Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatscourant 2014, 1588Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 21 januari 2014, nr. IENM/BSK-2013/158949, tot wijziging van de Activiteitenregeling milieubeheer, de Regeling omgevingsrecht en de Waterregeling (nieuwe activiteiten en herstel van gebreken van wetstechnische en inhoudelijk ondergeschikte aard)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op de artikelen 1.7, tweede lid, 2.9, tweede lid, 2.32, 3.5e, vijfde lid, 3.5g, eerste lid, 3.19, 3.23b, eerste lid, 3.23d, tweede lid, 3.26a, 3.31, vierde lid, 3.34, tiende lid, 3.48, 3.52, 3.54, 3.54d, 3.63, vierde lid, onderdeel b, 3.67, derde lid, 3.72, derde lid, 3.94, 3.98, 3.109, 3.122, 3.125, derde lid, 3.129b, 3.156, eerste lid, 4.6, 4.104c, tweede lid, en 5.29, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 5.3, vierde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 4.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht;

Besluit:

ARTIKEL I

De Activiteitenregeling milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De begrippen ‘afdekking’, ‘LQ’ en ‘mestdicht’ en de daarbij behorende begripsomschrijvingen vervallen.

2. In de begripsomschrijving van ‘kwaliteitsverklaring mestbassin’ wordt ‘de Raad voor Accreditatie’ vervangen door: een accreditatie-instantie.

B

Artikel 1.2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Het volgende begrip en de daarbij behorende begripsomschrijving worden in de alfabetische rangschikking ingevoegd:

AS 6700:

AS 6700 Inspectie bodembeschermende voorzieningen met bijbehorende protocollen, SIKB, versie zoals opgenomen in bijlage C van de Regeling Bodemkwaliteit;.

2. De begripsomschrijving van ‘BRL 2342’ komt te luiden:

Beoordelingsrichtlijn voor het KOMO attest voor Mestbassins en Afdekkingen voor mestbassins, Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen, versie van 30 maart 2013;.

3. De begrippen ‘CUR/PBV-aanbeveling 44’, ‘Gasturbines ’, ’ISO 15713’, ‘Praktijkrichtlijn Lasrook’ en de daarbij behorende begripsomschrijvingen vervallen.

4. De begripsomschrijving van ‘NEN 5744’ komt te luiden:

NEN 5744 2011/A1:2012 Bodem- Monsterneming van grondwater, maart 2011;.

C

Artikel 2.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘CUR/PBV-aanbeveling 44’ vervangen door: AS 6700.

2. In het vijfde lid, onder b, wordt ‘bijlage D behorende bij CUR/PBV-aanbeveling 44’ vervangen door: bijlage 6 behorende bij AS 6700.

D

Artikel 2.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt voor de punt aan het slot toegevoegd:, tenzij in deze regeling anders is bepaald.

2. Het negende lid vervalt.

E

Artikel 2.15 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zesde lid, onderdelen a en b, komt te luiden:

  • a. F = I1 – O1 – O5 – O6 – O7 – O8, of

  • b. F = O2 + O3 + O4 + O9.

2. In het negende lid wordt ‘09’ vervangen door: O9.

F

Het opschrift van hoofdstuk 3 komt te luiden:

HOOFDSTUK 3. BEPALINGEN MET BETREKKING TOT ACTIVITEITEN, TEVENS GELDEND VOOR INRICHTINGEN TYPE C

G

Artikel 3.4f, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Indien de gemeten waarden meer dan 50% hoger zijn dan de achtergrondwaarden wordt binnen twee maanden een nieuw grondwatermonster uit het monitoringssysteem geanalyseerd, alsmede een grondwatermonster uit de bovenstrooms geplaatste peilbuis.

H

In artikel 3.4g, eerste lid, wordt ‘CUR/PBV-aanbeveling 44’ vervangen door: AS 6700.

I

Na artikel 3.4g worden in paragraaf 3.1.2 vier artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 3.4ga

Het bemonsteren van stedelijk afvalwater, het analyseren van de monsters en het beoordelen van de resultaten daarvan, bedoeld in artikel 3.5g, eerste lid, van het besluit vindt plaats overeenkomstig de artikelen 3.4gb en 3.4gc.

Artikel 3.4gb

  • 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ‘het te zuiveren stedelijk afvalwater’ verstaan: het aangevoerde stedelijk afvalwater voor eventuele vermenging met een of meer deelstromen die bij het zuiveringsproces vrijkomen en die op het zuiveringtechnisch werk worden teruggevoerd.

  • 2. De plaats van bemonstering wordt daar gekozen waar een zo representatief mogelijk beeld van de concentraties van de te bepalen parameters in het te zuiveren stedelijk afvalwater of in het na zuivering te lozen stedelijk afvalwater kan worden verkregen.

  • 3. Het te zuiveren stedelijk afvalwater wordt volumeproportioneel over een etmaal bemonsterd.

  • 4. Het na zuivering te lozen stedelijk afvalwater wordt, ingeval van een zuiveringtechnisch werk met een ontwerpcapaciteit van:

    • a. meer dan 100.000 inwonerequivalenten: volumeproportioneel over een etmaal bemonsterd, of

    • b. ten hoogste 100.000 inwonerequivalenten: volumeproportioneel dan wel tijdproportioneel over een etmaal bemonsterd.

  • 5. De na zuivering geloosde hoeveelheid stedelijk afvalwater wordt dagelijks bepaald.

  • 6. Het minimum aantal te nemen monsters per jaar is afhankelijk van de ontwerpcapaciteit in inwonerequivalenten van het zuiveringtechnisch werk en wordt met gelijkmatige tussenpozen verdeeld over het jaar genomen conform:

    • a. tabel 3.4.gb1, met betrekking tot de vaststelling van de per zuiveringtechnisch werk te zuiveren en na zuivering geloosde hoeveelheid totaal stikstof en totaal fosfor;

    • b. tabel 3.4gb2, met betrekking tot de vaststelling per zuiveringtechnisch werk van het na zuivering geloosde biochemisch zuurstofverbruik gedurende vijf dagen, het chemisch zuurstofverbruik en de geloosde hoeveelheid onopgeloste stoffen.

    Tabel 3.4gb1

    Ontwerpcapaciteit in inwonerequivalenten

    Aantal te nemen monsters

    – 2.000 tot 5.000 inwonerequivalenten:

    minimaal 12 per jaar

    – 5.000 tot 50.000 inwonerequivalenten:

    minimaal 24 per jaar

    – 50.000 tot en met 100.000 inwonerequivalenten:

    minimaal 48 per jaar

    – meer dan 100.000 inwonerequivalenten:

    minimaal 60 per jaar

    Tabel 3.4gb2

    Ontwerpcapaciteit in inwonerequivalenten

    Aantal te nemen monsters

    – minder dan 10.000 inwonerequivalenten:

    minimaal 12 per jaar in het eerste jaar.

    na het eerste jaar:

    – indien een monster aan de grenswaarden, bedoeld in artikel 3.5e, vierde lid, van het besluit voldoet: 4 per jaar

    – indien een monster niet aan de grenswaarden, bedoeld in artikel 3.5e, vierde lid, van het besluit voldoet: 12 per jaar in het daarop volgende jaar

    – 10.000 tot 50.000 inwonerequivalenten:

    minimaal 12 per jaar

    – 50.000 inwonerequivalenten of meer:

    minimaal 24 per jaar

  • 7. Indien op grond van metingen aangetoond kan worden dat in het te zuiveren stedelijk afvalwater het gehalte aan nitriet- en nitraatstikstof voortdurend minder dan 1% is ten opzichte van het gehalte aan Kjeldahlstikstof, kan worden volstaan met de meting van het gehalte aan Kjeldahlstikstof in dat water.

  • 8. De etmaalmonsters worden individueel geanalyseerd.

Artikel 3.4gc

  • 1. Het na zuivering te lozen stedelijk afvalwater voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 3.5e, vijfde lid, van het besluit, indien voor iedere parameter afzonderlijk uit monsters van dat afvalwater blijkt dat het op de volgende wijze voldoet aan de grenswaarde voor de betreffende parameter:

    • a. voor de parameters biochemisch zuurstofverbruik, chemisch zuurstofverbruik en onopgeloste stoffen is het aantal monsters dat de grenswaarde van de betrokken parameter, genoemd in artikel 3.5e, vierde lid, van het besluit overschrijdt, niet hoger dan het in tabel 3.4gc opgenomen maximaal toegestaan aantal monsters.

      Tabel 3.4gc Maximaal toegestaan aantal monsters dat niet voldoet

      Aantal gedurende een jaar genomen monsters

      Maximaal toegestaan aantal monsters dat niet voldoet

      4–7

      1

      8–16

      2

      17–28

      3

      29–40

      4

      41–53

      5

      54–67

      6

      68–81

      7

      82–95

      8

      96–110

      9

      111–125

      10

      126–140

      11

      141–155

      12

      156–171

      13

      172–187

      14

      188–203

      15

      204–219

      16

      220–235

      17

      236–251

      18

      252–268

      19

      269–284

      20

      285–300

      21

      301–317

      22

      318–334

      23

      335–350

      24

      351–365

      25

    • b. het maximaal toegestaan aantal monsters dat niet voldoet, bedoeld in onderdeel a, bevat een overschrijding van de grenswaarden voor de parameters, genoemd in dat onderdeel, van ten hoogste:

      • 1°. 100 procent voor biochemisch zuurstofverbruik,

      • 2°. 100 procent voor chemisch zuurstofverbruik, of

      • 3°. 150 procent voor onopgeloste stoffen,

  • 2. De grenswaarde voor totaal stikstof en totaal fosfor, bedoeld in artikel 3.5e, vierde lid, van het besluit, in het te lozen stedelijk afvalwater wordt uitgedrukt als de voortschrijdend jaargemiddelde concentratie totaal stikstof of totaal fosfor.

Artikel 3.4gd

  • 1. Het totale zuiveringsrendement van de zuiveringstechnische werken waarvoor het openbaar lichaam of een andere rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.5e, zevende lid, van het besluit met de zorg is belast, wordt berekend overeenkomstig bijlage 8.

  • 2. Voor de meting van de hoeveelheid stedelijk afvalwater in kubieke meter wordt een methode gehanteerd waarvan de onnauwkeurigheid in de debietmeting kleiner is dan 5%. Dit wordt door ijking vastgesteld.

J

Artikel 3.22 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.‘ geplaatst.

2. Na het eerste lid (nieuw) worden vier leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Bij het afleveren van gasolie vanuit een tankwagen aan een spoorvoertuig wordt voldaan aan de voorschriften 3.4.4, 3.4.7, 3.4.8, 3.4.11, 5.6.2 en 5.6.3 van PGS 28.

  • 3. Indien het afleveren van gasolie vanuit een tankwagen aan een spoorvoertuig plaatsvindt met een afleverslang die is aangekoppeld via een vaste aansluiting wordt een overvulbeveiliging toegepast.

  • 4. Tijdens het afleveren van gasolie vanuit een tankwagen aan een spoorvoertuig is voortdurend een persoon aanwezig die de aflevering indien nodig kan beëindigen.

  • 5. Het afleveren van gasolie vanuit een tankwagen aan een spoorvoertuig op een spoorwegemplacement vindt uitsluitend plaats op een daarvoor door de drijver van de inrichting aangewezen tankplaats.

K

Artikel 3.25 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tiende lid wordt vernummerd tot twaalfde lid.

2. Het twaalfde lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

a. Na ’motorvoertuigen voor het wegverkeer’ wordt ingevoegd: of aan spoorvoertuigen.

b. De zinsnede ‘het eerste tot en met negende lid’ wordt vervangen door: het eerste tot en met elfde lid.

