Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2002-2003nr. 4, pagina 93-98

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

het wetsvoorstel Regels met betrekking tot het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw verwante activiteiten (Mijnbouwwet) (26219).

De beraadslaging wordt hervat.

Staatssecretaris Wijn:

Voorzitter. Om te beginnen wil ik de leden van de Kamer danken voor de vele complimenten voor de wet, de wetsvoorbereiding en de diverse schriftelijke rondes die met de Kamer gevoerd zijn. De Kamer zal begrijpen dat ik die complimenten direct heb doorgegeven aan de ambtenaren van het ministerie. Wij hebben reeds gewisseld dat ik sinds gisteren verantwoordelijk ben voor dit beleidsterrein. De voorbereiding is dus door anderen gedaan, maar het doet mij wel buitengewoon veel deugd om op zo'n historisch moment het woord te mogen voeren; wij schaffen hier namelijk vandaag de laatste wet van Napoleon af. Ik ben ook content met de steun die alle fracties hebben uitgesproken voor dit wetsvoorstel en de beoogde datum van de inwerkingtreding. De voortvarendheid die de Kamer bij de behandeling van dit wetsvoorstel aan de dag heeft gelegd, wordt door ons zeer op prijs gesteld. Inmiddels heeft de Mijnbouwwet een hele historie achter de rug. Sinds de indiening bij de Tweede Kamer in september 1998 is er een groot aantal slagen gemaakt. Sinds april jl. ligt het bij deze Kamer, waar het zoals gezegd voortvarend wordt behandeld.

Op een aantal onderwerpen uit de schriftelijke rondes is ingegaan, bijvoorbeeld de eigendom van delfstoffen, de opslag van stoffen, de Technische commissie bodembeweging, nut en noodzaak van de nieuwe wet, het belang van burgers en de voortdurende zorg van de regering voor het mijnbouwklimaat. Ik zal daarop reageren en ik zal enkele opmerkingen maken over het gasgebouw.

De heer Terlouw vroeg al waarom wij in Nederland überhaupt een Mijnbouwwet nodig hebben, want wij hebben toch geen mijnen meer. Ik heb mij daar ook over verbaasd. Wij hadden er wel veertien en na vanavond nog één. Als je eraan denkt welke belangen ermee gediend zijn en hoeveel aspecten het onderwerp heeft, dan is de wet toch veel belangrijker voor de maatschappij dan je in eerste instantie zou denken. Ik noem bijvoorbeeld staatsbaten, veiligheid, effecten op milieu, de Waddenzee, bodembeweging; kortom, er zijn genoeg redenen voor een goede regeling. Het is dan ook hard nodig om vandaag de mijnbouwwetgeving te stroomlijnen en te vernieuwen, gezien de verbrokkelde regelgeving die wij op dit moment hebben. Een aantal zaken zoals opslag en bodembeweging was tot op heden niet goed geregeld. Naar mijn mening ligt er nu een goed en coherent voorstel voor een nieuwe Mijnbouwwet op tafel, die zich ook betaalt in 30% minder administratieve lasten.

De heer Doesburg en een groot aantal andere afgevaardigden hebben uitgebreid stilgestaan bij en diverse vragen gesteld over de belangen van de burger en de gevolgen van mogelijke bodembeweging. In dit wetsvoorstel worden de belangen van burgers zeker beschermd. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de burger die kan worden geraakt als mijnbouwactiviteiten effect hebben op zijn directe leefomgeving. Mijnbouwactiviteiten leiden in dit verband vooral tot bodembeweging en de daaruit voortvloeiende schade. In het verleden bleek dat het voor burgers lastig is om verhaal te halen bij schade veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten. Vooral het aantonen van het causale verband tussen de activiteiten en de schade vormden een probleem. Voor de desbetreffende mensen is het inderdaad nodig dat de Staat een rol heeft bij de behartiging van hun belangen.

De PvdA-fractie vroeg zich af of de Staat niet ook een morele verantwoordelijkheid heeft bij schade door bodembeweging. De huidige regeling biedt mijns inziens voldoende waarborg voor de burger. Daarin heeft de Staat ook zijn morele verantwoordelijkheid genomen. Misschien is het goed om die waarborgen even langs te lopen.

