Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatscourant 2012, 21524Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 24 oktober 2012, nr. IENM/BSK-2012/201520, tot wijziging van de Activiteitenregeling milieubeheer (nieuwe activiteiten, integratie Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer, vereenvoudigingen en reparaties)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op de artikelen 1.7, 1.11, tiende lid, 2.10, 2.12, vierde lid, 3.10j, 3.10k, 3.10o, 3.10p, 3.16d, 3.16f, 3.18, tweede lid, 3.19, 3.24, 3.26a, 3.26b, tweede lid, 3.26e, 3.26j, 3.30, 3.34, tiende lid, 3.54b, 3.54d, 3.132, 3.135, 3.136, 3.141, 3.143, 3.144, 3.146, 3.154, 4.1, 4.6, 4.9, 4.27a, 4.27b, 4.31, 4.31b, 4.31c, 4.31d, 4.40, 4.74d, 4.74g, 4.74j, 4.74o, 4.74p, 4.74s, 4.81, 4.83, 4.84, 4.94de en 4.94di van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

Besluit:

ARTIKEL I

De Activiteitenregeling milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.1 worden de volgende begrippen en de daarbij behorende begripsomschrijvingen in de alfabetische rangschikking ingevoegd:

baanzool:

bodem of vloer tussen de standplaats of standplaatsen van de schutter en de kogelvanger;

kaliber:

binnendiameter van een loop van een vuurwapen;

kogelvanger:

vanginrichting voor projectielen, opgesteld achter het doel waarop geschoten wordt;

schoudervuurwapen:

vuurwapen in de vorm van een karabijn of geweer;

vuistvuurwapen:

vuurwapen in de vorm van een pistool of revolver;.

B

Artikel 1.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De volgende begripsbepaling en bijbehorende begripsomschrijvingen vervallen:

  • a. BRL K903;

  • b. NEN 2819;

  • c. NEN-EN-ISO 9377-4, en

  • d. NEN-EN-ISO 10304-2.

b. De volgende begrippen en de daarbij behorende begripsomschrijving worden in de alfabetische rangschikking ingevoegd:

ISO 15713: ISO 15713:2006 Emissie van stationaire bronnen – Monsterneming en bepaling van het gasvormige fluoridegehalte;

PGS 8: Richtlijn PGS 8, getiteld ‘Organische peroxiden: opslag’, zoals gepubliceerd op www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl, PGS 8:2011;.

c. De begripsomschrijving bij het begrip NEN-EN 13725 komt te luiden:

NEN-EN 13725:2003/C1:2006: Bepaling van de geurconcentratie door dynamische olfactometrie, september 2003 met correctieblad van oktober 2006;.

C

In artikel 2.1, vijfde lid, onder a, wordt ‘onderdeel A4 van de NRB’ vervangen door: paragraaf 3.3 van deel 3 van de NRB.

D

Artikel 2.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid wordt ‘paragraaf 1.2 van onderdeel B1 van de NRB’ vervangen door: paragraaf 1.3 van bijlage 3 van deel 3 bij de NRB.

2. In het tweede lid wordt ‘vloeibare brandstof, afgewerkte olie of pekel’ vervangen door: stoffen als bedoeld in artikel 3.29 van het besluit.

3. In het derde en zevende lid wordt ‘overeenkomstig BRL K903’ vervangen door: overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument, door een persoon of instelling, die daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.

E

1. In 3.10, tweede lid, wordt ‘als bedoeld in de BRL K903’ vervangen door: overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument, door een persoon of instelling, die daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.

2. In 3.35, eerste, tweede en tiende lid, 4.9a, eerste lid, 4.18, tweede lid, en 4.18a, tweede lid, wordt ‘overeenkomstig BRL K903’ telkens vervangen door: overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument, door een persoon of instelling, die daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.

F

Artikel 2.9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. In aanvulling op het eerste lid zijn de categorieën voor dakafval ontstaan bij werkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft:

    • a. teerhoudend dakafval;

    • b. bitumineus dakafval;

    • c. composiet dakafval, of

    • d. dakgrind verkleefd met teer of bitumen.

3. In het eerste lid vervallen de onderdelen h tot en met j en worden de onderdelen k tot en met y geletterd h tot en met v.

4. In het eerste lid wordt in onderdeel s (nieuw) ‘teerhoudend of bitumineus dakafval, composieten van teerhoudend of bitumineus dakafval, dakgrind verkleefd met teer of bitumen en asfalt’ vervangen door: dakafval en asfalt.

G

Paragraaf 3.2.1. komt te luiden:

§ 3.2.1. Het in werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie

Artikel 3.5
  • 1. Aan de artikelen 3.10 en 3.10a van het besluit wordt voor zover het betreft de uitstoot van totaal stof bij de verbranding van brandstof in vloeibare vorm in ieder geval voldaan indien het asgehalte van de brandstof in massaprocent lager is dan de toepasselijke emissie-eis gedeeld door 800 en door middel van een keuring als bedoeld in artikel 3.7m kan worden aangetoond dat de concentratie van koolstof-monoxide (CO) in het rookgas lager ligt dan 100 mg/Nm3.

  • 2. Aan de artikelen 3.10a en 3.10b van het besluit wordt voor zover het betreft de uitstoot van totaal stof bij de verbranding van hout, in ieder geval voldaan indien:

    • a. de afgezogen stofemissies die vrijkomen worden gevoerd door een elektrostatische E-filter waarvan door middel van een rapport van de leverancier kan worden aangetoond dat aan de emissie-eisen in artikel 3.10a of 3.10b van het besluit kan worden voldaan; en

    • b. de elektrostatische E-filter in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

  • 3. Aan de artikelen 3.10a en 3.10b van het besluit wordt voor zover het betreft de uitstoot van stikstofoxiden (NOx) bij de verbranding van hout, in ieder geval voldaan indien:

    • a. de inrichtinghouder een meetrapport van de leverancier kan overleggen waaruit blijkt dat aan de in artikel 3.10a of 3.10b opgenomen emissiegrenswaarden van het besluit kan worden voldaan; en

    • b. in de ketelinstallatie het houttype wordt gestookt waarop het onder a bedoelde rapport is betrokken.

Artikel 3.6
  • 1. Een meting als bedoeld in artikel 3.10j van het besluit voldoet aan de eisen in de artikelen 3.7 tot en met 3.7j en de artikelen 3.7o en 3.7p.

  • 2. Ten behoeve van het doelmatige beheer van afvalwater, bedoeld in artikel 3.10k van het besluit voldoet het spuien van een stoomketel aan artikel 3.7k.

  • 3. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 3.10o van het besluit voldoet een stookinstallatie aan artikel 3.7l.

  • 4. Ten behoeve van keuring van en onderhoud op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid van een stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.10p van het besluit, voldoet een stookinstallatie aan de artikelen 3.7m tot en met 3.7p.

  • 5. Het eerste lid is niet van toepassing op de uitstoot van totaal stof, stikstofoxiden (NOx) of koolmonoxiden (CO), indien voldaan wordt aan artikel 3.5.

Artikel 3.7
  • 1. De concentraties aan stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), totaal stof en onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C) in het rookgas worden bepaald door continue of afzonderlijke meting.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, wordt de concentratie aan stikstofoxiden (NOx) in het rookgas bepaald door continue meting, indien ter bestrijding van de uitworp van stikstofoxiden (NOx) met rookgasinjectie van water of stoom, een inert materiaal dan wel ammoniak of ureum wordt toegepast.

  • 3. In afwijking van het tweede lid mag worden volstaan met afzonderlijke meting indien een logboek wordt bijgehouden waarin de hoeveelheid geïnjecteerde stoom of water, de hoeveelheid toegepast inert materiaal of de hoeveelheid toegevoegde ammoniak of ureum gedurende een kalenderjaar wordt bijgehouden en de betreffende emissiegrenswaarden niet worden overschreden.

  • 4. De concentraties van stoffen waarvoor emissiegrenswaarden zijn vastgesteld worden voor een vervangende stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.10h van het besluit binnen vier weken na de inbedrijfstelling van die vervangende installatie bepaald door middel van een afzonderlijke meting.

Artikel 3.7a
  • 1. Onverminderd artikel 3.7 wordt voor het bepalen van de concentraties stoffen in het rookgas, representatieve metingen verricht.

  • 2. De bemonsteringen, analyses en metingen van de parameters die nodig zijn voor het bepalen van het voldoen aan de emissiegrenswaarden alsmede de andere metingen en berekeningen die zijn voorgeschreven, worden uitgevoerd volgens onderstaande normbladen:

    • a. emissiemeting:

      • 1°. stikstofoxiden (NOx): NEN-EN 14792;

      • 2°. zwaveldioxide (SO2): NEN-EN 14791;

      • 3°. onverbrande koolwaterstoffen (CxHy): NEN-EN 12619;

      • 4°. totaal stof: NEN-EN 13284-1 of NEN-EN 13284-2;

      • 5°. zuurstof (O2): NEN-EN 14789.

    • b. monstername betreffende de onder a genoemde stoffen: NEN-EN 15259.

  • 3. Bij toepassing van de normbladen, bedoeld in het tweede lid, onder a, worden de regels voor de meetlocatie, bedoeld in NEN-EN 15259 toegepast.

  • 4. Met de normbladen, bedoeld in het tweede lid, worden gelijkgesteld normbladen die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, en die een beschermingsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

  • 5. Het uitvoeren van afzonderlijke metingen, parallelmetingen en referentiemetingen geschiedt door een instantie die is geaccrediteerd door een accreditatie-instantie.

  • 6. In afwijking van het tweede en vijfde lid, mag een afzonderlijke meting ook worden uitgevoerd door een bedrijf dat beschikt over een geldig certificaat dat is afgegeven door een instantie die is geaccrediteerd door een accreditatie-instantie teneinde uitvoering te kunnen geven aan de van de ‘Certificatieregeling voor inspectie en onderhoud stookinstallaties’ onderdeel uitmakende «Beoordelingrichtlijn voor het uitvoeren van onderhoud en inspecties aan stookinstallaties, Scope 6» van de Stichting Certificatie Inspectie en Onderhoud Stookinstallaties, mits hij die meting uitvoert overeenkomstig Scope 6.

Artikel 3.7b
  • 1. Indien de concentraties aan stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), totaal stof of onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C) afzonderlijk wordt gemeten, wordt zodra een emissiegrenswaarde van toepassing is geworden, binnen vier weken nadien een afzonderlijke meting verricht.

  • 2. Indien de concentraties aan stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), totaal stof of onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C) bij een gasturbine, een gasmotor of een dieselmotor afzonderlijk worden gemeten, wordt in aanvulling op het eerste lid, om de vier jaar een nieuwe afzonderlijke meting verricht.

  • 3. Indien door het veranderen van brandstof andere emissiegrenswaarden van toepassing worden, wordt binnen vier weken nadien een nieuwe afzonderlijke meting verricht. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.7c
  • 1. Een afzonderlijke meting als bedoeld in artikel 3.7b bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste dertig minuten.

  • 2. Indien geen van de deelmetingen, bedoeld in het eerste lid, de desbetreffende emissiegrenswaarde overschrijdt, wordt aan die emissiegrenswaarde voldaan.

  • 3. Indien één van de deelmetingen, bedoeld in het eerste lid, aangeeft dat een emissiegrenswaarde wordt overschreden, wordt de afzonderlijke meting herhaald binnen drie maanden na de laatste deelmeting van de afzonderlijke meting, bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Indien één van de deelmetingen van de afzonderlijke meting, bedoeld in het derde lid, aangeeft dat de emissiegrenswaarde die aanleiding was voor de herhaalde afzonderlijke meting, wederom wordt overschreden, treft de drijver van de inrichting zodanige voorzieningen aan de stookinstallatie, dat verdere overschrijding van die emissiegrenswaarde wordt voorkomen.

Artikel 3.7d
  • 1. Bij een afzonderlijke meting als bedoeld in artikel 3.7b mag van een meting een door een onafhankelijke en deskundige meetinstantie aangetoond 95%-betrouwbaarheidsinterval worden afgetrokken.

  • 2. De waarde van het 95%-betrouwbaarheidsinterval, bedoeld in het eerste lid, is niet groter dan de volgende percentages van de emissiegrenswaarde voor:

    • a. zwaveldioxide (SO2): 20;

    • b. stikstofoxiden (NOx): 20;

    • c. totaal stof: 30; en

    • d. onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C): 20.

Artikel 3.7e
  • 1. Een afzonderlijke meting als bedoeld in artikel 3.7b bij een ketelinstallatie wordt verricht bij een belasting van meer dan 60 procent. Een afzonderlijke meting als bedoeld in artikel 3.7a bij een dieselmotor, een gasmotor of een gasturbine, wordt verricht bij de hoogste belasting, waarbij deze continu kan worden bedreven.

  • 2. Een afzonderlijke meting als bedoeld in artikel 3.7a bij een gasturbine, met een bijbehorende ketelinstallatie, wordt verricht bij een bijstook van ten hoogste 10% in de bijbehorende ketelinstallatie.

  • 3. Onder belasting wordt in deze bepaling verstaan het deel van het thermische vermogen waarbij de stookinstallatie daadwerkelijk wordt bedreven.

Artikel 3.7f
  • 1. Continue meting voor de bepaling van de concentratie van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), totaal stof of onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C) vindt plaats door:

    • a. rechtstreekse continue meting van de concentratie in het rookgas, of

    • b. continue meting van de parameters van de voor een stookinstallatie vastgestelde uitworpkarakteristiek.

  • 2. De kwaliteitsborging van de ter controle van de emissiegrenswaarden geïnstalleerde apparatuur en toegepaste uitworpkarakteristieken voldoen aan NEN-EN 14181, waarbij de kalibratie eens per vijf jaar plaatsvindt.

  • 3. Met het normblad, bedoeld in het tweede lid, worden gelijkgesteld normdocumenten die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, en die een beschermingsniveau waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Artikel 3.7g

Bij een continue meting als bedoeld in artikel 3.7f wordt aan een emissiegrenswaarde voldaan indien 100 procent van de daggemiddelden die emissiegrenswaarde niet overschrijdt.

Artikel 3.7h
  • 1. Indien de concentraties aan stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C) of totaal stof continu worden gemeten, wordt de uitworp tijdens het opstarten en stilleggen van de stookinstallatie niet meegerekend bij het bepalen of aan de desbetreffende emissiegrenswaarde wordt voldaan.

  • 2. Indien de concentratie aan stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C) of totaal stof continu wordt gemeten en de stookinstallatie is uitgerust met nageschakelde apparatuur die is bedoeld voor het verminderen van de emissie van de genoemde stoffen, wordt de uitworp tijdens perioden als bedoeld in artikel 3.10g van het besluit, niet meegerekend.

Artikel 3.7i
  • 1. De waarde van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele waarnemingen, op basis waarvan de gemiddelden worden berekend die getoetst worden aan een emissiegrenswaarde, is bij continue metingen niet groter dan de volgende percentages van de emissiegrenswaarde:

    • a. zwaveldioxide (SO2): 20;

    • b. stikstofoxiden (NOx): 20;

    • c. totaal stof: 30; en

    • d. onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C): 20.

  • 2. Bij continue metingen vindt toetsing aan de emissiegrenswaarden plaats op basis van het gemiddelde van de individuele waarnemingen, na aftrek van de waarde van het in het eerste lid bedoelde betrouwbaarheidsinterval.

  • 3. Indien in een dag meer dan drie uurgemiddelden ongeldig zijn wegens storing of onderhoud van het continu werkende meetsysteem, worden de metingen van die dag als ongeldig beschouwd. Indien in enig kalenderjaar de metingen van meer dan tien dagen ongeldig zijn, treft degene die de inrichting drijft passende maatregelen om de betrouwbaarheid van het continu werkende meetsysteem te verbeteren.

Artikel 3.7j

Indien de emissie-eis is uitgedrukt bij ISO-luchtcondities worden gemeten emissies van stikstofoxiden (Nox) herleid volgens de volgende formule:

E = Em * √(101,3/Pm) * (Tm/288) -1,53 * e19(Xm – 0,0063)

waarbij wordt verstaan onder:

E = emissie van stikstofoxiden herleid naar ISO-luchtcondities;

Em = gemeten emissie van stikstofoxiden;

Pm = gemeten atmosferische druk bij de inlaat van de compressor (kPa);

Tm = temperatuur van de inlaatlucht (Kelvin);

Xm = gemeten vochtgehalte van de inlaatlucht (in kg water per kg droge lucht).

Artikel 3.7k
  • 1. Bij het spuien van een stoomketel van een stookinstallatie zijn ten minste de spuitank dan wel de andere geschikte voorziening en de leidingen waardoor het spuiwater wordt geleid bestand tegen de inwerking van het spuiwater.

  • 2. De spuitank, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van een ontluchtingsleiding, die zodanig is bemeten, dat het bezwijken van de spuiketel door overdruk in de spuitank tijdens het spuien wordt voorkomen.

Artikel 3.7l

Het vullen en het legen van een stookinstallatie met vloeibare brandstof vindt plaats boven een bodembeschermende voorziening.

Artikel 3.7m
  • 1. Een niet-gasgestookte stookinstallatie met een nominaal vermogen van:

    • a. 20 kilowatt tot ten hoogste 100 kilowatt, wordt ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid;

    • b. meer dan 100 kilowatt, wordt ten minste eenmaal per twee jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid.

  • 2. Een gasgestookte stookinstallatie met een nominaal vermogen van meer dan 100 kilowatt wordt ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid.

  • 3. Een keuring als bedoeld in het eerste of tweede lid omvat mede de afstelling voor de verbranding, het systeem voor de toevoer van brandstof en verbrandingslucht en de afvoer van verbrandingsgassen.

  • 4. Een keuring als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt verricht door een bedrijf dat beschikt over een geldig certificaat dat is afgegeven door een instantie die door een accreditatie-instantie is geaccrediteerd teneinde uitvoering te kunnen geven aan de van de ‘Certificatieregeling voor inspectie en onderhoud stookinstallaties’ onderdeel uitmakende «Beoordelingrichtlijn voor het uitvoeren van onderhoud en inspecties aan stookinstallaties» van de Stichting Certificatie Inspectie en Onderhoud Stookinstallaties. Degene die de inrichting drijft vraagt van degene die een keuring verricht een door hem opgesteld en ondertekend verslag van die keuring, waaruit ten minste blijkt wanneer en door wie de keuring is verricht en de resultaten van de keuring.

