Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | Staatscourant 2025, 16920 | advies Raad van State |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | Staatscourant 2025, 16920 | advies Raad van State |
Afdeling Verdragen
BZ2515233
’s-Gravenhage, 16 april 2025
Aan de Koning
Nader Rapport inzake de Overeenkomst tussen de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden) en Suriname betreffende de terug- en overname van onregelmatig verblijvende personen (met Uitvoeringsprotocol met Bijlagen); Brussel, 14 februari 2025 (Trb. 2025, 16 herdruk)
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 20 maart 2025, no. 2025000596, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk haar advies inzake de bovenvermelde overeenkomst rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 2 april 2025, nr. W02.25.00062/II/K, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft U hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 20 maart 2025, no.2025000596, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister van Asiel en Migratie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt de overeenkomst tussen de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden) en Suriname betreffende de terug- en overname van onregelmatig verblijvende personen (met Uitvoeringsprotocol met Bijlagen); Brussel, 14 februari 2025 (Trb. 2025, 16), met toelichtende nota.
De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk heeft geen opmerkingen over het verdrag.
De Afdeling adviseert het verdrag aan de beide Kamers der Staten-Generaal, de Staten van Aruba, die van Curaçao en die van Sint Maarten over te leggen.
De vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk,
Th.C. de Graaf
Ik verzoek U, mede namens de Minister van Asiel en Migratie, mij te machtigen gevolg te geven aan mijn voornemen de overeenkomst vergezeld van de toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en tevens over te leggen aan de Staten van Aruba, de Staten van Curaçao en de Staten van Sint Maarten.
De Minister van Buitenlandse Zaken, C.C.J. Veldkamp.
No. W02.25.00062/II/K
’s-Gravenhage, 2 april 2025
Aan de Koning
Bij Kabinetsmissive van 20 maart 2025, no.2025000596, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, bij de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt de overeenkomst tussen de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden) en Suriname betreffende de terug- en overname van onregelmatig verblijvende personen (met Uitvoeringsprotocol met Bijlagen); Brussel, 14 februari 2025 (Trb. 2025, 16), met toelichtende nota.
De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk heeft geen opmerkingen over het verdrag.
De Afdeling adviseert het verdrag aan de beide Kamers der Staten-Generaal, de Staten van Aruba, die van Curaçao en die van Sint Maarten over te leggen.
De vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk, Th.C. de Graaf.
Migranten die niet rechtmatig in Nederland mogen blijven, dienen terug te keren naar hun land van herkomst. Om dit te bereiken wordt ingezet op het realiseren en onderhouden van een goede samenwerking op het gebied van migratie met de herkomstlanden. Het Hoofdlijnenakkoord spreekt in het kader van ‘Grip op migratie’ van akkoorden over terugkeer met derde landen.1 Binnen het terugkeerbeleid wordt er naar gestreefd terug- en overnameverdragen te sluiten met herkomstlanden van immigranten. Hierbij gaat het niet uitsluitend om de landen van herkomst die in het kader van dat beleid als prioritaire migratielanden zijn aangemerkt. Het wordt van belang geacht om de internationale samenwerking in het terugkeerproces met een brede groep landen van herkomst te verbeteren en daarmee de terug- en overname van onrechtmatig verblijvende personen te bevorderen.