Allereerst is daar de risicoaansprakelijkheid van de bouwonderneming voor schade. Een bewijs van schuld is dus niet nodig. Dat wordt door deze Mijnbouwwet nu ook vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek. Dat is op zich niet nieuw, maar het is wel een in de wet vastleggen van de ontstane jurisprudentie.

In de tweede plaats is daar de adviserende taak van de technische commissie inzake bodembeweging, de Tcbb. De burger kan hierop een beroep doen bij onderzoek naar het oorzakelijk verband tussen zijn schade en de mijnbouwactiviteiten. In dit wetsontwerp wordt die taak wettelijk verankerd. Daarmee wordt mijns inziens de gewenste wettelijke ondersteuning aan de burger gegeven. Overigens hebben de mijnbouwmaatschappijen aangegeven mee te willen werken met de Tcbb en hun adviezen te willen overnemen.

De derde waarborg is het waarborgfonds. Dit wordt opgebracht en volgestort door de mijnbouwsector. De burger kan hierop in geval van faillissement van de mijnbouwonderneming of als het noodzakelijk is om een voorschot te verlenen, een beroep doen. Hiermee is er een garantie dat het geld er altijd is. In die zin is artikel 137 van de wet vrij duidelijk. Ik denk dat daarmee een goede financiële waarborg is geschapen voor de burger. Overigens is er in de wet ook een evaluatie opgenomen. Dat betekent onder andere dat de Tcbb over vijf jaar wordt geëvalueerd.

Ik ben van mening dat, als je al deze waarborgen op een rijtje zet, de burger met dit wetsvoorstel een sterkere positie heeft ten opzichte van mijnbouwmaatschappijen dan voorheen. Ik heb laten navragen in hoeverre het fonds dat hier gecreëerd is, uniek is. Naar ons weten is een fonds dat voorschotten kan geven en kan inspringen bij faillissementen van mijnbouwmaatschappijen uniek, zodat Nederland ook daarmee vooroploopt.

De heer Doesburg (PvdA):

Voorzitter. Even een vraag, ter voorkoming van een tweede termijn van mijn kant. De evaluatie heeft dus uitdrukkelijk ook betrekking op de juridische ondersteuning van de burger vanuit onder andere de commissie-Tommel. Het schadefonds is natuurlijk interessant, maar dat gaat toch vaak in de vorm van een voorschot en je moet dan uiteindelijk maar zien hoe het afloopt.

Staatssecretaris Wijn:

Als u doelt op de juridische ondersteuning door middel van de adviezen van de Tcbb, dan luidt het antwoord "ja".

Voorzitter. Ik wil hiermee het punt bescherming van de belangen van de burger afronden en overgaan naar het mijnbouwklimaat. We praten dan over zaken als de gasvoorziening op langere termijn en het economisch belang van het mijnbouwklimaat. Het is van groot belang dat de aanwezige gasvoorraden optimaal worden benut. Daar zijn bedrijven voor nodig. Het moet voor bedrijven aantrekkelijk zijn en blijven om in Nederland te zoeken naar gas en dit ook uit de grond te halen. Wij hebben op dit terrein het nodige voor elkaar gekregen. We zien na een aantal magere jaren nu dat mijnbouwmaatschappijen weer actiever worden. We moeten ervoor zorgen dat dit klimaat goed blijft, onder meer door het krachtig voortzetten van het kleineveldenbeleid en door ervoor te zorgen dat het mijnbouwklimaat in Nederland concurrerend is met dat in andere landen. Ik deel dit met alle sprekers. Ik wil daarom uitgebreid over het belang van kleine velden en andere publieke belangen spreken.

