder gedwaald. Wil de minister nogmaals en beargumenteerd op deze problematiek ingaan?

Wij begrijpen dat er geen inzicht is in het aantal burgers dat lid is van meerdere omroepen. De minister tekent daarbij aan dat tegen een dubbel lidmaatschap ook geen bezwaar is. Natuurlijk niet, al zouden burgers van drie of vier omroepen lid zijn; dat moet men zelf weten. Het punt is echter dat wij te maken hebben met 3,7 miljoen leden van omroepverenigingen. Dat is een formidabel getal waarmee wij zeer serieus rekening moeten houden; de minister noemt dat terecht. Dit forse aantal is een belangrijke pijler onder het publieke bestel. Echter, het maakt nogal wat uit of dat 3,7 miljoen verschillende mensen zijn of dat er veel dubbelingen bij zitten. Wij blijven van mening dat dit een interessant gegeven is. Zou het wat uitmaken voor het verkrijgen van een voorlopige erkenning, als een nieuwe omroep die aspirant-omroep wil worden voor pakweg meer dan 50% leden heeft die ook al lid zijn van een andere omroep? Wij zijn benieuwd naar de reactie van de minister.

Wat de toekomst van het huidige publieke omroepbestel betreft, heeft de minister natuurlijk gelijk als hij een eerdere uitspraak aanhaalt dat het denken over de publieke omroep nooit ophoudt. Natuurlijk niet! Een publieke zaak die zo publiek is als de publieke omroep zal ongetwijfeld met de regelmaat van de klok de politieke agenda halen, al is er op mediagebied inderdaad meer aan de orde dan alleen de publieke omroep. Het is naar de mening van onze fracties echter goed dat dit kabinet op dit moment afziet van een grootscheepse reorganisatie van de publieke omroep. En natuurlijk zijn ook onze fracties benieuwd naar de uitkomsten van de voorbereidende verkenning die de minister voornemens is te verrichten. Het lijkt onze fracties in alle redelijkheid echter voorbarig om nu al met jaartallen te komen. Formeel heeft de minister gelijk als hij zegt dat aanpassing van de spelregels van naar ik begrijp nog steeds de publieke omroep op zijn vroegst voor de periode 2015-2020 kan plaatsvinden; inderdaad op zijn vroegst. Als we zien hoe zorgvuldig wordt omgegaan met omroepen die binnen het huidige systeem een negatieve evaluatie krijgen – terecht, al heb ik de indruk dat de TROS daarover wat anders denkt – dan is een forse wijziging in het systeem, indien gewenst, een zaak van nogal wat langere adem, lijkt ons. Is de minister dat met ons eens?

De heer Schouw (D66):

Vindt u zelf ook dat een wijziging van het systeem noodzakelijk is, nog afgezien van de termijn waarop?

De heer De Boer (ChristenUnie):

Ik heb met grote belangstelling geluisterd naar het betoog van de heer Dölle, met name naar het begin. Hij verwoordde zijn sympathie voor het publieke bestel en de wijze waarop dat door burgers van ons land is opgericht en wordt onderhouden. Die sympathie wordt door onze fracties nadrukkelijk gedeeld. Dat betreft dus ook de publieke omroep.

De heer Schouw (D66):

Ik vond de heer Dölle volledig in balans met zijn bijdrage over de donkere wolken. Hij had in mijn ogen een heel realistische voorstelling van zaken. Als ik hem goed beluister, voelt hij de noodzaak van hervormingen. Voelt u dat met hem mee?

De heer De Boer (ChristenUnie):

Niet voor niets heb ik namens onze fracties gevraagd naar de uitkomsten van de voorlopige verkenning van de minister, naar aanleiding van een aangenomen motie. Wij zijn heel benieuwd wat daarin komt te staan. Dan staan onze fracties heel nadrukkelijk open voor een fundamentele discussie over de publieke omroep in de komende kwart eeuw. Uitgangspunt daarbij zijn de sympathie voor de publieke omroep en de verworvenheden die hij heeft gebracht. Natuurlijk zul je moeten blijven nadenken over de publieke omroep. Dat denken staat niet stil.