3. Na het negende lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 10. Bij het afleveren van gasolie vanuit een tankwagen aan een spoorvoertuig wordt voldaan aan de volgende onderdelen:

    • a. het spoorvoertuig staat zodanig opgesteld boven een vloeistofdichte vloer of verharding dat het vulpunt zich ten minste 1 meter van de rand van de vloeistofdichte vloer of verharding bevindt,

    • b. de tankwagen staat bij het afleveren boven een bodembeschermende voorziening die aansluit op de vloeistofdichte vloer of verharding, en

    • c. de afleverslang van de tankwagen komt niet buiten het geheel van de vloeistofdichte vloer of verharding en de bodembeschermende voorziening en kruist geen sporen.

  • 11. Op de vloeistofdichte vloer of verharding, bedoeld in het tiende lid, zijn het derde tot en met het zevende lid van overeenkomstige toepassing.

L

In artikel 3.27, eerste lid, wordt ‘op grond van artikel 3.23b, eerste lid’ vervangen door: als bedoeld in artikel 3.23b, eerste lid.

M

Artikel 3.27a wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. In het eerste lid (nieuw), aanhef, wordt ‘artikel 3.24, tweede en derde lid’ vervangen door: artikel 3.23d, tweede lid.

3. De puntkomma aan het slot van onderdeel a wordt vervangen door een komma.

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Indien het afvalwater dat wordt aangeboden aan de zuiveringsvoorziening meer dat 20 milligram olie per liter bevat, wordt het afvalwater voorafgaand aan de zuiveringsvoorziening geleid door een olieafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.

N

Artikel 3.27b wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste en tweede lid worden vernummerd tot tweede en derde lid.

2. Voor het tweede lid (nieuw) wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 1. Indien de zuiveringsvoorziening, bedoeld in artikel 3.23d, tweede lid, van het besluit, de gewasbeschermingsmiddelen biologisch uit het afvalwater verwijdert, voldoet de zuiveringsvoorziening, onverminderd artikel 3.27a, aan het tweede en derde lid.

3. Het tweede lid (nieuw), aanhef, komt te luiden:

Een biologische zuiveringsvoorziening bestaat uit:.

O

In het opschrift van paragraaf 3.3.3 wordt na ‘autowrakken’ ingevoegd: of wrakken van tweewielige motorvoertuigen en daarmee samenhangende activiteiten.

P

Artikel 3.27c komt te luiden:

Artikel 3.27c

  • 1. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 3.26a, onderdeel c, van het besluit vindt:

    • a. het opslaan van autowrakken voorafgaand aan het demonteren, en

    • b. het aftappen van vloeistoffen en het demonteren van vloeistof bevattende onderdelen bij het demonteren van autowrakken,

    plaats boven een vloeistofdichte vloer of verharding.

  • 2. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 3.26a, onderdeel c, van het besluit vindt:

    • a. het opslaan van wrakken van tweewielige motorvoertuigen voorafgaand aan het demonteren plaats boven een vloeistofdichte vloer of verharding, en

    • b. het aftappen van vloeistoffen en het demonteren van vloeistof bevattende onderdelen bij het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen plaats boven een bodembeschermende voorziening.

  • 3. Het tweede lid, onderdeel a, is niet van toepassing op het opslaan, bedoeld in dat onderdeel, indien:

    • a. de wrakken bij ontvangst worden geïnspecteerd op lekkage van vloeibare bodembedreigende stoffen,

    • b. de wrakken waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen lekken, worden opgeslagen boven een vloeistofdichte vloer of verharding of boven een lekbak,

    • c. het opslaan van wrakken waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen lekken, plaatsvindt boven een lekbak als bedoeld in onderdeel b en de vloeibare bodembedreigende stoffen in afwijking van artikel 3.27d, tweede lid, uiterlijk binnen 24 uur na ontvangst van het wrak van het tweewielige motorvoertuig zijn afgetapt, en

    • d. de wrakken waaruit geen vloeibare bodembedreigende stoffen lekken, worden opgeslagen boven een bodembeschermende voorziening.

Q

Artikel 3.27d wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘bij een inrichting waar autowrakken worden gedemonteerd, voldaan aan het tweede tot en met zesde lid’ vervangen door: of wrakken van tweewielige motorvoertuigen in een inrichting waar autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen worden gedemonteerd, voldaan aan het tweede tot en met zevende lid.

2. In het tweede lid, aanhef, wordt na ‘autowrak’ ingevoegd: of wrak van een tweewielig motorvoertuig.

3. In het vierde lid wordt ‘het producthergebruik’ vervangen door: de recycling als product.

4. Het vijfde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt ‘andere producten’ vervangen door: producten.

b. In onderdeel a wordt ‘hergebruikt’ vervangen door’ gerecycled’ en wordt ‘in een shredderinstallatie’ vervangen door: tijdens het shredderproces.

c. In onderdeel b wordt ‘in de shredderinstallatie’ vervangen door: tijdens het shredderproces.

5. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. Wrakken van tweewielige motorvoertuigen worden binnen de inrichting ontdaan van stoffen, preparaten of producten als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel d.

R

Artikel 3.27e wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na ‘autowrakken’ ingevoegd: of wrakken van tweewielige motorvoertuigen.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De zinsnede ‘artikel 3.27b, tweede lid’ wordt vervangen door: artikel 3.27d, tweede lid.

b. De zinsnede ‘product- of materiaalhergebruik’ wordt vervangen door: recycling als materiaal of product.

3. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De zinsnede ‘artikel 3.27b, vijfde lid’ wordt vervangen door: artikel 3.27d, vijfde lid.

b. De zinsnede ‘product- of materiaalhergebruik’ wordt vervangen door: recycling als materiaal of product.

4. Het vierde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De zinsnede ‘producthergebruik’ wordt vervangen door: recycling als product.

b. De zinsnede ‘materiaalhergebruik’ wordt vervangen door: recycling als materiaal.

S

Artikel 3.27f wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na ‘autowrakken’ telkens ingevoegd: of wrakken van tweewielige motorvoertuigen.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Na ‘autowrakken’ wordt ingevoegd: of wrakken van tweewielige motorvoertuigen.

b. De zinsnede ‘artikel 3.27b, tweede lid’ wordt vervangen door: artikel 3.27d, tweede lid.

3. In het derde lid wordt ‘artikel 3.27b, vijfde lid’ vervangen door: artikel 3.27d, vijfde lid.

4. Het vierde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De zinsnede ‘artikel 3.27b, tweede en vijfde lid’ wordt vervangen door: artikel 3.27d, tweede en vijfde lid.

b. De zinsnede ‘hergebruiken’ wordt vervangen door: recyclen.

5. In het vijfde lid wordt ‘artikel 3.27b, tweede lid’ vervangen door: artikel 3.27d, tweede lid.

T

In artikel 3.27i, eerste lid, wordt na ‘autowrakken’ ingevoegd: of wrakken van tweewielige motorvoertuigen.

U

In artikel 3.39, onderdeel f, wordt voor de puntkomma aan het slot ingevoegd: en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen.

V

Artikel 3.43 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘boven een vloeistofkerende vloer of verharding of in een lekbak’ vervangen door: boven een bodembeschermende voorziening.

2. In het derde lid wordt ‘boven een vloeistofkerende vloer’ vervangen door: boven een bodembeschermende voorziening.

3. In het vijfde lid wordt ‘boven ten minste een vloeistofkerende voorziening’ vervangen door: boven een bodembeschermende voorziening.

W

Artikel 3.44, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt ‘paragraaf 3.3.3.’ vervangen door: paragraaf 3.4.3.

2. In de onderdelen e en f wordt na ‘autowrakken’ ingevoegd: of wrakken van tweewielige motorvoertuigen.

X

Artikel 3.65 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘op grond van artikel 3.48’ vervangen door: als bedoeld in artikel 3.48.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Indien agrarische bedrijfsstoffen anders dan pluimveemest gedurende een half jaar of langer worden opgeslagen, vindt het opslaan plaats op ten minste een vloeistofkerende voorziening in een afgesloten ruimte met voldoende ventilatie. Artikel 2.3 is daarbij niet van toepassing.

3. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. Bij het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen anders dan pluimveemest op een vloeistofkerende of vloeistofdichte voorziening worden vloeistoffen opgevangen in een opslagvoorziening die wordt aangelegd overeenkomstig paragraaf 5.5 en de hoofdstukken 6 en 7 van BRL 2342 en is de vloeistofkerende of vloeistofdichte voorziening zodanig aangelegd dat de vloeistof naar deze opslagvoorziening stroomt.

4. In het zesde lid vervalt ‘mestdichte’.

5. Het achtste lid komt te luiden:

  • 8. Indien pluimveemest op een locatie gedurende een half jaar of langer wordt opgeslagen, vindt het opslaan plaats boven een vloeistofkerende voorziening in een afgesloten ruimte met voldoende ventilatie.

6. Onder vernummering van het negende lid tot tiende lid wordt na het achtste lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 9. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op pluimveemest die in een afgedekte container wordt opgeslagen.

Y

Artikel 3.66 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘op grond van artikel 3.52, onder a’ vervangen door: als bedoeld in artikel 3.52, onder a.

2. In het tweede lid wordt ‘op grond van artikel 3.52, onder b’ vervangen door: als bedoeld in artikel 3.52, onder b.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Artikel 2.11, eerste tot en met negende lid, van het besluit is niet van toepassing op het opslaan van drijfmest of digestaat.

Z

Artikel 3.67 komt te luiden:

Artikel 3.67

  • 1. Een mestbassin is voorzien van een afdekking die is aangebracht op of in het bassin, aansluitend of, in het geval van een drijvende afdekking, nagenoeg aansluitend tegen de rand van het mestbassin en boven de drijfmest of het digestaat.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een mestkelder.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op een ondergronds mestbassin, niet zijnde een mestkelder, indien dit bassin volledig is afgedekt door een gesloten constructie die als vloer kan fungeren.

AA

Artikel 3.68 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Een mestbassin en de afdekking ervan worden aangelegd overeenkomstig paragraaf 5.5 en de hoofdstukken 6 en 7 van BRL 2342.

2. In het tweede lid wordt ‘Een mestbassin en een afdekking als bedoeld in het eerste lid’ vervangen door: Een mestbassin, niet zijnde een ondergronds mestbassin, en de afdekking ervan.

BB

In artikel 3.69, achtste lid, wordt ‘Dit artikel is, behoudens dit artikellid,’ vervangen door: Het eerste tot en met zevende lid is.

CC

In artikel 3.71, eerste lid, wordt ‘op grond van artikel 3.54’ vervangen door: als bedoeld in artikel 3.54.

DD

Artikel 3.71b, vierde lid, vervalt.

EE

Aan artikel 3.71d wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 15. Het eerste tot en met het veertiende lid is niet van toepassing op het opslaan van afgewerkte olie van een gasgestookte warmtekrachtinstallatie waaraan geen stoffen zijn toegevoegd en welke geen lager vlampunt heeft dan 55 graden celsius.

FF

Artikel 3.71f wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vijfde lid wordt vernummerd tot zesde lid.

2. Na het vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. Het vierde lid is niet van toepassing op een opslagtank voor afgewerkte olie die handmatig of onder vrij verval gevuld wordt.

GG

In artikel 3.71h, tweede lid, wordt ‘bodem’ vervangen door: vloer.

HH

Artikel 3.74 wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen g en p vervallen.

2. De onderdelen h tot en met r worden geletterd g tot en met p.

3. In onderdeel p (nieuw) wordt ‘onderdelen a tot en met q’ vervangen door: onderdelen a tot en met o.

II

Artikel 3.76 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede en derde lid wordt ‘beginnend op 1 januari’ vervangen door: beginnend op dag 1 van week 1.

