Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2002-2003nr. 4, pagina 70-77

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Regels met betrekking tot het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw verwante activiteiten (Mijnbouwwet) (26219).

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Economische Zaken van harte welkom. Als ik het wel heb, maakt hij zijn eerste optreden in dit huis mee. Daarmee wensen wij hem natuurlijk veel succes.

De beraadslaging wordt geopend.

De heer Doesburg (PvdA):

Voorzitter. De nieuwe mijnbouwwet heeft een lange weg achter zich. De huidige Mijnbouwwet is onze laatste Franstalige wet en heeft dienst gedaan sedert de invoering in 1810. De behandeling van de nieuwe mijnbouwwet is dan ook een bijzondere aangelegenheid. Wij nemen afscheid van wetgeving die bijna twee eeuwen dienstdeed. In feite is sprake van een samenvoeging van een viertal wetten, die een modern kader beoogt te verschaffen voor alles wat betrekking heeft op de opsporing en exploitatie van bodemschatten. Mijn fractie stelt vast dat dit goed is gelukt. Wij spreken hier uitdrukkelijk onze waardering uit voor het vele werk dat is verzet en het resultaat dat is bereikt.

Althans voor mij persoonlijk geldt dat dit het meest omvattende stuk wetgeving is waarmee ik tot nu toe te maken kreeg. Politiek gesproken is het gewicht van de nieuwe mijnbouwwet niet evenredig aan de omvang ervan. Terecht stelt de minister in de tweede memorie van antwoord dat het vooral gaat om technische wetgeving, een stelling die wij onderschrijven. Het gaat meer om herziening en herschikking van bestaande wetgeving met het doel om deze eenvoudiger en consistenter te maken, dan om een geheel nieuwe wet, al is op onderdelen natuurlijk wel degelijk sprake van nieuwe en/of aanvullende regelgeving.

Al met al kan mijn fractie zich in het voorstel vinden. Toch is er een punt dat wij nadrukkelijk nog eens ter discussie willen stellen. Dat betreft het ontbreken van een bijzondere schaderegeling voor particulieren die schade lijden als gevolg van de activiteiten in de ondergrond die in deze wet worden geregeld. Informatie aangaande bodemzettingen die zijn veroorzaakt door winning van delfstoffen en/of door het gebruik van ondergrondse ruimten, wordt gedurende een zeer lange periode door middel van metingen gevolgd door de commissie-Tommel. Daarin is, mede door toedoen van de Tweede Kamer, op een goede manier voorzien.

Deze meetgegevens zullen zeker een goed beeld geven van de beweging van de bodem. Eventueel optredende schade als gevolg van ondergrondse activiteiten zou theoretisch goed traceerbaar zijn en zou zodoende met een beroep op de rechter goed kunnen worden verhaald. De minister wijst op grond hiervan in de memorie van antwoord alle aansprakelijkheid van de Staat voor dergelijke problemen af, zoals dat ook geschiedde bij de behandeling van het amendement-Witteveen/Atsma betreffende artikel 137b aan de overkant. Dat amendement is in de Tweede Kamer verworpen.

Mijn fractie heeft het daar toch wat moeilijk mee. De Staat heeft duidelijk veruit het meest baat bij de exploitatie van onze bodemschatten. Is het dan niet wat kleingeestig om alle verantwoordelijkheid voor schade die inwoners van ons land door deze activiteiten kunnen lijden, ongeclausuleerd bij de concessiehouders te leggen? Natuurlijk hebben laatstgenoemden een eigen verantwoordelijkheid; het is geenszins de bedoeling van mijn fractie, een situatie te creëren waarin bedrijven deze verantwoordelijkheid kunnen afwentelen op de overheid. Maar toch, rust er niet ten minste een morele verantwoordelijkheid op de samenleving die zoveel baat heeft bij het winnen van delfstoffen om diegenen die daarvoor een prijs betalen te garanderen dat zij schadeloos worden gesteld? Ieder van ons weet hoelang een proces kan duren waarin geleden schade moet worden verhaald. Dat kan voor met name particulieren een lange adem vragen, een langere adem dan die waarover men in financiële zin beschikt en soms zelfs een langere adem in letterlijke zin. Deze particulieren komen immers op tegen instanties als de Gasunie, oliemaatschappijen en Akzo Nobel, die over alle middelen beschikken die een proces lang kunnen laten duren. Er zouden dus wel eens zeer lange processen kunnen komen. Bovendien is er sprake van relatief nieuwe activiteiten. Te denken valt aan het opslaan van gas in zoutkoepels. Daarbij zal sprake zijn van grote drukverschillen. Op het moment dat er sprake is van buitengewoon grote koude, heb je extra gas nodig. Die hoeveelheden worden dan extra snel uit die zoutkoepels gepompt. Hoe stabiel zal dat allemaal zijn? Verder is er de warmtewinning in de ondergrond, gekoppeld aan warmteopslag. Die zal tot temperatuurverschillen leiden in een milieu waarin de temperatuur honderdduizenden jaren vrijwel constant bleef. Kan iemand met zekerheid zeggen dat dit op de lange duur geen gevolgen zal hebben?