Mevrouw Tan (PvdA):

Voor de helderheid: de heer De Boer heeft het over de toekomst en over wat er beter kan. Ik mag aannemen dat hij niet allerlei ingewikkelde reorganisaties bedoelt, maar een fundamentele discussie over de richting en de visie.

De heer De Boer (ChristenUnie):

Eens. Mijn ervaring is dat een reorganisatie vaak het verstoppen van de werkelijke problemen is. Dat is dus geen werkelijke vernieuwing, als je dat al wilt, van een omroepsysteem.

Een volgend punt betreft de verdeling van het programmaversterkingsbudget. Volgens de minister gaat het hierbij om een operationele kwestie, waarbij het college van omroepen slechts meedenkt over de methodiek. In een brief van 29 mei 2009 aan de Tweede Kamer schrijft de minister dat het versterkingsbudget niet meer zoals in het verleden een apart geoormerkt budget is. Daardoor is het gezien de huidige systematiek niet meer direct zichtbaar aan welke afzonderlijke programma's het programmaversterkingsbudget ten goede komt. Dat budget wordt door omroepen gewoon aangewend voor het vervullen van wettelijke doeleinden. Onze fracties vragen zich dan ook af wat het nut is van het hanteren van budgetten die niet gebruikt worden voor het doel waarvoor ze bestemd zijn, namelijk het honoreren van specifieke programmavoorstellen. Dan is het onzes inziens of terugkeren naar die bedoeling, of de beschikbare middelen in de grote te verdelen pot stoppen. Dat vereenvoudigt in ieder geval de structuur. Graag een reactie van de minister.

Het laatste punt dat we aan de orde willen stellen betreft de beloning van bestuurders bij omroepen. Die beloning zou het salaris van een minister niet te boven gaan. Zeer terecht, naar de mening van onze fracties. We vroegen in de schriftelijke ronde of dit ook betekent dat dit beoogde salaris niet verhoogd wordt, nu de salarissen van de ministers voorlopig zijn bevroren. Een kleine zaak, maar voor ons toch wel wezenlijk. Uit het antwoord van de minister begrijpen we dat dit wel mogelijk is: de maatregel ten aanzien van de ministersalarissen heeft volgens deze minister geen beleidsinhoudelijke gevolgen om het beleid van de topinkomens in de semipublieke sector te normeren. Daarom de simpele vraag: kan volgens de minister het salaris van een bestuurder bij een omroep nu inderdaad al 30% hoger worden dan dat van een minister? Graag een helder antwoord. Dat kan volgens mij een twee- of drielettergrepig woord zijn. Wij willen nu al zeggen dat onze fracties er geen begrip voor zullen hebben als het antwoord van de minister onverhoopt ja zou zijn. Onze fracties hebben vorige week het standpunt van de commissie van OCW over een voorhangprocedure ondersteund. Dat blijft zo.

We zijn zeer benieuwd naar de beantwoording van de minister.

De heer Slager (SP):

Voorzitter. Ik mag hier mede namens de Partij voor de Dieren het woord voeren.

Een bewindsman die een nieuwe wet introduceert, is daar begrijpelijkerwijs trots op. Met een nieuwe wet schrijf je immers geschiedenis en hoe ingrijpender de veranderingen die je voorstelt, hoe groter ook de kans dat je wet en jijzelf later met gepaste eerbied of met afgrijzen worden gememoreerd. Maar deze minister lijkt die ambitie niet te hebben als het gaat om de mediawetgeving. Dit is nu al de tweede wet binnen een jaar en beide keren valt vooral op dat er zo weinig wordt veranderd. Ook nu denkt de minister: "Met de wijziging van enkele spelregels voor langere tijd een bodem te leggen onder het bestaansrecht van de omroeporganisaties en van de bestuurbaarheid van de publieke omroep als geheel." Dat mag geruststellend klinken, wij vrezen dat die paar wijzigingen van spelregels niet voldoende zullen blijken om het voortbestaan van een pluriforme publieke omroep op langere termijn echt veilig te stellen.