De heer Hofstede, mevrouw Bierman en de heer Terlouw hebben in die zin ook gesproken over de willekeurige afschrijving. Sinds 1995 kunnen investeringen in putten, platforms en pijpleidingen voor de winning op het continentaal plat willekeurig worden afgeschreven. Deze fiscale maatregel is destijds ingevoerd om teruglopen van investeringen in exploratie en exploitatie van de voornamelijk kleine velden op het continentaal plat om te buigen, overigens toen ook in een tijdperk van lage olieprijzen. In 2000 zijn maatregelen getroffen om investeringen in mijnbouwactiviteiten op het continentaal plat verder te stimuleren. Dat betrof bijvoorbeeld het nultarief bij de cijnsheffing op het continentaal plat, de staatsdeelneming in opsporingsvergunningen, waarbij de Staat dus ook mede investeert bij de opsporing, vereenvoudiging van winstaandeelberekening en de afschaffing van het bedrag voor verkrijging van een vergunning. In het Strategisch akkoord is afgesproken, de fiscale faciliteit van willekeurige afschrijving met ingang van 1 januari 2003 af te schaffen. In het Belastingplan van 2003 wordt deze afspraak ook uitgevoerd. Ik kan niet ontkennen dat dit een pijnlijke maatregel is, die nodig is om het hoofd te bieden aan minder gunstige economische ontwikkelingen en de verslechterde budgettaire uitgangspunten. Bij de behandeling van het Belastingplan 2003 kan deze Kamer daar nader op terugkomen. In het Strategisch akkoord worden tegelijkertijd ook het belang van een voortzetting van het kleineveldenbeleid en een goede concurrentiepositie van Nederland in de internationale context onderkend. Daarom is ook bij de totstandkoming van het Belastingplan 2003 afgesproken dat de effecten van afschaffing van de willekeurige afschrijving de komende twee jaar worden gevolgd en ook worden geëvalueerd.

Mevrouw Bierman heeft gevraagd op welke wijze geëvalueerd zal worden en welke criteria gehanteerd zullen worden. Ik aarzel om nu concreet aan te geven op welke wijze dat zal gebeuren. De evaluatie is over twee jaar aan de orde en dan zal, gegeven de budgettaire prioriteiten van dat moment, bezien moeten worden op welke wijze een en ander afgewogen moet worden en welke conclusies kabinet en Kamer dan willen trekken. Ik begrijp de vraag, maar ik hoop dat mevrouw Bierman begrijpt dat ik er de voorkeur aan geef om dit over twee jaar te bekijken, als het effect duidelijk is en geplaatst kan worden in de dan geldende context. Omdat nu een evaluatie wordt afgesproken, wordt dit automatisch geagendeerd, dus de discussie zal automatisch opnieuw gevoerd worden. Dat lijkt mij ook heel goed.

Er is een aantal vragen over het gasgebouw gesteld. Ik zal daarop ingaan, maar ik moet wel vaststellen dat wij het over de Mijnbouwwet hebben en dat is iets anders dan de gehele discussie rondom het gasgebouw. Ik wil er wat uitgebreider op ingaan, omdat deze discussie in de pers nogal de aandacht krijgt. Dat is terecht, want het is een belangrijk onderwerp.

Het gasgebouw is een joint venture. Wij moeten er alles aan doen om er samen met de "olies" Exxon en Shell uit te komen. Soms zullen er aangepaste contracten gesloten moeten worden, maar dat wellicht niet alleen. Het gaat om een goede mix met bijbehorende parallelle wetgeving. De heer Hofstede duidde daar ook op. Ik denk met name aan aanpassingen in de Gaswet.

De discussie over de ontwikkeling van het gasgebouw staat dus niet in de ijskast, ondanks de demissionaire status van het kabinet. Wij gaan daar gewoon mee door, maar het ligt niet voor de hand dat dit demissionaire kabinet nog een akkoord aan het parlement voor zal leggen. Dat is iets voor het komend kabinet. De besprekingen gaan dus wel door. Ik verwacht dan ook dat zo'n nieuw akkoord binnen enkele maanden, afhankelijk van de snelheid van de vorming van een nieuw kabinet, aan beide Kamers kan worden voorgelegd. De hoofdlijnen van die discussie zijn in ieder geval aan de Tweede Kamer en ik dacht ook in afschrift aan de Eerste Kamer gestuurd. In de Tweede Kamer is er een breed draagvlak voor. Het is van belang dat wij het parlement niet voor een voldongen feit zullen stellen. Daarvoor zijn de belangen ook veel te groot. Als wij er met de "olies" uitkomen, dan zal dat altijd zijn onder het voorbehoud dat de Staten-Generaal die afspraken sanctioneren.