De op 14 februari te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Benelux-Staten en Suriname betreffende de terug- en overname van onregelmatig binnengekomen en/of verblijvende personen (hierna te noemen: het Verdrag), met Uitvoeringsprotocol met Bijlagen, regelt de verplichtingen over en weer tussen de Benelux-staten enerzijds en Suriname anderzijds in het kader van de terugname van eigen onderdanen dan wel de overname van onderdanen van andere staten die niet of niet langer rechtmatig verblijven op het grondgebied van één van de verdragsluitende partijen. Het gaat daarbij om de procedures en bewijsregels voor het vaststellen van de nationaliteit van betrokkene, het aanvragen van eventueel benodigde vervangende reisdocumenten en regels betreffende daadwerkelijke terugkeer. De praktijk leert dat dergelijke afspraken, de procedures die moeten leiden tot het vaststellen van de identiteit en nationaliteit van vreemdelingen aanzienlijk bekorten. Hoewel de terugkeersamenwerking met Suriname thans redelijk goed verloopt, was er nog geen sprake van een juridisch bindend instrument. Verwachting is dat dit Verdrag het terugkeerproces tussen Suriname en Nederland verder verbetert. België heeft namens de Benelux-staten de onderhandelingen over de terug- en overnameovereenkomst met Suriname geleid.
Het Verdrag is gekoppeld aan de eveneens op 14 februari 2025 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Benelux-Staten en de Republiek Suriname inzake de vrijstelling van de visumplicht voor houders van een geldig diplomatiek of dienstpaspoort (Trb. 2025, 15).
Terug- en overnameverdragen waarbij het Koninkrijk der Nederlanden partij is of waaraan Nederland als lid van de Europese Unie is gebonden, worden gesloten op verschillende niveaus. Het verdragsrechtelijke kader inzake terug- en overname wordt vormgegeven door de Europese Unie en door het gezamenlijke optreden van de Benelux-staten. De Benelux-staten sluiten gezamenlijk terug- en overnameverdragen op grond van de op 11 april 1960 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Benelux-gebied.2 De Benelux-staten bepalen in overleg met elkaar met welke herkomstlanden onderhandelingen worden geopend en welke van de Benelux-staten daarin het voortouw neemt. Daarbij is de omvang van de terugkeerproblematiek in de drie landen mede bepalend. De terug- en overnameverdragen die in Benelux-verband worden gesloten, gaan in de regel vergezeld van een uitvoeringsprotocol waarin specifieke uitvoeringsbepalingen zijn opgenomen. Het uitvoeringsprotocol wordt eveneens door de Benelux-staten gezamenlijk met de verdragspartner overeengekomen. De Benelux heeft tot nu toe terug- en overnameovereenkomsten gesloten met twintig staten.3
Daarnaast is het Europese deel van Nederland gehouden aan overnameovereenkomsten die de Europese Unie sluit. De Europese Unie is bevoegd tot het sluiten van dergelijke verdragen op grond van artikel 79, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), volgens de procedure zoals bepaald in artikel 218 VWEU.4 Op grond van artikel 218 VWEU verleent de Raad van de Europese Unie de Europese Commissie op haar voorstel een mandaat om onderhandelingen te openen met bepaalde landen. Bij de keuze van deze landen baseert de Raad zich onder meer op criteria als migratiedruk uit het desbetreffende land en de geografische ligging ten opzichte van het grondgebied van de Europese Unie. De Europese Unie heeft tot nu toe EU-overnameovereenkomsten gesloten met zeventien staten.5 In 2020 is een EU-overnameovereenkomst gesloten met Belarus,6 maar deze overeenkomst heeft Belarus in oktober 2021 opgeschort. Zolang de Europese Unie geen gebruik maakt van haar bevoegdheid een EU-overnameovereenkomst te sluiten, blijven de lidstaten bevoegd dat zelf, op bilateraal, of zoals in het geval door de Benelux-staten op multilateraal niveau, te doen.