Om te beginnen het bestaansrecht van de afzonderlijke omroepen. De SP is van mening dat zij hun bestaansrecht ontlenen aan het feit dat ze programma's brengen waarin mensen uit verschillende geestelijke en maatschappelijke groeperingen zichzelf herkennen. Maar de afgelopen decennia zien we dat ze zich steeds minder profileren: in slechts enkele programma's valt hun gedachtegoed nog te ontdekken. In de amusementsprogramma's helemaal niet, maar ook niet in programma's waarin de achtergronden van het nieuws centraal staan. Terwijl dat toch bij uitstek de plek is waar een omroep zich zou moeten profileren.

De verwatering van de oorspronkelijke missie begon bij omroepen als KRO en NCRV, maar inmiddels lijken ook de meer uitgesproken omroepen steeds meer op elkaar. Ik zie althans nog amper verschil tussen het VARA-programma van Pauw en Witteman, en dat van hun zomerse EO-evenknieën Knevel en Van den Brink. De minister knikt nu. Afgezien van de presentatoren met hun preoccupaties komen er dezelfde gasten, horen we er dezelfde vragen en proberen ze allemaal ad rem te zijn en elke diepgang te voorkomen. Hilversum is steeds meer één pot nat. Dat zeg ik niet alleen, ook de Raad voor Cultuur constateert verwatering en vervlakking als gevolg van al het gebabbel op de buis.

Op dit punt aangeland in de meer dan tachtigjarige geschiedenis van onze publieke omroep lijkt het tijd ons serieus de vraag stellen waarom we deze, zozeer inwisselbare omroepen eigenlijk een langjarig bestaan moeten garanderen. Wat is er nog uniek aan ons bestel, wat is de toegevoegde waarde? Kunnen ze niet net zo goed één organisatie gaan vormen? Nee, de SP is daar in principe niet vóór, maar de ontwikkeling in Hilversum dwingt ons die vraag te stellen. Wij hechten aan een bestel waarin de variatie aan geestelijke en politieke stromingen, die in de samenleving wel degelijk bestaan, is terug te vinden in de programma's.

Maar de minister, die ook wel ziet hoe weinig de omroepen nog van elkaar verschillen, rekt gewoon het begrip "pluriformiteit" wat op. Een omroep voldoet zodoende ook aan het criterium "pluriform" als hij zich specialiseert in een bepaald soort programma's. Dat weegt zelfs even zwaar als het "stromingscriterium". Wij hebben in onze schriftelijke vragen de regering verweten dat deze vage invulling van het woord "pluriformiteit" debet is aan de dreigende overbevolking van het bestel.

Het antwoord van de minister heeft ons niet overtuigd. Het was geen antwoord, het was een stelling, namelijk dat we "moeten toejuichen dat omroepverenigingen met hun tijd meegaan". Want als ze vasthouden aan hun oorspronkelijke missie, lopen ze het risico de aansluiting met de bevolking te verliezen. Dat is een impliciet pleidooi voor minder maatschappelijke profilering. Wij zijn daartegen, omdat deze manier van met je tijd meegaan er uiteindelijk in uitmondt dat alle actualiteitenprogramma's nu al snerend "drie keer de Volkskrant" kunnen worden genoemd. Hoe kan het dat die maatschappelijke pluriformiteit vrijwel onzichtbaar is geworden? Komt dat door de omroeporganisaties zelf of klopt de klacht van de TROS van kort geleden dat zij ertoe worden gedwongen door het systeem waarin netmanagers het laatste woord hebben?

Hoe het antwoord van de minister ook luidt, het is volgens ons geen goede ontwikkeling. Wij zijn het eens met de Raad van State dat de maatschappelijke stroming doorslaggevend moet zijn bij de toetsing van een omroep of een kandidaat-omroep. De minister legt dat advies echter terzijde met het argument, en ik citeer: "Dat zou een stap terug zijn in de tijd." Een stap terug in de tijd is kennelijk voor een minister die graag met zijn tijd meegaat, iets heel ernstigs. Natuurlijk weten hij en ik dat je niet letterlijk een stap terug in de tijd kunt zetten, maar het zou op sommige gebieden wel heilzaam zijn als wij goede zaken uit het verleden, die soms achteloos werden afgedankt omdat zij niet meer pasten in deze tijd, in ere herstelden en inpasten in onze tijd. Ik hoef het woord "marktwerking" maar te noemen en iedereen zal mij begrijpen.