Mevrouw Bierman gaf een goede samenvatting van de publieke belangen. Ook anderen zijn daarop ingegaan. De hoofdlijnen van de discussie over het gasgebouw zijn: de opdeling van de Gasunie in transport en handel en de mogelijkheid dat de Staat 100% eigendom van het transportnet overneemt met als doel een voortzetting van het kleineveldenbeleid, een voortzetting van de balansfunctie van het Groninger veld, financiële neutraliteit voor de Staat bij herstructurering en leveringszekerheid voor de consument.

Ik zie de opstelling die door alle woordvoerders naar voren is gebracht, dan ook als een ondersteuning van het beleid. Er is daarover geen verschil tussen ons. Natuurlijk moeten wij meer zaken bespreken met Shell en Exxon-Mobil dan wij hier hebben besproken, maar het onmiskenbare doel blijft het zo transparant mogelijk formuleren en goed regelen van de publieke belangen: kleine velden, het belang van het Groningenveld, staatsbaten en de burger. Deze publieke belangen die het gasgebouw dient, moeten wij veilig blijven stellen. Dat is de eerste opdracht.

Ik wil nog eens benadrukken dat wij de productiekant van het gasgebouw, inclusief de rol, de invloed en de zeggenschap van de Staat, niet zullen verzwakken. Integendeel. De voorstellen gaan vooral over de huidige afzetkant, de transport- en de handelsfunctie van Gasunie. Een deel van de Gasuniefuncties gaat in de voorstellen naar de Staat, zoals transport, en een deel ervan gaat naar de productiekant. Dan moet men vooral denken aan de inkoopplicht voor nieuw aangeboden kleine velden die bij de maatschap Groningen komt. Ook de rol van de Staat in het sturen van de Groningenproductie blijft. Er blijft een uitgesproken keuze voor de kleine velden. Dat beleid is indertijd al in de Gaswet opgenomen. Er kan geen misverstand over bestaan dat het kleineveldenbeleid voor ons een kernpunt is.

De heer Hofstede gaf de publieke uitgangspunten nog eens keurig genummerd weer en ik loop ze nog even door, op het gevaar af in herhaling te vervallen. Het eerste punt was het kleineveldenbeleid en het behoud van de voorrangspositie ten opzichte van het Groningenveld. Daarover verschillen wij niet van mening. Dat blijft goed verankerd in de Gaswet en in de afspraken die wij met de oliemaatschappijen maken.

Het tweede punt is de mixfunctie van het Groningenveld als balansveld. Dit blijft zuinig beheerd worden, zodat het de huidige belangrijke functie, helpen bij het inpassen van de kleine velden, zo lang mogelijk kan blijven waarmaken. Dat doen wij nu al dankzij de Gaswet, die een aanwijzingsbevoegdheid kent van de minister bij het productietempo en de kleineveldenfunctie. Het winningsplan op grond van deze Mijnbouwwet zal eraan bijdragen dat het veld zo lang mogelijk voor het kleineveldenbeleid beschikbaar is.

Het derde punt is betrouwbare gaslevering voor de kleinverbruikers. Daar ben ik het ook mee eens. Dit is meer een zaak van leveringszekerheid die goed in de Gaswet geregeld is en blijft. In die zin is dit niet iets wat vandaag op de agenda staat.

Nogmaals, het gasgebouw gaat meer over publieke upstreambelangen, kleine velden, Groningen, gasbaten, en straks een transparante splitsing van Gasuniehandel en Gasunietransport via het hogedruknet. Als de heer Hofstede bedoelt dat het zou helpen als de Staat het Gasuniehogedruknetbedrijf voor 100% zou krijgen, wat op dit moment 50% is, ben ik dat ook met hem eens. Ook dat is inzet van de huidige gesprekken. Ik denk dat ik hiermee voldoende heb aangegeven dat wij de lijn van de heer Hofstede materieel volledig steunen.