2. Het vijfde lid, onderdelen a, b en c komen te luiden:

  • a. de uitvoering van het meten van de hoeveelheid drainwater die wordt geloosd en de hoeveelheid voedingswater die wordt toegediend, bedoeld in artikel 3.67, eerste lid, onderdeel a, van het besluit,

  • b. het registreren van de hoeveelheid drainwater die wordt geloosd en de hoeveelheid voedingswater die is toegediend, bedoeld in artikel 3.67, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, en

  • c. het meten en registreren van het gehalte aan totaal stikstof en totaal fosfor, natrium en de geleidingswaarde in het drainwater, bedoeld in artikel 3.67, eerste lid, onderdeel b, van het besluit.

JJ

In artikel 3.78, tweede en derde lid, wordt ‘beginnend op 1 januari’ vervangen door: beginnend op dag 1 van week 1.

KK

Aan tabel 3.81a van artikel 3.81 worden de volgende typen spuitdoppen met minimale dopmaat en maximale spuitdruk toegevoegd:

Lechler IDK 120 POM

06

1 bar

Lechler IDKN 120

03

1 bar

Lechler IDKT 120

02

1,5 bar

Lechler IDKT 120

025

1,5 bar

Lechler IDKT 120 POM

06

1 bar

LL

In artikel 3.92, eerste lid, wordt ‘op grond van artikel 3.94, onder a en b’ vervangen door: als bedoeld in artikel 3.94, onder a en b.

MM

In artikel 3.93, eerste lid, wordt ‘op grond van artikel 3.94, onder c’ vervangen door: als bedoeld in artikel 3.94, onder c.

NN

In artikel 3.94, eerste lid, wordt ‘op grond van artikel 3.98’ vervangen door: als bedoeld in artikel 3.98.

OO

In artikel 3.95, eerste lid, wordt ‘op grond van artikel 3.109’ vervangen door: als bedoeld in artikel 3.109.

PP

Artikel 3.96 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Het eerste lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

a. De zinsnede ‘op grond van artikel 3.122’ wordt vervangen door: als bedoeld in artikel 3.122.

b. Er wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Artikel 2.3 is daarbij niet van toepassing.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Artikel 2.11, eerste tot en met negende lid, van het besluit is niet van toepassing op een dierenverblijf.

QQ

In artikel 3.98, eerste lid, wordt ‘op grond van artikel 3.125, derde lid’ vervangen door: als bedoeld in artikel 3.125, derde lid.

RR

Na artikel 3.101 wordt in afdeling 3.5 het opschrift van een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 3.5.7. Bereiden van brijvoer voor eigen landbouwhuisdieren

SS

In artikel 3.102 wordt ‘op grond van artikel 3.128’ vervangen door: als bedoeld in artikel 3.129b.

TT

Artikel 3.115 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘vierde lid’ vervangen door: vijfde lid.

2. Het tweede lid, onderdeel e, komt te luiden:

  • e. grond;.

3. Onder vernummering van het vijfde lid en zesde lid tot zesde en zevende lid, wordt na het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. De voorziening voor matrassen, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder n, wordt zo uitgevoerd dat de matrassen niet in contact komen met hemelwater.

4. In het zesde lid (nieuw) wordt voor de punt aan het slot ingevoegd: waarmee een zelfde niveau van recycling kan worden bereikt als bij het gescheiden houden conform het tweede lid.

UU

Het opschrift van hoofdstuk 4 komt te luiden:

HOOFDSTUK 4. BEPALINGEN MET BETREKKING TOT OVERIGE ACTIVITEITEN GELDEND VOOR EEN INRICHTING TYPE A OF EEN INRICHTING TYPE B

VV

In de artikelen 4.14, derde en vierde lid, en 4.19, tweede lid, wordt ‘op de bodem’ vervangen door ‘op de vloer’.

WW

Artikel 4.20, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Bij het vullen van een opslagtank wordt de maximale vullingsgraad niet overschreden. De maximale vullingsgraad is 90% tenzij op of bij de opslagtank een andere maximale vullingsgraad is aangegeven.

XX

In artikel 4.47, onder a, wordt ‘coaten of lijmen van van rubber’ vervangen door: coaten of lijmen van rubber.

YY

In artikel 4.104b, aanhef en onderdeel a, wordt ‘artikel 4.103a’ vervangen door: artikel 4.103aa.

ZZ

Artikel 4.104i wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Indien het afvalwater dat wordt aangeboden aan de zuiveringsvoorziening, bedoeld in het eerste lid, meer dat 20 milligram olie per liter bevat, wordt het afvalwater voorafgaand aan de zuiveringsvoorziening geleid door een olieafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.

AAA

Artikel 4.104j wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste en tweede lid worden vernummerd tot tweede en derde lid.

2. Voor het tweede lid (nieuw) wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 1. Indien de zuiveringsvoorziening, bedoeld in artikel 4.104c, tweede lid, van het besluit de gewasbeschermingsmiddelen biologisch uit het afvalwater verwijdert, voldoet de zuiveringsvoorziening, onverminderd artikel 4.104i, aan het tweede en derde lid.

3. Het tweede lid (nieuw), aanhef, komt te luiden:

Een biologische zuiveringsvoorziening bestaat uit:

4. Het derde lid (oud) vervalt.

BBB

Artikel 5.12, derde lid, komt te luiden:

  • 3. In afwijking van het eerste lid wordt het gehalte antimoon, arseen, cadmium, chroom, kobalt, koper, kwik, lood, mangaan, nikkel, thallium en vanadium periodiek eenmaal in de twee jaar gemeten en wordt het gehalte dioxinen en furanen eenmaal per jaar gemeten indien de drijver van de afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie:

    • a. aantoont dat de emissies in de lucht onder alle omstandigheden minder dan 50% bedragen van de van toepassing zijnde emissiegrenswaarden, of

    • b. aantoont dat het te verbranden of mee te verbranden afval uitsluitend bestaat uit bepaalde gesorteerde brandbare fracties ongevaarlijk afval dat niet recycleerbaar is en aan de hand van informatie over de kwaliteit van het betreffende afval en over monitoring van de emissies aantoont dat de emissies in de lucht van de in het eerste lid genoemde stoffen onder alle omstandigheden aanmerkelijk lager liggen dan de toepasselijke emissiegrenswaarden.

CCC

In de artikelen 5.18 en 5.35 wordt ‘NEN 6600’ vervangen door: NEN 6600-1.

DDD

Artikel 6.5e komt te luiden:

Artikel 6.5e

  • 1. Artikel 3.67 is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een mestbassin dat is opgericht voor 1 juni 1987.

  • 2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, wordt het mestbassin, zolang het niet is voorzien van een afdekking:

    • a. uitsluitend op of nabij de onderkant van het mestbassin gevuld, en

    • b. doelmatig gevuld, maar niet verder dan 0,20 meter onder de rand.

EEE

Artikel 6.5f vervalt.

FFF

Artikel 6.5i wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede ‘artikel 3.99’ wordt vervangen door: artikel 3.98.

2. De zinsnede ‘artikel 3.98, tweede lid, onder e’ wordt vervangen door: artikel 3.97, onder e.

GGG

In artikel 6.6a wordt ‘Artikel 4.4, onderdeel e’ vervangen door: Artikel 4.4, onderdeel f.

HHH

In artikel 6.8, eerste lid, wordt ‘46, vierde lid, 64, vierde lid, 68, zesde lid, 84c, tweede lid, 100, eerste lid, 102c, tweede lid, 102f, tweede lid, en 104d, tweede lid’ vervangen door: 4.46, vierde lid, 4.64, vierde lid, 4.68, zesde lid, 4.84c, tweede lid, 4.100, eerste lid, 4.102c, tweede lid, 4.102f, tweede lid, en 4.104d, tweede lid.

III

Artikel 6.15 komt te luiden:

Artikel 6.15

De artikelen van deze regeling treden in werking met ingang van 1 januari 2008 met uitzondering van afdeling 2.2 en bijlage 1.

JJJ

De bijlage bij deze regeling wordt als bijlage 8 bij de Activiteitenregeling milieubeheer gevoegd.

ARTIKEL II

De Regeling omgevingsrecht wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 4.5, aanhef, wordt ‘13.1, onder a, 1° tot en met 3°’ vervangen door: 13.1, onder a, onder 1° en 2°.

2. In artikel 10.3, derde lid, onderdeel b, wordt ‘tenminste één controlebezoek per drie jaar en maximaal één controlebezoek per jaar’ vervangen door:

ten minste één controlebezoek per drie jaar bij beperkte milieurisico’s en ten minste één controlebezoek per jaar bij grote milieurisico’s.

ARTIKEL III

De Waterregeling wordt als volgt gewijzigd:

1. Hoofdstuk 6, paragraaf 2, vervalt.

2. Bijlage VI vervalt.

ARTIKEL IV

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit van 6 januari 2014 tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten (nieuwe activiteiten en herstel van gebreken van wetstechnische en inhoudelijk ondergeschikte aard) (Stb. 2014, 20) in werking treedt.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

BIJLAGE 8 REKENMETHODE ZUIVERINGSRENDEMENT VAN DE ZUIVERINGTECHNISCHE WERKEN WAARVOOR HET OPENBAAR LICHAAM OF EEN ANDERE RECHTSPERSOON MET DE ZORG IS BELAST

waarin:

Vi = hoeveelheid totaal stikstof, onderscheidenlijk totaal fosfor in het door de zuiveringstechnische werken waarvoor het openbaar lichaam of een andere rechtspersoon met de zorg is belast, te zuiveren stedelijk afvalwater, in kilogram per jaar.

Ve = hoeveelheid totaal stikstof, onderscheidenlijk totaal fosfor in het door de zuiveringstechnische werken waarvoor het openbaar lichaam of een andere rechtspersoon met de zorg is belast, na zuivering te lozen stedelijk afvalwater, in kilogram per jaar.

Vi en Ve worden berekend met de onderstaande formules:

waarin:

r = het betrokken zuiveringtechnische werk (inrichting r)

n = het aantal zuiveringtechnische werken waarvoor het openbaar lichaam of een andere rechtspersoon met de zorg is belast

d = de betrokken bemonsteringsdag

Mr = het aantal bemonsteringsdagen per jaar voor inrichting r

ird = concentratie in het te zuiveren stedelijk afvalwater op dag d voor inrichting r in gram per kubieke meter

Erd = de na zuivering geloosde hoeveelheid stedelijk afvalwater op dag d door inrichting r in kubieke meter

erd = concentratie in het na zuivering te lozen stedelijk afvalwater op dag d voor inrichting r in gram per kubieke meter

TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Deze wijzigingsregeling bevat een verzameling wijzigingen van de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: Activiteitenregeling), de Regeling omgevingsrecht en de Waterregeling. De meeste wijzigingen zijn wetstechnisch en reparatoir van aard en van inhoudelijk ondergeschikte aard. Het gaat onder meer om kleine redactionele correcties, verduidelijkingen en het herstel van verwijzingen naar vernummerde artikelen of andere technische fouten. De wijzigingen zijn gericht op een goede verwerking van eerder doorgevoerde wijzigingen in de Activiteitenregeling, namelijk inzake de integratie van agrarische activiteiten1 en de zogenaamde wijziging derde tranche.2 Daarnaast vloeit de wijzigingsregeling voort uit de beperkte uitbreiding van de reikwijdte van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) in vervolg op eerdere wijzigingen waarin vergunningplichtige activiteiten onder de werking van het Activiteitenbesluit werden gebracht. De uitbreiding betreft demontage van tweewielige motorvoertuigen (brom-, snor- en motorfietsen) en lozingen vanuit rioolwaterzuiveringsinstallaties, ook wel ‘rwzi’s’ genoemd (hierna: zuiveringtechnische werken). De demontage van tweewielige motorvoertuigen was voorheen omgevingsvergunningplichtig op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De algemene regels voor zuiveringtechnische werken waren voorheen in het Waterbesluit en de Waterregeling geregeld.