Nederland sluit de uitvoeringsprotocollen ter nadere uitvoering van EU-overnameovereenkomsten in Benelux-verband, ingevolge de eerdergenoemde Overeenkomst inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Benelux gebied. Het uitvoeringsprotocol biedt de partijen de mogelijkheid nadere afspraken te maken over de praktische uitvoering van de in de terug- en overnameovereenkomst overeengekomen bepalingen en over de concrete samenwerking tussen de uitvoerende diensten die hiervoor verantwoordelijk zijn. Er zijn tot nu toe uitvoeringsprotocollen gesloten met tien staten.7
De terug- en overnameovereenkomsten beogen de feitelijke uitzetting van vreemdelingen, ten aanzien van wie op basis van het nationale recht de verplichting bestaat om een lidstaat te verlaten, te vergemakkelijken. Voor Nederland wordt de uitoefening van de bevoegdheid om vreemdelingen op grond van de Vreemdelingenwet 2000 uit te zetten aanzienlijk vergemakkelijkt, wanneer de aangezochte Staat erkent onder bepaalde omstandigheden tot terug- of overname verplicht te zijn. De terugnameovereenkomst met Suriname bevat de voorwaarden waaronder de partijen gehouden zijn eigen onderdanen terug te nemen, evenals procedurele bepalingen met betrekking tot het indienen en beantwoorden van een verzoek voor terug- of overname.
Het Verdrag regelt naast de terugname van eigen onderdanen ook de overname van onderdanen van derde landen. Het Verdrag regelt voorts de voorwaarden waaronder en de wijze waarop partijen gehouden zijn de doorgeleiding over elkaars grondgebied toe te staan van naar derde landen te verwijderen personen.
De uitvoerende autoriteiten van Nederland en Suriname voeren al langere tijd regulier bilateraal overleg over de terug- en overname van personen. Om aan te sluiten bij deze praktijk en te zorgen voor een goede implementatie van het Verdrag is artikel 21 aan het Verdrag toegevoegd. Dit artikel bepaalt dat er overleg tussen autoriteiten kan plaatsvinden over de praktische uitvoering van het Verdrag voordat het Verdrag in werking treedt. Hiermee kan tegemoet worden gekomen aan vraagstukken die betrekking hebben op de samenwerking specifiek tussen het Koninkrijk en Suriname en waarover in de afgelopen jaren reeds afspraken zijn gemaakt (in het bijzonder t.a.v. re-integratie van terugkerende Surinaamse onderdanen). Deze bepaling wijkt af t.o.v. eerdere terug-en overnameovereenkomsten met andere landen.
In het Uitvoeringsprotocol worden vooral de procedurele bepalingen uit de overeenkomst, die door de uitvoerende diensten van de verdragsluitende partijen dienen te worden gevolgd, nader uitgewerkt. Zo worden in het Uitvoeringsprotocol nadere afspraken gemaakt over de termijnen die in acht dienen te worden genomen in het kader van een terug- en overnameverzoek, de wijze van transport, de vergoeding van gemaakte kosten en de handelwijze bij doorgeleiding over elkaars grondgebied. Met de nadere uitwerking van de door de Benelux-Staten en Suriname gemaakte afspraken wordt beoogd de concrete afhandeling van een terug- en overnameverzoek verder te bespoedigen.
Het Verdrag is van toepassing op het Europese grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden en zal overeenkomstig artikel 17 van de terug- en overnameovereenkomst worden uitgebreid tot Caribisch Nederland. Op grond van die bepaling zal het Verdrag worden uitgebreid tot het Caribische deel van Nederland. De regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten hebben aangegeven medegelding van dit Verdrag wenselijk te vinden voor hun land, dus het is de bedoeling dat het Verdrag ook tot die delen van het Koninkrijk wordt uitgebreid. De goedkeuring van het Verdrag wordt voor het gehele Koninkrijk gevraagd.
Naar het oordeel van de regering kunnen artikel 13 van het Verdrag inzake gegevensbescherming, alsmede artikel 12, derde lid, van het Uitvoeringsprotocol inzake het beperken van de bevoegdheden van de begeleider tot zelfverdediging en het in voorkomend geval op kunnen treden op het grondgebied van de aangezochte Staat worden aangemerkt als een ieder verbindende bepalingen in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. Deze bepalingen kunnen rechtstreeks de rechtspositie van particulieren beïnvloeden.