Dan kom ik op de vraag over eigendom van delfstoffen die in de schriftelijke ronde uitgebreid aan de orde is geweest. Ik moet zeggen dat ik het zeer interessant vond om het verhaal van de heer Hofstede te horen. Aan de hand van de voorbeelden van de heer Terlouw ga je toch denken over hoe het zit met een schelp of een schatkist die je op het strand vindt, of als je iets in je tuin vindt. Wat is dan het verschil tussen een pot met Romeinse munten of een kistje met foto's van de vorige bewoner van een huis?

Als je dit soort voorbeelden op je in laat werken, is het heel lastig om er eenduidig antwoord op te geven. Bij wat de heer Hofstede naar voren bracht, gaat het niet zozeer om veralgemenisering van bepaalde onderdelen, bijvoorbeeld grondwater veralgemeniseren tot allerlei andere zaken die in de grond zitten, maar in zijn benadering wordt onderscheid gemaakt naar bepaalde soorten. Hij merkte bijvoorbeeld terecht op dat vloeibare en gasvormige delfstoffen anders dan grondwater en oppervlaktewater niet circuleren onder meerdere percelen, maar zich in delfstoffenvoorkomens bevinden. Dat maakt het inderdaad tot iets anders. Daarom zijn deze delfstoffen inderdaad vatbaar voor eigendom; dus geen res nullius. Dat ben ik met hem eens. Daarom kan artikel 3 van de Mijnbouwwet ook bepalen dat deze delfstoffen aan de Staat toebehoren. De delfstoffen zijn dus geen eigendom van de grondeigenaar. Om de schriftelijke discussie over de diverse stelsels voor dit onderdeel af te ronden: dit betekent dus in ieder geval dat het accessiestelsel hier niet geldt. Ook daarover waren wij het al eens.

Het accessiestelsel wordt overigens ook onder het huidige recht niet gehuldigd. Dat blijkt al uit het feit dat de overheid door concessieverlening de delfstoffen buiten de grondeigenaar om zonder vergoeding op een derde kan laten overgaan. Omdat dus ook onder het huidige recht de grondeigenaar geen eigenaar is van de delfstoffen, houdt artikel 3 van de Mijnbouwwet ons inziens geen onteigening in. Ik denk dus dat wij het daarover eens zijn. Als er al sprake zou zijn van eigendomsontneming, zou door het ontbreken van de feitelijke beschikking de schade voor de grondeigenaar nihil zijn. De heer Terlouw vroeg naar de praktische effecten hiervan; dat betreft natuurlijk de vraag of er een potentieel recht op schadevergoeding ontstaat. Het is goed om nu vast te leggen dat dat uitdrukkelijk niet de bedoeling is, omdat het niet de bedoeling is dat het reeds bestaande recht materieel wordt gewijzigd. Daarmee sluit ik ook aan op de vraag van de heer Hofstede, die het had over een toetsing aan het EVRM. Als wij hier vaststellen dat er geen wijziging is, komt een toetsing aan het EVRM ook niet aan de orde.

De heer Hofstede heeft ook gevraagd of ik bereid ben om mijn bouwvergunningen kadastraal te laten registreren. Ook over die vraag hebben juristen na de inbreng van de heer Hofstede hun hoofden kunnen breken. De vraag is of die kadastrale registratie van toegevoegde waarde is. Ik houd het erop dat het de heer Hofstede er met name om ging of kenbaar is welke opsporings- en winningsvergunningen verleend zijn. Als dat zijn doel is: jaarlijks worden de afgegeven opsporings- en winningsvergunningen gepubliceerd in een verslag, dat overigens ook op internet te vinden is. Als ook deze wet 200 jaar meegaat, ben ik heel benieuwd of onze nazaten het nog kunnen vinden, maar het huidige adres is www.nitg.tno.nl/olie&gas. Daarmee is ons inziens de kenbaarheid gewaarborgd. Een kadastrale registratie zou hetzelfde doel hebben, maar het lijkt ons geen goede weg om dat helemaal op te tuigen terwijl de kenbaarheid al redelijk gewaarborgd is.