Met deze wijzigingsregeling zijn de maatregelen voor de zuiveringtechnisch werken en demontage van tweewielige motorvoertuigen die voortvloeien uit het besluit van 6 januari 20143 (hierna: wijzigingsbesluit) toegevoegd aan de Activiteitenregeling.

Voor een uitgebreide toelichting op de aanleiding, het doel en de inhoud van het wijzigingsbesluit wordt verwezen naar het algemeen deel van de nota van toelichting bij dat besluit.

2. Effecten voor bedrijfsleven en overheid

In het kader van het wijzigingsbesluit en deze wijzigingsregeling is onderzoek gedaan naar de effecten daarvan voor het bedrijfsleven, de overheid en het milieu. Hierbij wordt opgemerkt dat als uitgangspunt bij het wijzigen van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling gold dat er geen verzwaringen zouden worden doorgevoerd. Verder is ervoor gezorgd dat de eisen die aan de nieuw toegevoegde activiteiten zijn gesteld, gelijk zijn aan de eisen die worden gesteld aan de reeds in de Activiteitenregeling opgenomen vergelijkbare activiteiten. In de paragrafen 6 en 7 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit is uitvoerig ingegaan op de effecten voor het bedrijfsleven, de overheid en het milieu. Voor een toelichting op de effecten wordt verwezen naar deze paragrafen.

3. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Bij de totstandkoming van het wijzigingsbesluit en deze wijzigingsregeling is veel aandacht besteed aan de verbetering van de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid. In paragraaf 7 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit is ingegaan op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Voor een toelichting op dit punt wordt derhalve verwezen naar deze paragraaf.

4. Reacties naar aanleiding van de inspraakprocedure

Bij de inspraak op het oorspronkelijke Activiteitenbesluit is veelvuldig aangegeven dat een goede beoordeling ervan niet goed mogelijk was, zonder kennis te hebben van de bijbehorende ministeriële regeling. Daarom is deze wijzigingsregeling in afwijking van de gebruikelijke procedure voor inspraak op 7 mei 2013 gelijktijdig met het ontwerp wijzigingsbesluit voorgepubliceerd. Voor een toelichting op de inspraakreacties op het ontwerpbesluit, de ontwerpregeling en de beoordeling ervan wordt verwezen naar paragraaf 10 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit.

5. Notificatie

Het ontwerp van deze wijzigingsregeling is op 24 september 2013 gemeld aan de Commissie van de Europese gemeenschappen (notificatienummer 2013/0538/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende de informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). Er zijn geen reacties op de ontwerpregeling ontvangen.

De ontwerp wijzigingsregeling is niet aan de WTO gemeld, omdat het in dat kader geen significante gevolgen heeft.

6. Inwerkingtreding

De inwerkingtreding zal niet plaatsvinden op een vast verandermoment maar op 1 maart 2014. De minimale invoeringstermijn van twee maanden voor ministeriële regelingen is voor deze wijzigingsregeling niet haalbaar. In dit kader gelden de volgende uitzonderingsgronden. De doelgroepen zijn gebaat bij spoedige inwerkingtreding van de reparaties en de totstandkoming van deze regeling is, voor zover het betreft de nieuw toegevoegde activiteiten, gepaard gegaan met overleggen met de doelgroepen.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A
Onder 1

Het begrip ‘afdekking’ met de daarbij behorende begripsomschrijving is vervallen. De begripsomschrijving van ‘afdekking’ is in artikel 3.67 (onderdeel Z) verwerkt.

Het begrip ‘LQ’ is gedefinieerd in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit en geldt ook voor de Activiteitenregeling. Het begrip is derhalve in de Activiteitenregeling vervallen.

Het begrip ‘mestdicht’ werd gebruikt in het voormalige Besluit landbouw milieubeheer. In dat besluit werd het begrip gedefinieerd aan de hand van de handleiding bij de bouwtechnische richtlijnen mestbassins.4 In het Besluit landbouw milieubeheer werd de eis van ‘mestdichtheid’ gesteld aan mestkelders, stalvloeren (zonder mestkelder), transportleidingen voor mest, alsmede aan het opslaan van vaste mest, gebruikt substraatmateriaal en afgedragen gewas of bloembollenafval gedurende een half jaar of langer.

Bij de overgang van het voormalige Besluit landbouw milieubeheer naar het Activiteitenbesluit is deze eis voor de mestkelder vervallen naar aanleiding van een discussie met de Tweede Kamer.

Voor transportleidingen voor mest zijn geen voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit. Voor stalvloeren, het opslaan van vaste mest, gebruikt substraatmateriaal en afgedragen gewas of bloembollenafval, zijnde agrarische bedrijfsstoffen, is een vloeistofkerende vloer voorgeschreven.

De term ‘mestdicht’ werd alleen in twee bepalingen gebruikt, die niet in het voormalige Besluit landbouw milieubeheer stonden. Het gaat om de opvangvoorziening voor percolaat die in artikel 3.65, vijfde lid, wordt voorgeschreven en waar het zesde lid naar terugverwijst en om het opslaan van pluimveemest in artikel 3.65, achtste lid. Het gebruik van de term ‘mestdicht’ in artikel 3.65, achtste lid, was niet juist. Het gaat hier om een eis uit de BREF intensieve veehouderijen. 5 Die BREF schrijft een ondoorlatende vloer voor, wat in de gebruikelijke terminologie beter als ‘vloeistofkerende vloer’ kan worden aangeduid dan als ‘mestdichte vloer’.

De begripsomschrijving van ‘mestdicht’ is dus alleen nodig voor de voorziening in artikel 3.65, vijfde lid. Om verdere verwarring over dit begrip te voorkomen, wordt in plaats van het gebruik van het gedefinieerde begrip ‘mestdicht’ in artikel 3.65, vijfde lid, verwezen naar de constructieve eisen van BRL 2342.6 Diezelfde verwijzing gaat gelden voor de mestkelder. Zie voor een nadere toelichting de toelichting bij de onderdelen X en AA.

Onder 2

In de begripsomschrijving van 'kwaliteitsverklaring mestbassin' was geen rekening gehouden met de definitie van het begrip 'accreditatie-instantie'. Deze omissie is met dit onderdeel hersteld.

Onderdeel B
Onder 1

In artikel 1.2, eerste lid, is de ‘AS 6700’ opgenomen. Dit normdocument inzake bodembeschermende voorzieningen heeft inmiddels de CUR/PBV-aanbeveling 44 vervangen. Het beheer van dit document is overgegaan van CUR (Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving) naar SIKB (Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer). Bij de overgang is het normdocument geactualiseerd naar aanleiding van al het binnengekomen commentaar. Zowel overheden als bedrijfsleven zijn betrokken bij het herzien van dit document. Op verzoek van het bedrijfsleven is het nu ook mogelijk om de vloeistofdichtheid van een vloer te testen met een zogenaamde luchttest. De kosten/lasten van de keuring zijn met dit nieuwe document niet significant gewijzigd.

De Activiteitenregeling milieubeheer was nog niet aangepast aan deze overgang. Aangezien de van toepassing zijnde versie van AS 6700 is opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit is ervoor gekozen in de begripsomschrijving te verwijzen naar die regeling, zodat in de Activiteitenregeling milieubeheer altijd naar dezelfde versie wordt verwezen als in de Regeling bodemkwaliteit. Onder 3 van dit onderdeel ‘CUR/PBV-aanbeveling 44’ vervallen.

Onder 2

Op 30 maart 2013 is een nieuwe, verbeterde versie van de BRL 2342 vastgesteld. Nieuwe mestbassins moeten volgens de nieuwe BRL worden aangelegd en van een kwaliteitsverklaring worden voorzien.

Onder 3

Met de regeling van 24 oktober 2012 (Stcrt. 2012, 21524) is met ingang van 1 januari 2013 paragraaf 3.2.1 (Het in werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie) ingevoegd. Met die wijziging is voor de keuring en het onderhoud van gasturbines het reguliere regime voor de keuring van stookinstallaties van paragraaf 3.2.1 van toepassing geworden en is de verwijzing naar de in artikel 1.2, eerste lid, aangewezen regels voor veilig gebruik van aardgas in gasturbines van NV Nederlandse Gasunie overbodig geworden. Het begrip ‘gasturbines’ en de daarbij behorende begripsomschrijving is derhalve vervallen.

Verder vervalt met dit onderdeel het begrip ‘ISO 15713’. De correcte benaming van ’ISO 15713’ is ‘NEN-ISO 15713’. Onder deze naam is de norm in artikel 1.2, eerste lid, aangewezen.

Vervolgens is met de regeling van 24 oktober 2012 (Stcrt. 2012, 21524) met ingang van 1 januari 2013 een klassenindeling voor het lassen van metalen in de Activiteitenregeling vastgelegd in plaats van een verwijzing naar de Praktijkrichtlijn Lasrook die in 2006 is vervallen. Abusievelijk is in artikel 1.2, eerste lid, het begrip ‘Praktijkrichtlijn lasrook’ en de daarbij behorende begripsomschrijving niet vervallen. Met dit onderdeel is deze omissie hersteld.

Onder 4

Tot slot is NEN 5744 geactualiseerd. De nieuwe versie van deze norm is opgenomen in de begripsomschrijving daarvan in artikel 1.2, eerste lid.

Onderdeel C

Voor een toelichting op de aanpassing van artikel 2.1 wordt verwezen naar de toelichting op onderdeel B.

Onderdeel D

De wijzigingen die in artikel 2.3 zijn aangebracht, hebben de volgende achtergrond.

Tot 1 januari 2013 was de regeling als volgt. Als voor een activiteit in de regeling is voorgeschreven dat deze plaatsvindt boven een ‘bodembeschermende voorziening’, heeft degene die de activiteit uitvoert de keuze uit verschillende mogelijkheden. De belangrijkste keuzemogelijkheden volgen uit de definitie van ‘bodembeschermende voorziening’ en zijn een vloeistofdichte vloer of verharding en een vloeistofkerende vloer. Indien wordt gekozen voor een vloeistofdichte vloer dan geldt artikel 2.4. Indien wordt gekozen voor een vloeistofkerende vloer, dan moeten aanvullende maatregelen worden getroffen, het zogenaamde incidentenmanagement. Artikel 2.3 bevat eisen voor het incidentenmanagement.

Deze regeling is sinds 1 januari 2013 gewijzigd. Met de integratie van de agrarische activiteiten in het Activiteitenbesluit7 en de -regeling8 met ingang van die datum zijn er wel enkele activiteiten opgenomen waarbij met een vloeistofkerende vloer kan worden volstaan, zonder dat incidentenmanagement nodig is. Het gaat om artikel 3.65, vierde lid (het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen) en artikel 3.96 (de vloer van dierenverblijven zonder mestkelder).

Om dat te regelen was bij de regeling van 16 oktober 2012 (Stcrt. 2012, 21101) aan artikel 2.3 een negende lid toegevoegd waarin werd bepaald in welke gevallen het incidentenmanagement niet verplicht was bij de toepassing van een vloeistofkerende voorziening.

Vanwege de toegankelijkheid van de regels is er nu voor gekozen deze uitzonderingen op te nemen in de voorschriften die aan de activiteit worden gesteld. Dat is gebeurd in artikel 3.65, vierde lid, en artikel 3.96 (onderdelen X en PP).

Onderdeel E

In artikel 2.15, zesde en negende lid, wordt een aantal keren het cijfer ‘0’ gebruikt, terwijl het de hoofdletter ‘O’ had moeten zijn. Met dit onderdeel is deze technische onvolkomenheid hersteld.