Ik wil absoluut niet beweren dat de betrouwbaarheid van onze ingenieurs op die van economen begint te lijken. Ik kan mij echter nog goed herinneren dat in 1990 de HID van Rijkswaterstaat in Gelderland het toenmalige college van GS verzekerde dat wij van hoogwater helemaal niets te duchten hadden en dat zulks bovendien, als het al voorkwam, slechts eens in de 1250 jaar tot enig risico zou leiden. Inmiddels hebben wij een complete evacuatie en voor 2500 jaar hoogwater achter de rug en wat zowel het risico als de frequentie betreft, zijn "de inzichten gewijzigd", zoals dat zo mooi heet. Zou de Staat in voorkomende gevallen niet toch garanties behoren te bieden en eventueel, indien sprake is van nalatigheid, zelf tegen de betrokken concessionaris moeten procederen, of in de plaats treden van een benadeelde particulier in geval van faillissement? Een goed voorbeeld is Frima in Harlingen, waar mogelijk sprake is van problemen. Ik bedoel maar, mijn fractie heeft geen helder beeld van hoe het eruit zou moeten zien. Voor alle duidelijkheid: wij zien in dat de minister het formele gelijk volstrekt aan zijn kant heeft; natuurlijk kan er een beroep worden gedaan op de normale rechter. Dat ontslaat hem naar ons oordeel echter niet van de morele verantwoordelijkheid die berust bij de Staat. Wil de staatssecretaris nog eens kijken naar de mogelijkheid om particulieren in dit soort gevallen – indien er geen schadefonds wordt ingesteld – te ondersteunen bij hun rechtsstrijd in het geval van schade door bodemzettingen? Dank u wel.

Mevrouw Bierman-Beukema toe Water (VVD):

Voorzitter. Met dit wetsvoorstel wordt de stroomlijning van dertien sterk verschillende wetten, waarvan de Mijnbouwwet 1810 verreweg de oudste is, en van tientallen op deze wetten gebaseerde ministeriële regelingen en algemene maatregelen van bestuur. Naast stroomlijning van een bestaand wettelijk regime regelt het voorstel bovendien een aantal relevante nieuwe onderwerpen, waarop ik nog terugkom.

Zes jaar geleden zijn de werkzaamheden op het ministerie van Economische Zaken aan deze wet begonnen. In september 1998 heeft minister Jorritsma het voorstel ingediend bij de Tweede Kamer. Een en andermaal heeft daar een indringende gedachtewisseling met de minister plaatsgevonden en nu behandelen wij dit belangrijke onderwerp vier jaar later onder enigszins merkwaardige omstandigheden: het kabinet is demissionair, de minister van Economische Zaken is afgetreden en de staatssecretaris vervangt hem. Om die reden zal ik mij beperken tot die aspecten van het wetsvoorstel die voor mijn fractie het meest relevant zijn: optimale opsporing en ontginning van delfstoffen, een stabiel mijnbouwklimaat, voortzetting van het kleineveldenbeleid en adequate rechtsbescherming voor burgers die schade ondervinden van bodemdaling. De beantwoording van onze schriftelijke vragen is in eerste en tweede instantie zorgvuldig gebeurd, waarvoor dank. Ook dat maakt een sobere behandeling vandaag mogelijk.

In het voorliggend wetsvoorstel worden uitsluitend zaken geregeld die specifiek betrekking hebben op mijnbouw. Andere onderwerpen dienen in beginsel te worden geregeld in generieke wetgeving: in de Wet milieubeheer de Natuurbeschermingswet, de monumentenwet en de Arbowet, om maar enkele voorbeelden te noemen. Mijn fractie vindt dat een heldere keuze.

De natuurlijke eigendom van bodemschatten berust bij de Staat. Dat betekent dat winning van delfstoffen voordelen voor de gemeenschap moet opleveren en dat de opbrengst voor de samenleving optimaal moet zijn. In de Nederlandse bodem zit nog steeds een grote hoeveelheid winbaar gas, die op een verantwoorde wijze geëxploiteerd moet worden. Dit vereist adequate sturingsinstrumenten voor de overheid en zeggenschap over de vraag wie, wanneer, waar en hoeveel mag winnen. Continuering van het kleine veldenbeleid acht mijn fractie hierbij van groot publiek belang. Het is een uniek systeem waarmee optimale benutting van voorkomens mogelijk wordt gemaakt. Bij de herstructurering van het gasgebouw is dan ook essentieel dat de uitoefening van de publieke taak terzake van de kleine velden wordt veilig gesteld. In de nieuwe structuur wordt deze tot dusver door de Gasunie uitgevoerde taak neergelegd bij de maatschap Groningen. Zo blijven de huidige partners in het gasgebouw verantwoordelijkheid dragen voor het kleineveldenbeleid, dat alleen kan bestaan dankzij de beschikbaarheid van het Groningenveld en de balansrol van dat veld. De memorie van antwoord en de nadere memorie van antwoord hebben op dat punt een geruststellende toonzetting. Ik stel vast dat het vertrouwen dat op deze wijze de optimale uitputting van kleine velden goed is geregeld, niet alom gedeeld wordt. De brieven van TotalFinaElf geven nog blijk van zorg.

Wat wij hier vandaag bespreken, bestrijkt slechts een onderdeel van het totale gasvraagstuk. Nadrukkelijk wenst mijn fractie de mogelijkheid voor te behouden om bij de behandeling van de Gaswet de totale structuur ter discussie te stellen en toe te zien op de veiligstelling van publieke belangen.

Wezenlijk onderdeel van het kleineveldenbeleid is de kort geleden ingevoerde mogelijkheid tot willekeurige afschrijving om exploratie en ontwikkeling op het continentaal plat te stimuleren. Het betreft hier kleine, vaak marginale velden, die ontwikkeld moeten worden met de nu nog aanwezige infrastructuur. In het Strategisch akkoord is voorgenomen willekeurige afschrijving van investeringen op het continentaal plat niet langer toe te staan. NOGEPA becijfert dat door afschaffing van deze kort geleden ingevoerde faciliteit mogelijkerwijs 115 miljard m3 aardgas niet geproduceerd wordt en stelt dat zo bovendien het vertrouwen in de stabiliteit van het Nederlandse mijnbouwklimaat wordt ondermijnd. In de nadere memorie van antwoord meldt de minister dat bij de uitwerking van het Belastingplan 2003 is voorgesteld dat de effecten van de afschaffing van de willekeurige afschrijving de komende twee jaar worden gevolgd en geëvalueerd. Indien de investeringen in de olie- en gassector fors teruglopen, kan de herinvoering van de willekeurige afschrijving worden overwogen, zo meldt de minister. Deze passage roept de nodige vragen op. Wat wordt in dit kader verstaan onder "fors teruglopen"? Hoe wordt bijvoorbeeld vastgesteld of een eventueel teruglopen een gevolg is van de maatregel, dan wel het gevolg van bijvoorbeeld internationale economische of politieke ontwikkelingen?