  • 5. Indien uit een keuring als bedoeld in het eerste of tweede lid blijkt dat de stookinstallatie onderhoud behoeft, vindt dat onderhoud binnen twee weken na de keuring plaats. Degene die de inrichting drijft vraagt van degene die het onderhoud verricht aan de stookinstallatie een door hem ondertekend bewijs waaruit blijkt wanneer, door wie en welk onderhoud is verricht.

Artikel 3.7n
  • 1. De drijver van inrichting onderhoudt de ter controle van de emissiegrenswaarden geïnstalleerde apparatuur zodanig dat de goede werking van de apparatuur is gewaarborgd.

  • 2. Indien zich een storing voordoet in de apparatuur, bedoeld in het eerste lid:

    • a. neemt de drijver van de inrichting onverwijld de nodige maatregelen tot opheffing van die storing, en

    • b. brengt hij geen wijzigingen aan in het gebruik van de stookinstallatie, die een substantiële stijging van de uitworp van de te meten stof met zich kan brengen.

Artikel 3.7o

Van een meting of monstername als bedoeld in deze afdeling wordt een rapport gemaakt volgens NEN-EN 15259.

Artikel 3.7p
  • 1. De resultaten van de laatstelijk uitgevoerde metingen en andere gegevens, die nodig zijn om te kunnen beoordelen of in overeenstemming met het besluit of deze regeling wordt gehandeld, worden door degene die de inrichting drijft in de inrichting ter beschikking gehouden ten behoeve van het bevoegd gezag.

  • 2. Het laatstelijk verstrekte verslag van een keuring en het laatstelijk verstrekte bewijs van verricht onderhoud, bedoeld in artikel 3.7m, vierde en vijfde lid, worden door degene die de inrichting drijft in de inrichting ter beschikking gehouden ten behoeve van het bevoegde gezag.

H

In Afdeling 3.2. worden na paragraaf 3.2.5. twee paragrafen ingevoegd, luidende:

§ 3.2.6. In werking hebben van een koelinstallatie

Artikel 3.16b

Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, bedoeld in artikel 3.16d van het besluit, voldoet een ammoniakkoelinstallatie ten minste aan:

  • a. de minimale veiligheidsvoorzieningen in relatie tot de hoeveelheid ammoniak van PGS 13, paragraaf 2.2 tot en met 2.5 en de hieraan gerelateerde functionele uitvoeringseisen uit PGS 13, hoofdstuk 4, en

  • b. de voorschriften 3.2.5 tot en met 3.2.9, de voorschriften uit hoofdstuk 5, de voorschriften van paragrafen 8.2 tot en met 8.5, de voorschriften van paragrafen 8.7 tot en met 8.9 en de voorschriften uit hoofdstuk 9 van PGS 13.

§ 3.2.7. In werking hebben van een wisselverwarmingsinstallatie

Artikel 3.16d

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld artikel 3.16f van het besluit voldoet een wisselverwarmingsinstallatie aan artikel 3.16e.

Artikel 3.16e
  • 1. Een installatie voor het verwarmen van wissels waarbij vloeibare bodembedreigende stoffen worden gebruikt, wordt uitgevoerd als een gesloten systeem.

  • 2. De controle, het onderhoud en het beheer van de wisselverwarmingseenheden, bedoeld in het eerste lid, zijn in eenduidige bedrijfsinterne procedures en werkinstructies ter bescherming van de bodem vastgelegd.

  • 3. In de bedrijfsinterne procedures en werkinstructies, bedoeld in het tweede lid, is ten minste aangegeven op welke wijze:

    • a. de staat en goede werking van wisselverwarmingseenheden wordt gecontroleerd;

    • b. er voor zorg wordt gedragen dat zo vaak als de omstandigheden daarom vragen inspecties op morsingen en lekkages plaatsvinden, en

    • c. is gewaarborgd dat gemorste of gelekte stoffen direct worden opgeruimd.

  • 4. Degene die de inrichting drijft draagt er zorg voor dat de medewerkers die binnen de inrichting bodembedreigende activiteiten verrichten, op de hoogte zijn van de bedrijfsinterne procedures en werkinstructies, bedoeld in het tweede lid, dat deze worden nageleefd en binnen de inrichting zodanig aanwezig zijn dat een ieder daarvan op eenvoudige wijze kennis kan nemen.

  • 5. Morsingen en lekkages worden overeenkomstig de bedrijfsinterne procedures en werkinstructies, bedoeld in het tweede lid, verholpen en opgeruimd.

  • 6. Degene die de inrichting drijft draagt er zorg voor dat de in het kader van de bedrijfsinterne procedures en werkinstructies noodzakelijke absorptiemiddelen en andere materialen en middelen ter bescherming van de bodem binnen de inrichting in voldoende mate aanwezig zijn en dat er voldoende in het gebruik van deze middelen geïnstrueerd personeel aanwezig is.

  • 7. Bevindingen van controles van of onderhoud aan wisselverwarmingseenheden, alsmede acties genomen na incidenten met bodembedreigende stoffen, die mogelijk hebben geleid tot een bodemverontreiniging, worden opgenomen in een logboek dat te allen tijde beschikbaar is voor het bevoegd gezag.

  • 8. Artikel 2.11 van het besluit is niet van toepassing op wisselverwarmingseenheden die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat.

I

Het opschrift van Afdeling 3.3. komt te luiden:

AFDELING 3.3. ACTIVITEITEN MET VOER- OF VAARTUIGEN.

J

Het opschrift van paragraaf 3.3.1 komt te luiden:

§ 3.3.1. Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen.

K

Artikel 3.21 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De vaste afleverinstallatie is uitgevoerd en geïnstalleerd overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument, door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit. Het vervangen en repareren van gedeelten van een afleverinstallatie wordt uitgevoerd overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument, door een persoon of instelling, die daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.

2. In het tweede lid wordt na ‘voor het wegverkeer’ ingevoegd: of bij het afleveren van vloeibare brandstoffen aan spoorvoertuigen.

L

In artikel 3.22 wordt na ‘voor het wegverkeer’ ingevoegd: of aan spoorvoertuigen.

M

Artikel 3.25 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na ‘voor het wegverkeer’ ingevoegd: of aan spoorvoertuigen.

2. In het derde lid wordt na ‘motorvoertuigen’ ingevoegd: of aan spoorvoertuigen.

N

Het opschrift van paragraaf 3.3.2 komt te luiden:

§ 3.3.2. Het uitwendig wassen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen.

O

Artikel 3.27 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘motorvoertuigen of werktuigen’ vervangen door: motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen.

2. Het tweede lid komt te luiden:

2. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan motorvoertuigen, werktuigen en spoorvoertuigen te wassen in of op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken, met dien verstande dat een mobiele wasinstallatie niet langer dan zes maanden aaneengesloten op eenzelfde locatie is geplaatst.

P

In Afdeling 3.3. worden na paragraaf 3.3.2. drie paragrafen ingevoegd, luidende:

§ 3.3.3. Het demonteren van autowrakken

Artikel 3.27c

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 3.26a van het besluit vindt het aftappen van vloeistoffen en het demonteren van vloeistof bevattende onderdelen bij een inrichting waar autowrakken worden gedemonteerd plaats boven een vloeistofdichte vloer of verharding.

Artikel 3.27d
  • 1. Ten behoeve van:

    • a. een doelmatig beheer van afvalstoffen als bedoeld in het artikel 3.26a van het besluit,

    • b. het voorkomen of beperken van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, bedoeld in artikel 3.26a van het besluit, en

    • c. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, bedoeld in artikel 3.26a van het besluit,

    wordt bij het bewerken van autowrakken bij een inrichting waar autowrakken worden gedemonteerd, voldaan aan het tweede tot en met zesde lid.

  • 2. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen tien werkdagen na ontvangst van het autowrak, worden de volgende stoffen, preparaten of producten, indien aanwezig, afgetapt of gedemonteerd en opgeslagen:

    • a. motorolie;

    • b. transmissieolie;

    • c. versnellingsbakolie;

    • d. olie uit het differentieel;

    • e. hydraulische olie;

    • f. remvloeistoffen;

    • g. koelvloeistoffen;

    • h. ruitensproeiervloeistoffen;

    • i. airconditioningsvloeistoffen;

    • j. benzine;

    • k. diesel;

    • l. LPG-tank, inclusief LPG;

    • m. accu, inclusief accuzuren;

    • n. oliefilter;

    • o. PCB/PCT-houdende condensatoren;

    • p. batterijen; en

    • q. ontplofbare onderdelen, zoals airbags en gordelspanners, voor zover deze niet zijn geneutraliseerd.

  • 3. Restanten van vloeistoffen worden zo goed mogelijk uit leidingen afgetapt. De aftappunten worden na het aftappen afgesloten.

  • 4. Indien dat noodzakelijk is voor het producthergebruik van gedemonteerde onderdelen kan in afwijking van het tweede lid worden afgezien van het aftappen van de oliën uit de in dat lid genoemde onderdelen en kan het oliefilter worden teruggeplaatst.

  • 5. Autowrakken worden binnen de inrichting ontdaan van de volgende stoffen, preparaten of andere producten:

    • a. banden, glas en grote kunststofonderdelen, zoals bumpers, instrumentenborden en vloeistoftanks, indien deze materialen in een shredderinstallatie niet zodanig gescheiden worden dat ze als materiaal kunnen worden hergebruikt;

    • b. metalen onderdelen die koper, aluminium of magnesium bevatten indien deze metalen niet in de shredderinstallatie worden gescheiden;

    • c. katalysatoren;

    • d. onderdelen die lood, kwik, cadmium of zeswaardig chroom bevatten en als zodanig zijn voorzien van een aanduiding.

  • 6. Een autowrak wordt niet op een zodanig wijze geplet, geknipt of anderszins mechanisch verkleind dat de identiteit en de inhoud daarvan niet meer herkenbaar zijn.

Artikel 3.27e
  • 1. Ten behoeve van een doelmatig beheer van afvalstoffen als bedoeld in artikel 3.26a van het besluit voldoet de opslag van afgetapte of gedemonteerde stoffen, preparaten of producten bij een inrichting waar autowrakken worden gedemonteerd, aan het tweede tot en met vijfde lid.

  • 2. Afgetapte of gedemonteerde stoffen, preparaten of producten als bedoeld in artikel 3.27b, tweede lid, worden voor zover dat nodig is voor product- of materiaalhergebruik of nuttige toepassing afzonderlijk bewaard.

  • 3. Afgetapte of gedemonteerde stoffen, preparaten of producten als bedoeld in artikel 3.27b, vijfde lid, worden op een zodanige wijze opgeslagen dat de mogelijkheden voor product- of materiaalhergebruik of nuttige toepassing niet worden geschaad.

  • 4. Niet voor producthergebruik geschikte stoffen, preparaten of producten, waarvoor wel een mogelijkheid van materiaalhergebruik of nuttige toepassing bestaat, worden gescheiden gehouden en gescheiden afgevoerd naar een inrichting met een milieuhygiënisch verantwoorde en doelmatige verwerkingsmogelijkheid.

  • 5. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de wijze van opslag van afgetapte of gedemonteerde stoffen, preparaten of producten als bedoeld in het tweede tot en met vierde lid.

Artikel 3.27f
  • 1. Ten behoeve van een doelmatig beheer van afvalstoffen als bedoeld in artikel 3.26a van het besluit voldoet de opslag van autowrakken bij een inrichting waar autowrakken worden gedemonteerd, aan het tweede tot en met zevende lid.

  • 2. Autowrakken die nog niet zijn ontdaan van de stoffen, preparaten of producten, bedoeld in artikel 3.27b, tweede lid, worden direct bij binnenkomst in de inrichting en in afwachting van verdere bewerking op een specifiek daarvoor aangewezen gedeelte van de inrichting opgeslagen en worden niet gestapeld.

  • 3. Autowrakken die nog niet zijn ontdaan van alle stoffen, preparaten of producten als bedoeld in artikel 3.27b, vijfde lid, worden maximaal twee hoog, met een maximale hoogte van 4,5 meter, gestapeld op een daartoe aangewezen gedeelte van de inrichting, dan wel worden op een zodanige wijze in stellingen gestapeld dat deze gemakkelijk kunnen worden geïnspecteerd en gedemonteerd.

  • 4. Autowrakken waarvan de stoffen, preparaten of producten, bedoeld in artikel 3.27b, tweede en vijfde lid, zijn afgetapt of gedemonteerd, worden uitsluitend rechtstreeks uit de inrichting afgevoerd naar een inrichting waarin zich een shredderinstallatie bevindt en waarin autowrakken worden gescheiden in direct als materiaal te hergebruiken metaalschroot en shredderafvalstoffen.

  • 5. In afwijking van het vierde lid is het toegestaan autowrakken die zijn ontdaan van de stoffen, preparaten en producten, bedoeld in artikel 3.27b, tweede lid, voordat ze overeenkomstig het vierde lid worden afgevoerd, ter beschikking te stellen aan een instelling voor oefen- en opleidingsdoeleinden.

  • 6. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de stapelhoogte voor autowrakken als bedoeld in het derde lid.

  • 7. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van het ter beschikking stellen van autowrakken aan een instelling voor oefen- en opleidingsdoeleinden als bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 3.27g
  • 1. Ten behoeve van een doelmatig beheer van afvalstoffen als bedoeld in artikel 3.26a van het besluit wordt bij de ontvangst van een autowrak bij een inrichting waar autowrakken worden gedemonteerd, voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.

  • 2. Bij de ontvangst van een autowrak met een kenteken dat verstrekt is door een in een andere lidstaat van de Europese Unie daartoe aangewezen instantie, wordt desgevraagd aan degene die zich van dat autowrak ontdoet een certificaat van vernietiging als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de autowrakkenrichtlijn afgegeven, waarin in ieder geval de volgende gegevens zijn opgenomen:

    • a. de naam, het adres en de handtekening van degene die het certificaat van vernietiging afgeeft;

    • b. de datum van afgifte van het certificaat van vernietiging;

    • c. het kenteken van het autowrak, inclusief de kenletters van het land daarop;

    • d. de categorie van voertuigen waartoe het autowrak behoort alsmede het merk en het model van het autowrak;

    • e. het chassisnummer van het autowrak; en

    • f. de naam, het adres, de nationaliteit en de handtekening van de eigenaar of houder van het afgegeven autowrak.

  • 3. Bij het certificaat van vernietiging wordt het bij het autowrak behorende kentekenbewijs gevoegd.

  • 4. Indien het bij het autowrak behorende kentekenbewijs niet aanwezig is, wordt dat op het certificaat van vernietiging aangegeven.

Artikel 3.27h
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan als bedoeld in artikel 3.26a van het besluit wordt bij het demonteren van LPG-tanks en de opslag van de gedemonteerde LPG-tanks ten minste voldaan aan het tweede tot en met zesde lid.

  • 2. Het aftappen van LPG uit een LPG-tank bij een inrichting type B is niet toegestaan.

  • 3. Het demonteren van een LPG-tank geschiedt in de open lucht of in een goed geventileerde ruimte.

  • 4. De gedemonteerde LPG-tanks waarvan LPG nog niet is afgetapt, worden bij een inrichting type B ten minste eenmaal per twee maanden uit de inrichting afgevoerd.

  • 5. Bij een inrichting type B zijn maximaal 24 gedemonteerde LPG-tanks aanwezig, waarvan LPG nog niet is afgetapt.

  • 6. Gedemonteerde LPG-tanks waarvan LPG nog niet is afgetapt, worden als zodanig aangeduid en gescheiden opgeslagen van de LPG-tanks waarvan LPG is afgetapt.

Artikel 3.27i
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan als bedoeld in het artikel 3.26a van het besluit, wordt bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners uit autowrakken of de opslag van gedemonteerde airbags of gordelspanners binnen de inrichting tot een maximale hoeveelheid van 1000 gedemonteerde airbags en gordelspanners, voldaan aan het tweede tot en met het twaalfde lid.

  • 2. Het neutraliseren van airbags en gordelspanners gebeurt overeenkomstig paragraaf 6 van NEN 7557.

  • 3. Het ontsteken van mechanische airbags wordt niet uitgevoerd bij een inrichting type A of type B.

  • 4. Na demontage worden de gedemonteerde airbags of gordelspanners, met uitzondering van de werkvoorraad, opgeslagen in een daarvoor bestemde, voor transport van gedemonteerde airbags en gordelspanners geschikte container of een voor opslag bestemde ruimte, die zodanig is uitgevoerd dat voldoende drukontlasting mogelijk is en waar de gedemonteerde airbags en gordelspanners gescheiden worden van de overige stoffen en materialen door middel van een afscheiding van gaas van voldoende sterkte bestaande uit staaldraad met een vrije opening van maximaal vijf centimeter dan wel door opslag in een separaat brandcompartiment.

  • 5. Gedemonteerde mechanische airbags en gordelspanners worden zodanig gescheiden van elkaar opgeslagen in een voorziening als bedoeld in het vierde lid dat de kans op onbedoeld activeren van deze airbags en gordelspanners zoveel mogelijk wordt beperkt.

  • 6. De ruimte, bedoeld in het vierde lid, bevindt zich op één centrale locatie binnen de inrichting, buiten bereik van onbevoegden.

  • 7. In en rondom de ruimte, bedoeld in het vierde lid, wordt geen open vuur gemaakt en wordt niet gerookt.

  • 8. Bij de entree van de ruimte, bedoeld in het vierde lid, is een markering aangebracht waarmee wordt aangegeven dat hier gedemonteerde airbags en gordelspanners zijn opgeslagen.

  • 9. De airbags worden met de afdekkap naar boven geplaatst.

  • 10. Elektrische airbags en gordelspanners worden niet aan statische lading blootgesteld indien de bekabeling, die direct gemonteerd is aan een airbag of gordelspanner, beschadigd is.

  • 11. Bij een inrichting type A of type B worden geen elektrische airbags of gordelspanners ontstoken die zodanig beschadigd zijn dat de airbags en gordelspanners niet op een veilige wijze in het autowrak kunnen worden geneutraliseerd.

  • 12. De airbags en gordelspanners, bedoeld in het tiende lid, worden gedemonteerd en worden na demontage afgevoerd naar een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, van de wet.

Artikel 3.27j
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies als bedoeld in het artikel 3.26b, tweede lid, van het besluit, worden stof en gassen die vrijkomen bij het ontsteken van airbags of gordelspanners voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.

