Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2002-2003nr. 4, pagina 44-54

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Goedkeuring van de op 22 juni 2000 te Cotonou totstandgekomen Partnerschapsovereenkomst tussen de Staten van Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten (27672).

De beraadslaging wordt geopend.

De heer Rabbinge (PvdA):

Voorzitter. Het is plezierig om over dit wetsvoorstel van gedachten te kunnen wisselen met de staatssecretaris. Zij heeft namens haar fractie in de Tweede Kamer uitgebreid het woord gevoerd over dit onderwerp. Dit wetsvoorstel stamt al van lange tijd geleden. Het is overgenomen door de huidige coalitie en ik vind dit heel verstandig.

Ik was aanvankelijk niet van plan over dit onderwerp het woord te voeren, maar wij moeten ons realiseren dat met dit wetsvoorstel een historisch feit wordt verwezenlijkt. Dit heeft te maken met het feit dat wij een andere en nieuwe manier van ontwikkelingssamenwerking aangaan die wellicht maximaal kan beantwoorden aan de doelen die wij met het ontwikkelingssamenwerkingbeleid willen realiseren. Dit is heel belangrijk.

Een tweede reden om toch het woord te voeren, is dat wij inhoudelijk nog eens duidelijk willen maken hoezeer wij instemmen met dit voorstel, al blijven er nog een paar vragen over.

Tot slot meen ik dat het goed is om hier duidelijk aan te geven dat het parlement in Nederland zich stelt achter deze vormen van vernieuwing van verdragen met een bepaalde groep ontwikkelingslanden.

De in Cotonou totstandgekomen overeenkomst kent een lange geschiedenis. Wij kennen de Lomé I, II, III en IV-akkoorden waarvan de laatste in 1995 is gesloten. Het kenmerk van die akkoorden was dat met een aantal landen die vroeger tot de koloniën behoorden, met name tot de Franse koloniën, preferentere verhoudingen werden gevestigd. Dat zat vooral in handelsbevordering, het voor die landen slechten van een aantal tariefmuren en hen beschermen via een prijs- en handelsordeningsbeleid. Dat waren steeds de kenmerken van de Loméverdragen: weliswaar met kleine adaptaties, bestond de hoofdteneur altijd uit handelsakkoorden met preferenties voor die landen; akkoorden zoals de bananen- en suikerakkoorden hadden alle tot gevolg dat bijvoorbeeld de bananen die wij consumeerden, afkomstig waren uit die landen.

Met Cotonou is een nieuwe benadering gekozen. De behoefte daaraan was sterk gegroeid, mede omdat het Lomésysteem verouderd was en in een aantal gevallen zelfs contraproductief was geworden. De beschermende structuren hadden tot gevolg dat vernieuwing van productie niet of nauwelijks plaatsvond, waardoor niet echt op de wereldmarkt kon worden geconcurreerd. De bescherming werkte dus niet louterend, maar verstorend voor concurrentieverhoudingen. Een andere aanpak was dus gewenst.

De onderhandelingen over het Cotonouverdrag zijn in 2000 afgerond. In 2002, dus rijkelijk laat, gaan wij over tot ratificering en wordt het behandeld in de Eerste Kamer. De behandeling van het wetsvoorstel is in Nederland vrij uitgebreid geweest. De politieke terugkoppeling naar de Tweede Kamer en de behandeling waren zeer gedegen, zowel door de fracties als door de regering. Toch blijven een aantal vragen over. Zo zijn de verdragen met maar een beperkt aantal landen gesloten. Vooral ontbreekt hetgeen in ons ontwikkelingsbeleid zwaar telt, namelijk de voorkeur die wij geven aan de allerarmste landen. Dat is geen criterium op grond waarvan landen deel kunnen uitmaken van Cotonou. De vraag rijst op welke wijze zoiets wel kan worden gerealiseerd. Bij Cotonou gaat het dus niet alleen meer over handelsovereenkomsten en prijzenbeleid; het is veel breder. Zoals gezegd is dat een goede zaak, omdat met het eerste in plaats van de beoogde verbetering, soms uiteindelijk een verslechtering van de positie van landen werd bewerkstelligd. Er wordt erg sterk ingezet op de versterking van concurrentiekracht. Daarvoor zijn al veel mogelijkheden: de Hannoverovereenkomsten, innovatiebeleid, structuurverbetering ter plekke. Daarop moeten wij inzetten. Uit de geschiedenis van het Nederlandse beleid blijkt dat concurrentiekrachtverbetering ook voor de primaire sector, de landbouw, erg belangrijk was. Nederland heeft nooit ingezet op een volledig vrije markt, noch op volledige bescherming: de teneur van het Nederlandse beleid is al anderhalve eeuw een inzet op het flankerende beleid, waardoor betrokkenen rijp worden gemaakt om op de vrije markten te functioneren.

Een derde kenmerk van het Cotonouverdrag is de expliciete ruimte voor armoedebestrijding en gender-issues. De PvdA-fractie heeft aan de overkant, maar ook hier herhaaldelijk uitgesproken dat het belangrijk is dat deze onderwerpen nu expliciet in het Cotonouverdrag zijn opgenomen. Een vierde kenmerk is dat dit verdrag een opener structuur kent en niet de gesloten structuur die wij uit het verleden kennen.

Al deze kenmerken zijn pure winst. Dat is de reden dat mijn fractie een voorstander is van het onverkort introduceren en ratificeren van het Cotonouverdrag. Ik wil mijn bijdrage besluiten met een aantal vragen en in het bijzonder de vraag waarom Nederland de laatste ondertekenaar lijkt te gaan worden. Dat is geen pluim op de hoed van Nederland, in tegendeel: het zou heel jammer zijn als wij de ratificatie nog verder zouden traineren. Het is van belang dat wij het zo proberen te organiseren dat het verdrag op 1 januari 2003 van kracht wordt. Ik vraag de staatssecretaris om er alles aan te doen om dat te realiseren. Ik heb begrepen dat er technische belemmeringen zijn, maar misschien is het haar gegeven om die op de een of andere manier uit de weg te ruimen, zodat het verdrag op 1 januari 2003 van toepassing kan zijn.

Kan dit type verdragen, dat nu gesloten is met een aantal landen, geen opmaat zijn voor een nieuwe vorm van samenwerking met ontwikkelingslanden? Ik vraag dat, omdat in deze verdragen in feite contractuele verplichtingen worden aangegaan die wederzijds zijn. Ik vraag mij verder af of deze verlichte vormen van samenwerking op termijn een rol kunnen gaan spelen bij een te formuleren breder ontwikkelingssamenwerkingsbeleid.

Ten slotte wil ik aandacht vragen voor een onderdeel dat in het verdrag niet goed tot uiting komt, maar wat wel bijzonder belangrijk is, te weten het mediabeleid. Het is van bijzonder grote betekenis voor het stimuleren en tot ontwikkeling brengen van democratie en het goed functioneren van democratieën dat de media onafhankelijk kunnen functioneren. Ik zou de staatssecretaris willen vragen of zij haar licht kan laten schijnen over de mogelijkheid dat hieraan aandacht wordt besteed bij de operationalisering van het Cotonouverdrag.

Mevrouw Roscam Abbing-Bos (VVD):

Mijnheer de voorzitter. Dit wetsvoorstel is kort geleden uitvoerig in de Tweede Kamer besproken. Het resultaat daarvan – beter gezegd: de uitkomst daarvan – is u bekend. Het wetsvoorstel is door het CDA, GroenLinks, de LPF, de SP, de PvdA, de ChristenUnie, de SGP en D66 aangenomen. De VVD-fractie, uitgezonderd het lid Van Aartsen, stemde tegen.

De stemuitslag van de VVD-fractie kan nauwelijks verwondering hebben gewekt, want zij heeft zich in het verleden bij monde van de toenmalige woordvoerder, de heer Hessing, zeer kritisch uitgelaten over het mandaat voor de onderhandelingen en zich bovendien uitgesproken tegen de ondertekening van het verdrag. Ik voeg hieraan toe dat de heer De Haan van de CDA-fractie in de Tweede Kamer niet ten onrechte heeft opgemerkt dat dit wetsvoorstel in feite onder de verantwoordelijkheid van de VVD-minister van Buitenlandse Zaken is opgesteld. Dat klopt. Die minister was de heer Jozias van Aartsen en hij heeft dan ook consequent voor het wetsvoorstel gestemd.