Winning van onder meer zout en gas kan leiden tot aanzienlijke bodemverlaging en daarmee tot omvangrijke schade aan publieke en private eigendommen; wij hebben inmiddels de nodige ervaring met dit fenomeen. Het is daarom goed dat de rechtsbescherming van de burger die ten gevolge van mijnbouwactiviteiten schade ondervindt, in het voorstel op verschillende manieren geregeld is, gelukkig niet – wat de VVD-fractie betreft – via de constructie van omkering van de bewijslast. Over dat onderwerp is aan de overzijde het nodige gezegd.

De belangen van gelaedeerden, en daar gaat het om, zijn degelijk en naar onze mening ruimhartig zeker gesteld. De mijnbouwonderneming heeft een risicoaansprakelijkheid en is gehouden alle schade te vergoeden die het gevolg is van haar werkzaamheden, hoe rechtmatig ook uitgevoerd. Een belangrijke rol is weggelegd voor de Technische commissie bodembeweging, die burgers desgevraagd adviseert over oorzaak en aard van de schade en daar tevens een bedrag bij kan noemen. Voorzien van dit advies kan de burger zich tot de veroorzaker van de schade wenden. Voor het geval deze niet kan of wil betalen, kan de burger een beroep doen op het ingestelde waarborgfonds en daarmee snel een voorschot krijgen. Dat lijkt ons prima. Wij hebben ervaring met bodemverlaging. Wij weten dus ook – zie de memorie van antwoord op dit punt – dat de bodem na ongeveer vijf jaar, zo niet al twee jaar na beëindiging van de winning is gestabiliseerd. Meetverplichting gedurende 30 jaar na de beëindiging van de winning lijkt een weinig realistisch verzinsel van onder de Haagse kaasstolp, dat intussen wel met zich meebrengt dat gedurende 30 jaar de boeken als het ware niet gesloten kunnen worden en verplichtingen, hoe summier ook, blijven bestaan.

Mijnheer de voorzitter. Door de minister van Economische Zaken is bij verschillende gelegenheden benadrukt dat met deze wet belangrijke winst geboekt wordt op het punt van vermindering van administratieve lasten. De voorgestelde aanpak, zo is berekend, zal leiden tot een reductie van 29% van deze lasten. Zonder deze stelling in twijfel te willen trekken, moet het mij toch van het hart dat er ook in de nieuwe situatie nog steeds sprake is van een zeer gecompliceerd traject van na elkaar geschakelde vergunningverlening en besluitvorming, voordat feitelijke winning kan plaatsvinden. Dank overigens voor het uitgebreide overzicht in de memorie van antwoord op dit punt.

Ook het systeem van financiële afdrachten lijkt nog steeds ingewikkeld. Dit is waarschijnlijk het gevolg van voortborduren op een bestaande situatie. Zo te zien is er nog steeds ruimte voor verbetering als het gaat om vermindering van administratieve lasten. Het doet mijn fractie dan ook deugd dat Actal zich in positieve zin heeft uitgesproken over de opzet van het Mijnbouwbesluit.

Voorzitter. Ik kom tot een afronding. Het voorstel waar we nu over spreken, vertoont alle kenmerken van een stelsel dat uit en te na met belanghebbenden en de Tweede Kamer is besproken en bijgesteld. De toezegging gedaan in 1903 door de toenmalig minister, te zullen komen met een integrale herziening van de Mijnbouwwet werd precies een eeuw later werkelijkheid. Hiermee wordt stroomlijning bereikt van bestaande verbrokkelde wetgeving. Er ontstaat één wettelijk regime voor land en continentaal plat. Veel relevante onderwerpen worden voor het eerst of nu anders, in deze wet geregeld. Via de beoordeling van winningsplannen die nu wettelijk zijn ingebed, kan planmatig beheer van tevoren geregeld worden. Bestaande rechten en plichten van vergunninghouders worden in hoge mate gehonoreerd. Dat is goed uit het oogpunt van een stabiel mijnbouwklimaat.

Wat de VVD-fractie betreft moet de wet op 1 januari 2003 in werking treden. Dat betekent dat ook het Mijnbouwbesluit op die datum operationeel moet zijn. Dat ligt nog voor advies bij de Raad van State, Als dat allemaal lukt, is een groot werk verricht en is een welgemeende gelukwens aan de staatssecretaris en met hem natuurlijk aan alle betrokken ambtenaren op zijn plaats.

De heer Hofstede (CDA):

Mijnheer de Voorzitter. Dit wetsvoorstel inzake de mijnbouw, dat in de plaats zal komen van maar liefst 14 andere wetten – ik heb iets verder geteld dan de mij voorgaande collega – is ook naar de mening van de CDA-fractie van eminent belang voor een stabiel mijnbouwklimaat. Het voorstel is verder van belang omdat de regelgeving hiermede aanmerkelijk toegankelijker wordt en de administratievelastendruk omvangrijk doet afnemen.

De CDA-fractie heeft bij de schriftelijke voorbereiding veel aandacht gevraagd voor de eigendomsverhoudingen inzake delfstoffen en stoffen die eventueel in de bodem worden gebracht. Wij zijn daarbij erkentelijk voor de toezegging in de memorie van antwoord dat atoomafval gedurende deze gehele eeuw niet in de bodem zal worden opgeslagen. We zullen de regering daarin uiteraard nauwlettend volgen gedurende de komende 98 jaar.