Onderdeel F

Het opschrift van hoofdstuk 3 was abusievelijk niet in lijn met het opschrift van hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit. Met dit onderdeel is hierin alsnog voorzien.

Onderdeel G

De formulering van artikel 3.4f, vierde lid, was niet juist, waardoor het artikel niet te begrijpen was. Met dit onderdeel is deze omissie hersteld.

Onderdeel H

Voor een toelichting op de aanpassing van artikel 3.4g wordt verwezen naar de toelichting op onderdeel B. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat voor visuele inspectie Protocol 6701 – Visuele inspectie vloeistofdichtheid, versie 1.1, vastgesteld op 7 juni 2012 van toepassing is. Dat volgt uit bijlage C bij de Regeling bodemkwaliteit.

Onderdeel I
Algemeen

In verband met het opheffen van de watervergunningplicht voor het brengen van stoffen uit zuiveringtechnische werken op oppervlaktewaterlichamen met toepassing van algemene regels is tevens de Activiteitenregeling gewijzigd en vervallen paragraaf 2 van hoofdstuk 6 (bestaande uit artikel 6.3) van de Waterregeling en bijlage VI bij die regeling.

artikelen 3.4ga tot en met 3.4gd

De wijziging van de Activiteitenregeling bevat voorschriften ten aanzien van het meten van de hoeveelheid te lozen stedelijk afvalwater, het bemonsteren, analyseren en berekenen van de concentraties biologisch en chemisch zuurstofverbruik en onopgeloste stoffen in het te lozen afvalwater en de concentraties totaal stikstof en totaal fosfor in het te zuiveren en het geloosde stedelijk afvalwater. Deze regeling komt grotendeels overeen met de inhoud van bijlage VI bij de Waterregeling en bijlage 1D bij Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PbEG L 135) (hierna: richtlijn stedelijk afvalwater). Voor de concentratie totaal fosfor is de voormalige berekeningsmethode uit de Waterregeling – uitgedrukt als de voortschrijdend gemiddelde concentratie in 10 opeenvolgende etmaalmonsters – gewijzigd in een voortschrijdend jaargemiddelde concentratie totaal fosfor. Ook voor totaal stikstof is de berekeningsmethode gewijzigd in een voortschrijdend jaargemiddelde concentratie. Voorheen werd deze berekend als een jaargemiddelde over één kalenderjaar. Het voortschrijdend jaargemiddelde biedt de mogelijkheid om op elk willekeurig moment te toetsen op de grenswaarde zodat men niet meer hoeft te wachten tot het einde van het kalenderjaar. Bij de berekeningmethode van het voortschrijdend jaargemiddelde totaal stikstof of totaal fosfor wordt uitgegaan van de verkregen meetresultaten uit de NEN-analyses voor totaal stikstof of totaal fosfor zonder dat voorbewerking van deze analyseresultaten heeft plaatsgevonden.

De in de richtlijn stedelijk afvalwater vastgelegde analysemethoden zijn in de tijd aangepast aan de ontwikkelingen in de analysetechnieken, maar hebben niet geleid tot daadwerkelijke verschillen in uitvoering van de analysemethoden. De meetresultaten zijn hierdoor vergelijkbaar. Dit kan anders zijn bij de analysemethode voor de bepaling van onopgeloste stoffen (NEN 6621) die nog gebruik maakt van een papierfilter. De huidige standaardmethode (NEN-EN 872) maakt gebruik van een glasvezelfilter. Uit vergelijking van beide analysemethoden voor de bepaling van onopgeloste stoffen in effluenten van zuiveringtechnische werken is te verwachten dat wijziging van NEN 6621 in NEN-EN 872 niet zal leiden tot substantieel meer overschrijdingen van deze lozingsnorm. Bovendien zijn de meeste waterschappen al overgestapt van de oude (NEN 6621) naar de nieuwe analysemethode (NEN-EN 872) en wordt de nieuwe analysemethode dus al als standaard analysemethode voor onopgeloste stoffen gebruikt. Om deze redenen is ervan afgezien de oude analysemethode NEN 6621 specifiek voor de bepaling van onopgeloste stoffen bij zuiveringtechnische werken in deze regeling te handhaven.

Onderdeel J

Met de inwerkingtreding van de regeling van 24 oktober 2012 (Stcrt. 2012, 21524) valt sinds 1 januari 2013 het afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen ook onder paragraaf 3.3.1. Het komt namelijk voor dat spoorvoertuigen afgetankt worden vanuit een tankwagen. Daarvoor bevatte de regeling geen specifieke eisen. Met deze wijzigingsregeling zijn die eisen opgenomen in artikel 3.22 (inzake externe veiligheid) en in artikel 3.25 (inzake het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico).

De strekking van de voorschriften is dat deze activiteit uitsluitend plaatsvindt op een daarvoor ingerichte tankplaats, waar de noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen en bodembeschermende voorzieningen zijn aangebracht. Over het algemeen zal dit een plaats zijn waar ook een vaste afleverinstallatie aanwezig is, maar het kan ook een tankplaats zijn die speciaal voor het aftanken vanuit een tankwagen is ingericht.

De veiligheidsvoorzieningen die in artikel 3.22 zijn opgenomen houden het volgende in. Bij het tanken moet de motor uitgeschakeld zijn (tweede lid, voorschrift 3.4.4 van PGS 28).9 Bij het gebruik van een vulpistool moet het pistool zijn voorzien van een afslagmechanisme en een valbeveiliging (tweede lid, voorschriften 3.4.7 en 3.4.8 van PGS 28). Bij gebruik van een vaste aansluiting moet een overvulbeveiliging worden toegepast (derde lid). Er moet een bedieningsvoorschrift en een waarschuwingsbord met de tekst ‘roken en open vuur verboden’ aanwezig zijn (tweede lid, voorschrift 3.4.11 van PGS 28). Tijdens het gehele afleverproces moet degene die aflevert toezicht blijven houden en de aflevering stopzetten indien dat nodig is. Het weglopen tijdens het aftanken is niet toegestaan (vierde lid).

Als de afleverinstallatie op een spoorwegemplacement ligt, is het belangrijk dat de locatie op een veilige manier bereikbaar is voor tankwagens. Dat is in ieder geval het geval bij een tankplaats die speciaal voor tankwagens is ingericht. Het kan zijn dat een vaste afleverinstallatie hier ook voor geschikt is. De veiligheidsvoorzieningen en vloeistofdichte vloer of verharding zijn daar in ieder geval al wel aanwezig. Toch is niet iedere vaste afleverinstallatie geschikt voor gebruik door tankwagens. De spoorbeheerder moet expliciet de betreffende locatie voor afleveren vanuit een tankwagen hebben aangewezen (vijfde lid). De spoorbeheerder is overigens ook de inrichtinghouder voor het spoorwegemplacement.

Onderdeel K

Aan artikel 3.25 zijn de eisen ten aanzien van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voor het afleveren vanuit een tankwagen toegevoegd. Het spoorvoertuig dat wordt afgetankt moet boven een vloeistofdichte vloer of verharding staan opgesteld. Dat geldt niet voor het gehele spoorvoertuig, want dat is vaak langer dan de vloeistofdichte vloer of verharding. Het spoorvoertuig moet zo zijn opgesteld dat in ieder geval het vulpunt boven de vloeistofdichte vloer of verharding staat. Het vulpunt moet zich in de lengterichting van het spoor minimaal 1 meter van de rand van de vloeistofdichte vloer of verharding bevinden. Verder moet de tankwagen op een bodembeschermende voorziening staan die aansluit of de vloeistofdichte vloer of verharding. Een mogelijke invulling hiervan is dat de tankwagen op een vloeistofkerende vloer staat en dat op grond van artikel 2.4 van de Activiteitenregeling eventueel gemorste brandstof wordt opgeruimd. De afleverslang mag niet buiten de bodembeschermende voorzieningen komen en zeker geen sporen kruisen.

Met de wijziging van de Activiteitenregeling vanwege de actualisatie van een aantal PGS-richtlijnen10 zijn enkele eisen toegevoegd aan de vloeistofdichte vloer van de afleverinstallatie. Die bepalingen zijn op grond van het elfde lid (nieuw) van overeenkomstige toepassing op de vloeistofdichte vloer of verharding. Het afleveren vanuit een tankwagen zal immers vaak plaatsvinden bij een vaste afleverinstallatie.

Artikel 3.25, twaalfde lid, over het afleveren van ureum, is ook van toepassing verklaard op het afleveren aan spoorvoertuigen, omdat het afleveren daarvan in de toekomst ook bij spoorvoertuigen zal voorkomen. Het afleveren van ureum moet plaats vinden boven de bodembeschermende voorziening die ook voor het afleveren van vloeibare brandstof is voorgeschreven.

Onderdeel L, CC, LL tot en met OO, QQ en SS

In de artikelen 3.27, 3.71, 3.92 tot en met 3.95, 3.98 en 3.102 is de verwijzing naar het artikel van het besluit dat verwijst naar het milieubelang waarvoor regels worden gesteld abusievelijk afwijkend geformuleerd (‘op grond van’) ten opzichte van de formulering van de meeste gelijksoortige bepalingen in de regeling (‘als bedoeld in’). Deze omissie is met deze onderdelen hersteld.

Onderdeel M

In vervolg op het wijzigingsbesluit waarmee een nieuw artikel 3.23d in het Activiteitenbesluit is opgenomen en artikel 3.24 is gewijzigd, is de verwijzing naar de zuiveringsvoorziening in artikel 3.27a, eerste lid, van de Activiteitenregeling aangepast. Dat lid verwees nog naar artikel 3.24, tweede en vierde lid. Nu wordt verwezen naar artikel 3.23d, tweede lid.

De zuiveringsvoorziening, bedoeld in artikel 3.27a, eerste lid, blijkt uitsluitend goed te functioneren als het afvalwater nauwelijks of geen olie bevat. Daartoe is in het tweede lid de voorwaarde opgenomen dat het afvalwater maximaal 20 milligram olie per liter mag bevatten en dat anders een olieafscheider, voorafgaande aan de zuiveringsvoorziening, noodzakelijk is.

Onderdeel N

De formulering van artikel 3.27b maakte onvoldoende duidelijk dat het hier gaat om een bijzondere variant van de zuiveringsvoorziening, bedoeld in artikel 3.27a. Door het nieuwe eerste lid wordt duidelijk dat het gaat om een zuiveringsvoorziening als bedoeld in artikel 3.23d van het besluit, om welke variant het gaat en dat artikel 3.27b een aanvulling is op artikel 3.27a. Een invulling van de manier waarop aan deze artikelen voldaan kan worden, wordt gegeven in de Handleiding Biofilter Fytobac Helioset, Werking, constructie en gebruik voor afvalwater verontreinigd met gewasbeschermingsmiddelen.11

Onderdeel O

Het opschrift van paragraaf 3.3.3 is met dit onderdeel in lijn gebracht met het opschrift van paragraaf 3.3.3 van het Activiteitenbesluit (Het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen en daarmee samenhangende activiteiten).

Onderdelen P tot en met T
Artikelen 3.27c tot en met 3.27i

Aan de artikelen 3.27c tot en met 3.27i zijn regels toegevoegd ten aanzien van de activiteit ‘het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen’ en daarmee samenhangende activiteiten zoals het opslaan voorafgaand aan het demonteren. Een groot aantal van deze regels is opgesteld om een doelmatig beheer van afvalstoffen te bereiken. De regels zijn grotendeels afgeleid van de regels die gelden voor het demonteren van autowrakken. In een aantal gevallen wijken ze daarvan af. Wat betreft de artikelen ten aanzien van de bescherming van de bodem is aansluiting gezocht bij de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB).