Het lijkt mij niet nodig om in extenso alle bezwaren van de VVD tegen het voorstel te herhalen. De behandeling in de Tweede Kamer was doorwrocht en uitvoerig en alle argumenten zijn opgenomen in de Handelingen van de Tweede Kamer, die ons vlak voor het herfstreces bereikten. Kort samengevat zijn dit de argumenten van de VVD op de drie belangrijkste punten.

Die argumenten richten zich ten eerste op artikel 13 van het Cotonouverdrag, waarin het terugsturen van illegalen is vastgelegd. Dit artikel regelt alleen de terugname van eigen onderdanen, terwijl de VVD-fractie vindt dat ook derden die via dat land naar Nederland zijn gekomen, daaronder zouden moeten vallen. Er is verder in het verdrag geen enkele sanctie opgenomen voor het niet-nakomen van de terugnameverplichting.

Ten tweede richt de kritiek van de VVD-fractie zich op het feit dat het verdrag ook dubieuze regimes steunt als die van Cuba, Haïti, Zimbabwe en Sierra Leone. Allemaal landen waarmee de VVD-fractie geen ontwikkelingsrelatie wenst. Bovendien wordt een zeer diverse groep van 77 ontwikkelingslanden gesteund, waarvan bijna de helft niet tot de minst ontwikkelde landen behoort, terwijl Nederland heeft gekozen om zijn beleid te richten op een kleine groep landen die aan bepaalde normen voldoen.

Ten derde verstoort het verdrag het principe van de vrijhandel. De VVD is een groot voorstander van vrijhandel, maar dan wel voor alle landen. Nog op 12 oktober zei de directeur van de Wereldbank, James Wolfensohn, tijdens een ontmoeting met de directeur-generaal van de Wereldhandelsorganisaties in Genève het volgende: "Wat de Wereldbank doet, is irrelevant als wij de vraag over vrijhandel niet aanpakken. De hoge subsidies blokkeren de ontwikkeling van de landbouw in veel arme landen." Ik voeg hieraan toe dat de landbouwsubsidies wereldwijd zo'n 355 mld euro bedragen.

De VVD-fractie in de Eerste Kamer onderschrijft deze drie punten. Niet omdat zij automatisch de zienswijze van de fractie in de Tweede Kamer volgt, integendeel, maar omdat zij na lang en diepgaand beraad tot de conclusie is gekomen dat zij de visie van de collega's aan de overkant deelt. De staatssecretaris heeft in de Tweede Kamer gezegd dat wij zo langzamerhand een moment hebben bereikt dat er internationaal naar Nederland wordt gekeken. Men vraagt zich af waar de ratificatie blijft, want de handtekening staat al onder het verdrag. Dat is inderdaad een complicerende en door ons niet gewenste factor. Door allerlei omstandigheden die mijn fractie niet in de hand had, ligt het wetsvoorstel eerst nu ter behandeling op tafel, vlak voor de uiterste datum. Niet fraai, inderdaad, maar geen reden voor mijn fractie om zich daardoor te laten forceren. Het verdrag zal tot 2008 de regionale samenwerking tussen de landen moeten bevorderen en heeft vervolgens nog een looptijd van twaalf jaar. In totaal zijn er dus twintig jaren mee gemoeid. Er moet derhalve heel verantwoord over worden nagedacht en besloten.

Namens mijn fractie leg ik de staatssecretaris de volgende vragen voor. Is zij het met ons eens dat het afschaffen van de subsidies van het gemeenschappelijk landbouwbeleid meer positieve impact zou hebben voor de Derde Wereld dan dit verdrag? Ondanks de handelspreferenties is het aandeel van de ACS-landen op de EU-markt teruggelopen van 6,7% in 1976 naar 2,8% in 1997. In het groenboek over de betrekkingen tussen de EU en de ACS-landen schreef de Europese Commissie in 1996 dan ook dat de totale balans van de EU-ACS-samenwerking matig is en dat het effect van de handelspreferenties over het geheel genomen teleurstellend is. Als reden daarvoor noemt de Commissie dat in het merendeel van de ACS-landen de economische beleidsvormen en de binnenlandse structurele voorwaarden ontbreken die nodig zijn voor de ontwikkeling van het economische verkeer en het handelsverkeer. Is het niet zo dat juist die grootste problemen niet door het verdrag van Cotonou zullen worden opgelost, gezien de zeer beperkte ambtelijke en bestuurlijke mogelijkheden van de ACS-landen?

De staatssecretaris heeft in haar beantwoording in de Tweede Kamer gezegd dat de reeds bestaande elementen van de overeenkomst respect behelzen voor mensenrechten, democratische principes en de rechtsstaat. Toegevoegd is nu het element "goed bestuur". Is de staatssecretaris van mening dat eerder door mij genoemde landen als Zimbabwe, Sierra Leone, Cuba en Haïti aan bovengenoemde criteria voldoen? Denkt zij echt dat door dit verdrag de situatie in die landen zal verbeteren?

De heer Van Gennip (CDA):

Ik hoor nu allerlei verschrikkelijke dingen. Ik denk dat wij het over een ander verdrag hebben! Ik zie juist dat in dit verdrag voor de eerste keer duidelijke handreikingen worden geboden om slecht bestuur, corruptie en mensenrechtenschendingen stevig aan te pakken. Dat constateerde collega Rabbinge zonet ook. Is mevrouw Roscam Abbing er niet mee bekend dat het duidelijk om een vooruitgang en een verbetering gaat en dat dit verdrag juist op de door haar gewraakte punten een instrument verschaft om een constante dialoog tot verbetering aan te gaan?

Mevrouw Roscam Abbing-Bos (VVD):

Ik kan de heer Van Gennip geruststellen: ik ben echt bezig met het goede verdrag. Uiteraard is er een voortgaande lijn tussen dit verdrag en het verdrag van Lomé. Juist de evaluatie van de lange voorgeschiedenis, waarover de heer Rabbinge het had, heeft ons ertoe gebracht, te bedenken dat er ten aanzien van dit verdrag van Cotonou, dat door de heer Van Gennip "vernieuwend" wordt genoemd, te veel onzekerheden zijn; wij zijn er zeer sceptisch over.

Ten vierde is het continent Afrika al jaren geleden, onder het bewind van minister Van Aartsen en minister Herfkens, tot speciaal aandachtsgebied van het ministerie van Buitenlandse Zaken uitgeroepen. Nederland heeft Afrika bepaald niet in de steek gelaten. Ook als de VVD-fractie haar goedkeuring aan deze ratificatie zou onthouden, maar wel bereid is tot het geven van bilaterale hulp waar dat efficiënt en nodig is – desnoods in een in onze ogen ander en beter verdrag – kan niet worden gesproken van "Afrika in de kou laten staan". Ik voeg hieraan toe dat volgens mij 50% van ons ontwikkelingsgeld naar Afrika gaat. Is de staatssecretaris dat met ons eens?

De heer Van Gennip (CDA):

Moet ik de door de heer Zalm voorgestelde aanzienlijke bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking beschouwen als een onderstreping van de intentie van de VVD om Afrika niet in de kou te laten staan?

Mevrouw Roscam Abbing-Bos (VVD):

Wat mij betreft, hoeft de heer Van Gennip dat niet te doen. Ik denk ook niet dat de heer Zalm heeft bedoeld wat de heer Van Gennip nu suggereert.

Ik kom bij mijn vijfde punt. Onze woordvoerder in de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris iets gevraagd over de terugnameverplichting Zij zegt dat deze expliciet in het verdrag staat. Wat is evenwel de sanctie als een land zich daaraan niet houdt? Haar antwoord luidde: dat moet ik uitzoeken, want dat staat niet in de tekst die ik voor mij heb; ik zal u daarover berichten. Kan de staatssecretaris ons daarover nu berichten? Mogelijk is het mij door de recesperiode ontgaan dat dit al is gebeurd.

Het moge duidelijk zijn dat wij zeer kritisch staan ten opzichte van het wetsvoorstel. Wij zien niettemin met belangstelling de antwoorden van de staatssecretaris tegemoet.