Ook bij de publieke omroep zie je de kwalijke gevolgen van de marktwerking. Met de komst van de commerciële omroepen begon immers niet alleen de absurde beloning voor sommigen, maar ook de vervlakking van de programma's. Vanaf dat moment moest er worden geconcurreerd en werden kijk- en luistercijfers de norm. Dat ging ten koste van profilering, van diepgang en van de pluriformiteit van de publieke omroep.

Zolang de minister geen inhoudelijker argument heeft dan "een stap terug in de tijd", blijven wij daarom van mening dat het stromingscriterium doorslaggevend moet zijn, niet alleen bij de beoordeling van nieuwkomers, maar zeker ook van de bestaande omroepen. Wij willen dat er een simpel en helder criterium wordt gehanteerd: voor welke waarden sta je als omroep? Blijkt daar een breed draagvlak voor, dan mag je blijven of word je in principe toegelaten. Het is vanzelfsprekend dat die stroming vervolgens op een hedendaagse pluriforme manier in programma's wordt vertaald. Daar staan de programmamakers wel garant voor. Bovendien is er nog een garantie ingebakken in het "geld op schema"-systeem.

Uit de toelichting op de nu al voorgehangen en terecht omstreden eerste AMvB hebben wij begrepen dat de voor deze maand aangekondigde nieuwe criteria, waarmee de visitatiecommissie straks gaat oordelen of een omroep mag blijven, er pas begin volgend jaar zullen zijn. De minister heeft immers tijd nodig om ze zorgvuldig te formuleren. Wij gaan ermee akkoord dat het zorgvuldig gebeurt, maar ik zou graag de toezegging van de minister willen dat daarin het stromingscriterium een doorslaggevende plaats krijgt. Alleen dan kan er immers echt een bodem worden gelegd onder het bestaansrecht van de omroepen en onder de bestuurbaarheid van het bestel.

Over de bestuurbaarheid van het bestel gesproken: iedereen weet dat er zich weer twee nieuwe aspirant-omroepen hebben aangediend, die, als wij afgaan op de uitspraken van de minister in de media, een aardige kans hebben op toelating. Er zijn nu al 10 ledenomroepen plus 16 organisaties zonder leden. Er zijn dus 26 zendgemachtigden. Plus de zendtijd die door 12 politieke partijen wordt gevuld. Omdat deze wet de mogelijkheid openlaat dat er over vijf jaar weer een stel kandidaten bij komt, is het begrijpelijk dat de raad van bestuur bang is dat Hilversum onbestuurbaar wordt.

Daarvoor pretendeert deze wet een oplossing te bieden: de achterdeurprocedure. Via die deur kan een bestaande omroep, die niet meer voldoet aan de nog vast te stellen criteria, straks worden gedwongen om het bestel te verlaten. "Kan", zeg ik. De vraag is of die achterdeur in de praktijk ook zal worden gebruikt. Wij vrezen dat dit niet het geval is. Het wordt een slecht presterende omroep immers gemakkelijk gemaakt om binnenboord te blijven. Na een gele kaart te hebben gekregen heeft de omroep nog twee jaar de tijd om alsnog te voldoen aan de criteria. Waarom zou hij dat nalaten? De omroep voorkomt heus wel uitzetting via de achterdeur.

Sinds gisteren hebben wij een eerste testcase. Wij ontvingen een brief van de minister waarin de TROS wordt aangezegd, dat zij, als zij niet belooft om de sponsorregels van de Mediawet nauwkeurig na te leven, niet in aanmerking komt voor een volgende erkenning. Afgezien van de vraag of de minister op basis van een nog niet aanvaarde wet dat dreigement zou kunnen waarmaken – ik hoor graag een antwoord – gaat de TROS natuurlijk keurig beterschap beloven. Dan blijft de achterdeur dus dicht.