Hieronder worden de artikelen uit de terug- en overnameovereenkomst toegelicht.
Artikel 1 definieert de belangrijkste begrippen van het Verdrag. Zo wordt onder andere het grondgebied van de Benelux-Staten, waarbij wordt aangegeven dat het gaat om de grondgebieden in Europa, alsmede Suriname omschreven. Op basis van artikel 17 kan de werking van het Verdrag worden uitgebreid tot het Caribische deel van Nederland en de andere landen van het Koninkrijk.
Dit artikel bepaalt wanneer er een verplichting bestaat tot terugname van eigen onderdanen. Er is sprake van een dergelijke verplichting indien betrokkene niet of niet langer aan de voorwaarden voor toegang tot of verblijf op het grondgebied van de verzoekende partij voldoet en indien kan worden bewezen dan wel aannemelijk kan worden gemaakt dat betrokkene de nationaliteit heeft van de aangezochte partij. Deze verplichting geldt in de regel ook indien betrokkene de nationaliteit is kwijtgeraakt. Op grond van het vierde lid van dit artikel zal de aangezochte partij de noodzakelijke reisdocumenten verstrekken voor de teruggeleiding van de over te nemen persoon.
Dit artikel bepaalt wanneer er een verplichting bestaat tot overname van onderdanen van een derde Staat, dat wil zeggen een staat die geen Benelux-staat en niet Suriname is. Deze verplichting bestaat wanneer een onderdaan van een derde Staat niet of niet langer aan de voorwaarden voor toegang tot of verblijf op het grondgebied van de verzoekende partij voldoet en aangetoond kan worden dat betrokkene in het bezit is van een geldige verblijfstitel afgegeven door de aangezochte Staat of bij inreis op het grondgebied van de verzoekende Staat in het bezit was van een geldige verblijfstitel afgegeven door de aangezochte Staat.
Artikel 3 legt vast welke gegevens bij een indiening van verzoek tot terug- of overname dienen te worden overgelegd. Indien betrokkene beschikt over een geldig reisdocument of identiteitsbewijs hoeft er geen verzoek voor de overdracht te worden gedaan.
In artikel 5 wordt verwezen naar het Uitvoeringsprotocol voor een opsomming van de bewijsmiddelen waarmee de nationaliteit van een eigen onderdaan kan worden bewezen, dan wel aannemelijk kan worden gemaakt. Indien geen van de bewijsmiddelen kan worden overgelegd, kan de aangezochte partij worden gevraagd om de nodige maatregelen te nemen om de nationaliteit van de betrokkene vast te stellen. Tevens kan de aangezochte partij worden verzocht een interview af te nemen met betrokkene om te bepalen of betrokkene een eigen onderdaan is.
In artikel 6 wordt verwezen naar het Uitvoeringsprotocol voor een opsomming van de bewijsmiddelen waarmee kan worden bewezen dat er is voldaan aan de in artikel 3 genoemde voorwaarden voor overname van onderdanen van een derde Staat.
In dit artikel worden de termijnen vastgelegd voor de verschillende procedurestappen. Een verzoek tot terugname kan te allen tijde worden ingediend. Een aangezochte partij dient uiterlijk binnen 20 werkdagen op het verzoek te antwoorden. Indien geen antwoord wordt ontvangen, wordt aangenomen dat met het verzoek wordt ingestemd. Na goedkeuring vindt de overdracht zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen 6 maanden plaats naar de aangezochte partij, met gebruikmaking van een door de aangezochte Staat af te geven reisdocument.
Artikel 8 legt de werkwijze bij de feitelijke overdracht vast. De aangezochte partij wordt over een ophanden zijnde overdracht geïnformeerd. In principe wordt gebruik gemaakt van het vliegtuig, evenwel worden overdrachten via het land of zee niet uitgesloten.