  • 2. Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht als bedoeld in het artikel 3.26b, tweede lid, van het besluit, worden stof en gassen, ontstaan bij het ontsteken van airbags of gordelspanners, die naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein dan wel op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare, is gelegen.

  • 3. Het bevoegd gezag kan in het belang van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3.27k

Aan artikel 3.26b, eerste lid, van het besluit wordt in ieder geval voldaan indien:

  • a. op jaarbasis minder dan 5000 autowrakken worden gedemonteerd, of

  • b. de afgezogen emissies die vrijkomen bij het ontsteken van airbags en gordelspanners worden gevoerd door een filtrerende afscheider die in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

§ 3.3.4. Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage

Artikel 3.27l

Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies, het voorkomen, dan wel zoveel mogelijk beperken van geurhinder en het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging door benzeen als bedoeld in artikel 3.26e van het besluit, bij mechanische ventilatie in een parkeergarage die deel uitmaakt van een inrichting met ten minste 20 parkeerplaatsen:

  • a. worden de aanzuigopeningen ten behoeve van de ventilatie in een verkeersluwe omgeving, of, indien dat niet mogelijk is, op ten minste vijf meter boven het straatniveau en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen aangebracht;

  • b. wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 meter boven het straatniveau of, indien binnen 25 meter van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau is gelegen, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw;

  • c. bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste tien meter per seconde.

§ 3.3.5. Bieden van gelegenheid tot het afmeren van pleziervaartuigen in een jachthaven

Artikel 3.27m

Aan artikel 3.26j, derde lid, van het besluit wordt in ieder geval voldaan indien een plan voor het in ontvangst nemen en verder beheren van afvalstoffen de volgende elementen bevat:

  • a. een beoordeling van de behoefte aan voorzieningen voor de ontvangst van afvalstoffen, gelet op de behoefte van de zeegaande pleziervaartuigen die gewoonlijk de jachthaven aandoen;

  • b. een beschrijving van de voorzieningen voor de inzameling van afvalstoffen en de capaciteit daarvan;

  • c. een beschrijving van de procedures voor de afgifte van de betrokken afvalstoffen;

  • d. een beschrijving van de procedures voor het melden van vermeende tekortkomingen in de voorzieningen;

  • e. een beschrijving van de procedures voor structureel overleg met havengebruikers, afvalverwerkers en andere betrokken partijen;

  • f. een beschrijving van de soort en de te verwachten hoeveelheden afvalstoffen;

  • g. een beschrijving van de methoden voor het registreren van het feitelijk gebruik van de voorzieningen voor de inzameling van afvalstoffen;

  • h. een beschrijving van de wijze waarop ingezamelde afvalstoffen worden verwijderd; en

  • i. vermelding van één of meerdere personen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het plan.

Q

Het opschrift van Afdeling 3.4. komt te luiden:

AFDELING 3.4. OPSLAAN VAN STOFFEN OF HET VULLEN VAN GASFLESSEN.

R

Het opschrift van paragraaf 3.4.2. komt te luiden:

§ 3.4.2. Opslaan in ondergrondse opslagtanks van vloeibare brandstof, afgewerkte olie, bepaalde organische oplosmiddelen of vloeibare bodembedreigende stoffen die geen gevaarlijke stoffen of CMR stoffen zijn.

S

Artikel 3.32 vervalt.

T

Artikel 3.33 komt te luiden:

Artikel 3.33

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 3.30 van het besluit, wordt bij het opslaan in, het vullen van en het betrekken uit ondergrondse opslagtanks van stoffen, alsmede alle handelingen die met dat opslaan, vullen of betrekken in onmiddellijk verband staan, met dien verstande dat daaronder niet wordt begrepen de aflevering van vloeibare brandstoffen, mengsmering en aardgas, voldaan aan artikel 3.34 tot en met 3.37.

U

In artikel 3.35, eerste lid, wordt ‘vloeibare brandstof’ vervangen door: vloeibare brandstof, een organisch oplosmiddel of een vloeibare bodembedreigende stof als bedoeld in artikel 3.29, onder a en onder c tot en met j, van het besluit.

V

Artikel 3.38, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico of het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan als bedoeld in artikel 3.30 van het besluit, wordt bij het opslaan van stoffen als bedoeld in artikel 3.29, onder a tot en met j, van het besluit in ondergrondse opslagtanks alsmede het vullen en legen van deze opslagtanks voldaan aan de onderdelen 5.5.1, 6.1.2, 6.1.3, 6.2, 6.4, 7.4.4, 7.4.5, 7.5, 9.1, 9.2, 9.5 en 9.7 van PGS 28.

W

Artikel 3.44, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt ‘paragraaf 3.4.4 van het besluit’ vervangen door: paragraaf 3.3.3. van het besluit.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel n door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

o. betonproducten in bekisting, waaruit ontkistingsmiddelen kunnen lekken.

X

Paragraaf 3.4.4 vervalt.

Y

In Afdeling 3.4. worden na paragraaf 3.4.7. twee paragrafen ingevoegd, luidende:

§ 3.4.8. Het vullen van gasflessen met propaan of butaan

Artikel 3.71a
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan als bedoeld in artikel 3.54b van het besluit is in de vulplaats bij het vullen van gasflessen ten hoogste 300 liter aan gassen in flessen aanwezig.

  • 2. Het vulstation voldoet aan paragraaf 8.2.1, 8.2.2 en 8.2.6, 11.1, 12.1 en bijlage III van PGS 23.

§ 3.4.9. Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank

Artikel 3.71b
  • 1. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan als bedoeld in artikel 3.54d van het besluit, voldoet de opslag van gasolie en afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks aan de artikelen 3.71c tot en met 3.71h.

  • 2. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 3.54d van het besluit voldoet de opslag van smeerolie in bovengrondse opslagtanks aan de artikelen 3.71f en 3.71h.

  • 3. Ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 3.54d van het besluit voldoet de opslag van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks boven een oppervlaktewaterlichaam aan de artikelen 3.71g en 3.71h.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op de opslag van afgewerkte olie van een gasgestookte warmtekrachtinstallatie waaraan geen stoffen zijn toegevoegd en welke geen lager vlampunt heeft dan 55°C.

Artikel 3.71c
  • 1. De opslag van gasolie en afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks vindt plaats in bovengrondse opslagtanks, die met de daarbij behorende leidingen en appendages naar hun aard en functie geschikt zijn voor de opslag van de desbetreffende stoffen.

  • 2. De bovengrondse opslagtanks en de daarbij behorende leidingen en appendages verkeren in goede staat.

  • 3. De opslag van gasolie en afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks vindt op de vloer plaats.

  • 4. Het derde lid is niet van toepassing op een bovengrondse opslagtank met gasolie of afgewerkte olie indien plaatsing op de vloer als gevolg van de constructie van de bijbehorende procesinstallatie niet mogelijk is.

Artikel 3.71d
  • 1. Stationaire bovengrondse opslagtanks met de daarbij behorende leidingen en appendages voor de opslag van gasolie en afgewerkte olie zijn uitgevoerd en geïnstalleerd en worden gerepareerd of vervangen overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument, door een persoon of instelling, die daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.

  • 2. De opslag van de in het eerste lid genoemde stoffen in stationaire bovengrondse opslagtanks inclusief de bijbehorende leidingen en appendages voldoet aan de voorschriften 4.1.3, 4.2.4 tot en met 4.2.7, 4.2.9, 4.2.10, 4.2.14, 4.3.1 tot en met 4.3.4, 4.3.6, 4.3.8, 4.3.9, 4.3.11, 4.4.1, 4.4.3, 4.4.4, 4.4.7, 4.4.8, 4.5.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.9, 4.5.12 en de voorschriften in paragraaf 4.6 van PGS 30.

  • 3. Onverminderd voorschrift 4.2.9 van PGS 30 wordt de kathodische bescherming voor ondergrondse stalen leidingen jaarlijks op zijn goede werking gecontroleerd overeenkomstig artikel 3.36, eerste en tweede lid.

  • 4. Het lekdetectiesysteem bij dubbelwandige stationaire bovengrondse opslagtanks voor opslag van de in het eerste lid genoemde stoffen wordt eenmaal per jaar overeenkomstig KC 111 gecontroleerd op een goede werking. Bij het constateren van gebreken die kunnen leiden tot het optreden van niet gedetecteerde lekken, wordt het lekdetectiesysteem binnen een periode van een maand hersteld. Van de controle wordt een aantekening in het logboek gemaakt.

  • 5. In afwijking van voorschrift 4.4.4 van PGS 30 hoeft een stationaire bovengrondse opslagtank met afgewerkte olie niet te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van water. Stationaire bovengrondse opslagtanks met afgewerkte olie worden jaarlijks geledigd door een hiervoor erkende verwerker.

  • 6. Alle stationaire bovengrondse opslagtanks voor opslag van de in het eerste lid genoemde stoffen worden onderhouden en beoordeeld overeenkomstig KC 111.

Artikel 3.71e

De opslag van gasolie in mobiele bovengrondse opslagtanks inclusief de bijbehorende leidingen en appendages, voldoet aan paragraaf 4.9 van PGS 30.

Artikel 3.71f
  • 1. De opslag van gasolie, smeerolie en afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks vindt plaats boven een lekbak.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een opslagtank die dubbelwandig is uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie dat ten minste eenmaal per jaar wordt beoordeeld en is goedgekeurd overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument, door een persoon of instelling, die daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.

  • 3. De vulpunten en aftappunten van een bovengrondse opslagtank met gasolie, smeerolie en afgewerkte olie zijn geplaatst boven een vloeistofdichte vloer of verharding of boven of in een lekbak.

  • 4. De opslagtank en de vulleiding zijn voorzien van een overvulbeveiliging.

  • 5. Boven de lekbak, bedoeld in het eerste lid, vindt geen opslag van andere gevaarlijke stoffen plaats, indien die kunnen reageren met de stoffen in de bovengrondse opslagtank.

Artikel 3.71g
  • 1. De opslag van gasolie, smeerolie en afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks boven een oppervlaktewaterlichaam vindt plaats boven een voorziening die zich rondom of onder de opgeslagen stoffen bevindt en in staat is de bij normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende vloeistoffen op te vangen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een opslagtank die dubbelwandig is uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie dat ten minste eenmaal per jaar wordt beoordeeld en is goedgekeurd overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument, door een persoon of instelling, die daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.

  • 3. De vulpunten en aftappunten van een bovengrondse opslagtank met gasolie, smeerolie en afgewerkte olie boven een oppervlaktewaterlichaam zijn geplaatst boven of in een voorziening die zich rondom of onder de opgeslagen stoffen bevindt en die de bij normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende vloeistoffen kan opvangen.

  • 4. De voorzieningen, bedoeld in het eerste en derde lid, zijn zodanig uitgevoerd dat:

    • a. gemorste of gelekte vloeistoffen effectief worden opgevangen en kunnen worden opgeruimd;

    • b. er geen hemelwater op of in terecht kan komen, tenzij het hemelwater regelmatig van of uit de voorziening wordt verwijderd.

  • 5. De voorzieningen, bedoeld in het eerste en derde lid, zijn bestand tegen de inwerking van de opgeslagen stoffen en de condities waaronder deze stoffen worden gebruikt of opgeslagen.

  • 6. De voorziening, bedoeld in het eerste lid, heeft een opvangcapaciteit van ten minste 10% van de inhoud van alle opgeslagen stoffen.

  • 7. De opslagtank en de vulleiding zijn voorzien van een overvulbeveiliging.

Artikel 3.71h
  • 1. De artikelen 3.71d, 3.71f en 3.71g zijn niet van toepassing op een bovengrondse opslagtank met gasolie, smeerolie of afgewerkte olie die niet op de vloer staat.

  • 2. Aan de in het eerste lid bedoelde bovengrondse opslagtanks die niet op de bodem staan, kan het bevoegd gezag ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de plaats, de constructie, de keuring, de bodem- en veiligheidsvoorzieningen van de opslagtank.

Z

Na artikel 3.102 worden drie afdelingen ingevoegd, luidende:

AFDELING 3.6. VOEDINGSMIDDELEN

§ 3.6.1. Bereiden van voedingsmiddelen
Artikel 3.103
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder als bedoeld in artikel 3.132 van het besluit, worden afgezogen dampen en gassen van het bereiden van voedingsmiddelen als bedoeld in artikel 3.130, onder b, c en d, van het besluit die naar de buitenlucht worden geëmitteerd:

    • a. ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of

    • b. geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

  • 2. Ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, bedoeld in artikel 3.132 van het besluit, worden dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen, bedoeld in artikel 3.130, onder b, van het besluit, in een ruimte bij grillen, anders dan met houtskool, dan wel frituren of bakken in olie of vet, afgezogen en voordat zij in de buitenlucht worden afgevoerd, geleid door een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare.

  • 4. Het bevoegd gezag kan indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege het slecht functioneren van de ontgeuringsinstallatie, onvoldoende verspreiding van afgezogen dampen, geuremissies die niet via de afzuiging worden afgevoerd of incidentele geurpieken, in aanvulling op het eerste lid, met inachtneming van de NeR, maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot:

    • a. de uitvoering en het onderhoud van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in het eerste lid;

    • b. de situering van het emissiepunt;

    • c. het voorkomen of beperken van diffuse geuremissies; of

    • d. het beperken van incidentele geurpieken tot specifieke tijdstippen.

§ 3.6.2. Slachten van dieren, uitsnijden van vlees of vis of bewerken van dierlijke bijproducten
Artikel 3.104
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder als bedoeld in de artikelen 3.135 en 3.136 van het besluit:

    • a. wordt bij het slachten van dieren als bedoeld in artikel 3.133, onder a, van het besluit ten minste de vaste dierlijke mest die vrijkomt bij het slachten in afgesloten, lekvrije tonnen of bakken opgeslagen;

    • b. worden afgezogen dampen en gassen van het broeien of koken van dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 3.133, onder a, van het besluit, indien deze op de buitenlucht worden geëmitteerd:

      • 1°. ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd; of

      • 2°. geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

  • 2. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege het slecht functioneren van de ontgeuringsinstallatie, onvoldoende verspreiding van afgezogen dampen, geuremissie die niet via de afzuiging wordt afgevoerd of incidentele geurpieken, in aanvulling op het eerste lid, onder b, met inachtneming van de NeR, maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot:

    • a. de uitvoering en het onderhoud van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in het eerste lid, onder b;

    • b. de situering van de afvoerpijp;

    • c. het voorkomen of beperken van diffuse geuremissies; of

    • d. het beperken van incidentele geurpieken tot specifieke tijdstippen.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, onder b, kan het bevoegd gezag indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt en de bevoegdheden, bedoeld in het tweede lid, onvoldoende zijn om de overschrijding ongedaan te maken, met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de aanwezigheid van een ontgeuringsinstallatie of een grotere afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen.

Artikel 3.105
  • 1. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 3.135 van het besluit vindt het pekelen van dierlijke bijproducten en organen als bedoeld in artikel 3.133, onder a en d, van het besluit plaats boven een bodembeschermende voorziening.

  • 2. Ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en ter bescherming van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater als bedoeld in artikel 3.135 van het besluit worden bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen, bedoeld in artikel 3.133, onder a en d,van het besluit, ten minste de gemorste of gelekte stoffen zoveel mogelijk zonder verder toevoegen van water opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en wordt zoveel mogelijk voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen. Deze werkwijze wordt opgenomen in de bedrijfsinterne procedures en werkinstructies, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid.

§ 3.6.3. Industrieel vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken
Artikel 3.106

Aan artikel 3.141, vierde lid, van het besluit wordt in ieder geval voldaan indien:

  • a. de afgezogen stofemissies die vrijkomen bij het vervaardigen en bewerken van voedingsmiddelen of dranken waarbij voedingsmiddelen of grondstoffen daarvan worden gedroogd, gemalen, gebrand of geroosterd of waarbij goederen behorend tot de stuifklasse S1, S2, S3 of S4 worden gemengd, worden gevoerd door een filtrerende afscheider die geschikt is om aan artikel 3.141, tweede lid, van het besluit te voldoen; en

  • b. die filtrerende afscheider in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Artikel 3.107
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies wordt stofklasse S dat vrijkomt bij het vervaardigen en bewerken van voedingsmiddelen of dranken als bedoeld in artikel 3.141 van het besluit waarbij voedingsmiddelen of grondstoffen daarvan worden gedroogd, gemalen, gebrand of geroosterd of waarbij goederen behorend tot de stuifklasse S1, S2, S3 of S4 worden gemengd, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.

  • 2. Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden de afgezogen emissies die vrijkomen bij het vervaardigen en bewerken van voedingsmiddelen of dranken als bedoeld in artikel 3.141 van het besluit, waarbij voedingsmiddelen of grondstoffen daarvan worden gedroogd, gemalen, gebrand of geroosterd of waarbij goederen behorend tot de stuifklasse S1, S2, S3 of S4 worden gemengd en naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein dan wel op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare, is gelegen.

  • 3. Het bevoegd gezag kan in het belang van de luchtkwaliteit en met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede lid.

AFDELING 3.7. SPORT EN RECREATIE

§ 3.7.1. Binnenschietbanen
Artikel 3.108
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies als bedoeld in artikel 3.143 van het besluit, wordt stofklasse S dat vrijkomt bij het schieten op een binnenschietbaan, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig afgezogen.

  • 2. Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.143 van het besluit, worden de afgezogen emissies die vrijkomen bij het schieten op een binnenschietbaan en die naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein dan wel op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare, is gelegen.

  • 3. Het bevoegd gezag kan in het belang van de luchtkwaliteit en met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3.109

Aan artikel 3.143, eerste lid, van het besluit wordt in ieder geval voldaan indien:

  • a. de afgezogen stofemissies die vrijkomen bij het schieten op een binnenschietbaan worden gevoerd door een filtrerende afscheider die geschikt is om aan artikel 3.143, eerste lid, van het besluit te voldoen, en

  • b. die filtrerende afscheider in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Artikel 3.110
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan als bedoeld in artikel 3.144, aanhef en onder a, van het besluit, wordt bij het schieten op een binnenschietbaan ten minste voldaan aan het tweede en derde lid.

  • 2. De constructie van een binnenschietbaan voldoet ten minste aan de in tabel 3.110 aangegeven maatvoering.