Eigenlijk lijkt de publieke omroep op een volle bus, waarvan alle zit- en staanplaatsen bezet zijn. Toch staan er bij de volgende halte twee nieuwe reizigers. Chauffeur Plasterk ziet hen en stopt, want een nette chauffeur stopt natuurlijk als er wachtende passagiers zijn. Toch was het misschien verstandiger geweest als hij was doorgereden, want hij weet dat zijn bus vol is. Hij stopt en roept door de intercom: dames en heren, wie er hier uit wil, kan gebruikmaken van de achterdeur. Helaas, er gaat niemand uit. Wat nu, chauffeur? De aspirant-passagiers zeggen dat zij recht hebben op een plaats. Misschien moeten er een paar bij elkaar op schoot gaan zitten, maar dat heeft hij bij de vorige halte ook al gevraagd en dat willen zij niet. Dan moet iedereen nog maar wat opschuiven. Nu maar hopen dat ze achter zijn rug geen ruzie met elkaar krijgen, dat de bus niet door zijn assen zakt en dat er bij de volgende halte niet weer nieuwe passagiers staan te wachten. Eigenlijk, zo realiseert de chauffeur zich, mist mijn bus iets, namelijk de aanduiding hoeveel passagiers er maximaal in kunnen. Dan had ik bij deze halte gewoon het bordje "vol" voor de voorruit kunnen zetten.

Die laatste gedachte van de chauffeur is een wensdroom van mij. Deze minister wil helemaal geen maximaal aantal passagiers en dat is het probleem. De bestuurbaarheid van het bestel vraagt daar immers wel om. Zeker nu er de laatste tijd elke vijf jaar weer een paar omroepen een plaatsje hebben opgeëist, was maximering een voor de hand liggende oplossing geweest.

De laatste visitatiecommissie adviseerde dat ook in april. Ik citeer: "Laat alleen een nieuwe omroep toe als er een andere verdwijnt." De SP-fractie heeft in principe niets tegen nieuwe omroepen, maar als de oude bereid zijn zich weer echt te profileren, zijn nieuwe wellicht overbodig.

Een ander advies was om de kerkelijke omroepen samen te laten gaan of onder te brengen bij bevriende ledenomroepen. De minister zegt daarover: "Wij gaan eerst feiten verzamelen en dan besluiten of wetgeving noodzakelijk is." Onze vraag is: waarom is dat onderzoek niet al lang gedaan, dus voordat deze wet werd geschreven? Hoe kan het dat een zo voor de hand liggend onderzoek nog niet is gedaan?

Er zijn adviezen en ideeën geleverd waarmee echt een basis gelegd had kunnen worden om het unieke Nederlandse publieke bestel pluriform en bestelbaar te houden of weer te maken. Geen ervan vinden wij terug in deze wet. De nieuwe passagiers stappen dus straks in de overvolle omroepbus. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de bestuurbaarheid van het bestel. Het heeft ook financiële consequenties voor de al bestaande omroepen, en daarmee weer voor de programma's. Meer omroepen betekent immers dat er nog meer geld nodig is voor gebouwen, voor het optuigen van eigen administraties en voor allerlei andere overheadkosten, tot en met, zoals bij de twee moslimomroepen, heel veel geld om advocaten te betalen als zij elkaar processen aandoen. Dat is allemaal geld dat niet aan programma's kan worden besteed, terwijl programma's maken toch de enige reden van bestaan van de publieke omroep is.

Het gevolg van de komst van nieuwe omroepen en het blijven zitten van de oude is dat de omroepen financieel in de knel komen. Hun budget gaat drastisch naar beneden. Klopt het dat het garantiebudget voor de oude omroepen per 2011 daalt met 4 mln. tot 9 mln. – op een budget van 33 mln. – als naast MAX en LLiNK de twee nieuwkomers erbij komen? Dan praten wij nog niet over de gevolgen van de economische crisis voor de STER-inkomsten. Is te overzien welk bedrag dit jaar minder binnen zal komen? Welke gevolgen heeft dat dan weer voor de programmabudgetten?

Nu kan een cynicus vragen waarom ik mij zo druk maak over de financiële positie van de omroepen. Immers, zij betalen nog even vrolijk absurd hoge beloningen aan presentatoren die volgens de mode van de dag "unieke talenten" heten te zijn. Het zou inderdaad voor de hand liggen als omroepen die in de problemen raken, beginnen met deze grootverdieners stevig aan banden te leggen. Dat zou een slok op een borrel schelen. Wij zijn bang dat straks de "hardwerkende programmamaker", om collega Biermans te parafraseren, de dupe wordt, en daarmee programma's die niet zelden heel wat dieper steken dan de babbelboxen waar het unieke talent zich thuis voelt.