Artikel 9 legt de afspraken vast voor het geval dat achteraf blijkt dat ten onrechte met een terug- of overnameverzoek is ingestemd. In het artikel is opgenomen dat de verzoekende partij een persoon terug- overgenomen terug neemt indien na overdracht van de persoon alsnog blijkt dat niet is voldaan aan de voorwaarden die opgenomen zijn in artikelen 2 en 3.
Artikel 10 zet de uitgangspunten van doorgeleiding van onderdanen van een derde Staat uiteen. Doorgeleiding van onderdanen van een derde Staat wordt zoveel mogelijk beperkt, maar wordt in principe toegestaan wanneer de verdere reis in eventuele andere Staten van doorreis en de overname door de Staat van bestemming verzekerd zijn. Daarnaast worden voorwaarden voor weigering van doorgeleiding of intrekking van toestemming voor doorgeleiding omschreven.
Dit artikel omschrijft de procedure die door de verzoekende en de aangezochte staat wordt gevolgd bij een doorgeleiding van onderdanen van een derde staat. Artikel 11 bevat onder andere de voorwaarden waaraan een schriftelijk doorgeleidingsverzoek moet voldoen en hoe de autoriteiten elkaar op de hoogte brengen van een doorgeleiding.
De kosten die voortvloeien uit de terugname of doorgeleiding, evenals uit onterechte terugname, komen ten laste van de verzoekende Staat.
Dit artikel ziet op het rechtmatig omgaan met persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten van de verdragsstaten conform de bepalingen van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en van de nationale wetgeving van de respectieve Benelux-staten aangenomen op grond van deze verordening.
In dit artikel wordt bepaald dat het Verdrag geen afbreuk doet aan de rechten en verplichtingen van de verdragspartijen die voortvloeien uit het internationale recht.
Dit artikel stelt een Comité van deskundigen in om onderling hulp bij de toepassing en uitlegging van het Verdrag te verlenen. Het Comité van deskundigen bestaat uit één vertegenwoordiger van België, Luxemburg, Nederland en twee vertegenwoordigers van Suriname.
Op de dag van ondertekening van het Verdrag is tevens een Uitvoeringsprotocol tot stand gekomen. Op basis van artikel 16 bevat het Uitvoeringsprotocol praktische bepalingen voor de uitvoering van het Verdrag, zoals de benoeming van de bevoegde autoriteiten de te benutten grensposten en de bewijsmiddelen. Het Uitvoeringsprotocol, dat hierbij eveneens ter goedkeuring wordt voorgelegd, betreft uitsluitend de uitvoering van het Verdrag, zodat eventuele wijzigingen ervan op grond van artikel 7, aanhef en onderdeel b, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen parlementaire goedkeuring behoeven, behoudens het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van die Rijkswet.
Bij het Uitvoeringsprotocol is een zestal bijlagen gevoegd: formulieren die ten behoeve van de terug- en overnameprocedure door de bevoegde instanties gebruikt worden. Wijziging van deze bijlagen, waarvan de inhoud van uitvoerende aard is ten opzichte van de bepalingen van het protocol waar de bijlagen onderdeel van vormen, behoeft op grond van artikel 7, aanhef en onderdeel f, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen parlementaire goedkeuring, tenzij de Staten-Generaal zich thans het recht tot goedkeuring ter zake voorbehouden.
Volgens artikel 17 kan de werking van het Verdrag worden uitgebreid naar Aruba, Curaçao, Sint Maarten en naar Caribisch Nederland. Zoals toegelicht in de paragraaf Koninkrijkspositie is het de bedoeling dat het Verdrag voor alle delen van het Koninkrijk gaat gelden.
Artikel 18 bepaalt dat geschillen die voortvloeien uit de toepassing of de interpretatie van het Verdrag in der minne worden geschikt door middel van overleg of onderhandelingen.
In artikel 19 is bepaald dat het Secretariaat-Generaal van de Benelux-Unie de depositaris van het Verdrag is.