De heer Hofstede vroeg of het begrip "delfstoffen" in het Burgerlijk Wetboek hetzelfde is als dat begrip in de Mijnbouwwet. Dat is inderdaad niet het geval: het begrip "delfstoffen" in het Burgerlijk Wetboek is breder. Dat komt omdat de Mijnbouwwet brongas, kalksteen, grind, zand, klei, schelpen en mengsels uitzondert. Daar gaat de Mijnbouwwet niet over. Dat betekent dat het begrip in het Burgerlijk Wetboek en de Mijnbouwwet verschillend is. Even aansluitend op de zojuist gevoerde discussie over de vatbaarheid voor eigendom: de heer Hofstede heeft terecht opgemerkt dat aardwarmte niet voor eigendom in aanmerking komt, omdat het geen zaak is in de zin van artikel 2, Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

Ik kom nu bij enkele losse vragen. In hoeverre heeft de eerbiedigende werking van artikel 55 ook betrekking op de willekeurige afschrijvingen? Ook voor alle tot voor 31 december a.s. verstrekte vergunningen geldt artikel 55. Dat staat echter los van de afschaffing van de willekeurige afschrijving. Wijzigingen in de fiscale grondslagbepaling voor winstaandeel zijn uitgezonderd van de eerbiedigende werking van artikel 55. Dit is een discussie waarover de Kamer ook nog bij het Belastingplan 2003 van gedachten kan wisselen. Ik hoop het hiermee af te kunnen doen. In de fiscale discussie kan vervolgens naar voren komen dat het te maken heeft met gewenste uniformiteit bij grondslagbepalingen van de vennootschapsbelasting en het winstaandeel.

De heer Van den Berg stelt de vraag of de belangen van het milieu voldoende gewaarborgd zijn in de nieuwe wet. De heer Terlouw heeft daar ook naar gevraagd. Mijns inziens wordt het milieu goed in de nieuwe wet gewaarborgd. Artikel 40 introduceert immers de mijnbouwmilieuvergunning. Deze vergunning wordt in het leven geroepen voor mijnbouwwerken waarvoor de vergunningsplicht van hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer niet geldt. Er komt dus een milieuvergunningsplicht bij. Het gaat dan om de tijdelijke werken voor het zetten van boringen en mijnbouwinstallaties op het Continentaal Plat. Dat is een nieuw element in deze wetgeving. Concreet betekent dit dat daarmee altijd een milieuvergunning nodig is. Daarmee lijkt ook het belang van het milieu afdoende afgeschermd.

De heer Terlouw sneed terecht het gevoelige punt aan van de opslag van radioactief afval in de ondergrond, een onderwerp waar burgers zich terecht zorgen over kunnen maken. Zij kunnen er in ieder geval vragen over hebben. Van de berging van radioactief afval in de Nederlandse ondergrond is voorlopig geen sprake. Al het radioactief afval in Nederland wordt ingezameld bij de COVRA, de Centrale organisatie voor radioactief afval te Vlissingen. Daar wordt gedurende een lange reeks van jaren in daarvoor geschikte gebouwen het kernafval opgeslagen. Berekeningen tonen aan dat de voorraadruimte bij het COVRA op grond van het huidige aanbod van radioactief afval 75 tot 100 jaar toe kan. Mocht het vol raken, dan ontstaat er een nieuwe discussie. Berekeningen geven aan dat er nog voldoende voorraadruimte is. Uitgaande van die zekerheid is ondergrondse opslag van radioactief afval niet nodig.

Een interessante vraag is of de minister van VROM een vetorecht heeft over de opslag van radioactief afval. Het antwoord is "ja". De minister van VROM moet onder Kernenergiewet een vergunning afgeven. De minister van Economische Zaken moet dat op grond van de Mijnbouwwet. Hoewel het kabinet met één mond moet spreken, zijn er twee ministers die de facto een veto uit kunnen spreken over het ondergronds opslaan van radioactief afval, als het al aan de orde zou komen.