De heer Van Gennip (CDA):

Voorzitter. Het uurtje van nu en vooral de haast waarmee wij vandaag dit Verdrag van Cotonou moeten afwikkelen, reflecteert in geen enkel opzicht het unieke belang ervan. Wij kunnen cijfers noemen: 86 verdragspartners en aan hulpgelden gaat het in totaal om bijna 40 mld euro. Het belangrijkste is echter dat voor meer dan een half miljard mensen dit verdrag een loopbrug kan zijn voor een menswaardig bestaan, zelfs letterlijk een zaak van leven of dood. Niet alleen en niet op de eerste plaats door hulp, maar vooral door twee andere middelen: een faire toegang tot de markten van met name ons continent en het participeren in de voordelen van de globalisering. Het kan – dat is nog onvoldoende aan bod gekomen – de belichaming worden van een gezamenlijke inspanning van Europa met 71 ontwikkelingslanden om zaken als fatsoenlijk bestuur, democratie, bescherming van mensenrechten, bestrijding van corruptie en voorkoming van geweld aan de orde te stellen. Aan de orde is niet minder dan de ambitie om de mythe te doorbreken dat vooral Afrika een reddeloos continent is; 39 van die 71 landen behoren tot de allerminst ontwikkelde, tot de allerarmste.

Wie die ambities ziet, verbaast zich over de zoveel geringere belangstelling en over de afwijzing bij sommigen bij deze inzet. Velen zullen zich herinneren hoe eerdere soortgelijke verdragen enorme publieke discussies in Europa opriepen, vooral bij groepen en organisaties die vonden dat de Europese gemeenschappen te gierig waren en vooral inconsequent ten opzichte van de noodzaak van echt economisch partnership en handelsmogelijkheden.

Is het een zekere berusting van: het lukt toch niet? Is het een zekere gêne ook, omdat ondanks alle Conventies van Lomé, vier in getal, en twee Yaoundeconventies – en daaraan voorafgaand nog een associatieverdrag – veertig jaar samenwerking met Afrika deze balans heeft opgeleverd van achterstand, armoede en honger? Andere landen met misschien en ogenschijnlijk slechtere startposities hebben het daarentegen wel gered of zijn het aan het redden, bijvoorbeeld Korea, China, India en Vietnam.

De kritiek die naar voren wordt gebracht over onze aanpak van samenwerking, hulp en handel met Afrika moeten wij dan ook serieus nemen. Dat geldt echter niet voor alle kritiek: de laatste maanden en weken leek er een soort neo-isolationisme over Nederland te komen, een soort parmantigheid en koddigheid die je niet voor mogelijk had gehouden en waarbij het curieuze verzet van sommigen tegen de uitbreiding van de NAVO een paar jaar geleden verbleekt. Dat gebeurt in de trant van: Nederland waarschuwt China voor de laatste keer. Als binnen dit dossier sommigen in Nederland roepen dat de Commissie haar huiswerk moet overdoen, terwijl 85 andere landen vinden dat de Commissie er het best mogelijke van heeft gemaakt, dan is dat heel moedig. Het versterkt zeker het aanzien van Nederland in de rest van de wereld. Dat geldt zeker als het gaat om het besluitvormingsproces waar de Nederlandse regering zelf bij zat en vooral als dat geroepen wordt door vertegenwoordigers van een partij waarvan anderen, als lid van de regering, volop hebben meegedaan aan de onderhandelingen. Je kunt evenwel niemand het recht ontzeggen om alles wegende toch nog tot een negatief oordeel te komen. Daarom hebben wij per slot van rekening het laatste, of in ieder geval een heel laat woord. Het resultaat van de onderhandelingen werd bekrachtigd toen wij nog oppositiepartij waren. Alleen al daarom heb ik met meer dan gewone belangstelling de Handelingen van de Tweede Kamer gelezen en de argumenten van de regeringspartij geanalyseerd om tegen te stemmen.

Cotonou staat vrijhandel in de weg, wordt gezegd. Dat is een bizarre opmerking, want het grote hangijzer van de onderhandelingen was juist dat in het verleden de Loméakkoorden steeds weer afhankelijk waren van GATT-waivers, dat de EU daarvan af wilde en dat het nieuwe akkoord derhalve op het gebied van handel juist zou moeten overeenstemmen met de regels van de Wereldhandelsorganisatie over de vrijhandelszones. Met de introductie van het innovatieve concept van de economic partnership agreements (EPA's) is dat na moeizame onderhandelingen gelukt. Lomé was een preferentieel akkoord waarbij alle handelsconcessies van Europa kwamen. Met Cotonou zullen nu ook de ACS-landen marktopeningen moeten bieden waarmee dit akkoord een belangrijke stap vormt op weg naar wereldwijde vrijhandel. Het handelshoofdstuk is erop gericht om de handelsbarrières die de ACS-landen ten opzichte van elkaar en ten opzichte de EU hebben opgeworpen, af te bouwen, uiteraard op een verantwoorde en geleidelijke wijze en met respect voor het feit dat sommige economische sectoren bescherming zullen behoeven.

Een ander stokpaard is dat Cotonou geld naar rijke landen sluist. Ook hierbij kan men zich afvragen of dit wel over het verdrag gaat dat hier vandaag aan de orde is. De ACS-groep omvat tientallen van de allerarmste landen van deze wereld. Maar liefst 71% van het bij het verdrag van Cotonou gehechte negende Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) is gereserveerd voor de minst ontwikkelde landen (MOL's). Er gaat bovendien nog eens 20% naar ander lage-inkomenslanden. De top tien van beoogde ontvangers van Cotonougeld bestaat uit, in deze volgorde: Ethiopië, Mali, Nigeria, Oeganda, Tanzania, Zambia, Burkina Faso, Niger, Malawi en Mozambique. Als er een internationaal akkoord is waarin de MOL's zo prominent aanwezig zijn, is het wel het verdrag van Cotonou. Het klopt zeker dat zich onder de ACS-landen ook enkele rijke eilandstaatjes bevinden, zoals de Bahamas en Barbados. Zij participeren in de politieke dialoog en in het handelsregime, maar ontvangen gezamenlijk niet meer dan enkele miljoenen euro's EOF-geld op een totaal van 9,8 mld euro. Daarvan zouden wij met onze gigantische hulp aan de Antillen of Aruba misschien nog iets kunnen leren. Ik ben benieuwd of bijvoorbeeld de VVD-fractie die consequen tie wil trekken voor het Nederlandse beleid ten aanzien van die landen. De claim dat Cotonou geld naar rijke landen pompt is grotesk.

Een volgend argument tegen het verdrag van Cotonou is dat het corrupte regimes zou ondersteunen. Ook dat is wel erg kort door de bocht. Dat er binnen de groep van ACS-landen heel wat wanbestuur, corruptie en mensenrechtenschendingen kunnen worden waargenomen, is duidelijk. Dat is echter niet de schuld van het verdrag van Cotonou. Integendeel, dit verdrag spreekt ACS-overheden juist aan op hun verantwoordelijkheid en omvat mechanismen die goed bestuur trachten te stimuleren en waar nodig af te dwingen. Zo kent het verdrag een speciale corruptieclausule waarin beide partijen zich ertoe verbinden serieuze gevallen van corruptie actief te bestrijden. Dat is uniek, want zo'n clausule staat in geen enkel ander internationaal akkoord. In algemene zin is het dan ook van groot belang dat ACS-landen zich via dit akkoord contractueel binden aan het normstellende kader van de Europese ontwikkelingssamenwerking, ook op het terrein van bestuur en mensenrechten. Zolang Nederland geen oorlog of totale boycot tegen slecht bestuurde ACS-landen overweegt, hebben we een verdrag als dat van Cotonou nodig om dubieuze regimes aan te spreken op hun plichten. Het is verder van evident belang dat, zoals ook het geval was bij de eerdere Lomé-akkoorden, de geldkraan dichtgedraaid kan worden als de EU-donorlanden dat onderling overeenkomen.

Mijn laatste punt betreft de migratie. In het betrokken artikel is duidelijk een basis gevonden voor de terugnameverplichting, wat een grond kan zijn om tot uitwerking te komen. Het is een kennelijk electoraal goed liggend argument dat Cotonou geen expliciete en volledige terug- en overnameverplichting voor illegale migranten zou bevatten, maar dat is onjuist. Mag ik wijzen op het bestaande artikel 13 van het verdrag, dat wel een harde en duidelijke terugnameverplichting bevat? Daar bovenop hebben de ACS-landen zich ertoe verplicht om, indien een EU-lidstaat dit wenst, onderhandelingen te beginnen over een specifiek en gedetailleerd bilateraal overname- en terugkeerakkoord.