In de memorie van antwoord en de nadere memorie van antwoord heeft de minister onze vele en veelal indringende vragen uitvoerig en goed beargumenteerd beantwoord. Daarvoor dank aan hem alsmede aan de betrokken ambtenaren.

Deze uitvoerige schriftelijke behandeling inzake de eigendomsvragen was ook nodig, omdat in de Tweede Kamer maar ook in de Raad van State geen of weinig aandacht was voor dit belangrijke vraagstuk.

Ook in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt deze zaak zeer marginaal behandeld. In feite wordt er maar één zin gewijd aan de eigendomstoekenning aan de Staat, zulks vanaf een diepte van 100 meter. De memorie van toelichting zegt slechts dat deze eigendomsbepaling voortvloeit uit de "thans algemene opvatting, dat in de loop van de geologische geschiedenis gevormde voorkomens van delfstoffen in de bodem toebehoren aan de gemeenschap". Over een Jantje van Leiden gesproken.

Wij willen hier de schriftelijk gevoerde discussie niet nog eens overdoen. Wel rijzen er bij de CDA-fractie naar aanleiding daarvan nog enkele vragen.

In de nadere memorie van antwoord, onder andere de bladzijden 3 en 6, wordt enkele keren gesteld dat het niet op de weg van de minister ligt om hieromtrent een algemene uitspraak te doen, maar op de weg van de onafhankelijke rechter. Dat lijkt ons in het algemeen geen goed uitgangspunt. De onafhankelijke rechter heeft in de visie van de CDA-fractie vooral tot taak om in dit kader regelgeving te interpreteren en niet om die zelf te maken. Dit zou de onafhankelijke rechter ook nodeloos machtiger maken dan strikt noodzakelijk.

Ten aanzien van het begrip "aardlagen" zoals omschreven in artikel 5:20 onder b van het BW delen wij, mede gelet op de aanduiding van grondwater in de ondergrond als res nullius in hetzelfde artikel, de enge uitleg van de minister. De term "aardlagen" heeft ook naar ons oordeel slechts betrekking op vaste delfstoffen dan wel mineralen.

Het begrip "delfstoffen" is omschreven in de Mijnbouwwet. Het komt ons wenselijk voor dat daar waar in het Burgerlijk Wetboek over "delfstoffen" wordt gesproken – onder andere in artikel 3:3 – deze terminologie overeenkomt met de definitie daarvan zoals opgenomen in de Mijnbouwwet. Deelt de minister deze opvatting?

Het begrip "delfstoffen" betreft vaste delfstoffen, mineralen, alsmede vloeibare en gasvormige delfstoffen, de substanties. De Staat is blijkens artikel 3 van de Mijnbouwwet eigenaar van al deze delfstoffen. Het Burgerlijk Wetboek kent een systeem waarbij vloeibare en gasvormige stoffen die perceelsgrenzen kunnen overschrijden en zich dus kunnen verplaatsen, worden geacht niet vatbaar te zijn voor eigendom. Deze zich verplaatsende stoffen, zoals de lucht, grondwater in de ondergrond en oppervlaktewater dat in open verbinding met rivieren en andere wateren staat, worden voor de toepassing van het BW aangemerkt als res nullius. Geredeneerd zou kunnen worden dat, gelet op dit systeem, vloeibare en gasvormige delfstoffen evenzeer als res nullius moeten worden aangemerkt en daarmee ook niet voor eigendom vatbaar zijn. Is bij vloeibare en gasvormige delfstoffen evenwel sprake van een bijzondere situatie in die zin dat deze delfstoffen zich bevinden in afgesloten ruimten, de zogenaamde delfstoffenvoorkomens? Verklaart deze omstandigheid dat de Staat eigenaar kan zijn van vloeibare en gasvormige delfstoffen zoals vastgelegd wordt in artikel 3 van de Mijnbouwwet?

Het is ons opgevallen dat artikel 3 geen betrekking heeft op aardwarmte. Is de reden hiervoor dat aardwarmte, zijnde een vorm van energie, geen "zaak" in de zin van artikel 3:2 van het BW is en daarmee niet voor eigendom in aanmerking komt? Graag een reactie van de staatssecretaris op deze vragen.

In de memorie van antwoord merkt de minister op dat uiteindelijk de rechter – in casu de Europese rechter in Straatsburg – de vraag zal moeten beantwoorden of de grondeigenaar eigendom heeft van de delfstoffen in de grond onder het oppervlak, ook beneden de 100 metergrens. Is het antwoord van Straatsburg ontkennend, dan is er niets aan de hand. Het is echter niet denkbeeldig dat het Hof de vraag niet zal kunnen beantwoorden. Het Eerste Protocol bij het Europees verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens bevat geen definitie bij gebreke van voldoende houvast in de nationale wetgeving, respectievelijk bij gebreke van een grootste gemene deler onder de lidstaten van de Raad van Europa zou het Hof het juridisch oordeel over de eigendom van delfstoffen wel eens aan de nationale rechter kunnen laten.

Dan is vervolgens de vraag of in een concreet geval de Europese rechter meent dat in Nederland de nieuwe Mijnbouwwet voldoende eigendom van een grondeigenaar respecteert, dan wel of Nederland bij ondertekening, respectievelijk ratificering van het Eerste Protocol een voorbehoud had moeten maken voor eigendom van delfstoffen. De laatste vraag moet eerst worden beantwoord en wel in twee stappen. De eerste betreft de juridische situatie in Nederland op het moment van ondertekening, respectievelijk ratificatie. Indien de eigendom van delfstoffen op dat moment niet tot de eigendom van de grondeigenaar behoorde, verandert de nieuwe Mijnbouwwet niets en ontstaat door het ontbreken van een voorbehoud ook geen probleem. Verandert er door de nieuwe wet wel wat in de positie van de grondeigenaar naar nationaal recht, dan komt de Europese rechter bij gebreke van een Nederlands voorbehoud toe aan een materiële toetsing van de nieuwe wet aan het Eerste protocol.