  • 3. Een binnenschietbaan heeft een doelmatige kogelvanger die ten minste voldoet aan de in tabel 3.110 aangegeven maatvoering.

  • 4. Het bevoegd gezag kan in het belang van de veiligheid voor de omgeving maatwerkvoorschriften stellen aan de uitvoering van de constructie en

    kogelvanger, bedoeld in het tweede en derde lid.

    Tabel 3.110
     

    wapens met een kaliber tot en met .22

    vuistvuurwapens met een kaliber tot .50 en overige vuurwapens voorzien van pistoolmunitie

    schoudervuurwapens met een kaliber tot .50

    plafond/dak

    50 mm beton of 100 mm gasbeton

    100 mm beton of 150 mm gasbeton

    200 mm beton of 150 mm gasbeton

    zijwanden

    100 mm metselwerk of kalkzandsteen of 50 mm beton of 100 mm gasbeton

    100 mm metselwerk of kalkzandsteen of 100 mm beton of 150 mm gasbeton

    200 mm metselwerk of kalkzandsteen of 200 mm beton of 150 mm gasbeton

    achterwand

    100 mm metselwerk of kalkzandsteen of 75 mm beton

    200 mm metselwerk of kalkzandsteen of 100 mm beton

    200 mm metselwerk of kalkzandsteen

    of 200 mm beton

    bescherming wanden en plafond ter plaatse van het schietpunt

    vurenhout 20 mm of cementvezelplaat 25 mm op regels 25 mm

    vurenhout 25 mm of cementvezelplaat 50 mm op regels 30 mm

    vurenhout 25 mm of cementvezelplaat 50 mm op regels 30 mm

    baanzool (indien en voor zover verhard)

    50 mm beton met afwerking cementvloer of plastisch materiaal

    100 mm beton met afwerking cementvloer of plastisch materiaal

    100 mm beton met afwerking cementvloer of plastisch materiaal

    baanzool (indien en voor zover onverhard)

    vlak zand, zonder harde bestanddelen met afmetingen groter dan 3 mm

    vlak zand, zonder harde bestanddelen met afmetingen groter dan 3 mm

    vlak zand, zonder harde bestanddelen met afmetingen groter dan 3 mm

    bescherming aanschietbare delen

    vurenhout 20 mm op regels 25 mm

    vurenhout 25 mm op regels 30 mm

    vurenhout 25 mm op regels 30 mm

    rooster ventilatie-opening

    staalplaat 3 mm

    staalplaat 6 mm

    staalplaat 10 mm

    zandkogelvanger

    Helling 34 graden met horizontaal; nabij plafond 0,75 m diepte

    Helling 34 graden met horizontaal; nabij plafond 1,0 m diepte

    Helling 34 graden met horizontaal; nabij plafond 1,2 m diepte

    stalen kogelvanger

    staalplaat trefvlak 5 mm dik

    staalplaat trefvlak 12 mm dik

    ______

    kunststof kogelvanger

    diepte 0,30 m

    diepte 0,50 m

    diepte 0,90 m.

Artikel 3.111
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem, bedoeld in artikel 3.144, aanhef en onder b, van het besluit, wordt bij het schieten op een binnenschietbaan ten minste voldaan aan het tweede tot en met het derde lid.

  • 2. Indien bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen, vindt het schieten plaats boven een bodembeschermende voorziening.

  • 3. De kogelvanger, bedoeld in artikel 3.110, derde lid, is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening.

Artikel 3.112

Bij het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax als gevolg van een inrichting met een binnenschietbaan, bedoeld in artikel 3.144, tweede lid, van het besluit, wordt gemeten volgens het in bijlage 7 opgenomen Meetvoorschrift binnenschietinrichtingen.

Artikel 3.113

Ingevolge artikel 1.11, tiende lid, van het besluit, bevat het rapport van een akoestisch onderzoek, bedoeld in artikel 1.11, derde lid, onder f, van het besluit, de volgende gegevens:

  • a. een gedetailleerde beschrijving (naam, type, fabricaat) van de gemeten representatieve wapens en de gebruikte munitie (type en LOT-nummer);

  • b. het totale aantal schoten van de representatieve gebruiksituatie voor de relevante wapencategorieën voor de relevante beoordelingsperioden;

  • c. gebruikte meetapparatuur;

  • d. een plattegrond van de meetsituatie (bijvoorbeeld: ligging baan, positie wapen, adres, omgeving geluidgevoelige bestemmingen, etc.) en een opgave van de beoordelingspunten (afstanden, microfoonhoogte, afstand tot de gevel, afmetingen van de ruimte);

  • e. de meetwaarden voor LAE en LAmax alsmede de energetische gemiddelde waarden;

  • f. de beoordelingsniveaus per meetlocatie voor de relevante beoordelingsperioden;

  • g. het gemeten achtergrondgeluidniveau per meetlocatie en beschrijving van de aard van de stoorgeluiden, en

  • h. de weersomstandigheden indien metingen buiten zijn uitgevoerd.

§ 3.7.2. Traditioneel schieten
Artikel 3.114
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, bedoeld in artikel 3.146 van het besluit, wordt bij het traditioneel schieten ten minste voldaan aan het vierde tot en met zevende lid.

  • 2. Ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem, bedoeld in artikel 3.146 van het besluit, wordt bij het traditioneel schieten voldaan aan het derde, vierde en zevende lid.

  • 3. Indien bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen, vindt het schieten plaats boven een bodembeschermende voorziening.

  • 4. Het schieten vindt op zodanige wijze plaats dat alle afgeschoten kogels worden opgevangen in een voorziening. De voorziening is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening.

  • 5. Gedurende de periode dat wordt geschoten bevinden zich geen personen of veediersoorten in de onveilige zone, uitgezonderd de schutter, de baancommandant en één of meerdere door de baancommandant aangewezen personen. De onveilige zone omvat de oppervlakte van een rechthoek van twee meter aan weerszijde van de voorziening waarin de afgeschoten kogels worden opgevangen, bedoeld in het vierde lid, bij acht meter. De zone bevindt zich aan de zijde waar op het doel wordt geschoten.

  • 6. In afwijking van het vijfde lid omvat de onveilige zone bij het schieten op een houten blok of knoest met kogels van kalibernummer 16 of kleiner de oppervlakte van een halve cirkel met een straal van 25 meter met het doel waarop wordt geschoten als middelpunt. De zone bevindt zich aan de zijde waar op het doel wordt geschoten.

  • 7. In afwijking van het vierde tot en met het zesde lid kan het bevoegd gezag bij de viering van festiviteiten maatwerkvoorschriften stellen ten behoeve van:

    • a. het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem; en

    • b. met betrekking tot de onveilige zone.

  • 8. De dagen of dagdelen waarop festiviteiten als bedoeld in het zevende lid plaatsvinden worden door het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift aangewezen, met dien verstande dat het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer dan twaalf per kalenderjaar bedraagt.

AFDELING 3.8. OVERIGE ACTIVITEITEN

§ 3.8.1. Gemeentelijke milieustraat
Artikel 3.115
  • 1. Ten behoeve van een doelmatig beheer van afvalstoffen als bedoeld in artikel 3.156 van het besluit voldoet een inrichting waar een gemeente gelegenheid biedt om grove huishoudelijke afvalstoffen achter te laten ten minste aan het tweede tot en met het vierde lid.

  • 2. Bij een inrichting waar een gemeente gelegenheid biedt om grove huishoudelijke afvalstoffen achter te laten zijn voorzieningen aanwezig voor het gescheiden achterlaten van de volgende grove huishoudelijke afvalstoffen:

    • a. afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;

    • b. asbest;

    • c. C-hout;

    • d. gasflessen, brandblussers en overige drukhouders;

    • e. grond, onderscheiden naar de functieklassen van het Besluit bodemkwaliteit;

    • f. A-hout en B-hout;

    • g. banden van voertuigen;

    • h. dakafval;

    • i. geëxpandeerd polystyreenschuim;

    • j. gemengd steenachtig materiaal, niet zijnde asfalt en niet zijnde gips;

    • k. gips;

    • l. grof tuinafval;

    • m. harde kunststoffen;

    • n. matrassen;

    • o. metalen;

    • p. papier en karton;

    • q. textiel, niet zijnde tapijt; en

    • r. vlakglas.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing op grove huishoudelijke afvalstoffen die de inrichting niet inneemt. De inrichtinghouder zorgt er in dat geval voor dat bij de inrichting duidelijk is aangegeven waar de inwoners van de gemeente deze afvalstoffen wel kunnen aanbieden. Verder neemt de inrichtinghouder in dat geval in de procedures van acceptatie en controle bedoeld in artikel 2.14b van het besluit op hoe ervoor gezorgd wordt dat deze afvalstoffen niet worden ingenomen.

  • 4. Onverminderd artikel 2.14b van het besluit draagt de inrichtinghouder er zorg voor dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat afvalstoffen waarvoor specifieke voorzieningen aanwezig zijn in de voorziening voor het restafval worden gedeponeerd. De inrichtinghouder neemt in de procedures van acceptatie en controle bedoeld in artikel 2.14b van het besluit op hoe hier invulling aan gegeven wordt.

  • 5. Bij maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag toestaan dat een of meer van de voorzieningen, bedoeld in het tweede lid, onder f tot en met r, niet aanwezig zijn, op voorwaarde dat de inrichtinghouder op een redelijke in het voorschrift te stellen termijn via nascheiding of op andere wijze een zelfde niveau van afvalscheiding bereikt.

  • 6. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in het vijfde lid kunnen voorwaarden worden gesteld aan de wijze van nascheiding of andere alternatieve verwerking en het overleggen van bescheiden hierover.

AA

Het opschrift van paragraaf 4.1.1. komt te luiden:

§ 4.1.1. Opslaan van gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of bodembedreigende stoffen in verpakking, niet zijnde vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, andere ontplofbare stoffen, bepaalde organische peroxiden, asbest, gedemonteerde airbags, gordelspanners of vaste kunstmeststoffen.

BB

Artikel 4.1 komt te luiden:

Artikel 4.1

  • 1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van het besluit wordt bij de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking en CMR-stoffen in verpakking, niet zijnde vuurwerk, andere ontplofbare stoffen, vaste kunstmeststoffen of organische peroxiden als bedoeld in artikel 4a, onder d, van het besluit, ten minste voldaan aan de artikelen 4.2 tot en met 4.9b en 4.10, vierde lid.

  • 2. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 4.1, zevende lid, van het besluit, wordt bij het opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking, vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking, afvalstoffen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken en CMR-stoffen in verpakking, niet zijnde vuurwerk, andere ontplofbare stoffen, vaste kunstmeststoffen, of organische peroxiden als bedoeld in artikel 4a, onder d, van het besluit, voldaan aan de artikelen 4.2, 4.9, 4.9a, 4.9b en 4.10.

  • 3. Ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het oppervlaktewater als bedoeld in artikel 4.1, negende lid, van het besluit wordt bij het boven oppervlaktewater opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking, vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking en CMR-stoffen in verpakking, niet zijnde vuurwerk, vaste kunstmeststoffen, organische peroxiden als bedoeld in artikel 4a, onder d, van het besluit, asbest, gedemonteerde airbags en gordelspanners en andere ontplofbare stoffen voldaan aan de artikelen 4.2 en 4.10a.

  • 4. Van een voldoende brandwerende voorziening als bedoeld in artikel 4.1, derde en vijfde lid, van het besluit, is in ieder geval sprake indien de wand een brandwerendheid van ten minste 60 minuten heeft, een hoogte heeft van twee meter en aan weerszijden van de opslagvoorziening een lengte heeft van ten minste twee meter, horizontaal gemeten vanaf de opslagvoorziening.

CC

Artikel 4.3, tweede lid, alsmede de aanduiding ‘1.’ voor artikel 4.3, eerste lid, vervallen.

DD

In tabel 4.6. Gevaar overeenkomstig de ADR klasse vervalt de rij:

5.2 II en III -.

EE

Het opschrift van paragraaf 4.1.2. komt te luiden:

§ 4.1.2 Opslaan van vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of andere ontplofbare stoffen.

FF

Het opschrift van § 4.1.3.1 komt te luiden:

§ 4.1.3.1. Opslaan van stoffen klasse 5.1 van het ADR en stoffen klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar, halfzware olie, PER, polyesterhars of andere vloeibare bodembedreigende stoffen, niet zijnde gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen, smeerolie of afgewerkte olie, in bovengrondse opslagtanks.

GG

Artikel 4.13 komt te luiden:

Artikel 4.13

  • 1. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan als bedoeld in artikel 4.6 van het besluit, voldoet de opslag van halfzware olie, polyesterhars, stoffen van klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar, PER of stoffen van klasse 5.1 van het ADR in bovengrondse opslagtanks aan de artikelen 4.14 tot en met 4.19.

  • 2. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 4.6 van het besluit, voldoet de opslag van vloeibare bodembedreigende stoffen als bedoeld in artikel 4.4a, onder e en f, van het besluit, in een bovengrondse opslagtank aan artikel 4.18.

  • 3. Ten behoeve van:

    • a. het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk, is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 4.6 van het besluit; en

    • b. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, bedoeld in artikel 4.6 van het besluit,

    voldoet de opslag van halfzware olie, stoffen van klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar, PER, stoffen van klasse 5.1 van het ADR, polyesterhars of andere vloeibare bodembedreigende stoffen, in een opslagtank boven een oppervlaktewaterlichaam aan artikel 4.18a.

HH

In artikel 4.14, eerste, derde en vierde lid, wordt ‘vloeibare brandstof, afgewerkte olie, stoffen van klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar, PER en stoffen van klasse 5.1 van het ADR’ vervangen door: halfzware olie, polyesterhars, stoffen van klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar, PER of stoffen van klasse 5.1 van het ADR.

II

Artikel 4.15 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Stationaire bovengrondse opslagtanks met de daarbij behorende leidingen en appendages voor de opslag van halfzware olie, polyesterhars of stoffen van klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar, zijn uitgevoerd en geïnstalleerd en worden gerepareerd of vervangen overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument, door een persoon of instelling, die daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.

2. Het vijfde lid vervalt en het zesde lid wordt vernummerd tot het vijfde lid.

3. In het tweede lid en het vijfde lid (nieuw) wordt ‘bovengrondse stationaire opslagtanks’ vervangen door: stationaire bovengrondse opslagtanks.

4. In het vierde lid wordt ‘bovengrondse dubbelwandige stationaire opslagtanks’ vervangen door: stationaire bovengrondse dubbelwandige opslagtanks.

JJ

In artikel 4.16 wordt ‘bovengrondse stationaire opslagtanks’ vervangen door: stationaire bovengrondse opslagtanks.

KK

Artikel 4.17 komt te luiden:

Artikel 4.17

De opslag van halfzware olie in mobiele bovengrondse opslagtanks inclusief bijbehorende leidingen en appendages voldoet aan paragraaf 4.9 van PGS 30.

LL

Artikel 4.18, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. Boven de lekbak, bedoeld in het eerste lid, vindt geen opslag van andere gevaarlijke stoffen plaats, indien die kunnen reageren met de stoffen in de bovengrondse opslagtank.

MM

Artikel 4.19, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De artikelen 4.15, 4.16 en 4.18 zijn niet van toepassing op een bovengrondse opslagtank met vloeibare gevaarlijke stoffen of vloeibare bodembedreigende stoffen die niet op de vloer staat.

NN

Na artikel 4.21 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 4.1.5. Gebruik of opslag van bepaalde organische peroxiden.

Artikel 4.22
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk, is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, bedoeld in artikel 4.9 van het besluit, voldoet de opslag in verpakking van stoffen van ADR klasse 5.2 type C of het gebruik of de opslag in verpakking van stoffen van ADR klasse 5.2, type D tot en met F, bedoeld in artikel 4.8 van het besluit, aan de artikelen 4.23 tot en met 4.27.

  • 2. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 4.9 van het besluit, voldoet de opslag in verpakking van stoffen van ADR klasse 5.2 type C of het gebruik of de opslag in verpakking van stoffen van ADR klasse 5.2 type D tot en met F als bedoeld in artikel 4.8 van het besluit, aan de artikelen 4.23, 4.26 en 4.27.

Artikel 4.23
  • 1. Opslag van stoffen van ADR klasse 5.2 type D tot en met F in verpakking voldoet in elk geval aan de voorschriften van de hoofdstukken 4, 7 en 10 en de voorschriften 8.1.3 tot en met 8.1.7, 8.1.9 tot en met 8.1.19 en 8.2.5 van PGS 8.

  • 2. Onverminderd het eerste lid worden stoffen van ADR klasse 5.2 type D tot en met F in verpakking in een hoeveelheid kleiner dan 30 kilogram opgeslagen in een opslagvoorziening die ten minste voldoet aan de voorschriften 5.4.1, 5.4.3 tot en met 5.4.6, 5.4.8 tot en met 5.4.10 en 5.4.12 van PGS 8.

  • 3. Onverminderd het eerste lid worden stoffen van ADR klasse 5.2 type D tot en met F in verpakking in een hoeveelheid vanaf 30 kilogram en kleiner dan 150 kilogram opgeslagen in een opslagvoorziening die ten minste voldoet aan de voorschriften 5.5.1 tot en met 5.5.8 en 5.5.11 tot en met 5.5.13 van PGS 8.

  • 4. Onverminderd het eerste lid worden stoffen van ADR klasse 5.2 type D tot en met F in verpakking in een hoeveelheid vanaf 150 kilogram en kleiner dan 1.000 kilogram opgeslagen in een opslagvoorziening die ten minste voldoet aan voorschriften 5.6.1 tot en met 5.6.11 en 5.6.15 tot en met 5.6.19 van PGS 8.

  • 5. In afwijking van het tweede tot en met het vierde lid voldoet een dagvoorraad- of aftapruimte waar stoffen van ADR klasse 5.2 maximaal 72 uur voorhanden zijn aan de voorschriften 5.8.2 tot en met 5.8.11 en 5.8.14 tot en met 5.8.16 van PGS 8.

Artikel 4.24
  • 1. Een dagvoorraad- of aftapruimte waar stoffen van ADR klasse 5.2 maximaal 72 uur voor handen zijn en de opslag van stoffen van ADR klasse 5.2 type D tot en met F in verpakking in een hoeveelheid vanaf 150 kilogram is overeenkomstig hoofdstuk 7 van PGS 8 zo uitgevoerd, dat de kans op brandoverslag zo klein mogelijk is.