Voorzitter. Jammer van deze argumenten. Het is nooit weg als paars eigen verworvenheden als puinhoop kwalificeert, maar misschien is dit verdrag een mooi plantsoentje ertussen. Onze fractie ziet belangrijke innovatieve elementen in deze aanpak van Cotonou. Ik wijs op het betrekken van nieuwe actoren, zoals de burgermaatschappij en – voor onze kritische vrienden – het bedrijfsleven. Ik wijs op het sterk politieke karakter: een continue dialoog over zaken als mensenrechten, goed bestuur, corruptiebestrijding en conflictpreventie. Vergelijk dat eens met het eerste akkoord van Lomé. Als zich in die periode in een land een catastrofe voordeed, ook door mensen veroorzaakt, zoals in het Oeganda van Amin, dan kon er extra geld voor de slachtoffers komen, maar dat geld moest dan wel verdeeld worden door de regering, lees Amin zelf!

Er is ook een veel sterker accent op armoedebestrijding, maatschappijopbouw, onderwijs en menselijke vorming, ontwikkeling van bepaalde sectoren zoals landbouw en platteland – misschien kan ons land daar ook nog wat van leren – en regionale samenwerking. Het is, als het in de praktijk ook zijn uitwerking heeft, een geweldige vooruitgang dat de compensaties voor tegenvallende exportopbrengsten geen "vrij geld" meer zullen zijn, maar ingezet moeten worden voor armoedebestrijding. Kan de staatssecretaris dat overigens bevestigen?

Ik had het al over de aanpassingen van het handelsregime aan de regels van de Wereldhandelsorganisatie. Er is een bevordering van investeringen uit het buitenland, van de eigenlandse commerciële en bedrijfssector en last but not least de verandering van de ingewikkelde en frustrerende Loméprocedures en de mogelijkheid van flexibiliteit en tussentijdse aanpassing.

Mijnheer de voorzitter. Is er dan geen kritiek en zijn er geen vragen? Natuurlijk! Wie met zo'n 85 partners onderhandelt, zal compromissen moeten sluiten en vooral moeten werken binnen de momenteel internationaal correct geachte kaders. Toch durf ik bij een van die kaders een vraagteken te zetten, namelijk de verregaande mate van vrijhandel, niet de toegang van de producten van de ACS-landen tot de Europese markt, maar de mate waarin arme landen zelf hun opkomende producties mogen beschermen. Wie het ontwikkelingsmodel van de Filippijnen met zijn accent op wederkerige vrijhandel vergelijkt met dat van landen als Korea en Japan, die in bepaalde fases van hun ontwikkeling protectionistisch waren, moet zich realiseren dat de discussie over de mate van vrijhandel nog niet is afgesloten. Collega Rabbinge refereerde hier ook aan. Dat geldt in het bijzonder voor de agrarische sector. De productie van rijst is nu eenmaal iets anders dan die van jeans. De Europese boeren weten dat beter dan wie ook. Wij hebben in het verleden dan ook veel geïnvesteerd in de bescherming van de rijstproductie in Mali, volgens de IOV-rapporten met succes. Blijft dit soort regimes van niet afkoppeling van de wereldmarkt maar van een combinatie van continuïteit en gerelateerdheid – mogelijk? Wat blijft de ruimte voor asymmetrische arrangementen?

Een ander compromis betreft het door de staatssecretaris bij het jubileum van het ISS in haar rede vermelde voortdurende systeem van exportsubsidies en protectie van suiker, rijst en zelfs katoen, zoals ik recent heb geleerd. Wat mij nog meer verontrust is verder dat het nieuwe VS-landbouwbeleid de verstoringen op de wereldmarkt nog aanzienlijk groter kan maken. Worden de consequenties hiervan overigens geanalyseerd voor de betrokken landen?

Dan is er nog het financiële aandeel van Nederland. Inzet was 4,5%. Het is nu uitgekomen op 5,2%. Kan de staatssecretaris nog eens toelichten waarom dat zo hoog is uitgekomen? Maar misschien is iets anders nog veel belangrijker. Voor allerlei belangrijke en zeer gedetailleerde zaken moeten de nieuwe toetreders tot de EU het zogenaamde acquis communautaire ondertekenen, tienduizenden bladzijden omvattend. Maar dat tot de kern van Europa – u hoort het goed – tot de kern ook haar verantwoordelijkheid voor de rest van de wereld behoort en in het bijzonder de armoedebestrijding en de versterking van de internationale rechtsorde, daar kan kennelijk geen pagina aan besteed worden. Hoe wordt dit aandeel als wij straks niet in een Europa van 15, maar van 25 mogen spreken? Moeten wij vooral niet in het geweer om die nieuwe toetreders met zo weinig traditie op het terrein van de internationale solidariteit ook ervan bewust te maken dat externe verantwoordelijkheid een wezenlijk onderdeel is van de Europese identiteit?

Ernstige vragen heb ik bij het optimisme over het inschakelen van particuliere organisaties bij de uitvoering van ontwikkelingsprogramma's. Zolang de gelden voor de ngo's afgetrokken moeten worden van de landenallokatie, in combinatie met een goedkeuringsconditie, zal daar bijzonder weinig van terechtkomen, want dan worden de ngo's de regelrechte concurrenten van de eigen regering ofwel de politiek welgezinde cliënten ervan. Het is de dezerzijds al vijfentwintig jaar gelaakte perversie van het Surinaamse systeem, waar de particuliere organisaties op hun knieën moesten voor mijnheer Arron en dan in verkiezingstijd iets uit het onderste laatje kregen, nota bene iets van Nederlands eigen OS-geld. Suriname, het enige land ter wereld waar de particuliere sector zich niet in autonomie kon ontwikkelen. Wij hebben het geweten en ik hoop dat de staatssecretaris ons op dit terrein wat geruster kan stellen.

Wij hebben ook vragen. Is er een systematische benadering van de bevordering van investeringen uit Europa? Enkele jaren geleden heeft de European Round Table (ERT) een boeiend rapport uitgebracht waarin per land de barrières voor investeringen worden aangegeven. Het zou goed zijn als op het niveau van de Commissie en de EIB, de Europese investeringsbank, een samenhangend beleid wordt uitgewerkt, samen met het bedrijfsleven en, na Johannesburg, met de burgermaatschappij. Een speciaal platform zou wellicht op zijn plaats zijn. Wat vindt de regering daarvan?

De toezegging van flexibiliteit, snelle besluitvorming en delegatie klinkt ons ook als muziek in de oren, maar wij zijn benieuwd of de vooral door de politiek opgelegde controlecultuur snel doorbroken kan worden.

Met belangstelling hebben wij ook gelezen over de bevordering van de vrije pers en de niet-commerciële media. Ook in de ACS-landen leeft de wens om locus en globus te kunnen combineren; een legitieme wens, noodzakelijk voor een authentieke ontwikkelingsgang en voor een zekere bescherming tegen een aantal cultureel niet gewenste effecten van de mondialisering. Ik vraag de regering, deze regering, om aan dit aspect van het waardedebat speciale aandacht te schenken.

Maar de grootste kritiek betreft natuurlijk iets anders: de besluitvorming in Nederland. Wij zijn de hekkensluiters bij dit ratificatieproces, opnieuw. En het is alleen dankzij de welwillendheid van deze Kamer, inclusief – zo zeg ik er met erkentelijkheid bij – van degenen die twijfels bij dit verdrag hebben, dat wij voor 1 januari deze zaak kunnen afronden en niet de afschuwelijke verantwoordelijkheid en smaad krijgen, dat het verdrag überhaupt niet op tijd in werking kan treden; Nederland dan alleen tegen 85 andere landen!