De heer Terlouw (D66):

Ik ben het eens met de staatssecretaris. Het is onwaarschijnlijk dat wij in de komende 75 of 100 jaar overgaan tot ondergrondse opslag in Nederland. De COVRA-ruimte is voldoende. Er zijn echter ontwikkelingen denkbaar. Er wordt gesproken over een tweede kerncentrale in Eemshaven. Een dermate krachtige uitspraak voor een zo lange termijn lijkt mij een tikkie te sterk. De waarschijnlijkheid van de uitspraak van de staatssecretaris onderschrijf ik.

Staatssecretaris Wijn:

Wij begrijpen elkaar goed. De heer Terlouw moet mijn woorden beschouwen als een nadere toelichting op de schriftelijke gedachtewisseling.

De heer Terlouw had gelijk toen hij wees op een potentiële tegenstrijdigheid tussen mijnbouw en archeologie. Een winningsvergunning regelt dat een maatschappij of een groep van maatschappijen exclusief binnen een gebied mag winnen. Een winningsvergunning regelt dus niets over de precieze lokaties waar gewonnen gaat worden. Een aanvraag voor een winningsvergunning wordt daarom niet beoordeeld op milieu of oudheidkundige zaken. Via artikel 49 van de Mijnbouwwet wordt bij AMvB de zorg voor historische, oudheidkundige en andere wetenschappelijke vondsten geregeld. Dit gaat gebeuren door de artikelen 47 tot en met 49 van de Monumentenwet van toepassing te verklaren. Ik vroeg ook hoe het kan dat er een artikel in een wet is met daaronder een AMvB die verwijst naar artikelen uit een wet, maar dat heeft te maken met het proces van amendering in de Tweede Kamer. Ik kan mij voorstellen dat men dat wetstechnisch niet chic vindt, maar er is in ieder geval een link gelegd naar de Monumentenwet. In die zin is er dus geen sprake van tegenstrijdigheid.

Het zesde lid van artikel 49 regelt de mogelijkheid om bij AMvB beperkingen op te nemen ten aanzien van de lokaties die voor winning worden gebruikt. In theorie kan dat ertoe leiden dat voor het gebied van de winningsvergunning een lokatieverbod gaat gelden. Dat wil zeggen dat er in het gebied geen installatie gezet mag worden. De winningsvergunning blijft dan weliswaar bestaan, maar een praktisch gebruik is niet mogelijk. Ik ga er overigens van uit dat dit een theoretische situatie is die in de praktijk niet zal optreden, maar het is toch goed om dit zo besproken te hebben.

De heer Van den Berg heeft nog een vraag gesteld over het tijdpad. Ik dank de Kamer nogmaals voor de snelle behandeling, zodat de datum van 1 januari 2003 gehaald kan worden. Inmiddels heeft de Raad van State advies uitgebracht. Dat is 22 oktober jl. gebeurd met betrekking tot het besluit. Dit advies geeft geen aanleiding tot vertraging van de afronding van dit besluit. De Europese Commissie waar een en ander aan is voorgelegd heeft geen opmerkingen gemaakt. Wij verwachten ook dat de Commissie dat niet zal doen voor 18 november, de datum waarop de standstill afloopt. Dat is omdat de Europese Commissie dit moet toetsen op handelsbelemmeringen en daar verwachten wij geen inhoudelijke reactie op. Ook de mijnbouwregeling loopt goed op schema. Nogmaals dank voor het memoreren van de termijn van zes weken uit de Referendumwet.

Tegen de heer Terlouw en anderen wil ik nog slechts het volgende zeggen: Sénateurs distingués. La loi concernant les mines, les minières et les carrières est la plus vieille loi de notre pays. C'est la dernière loi de Napoleon dans la langue française. C'est vraiment nécessaire de réviser la loi aujourd'hui. Aujourd'hui l'époque française est définitivement fini. Merci beaucoup pour votre soutien.

De heer Hofstede (CDA):

Voorzitter. Ik verzoek u twee minuten te schorsen om de woordvoerders de gelegenheid te geven, de koppen bij elkaar te steken.