Cruciaal is dus de vraag of door de nieuwe wet het oude recht ten aanzien van de eigendom wordt gewijzigd. Daarbij is van belang dat de honderdmetergrens nieuw is. Op grond van dit gegeven en de memorie van antwoord kan de Europese rechter nog alle kanten op. De minister zegt immers dat noch de parlementaire geschiedenis van het Burgerlijk Wetboek, noch de jurisprudentie, noch de doctrine tot een duidelijke conclusie leidt omtrent de eigendom van delfstoffen.

De minister trekt zelf uit een analyse van de artikelen 8 en 19 van de huidige Mijnbouwwet van 1810 de conclusie dat delfstoffen, kennelijk zowel boven als onder de honderdmetergrens, geen eigendom waren en zijn van de grondeigenaar. Het Europees Hof zou uit deze enkele opmerking van de minister en het ontbreken van weerwoord kunnen afleiden dat dit de mening is van de Nederlandse wetgever. Het Hof zal daar zeker betekenis aan toekennen voor het beantwoorden van de vraag of het oude recht de eigendom van delfstoffen al aanmerkte als niet behorend tot die van de grondeigenaar.

Om te vermijden dat het Hof deze mening door het ontbreken van een weerwoord als uitsluitend die van de minister aanmerkt, is het goed te onderstrepen dat de CDA-fractie de mening van de minister steunt, en dat hier plenair zo uit te spreken. Waar onder het oude recht delfstoffen boven 100 m res nullius of van de Staat waren, schept de nieuwe wet zelfs een grotere aanspraak voor de grondeigenaar dan hij onder het huidige recht heeft. Kan de staatssecretaris dit beamen?

Tot slot het volgende over dit onderwerp. Bij deze Kamer is onder nummer 28218 aanhangig het wetsvoorstel Kenbaarheid publiekrechtelijke beperking onroerende zaken. Is de staatssecretaris bereid te bevorderen dat vergunningverlening onder de nieuwe wet ook in de kadastrale registratie wordt opgenomen?

De eventuele schadevergoeding en bevoorschotting zijn tot tevredenheid van onze fractie bij amendement in dit wetsvoorstel opgenomen. Hierover hebben wij in het voorlopig verslag enkele vragen gesteld, die wat ons betreft bevredigend zijn beantwoord. Erkentelijk zijn wij ook voor de toezegging dat de belanghebbende bij bindende toezeggingen, vlak voor een faillissement en waar die toezeggingen niet worden nagekomen, toch rechten krijgt bij het waarborgfonds. Overigens ben ik zeer benieuwd naar de beantwoording van collega Doesburg inzake de morele verantwoordelijkheid van de Staat in dit kader.

De beantwoording van de vragen inzake het kleineveldenbeleid in de memorie van antwoord en de nadere memorie van antwoord hebben de leden van de CDA-fractie helaas nog niet gerustgesteld. Het nieuwe gasgebouw wordt nu ingericht. Kennelijk is de minister in overleg. Hij is wellicht druk aan het onderhandelen met partijen die zijn verenigd in het huidige gebouw.

Onze vraag is of het paard hiermee niet achter de wagen wordt gespannen. Loopt de regering niet het risico dat het publieke belang eronder gaat lijden en dat hij straks door het parlement wordt teruggefloten? Dat risico is niet denkbeeldig, als wij de behandeling van de Elektriciteitswet en de Gaswet in herinnering brengen en de bakstenendiscussie, die verhit woedde in deze Kamer en achteraf nog tot veel bijstellingen heeft geleid.

Waarom kiest de minister niet voor een andere, uit het oogpunt van het publieke belang meer zekere weg? Dat is vanzelfsprekend de weg van wetgeving die de regering een steun in de rug geeft in de onderhandelingen met de twee machtige oliemaatschappijen, die exclusief toegang hebben en houden tot het Groningenveld. Uitgangspunt voor dergelijke regelgeving zou moeten zijn het maatschappelijke, publieke belang. Dat was voor de liberalisering gewaarborgd. Die waarborg verdwijnt volgens velen, waaronder de Algemene energieraad. In ieder geval bestaat hierover gerichte twijfel. In het recente verleden was alles duidelijk geregeld en werd het publieke belang veilig gesteld. Nu, na de liberalisering, zijn de kaarten verlegd en dreigen commerciële belangen de boventoon te gaan voeren, gepaard aan een zekere vermangeling van het publieke belang. Voor ons als CDA-fractie is het vertrekpunt van het nieuwe gasgebouw het publieke belang van het Groningenveld, een belang dat het beste kan worden gediend als er gespaard blijft worden voor de toekomst, dus als aan de zogenaamde kleine velden optimale kansen worden geboden om tot een gezonde exploratie te blijven komen.

De minister verwijst in de nadere memorie van antwoord naar de belangrijke rol die de EBN zou gaan spelen. De EBN is echter niet zelf concessiehouder en zal uit dien hoofde ook geen of weinig greep hebben op de beide concessiehouders van het Groningenveld, de twee machtige oliemaatschappijen. Deze maatschappijen hebben geen enkel commercieel belang bij een goede exploitatie en exploratie van de kleine velden. Wellicht ligt het commerciële belang zelfs in het tegenovergestelde. Of ziet de staatssecretaris dat anders en zo ja, hoe liggen de commerciële belangen dan wel?