Het ligt deze keer niet alleen aan de regering. De Tweede Kamer heeft er tien maanden over menen te moeten doen om de nota naar aanleiding van het verslag te bestuderen. Wat daar de achtergrond van is, laat zich niet moeilijk raden. Maar daarmee moesten wij in één maand een proces afraffelen waarvoor de Tweede Kamer anderhalf jaar had gereserveerd. Ook het kabinet, het vorige weliswaar, heeft geen schone handen. Vijf maanden waren ervoor nodig om het verslag te beantwoorden, een kort verslag.

Het is de zoveelste keer dat wij deze grammofoonplaat bij verdragen hier moeten afdraaien. Welwillendheid, zei ik, om de armsten in de wereld niet te straffen voor onze bureaucratie, onze obstructie en ons gebrek aan gedrevenheid. Ik denk namens de gehele Kamer te kunnen spreken, als ik zeg dat er niet altijd op deze welwillendheid gerekend kan worden.

Wij zien met belangstelling en vertrouwen de reactie van de regering tegemoet. Wij wensen de staatssecretaris van harte toe dat zij in de toekomst onze vragen als minister zal kunnen beantwoorden.

Staatssecretaris Van Ardenne-van der Hoeven:

Voorzitter. Hoewel wij altijd achteraf pas weten of iets een historisch moment was, kunnen wij nu voor onszelf vaststellen dat het een historisch moment is, zoals de heer Rabbinge in zijn inleiding zei, dat wij een zo vernieuwend verdrag als dat van Cotonou ter ratificatie hebben voorliggen. Dit demissionaire kabinet beschouwt dit althans als een vernieuwend verdrag, als wij terugkijken naar Lomé I tot en met IV. Er is lang aan gewerkt, maar het is een verdrag dat een lange reeks van jaren zal beslaan en waar wij nog decennia mee voort kunnen. Dat is een belangrijk gegeven waarop dit verdrag stoelt.

Het is niet alleen een handelsverdrag of een politiek verdrag, maar een handels-, politiek en financieel verdrag. Dat grijpt als het ware in elkaar. Het is inderdaad jammer dat Nederland nu onder enige druk tot ratificatie moet overgaan, waar leden van de Eerste Kamer op hebben gewezen. De druk is inmiddels behoorlijk opgelopen in Brussel, kan ik zeggen. Wij hebben hierover voortdurend contact met de Commissie.

Er zijn nog twee landen die moeten ratificeren: Nederland en België. Naar verwachting zal België ons misschien nog voor zijn. Dan zal Nederland inderdaad in termen van een van de leden de hekkensluiter zijn bij het afronden van deze procedure. Dat is niet best en dat trekt de regering zich wel aan. Wij kunnen er op dit moment niets anders aan doen dan de procedure zo snel mogelijk afronden. Dat is ook onze inzet.

De deadline mag niet overschreden worden, want daarmee hangt samen de voortgang van het proces. Als het er niet naar uitziet dat de ratificatie in de loop van de week wordt voltooid, kunnen de financiële middelen van het EOF voor dit verdrag per 1 januari 2003 niet in werking treden en dan komt de Commissie echt in de problemen. Dat geldt niet alleen voor de ratificatie van het Verdrag van Cotonou, maar ook voor de interne akkoorden die bij dit verdrag behoren.

In elk geval ben ik blij dat wij nu over de ratificatie kunnen spreken. Ik ga graag in op een aantal opmerkingen van de leden van de Eerste Kamer. Het handelselement heeft voor een belangrijk deel de discussie bepaald. Het is de bedoeling dat dit verdrag de komende jaren steeds meer WTO-conform zal worden. Dat kan ook niet anders. De WTO wordt op den duur steeds dwingender voor alle verdragen en voor alle instituties, dus ook voor de Unie-ACS-constructie. Het gaat erom dat er op basis van wederkerigheid economische partnerschapsverdragen worden afgesloten met regionale groepen van ACS-landen.

Die discussie is al gestart. Op 27 september zijn de onderhandelingen over de partnerschapsprogramma's, de zogenaamde EPA's, gestart. De bedoeling is dat de verdragen in 2008 in werking treden, met een overgangstermijn van twaalf jaar. De ACS-landen kunnen zelf bepalen of en met welke regionale groep zij in zo'n EPA willen onderhandelen. De mogelijkheid blijft bestaan dat ACS-landen bilateraal via het APS handelspreferenties behouden.

De heer Van Gennip wees er al op dat de MOL's een belangrijke groep vormen binnen het Cotonouverdrag. Zij hebben een heel speciale positie. Voor de MOL's onder de ACS-landen is in februari 2001 een ander regime in werking getreden. Wij hebben de positie van de MOL's als het ware vooruitgetrokken in het everything but arms-regime. Dat voorziet op termijn in toegang tot de vrije markt voor vrijwel alle producten uit die landen.

Het aantrekkelijke van Cotonou is overigens ook dat het bestaande begrip van partnerschap wordt verbreed. Samenwerking vindt niet alleen plaats tussen overheden op verschillend niveau, maar ook met niet-gouvernementele organisaties. Het is ook vastgelegd dat die ngo's een belangrijke rol spelen bij de formulering van nationale ontwikkelingsstrategieën en de planning van de samenwerking. Het stelt dus wel wat voor. Maatschappelijke organisaties zullen expliciet betrokken worden bij de politieke dialoog. Dat is echt nieuw en dat is ook opgenomen in het verdrag.

Nieuw bij de politieke dimensie is de opname van een consultatieprocedure die het de ACS-landen mogelijk maakt om beleidscoherentie binnen deze dialoog aan de orde te stellen. Over coherentie gesproken: de heer Van Gennip vroeg hoe het specifieke element van coherentie wordt ingevuld. Nederland probeert op dit terrein als het ware een voorhoedepositie in te nemen. Wij zijn samen met de minister van LNV bezig met het opstellen van de nadere notitie over OS-coherentie/landbouw, die ik ook deze Kamer toezeg; een groot deel van de incoherentie betreft dat terrein. Wij stellen ons voor om op het punt van een aantal producten ook een start te maken; daarbij denken wij aan katoen, suiker, groente, fruit en vis. Op die terreinen willen wij bekijken hoe wij, vanuit de EU bezien, jegens de betrokken landen de incoherenties eruit kunnen halen, opdat je ook op die dossiers verder kunt komen. Wij zullen die notitie, die de komende weken naar de Tweede Kamer zal gaan, ook naar de Eerste Kamer sturen, opdat zij kan volgen op welke wijze wij die coherentie proberen aan te pakken. Dat laat overigens onverlet dat er binnen Brussel nog steeds ook een coherentie-eenheid is, het zogenaamde Focal point. Daar zijn wij nog niet tevreden over en zijn functioneren zal sterker moeten worden, opdat hij ook in Brussel zelf op het punt van de coherentie de vinger aan de pols kan houden.

Aan de reeds bestaande essentiële elementen van de overeenkomst die al eerder in andere verdragen hebben gestaan – respect voor mensenrechten, democratische principes en de rechtstaat – is het fundamentele element van goed bestuur toegevoegd. Dat brengt de mogelijkheid met zich mee om op basis van artikel 96 een consultatieprocedure te starten met de betrokken landen, zoals die in de overeenkomst genoemd worden: Zimbabwe, Haïti en Cuba, maar ook met de andere landen. Wij moeten immers niet denken dat wij daarmee een deel van de ACS-landen vrijpleiten. Ook Eritrea en Ethiopië staan erbij; ook bij die landen is de consultatieprocedure een wezenlijk onderdeel van de gesprekken met de betrokken regeringen over de naleving van dat soort elementen.

Nieuw en vernieuwend is de opname van een corruptieclausule op basis waarvan je zelfs tot opschorting van de overeenkomst zou kunnen besluiten. Dat is dus winst.