  • 2. Aan het eerste lid wordt in elk geval voldaan als:

    • a. de afstand van de opslagvoorziening tot interne objecten waar zich mensen bevinden ten minste tien meter bedraagt; en

    • b. de afstand tot interne objecten waar zich over het algemeen geen mensen bevinden ten minste vijf meter bedraagt.

Artikel 4.25
  • 1. Artikel 4.23 is niet van toepassing op stoffen van ADR klasse 5.2 type D, E en F, waarvoor volgens het ADR temperatuurbeheersing niet vereist is, indien deze stoffen worden opgeslagen in een hoeveelheid van ten hoogste 1.000 kilogram per opslagvoorziening, in verpakking als LQ en in een voorziening die is uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften uit de paragrafen 3.1, 3.2 met uitzondering van voorschrift 3.2.1.6, en uit de paragrafen 2.4, 3.8 tot en met 3.20, voorschrift 3.21.1, paragraaf 3.23 en paragraaf 9.2 van PGS 15.

  • 2. Stoffen van ADR klasse 5.2 type C waarvoor volgens het ADR temperatuurbeheersing niet vereist is, worden opgeslagen in een hoeveelheid van ten hoogste 1.000 kilogram per opslagvoorziening, in verpakking als LQ en in een voorziening die is uitgevoerd overeenkomstig voorschrift 3.21.1 en de voorschriften uit de paragrafen 3.1, 3.2 met uitzondering van voorschrift 3.2.1.6, 3.4, 3.8 tot en met 3.20, 3.23 en 9.2 van PGS 15.

Artikel 4.26
  • 1. Het gebruik van stoffen van ADR klasse 5.2 type D tot en met F voldoet aan de voorschriften 8.1.4, 8.1.16 tot en met 8.1.19 en 8.2.5 van PGS 8.

  • 2. Het gebruik van vloeibare stoffen van ADR klasse 5.2 type D tot en met F vindt plaats boven een vloeistofdichte vloer of verharding.

  • 3. Het gebruik van vast stoffen van ADR klasse 5.2 type D tot en met F vindt plaats boven een bodembeschermende voorziening.

  • 4. Indien de werkvoorraad bestaat uit meer dan 25 liter vloeibare en tevens brandbare stoffen van ADR klasse 5.2 type D tot en met F, staat de werkvoorraad opgesteld boven een lekbak.

Artikel 4.27
  • 1. De verpakking van stoffen van ADR klasse 5.2 is tegen normale behandeling bestand en is zodanig dat niets van de inhoud uit de verpakking onvoorzien kan ontsnappen.

  • 2. Het opslaan van stoffen van ADR klasse 5.2 type C tot en met F in verpakking vindt plaats boven een bodembeschermende voorziening.

OO

Paragraaf 4.1.6. en Afdeling 4.2. vervallen.

PP

Het opschrift van Afdeling 4.3. komt te luiden:

AFDELING 4.3. ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT HOUT OF KURK.

QQ

In de artikelen 4.38, eerste lid, 4.40, tweede lid, 4.84a, eerste lid, onder c, 4.102a, eerste lid, 4.102i, eerste lid, en 4.104a, eerste lid, wordt ‘totaal stof’ telkens vervangen door: stofklasse S.

RR

Het opschrift van paragraaf 4.3.2. komt te luiden:

§ 4.3.2. Reinigen, coaten of lijmen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen.

SS

In artikel 4.40, eerste lid, onder a en c, en tweede lid, artikel 4.41, onder a, artikel 4.42, onder a en artikel 4.43 wordt ‘coaten en lijmen’ telkens vervangen door: coaten of lijmen.

TT

Het opschrift van Afdeling 4.4. komt te luiden:

AFDELING 4.4. ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT RUBBER OF KUNSTSTOF.

UU

Paragraaf 4.4.1. komt te luiden:

§ 4.4.1. Mechanische bewerkingen van rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten

Artikel 4.44
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies als bedoeld in artikel 4.27a, tweede lid, van het besluit wordt stofklasse S dat vrijkomt bij mechanische bewerking van rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.

  • 2. Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.27a, tweede lid, van het besluit, worden de afgezogen emissies die vrijkomen bij mechanische bewerking van rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten die naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein dan wel op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare, is gelegen.

  • 3. Het bevoegd gezag kan in het belang van de luchtkwaliteit en met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het afvoerpunt van de emissies naar de buitenlucht, als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.45

Aan artikel 4.27a, eerste lid, van het besluit wordt in ieder geval voldaan indien:

  • a. de afgezogen stofemissies die vrijkomen bij mechanische bewerking van rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten worden gevoerd door een filtrerende afscheider die geschikt is om aan artikel 4.27a, eerste lid, van het besluit te voldoen, en

  • b. die filtrerende afscheider in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Artikel 4.45a

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 4.27b, van het besluit, vindt het shredderen van rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten waarbij gebruik wordt gemaakt van een installatie met een olie- of koelvloeistofcircuit plaats boven een bodembeschermende voorziening.

VV

Het opschrift van § 4.4.2. komt te luiden:

§ 4.4.2. Reinigen, coaten of lijmen van rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten.

WW

Artikel 4.46 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

  • a. ‘Ten behoeve van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies’ wordt vervangen door: Ten behoeve van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies als bedoeld in artikel 4.31 van het besluit.

  • b. ‘reinigen, coaten en lijmen’ wordt telkens vervangen door: reinigen, coaten of lijmen.

2. In het tweede lid wordt ‘Ten behoeve van het voorkomen, dan wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van stofhinder, worden emissies van totaal stof’ vervangen door: Ten behoeve van het voorkomen, dan wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van stofhinder als bedoeld in artikel 4.31 van het besluit, worden emissies van stofklasse S.

3. In het derde lid wordt ‘Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht’ vervangen door: Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.31 van het besluit.

4. In het vierde lid wordt ‘Ten behoeve van het voorkomen dan wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder’ vervangen door: Ten behoeve van het voorkomen dan wel tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder als bedoeld in artikel 4.31 van het besluit.

XX

Artikel 4.47, onder a, wordt als volgt gewijzigd:

1. ‘coaten en lijmen’ wordt vervangen door: coaten of lijmen.

2. ‘kunststof of kunststof producten’ wordt vervangen door: van rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten.

YY

Artikel 4.48, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. ‘coaten en lijmen’ wordt vervangen door: coaten of lijmen.

2. ‘kunststof of kunststof producten’ wordt vervangen door: rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten.

ZZ

Artikel 4.49 wordt als volgt gewijzigd:

1. ‘Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico’ wordt vervangen door: Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 4.31 van het besluit.

2. ‘coaten en lijmen’ wordt vervangen door: coaten of lijmen.

3. ‘kunststof of kunststofproducten’ wordt telkens vervangen door: rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten.

AAA

Na artikel 4.49 wordt in Afdeling 4.4. een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 4.4.3. Wegen of mengen van rubbercompounds of het verwerken van rubber, thermoplastisch kunststof of polyesterhars

Artikel 4.49a
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel het zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies als bedoeld in artikel 4.31b, vierde lid, van het besluit wordt stofklasse S die vrijkomt bij het wegen of mengen van rubbercompounds, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.

  • 2. Ten behoeve van een doelmatige verspreiding van emissies naar de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.31b, vierde lid, van het besluit worden emissies die vrijkomen bij het wegen of mengen van rubbercompounds of het verwerken van rubber, thermoplastische kunststof of polyesterhars, voor zover die worden afgezogen, bovendaks en omhoog gericht naar de buitenlucht afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare, is gelegen.

  • 3. Het bevoegd gezag kan, in het belang van de luchtkwaliteit en met inachtneming van de NeR, maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het afvoerpunt van emissies naar de buitenlucht, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.49b

Aan artikel 4.31b, eerste lid, van het besluit wordt in ieder geval voldaan indien:

  • a. de afgezogen stofemissies die vrijkomen bij het wegen of mengen van rubbercompounds worden gevoerd door een filtrerende afscheider die geschikt is om aan artikel 4.31b, eerste lid, van het besluit te voldoen, en

  • b. die filtrerende afscheider in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Artikel 4.49c
  • 1. Stoffen als bedoeld in het 4.31b, tweede lid, van het besluit, die bij het mengen van rubbercompounds of het verwerken van rubber of thermoplastische kunststof worden toegepast en in ieder geval onder een minimalisatieverplichting vallen, zijn:

    • a. benzyl butyl ftalaat (BBP);

    • b. dibutyl ftalaat (DBP);

    • c. di-ethyl hexyl ftalaat (DEHP);

    • d. di-isobutyl ftalaat (DIBP).

  • 2. Op de stoffen, bedoeld in het eerste lid, is het bepaalde in de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen onverminderd van toepassing.

Artikel 4.49d
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen of, voor zover dat niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau beperken van de geurhinder, bedoeld in artikel 4.31c van het besluit, past degene die de inrichting drijft de volgende emissiereducerende maatregelen met betrekking tot styreen toe, tenzij deze niet kosteneffectief of niet technisch uitvoerbaar zijn:

    • a. toepassen van harsen met additieven die verdamping van styreen bij het uitharden beperken;

    • b. toepassen van harsen met een verlaagd styreengehalte;

    • c. toepassen van harsen waarin styreen deels is vervangen door dicyclopentadieen;

    • d. spuittechnieken zonder persluchtondersteuning;

    • e. toepassen van een lagedruk polyesterharsopbrengsysteem;

    • f. overschakelen op een gesloten malsysteem;

    • g. overschakelen op een vacuümfoliesysteem;

    • h. afdekken van emmers en vaten;

    • i. toepassen van gesloten leidingssystemen voor oplosmiddelen en hars; en

    • j. toepassen van een nageschakelde techniek zoals cryocondensatie, thermische of katalytische naverbranding, een bioreactor of een zuurstofradicaalgenerator.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien degene die de inrichting drijft aantoont dat de geurhinder beperkt blijft tot een aanvaardbaar niveau of dat het mogelijke effect van de styreenemissie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig object per hectare.

  • 3. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat bij het verwerken van polyesterhars ondanks de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot:

    • a. het niet in de buitenlucht verwerken van polyesterhars,

    • b. de situering van de afvoerpijp,

    • c. het voorkomen of beperken van diffuse emissies, of

    • d. het beperken van incidentele geurpieken tot specifieke tijdstippen.

  • 4. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat bij het verwerken van polyesterhars ondanks de maatregelen bedoeld in het eerste lid, de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt en de uitoefening van bevoegdheden, bedoeld in het derde lid, onvoldoende effect hebben om de overschrijding ongedaan te maken, met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de aanwezigheid van een ontgeuringsinstallatie of een grotere afvoerhoogte van de bij het verwerken van polyesterhars vrijkomende gassen en dampen.

Artikel 4.49e
  • 1. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 4.31d van het besluit vindt het:

    • a. mengen van rubbercompounds;

    • b. verwerken van rubber of thermoplastisch kunststof waarbij gebruik wordt gemaakt van een installatie met een olie- of koelvloeistofcircuit, of

    • c. verwerken van polyesterhars, waaronder tevens wordt verstaan het reinigen van de daarbij gebruikte apparatuur,

    plaats boven een bodembeschermende voorziening.

  • 2. Bij de aanleg van de bodembeschermende voorziening voor het mengen van rubbercompounds, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt bijzondere aandacht besteed aan toevoer- en aftappunten van de menginstallatie.

BBB

Het opschrift van paragraaf 4.5.1. komt te luiden:

§ 4.5.1. Spaanloze, verspanende of thermische bewerking of mechanische eindafwerking van metalen.

CCC

Na het opschrift van paragraaf 4.5.2. wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.54a

Bij het lassen van metalen wordt de volgende klassenindeling, bedoeld in artikel 4.40, tweede lid, van het besluit, aangehouden:

  • a. Klasse I en II:

    • TIG-lassen, plasmalassen, druklassen, autogeen lassen en onder poederlassen van alle materialen met uitzondering van geverfde materialen.

  • b. Klasse III:

    • Lassen met beklede elektroden van alle materialen met uitzondering van roestvast staal, beryllium- en vanadiumlegeringen en met uitzondering van geverfde materialen;

    • MAG-lassen met gevulde draad van alle materialen met uitzondering van roestvast staal en geverfde materialen;

    • MIG/MAG-lassen met massieve draad van alle materialen met uitzondering van koper-, berylliumen vanadiumlegeringen en met uitzondering van geverfde materialen.

  • c. Klasse IV:

    Het lassen van geverfde materialen (met uitzondering van loodmenie) met behulp van één van de volgende technieken:

    • TIG-lassen (met uitzondering van aluminium), plasmalassen, druklassen, autogeenlassen, onder poeder lassen;

    • Lassen met beklede elektroden, MAG-lassen met gevulde draad en MIG/MAG-lassen met massieve draad.

  • d. Klasse V, VI en VII:

    • Lassen met beklede elektroden, van de materialen: roestvast staal, vanadiumle geringen en berylliumlegeringen;

    • MAG-lassen met gevulde draad van de materialen: roestvast staal;

    • Lassen met gelegeerde elektrode of met gelegeerde gevulde draad;

    • MIG-lassen met gevulde draad of massieve draad van de materialen: koperlegeringen en beryllium- en vanadiumlegeringen;

    • Lassen met gevulde draad van de materialen: ongelegeerd en gelegeerd staal;

    • Lassen van de materialen: geverfd staal met loodmenie.

DDD

Het opschrift van paragraaf 4.5.5. komt te luiden:

§ 4.5.5. Reinigen, lijmen of coaten van metalen.

EEE

Na artikel 4.65 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.65a

  • 1. Aan artikel 4.54a, derde lid, van het besluit wordt, voor zover het betreft het schoonbranden van metalen waarbij gebruik wordt gemaakt van een elektrische oven, in ieder geval voldaan indien de uit de oven afgezogen dampen via condensatie of absorptie worden behandeld en teruggeleid naar de oven zonder dat een emissie naar de lucht optreedt.

  • 2. Aan artikel 4.54a, derde lid, van het besluit wordt, voor zover het betreft het schoonbranden van metalen waarbij gebruik wordt gemaakt van een gasgestookte oven met een capaciteit kleiner dan 5 ton te reinigen product, in ieder geval voldaan indien:

    • a. de rookgassen uit de oven worden geleid door een naverbrander, die geschikt is om aan artikel 4.54a, derde lid, te voldoen en zo is ingeregeld dat:

      • 1°. tot het einde van de cyclus de temperatuur ten minste 850°C is;

      • 2°. de naverbrander op temperatuur is voordat het schoonbranden begint;

      • 3°. de verblijftijd van de rookgassen ten minste twee seconden is, en

      • 4°. de emissieconcentratie van koolmonoxide niet meer dan 100 milligram per normaal kubieke meter is;

    • b. de rookgassen alleen via de naverbrander uit de oven kunnen worden afgevoerd;

    • c. het temperatuurverloop van oven en naverbrander continu geregistreerd wordt, en

    • d. de oven en de naverbrander in goede staat van onderhoud verkeren, periodiek gecontroleerd worden en zo vaak als voor de goede werking nodig is, worden schoongemaakt en vervangen.

  • 3. Aan artikel 4.54a, derde lid, van het besluit wordt, voor zover het betreft het schoonbranden van metalen waarbij gebruik wordt gemaakt van een gasgestookte oven met een capaciteit groter dan of gelijk aan 5 ton te reinigen product, in ieder geval voldaan indien:

    • a. de rookgassen uit de oven worden geleid door een naverbrander, die geschikt is om aan artikel 4.54a, derde lid, te voldoen en zo is ingeregeld dat:

      • 1°. tot het einde van de cyclus de temperatuur ten minste 850°C is;

      • 2°. de naverbrander op temperatuur is voordat het schoonbranden begint;

      • 3°. de verblijftijd van de rookgassen ten minste twee seconden is, en

      • 4°. de emissieconcentratie van koolmonoxide niet meer dan 100 milligram per normaal kubieke meter is;

    • b. de rookgassen alleen via de naverbrander uit de oven kunnen worden afgevoerd;

    • c. het zuurstofpercentage in de rookgassen na de naverbrander ten minste 6% is;

    • d. via beveiligingen is geborgd dat het schoonbranden niet kan starten indien de naverbrander niet werkt, en dat de naverbrander niet kan worden uitgeschakeld indien de oven in bedrijf is;

    • e. de maximale belading van de oven is vastgesteld, en niet kan worden overschreden;

    • f. de nabrandtijd van de naverbrander vast staat ingesteld op de waarde die in een controlemeting bij de maximale belading is vastgesteld en voldoende is om bij maximale belading alle dampen te verbranden;

    • g. het temperatuurverloop van oven en naverbrander continu geregistreerd wordt;

    • h. het zuurstofgehalte en het koolmonoxidegehalte van de rookgassen continu worden gemeten en geregistreerd, en

    • i. de oven en de naverbrander in goede staat van onderhoud verkeren, ten minste een maal per twaalf maanden worden gecontroleerd en zo vaak als voor de goede werking nodig is, worden schoongemaakt en vervangen.

FFF

Het opschrift van paragraaf 4.5.7. komt te luiden:

§ 4.5.7. Beitsen of etsen van metalen.

GGG

Het opschrift van paragraaf 4.5.8. komt te luiden:

§ 4.5.8. Elektrolytisch of stroomloos aanbrengen van metaallagen op metalen.

HHH

In het opschrift van afdeling 4.5a, in de opschriften van de paragrafen 4.5a.1 en 4.5a.3 en in de artikelen 4.84a, 4.84b, 4.84c, 4.84d, 4.84e en 4.84f wordt ‘natuursteen of kunststeen’ telkens vervangen door: steen.

III

Het opschrift van paragraaf 4.5a.2. komt te luiden:

§ 4.5a.2. Aanbrengen van lijmen, harsen of coatings op steen.

JJJ

Na artikel 4.84f worden in Afdeling 4.5a. drie paragrafen ingevoegd, luidende:

§ 4.5a.4. Het vervaardigen van betonmortel

Artikel 4.84g
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies en het bevorderen van een doelmatige verspreiding van emissies naar de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.74j, derde lid, van het besluit, worden bij het doseren en mengen ten behoeve van de vervaardiging van betonmortel de emissies die naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw is gelegen, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein of op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare.

  • 2. Het bevoegd gezag kan in het belang van de luchtkwaliteit en met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het afvoerpunt van de emissies naar de lucht.