Onderdeel P

Met het opnemen van de activiteit ‘het opslaan van autowrakken voorafgaand aan het demonteren’ in artikel 3.26 van het Activiteitenbesluit en met de wijziging van artikel 3.27c van de Activiteitenregeling is de afstemming tussen paragraaf 3.4.3 en paragraaf 3.3.3 verbeterd. Vóór deze aanpassing waren op de activiteit ‘het opslaan van autowrakken’ voorschriften uit zowel paragraaf 3.4.3 als paragraaf 3.3.3 van toepassing.

Door deze aanpassing geldt dat voor het opslaan van autowrakken voorafgaand aan de demontage bij een autodemontagebedrijf altijd paragraaf 3.3.3 van toepassing is. Paragraaf 3.4.3 is van toepassing op het opslaan van autowrakken bij andere bedrijven (bijvoorbeeld een bergingsbedrijf).

Datzelfde onderscheid wordt gemaakt bij het opslaan van wrakken van tweewielige motorvoertuigen. Het opslaan van wrakken van tweewielige motorvoertuigen voorafgaand aan de demontage bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen is met de aanpassing ook onder paragraaf 3.3.3 gebracht. Het opslaan van wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij andere bedrijven valt onder paragraaf 3.4.3.

Artikel 3.27c, derde lid, bevat een afwijking van het tweede lid, onderdeel a. In artikel 3.27c, tweede lid, onderdeel a, wordt voorgeschreven dat het opslaan van wrakken van tweewielige motorvoertuigen voorafgaand aan het demonteren boven een vloeistofdichte vloer of verharding plaatsvindt. In artikel 3.27c, derde lid, is bepaald in welke gevallen een andere bodembeschermende voorziening kan worden getroffen om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen. Als bij de ontvangst van het wrak van een tweewielig motorvoertuig wordt geïnspecteerd of er lekkage van bodembedreigende stoffen plaatsvindt, is het toegestaan om een bodembeschermende voorziening te treffen anders dan een vloeistofdichte vloer of verharding. In het geval uit de inspectie bij ontvangst blijkt dat er uit het wrak vloeibare bodembedreigende stoffen lekken, mag het wrak worden opgeslagen boven een lekbak (of vloeistofdichte vloer of verharding). Bij opslag boven een lekbak moeten de vloeibare bodembedreigende stoffen uiterlijk binnen 24 uur na ontvangst van het wrak zijn afgetapt en niet binnen tien werkdagen zoals voorgeschreven in artikel 3.27d, tweede lid. Ingeval uit de inspectie bij ontvangst blijkt dat er uit het wrak geen vloeibare bodembedreigende stoffen lekken, mag het wrak worden opgeslagen boven een bodembeschermende voorziening zoals een vloeistofkerende vloer. In dat geval moet het aftappen van vloeibare bodembedreigende stoffen binnen tien werkdagen na ontvangst plaatsvinden.

Artikel 3.27c, tweede lid, onderdeel b

In dit onderdeel staat een voorschrift om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen bij het aftappen van vloeistoffen en het demonteren van vloeistof bevattende onderdelen bij wrakken van tweewielige motorvoertuigen. In het eerste lid van artikel 3.27c staat het voorschrift om een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren bij het aftappen van vloeistoffen en het demonteren van vloeistof bevattende onderdelen bij autowrakken.

Indien binnen de inrichting zowel wrakken van tweewielige motorvoertuigen als autowrakken worden gedemonteerd boven dezelfde plek dan volgt uit beide bepalingen dat de demontage van zowel het autowrak als het wrak van het tweewielig motorvoertuig moet plaatsvinden boven een vloeistofdichte vloer of verharding.

Onderdeel Q

Door deze wijziging van artikel 3.27d geldt artikel 3.27d, eerste tot en met vierde lid, en het vijfde lid, onderdeel d, ook voor het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen. Dit betekent dat net als bij autowrakken de in het tweede lid genoemde (vloei)stoffen, preparaten of producten binnen tien werkdagen uit het wrak van het tweewielige motorvoertuig moeten zijn afgetapt of gedemonteerd (tenzij wordt voldaan aan de uitzondering van artikel 3.27c, derde lid) en vervolgens opgeslagen. Het is de bedoeling dat alle in het vijfde lid genoemde materialen en onderdelen die als product of materiaal kunnen worden gerecycled, selectief gedemonteerd, gescheiden opgeslagen en gescheiden afgevoerd worden. Er mag van worden uitgegaan dat voor de meeste genoemde materialen en onderdelen reële recyclingmogelijkheden bestaan en dat deze selectief gedemonteerd en afgevoerd worden ten behoeve van recycling als materiaal of product.

Het is derhalve niet nodig om deze voorschriften in het vijfde lid toe te passen op het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen. Hierop geldt een uitzondering als het gaat om onderdelen die lood, kwik, cadmium of zeswaardig chroom bevatten. Gelet op de aard van deze stoffen geldt voor deze onderdelen de verplichting dat deze uit het wrak van een tweewielig motorvoertuig worden gedemonteerd (artikel 3.27d, zevende lid).

Onder 3 en 4 zijn enkele onjuiste formuleringen in het artikel verbeterd. De toevoeging ‘andere’ voor ‘producten’ in het vijfde lid, aanhef, was in deze context onjuist en is daarom verwijderd. Verder was bij het verplaatsen van dit artikel bij de wijzigingsregeling van 24 oktober 2012 (Stcrt. 2012, 21524) die per 1 januari 2013 in werking is getreden, uitgegaan van een verkeerde versie van het artikel, waardoor in het vierde en vijfde lid abusievelijk de term ‘hergebruik’ werd gebruikt. Deze term was met een wijzigingsregeling12 vanwege de implementatie van de Kaderrichtlijn afvalstoffen, waarmee ook de Activiteitenregeling werd gewijzigd vervangen, door ‘recycling’. Met deze wijziging is nu het juiste begrip ‘recyclen’ gebruikt.

Tot slot is onder 4 nog en andere wijziging aangebracht. Om onduidelijkheid over de zinsneden ‘in een shredderinstallatie’ (vijfde lid, onder a) en ‘in de shredderinstallatie’ (vijfde lid, onder b) te voorkomen zijn met inachtneming van de autowrakkenrichtlijn deze zinsneden gewijzigd in ‘tijdens het shredderproces’. Met het shredderproces wordt de activiteit in de shredder (het stuktrekken of versnijden van autowrakken) bedoeld maar ook de (na)scheidingsstappen die na de activiteit in de shredder tijdens het shredderproces plaats kunnen vinden.

Onderdeel R en S

De artikelen 3.27e en 3.27f, die zien op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zijn met deze wijziging ook van toepassing op het opslaan van afgetapte of gedemonteerde stoffen, preparaten of producten (artikel 3.27e) en het opslaan van wrakken van tweewielige motorvoertuigen (artikel 3.27f) bij een inrichting waar wrakken van tweewielige motorvoertuigen worden gedemonteerd.

Verder werd in deze artikelen op een aantal plaatsen abusievelijk verwezen naar artikel 3.27b, waar dat artikel 3.27d had moeten zijn.

Tot slot is ook in de artikelen 3.27e en 3.27f abusievelijk sprake van ‘hergebruik’ in plaats van ‘recyclen’. Zie ook de toelichting bij onderdeel Q.

Met deze onderdelen zijn beide technische onvolkomenheden hersteld.

Onderdeel T

Met dit onderdeel is artikel 3.27i is ook van toepassing op het neutraliseren van airbags of gordelspanners uit wrakken van tweewielige motorvoertuigen en het opslaan van gedemonteerde airbags of gordelspanners die uit deze wrakken zijn gedemonteerd.

Onderdeel U

Artikel 3.39 bepaalt welke goederen, voor zover die niet zijn verontreinigd met bodembedreigende stoffen, worden aangemerkt als ‘inerte goederen’. Door de aanvulling van artikel 3.39, onder f, wordt een ‘wrak van het tweewielige motorvoertuig waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt’ als een ‘inert goed’ aangemerkt.

Onderdeel V

Het voorschrijven van een bodembeschermende voorziening geeft een aantal keuzemogelijkheden aan degene die de activiteit uitvoert. In artikel 3.43 was op drie plaatsen aangegeven waar die keuzemogelijkheden, zoals een ‘vloeistofkerende voorziening’, in dat geval op neer konden komen. Vanuit de systematiek bezien is het beter om de algemene omschrijving van ‘bodembeschermende voorziening’ aan te houden. Inhoudelijk is er door deze aanpassing geen sprake van een verandering van de voorschriften. Er vindt geen beperking plaats van de keuzemogelijkheden.

Onderdeel W

De wijziging van artikel 3.44, eerste lid, houdt in dat wrakken van tweewielige motorvoertuigen of onderdelen daarvan waarin zich vloeistoffen bevinden, in ieder geval worden beschouwd als goederen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken.

Verder was abusievelijk naar het paragraafnummer 3.3.3 verwezen. Met deze wijziging wordt naar de juiste paragraaf (3.4.3) verwezen.

Onderdeel X

In artikel 3.65 is de verwijzing naar artikel 3.48 van het besluit dat verwijst naar het milieubelang waarvoor regels worden gesteld abusievelijk afwijkend geformuleerd (‘op grond van’) ten opzichte van de formulering van de meeste gelijksoortige bepalingen in de regeling (‘als bedoeld in’). Deze omissie is met dit onderdeel hersteld.

In het vierde lid is opgenomen dat bij de vloeistofkerende vloer geen incidentenmanagement hoeft te worden toegepast. Zie voor een toelichting de toelichting op onderdeel D.

In het vijfde lid is de eis die volgde uit de voormalige begripsomschrijving van het begrip ‘mestdicht’ verwerkt door te verwijzen naar de delen van BRL 2342 waarin de technische eisen staan die tot mestdichtheid leiden. De term ‘mestdicht’ wordt niet meer gebruikt. Hierbij wordt opgemerkt dat de certificaat-eisen van BRL 2342 hier niet van toepassing zijn.

Wat in het achtste lid werd geregeld, wordt nu in het achtste en negende lid (nieuw) geregeld.

Het gaat hier om twee bijzondere regelingen voor pluimveemest. De reden voor de uitzondering is dat pluimveemest geen percolaat vormt als het droog blijft.

In de eerste plaats is in het achtste lid een voorschrift opgenomen voor het opslaan van pluimveemest, langer dan 6 maanden. Dit voorschrift is afkomstig uit de BREF intensieve veehouderijen; daarin wordt voorgeschreven dat het opslaan van pluimveemest plaats moet vinden in een afgesloten ruimte met een ondoorlatende vloer en voldoende ventilatie. De ondoorlatende vloer komt overeen met een vloeistofkerende voorziening.

In de tweede plaats wordt in het negende lid een uitzondering opgenomen op de eisen voor het opslaan van pluimveemest, langer dan 2 weken, maar korter dan 6 maanden. Het tweede en derde lid geven voor alle agrarische bedrijfsstoffen, dus ook voor pluimveemest, aan dat de opslag plaats vindt boven een absorberende laag, en onder afdekking. Het nieuwe negende lid staat voor pluimveemest ook opslag in een afgedekte container toe. Als pluimveemest op die manier wordt opgeslagen is percolaatvorming niet aannemelijk, en zal ook geen bodemverontreiniging optreden.

In tabelvorm zijn de bodemeisen nu als volgt:

 

Pluimveemest

Andere agrarische bedrijfsstoffen dan pluimveemest (en kuilvoer*)

< 2 weken

Geen eisen

Geen eisen

2 weken – 6 maanden

Boven absorberende laag met afdekking (lid 2/3) OF in afgedekte container (lid 9)

Boven absorberende laag met afdekking (lid 2/3)

> 6 maanden

Boven vloeistofkerende voorziening in afgesloten ruimte met voldoende ventilatie (lid 8)

Boven vloeistofkerende voorziening met opvangvoorziening voor uitzakkend vocht (lid 4/5)

* De bodemvoorschriften zijn niet van toepassing op opslag van kuilvoer met een droge stofgehalte van ten minste 40% indien de opslag zodanig is afgedekt dat contact met regenwater niet plaatsvindt.