Dan de ontwikkelingsfinanciering. Daarbij gaat het om de drie belangrijke doelstellingen: armoedebestrijding, duurzame ontwikkeling en een geleidelijke integratie van de wereldeconomie; dat laatste kan niet plotseling, maar zal heel geleidelijk moeten gaan. Ik zeg mevrouw Roscam Abbing na dat ook het omvormen van de Europese landbouwsubsidies daarbij behoort. Als dat niet gebeurt, kunnen wij Cotenouverdragen sluiten tot wij een ons wegen, maar het probleem blijftt dan per definitie in de incoherentie van het Europese landbouwbeleid zitten. Ook ik betreur het dat op dat punt in de afgelopen week niet echt voortgang is gemaakt, want het vaststellen van een plafond voor de landbouwuitgaven voor de komende tien à twaalf jaar zegt nog niets over de omvorming van de landbouwsubsidies, die toch zal moeten plaatsvinden. Er zijn op dat punt buitengewoon veel obstakels, maar dat zijn niet de enige obstakels. Het gaat niet alleen om de inkomenssubsidies, maar ook om exportsubsidies, tariefbarrières, quota en inmiddels ook de standaarden en de termen voor voedselveiligheid, waar wij in Europa bijzonder veel waarde aan hechten. Voor een deel is dat ook belangrijk en noodzakelijk, maar het zijn ook weer van die non-tarifaire barrières waarvan wij goed moeten bekijken of zij een functie hebben. Als dat zo is, zouden wij landen in het zuiden kunnen helpen om op die kwaliteitsniveaus te kunnen produceren, maar als het absolute onzin is, zouden wij in Brussel die barrières moeten slechten. Dus: wat is buitengewoon behulpzaam? Los daarvan blijft het echter van betekenis dat de al decennia bestaande samenwerking tussen Europa en een groot deel van Afrika en het Caribisch gebied, die toch van enige betekenis is, de komende jaren juist op die drie punten – politieke dialoog, economische vooruitgang en financiering van de ontwikkelingsrelevante onderdelen – wordt voortgezet. Dat dat nu zo bij elkaar komt, is juist winst van dit verdrag.

Er is gesproken over het onderwerp van de terug- en overnameclausule, omdat het ook in artikel 13 van het verdrag is opgenomen. Deze ontwikkeling zien wij pas in de laatste jaren. Ik doel erop dat in het verdrag een directe werking is opgenomen wat betreft terugname van illegalen uit ACS-landen. De directe werking van de terugnameclausule is op dit moment al van toepassing, omdat het verdrag inmiddels voorlopig in werking is. Die winst hebben wij al. Die winst is weg als Nederland niet ratificeert. Dan is er geen terugnameclausule. Het ratificeren van dit verdrag is daarom van betekenis.

Het artikel heeft een indirecte werking wat betreft overname van onderdanen van derde landen en van statenlozen die via ACS-landen naar de Unie zijn gekomen. Het artikel bepaalt dat onderhandelingen over dit laatste onderwerp en aangaande de details van terug- en overname ten behoeve van bilaterale overeenkomsten gestart zullen worden zodra een van beide partijen daarom verzoekt. Men kan dan bilaterale verdragen afsluiten. Zonder dit verdrag kan men nooit tot een bilaterale overeenkomst komen. Het Cotonouverdrag is ook daarvoor van betekenis.

Er zijn inderdaad geen sancties, zoals ik de Tweede Kamer schriftelijk heb laten weten. Ten aanzien van het niet nakomen van verplichtingen voortvloeiend uit artikel 13 is het niet mogelijk om sancties op te leggen. Het is van betekenis dat er een instrument is waarmee bilaterale overeenkomsten afgesloten kunnen worden. Als het gaat om het terugnemen van onderdanen in de directe EU-landen en andere betreffende landen, functioneert een en ander reeds. Inmiddels heeft tweederde van de ACS-landen hun handtekening daaronder gezet. Dat punt is wel duidelijk. Als ik kijk naar de andere verdragen die wij tot nu hebben geratificeerd, zie ik dat in geen enkele van die verdragen een sanctiemogelijkheid is opgenomen. Wij zijn nog niet zover dat wij die elementen in dit soort verdragen hebben opgenomen. Winst is dat wij het op deze twee fronten hebben kunnen inbrengen in het verdrag en dat het vervolgens door de partijen is geaccepteerd.

Het is belangrijk om het Verdrag van Cotonou in een breder kader te plaatsen. Het stoelt op partnerschap, een politieke component. Wat houdt dat precies in? Ik hoor de Kamer landen noemen zoals Haïti en Zimbabwe. Ik kan er nog een aantal noemen. Ik heb al gezegd dat hierbij de consultaties conform artikel 96 van betekenis zijn. Het is geen drukmiddel voor eventuele opschorting van de hulp. Dat zou ook minder effectief zijn. Het is veel meer de politieke dialoog die wordt gezocht. Het gaat dan om alle landen die het betreft.

De heer Rabbinge heeft gevraagd of het bij een verdrag dat met heel veel landen afgesloten wordt niet zo is dat de meer rijke landen voorsorteren ten koste van de armere landen. Nederland heeft die reserve altijd gehad ten aanzien van Lomé. Dat speelde toen. In het voorliggende verdrag is het non-discriminatiebeginsel beginsel niet opgenomen. Dat is een pre ten opzichte van de voorgaande overeenkomsten. De non-discriminatiebepaling is verdwenen, waardoor de nadruk op de MOL's, de minst ontwikkelde landen, mogelijk is geworden. Het eerste initiatief daartoe hebben wij kunnen zien.

Wij zijn op zichzelf tevreden met de bereikte flexibilisering bij de politieke dialoog en de aandacht voor goed bestuur. De heren Van Gennip en Rabbinge noemde daarbij het punt van de niet-commerciële media, van openheid en transparantie. Men wil immers ook de niet-gouvernementele organisaties, het maatschappelijk middenveld, mobiliseren. Vrijheid van media is een element van goed bestuur en een element van naleving van mensenrechten. Dat zijn onderwerpen die in die politieke dialoog aan de orde zouden kunnen komen.

Er zijn enkele specifieke vragen gesteld. Kunnen compensaties voor tegenvallende exportopbrengsten ingezet worden voor armoedebestrijding? Artikel 68 van het verdrag voorziet in steun voor ACS-landen ten behoeve van fluctuaties op korte termijn in exportinkomsten. Die steun komt beschikbaar wanneer de daling van de exportinkomsten doorwerkt in de begroting en zal ook zichtbaar moeten worden gemaakt in die begroting. Zo kunnen de bijdragen effectiever worden ingezet in het kader van het macro-economische en het monetaire beleid van de betreffende landen, maar ook in het kader van een bredere ontwikkelingsstrategie – ik wijs op de zogenaamde PRSP's – die rekening houdt met de schokken die kunnen ontstaan.

Ook is gevraagd wat de ruimte is bij asymmetrische arrangementen en of wij niet te veel in hetzelfde stramien blijven zitten. Ik wijs op de artikelen 34, 35 en 36. Daar ligt het asymmetrische niet-reciproque karakter van het verdrag in vast. De Unie opent de markten sneller en omvangrijker voor producten uit ACS-landen dan omgekeerd het geval is. Dat is tenminste de bedoeling. Tijdens de vierde ministeriële WTO-conferentie in Doha is de WTO-conformiteit van dit verdrag bevestigd. Daar is nog eens nadrukkelijk naar gekeken. Dat betekent dat asymmetrie onder specifieke voorwaarden – beperkt in tijd en geen nadelige gevolgen voor andere MOL's – mogelijk is. Dit verdrag is dus WTO-proof.

Dan is gevraagd of de consequenties van de verstoringen op de wereldmarkt voor de ontwikkelingslanden geanalyseerd worden en in hoeverre wij de vinger aan de pols houden. Ik heb gewezen op een coherentiedossier waar wij zelf mee bezig zijn. Daar moet in Brussel veel meer aan worden gedaan. Ik denk dat wij daar nog extra impulsen voor moeten afgeven omdat het een buitengewoon belangrijk element is als het gaat om de handelsvoorwaarden voor de ontwikkelingslanden.

De heer Van Gennip (CDA):

Het was een signaal om veel aandacht te besteden aan de mogelijkerwijs desastreuze gevolgen van het nieuwe VS-landbouwbeleid voor deze landen. Ik wijs ook op een tapioca-exporterend land als Brazilië. Ik vraag nu niet om een gedetailleerd antwoord. Als ik de analyses goed heb gevolgd, dan heeft het heel vergaande gevolgen als dit kracht van gewijsde krijgt, juist voor de landen die agrarische producten exporteren.

Staatssecretaris Van Ardenne-van der Hoeven:

Het is niet alleen een kwestie van coherentie, maar ook van prijsvorming en marktverstoring in algemene zin. Het geldt niet alleen voor tapioca. Wij hebben zojuist een gesprek met de koffiebranche gehad en daar speelt het element even goed. Er ligt een aantal marktverstoringen aan ten grondslag. Er speelt meer dan de kwestie van de prijsvorming. Ik wijs ook op overproductie.