Waarom wil de regering niet de door ons gevraagde toezegging doen dat de balansfunctie, te weten de menging van kleine veldengas en Groningenveld, bij de herstructurering van het gasgebouw in handen blijft van de overheid? Immers, door de liberalisering wordt de huidige Gasunie gesplitst in Gasunie Handel en Gasunie Transport – dat zijn niet de exacte namen, maar ik vind deze iets makkelijker dan al die moeilijke Engelse termen die plotseling zijn uitgevonden – waarbij Transport in handen van de overheid komt en het andere bedrijf geheel commercieel wordt. In de huidige situatie is er sprake van een publiek-private samenwerking, die gestalte krijgt in de Gasunie; juist die constructie wordt drastisch gewijzigd. Daarmee dreigt de huidige borging van het publieke belang min of meer automatisch te verdwijnen. Daarbij valt te denken aan: de exploratie en exploitatie van kleine velden versus het Groningenveld, een betrouwbare energievoorziening en ondersteuning van een goede marktwerking, inclusief flexibilisering. Het wegvallen van een deugdelijke borging van dat publieke belang moet naar de mening van de CDA-fractie voorkomen worden. In een geliberaliseerde markt is borging van het publieke belang alleen verzekerd op basis van een deugdelijke publiekrechtelijke grondslag. Daarom verwachten wij vandaag de duidelijke toezegging van de bewindsman dat hij ten spoedigste zal beginnen met de voorbereiding van een voorstel om dat publieke belang te borgen. Zo nodig zullen wij daarover een uitspraak van deze Kamer vragen.

Tot slot de willekeurige afschrijving. Het eventueel laten vervallen van de willekeurige afschrijving vanwege uitsluitend budgettaire uitgangspunten is eveneens een bedreiging voor de exploratie van de kleine velden op het continentaal plat. Het lijkt ons ook in strijd met de doelstelling van het onderhavige wetsvoorstel, dat als belangrijkste uitgangspunt heeft een stabiel mijnbouwklimaat. Daarom wil ik de regering vragen om de voorgenomen maatregel waar enigszins mogelijk in heroverweging te nemen. In de nadere memorie van antwoord doet de minister deze toezegging op termijn. Dat betekent dat de toezegging, die heroverweging, pas gestalte zal kunnen krijgen op het moment dat de investeringen in de exploratie van kleine velden in elkaar zijn geklapt. Waarom wil de regering dat risico lopen? Waarom wil de regering zich pas bezinnen op het moment dat de inkomsten uit de exploratie én uit de investeringen voor de Staat zijn weggevallen? Kiest de minister hier niet voor de lege dop in plaats van voor het halve ei?

Ten slotte de vraag of we het goed gelezen hebben in de memorie van antwoord dat ook hier alle tot 31 december a.s. verstrekte vergunningen vallen onder de eerbiedigende werking van artikel 55?

De heer Van den Berg (SGP):

Voorzitter. Ik houd deze bijdrage mede namens de ChristenUnie.

Voor onze fracties staat de noodzaak van nieuwe wetgeving op dit terrein niet ter discussie. De onoverzichtelijke situatie die was ontstaan doordat er gewerkt moest worden met een fors aantal wetten die onderling sterk verschilden, met daarbij een aantal algemene maatregelen van bestuur en ministeriële beschikkingen, vroeg om nieuwe wetgeving. Het is gelukt om in dit wetsvoorstel integratie en harmonisatie van de bestaande mijnbouwwetgeving tot stand te brengen. Positief vinden wij het ook dat het wetsvoorstel ten doel heeft nieuwe ontwikkelingen te reguleren. Dit is belangrijk. Het komt de rechtsbescherming en de rechtsgelijkheid ten goede.

Daarnaast is er grote behoefte aan beleidsvernieuwing op dit terrein. Met het oog op de bodembeweging is onder andere de verplichting tot meten, de invoering van risicoaansprakelijkheid alsook zekerheidsstelling met het oog op aansprakelijkheid noodzakelijk. Ook dit is een van de doelstellingen van het wetsontwerp.

Bij de behandeling van dit wetsontwerp zijn interessante beschouwingen te houden. Er is ook reden om stil te staan bij de oude mijnbouwwet van 1810. In een aantal artikelen is ook gewezen op dat verre begin. Het is ook vanavond gedeeltelijk aan de orde geweest. Maar het echte begin in ons land gaat nog verder terug. Al sinds het midden van de 13de eeuw werden er steenkolen gedolven, niet ver van de abdij Kloosterrade te Kerkrade. Of daar wetgeving bij is gebruikt, voorzitter, heb ik niet kunnen achterhalen. Het spijt mij voor u. Ik had dat graag gedaan om eens te kijken hoe dat in het rijke Limburgse leven vroeger tot stand zou zijn gekomen. Maar helaas, ik heb het niet kunnen achterhalen.

Voor de Nederlandse economie is het winnen van delfstoffen in verschillende opzichten van grote betekenis. Dat waarderen wij positief, maar daarnaast is er vanaf de jaren zeventig terecht aandacht ontstaan voor de negatieve effecten van economische activiteiten op het milieu. Ook mijnbouwactiviteiten zijn schadelijk voor het milieu. Er is milieuverontreiniging. Er is ook nogal wat geluidshinder en er is bodemdaling. Daar komt nog bij dat milieugoederen onderling niet substitueerbaar zijn. Een afname van het ene milieugoed, in dit geval bijvoorbeeld de voorraad gas, kan niet gecompenseerd worden door de toename van een ander goed, bijvoorbeeld de capaciteit om met windmolens eenzelfde hoeveelheid energie op te wekken. Dat is jammer. Dat betekent altijd verlies. Dat betekent niet dat je niets moet doen. De inzet moet zijn en blijven om te proberen het milieu te sparen. De vraag die er bij ons blijft bestaan is of de milieubescherming, ook door andere wetgeving voldoende is gewaarborgd. Wij vragen nogmaals de aandacht voor alternatieven. Wij vragen de minister om hier nog eens duidelijk op in te gaan.