De minister heeft verleden week gelukkig een stokje gestoken voor de plannen van de raad van bestuur om bij de publieke omroep boven de Balkenendenorm te gaan zitten. Bravo! Alleen, als wij tegelijkertijd lezen over de bv-constructies van presentatoren, die niet door het Commissariaat voor de Media in het onderzoek naar topinkomens zijn betrokken, dan houden wij het angstige gevoel dat de grootverdieners straks langs een omweg toch blijven krijgen wat zij nu ook al hebben. Kan de minister die ongerustheid wegnemen?

Daarnaast begrijpen wij niet waarom wel uitzonderingen worden gemaakt voor zogenaamd unieke talenten. Wat is de argumentatie daarvoor? Hoe voorkom je dat je door het maken van uitzonderingen op een hellend vlak belandt?

Wij menen dat het voor iedereen die de publieke zaak zegt te willen dienen, beneden zijn of haar waardigheid zou moeten zijn om daar stinkend rijk van te worden. Dit is ook een reactie op de vraag naar argumenten van de heer Asscher. Wie kiest voor de publieke zaak, en daar zelfs een boegbeeld van is, heeft de taak om te tonen dat daar andere normen en waarden gelden dan die van de graaicultuur. Dat mag dan misschien als een stap terug in de tijd worden gezien, maar Hilversum zou bij velen wel in achting stijgen als die stap werd gezet.

Ik heb nog twee vragen. De eerste vraag gaat over de NPS. Tot nu toe had deze omroep letterlijk tot taak om 40% van zijn zendtijd te vullen met cultuur. Daarvan moest 20% aan kunst worden besteed. Dat concrete programmavoorstel wordt in de algemene maatregel van bestuur veranderd in de nogal vage taakomschrijving "aanbod van culturele aard, waaronder kunst". De minister verdedigt die verandering door te wijzen op de prestatieovereenkomst, maar die geldt niet voor de NPS, maar voor de totale publieke omroep. Zij is bovendien niet afdwingbaar. Wat was er eigenlijk mis met die heel concrete garanties voor kunst- en cultuurprogrammering? Nu lijkt het mogelijk dat de NPS straks veel minder aan kunst en cultuur gaat doen. Of zie ik dat helemaal verkeerd? Dan hoor ik dat graag. Kan de minister mijn ongerustheid misschien wegnemen?

Tot slot de lokale omroep. Wij hadden graag gezien dat via deze wet het geld dat naar de gemeenten gaat voor de lokale omroep zou worden geoormerkt. Ik weet uit eigen waarneming dat het nu voorkomt dat "lastige" lokale omroepen, die wij juist heel erg hard nodig hebben in een verschralend medialandschap, van de gemeenten niet krijgen waar zij volgens het richtbedrag in deze wet aanspraak op kunnen maken. Ook hier laat deze wet een kans op duidelijkheid liggen. Want welke mogelijkheid biedt deze wet een lokale omroep als een gemeente het normbedrag niet uitbetaalt?

Ik zie het antwoord van de minister op deze en alle andere vragen met belangstelling tegemoet.

De heer Asscher (VVD):

Ik heb met genoegen het eerste deel van het betoog van collega Slager beluisterd. Aan het eind moet hij toch gecorrigeerd worden, als hij tracht mij te citeren.

De heer Slager (SP):

Ik citeer de heer Asscher niet.

De heer Asscher (VVD):

Des te beter, want ik voelde mij er niet in thuis.

Het BPO heeft betrekking op de vrije markt in de publieke sector. Ik kan mij goed voorstellen dat enige matiging wordt betracht als het om belastinggeld gaat, maar wij moeten ons wel realiseren dat het aanbod naar de commerciële omroep verschuift als wij de beloning in de vrije sector op welk niveau dan ook aftoppen. Ik houd mij verre van opmerkingen over een graaicultuur of over de heel hoge salarissen die daar worden betaald, zoals de heer Slager dat verwoordde, want daar voel ik mij helemaal niet bij thuis.

De heer Slager (SP):

Waarvan akte!

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.