Dan is er een vraag gesteld over het percentage van 5,2 dan wel 4,5 bij het EOF-verdrag, zoals bij de aanvang van de onderhandelingen werd beoogd. Wij hebben een staatje gemaakt om te kijken of en in hoeverre de bijdrage van Nederland uit de pas loopt met de bijdrage van andere landen, maar dat blijkt niet het geval te zijn. Wij hebben ons in de onderhandelingen gebaseerd op de verdeelsleutel die bij de vorige EOF's is toegepast. Die is weer aangepast bij de toetreding van Zweden, Finland en Oostenrijk. Op grond daarvan zouden wij op 4,5% uitkomen. Bij de onderhandelingen over Cotonou wenste Nederland een percentage dat dichter bij de Nederlandse BNP-sleutel van dat moment lag, maar daar kwamen wij in de Unie niet uit. Het is dus toch op 5,2% blijven staan. Dat percentage is wat ons betreft in lijn met onze huidige BNP-bijdrage en daar hebben wij niet zoveel problemen mee.

Gevraagd is of de ACS-lidstaten toestemming moeten geven als nationale ngo's worden ingeschakeld. Dat is een belangrijk element in het kader van ons verdrag. Je kunt wel opschrijven dat ngo's deelnemen en dat het middenveld erbij wordt betrokken, maar de vraag is welk instrument je hebt om dit te bevorderen als de betrokken regeringen daar niets voor voelen. Artikel 58 regelt die betrokkenheid. Dat is overigens ook een novum. De maatschappelijke organisaties kunnen voor steun in aanmerking komen. Dat is ook een manier om het middenveld te versterken. Wij hechten veel belang aan de ontwikkeling van het middenveld, ook in ACS-lidstaten, maar dat is afhankelijk van de instemming van overheden. Wij doen dit ook via onze ambassades. Wij deden dat overigens al voor de opstelling van de armoedestrategieën in veel ontwikkelingslanden en wij zullen het hier ook doen.

De vraag is in hoeverre het maatschappelijk middenveld betrokken wordt bij armoedestrategieën en bij de uitwerking van Cotonou. Verder is er altijd nog onder artikel 8 de politieke dialoog waarin dit soort onderwerpen aan de orde kunnen komen.

De heer Rabbinge (PvdA):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de perfecte beantwoording van de vele vragen die haar zijn gesteld. Het doet mij deugd te zien dat zij ook inhoudelijk zo goed in gaat op de punten die door de fracties naar voren zijn gebracht en dat zij in staat is con amore een voorstel te verdedigen dat in grote lijnen is voorbereid door haar ambtsvoorgangers. Ik heb daarvoor veel waardering.

De staatssecretaris heeft al gezegd dat zij ervan overtuigd is dat wij de goedkeuring tijdig kunnen afronden, maar ik wil graag zekerheid hebben dat de overeenkomst inderdaad op 1 januari van toepassing zal zijn. Ik heb begrepen dat zich nog wat technische problemen kunnen voordoen. Op welke wijze zal de staatssecretaris die problemen elimineren, opdat Nederland zich niet vanwege technische procedures in ons land tegen 87 landen te weer zal moeten stellen? Dit zou toch heel jammer zijn.

Ik heb goed geluisterd naar het antwoord op de vragen van mevrouw Roscam Abbing. Ik vind dat de staatssecretaris heel overtuigend heeft aangegeven dat de overeenkomst landen beter in staat zal stellen om te functioneren op de vrije markt. Wij helpen de landen in zekere zin via het versterken van hun concurrentiekracht om zich te weer te stellen tegen de tucht van de vrije markt. Dit is consequent beleid geweest. De huidige voorzitter van deze Kamer heeft dit beleid altijd al verdedigd in zijn optreden als minister van Landbouw. Het gaat niet aan om alleen maar te roepen: vrije markt. Het gaat niet aan om alleen maar te roepen: bescherming. Wij moeten ervoor te zorgen dat men in staat is op die markt te functioneren en daarop is het beleid gericht.

Ik vind het dan ook kortzichtig en dogmatisch als de VVD-fractie nu een betoog houdt voor volledig vrije handel. Zij haalt de heer Wolfensohn aan als president van de Wereldbank, maar dit citaat is volledig uit de context gehaald en is in strijd met hetgeen de Wereldbank nu propageert, wijs geworden door vele jaren ervaring. Ook de Wereldbank is in zekere zin voorstander van versterking van concurrentiekracht en ziet de tucht van de vrije markt als louterend op het moment dat men in staat is daarop goed te kunnen functioneren. Daarom dring ik erop aan dat ook de VVD-fractie hiernaar op een nuchtere en verantwoorde wijze kijkt, zoals de voormalig minister van Buitenlandse Zaken en van Landbouw dit doet. Hij heeft dit voorstel niet alleen geaccordeerd, maar heeft er als lid van de Tweede Kamer ook voorgestemd.

Ik vind het goed dat de staatssecretaris naar voren heeft gebracht dat zij deze fase van werken ziet als een opmaat voor nieuwe vormen van ontwikkelingssamenwerking. Ik zou dit nog eens expliciet bevestigd willen zien, omdat de veelomvattendheid van dit verdrag en de componenten die daarvan onderdeel uitmaken zoals armoedebestrijding, "genderissues" en het versterken van het maatschappelijk middenveld, alle van belang zijn om een goed functionerende democratie te kunnen opbouwen in de landen waarmee wij samenwerkingsverbanden aangaan.

Mevrouw Roscam Abbing-Bos (VVD):

Voorzitter. Ik wil ook beginnen met een compliment voor mevrouw Van Ardenne voor de zorgvuldige wijze van antwoorden die getuigt van dossierkennis. Ik had ook niets anders verwacht. Zij beheert deze materie al zo lang. Desalniettemin, en ondanks de oproep van mijn collega om naar aanleiding van de beantwoording nog eens goed na te denken, heeft mijn fractie niet het gevoel dat haar argumentatie verkeerd was. Natuurlijk, de heer Van Gennip heeft in een aantal polemische en zeer suggestieve interrupties – althans, zo ervoer ik ze – geprobeerd om ons tot een andere zienswijze te brengen. Wij handhaven echter, na een afweging van alle argumenten, onze koers, die verschilt van die van mijn collega's.

Voorzitter. Ik houd het hier maar bij, want er is al veel over gezegd. Voorop staat dat wij Afrika zeker niet in de kou willen laten staan. Dat kan ook nooit gebleken zijn. Hierbij vraag ik aantekening.

De heer Van Gennip (CDA):

Voorzitter. De CDA-fractie dankt de staatssecretaris voor de zeer uitvoerige, gedetailleerde en bevredigende beantwoording. Ik heb een aantal korte opmerkingen.

Ik blijf mijn vraagtekens houden bij de gekozen systematiek voor de inschakeling van de ngo's bij de uitvoering. Het partnership met de verbreding naar het maatschappelijk middenveld is een grote winst, maar naar mijn gevoel blijft overeind dat het bij de uitvoering gaat om gelden die in "concurrentie" worden gebracht met gelden die aan de overheden kunnen toevallen. Dat legt nog steeds een zware hypotheek op de relatie. Daarvan kennen we dramatische voorbeelden, ook elders dan in Suriname.

Verder kan de bevordering van de investeringen van het bedrijfsleven binnen dit kader nog eens naar boven worden gehaald. In het ERT-rapport zijn de bottlenecks per land geïnventariseerd: waarom investeert het bedrijfsleven in feite slechts in vijf belangrijke landen, van India tot Chili, en niet in de landen die dit misschien het meeste nodig hebben? Daarvoor vraag ik aandacht, eventueel in de transformatie naar een zeker platform waar een dialoog over de investeringsbevorderingen eventueel kan worden gevoerd – al is dat een Brusselse aangelegenheid.

Ik denk dat wij later moeten terugkomen op de problematiek waaraan ook de heer Rabbinge refereerde, namelijk de tijdelijkheid en de asymmetrie in de vrijhandel. Volgens de bepalingen van dit verdrag kan het alleen maar om een tijdelijke asymmetrie gaan. Ik vraag mij dit af; misschien komen wij op den duur tot het inzicht dat bijvoorbeeld de rijstmarkt in Mali altijd een zekere bescherming verdient tegen bepaalde fluctuaties in de wereldmarkt.