Artikel 4.84h

Aan artikel 4.74j, tweede lid, van het besluit wordt bij het doseren en mengen ten behoeve van de vervaardiging van betonmortel in ieder geval voldaan indien de via ontluchtingsopeningen ontwijkende lucht door een filtrerende afscheider wordt gevoerd die in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

§ 4.5a.5. Het vormgeven van betonproducten

Artikel 4.84i
  • 1. Ter uitvoering van artikel 4.74o, eerste lid, van het besluit, past degene die de inrichting drijft bij het op bekisting aanbrengen van ontkistingsmiddelen:

    • a. maatregelen ten aanzien van de bedrijfsvoering ter voorkoming van onnodige emissies van vluchtige organische stoffen;

    • b. oplosmiddelarme producten en efficiënte applicatiemethoden toe.

  • 2. Indien de emissiereducerende maatregelen, bedoeld in het eerste lid, niet of in onvoldoende mate zijn getroffen, kan het bevoegd gezag verzoeken om een motivering waarom de maatregelen niet zijn getroffen. Bij de motivering wordt betrokken de kosteneffectiviteit en de technische uitvoerbaarheid van de maatregelen.

Artikel 4.84j

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 4.74p van het besluit vindt:

  • a. het op bekisting aanbrengen van ontkistingsmiddelen,

  • b. het uitwassen van beton,

plaats boven een vloeistofdichte vloer of verharding of een lekbak.

§ 4.5a.6. Het breken van steenachtig materiaal

Artikel 4.84k

Aan artikel 4.74r van het besluit wordt bij het breken van steenachtig materiaal in de buitenlucht in ieder geval voldaan indien het te breken materiaal door besproeiing vochtig wordt gehouden en de dosering van het sproeiwater zodanig is afgestemd op de behoefte dat hierbij geen afvalwater vrijkomt.

Artikel 4.84l

Aan artikel 4.74s, eerste lid, van het besluit wordt bij het inpandig breken van steenachtig materiaal in ieder geval voldaan indien de via ontluchtingsopeningen ontwijkende lucht door een filtrerende afscheider wordt gevoerd die in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.

Artikel 4.84m
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies en het bevorderen van een doelmatige verspreiding van emissies naar de buitenlucht, bedoeld in artikel 4.74s van het besluit, worden bij het inpandig breken van steenachtig materiaal de emissies overeenkomstig artikel 4.74s, tweede lid, van het besluit die naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd, indien binnen 50 meter van een emissiepunt een gevoelig gebouw is gelegen, niet zijnde een gevoelig gebouw op een gezoneerd industrieterrein of op een bedrijventerrein met minder dan één gevoelig gebouw per hectare.

  • 2. Het bevoegd gezag kan in het belang van de luchtkwaliteit en met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen aan de ligging en uitvoering van het afvoerpunt van de emissies naar de lucht, bedoeld in artikel 4.74s, tweede lid, van het besluit.

KKK

Paragraaf 4.6.1. vervalt.

LLL

Het opschrift van paragraaf 4.6.3. komt te luiden:

§ 4.6.3. Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, vaartuigen of spoorwegvoertuigen.

MMM

In artikel 4.88, eerste lid, wordt ‘de artikelen 4.90 tot en met 4.93’ vervangen door: de artikelen 4.91 tot en met 4.93.

NNN

In de artikelen 4.88, eerste en tweede lid, 4.91, 4.92, eerste lid, 4.92a, eerste lid, 4.92b, eerste lid, 4.93 en 4.94, eerste en derde lid, wordt na ‘motorvoertuigen voor het wegverkeer’ telkens ingevoegd: , spoorvoertuigen.

OOO

Het opschrift van paragraaf 4.6.4. komt te luiden:

§ 4.6.4. Onderhouden of repareren van motoren, motorvoertuigen, spoorvoertuigen of andere gemotoriseerde apparaten of proefdraaien van verbrandingsmotoren.

PPP

In de artikelen 4.95, eerste lid, en 4.96, eerste lid, wordt na ‘motorvoertuigen’ telkens ingevoegd: , spoorvoertuigen.

QQQ

In artikel 4.97 wordt ‘het repareren of het behandelen van de oppervlakte’ vervangen door ‘het onderhouden, repareren of behandelen van de oppervlakte’ en wordt na ‘motorvoertuigen’ ingevoegd: spoorvoertuigen.

RRR

Het opschrift van paragraaf 4.6.5. komt te luiden:

§ 4.6.5. Onderhouden, repareren of afspuiten van pleziervaartuigen.

SSS

Het opschrift van Afdeling 4.7. komt te luiden:

AFDELING 4.7. ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT GRAFISCHE PROCESSEN

TTT

Onder vernummering van de paragrafen 4.7.1b. tot en met 4.7.5. tot 4.7a.1. tot en met 4.7a.5., worden na artikel 4.102e in afdeling 4.7 twee paragrafen ingevoegd, luidende:

§ 4.7.1b. Rotatieoffset druktechniek

Artikel 4.102ea
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel het zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies als bedoeld in artikel 4.94de van het besluit, worden gassen en dampen die vrijkomen bij het heatsetdrogen, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.

  • 2. Ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder als bedoeld in artikel 4.94de van het besluit, worden de afgezogen gassen en dampen, die naar de buitenlucht worden afgevoerd, ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig object per hectare.

  • 4. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege onvoldoende verspreiding van afgezogen dampen of gassen, met betrekking tot geuremissies die niet via de afzuiging worden afgevoerd of incidentele geurpieken met inachtneming van de NeR in aanvulling op het tweede lid maatwerkvoorschriften stellen inzake:

    • a. de situering van de afvoerpijp;

    • b. het voorkomen of beperken van diffuse geuremissies, of

    • c. het beperken van incidentele geurpieken tot specifieke tijdstippen.

  • 5. In afwijking van het tweede lid, kan het bevoegd gezag indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt en de bevoegdheden genoemd in het vierde lid onvoldoende zijn om de overschrijding ongedaan te maken met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften opstellen met betrekking tot de aanwezigheid van een ontgeuringsinstallatie, of een grotere afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen.

Artikel 4.102eb

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 4.94de van het besluit, vindt bij het bedrukken met rotatieoffset druktechniek het verwerken van inkten, verdunningsmiddelen, reinigingsmiddelen en toevoegingsmiddelen plaats boven een bodembeschermende voorziening.

§ 4.7.1c. Flexodruk of verpakkingsdiepdruk

Artikel 4.102ec
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel het zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies als bedoeld in artikel 4.94di van het besluit, worden gassen en dampen die vrijkomen bij:

    • a. het mengen van oplosmiddelhoudende inkt en lak;

    • b. drukpersen, lakkeer- en lamineermachines;

    • c. het destilleren van oplosmiddelresten, of

    • d. het spoelen van verpakkingen van oplosmiddelhoudende inkt, lak of lijm

    voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.

  • 2. Ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder als bedoeld in artikel 4.94di van het besluit, worden de afgezogen gassen en dampen, die naar de buitenlucht worden afgevoerd:

    • a. ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd, of

    • b. geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing indien het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein of een bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig object per hectare.

  • 4. Het bevoegd gezag kan indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege het slecht functioneren van de ontgeuringsinstallatie, onvoldoende spreiding van afgezogen dampen, geuremissies die niet via de afzuiging worden afgevoerd of incidentele geurpieken, met inachtneming van de NeR in aanvulling op het tweede lid maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot:

    • a. de uitvoering en het onderhoud van een ontgeuringsinstallatie;

    • b. de situering van de afvoerpijp;

    • c. het voorkomen of beperken van diffuse geuremissies, of

    • d. het beperken van incidentele geurpieken tot specifieke tijdstippen.

  • 5. In afwijking van het tweede lid, kan het bevoegd gezag indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt en de bevoegdheden genoemd in het vierde lid onvoldoende zijn om de overschrijding ongedaan te maken met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften opstellen met betrekking tot de aanwezigheid van een ontgeuringsinstallatie of grotere afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen.

Artikel 4.102ed
  • 1. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 4.94di van het besluit vindt bij het toepassen van verpakkingsdiepdruktechniek:

    • a. het bedrukken, lakken of lamineren;

    • b. het mengen van watergedragen inkt of lak, of

    • c. het spoelen van verpakkingen van watergedragen inkt, lak of lijm,

    plaats boven een bodembeschermende voorziening.

  • 2. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 4.94di van het besluit vindt bij het toepassen van flexodruktechniek:

    • a. het mengen van oplosmiddelhoudende inkt en lak;

    • b. het destilleren van oplosmiddelresten, of

    • c. het spoelen van verpakkingen van oplosmiddelhoudende inkt, lak of lijm,

    plaats boven een vloeistofdichte vloer of voorziening.

Artikel 4.102ef

Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan als bedoeld in artikel 4.94di van het besluit, vindt bij de toepassing van verpakkingsdiepdruktechniek de destillatie van oplosmiddelen plaats in een brandcompartiment. In dit brandcompartiment vindt geen opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen of brandbare goederen plaats, uitgezonderd opslag of handelingen die gericht is of zijn op destillatie.

UUU

Het opschrift van de na artikel 4.102ef ingevoegde afdeling, bestaande uit de paragrafen 4.7a.1 tot en met 4.7a.5, komt te luiden:

Afdeling 4.7a. ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT PAPIER, KARTON OF TEXTIEL.

VVV

Het opschrift van paragraaf 4.7a.1 komt te luiden:

§ 4.7a.1. Bewerken, lijmen, coaten of lamineren van papier of karton.

WWW

Het opschrift van paragraaf 4.7a.3 komt te luiden:

§ 4.7a.3. Mechanische bewerking of verwerking van textiel.

XXX

Het opschrift van paragraaf 4.7a.5 komt te luiden:

§ 4.7a.5. Lijmen of coaten van textiel.

YYY

De paragrafen 4.8.2, 4.8.3, 4.8.4, 4.8.6. en 4.8.7. vervallen.

ZZZ

Het opschrift van paragraaf 4.8.5. komt te luiden:

§ 4.8.5. In werking hebben van een acculader.

AAAA

Het opschrift van paragraaf 4.8.8. komt te luiden:

§ 4.8.8. In werking hebben van een crematorium of het in gebruik hebben van een strooiveld

BBBB

Na artikel 6.5h wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6.5ha

  • 1. Ten aanzien van een stationaire bovengrondse opslagtank met gasolie of afgewerkte olie die is geïnstalleerd voor 1 januari 2000, zijn de in artikel 3.71d, eerste en tweede lid, genoemde voorschriften 4.2.6 met betrekking tot de gecertificeerde overvulbeveiliging en 4.3.1 met betrekking tot het installatiecertificaat, 4.3.2 met betrekking tot de constructie-eisen voor opvangbakken, 4.5.2 uit PGS 30 en artikel 3.71d, zesde lid, tot 1 januari 2015 niet van toepassing.

  • 2. Onverminderd het eerste lid zijn ten aanzien van een stationaire bovengrondse opslagtank met vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie, die aanwezig is in een inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten worden verricht en die is geïnstalleerd tussen 1 januari 2000 en 1 januari 2007, artikel 3.71d, eerste lid, en de in artikel 3.71d, tweede lid, genoemde voorschriften 4.2.6 met betrekking tot de gecertificeerde overvulbeveiliging en 4.3.1 met betrekking tot het installatiecertificaat, 4.3.2 met betrekking tot de constructie-eisen voor opvangbakken, 4.5.2 uit PGS 30 en artikel 3.71d, zesde lid, tot 1 januari 2015 niet van toepassing.

  • 3. Artikel 3.71d, derde lid, is niet van toepassing op bovengrondse opslagtanks die zijn geïnstalleerd voor de inwerkingtreding van het besluit én die niet op de bodem staan.

CCCC

Na artikel 6.5i wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6.5j

  • 1. Artikel 3.114, vierde tot en met zesde lid, is tot 1 oktober 2012 niet van toepassing op een inrichting waarop onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 3.114 een vergunning in werking en onherroepelijk was en in de vergunning geen voorziening is voorgeschreven als bedoeld in artikel 3.114, vierde lid.

  • 2. Ten aanzien van een inrichting als bedoeld in het eerste lid blijven, in afwijking van artikel 3.114, vierde tot en met zesde lid, de voorschriften van de vergunning ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem en met betrekking tot de onveilige zone tot 1 oktober 2012 van toepassing.

DDDD

Artikel 6.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt:

a. de zinsnede ‘artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, van het besluit’ vervangen door: het besluit of een deel daarvan op een activiteit.

b. ‘3.63, eerste lid’ vervangen door: 3.27j, eerste lid;

c. na ‘4.84a, derde lid’ ingevoegd: 4.84g, eerste lid, 4.84m, eerste lid.

2. In het tweede lid wordt:

a. ‘3.63, tweede lid’ vervangen door: 3.27j, tweede lid;

b. na ‘4.84a, vierde lid’ ingevoegd: 4.84g, eerste lid, 4.84m, eerste lid.

FFFF

Artikel 6.10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste en vijfde lid vervallen.

2. Het tweede tot en met het vierde lid worden vernummerd tot het eerste tot en met het derde lid.

3. In het tweede lid (nieuw) wordt ‘4.15 zesde lid’ vervangen door: 4.15, vijfde lid.

4. In het derde lid (nieuw) wordt ‘4.15, zesde lid’ vervangen door: 4.15, vijfde lid.

GGGG

Na artikel 6.11a, wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6.11aa

  • 1. Artikel 4.84j, aanhef en onder a, is niet van toepassing op een inrichting waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel een vergunning onherroepelijk van kracht was en in die vergunning andere bodembeschermende voorzieningen of bodembeschermende maatregelen zijn voorgeschreven waarmee bij het aanbrengen van ontkistingsmiddelen een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gelopen.

  • 2. Ten aanzien van een inrichting als bedoeld in het eerste lid blijven, in afwijking van artikel 4.84j, aanhef en onder a, de voorschriften van de vergunning ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico bij het op bekisting aanbrengen van ontkistingsmiddelen van toepassing.

HHHH

Artikel 6.11b vervalt.

IIII

Artikel 6.15, derde lid, tweede volzin komt te luiden: Afdeling 2.2 en bijlage 1 treden in werking met ingang van 1 januari 2014.

JJJJ

Na bijlage 6 wordt een bijlage ingevoegd luidende:

BIJLAGE 7 MEETVOORSCHRIFT BINNENSCHIETINRICHTINGEN

Doel meetvoorschrift

Het doel van het Meetvoorschrift binnenschietinrichtingen is om de geluidimmissies ten gevolge van schietgeluid rondom een civiele binnenschietinrichting te bepalen op de gevel van nabijgelegen geluidgevoelige bestemmingen of in in- of aanpandige gebouwen.

Schiet- en impulsgeluid in bestaande voorschriften

In de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (1999) wordt gesteld dat deze niet van toepassing is op schietgeluid. Voor de inventarisatie en beoordeling van schietgeluid wordt verwezen naar de Circulaire Schietlawaai (oorspronkelijke versie 1979).

In de Circulaire Schietlawaai berust de beoordeling van schietgeluid op twee aspecten: het Lknal niveau van een enkel schot, en het gemiddelde geluidniveau over een periode van een uur (waarbij het aantal schoten wordt meegenomen). De Circulaire is echter specifiek van toepassing op schietinrichtingen in de open lucht. Daarnaast wordt in de Circulaire het gebruik van Lknal waarden voorgeschreven, waarbij de metingen dienen te worden uitgevoerd in de stand ‘impuls’ en ‘A-weging’, met bijbehorende dB(A, imp) waarden. De internationale standaard voor geluidmeters, IEC 61672:2003, schrijft echter alleen nog de ‘fast’ en ‘slow’ tijdweging voor en concludeert dat ‘impulse’ weging ongeschikt is voor impulsgeluid. Alleen uit historische overwegingen wordt in deze norm nog iets gezegd over de meterstand impulse.

Er is derhalve geen meetmethode voorgeschreven om de beoordelingsgrootheden voor schietgeluid van binnenschietinrichtingen te bepalen. Deze leemte wordt door dit nieuwe meetvoorschrift ingevuld.

Beoordelingsmaten voor schietgeluid van binnenschietbanen

In het Activiteitenbesluit wordt voor de beoordeling van het geluid van schietbanen van twee beoordelingsgrootheden uitgegaan: Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) en het maximale geluidniveau (LAmax) voor drie beoordelingsperioden: de dag-, avond- en nachtperiode.

Voor het meten en berekenen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) wordt gebruik gemaakt van het A-gewogen geluidexpositieniveau LAE van een enkel schot (zie ISO 17201). Het equivalente geluidniveau LAeq van een wapentype is gerelateerd aan het geluidexpositieniveau LAE volgens:

LAeq = LAE – 10log(T) + 10log(N) (1)

met

LAE het geluidexpositieniveau van een wapentype;

T de tijdsduur in seconden van een beoordelingsperiode;

N het aantal schoten binnen de beoordelingsperiode.

Het LAmax niveau is het maximale A-gewogen geluidniveau van een enkel schot gemeten in de meterstand ‘Fast’.Vier verschillende categorieën worden onderscheiden voor de wapentypen die op binnenschietbanen gebruikt worden:

  • 1) KKP: klein kaliber pistool (tot en met .22 / 5.6mm);

  • 2) KKG: klein kaliber geweer (tot en met .22 / 5.6mm);

  • 3) GKP: groot kaliber pistool (groter dan .22 / 5.6mm);

  • 4) GKG: groot kaliber geweer (groter dan .22 / 5.6mm).

Afhankelijk van de bedrijfssituatie, wordt voor de verschillende relevante beoordelingsperioden voor elke categorie één representatief wapen vastgesteld. Dit wordt beschreven in het volgende hoofdstuk.

Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) voor de verschillende relevante beoordelingsperioden wordt bepaald met gebruikmaking van onderstaande formule. Vergelijkbaar met paragraaf 7.3.2 van de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai wordt de toeslag K2 van 5 dB toegepast voor het impulsachtige schietgeluid:

LAr,LT = 10 log Σ Ncat 100,1*LAE,cat – 10*logT + 5 (2)

Hierin is

Ncat `Het totaal aantal schoten per jaar per categorie gedurende de relevante beoordelingsperiode (dag, avond, nacht), dus niet alleen de schoten voor het representatieve wapen in de betreffende categorie;

LAE,cat Het gemiddeld gemeten geluidexpositieniveau voor het representatieve wapen;

T Het aantal seconden binnen de relevante beoordelingsperiode (voor de dagperiode van 07:00 tot 19:00 uur is dit 365x3600×12 = 15.768.000 seconden).