Als gevolg van mijnbouwactiviteiten ontstaat er bodembeweging. Hierdoor kan er schade ontstaan aan eigendommen. Dat geldt zeker voor particuliere eigendommen. Onze fracties zijn dan ook zeer te spreken over de Technische commissie bodembeweging, die met kennis van zaken, met ervaring en onafhankelijk haar werk kan doen. Belangrijk vinden wij het dat deze commissie ook een wettelijke taak heeft om burgers zonodig te adviseren over het causale verband tussen mijnbouwactiviteiten en schade, omdat het heel moeilijk is hard te maken voor een burger dat er schade is opgetreden als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Wij zijn er bijzonder content mee. Wij hebben er ook goede nota van genomen dat er wettelijke waarborgen bestaan voor de onafhankelijkheid van de leden van deze commissie in concrete gevallen.

Voor de rechtsbescherming van de burger die schade lijdt als gevolg van bodembeweging veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten is het Waarborgfonds mijnbouwschade van groot belang. Wij hebben met instemming kennis genomen van het gegeven dat de staatssecretaris de structuur en de werking van het Waarborgfonds te zijner tijd zal evalueren. Wellicht zal dan blijken dat de rechtspersoonlijkheid van het fonds meer helderheid en rechtszekerheid kan bieden aan de samenleving. Gaat de staatssecretaris er nog steeds vanuit dat de Mijnbouwwet met de daarop gebaseerde lagere regelingen, namelijk het mijnbouwbesluit en de mijnbouwregeling op 1 januari 2003 in werking kunnen treden? Wij vragen dit omdat wij steeds begrepen hebben dat gelijktijdige inwerkingtreding van wet, besluit en ministeriële regeling, gelet op de onderlinge samenhang, noodzakelijk is.

Naar de mening van onze fracties is de tijd die nog rest heel erg krap. Heeft, zo vragen wij de staatssecretaris, de Raad van State al een advies uitgebracht over het ontwerpmijnbouwbesluit? Heeft, zo vragen wij vervolgens de staatssecretaris, de Europese Commissie nog opmerkingen c.q. reacties die moeten worden verwerkt? Omdat, krachtens de Tijdelijke Referendumwet, een wet niet eerder in werking kan treden dan zes weken na de publicatie van die wet in het Staatsblad, is er veel haast geboden. Nadrukkelijk vragen wij dan ook aan de staatssecretaris om toch vooral, ondanks de haast die geboden is, de nodige zorgvuldigheid te betrachten.

Met belangstelling wachten wij de beantwoording af.

De heer Terlouw (D66):

Mijnheer de voorzitter. De fractie van D66 heeft veel waardering voor het vele werk dat tot dusverre is verzet om te komen tot een helder kader waarbinnen mijnbouw op een verantwoorde wijze kan plaatsvinden op het Nederlandse grondgebied en op het continentale plat. Over onze steun voor het wetsvoorstel hoeft niet te worden getwijfeld, maar wij grijpen de gelegenheid graag aan om over enkele punten van gedachten te wisselen met de staatssecretaris. Ik spreek mijn waardering uit voor het feit dat de staatssecretaris zich in dit onderwerp heeft willen verdiepen – het is immers een omvangrijk dossier – zodat het op tijd kan worden behandeld om op 1 januari in werking te treden.

Het kan zijn dat ik niet goed heb opgelet, maar misschien mag ik nog een vraag stellen over de bevoegdheden. Bij mijn weten was dit het beleidsgebied van de minister, dus dan zou je verwachten dat de collega proximus het zou behandelen. Nu valt het blijkbaar onder de bevoegdheid van de staatssecretaris. Ik neem aan dat daar een staatsrechtelijke regeling voor getroffen is.

Staatssecretaris Wijn:

Gisteren is in de Staatscourant gepubliceerd dat de minister van Economische Zaken, de heer Hoogervorst, dit onderdeel formeel aan mijn portefeuille heeft toegevoegd.

De heer Terlouw (D66):

Dat is helder. Overigens vrees ik dat de staatssecretaris niet de waardering zal krijgen die hem toekomt voor de omvang van het werk. Toen ik tegen een aantal mensen in mijn omgeving zei dat wij de Mijnbouwwet behandelden, vroeg men mij verbaasd of wij nog mijnbouw hebben. De meeste mensen hebben er geen idee van hoe uitvoerig de wetgeving op dat gebied is. Je kunt wat dat betreft bewondering hebben voor keizer Napoleon, ook al was hij een bezetter. Bijna twee eeuwen geleden heeft hij een Mijnbouwwet het licht doen zien, waarin behoorlijk progressieve opvattingen zijn neergelegd. Die wet heeft het lang uitgehouden. Het is merkwaardig om te bedenken dat wij het al die tijd hebben moeten doen met een in het Frans gestelde wet. Ik weet nog dat ik ongeveer 30 jaar geleden aan de overzijde een interpellatie richtte aan het adres van minister Langman over de gaswinning in Bergen en dus over de Mijnbouwwet. Ik begon de discussie in mijn gebrekkige Frans net zo lang tot de voorzitter mij verzocht daarmee op te houden. Ik heb toen gezegd: iedere Nederlander wordt geacht de wet te kennen, de wet is in het Frans geschreven, dan mag ik hier toch Frans spreken. Misschien is het even irrealistisch te veronderstellen dat iedere Nederlander het Frans beheerst als dat iedere Nederlander de wet kent.