Met de 5,2% voor Nederland heb ik op zich geen moeite, als ons BNP tenminste intussen relatief sterk is gegroeid. Wel vind ik dat bij de Europese uitbreiding landen als Polen, Tsjechië en Hongarije uitdrukkelijk moeten worden gewezen op hun verantwoordelijkheid voor het zuiden. Het mag niet zo zijn dat zij alleen kijken naar Europa en niet meteen hun verantwoordelijkheid nemen, desnoods alleen nog in de vorm van technische assistentie.

Tot slot sluit ik mij graag aan bij de opmerking dat als Cotonou in de komende twee jaar blijkt te functioneren, de wederkerigheid en langjarigheid hierin een model zouden kunnen zijn voor een regime dat andere vormen van ontwikkelingssamenwerking kan beheersen.

Staatssecretaris Van Ardenne-van der Hoeven:

Mijnheer de voorzitter. Het is van belang dat ik nog eens helder aangeef wat wij kunnen doen om het verdrag daadwerkelijk per 1 januari 2003 in werking te laten treden. Dat is nodig om de discussie die op dit moment over de EPA's wordt gevoerd, rustig zijn beslag te laten krijgen. Verder moeten wij voorkomen dat wij in de vreemde situatie terechtkomen dat ook het EOF niet in werking kan treden.

Het parlement komt vandaag op het juiste moment aan bod bij de beoordeling van dit verdrag, want het kabinet kan nu de ratificatie ter hand nemen. Dat hoeft op zichzelf geen technische problemen op te leveren. Dat geldt overigens ook voor de interne akkoorden. Het is natuurlijk de bedoeling dat de Kamer daarover wordt bericht. Om stilzwijgende instemming te verzekeren moet een bepaalde periode in acht worden genomen. Als dat inderdaad stilzwijgend kan gebeuren, hebben wij genoeg tijd om een en ander voor 1 januari af te ronden.

De heer Rabbinge (PvdA):

Ik heb begrepen dat de procedure die gevolgd moet worden, vereist dat er zes tot tien weken wordt gewacht. Dat zou kunnen betekenen dat wij de grens van 1 januari overschrijden. De staatssecretaris krijgt vandaag eigenlijk impliciet stilzwijgende toestemming van de Eerste Kamer om zo te handelen dat het verdrag per 1 januari kan ingaan. Ik wil haar vragen om hiervan gebruik te maken en het verdrag voor 1 januari te ratificeren.

Staatssecretaris Van Ardenne-van der Hoeven:

Het zou een goede zaak zijn als de Eerste Kamer zou aangeven dat zij akkoord is. Ik dacht niet dat er zes of tien, maar vier weken, nodig zijn voor stilzwijgende toestemming. Als de Kamer aan zou geven geen problemen te zien en de teksten alleen ter kennisname toegezonden te willen krijgen, is dat des te beter, want dan is het akkoord in ieder geval binnen. Hoe eerder wij Brussel kunnen laten weten dat Nederland niet de echte hekkensluiter is en wil zijn, hoe beter dat is voor ons imago.

De VVD-fractie heeft zeker ook in dit debat een afwijkende opstelling ingenomen. Ik vind het echter wel jammer dat de VVD-fractie niet te overtuigen is. Wij hebben inmiddels uitgebreid van gedachten gewisseld over zowel de financiering en de politieke dialoog als de terug- en overnameclausule. Het houdt echter wel een keer op. Ik wil er nog slechts op wijzen dat wij heel veel zouden weggooien door niet te ratificeren. Ik denk dan aan de clausules, de relatie met een groot deel van Afrika en het Caribische gebied en wat Europa kan doen als er straks tien nieuwe landen tot de EU zijn toegetreden. De heer Van Gennip wees er terecht op dat die toetreding een enorme uitdaging is voor de uitwerking van dit verdrag, omdat dat dan niet door 15 maar door 25 landen moet worden uitgewerkt. Deze landen kunnen dan ook worden meegenomen op de weg van die nieuwe aanpak voor ontwikkelingssamenwerking, waar de heer Van Gennip ook over sprak. Deze nieuwe landen kennen inderdaad een iets andere traditie op het terrein van ontwikkelingssamenwerking en dan in het bijzonder bij de samenwerking van overheden met het maatschappelijk middenveld en de private sector.

Als door het verdrag een streep wordt gezet, moet er opnieuw worden onderhandeld. Ik ben overigens wel blij dat Afrika niet is verdwenen uit het blikveld van de VVD-fractie. Dat is fantastisch, want als Europa Afrika vergeet, weet ik niet welk continent zich wel om Afrika zou bekommeren. Wij doen dat nu onder andere via Cotonou. Het is waar dat wij daarvoor ook gebruik kunnen maken van bilaterale kanalen. Het is echter winst dat wij via dit verdrag veel meer kunnen regelen dan via bilaterale contacten. Het is heel mooi dat dit signaal is afgegeven, maar het blijft toch jammer voor het verdrag.

Het zou ook jammer zijn om onze positie in de bilaterale contacten met deze landen te verzwakken door het verdrag niet te ratificeren. Wij verwachten van deze landen namelijk ook dat zij een aantal overeenkomsten ratificeren. Ik denk bijvoorbeeld aan het Strafhof, want de zuidelijke landen moeten nog steeds hun handtekening zetten. Er wordt geprobeerd om hen daartoe over te halen en dat wordt een stuk gemakkelijker als het Westen zijn aandeel levert en "full-dress" invulling geeft aan dit verdrag. Het punt van tijdig invoeren is daarmee naar mijn mening voldoende besproken. In antwoord op de opmerkingen over het blootstellen van landen aan de tucht van de markt, zeg ik dat vrijhandel niet alles is en dat alles geen vrijhandel is. Gelukkig maar! Ik denk dat Wolfensohn wat genuanceerder is op dit punt dan dat hij onverkort voor vrijhandel zou zijn. Zo ken ik de Wereldbank wel.

Winst ligt inderdaad in de nieuwe vormen van samenwerking waarin elementen zoals gender, middenveld, handel, politiek en ontwikkelingssamenwerking tot uitdrukking worden gebracht. Dat is een uitdaging van jewelste. Het probleem van de heer Van Gennip ligt op het vlak van de inschakeling van de ngo's. Het kanaal loopt nu nog via overheden en niet via de maatschappelijke organisaties. Hij vroeg zich af of dat een hypotheek zou leggen op de relatie. Dat zou kunnen, maar wij zijn er bilateraal allemaal bij om het middenveld te versterken. Ook vanuit Nederland zijn wij hard bezig met organisaties om die versterking op te pakken.

Wat het ERT-rapport betreft, lijkt het mij een goede suggestie om in Brussel nog eens te kijken of wij dat soort documenten kunnen analyseren op obstakels voor investeringen. Deze obstakels zijn voor het investeren, zowel door het lokale als het internationale bedrijfsleven, van grote betekenis. Ik zal dit punt oppakken. Later kom ik nog eens terug op de asymmetrie. Het zou kunnen zijn dat je altijd asymmetrisch blijft werken. Het gaat natuurlijk om primaire producten die zo tot de basisbehoeften behoren, dat zij niet zo maar aan de vrije markt kunnen worden overgelaten. Ook veel landen kunnen niet zo maar aan de vrije markt worden overgelaten. Wat dat betreft heb ik enige reserves als het gaat om de symmetrie.

Dit is een langjarige overeenkomst waarvan wij met elkaar veel kunnen leren. Het is de bedoeling dat het parlement regelmatig wordt geïnformeerd over de overeenkomsten die nu worden gesloten, waardoor wij de vinger aan de pols kunnen houden bij de uitwerking van het verdrag.

De beraadslaging wordt gesloten.

Het wetsvoorstel wordt zonder stemming aangenomen.

De voorzitter:

De aanwezige leden van de fractie van de VVD wordt conform artikel 121 van het Reglement van orde aantekening verleend, dat zij geacht willen worden zich niet met het wetsvoorstel te hebben kunnen verenigen.

De vergadering wordt van 15.05 uur tot 15.15 uur geschorst.