Artikel 20 bepaalt dat het Verdrag of het Uitvoeringsprotocol met wederzijdse schriftelijke instemming kan worden gewijzigd.
In artikel 21 is bepaald dat de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en Suriname met elkaar kunnen overleggen over de praktische uitvoering van het Verdrag voordat het Verdrag in werking treedt. Dit artikel is opgenomen om te voorzien in overleg tussen de bevoegde autoriteiten na de totstandkoming en voor de inwerkingtreding van het Verdrag, zodat in die fase alvast afspraken kunnen worden gemaakt over de samenwerking tussen de autoriteiten.
Artikel 22 bepaalt dat het Verdrag in werking treedt op de eerste dag van de tweede maand nadat alle ondertekenende staten aan de depositaris hebben laten weten dat zij de nationale goedkeuringsprocedures hebben afgerond.
Op grond van artikel 23 kan het Verdrag opgeschort worden door de Benelux-staten gezamenlijk of door Suriname via een kennisgeving aan de depositaris. De opschorting wordt van kracht op de eerste dag van de eerste maand na de kennisgeving.
In artikel 24 is bepaald dat de Benelux-staten gezamenlijk of Suriname het Verdrag kunnen opzeggen via een kennisgeving aan de depositaris. De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de zesde maand na de kennisgeving.
Hieronder worden de artikelen uit het Uitvoeringsprotocol toegelicht.
Artikel 1 bevat een omschrijving van de procedure van het aanwijzen van de bevoegde autoriteiten bij de uitvoering van het Uitvoeringsprotocol.
In bijlage 1 bij het Uitvoeringsprotocol is een lijst opgenomen van grensovergangen waarvan gebruik moet worden gemaakt voor de uitvoering van de overeenkomst. Verder wordt gesteld dat elke partij de ander onmiddellijk zal informeren over een verandering van deze plaatsen van grensoverschrijding en dat er op ad hoc basis hiervan afgeweken kan worden.
De procedure van een verzoek om terug- of overname is beschreven in artikel 3. Het bevat nadere aanwijzingen voor het indienen van een dergelijk verzoek bij de aangezochte partij. Bijlage 2 van het Uitvoeringsprotocol bevat het model voor het verzoekformulier.
Artikel 4 bevat de opsomming van de bewijsmiddelen en documenten die gebruikt kunnen worden voor de vaststelling van de nationaliteit van eigen onderdanen.
Artikel 5 bevat de opsomming van de bewijsmiddelen en documenten die gebruikt kunnen worden om te voldoen aan de voorwaarden in artikel 3 van het Verdrag.
Artikel 6 bevat nadere aanwijzingen voor het beantwoorden van een verzoek om terug- of overname. Bijlage 2 van het Uitvoeringsprotocol bevat het model voor het antwoordformulier.
De procedure voor het verstrekken van reisdocumenten is beschreven in artikel 7. Het artikel bevat nadere informatie voor het verstrekken van deze reisdocumenten.
Artikel 8 bevat nadere afspraken over het afnemen van interviews om de nationaliteit van de betrokkene te bepalen.
De afgesproken overdrachtsprocedure en wijze van vervoer zijn beschreven in artikel 9. Bijlage 5 van het Uitvoeringsprotocol bevat het model voor het verzoek van de overdracht.
Dit artikel bevat nadere afspraken ten behoeve van de procedure voor de in artikel 11 van het Verdrag voorziene doorgeleiding van onderdanen van een derde staat.
Dit artikel bevat nadere afspraken bij een verzoek van de verzoekende staat tot ondersteuning van de doorgeleiding door de autoriteiten van de aangezochte staat.