Onderdeel Y

In artikel 3.66 is de verwijzing naar artikel 3.52, onderdeel a en onderdeel b, van het besluit dat verwijst naar het milieubelang waarvoor regels worden gesteld abusievelijk afwijkend geformuleerd (‘op grond van’) ten opzichte van de formulering van de meeste gelijksoortige bepalingen in de regeling (‘als bedoeld in’). Deze omissie is met dit onderdeel hersteld.

Net als voor agrarische bedrijfsstoffen geldt de verplichting voor het nul- en eindsituatieonderzoek van artikel 2.11 van het besluit niet voor het opslaan van drijfmest. Dit is geregeld in het nieuwe tweede lid.

Onderdeel Z

Het gedefinieerde begrip ‘afdekking’ komt met deze wijzigingsregeling te vervallen (onderdeel A). De eisen die uit de begripsomschrijving volgden zijn nu opgenomen in artikel 3.67. Voor de leesbaarheid is het artikel opgesplitst in drie leden. De eisen van het eerste lid zijn een samenvoeging van het voorschrift dat een mestbassin is voorzien van een afdekking en de voormalige begripsomschrijving van ‘afdekking’. De uitzonderingen zijn ondergebracht in het tweede en derde lid.

In het tweede lid is geregeld dat de afdekplicht niet geldt voor een mestkelder. Volgens de begripsomschrijving van ‘mestkelder’ in artikel 1.1, eerste lid, van het besluit, ligt een mestkelder altijd onder een dierenverblijf en is dus voorzien van een afdekking die als vloer kan fungeren. In stallen komen open vloerdelen zoals roosters voor. Dat soort open constructies draagt bij aan de ammoniakemissie uit het huisvestingssysteem. De eisen hieraan worden gesteld in het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en niet in dit besluit.

In het derde lid is geregeld dat de afdekplicht ook niet geldt voor een ondergronds mestbassin, als het is voorzien van een afdekking die als vloer kan fungeren. Ten opzichte van de definitie van ‘afdekking’, die is vervallen en waarvan de begripsomschrijving in dit artikel is verwerkt, is toegevoegd dat het ‘dak’ van het ondergrondse mestbassin niet alleen als vloer moet kunnen fungeren, maar ook gesloten moet zijn uitgevoerd. Voor een ondergronds mestbassin dat niet onder een dierenverblijf ligt, is een roostervloer dus niet voldoende als afdekking. Bovendien moet de constructie het gehele bassin afdekken.

Onderdeel AA

Artikel 3.68, eerste lid, is aangepast. Onder het voormalige Besluit landbouw milieubeheer moesten bovengrondse mestbassins voldoen aan bouwtechnische richtlijnen en gold voor mestkelders alleen de eis dat ze mestdicht moesten zijn. Bij de omzetting naar de Activiteitenregeling werden de bouwtechnische richtlijnen vervangen door BRL 2342. In het ontwerpstadium van de regeling van 16 oktober 2012 (Stcrt. 2012, 21101) is overwogen ook voor mestkelders alle eisen van BRL 2342 te laten gelden. Dat was inclusief kwaliteitsverklaring voor de aanleg en voor de aannemer die het werk uitvoert. In een discussie met de Tweede Kamer13is echter toegezegd de eisen voor mestkelders niet op die manier aan te passen en met name de kwaliteitsverklaring niet te laten gelden. In de vastgestelde regeling (van 16 oktober 2012) werden echter helemaal geen eisen gesteld aan mestkelders. Dit ging verder dan de gedane toezegging.

In deze aanpassing zijn in het eerste lid alleen de constructie-eisen van BRL 2342 van toepassing verklaard. De constructie-eisen zijn te vinden in de aangegeven delen van de BRL 2342. De overige delen van BRL 2342 (waarnaar het eerste lid dus niet verwijst) hebben betrekking op de kwaliteitsverklaring. De constructie-eisen waarnaar het eerste lid (nieuw) verwijst komen feitelijk overeen met de eisen die volgden uit de eis van ‘mestdichtheid’ van het Besluit landbouw milieubeheer. Het eerste lid kan door deze aanpassing ook gelden voor mestkelders.

In het tweede lid was geregeld wanneer een mestbassin een kwaliteitsverklaring moest hebben. Deze verplichting blijft uitsluitend gelden voor bovengrondse mestbassins. Mestkelders moeten dus wel aan de constructie-eisen van BRL 2342 voldoen, maar hoeven geen kwaliteitsverklaring te hebben. Omdat het eerste lid is aangepast, is de formulering van het tweede lid eveneens aangepast om de werkingssfeer hetzelfde te houden.

Onderdeel BB

Artikel 3.69, achtste lid, was niet duidelijk geformuleerd. Zonder de inhoud aan te passen is de bedoeling van dat lid dat artikel 3.69, eerste tot en met zevende lid, niet van toepassing is op een ondergronds mestbassin voorzien van een afdekking die als vloer kan fungeren.

Onderdeel CC

Zie voor een toelichting op de wijziging van artikel 3.71 de toelichting op onderdeel L.

Onderdelen DD en EE

Bij het uitvoeren van een toezegging aan de Tweede Kamer in het schriftelijk overleg over de integratie van agrarische activiteiten in het Activiteitenbesluit (Kamerstukken II 2010/11, 29 383, nr. 156) was in artikel 3.71b abusievelijk bepaald dat paragraaf 3.4.9 in zijn geheel niet van toepassing was op het opslaan van afgewerkte olie van gasgestookte WKK-installaties. De toezegging had echter alleen betrekking op het versoepelen vanwege het lagere milieurisico door het lagere vlampunt. Dit had alleen betrekking moeten hebben op de veiligheidseisen in artikel 3.71d. Deze omissie is hersteld met het vervallen van artikel 3.71b, vierde lid, en het toevoegen van een nieuw zevende lid aan artikel 3.71d. De eisen in deze paragraaf ter bescherming van de bodem en het oppervlaktewater worden door deze wijziging dus wel van toepassing.

Onderdeel FF

Aan artikel 3.71f is een vijfde lid toegevoegd waarin is opgenomen dat de overvulbeveiliging niet is vereist voor een opslagtank met afgewerkte olie die met de hand of onder vrij verval wordt gevuld. Zodra de opslagtank geautomatiseerd (met een pomp) wordt gevuld is de overvulbeveiliging wel vereist. Deze vrijstelling is in ieder geval van toepassing voor de opslag van afgewerkte olie van een gasgestookte WKK-installatie, die in het nieuwe zevende lid van artikel 3.71d is vrijgesteld van de eisen van artikel 3.71d. Er is voor gekozen de vrijstelling breder van toepassing te verklaren, omdat voor de relevantie van de overvulbeveiliging het vlampunt van de afgewerkte olie niet relevant is. Bepalend is de manier van vullen van de tank. Daar is de vrijstelling in dit nieuwe lid dan ook aan gekoppeld.

Onderdeel GG

In artikel 3.71h, tweede lid, zorgde de term ‘bodem’ voor verwarring vanwege de termen die worden gebruikt in het kader van de bodembescherming. Met deze bepaling is bedoeld dat een tank niet op de vloer is opgesteld, bijvoorbeeld omdat hij op een verhoging of hangend is uitgevoerd. Het gebruik van het begrip ‘vloer’ voorkomt verwarring.

Onderdeel HH

In artikel 3.74 is de volgorde van het lozen, bedoeld in artikel 3.63, vierde lid, onder b, van het Activiteitenbesluit bepaald. Onderdeel g is vervallen omdat het lozen van uitlek- en percolatiewater van gebruikt substraatmateriaal op het oppervlaktewater niet meer is toegestaan. Dit volgt uit een aanpassing van artikel 3.63, eerste lid, van het besluit. In onderdeel p stond ‘afvalwater dat afkomstig is van het reinigen van de buitenkant van de kas’. Aangezien deze lozing niet is toegestaan, is onderdeel p vervallen. De resterende onderdelen van artikel 3.74 zijn verletterd en de verwijzing in artikel o (nieuw) is aangepast.

Onderdeel II, onderdeel 1, en JJ

In artikel 3.76, tweede en het derde lid, en in artikel 3.78, tweede en derde lid, wordt ‘beginnend op 1 januari’ vervangen door ‘beginnend op dag 1 van week 1’. Het gaat hier om de periodieke registratie door de tuinder van hoeveelheden voedingswater en drainwater die worden toegediend, onderscheidenlijk hergebruikt en geloosd en om de periodieke registratie van de gehaltes aan stikstof, fosfor en natrium en de geleidbaarheid van het water. Deze registraties dienen te geschieden per periode van 4, 8 of 13 weken, afhankelijk van de parameter. Deze gegevens worden in de praktijk geregistreerd per hele week. De datum van 1 januari zal in de meeste jaren niet overeenkomen met de eerste dag van een week. In die gevallen sluit het voorschrift, om te registreren over periodes van 4, 8 of 13 weken beginnend op 1 januari, niet goed aan bij de praktijk. Daarom is nu als beginmoment gesteld ‘dag 1 van week 1’.

Onderdeel II, onderdeel 2

In artikel 3.76, vijfde lid, was vastgelegd dat het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen ten aanzien van handelingen (meten en registreren) als bedoeld in artikel 3.76, eerste, tweede en derde lid. In het eerste tot en met derde lid wordt verwezen naar dezelfde handelingen (meten en registreren) in artikel 3.67 van het Activiteitenbesluit.

De formulering van het vijfde lid is aangepast, waardoor nu rechtstreeks naar artikel 3.67 van het Activiteitenbesluit wordt verwezen.

Hiermee is de formulering van het vijfde lid in lijn met een soortgelijke maatwerkbepaling in artikel 3.78 en wordt twijfel over de vraag of er in beide artikelen hetzelfde is bedoeld, weggenomen.

Onderdeel KK

Tabel 3.81a is aangevuld met een vijftal driftarme spuitdoppen. Van deze doppen is aangetoond dat deze bij gebruik bij de in de tabel 3.81a aangegeven maximale spuitdruk voldoen aan de beoogde driftreductie.

Onderdelen LL tot en met OO

Zie voor een toelichting op de wijziging van de artikelen 3.92 tot en met 3.95 de toelichting op onderdeel L.

Onderdeel PP

In het nieuwe eerste lid wordt opgenomen dat bij de vloeistofkerende vloer geen incidentenmanagement hoeft te worden toegepast. Zie voor een toelichting daarop de toelichting op onderdeel D.

Verder is in artikel 3.96, eerste lid, (nieuw) de verwijzing naar artikel 3.122 van het besluit dat verwijst naar het milieubelang waarvoor regels worden gesteld abusievelijk afwijkend geformuleerd (‘op grond van’) ten opzichte van de formulering van de meeste gelijksoortige bepalingen in de regeling (‘als bedoeld in’). Deze omissie is met dit onderdeel hersteld.

Net als voor agrarische bedrijfsstoffen en drijfmest geldt de verplichting voor het nul- en eindsituatieonderzoek uit artikel 2.11 van het besluit niet voor dierenverblijven.

Onderdelen QQ en SS

Zie voor een toelichting op de artikelen 3.98 en 3.102 de toelichting op onderdeel L.

Onderdeel RR

Het nieuwe opschrift van paragraaf 3.5.7 (Bereiden van brijvoer voor eigen landbouwhuisdieren) volgt uit het wijzigingsbesluit waarmee de inhoud van artikel 3.128 is verplaatst naar artikel 3.129b (nieuw) in een aparte paragraaf (3.5.9 nieuw) over de bereiding van brijvoer. Dit is gedaan omdat het bereiden van brijvoer een aparte activiteit is. Ook in de Activiteitenregeling is deze activiteit nu ondergebracht in een aparte paragraaf.