De voorzitter:

Aan dat verzoek wil ik graag voldoen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Mevrouw Bierman-Beukema toe Water (VVD):

Voorzitter. Allereerst dank ik de staatssecretaris voor de uitgebreide en degelijke beantwoording. Wij hebben één voordeel: de spelling van het woord "bravo" is hetzelfde in het Nederlands en het Frans, alleen de uitspraak verschilt wellicht. Ik zou het daarbij bijna willen laten, zij het dat ik het zinnig vind om de beantwoording van de staatssecretaris op de vragen van de heer Hofstede over de eigendom te onderschrijven. Wij herkennen ons in die beantwoording.

Rest een enkele twijfel over de logica van het antwoord terzake van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Het is in dit verband wellicht een mineur punt, maar het is mij niet direct helder waarom ik als eigenaar van onroerend goed wel zou moeten weten dat een recht van overpad op mijn eigendom rust en niet dat ik moet gedogen dat daar delfstoffen worden gewonnen. Ik kan mij voorstellen dat dit in dezelfde gegevensbestanden wordt meegenomen.

De heer Hofstede (CDA):

Voorzitter. Dit was het eerste optreden van deze staatssecretaris in dit huis en ik heb daarnaar met genoegen geluisterd. Ik vind het dualisme dat uit zijn goede houding naar de Kamer spreekt, veelbelovend. Ik hoop dat de staatssecretaris in de toekomst de gelegenheid krijgt een en ander in dit huis te verdedigen. Als hij dit met dezelfde openheid doet, zal dit hier wel lukken.

Ik heb niet veel vragen meer over na de beantwoording. Ik dank de staatssecretaris voor zijn instemming inzake het publieke belang. Ik had een machtiging om mede namens de leden Bierman-Beukema toe Water, Schoondergang-Horikx, Doesburg, Van den Berg, Terlouw en Bierman hier een motie in te dienen om het publieke belang veilig te stellen. Die motie zullen wij niet indienen, omdat wij in de antwoorden van de staatssecretaris voldoende houvast hebben gevonden om te kunnen constateren dat deze belangen ook door de staatssecretaris worden nagestreefd.

Ik wil er echter wel op aandringen dat hij niet te ver gaat in de onderhandelingen met die geweldig sterke maatschappijen, want die kunnen een batterij juristen en deskundigen naar voren halen waaraan een ministerie niet kan tippen. Ik druk hem daarom op het hart: wees voorzichtig. De staatssecretaris heeft gezegd dat hij dit aan het parlement zal voorleggen en dat het parlement er nog op kan schieten, maar wij weten uit voorgaande discussies dat een parlement wel eens voor een voldongen feit wordt gesteld. Ik wijs als voorbeeld op de bakstenendiscussie. Dus: wees voorzichtig. In de bijbel staat: wees voorzichtig als de slangen en argeloos als de duiven. Ik wil dit aan de staatssecretaris meegeven.

Staatssecretaris Wijn:

Voorzitter. Ik wil nog een korte reactie geven op de inbreng van mevrouw Bierman. Ik denk dat zij het met mij eens is dat wij op zich ons best hebben gedaan om de kenbaarheid van winnings- en opsporingsvergunningen zo optimaal mogelijk te doen zijn. Ik wil geen discussie uitlokken, maar zij gaf aan dat zij het recht van overpad op haar eigendom ook moet kunnen weten. Wij vervallen dan in de eigendomsdiscussie die de heer Hofstede heeft aangeroerd. Ik wil hierop niet verder ingaan, want dan compliceren wij het onnodig.

De heer Hofstede zegt dat de beantwoording over het publieke belang voldoende houvast geeft. Dat doet mij deugd. Hij zal begrijpen dat ik de opmerking dat de juristen van het ministerie niet aan de juristen van de grote maatschappijen kunnen tippen, niet kan onderschrijven. Hij hoorde wat rumoer op de tribune waar de ambtenaren zich bevinden. Maar de aansporing en waarschuwing van "let goed op", "kijk goed uit wat je doet", "doe in ieder geval alles onder uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal", neem ik zeer ter harte.

Voorzitter, tot slot. Mijn eerste kennismaking met uw Eerste Kamer is mij buitengewoon goed bevallen. Ik hoop hier nog regelmatig terug te mogen keren.

De beraadslaging wordt gesloten.

Het wetsvoorstel wordt zonder stemming aangenomen.

Sluiting 23.01 uur