Overig geluid van de inrichting (apparatuur zoals ventilatoren) wordt als volgt toegevoegd:

LAr,LT = 10 log (100,1*Lschiet + 100,1*Loverig) (3)

Waarbij

Lschiet het LAr,LT is van het schietgeluid;

Loverig het LAr,LT is van het overig inrichtinggeluid.

Akoestisch representatieve bedrijfssituatie

De representatieve beoordelingsperiode kenmerkend voor de geluidsituatie van de schietinrichting is vastgesteld op 1 kalenderjaar.

Het representatieve gebruik in aantallen schoten wordt verdeeld over de genoemde vier wapencategorieën. Per categorie wordt ook een representatief wapen vastgesteld.

Een representatief wapen wordt bepaald door het wapen dat binnen een categorie de hoogste geluidniveaus geeft. Daartoe wordt het wapen gekozen dat binnen een categorie het hoogste kaliber heeft; het hoogste gewicht van de voortdrijvende lading; de hoogste uittredesnelheid van de kogel heeft en de kortste loop heeft. Het wapen dat op basis hiervan naar verwachting de hoogste geluidemissie geeft en dat binnen de representatieve bedrijfssituatie in de betreffende categorie verantwoordelijk is voor meer dan 5 procent van het aantal schoten, wordt als representatief wapen aangemerkt.

Bepaling van beoordelingsgrootheden

De geluidimmissie van een wapencategorie, uitgedrukt in het A-gewogen geluidexpositieniveau, wordt bepaald uit metingen aan het wapentype dat representatief is voor de wapencategorie. De langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) voor de verschillende beoordelingsperioden worden vervolgens bepaald met behulp van formule (2).

Het maximale geluidniveau (LAmax) wordt bepaald door het hoogste gemeten LAmax niveau van één van de vier representatieve wapens.

Indien de binnenschietinrichting verschillende banen kent, dient deze procedure voor iedere baan apart te worden doorlopen. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau is dan het energetisch gesommeerde beoordelingsniveau van de verschillende banen. Het maximale geluidniveau wordt bepaald door het niveau van de baan met het hoogste niveau.

Indien de inrichting behalve schietgeluid tevens ander geluid produceert wordt dit toegevoegd middels formule (3). Ook voor dit geluid is de beoordelingsperiode 1 jaar.

Meten van de geluidimmissie
Indicatieve metingen

Ter hoogte van de gevel van gevoelige gebouwen of in in- en aanpandige gevoelige gebouwen kunnen eerst indicatieve metingen worden uitgevoerd. Deze hebben als doel om te bepalen of de uiteindelijke metingen op de gevoelige bestemming betrouwbaar kunnen worden uitgevoerd en welke schietposities hiervoor relevant zijn.

De indicatieve meting wordt uitgevoerd door de variatie van het LAmax niveau voor, tijdens en na een serie van 3 schoten af te lezen van de geluidniveaumeter. Indien het niveau van de metingen met schietgeluid ten minste 5 dB of meer bedraagt dan zonder schietgeluid, dan kunnen de LAE en LAmax metingen betrouwbaar worden uitgevoerd. Directe communicatie met de schutter is van belang om de tijdstippen van de meting af te stemmen. Het is van belang om deze indicatieve metingen uit te voeren met zo min mogelijk stoorgeluid.

Als het bovengenoemde verschil minder dan 5 dB is kunnen de metingen alsnog worden uitgevoerd, maar deze zijn dan niet betrouwbaar en geven alleen een bovengrens van de optredende geluidniveaus. Het is echter niet de verwachting dat voor dit soort situaties hinder zal optreden.

Metingen

Ter hoogte van de gevel van gevoelige gebouwen of in in- en aanpandige gevoelige gebouwen worden de LAE en LAmax niveaus gemeten van de vier representatieve wapens. Voor het bepalen van de meetposities wordt verwezen naar paragraaf 3.7 van de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai.

Vanwege het kortdurende karakter van het schietgeluid en mogelijke variaties in de niveaus van achtereenvolgende schoten, moeten per positie ten minste 5 schoten van elk representatief wapentype worden gemeten. Indien voor de LAE waarden de standaarddeviatie van het energetisch gemiddelde (standaarddeviatie van de gemeten geluidniveaus gedeeld door √(N-1)) meer dan 1 dB bedraagt, dan dient het aantal schoten te worden vergroot totdat de standaarddeviatie minder dan 1 dB bedraagt.

Voor de beoordeling is het invallende geluidniveau relevant. Indien het meetpunt direct vóór een gevel is gesitueerd dient, om het invallende geluidniveau te bepalen, de gevelcorrectieterm Cg te worden toegepast zoals deze is gedefinieerd in de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai.

Metingen dienen te worden uitgevoerd voor schietposities op het midden van baan en voor alle schietposities die ten opzichte van de kogelvanger relevant zijn. Het is mogelijk dat als gevolg van een akoestisch lek door de ventilatievoorziening de gemeten geluidniveaus hoger zijn als de schutter zich dichterbij de kogelvanger bevindt.

Voor het vaststellen van langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus worden de gemeten geluidexpositieniveaus per meetlocatie en per schietlocatie energetisch gemiddeld. Indien voor een bepaalde beoordelingslocatie voor verschillende schietposities metingen zijn uitgevoerd, dan worden, voor de bepaling van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, alleen die meetresultaten gebruikt van de schietpositie waar het hoogste gemiddelde geluidexpositieniveau is gemeten.

Tevens dient per meetlocatie in een zo rustig mogelijke periode gedurende ten minste 1 minuut het LAeq niveau van het achtergrondgeluid te worden bepaald.

Het meten van schietgeluid vraagt een aparte deskundigheid waarbij bijzondere aandacht geschonken moet worden aan het dynamisch bereik van het meetsysteem, invloeden van het achtergrondgeluidniveau en de meteorologie op het overdrachtpad van de schietinrichting naar een geluidgevoelige bestemming. Voor de windrichting zijn de voorschriften uit de paragraaf 3.5.5 van de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai van toepassing. Indien de afstand vanaf de inrihting tot een meetlocatie minder dan 50 meter is, dan hoeft er niet onder meteo-raamcondities te worden gemeten. De windsnelheid op 10 meter hoogte dient in alle gevallen beneden de 5 meter per seconde te zijn.

Apparatuur

De metingen dienen te worden uitgevoerd met een ‘type 1’- geluidniveaumeter zoals dit gedefinieerd is in IEC 61672. Daarnaast is het aan te bevelen dat de geluidmeter voldoet aan de aanvullende voorwaarden voor het meten van impulsgeluid. Deze aanvullende voorwaarden zijn ook in deze norm gedefinieerd. In sommige oudere geluidmeters wordt het geluidexpositieniveau vastgesteld door een integratie van een beperkt aantal samples van het breedbandige instantane geluidniveau. Voor dit type geluidniveaumeters dient het sampling interval kleiner of gelijk te zijn aan 100 ηs.

Referenties
  • Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai, 1999;

  • IEC 61672:2003;

  • ISO 17201-1:2005/Cor 1:2009, Acoustics, Noise from shooting ranges, Part 1: Determination of muzzle blast by measurement.

ARTIKEL II

De Typekeuringsregeling verwarmingstoestellen luchtverontreiniging stikstofoxiden wordt ingetrokken.

ARTIKEL III

De Uitvoeringsregeling emissie-eisen middelgrote stookinstallaties milieubeheer wordt ingetrokken.

ARTIKEL IV

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit van 24 oktober 2012 tot wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten (nieuwe activiteiten, integratie Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties milieubeheer, vereenvoudigingen en reparaties in het Activiteitenbesluit milieubeheer) (Stb. 558) in werking treedt.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld.

TOELICHTING

Algemeen Deel

1. Inleiding en doel van de regeling

Deze regeling wijzigt voornamelijk de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: Activiteitenregeling). De wijziging betreft de derde tranche van het project ‘tweede fase modernisering algemene regels’ waarbij in vervolg op de eerste fase die resulteerde in de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) per 1 januari 2008 en de Activiteitenregeling, meer vergunningplichtige inrichtingen onder algemene regels worden gebracht. Hiermee wordt het streven naar administratieve lastenvermindering onverminderd voortgezet.

Samen met het besluit van .... tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten (nieuwe activiteiten, integratie Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties milieubeheer, vereenvoudigingen en reparaties in het Activiteitenbesluit milieubeheer) (Stb. 2012, ...) (hierna: het wijzigingsbesluit) bevat deze wijzigingsregeling de derde tranche van de tweede fase van het project.

In deze derde tranche worden in de eerste plaats nog meer vergunningplichtige activiteiten onder de werking van het Activiteitenbesluit en de -regeling gebracht, te weten activiteiten in de rubber- en kunststofverwerkende industrie, in de voedingsmiddelenindustrie, in schietinrichtingen (binnenschietbanen en paintballinrichtingen), in de betonindustrie, in de grafische industrie en inrichtingen voor onder meer het onderhouden, repareren en reinigen van spoorvoertuigen. Daarnaast gaat in deze tranche het Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties (BEMS) over naar het Activiteitenbesluit. Verder zijn in deze derde tranche een aantal vereenvoudigingen en een aantal reparaties doorgevoerd. Tenslotte is met deze wijziging het onderscheid tussen hoofdstuk 3 en 4 duidelijker geworden.

Voor een uitgebreide toelichting over de aanleiding, het doel en de inhoud van de derde tranche van de derde tranche van de tweede fase van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling wordt verwezen naar het algemene deel van de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit.

2. Verwijzing naar de toelichting bij de Activiteitenregeling

Voor de regels die zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit geldt dat zij doorslaggevend zijn voor de omvang van de verplichtingen voor de drijver van de inrichtingen of dat zij noodzakelijk zijn in het kader van de bescherming van het milieu. Het Activiteitenbesluit bevat dan ook waar mogelijk doelvoorschriften. In de Activiteitenregeling zijn de maatregelen met name in de vorm van middelvoorschriften opgenomen. Er is daarbij een onderscheid gemaakt tussen verplichte en erkende maatregelen.

Voor een uitgebreide toelichting over de ‘verplichte’ en ‘erkende’ maatregelen wordt verwezen naar het algemene deel van de toelichting bij de Activiteitenregeling zoals deze na de eerste vaststelling luidde (Stcrt. 2007, nr. 223).

3. Effecten voor bedrijfsleven en overheid

In het kader van het voorontwerp van het wijzigingsbesluit is onderzoek gedaan naar de effecten van het wijzigingsbesluit en de voorliggende wijzigingsregeling voor het bedrijfsleven en de overheden. In paragraaf 13 van de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit is ingegaan op deze punten. Hier wordt kortheidshalve naar verwezen.

4. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

De regeling richt zich primair tot de drijver van de inrichting. De drijver van de inrichting is derhalve ook verantwoordelijk voor de naleving van de voorschriften. De voorschriften zijn zo opgesteld dat ze uitvoerbaar zijn voor de drijver van de inrichting. Een belangrijk punt daarbij is dat de voorschriften uit deze wijzigingsregeling consistent zijn met de voorschriften die reeds in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling zijn opgenomen. Voor een nadere toelichting op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid wordt verwezen naar paragraaf 14 van de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit.

5. Notificatie

Het ontwerp van deze regeling is op 22 mei 2012 gemeld aan de Europese Commissie van de Europese gemeenschappen (notificatienummer 2012/330/NL) ter voldoening van artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende de informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). De Commissie heeft geen opmerkingen geplaatst.

De ontwerpwijzigingsregeling is niet aan de WTO gemeld, omdat het in dat kader geen significante gevolgen heeft.

6. Reacties naar aanleiding van de inspraakprocedure

Het ontwerp van deze regeling is – samen met het ontwerp van het wijzigingsbesluit (Stcrt. 2011, nr. 19962) – op 11 november 2011 voorgepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 2011, nr. 20062). Naar aanleiding van deze voorpublicaties zijn ongeveer 40 inspraakreacties ontvangen van gemeenten, provincies, brancheorganisaties en particulieren. Inspraakreacties die tot verbetering leidden, zijn zoveel mogelijk omgezet in aanpassingen van de tekst van het wijzigingsbesluit, de wijzigingsregeling of de toelichtingen bij dit besluit of regeling.

Naar aanleiding van de reacties is een aantal omissies hersteld in de wijzigingsregeling, zoals de opname van glas in artikel 3.27d van de Activiteitenregeling (artikel 3.27b, vijfde lid, onder c, van de Activiteitenregeling in de voorgepubliceerde versie). Ook is het artikel inzake de gemeentelijke milieustraat aangepast en zijn de bepalingen inzake het gebruik en de opslag van organische peroxiden gewijzigd. Tenslotte zijn de artikel 3.7a en 3.7m (nieuw) aangepast. In de artikelgewijze toelichting wordt ingegaan op de verschillende aanpassingen.

ARTIKELSGEWIJS

Artikel I

Onderdeel A

In dit onderdeel is een aantal definities opgenomen dat van belang is bij de bepaling van de eisen waaraan de constructie van een binnenschietbaan moet voldoen.  Deze eisen zijn vastgelegd in de tabel 3.110.

kaliber

Bij een gladde loop is dit de diameter (boring) van de loop. Bij een zogenaamde getrokken loop, dat is een loop met spiraalvormige groeven die dienen om de kogel of het projectiel een draaiende beweging om zijn lengteas te geven, is dit de middellijn die niet in, maar naast de groeven wordt gemeten. Het kaliber wordt zowel in millimeters als in inches aangeduid. Het in inches aangegeven kaliber van een wapen wordt zonder eenhedenaanduiding vermeld. De aanduiding ‘.22’, bijvoorbeeld betekent een kaliber van 0,22 inch of 5,6 millimeter.

kogelvanger

Dit is een voorziening waarin de kinetische energie van het projectiel wordt teruggebracht tot nul. Kogelvangers bestaan er in veel uitvoeringen, bijvoorbeeld als een zandlichaam, een staalplaat onder een hoek, een systeem van stalen platen (lamellen) onder een hoek of een kogelvangbak.

schoudervuurwapen, vuistvuurwapen

De definities voor schoudervuurwapen en vuistvuurwapen zijn binnen de branche gebruikelijk. Het onderscheid tussen vuistvuurwapens en schoudervuurwapens is van belang vanwege het verschil in trefenergie van de afgevuurde projectielen. Hierbij is ook het kaliber van belang. Banen voor handvuurwapens zijn 10 tot 50 meter lang,  banen voor schoudervuurwapens meestal 50 tot 100 meter.

Onderdeel B

Ingevolge het eerste lid komt een aantal normbladen in artikel 1.2 van de Activiteitenregeling te vervallen. De Nederlandse norm NEN 2819:1994 voor Luchtkwaliteit – Uitworp door stationaire bronnen – Monsterneming en bepaling van het gehalte aan fluoride, mei 1994, is ingetrokken. Deze is vervangen door de internationale standaardnorm ISO 15713:2006 Emissie van stationaire bronnen – Monsterneming en bepaling van het gasvormige fluoridegehalte. Daarom wordt in het derde lid van dit onderdeel in artikel 1.2 van de Activiteitenregeling deze vervangende norm opgenomen.

Bij een vorige wijziging van de regeling is verzuimd om het begrip met begripsomschrijving van NEN-EN-ISO 9377-4 te laten vervallen, zodat er twee versies van de norm zijn opgenomen. Deze omissie wordt met de wijziging hersteld. De juiste norm, NEN-EN-ISO 9377-2, wordt zowel in het Activiteitenbesluit, als in de bijbehorende regeling genoemd.

Verder is ook de norm NEN-EN-ISO 10304-2:1996 ingetrokken. Tenslotte vervalt het begrip BRL K903. Op grond van het Besluit bodemkwaliteit geldt een erkenningsplicht voor het normdocument BRL K903. De meest recente versie van het betreffende normdocument wordt steeds in de bijlage bij de Regeling bodemkwaliteit opgenomen. Bij een eventuele wijziging van het normdocument wordt de Regeling bodemkwaliteit aangepast. De onderhavige wijzigingen zorgen ervoor dat het niet langer nodig is om ook de Activiteitenregeling aan te passen. Met de wijzigingen is een eenduidige verwijzing naar het betreffende normdocument gewaarborgd.

In het onderdeel c van het eerste lid wordt het begrip PGS 8 in artikel 1.2, eerste lid, opgenomen. Dit heeft te maken met de opname van algemene regels voor organische peroxiden in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling.

In het eerste lid, onderdeel d, is een wijziging in artikel 1.2, eerste lid, opgenomen waardoor verwezen wordt naar een nieuwere versie van de norm NEN-EN 13725.

Tenslotte is het tweede lid van artikel 1.2 gewijzigd, omdat dit lid abusievelijk verwees naar het eerste lid van dat artikel in plaats van naar artikel  1.1, eerste lid, van het besluit. Het eerste lid van artikel 1.2 van de regeling bevat geen definities van NeR of NRB; artikel 1.1, eerste lid van het besluit wel. De wijziging corrigeert de verwijzing.

Onderdeel C en D, eerste lid

Op 2 april 2012 is een door Agentschap NL uitgegeven nieuwe Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) verschenen die de oude versie van 2001 (2003) van InfoMil vervangt. De verwijzingen naar de NRB die in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Activiteitenregeling stonden, zijn dientengevolge geactualiseerd. Het betreft hier enkel een technische en niet een inhoudelijke wijziging.

Onderdeel D, tweede lid

In het wijzigingsbesluit behorende bij deze wijzigingsregeling is de reikwijdte van paragraaf 3.3.5. uitgebreid naar opslag in ondergrondse tanks van enkele veel gebruikte organische stoffen en bepaalde vloeibare bodembedreigende stoffen. Een voorbeeld van een vloeibare bodembedreigende stof die onder de werking van paragraaf 3.3.5. is gebracht, is pekel.