In artikel 12 zijn enkele rechten en plichten opgenomen van begeleiders van de terug of over te nemen of door te geleiden persoon. Begeleiders dienen het recht van de aangezochte staat na te leven en zijn ongewapend en gekleed in burgerkleding. Zij mogen zichzelf verdedigen en in uitzonderingssituaties voorkomen dat de betrokkene vlucht of schade of letsel veroorzaakt. Dit kan in theorie doorwerken in de verhouding tussen de begeleider en de begeleide persoon (bijvoorbeeld indien de rechtmatigheid van het handelen van de begeleider ter discussie wordt gesteld). Begeleiders ontvangen bij de uitoefening van hun taken dezelfde ondersteuning als ambtenaren in het aangezochte land ontvangen.
Artikel 13 behelst een nadere uitwerking van artikel 12 van het Verdrag dat ziet op de verrekening van de kosten verbonden aan terug- of overname.
Dit artikel stelt dat de partijen met elkaar zullen communiceren in het Nederlands of in het Engels.
In artikel 15 is bepaald dat bijlagen 1 tot en met 6 een integrerend onderdeel van het Uitvoeringsprotocol vormen. Het gaat daarbij om formulieren die ten behoeve van de terug- of overnameprocedure door de bevoegde instanties gebruikt worden. Zoals is toegelicht bij artikel 16 van het Verdrag, behoeft wijziging van deze bijlagen, waarvan de inhoud van uitvoerende aard is ten opzichte van de bepalingen van het protocol waar de bijlagen onderdeel van vormen, behoeft op grond van artikel 7, aanhef en onderdeel f, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen parlementaire goedkeuring, tenzij de Staten-Generaal zich thans het recht tot goedkeuring ter zake voorbehouden.
De Minister van Asiel en Migratie,
De Minister van Buitenlandse Zaken,
Armenië (Trb. 2009, 124), Bosnië-Herzegovina (Trb. 2006, 255), Bulgarije (Trb. 1998, 250), Duitsland (Trb. 1966, 166), Estland (Trb. 1999, 78), Frankrijk (Trb. 1964, 90), Hongarije (Trb. 2002, 59), Kazachstan (Trb. 2015, 57), Kosovo (Trb. 2011, 127), Kroatië (Trb. 1999, 140), Letland (Trb. 1999, 117), Litouwen (Trb. 1999, 119), Noord-Macedonië (Trb. 2006, 135), Mongolië (Trb. 2024, 23), Oostenrijk (Trb. 1965, 60), Roemenië (Trb. 1995, 155), Servië (Trb. 2002, 152), Slovenië (Trb. 1992, 197), Slowakije (Trb. 2002, 128) en Zwitserland (Trb. 2004, 38).
Albanië (PbEU 2005, L 124), Armenië (PbEU 2013, L 289/13), Azerbeidzjan (PbEU 2014, L 128/17), Bosnië-Herzegovina (PbEU 2007, L 334/96), Georgië (PbEU 2011, L 52/47), Hongkong (PbEU 2004, L 17/23), Kaapverdië (PbEU 2013, L 282/15), Macao (PbEU 2004, L 143/99), Noord-Macedonië (PbEU 2007, L 334), Moldavië (PbEU 2007, L 334), Montenegro (PbEU 2007, L 334), Oekraïne (PbEU 2007, L 332), Pakistan (PbEU 2010, L 287/52), Rusland (PbEU 2007, L 129/40), Servië (PbEU 2007, L 334/45), Sri Lanka (PbEU 2005, L 124) en Turkije (PbEU 2014, L 134/3).
Albanië (Trb. 2005, 242), Armenië (Trb. 2018, 178), Bosnië-Herzegovina (Trb. 2014, 51), Georgië (Trb. 2013, 215), Moldavië (Trb. 2013, 58), Montenegro (Trb. 2012, 151), Noord-Macedonië (Trb. 2012, 153), Oekraïne (Trb. 2019, 64), Rusland (Trb. 2011, 76, op verzoek van Rusland is dit Uitvoeringsprotocol gesloten tussen de afzonderlijke Benelux-Staten en Rusland) en Servië (Trb. 2013, 57).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-16920.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.