Onderdeel TT

De scheidingsregels voor de gemeentelijke milieustraat zijn opgenomen in artikel 3.115 en per 1 januari 2013 van kracht geworden. Hierin is bepaald dat er altijd een voorziening moet zijn voor gescheiden inname van grond. Daaraan was toegevoegd dat deze grond onderscheiden moest zijn naar de functieklassen van het Besluit bodemkwaliteit. Deze toevoeging was verwarrend en overbodig omdat het Besluit bodemkwaliteit naast het Activiteitenbesluit van toepassing is en regelt op welke wijze partijen grond onderscheiden moeten zijn naar de functieklassen van het Besluit bodemkwaliteit. De toevoeging ‘onderscheiden naar de functieklassen van het Besluit bodemkwaliteit’ is vervallen.

Uit artikel 3.115, tweede lid, (nieuw) volgt dat grond nooit bij het restafval terecht mag komen. Artikel 4.3.2 van de Regeling bodemkwaliteit geeft aan of en zo ja, onder welke voorwaarden partijen grond van verschillende kwaliteit mogen worden samengevoegd.

In het nieuwe vijfde lid is opgenomen dat de voorziening voor matrassen zo moet zijn uitgevoerd dat de matrassen niet in de regen liggen. De gewenste recycling van de matrassen is namelijk niet mogelijk als deze te nat geworden zijn. Te natte matrassen moeten alsnog verbrand worden. Om te voldoen aan de eis kan bijvoorbeeld een afsluitbare container worden gebruikt, de container kan onder een afdak worden geplaatst of worden afgedekt met een zeil, dat wordt teruggeslagen als er een matras wordt aangeboden.

Onderdeel UU

Het opschrift van hoofdstuk 4 was niet in lijn met het opschrift van hoofdstuk 4 van het Activiteitenbesluit. Met dit onderdeel is hierin alsnog voorzien.

Onderdeel VV

In de artikelen 4.14, derde en vierde lid, en 4.19, tweede lid, zorgde de term ‘bodem’ voor verwarring vanwege de termen die worden gebruikt in het kader van de bodembescherming. Met deze bepaling is bedoeld dat een tank niet op de vloer is opgesteld, bijvoorbeeld omdat hij op een verhoging of hangend is uitgevoerd. Het gebruik van het begrip ‘vloer’ voorkomt verwarring.

Onderdeel WW

Artikel 4.20, tweede lid, sloot andere vullingsgraden van een opslagtank dan 90% uit. Na heroverweging is geconcludeerd dat een andere vullingsgraad kan worden toegestaan. Om overvullen te voorkomen is in het artikel bepaald dat de maximale vullingsgraad op of bij de installatie moet zijn vastgelegd, zodat daar bij het vullen rekening mee wordt gehouden. Als geen vullingsgraad is vastgelegd, blijft het maximum van 90% gelden.

Onderdeel XX

Abusievelijk was het woordje ‘van’ in de zinsnede ‘coaten of lijmen van rubber’ tweemaal opgenomen in artikel 4.47, onderdeel a. Met dit onderdeel is deze technische onvolkomenheid hersteld.

Onderdeel YY

Bij de vernummering van artikel 4.103a naar 4.103aa van het Activiteitenbesluit is de verwijzing naar artikel 4.103a van het Activiteitenbesluit in artikel 4.104b van de Activiteitenregeling abusievelijk niet aangepast. Met dit onderdeel is deze technische onvolkomenheid hersteld.

Onderdeel ZZ

De zuiveringsvoorziening zoals bedoeld in artikel 4.104i, eerste lid, blijkt uitsluitend goed te functioneren als het afvalwater nauwelijks of geen olie bevat. Daartoe is in het tweede lid de voorwaarde opgenomen dat het afvalwater maximaal 20 milligram olie per liter mag bevatten en dat anders een olieafscheider, voorafgaande aan de zuiveringsvoorziening, noodzakelijk is.

Onderdeel AAA

De formulering van artikel 4.104j maakte onvoldoende duidelijk dat het hier gaat om een bijzondere variant van de zuiveringsvoorziening, bedoeld in artikel 4.104i. Door artikel 4.104j, eerste lid, (nieuw) wordt duidelijk om welke uitvoering het gaat. Tevens wordt het duidelijk dat deze regeling ook terugslaat op artikel 4.104c van het Activiteitenbesluit en dat artikel 4.104j een aanvulling is op 4.104i. Een invulling van de manier waarop aan deze artikelen voldaan kan worden, wordt gegeven in de Handleiding Biofilter Fytobac Helioset, Werking, constructie en gebruik voor afvalwater verontreinigd met gewasbeschermingsmiddelen.14

Onderdeel BBB

In artikel 5.12, derde lid, wordt middels een tekstuele reparatie van de implementatie van punt 2.6 uit bijlage VI, deel 6, bij de richtlijn industriële emissies15 verduidelijkt dat er twee situaties zijn die een verlaging van de monitoringfrequentie van zware metalen, dioxines en furanen rechtvaardigen. De eerste situatie is dat de exploitant aantoont dat de emissies minder dan 50% van de emissiegrenswaarden zijn. De tweede situatie is dat het gesorteerd ongevaarlijke afval betreft waarvan de exploitant op basis van de samenstelling en monitoring van emissies bewijst dat de emissies aanmerkelijk lager liggen dan de emissiegrenswaarden.

Onderdeel CCC

In de artikelen 5.18 en 5.35 was sprake van een kennelijke verschrijving. ‘NEN 6600’ is vervangen door de juiste benaming: NEN 6600-1.

Onderdeel DDD en EEE

Het overgangsrecht in artikel 6.5e voor de mestbassins die zijn opgericht voor 1 juni 1987 was gekoppeld aan de resterende keuringstermijn. Hierdoor was het overgangsrecht nodeloos ingewikkeld. Ter vereenvoudiging is gekozen voor een vrijstelling van de afdekplicht voor een periode van vijf jaar. De afdekplicht in artikel 3.67 staat overigens los van de certificaatplicht die is opgenomen in artikel 3.68, tweede lid, en de keuringsplicht in artikel 3.69. Het overgangsrecht voor de artikelen 3.68, tweede lid, en 3.69 is opgenomen in de artikelen 6.5g respectievelijk 6.5h.

De inhoud van het vervallen artikel 6.5f is in artikel 6.5e, tweede lid, opgenomen.

Onderdeel FFF

Abusievelijk was in artikel 6.5i verwezen naar de artikelen 3.99 en 3.89, waar verwezen had moeten worden naar de artikelen 3.98 onderscheidenlijk 3.97.

Onderdeel GGG

In artikel 6.6a werd abusievelijk verwezen naar artikel 4.4, onderdeel e, in plaats van naar onderdeel f. Dat onderdeel f werd bedoeld, blijkt uit de toelichting op artikel 6.6a. Daarin staat dat artikel 4.4 voor de opslag van een bepaalde categorie spuitbussen in onderdeel e verwijst naar een aantal voorschriften van hoofdstuk 7 van PGS 15. Die voorschriften staan in onderdeel f.

Onderdeel HHH

De aanpassing van artikel 6.8, eerste lid, betreft een technische aanpassing van enkele verwijzingen.

Onderdeel III

Artikel 6.15 is grotendeels uitgewerkt en kan grotendeels vervallen. Wat overblijft, is de bepaling dat afdeling 2.2 en bijlage 1 niet in werking zijn getreden met ingang van 1 januari 2008.

Onderdeel JJJ

Met dit onderdeel is een nieuwe bijlage toegevoegd aan de Activiteitenregeling. Deze betreft de berekeningsmethode van het zuiveringsrendement van zuiveringtechnische werken. Zie voor een nadere toelichting de toelichting op onderdeel I.

Artikel II

Met het wijzigingsbesluit van 31 oktober 2012 (Stb. 2012, 588) is met ingang van 1 januari 2013 categorie 13.1, onderdeel 2° (inrichtingen voor het vervaardigen, onderhouden, repareren, behandelen van de oppervlakte, keuren, reinigen, verhandelen, verhuren of proefdraaien van trams of onderdelen daarvan), van onderdeel D, van bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht vervallen en zijn de daarop volgende onderdelen vernummerd. Abusievelijk is het vervallen van onderdeel 2° en het vernummeren van de daarop volgende onderdelen niet verwerkt in artikel 4.5, aanhef, van de Regeling omgevingsrecht. Hierdoor werden in artikel 4.5 van de Regeling omgevingsrecht specifieke indieningsvereisten voor geluid gesteld voor de verkeerde categorie inrichtingen. Met onderdeel 1 is deze technische onvolkomenheid hersteld.

In artikel 23, vierde lid, van de richtlijn industriële emissies is, kort gezegd, bepaald dat de periode tussen twee controlebezoeken ten hoogste één jaar beloopt voor installaties met de grootste risico’s en drie jaar voor installaties met de kleinste risico’s. Deze bepaling was niet geheel zuiver geïmplementeerd in artikel 10.3, derde lid, onderdeel b, van de Regeling omgevingsrecht, waardoor slechts maximaal één bezoek per jaar afgelegd kon worden. In onderdeel 2 is dit hersteld.

Artikel III

Paragraaf 2 van hoofdstuk 6 (bestaande uit artikel 6.3) van de Waterregeling en bijlage VI bij die regeling zijn vervangen door de artikelen 3.4ga, 3.4gb, 3.4gc van de Activiteitenregeling en bijlage 8 bij die regeling. Paragraaf 2 van hoofdstuk 6 en bijlage VI zijn derhalve vervallen. Zie voor een nadere toelichting de toelichting op onderdeel I.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld


X Noot
1

Regeling van 16 oktober 2012 (Stcrt. 2012, 21101)

X Noot
2

Regeling van 24 oktober 2012 (Stcrt. 2012, 21524)

X Noot
3

Besluit van 6 januari 2014 (Stb. 2014, 20)

X Noot
4

(HBRM 1991), IMAG-DLO/CUR, 1991.

X Noot
5

Referentiedocument betreffende de beste beschikbare technieken voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij, te vinden op http://www.infomil.nl/onderwerpen/duurzame/bbt-ippc-brefs/brefs-bbt-conclusies/virtuele_map/intensieve/

X Noot
6

Nationale Beoordelingsrichtlijn voor mestbassins en afdekkingen voor mestbassins, Kiwa N.V. Certificatie en Keuringen, versie van 15 november 2010

X Noot
7

Besluit van 14 september 2012 (Stb. 2012, 441)

X Noot
8

Regeling van 16 oktober 2012 (Stcrt. 2012, 21101)

X Noot
9

Richtlijn voor vloeibare brandstoffen- ondergrondse tankinstallaties en afleverinstallaties, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 28:2011 versie 1.0 (december 2011).

X Noot
10

Regeling van 22 november 2013 (Stcrt. 2013, 32887)

X Noot
11

H.A.E. de Werd & J.H. Looij, januari 2013, WageningenUR/Praktijkonderzoek Plant & Omgeving/Bloembollen, Boomkwekerij & Fruit, PPO-nummer 2012-14.

X Noot
12

Regeling van 7 februari 2011 (Stcrt. 2011, 2541)

X Noot
13

Kamerstukken II 2010/11, 29 383, nr. 170 Brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aan de Tweede Kamer.

X Noot
14

H.A.E. de Werd & J.H. Looij, januari 2013, WageningenUR/Praktijkonderzoek Plant & Omgeving/Bloembollen, Boomkwekerij & Fruit, PPO-nummer 2012-14.

X Noot
15

Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) (PbEU L 334).