Ik heb het altijd zo gelezen dat in die Napoleontische wet al is vastgelegd dat delfstoffen die zich in een diepere ondergrond bevinden, het eigendom zijn van de gemeenschap, ongeacht wie de bovengrond in bezit heeft. Ik vond dit heel vooruitstrevend voor 1810. Het is echter blijkbaar ingewikkelder dan dat. Ik heb met veel belangstelling kennisgenomen van de uiteenlopende opvattingen over het eigendom van delfstoffen zoals in de memorie van antwoord uiteen gezet. Blijkbaar weten wij in juridische zin niet wie eigenaar is van delfstoffen voordat er een concessie is verleend. Althans, dat is de opvatting van sommigen. Of de eigenaar van de bovengrond nu wordt onteigend of niet, na de concessieverlening is de concessionaris eigenaar. Dit res nullus stelsel is nieuw voor mij. Ik wist niet dat het bestond dat je het gewoon niet regelt, niet weet of niet van belang acht hoe het precies zit. De zich in de grond bevindende delfstoffen zijn van niemand tot bij wet wordt bepaald wie ze in eigendom krijgt, zo vinden sommigen. Ik moet zeggen dat dit mij wel aanspreekt.

Hoe is die situatie als het geen delfstoffen betreft, maar bijvoorbeeld een pot met oude Romeinse munten? Als die wordt gevonden op enkele meters diepte, hoort hij toe aan de eigenaar van de grond, neem ik aan. Als die pot nu in een aardspleet terecht is gekomen en naar een diepte van meer dan 100 meter is verdwenen, hoort hij dan bij de concessie voor delfstoffen, of is hij van de staat of van de eigenaar van de bovengrond? Ik geef toe dat dit een vraag is met een hoog hypothetisch gehalte en de staatssecretaris hoeft er niet op in te gaan. Mij interesseert echter de vraag of de verschillende juridische opvattingen die er volgens de memorie van antwoord nog steeds zijn, in de toekomst zullen leiden tot geschilpunten en dat het met deze Mijnbouwwet nu zo geregeld is dat ons toch nog weer juridische gevechten te wachten staan nadat deze wet in het Staatsblad is gepubliceerd.

Hoofdstuk 3 van het wetsvoorstel handelt over vergunningen voor het opslaan van stoffen. De vergunning wordt verleend door de minister van Economische Zaken. Hij moet een goede afweging maken tussen milieubelangen en economische belangen. Bij het verlenen van een vergunning voor het in de ondergrond brengen van afvalstoffen zal hij rekening houden met het landelijk afvalbeheerplan opgesteld door het ministerie van VROM. Hij zal zijn collega van VROM betrekken bij milieuaspecten, maar in de Wet milieubeheer is de bevoegdheid inzake mijnbouwaangelegenheden exclusief neergelegd bij de minister van Economische Zaken en in de toekomst wellicht bij de staatssecretaris van Economische Zaken. Hij heeft zogezegd het laatste woord.

Hoe is dit geregeld voor de opslag van radioactief afval? Daarbij is ook een vergunning op grond van de Kernenergiewet vereist, waarvoor de minister van VROM de eerste verantwoordelijkheid draagt. Met die wet in de hand heeft de minister van VROM dus een vetorecht ten opzichte van de plannen van zijn collega van Economische Zaken. Er staat in dit verband een wat wonderlijke zin in de memorie van antwoord, namelijk dat in de eerstkomende 75 tot 100 jaar geen sprake zal zijn van opslag van radioactief afval in de grond. Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit eerder van regeringswege met zoveel zekerheid over een zo lange termijn heb horen spreken. Ik hoor graag van de staatssecretaris waarom de regering dit zo zeker weet.

Artikel 49 bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregelen van bestuur regels kunnen worden gesteld. Dit kan bijvoorbeeld ten behoeve van de scheepvaart, de visserij, enz. Het kan ook ten behoeve van de bescherming van historische, oudheidkundige en andere wetenschappelijke vondsten. Daar kunnen wij ons goed in vinden. In het algemeen zullen die regels inhouden dat er voorschriften komen om de betreffende belangen te ontzien. Maar in de memorie van antwoord staat categorisch dat een opsporings- of winningsvergunning niet kan worden geweigerd ter bescherming van archeologische belangen – zo hard staat het er. Er is geen reden om bepaalde gebieden om archeologische redenen volledig uit te sluiten van mijnbouwactiviteiten. Dat zal in het algemeen natuurlijk waar zijn: een plek met een archeologische waarde zal in het algemeen beperkt van omvang zijn en met een mijnbouwactiviteit kun je daar dan wel omheen. Maar is deze bewering niet in strijd met de wettekst? Als er regels kunnen worden gesteld ten behoeve van archeologische belangen, is het dan te allen tijde en onder alle omstandigheden onmogelijk om te regelen dat de mijnbouwactiviteit niet mag plaatsvinden? Even verderop in de memorie van antwoord staat evenwel dat de toepasselijkheid van de gewijzigde Monumentenwet 1988 ertoe kan leiden dat in een concreet geval mijnbouwactiviteiten in verband met het behoud van een archeologisch erfgoed op specifieke lokaties op het Continentaal Plat, na afweging van alle belangen, niet kunnen worden uitgevoerd. Ik citeer twee keer uit dezelfde memorie van antwoord. Volgens mij zit daar een strijdigheid in.

De punten die ik heb aangestipt, zijn niet van majeure betekenis. Ik ben niet van plan om die andere wel aan te stippen, ook al staat er een spreektijd van vijftien minuten achter mijn naam; waarschijnlijk vloog er een straaljager over toen ik de spreektijd doorgaf. De belangrijkste onderwerpen zijn reeds door de collega's aan de overzijde aangestipt, ook in de schriftelijke gedachtewisseling: waarborgfonds, mijnbouwschade, bewijslast, Mijnraad. Het veiligstellen van publieke belangen waarover collega Hofstede sprak, is van aanzienlijke betekenis bij de gaswinning. Ik ben benieuwd naar het antwoord dat wij zullen krijgen.

Zoals gezegd, de fractie van D66 is van oordeel dat met het mijnbouwbesluit een evenwichtig en rechtvaardig ontwerp van wet komt. Wij geven daaraan gaarne onze steun.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 18.15 uur tot 19.45 uur geschorst.