Ten behoeve van de bescherming van de bodem is in artikel 2.2, tweede lid, van de Activiteitenregeling een bepaling opgenomen voor opslag in ondergrondse tanks van bepaalde stoffen. Deze bepaling is met de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling ook van toepassing op de organische stoffen en vloeibare bodembedreigende stoffen die onder de werking van paragraaf 3.3.5. van het Activiteitenbesluit zijn gebracht. In de toelichting bij de Activiteitenregeling (Stcrt. 2007, nr. 223) is artikel 2.2 al toegelicht. Daaruit volgt onder meer, dat per ondergrondse opslagtank een grondwaterpeilbuis moet worden geïnstalleerd. Indien er meerdere opslagtanks aanwezig zijn kan worden volstaan met één grondwaterpeilbuis per drie ondergrondse opslagtanks mits deze opslagtanks niet verder dan tien meter van elkaar zijn verwijderd. De afstand van tien meter slaat op het totaal. De drie ondergrondse tanks moeten derhalve binnen tien meter zijn gelegen.

Onderdelen E, K en I

Verwezen kan worden naar de artikelgewijze toelichting op onderdeel B, eerste lid. De wijziging wordt, naast de in onderdeel E genoemde bepalingen, ook doorgevoerd in artikel 3.21, eerste lid, en 4.15, eerste lid, van de Activiteitenregeling. Zie hiervoor de onderdelen K en II.

Onderdeel F

Dakafval komt voor bij bedrijven die werkzaamheden aan daken uitvoeren, zoals dakdekkers en aannemers. Voor deze bedrijven is de opslag van dakafval vrijgesteld van vergunningplicht. Dit volgt uit Bijlage I, onderdeel C, categorie 28.10, onder 12, sub a, tweede punt, bij het Besluit omgevingsrecht.

Deze bedrijven moeten het dakafval gescheiden houden op deze vier categorieën. De categorieën worden nader toegelicht in het sectorplan 33 Dakafval van het Landelijk afvalplan 2 (LAP2). Verder kan dakafval onder het Activiteitenbesluit alleen worden opgeslagen bij de gemeentelijke milieustraat; bij de inname bij de milieustraat is het niet mogelijk een voldoende scheiding te krijgen van het dakafval. In de specifieke scheidingsplicht van de milieustraat (artikel 3.115 van de Activiteitenregeling (nieuw)) geldt daarom een verplichting voor dakafval die afwijkt van dit tweede lid.

Onderdeel G

Paragraaf 3.2.1. was voor de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling van toepassing op het in werking hebben van een warmtekrachtinstallatie. Deze paragraaf is -ook in het Activiteitenbesluit- vervangen door een paragraaf inzake het in werking hebben van een niet grote stookinstallatie. De voorschriften in deze nieuwe paragraaf komen grotendeels uit het BEMS.

Warmtekrachtinstallatie en noodstroomaggregaten zijn stookinstallaties. Het is niet wenselijk om op verschillende plekken in het Activiteitenbesluit en in de Activiteitenregeling regelgeving voor stookinstallaties te hebben staan. Daarom is de regelgeving voor het in werking hebben van warmtekrachtinstallaties en van noodstroomaggregaten onder de voorschriften voor het in werking hebben van niet grote stookinstallaties gebracht. De paragraaf inzake noodstroomaggregaten komt aldus te vervallen.

Artikel 3.5

In deze bepaling zijn erkende maatregelen opgenomen. Indien aan het eerste lid wordt voldaan, wordt geacht dat het in werking hebben van een ketelinstallatie voldoet aan de in het Activiteitenbesluit opgenomen emissie-eisen naar de lucht voor zover het totaal stof betreft. De erkende maatregelen zijn enkel van toepassing indien sprake is van een stookinstallatie waarin vloeibare brandstof wordt verstookt. Het eerste lid maakt de meetverplichting voor totaal stof bij het stoken van vloeibare brandstof in een ketelinstallatie eenvoudiger.

Indien aan de in het tweede of derde lid opgenomen vereisten wordt voldaan, wordt geacht dat het in werking hebben van een stookinstallatie met een nominaal vermogen kleiner dan 1 megawatt voldoet aan de in het Activiteitenbesluit opgenomen emissie-eisen naar de lucht voor zover het totaal stof of stikstofoxiden (NOx) betreft. De erkende maatregelen zijn enkel van toepassing indien sprake is van een stookinstallatie waarin hout wordt verstookt.

In artikel 3.6, vijfde lid, is bepaald, dat het niet nodig is metingen te verrichten indien aan de erkende maatregelen wordt voldaan. Er wordt immers vanuit gegaan dat aan de emissie-eisen wordt voldaan. Indien de erkende maatregel die genoemd is in het eerste lid wordt toegepast, zal de concentratie van koolstofmonoxide in het rookgas moeten worden aangetoond bij de keuring, bedoeld in artikel 3.7m.

Artikel 3.6

In artikel 3.6 is aangegeven ten behoeve waarvan en op basis van welke delegatiebepaling in het Activiteitenbesluit de artikelen in paragraaf 3.2.1. van de regeling van toepassing zijn. Elke groep bepalingen die in de verschillende leden van artikel 3.6 worden benoemd, ziet op een ander categorie stookinstallaties. In de in het Activiteitenbesluit opgenomen delegatiebepaling is aangegeven om welke categorie groep stookinstallaties het gaat. Overigens kan een stookinstallatie in meerdere of alle categorieën vallen, waardoor alle bepalingen in deze paragraaf van toepassing kunnen zijn.

In de toelichting op artikel 3.5 (nieuw) van de Activiteitenregeling is reeds ingegaan op het vijfde lid van deze bepaling.

Artikel 3.7 tot en met 3.7j

In de artikelen 3.7 tot en met 3.7j zijn de eisen opgenomen waaraan de metingen van de emissiegrenswaarden die in het Activiteitenbesluit zijn gesteld aan het in werking hebben van bepaalde stookinstallaties moeten voldoen. De eisen zijn afkomstig uit hoofdstuk 3 van het BEMS en uit de Uitvoeringsregeling. De toelichtingen die op dat besluit en die regeling is gegeven, zijn van overeenkomstige toepassing (Stb. 2009, nr. 547 en Stcrt. 2010, nr. 2254).

Er zijn nagenoeg enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd. Inhoudelijk zijn de voorschriften hetzelfde gebleven, met dien verstande dat ze nu wel van toepassing zijn op een grotere groep inrichtingen en op meer stookinstallaties. In de toelichting bij de bijbehorende wijziging van het Activiteitenbesluit is hier uitgebreid op ingegaan. De verwachting is dat inrichthouders die ketelinstallaties tussen de 400 Kilowatt en 1 Megawatt in werking hebben voor afzonderlijke metingen zullen kiezen in plaats van continue metingen.

Er zijn verder enige verduidelijkingen doorgevoerd in artikel 3.7a (voorheen artikel 3.1.4 van het BEMS). Zo is verduidelijkt, dat de afzonderlijke meting moet worden uitgevoerd door (werknemers van) een bedrijf. De zinsnede ‘persoon die beschikt over een geldig certificaat’, zoals dit in het BEMS was opgenomen, leek namelijk onbedoeld te duiden op persoonscertificering.

In 3.7a is verder de zinsnede, dat ‘ een persoon die beschikt over een bewijs dat aangeeft dat aan met die beoordelingrichtlijn, Scope 6, vergelijkbare eisen wordt voldaan, mits hij de meting uitvoert overeenkomstig die vergelijkbare eisen’ tevens afzonderlijke metingen kan verrichten, vervallen, omdat dit dubbel op is met artikel 1.3 van het Activiteitenbesluit. De zinsnede behelsde namelijk, dat andere bedrijven, die bijvoorbeeld gecertificeerd zijn door een niet-Nederlands geaccrediteerde instantie en als gelijkwaardig beschouwd moeten worden, geen afzonderlijke metingen kunnen verrichten. Ingevolge artikel 1.3 Activiteitenbesluit moet met een certificaat of accreditatie als bedoeld in het Activiteitenbesluit of de -regeling worden gelijkgesteld een certificaat of accreditatie afgegeven door een daartoe bevoegde instelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, op basis van onderzoekingen of documenten die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen of documenten wordt nagestreefd.

Artikel 3.7k en 3.7l

In deze artikelen zijn de verplichte maatregelen opgenomen ten behoeve van het lozen van spuiwater en ten behoeve van de bescherming van de bodem. Deze maatregelen zijn overgenomen uit artikel 3.7, 4.36 en 4.110 (oud) van de Activiteitenregeling.

De reikwijdte van deze bepaling is uitgebreid; de maatregelen zijn van toepassing op een grotere groep inrichtingen en op meer stookinstallaties. Zie hierover de toelichting in het bij deze wijzigingsregeling behorende wijzigingsbesluit. De eisen die gesteld worden aan het spuien van de stoomketel en ter bescherming van de bodem zijn inhoudelijk echter niet gewijzigd. Het betreft een uitputtende regeling; het is dus voor het bevoegd gezag niet mogelijk om op grond van de zorgplicht maatwerk op te stellen. Met betrekking tot de regels ten behoeve voor de bodem wordt er ten overvloede op gewezen, dat ingevolge het Activiteitenbesluit onder een bodembeschermende voorziening wordt verstaan een vloeistofkerende voorziening, een vloeistofdichte vloer of verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening, ter voorkoming van immissies in de bodem.

Artikel 3.6 van de Activiteitenregeling vervalt. De Gasunie regels voor veilig gebruik van aardgas in gasturbines zijn ingetrokken. Deze regels zijn vervangen door NEN-ISO 21789. De NEN-ISO 21789 is verwerkt in de SCIOS certificatieregeling. Hierdoor is artikel 3.6 van de Activiteitenregeling (oud) overbodig is geworden.

Artikel 3.7m tot en met 3.7p

In deze bepalingen worden eisen gesteld aan de keuring en onderhoud van stookinstallaties (3.7m en 3.7n) en aan rapportage en het beschikbaar houden van documenten (3.7o en 3.7p). De eisen zijn afkomstig uit het BEMS en de bijbehorende Uitvoeringsregeling. De reikwijdte van deze bepaling is uitgebreid; de maatregelen zijn van toepassing op een grotere groep inrichtingen en op meer stookinstallaties. Zie hierover de toelichting in het bij deze wijzigingsregeling behorende wijzigingsbesluit. De eisen die worden gesteld zijn echter inhoudelijk niet veranderd. Voor een toelichting op de wijziging in het zesde lid van 3.7m wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3.7a.

Onderdelen G (deels), H (deels), P, X, Y (deels), Z (deels), OO, KKK en YYY

In deze onderdelen zijn de verplaatsingen verwerkt van de activiteiten die van hoofdstuk 4 naar hoofdstuk 3 worden overgeheveld (zie hiervoor het algemene deel van de toelichting van het Activiteitenbesluit onder ‘vereenvoudigingen’). Dit gebeurt in navolging van de wijziging in het Activiteitenbesluit. Inhoudelijk zijn geen wijzigingen doorgevoerd. Het betreft de volgende verplaatsingen:

  • Paragraaf 4.1.6. Het vullen van gasflessen met propaan en/of butaan is verplaatst naar paragraaf 3.4.8. (onderdelen Y en OO);

  • Paragraaf 4.2.1. In werking hebben van een stookinstallatie is verplaatst naar paragraaf 3.2.1. (onderdelen G en OO);

  • Paragraaf 4.2.2. In werking hebben van een koelinstallatie is verplaatst naar paragraaf 3.2.6. (onderdelen H en OO);

  • Paragraaf 4.6.1. Het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage verplaatst naar paragraaf 3.3.4. (onderdelen P en KKK);

  • Paragraaf 4.8.2. Het bieden van gelegen tot het afmeren van pleziervaartuigen verplaatst naar paragraaf 3.3.4. (onderdelen P en YYY);

  • Paragraaf 4.8.3. Bereiden voedingsmiddelen is verplaatst naar paragraaf 3.6.1. (onderdelen Z en YYY);

  • Paragraaf 4.8.4. Slachten van dieren, uitsnijden van vlees of vis of bewerken van dierlijke producten is verplaatst naar paragraaf 3.6.2. (onderdelen Z en YYY);

  • Paragraaf 4.8.6. In werking hebben van een noodstroomaggregaat is verplaatst naar paragraaf 3.2.1 (onderdelen G en YYY), en

  • Paragraaf 4.8.7. Traditioneel schieten is verplaatst naar paragraaf 3.7.2. (onderdelen Z en YYY).

Daarnaast is in onderdeel P en X paragraaf 3.4.4. Het demonteren van autowrakken verplaatst. Deze paragraaf is, in navolging van de wijziging van het Activiteitenbesluit, op een logischere plaats gezet. Er zijn geen inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd. Wel is in de artikelen 3.27d, 3.27e en 3.27f (3.57, 3.58 en 3.59 (oud)) een redactionele wijziging doorgevoerd: in plaats van ‘andere producten’ wordt nu enkel nog naar ‘producten’ verwezen, omdat het gaat om de opslag van producten, naast de opslag van afgetapte of gedemonteerde stoffen en preparaten.

Onderdeel H (deels)

In onderdeel H wordt, naast het verplaatsen van de paragraaf inzake het in werking hebben van een koelinstallatie, tevens een paragraaf toegevoegd aan Afdeling 3.2. Installaties, namelijk paragraaf 3.2.7. Het in werking hebben van een wisselverwarmingsinstallatie. De paragraaf heeft, in navolging van het besluit, alleen betrekking op de installaties waarbij gebruik wordt gemaakt van een bodembedreigende vloeistof. Ten behoeve van het realiseren van verwaarloosbaar bodemrisico moet de installatie voldoen aan artikel 3.16e. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het artikel geen voorschrift bevat over eventuele morsingen of incidenten die zich kunnen voordoen tijdens de controle, het onderhoud of het beheer van de wisselverwarmingsinstallatie. Dit valt daarmee onder de zorgplicht.

Onderdelen J tot en met O, met uitzondering van onderdeel K

In deze onderdelen wordt de reikwijdte van de paragrafen 3.3.1 en 3.3.2 in de Activiteitenregeling uitgebreid. Dit in navolging van de uitbreiding van de reikwijdte van de paragrafen 3.3.1 en 3.3.2 van het Activiteitenbesluit.

Onderdeel Q, R, T, U en V

Gelijk de wijziging in het Activiteitenbesluit, wordt de reikwijdte van paragraaf 3.4.2. van de regeling uitgebreid (onderdeel R). Het opschrift van de afdeling is in verband hiermee aangepast (onderdeel Q). De uitbreiding van de reikwijdte van de paragraaf ziet in de eerste plaats op enkele veel gebruikte organische stoffen. artikel 3.35, eerste lid, is niet toepassing verklaard op de vloeibare bodembedreigende stoffen die onder paragraaf 3.4.2 van het Activiteitenbesluit vallen. Dit komt omdat deze stoffen minder gevaarlijk zijn dan vloeibare brandstof, afgewerkte olie en organische stoffen en derhalve minder strenge voorwaarden nodig zijn.

Onderdeel S

Om de Activiteitenregeling meer te uniformeren is er voor gekozen om, indien wijzigingen worden doorgevoerd, artikelen die slecht zien op de reikwijdte van een paragraaf, te laten vervallen. In latere wijzigingen zal dit steeds verder worden toegepast.

Onderdeel W

Door betonproducten die nog in de bekisting zitten hierbij op te nemen, wordt duidelijk dat het hier gaat om niet inerte goederen, waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken. De vloeibare bodembedreigende stof betreft het toegepaste bekistingsmiddel. Het product verliest deze status in ieder geval als het van de bekisting is ontdaan.

Onderdeel Y (deels)

Paragraaf 3.4.9. behelst het opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank.

Onderdeel Z (deels)

In dit onderdeel worden 3 afdelingen toegevoegd. Een aantal paragrafen dat in deze afdelingen is opgenomen, is verplaatst van hoofdstuk 4 naar 3. Dit is al toegelicht bij onderdeel G (deels), H (deels), P, X, Y (deels), Z (deels), OO, KKK en YYY.

Daarnaast zijn in onderdeel Y 3 nieuwe paragrafen opgenomen, namelijk paragraaf 3.6.3. Industrieel vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken, 3.7.1 Binnenschietbanen en 3.8.1 Gemeentelijke milieustraat.

Voor een uitgebreide toelichting op dit onderdeel wordt verwezen naar de toelichting bij onderdeel XX van het bij deze wijzigingsregeling behorende wijzigingsbesluit. Hieronder zal enkel nog expliciet worden ingegaan het in werking van een binnenschietbaan en het in werking hebben van een gemeentelijke milieustraat.

Paragraaf 3.7.1. Binnenschietbaan

De binnenschietbanen voor schoudervuurwapens en die voor vuistvuurwapens lopen in veel opzichten uiteen. De veiligheidsvoorzieningen zijn voor schoudervuurwapens veel zwaarder, gezien het verschil in mondingsenergie van de kogel en de trefenergie daarvan bij het bereiken van het doel (of een deel van de bouwconstructie). Schoudervuurwapens zijn karabijnen of geweren, die worden gekenmerkt door een langere loop dan het geval is bij vuistvuurwapens. Ze zijn ontworpen en bedoeld om aangeschouderd te gebruiken. Vuistvuurwapens in de vorm van een pistool of revolver zijn wapens met een korte loop.

De energie van een afgevuurde kogel hangt samen met verschillende eigenschappen daarvan: diameter (kaliber) en massa van de kogel, de hoeveelheid en het soort kruit. Groot kaliber munitie voor schoudervuurwapens en vuistvuurwapens (geweermunitie en pistoolmunitie) is goed te onderscheiden van klein kaliber munitie. Indien schoudervuurwapens worden geladen met pistoolmunitie, kan worden volstaan met de veiligheidsvoorzieningen voor vuistvuurwapens.

Artikel 3.108 en 3.109

Wat betreft eisen met betrekking tot diffuse emissie is aansluiting gezocht met de eisen die gelden voor diffuse emissies bij metaalbewerkingsactiviteiten. Ook de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te kunnen stellen om een betere verspreiding van de afgezogen lucht te realiseren en de (stof)overlast nabij gevoelige gebouwen te verlagen, bijvoorbeeld door middel van het verhogen van de afvoerhoogte van de afgezogen lucht, is overgenomen. Bij de besluitvorming hierover moet de NeR in acht worden genomen.

Artikel 3.110

Voor de veiligheid in de omgeving van een binnenschietbaan is het noodzakelijk, te waarborgen dat kogels en projectielen niet buiten de baan kunnen geraken. Daarvoor is vereist dat de bouwkundige constructie van de schietbaan kogelwerend is. Dit veiligheidsaspect wordt niet op grond van de bouwregelgeving van de Woningwet geregeld. Verder moet zeker worden gesteld dat kogels in een kogelvanger terechtkomen omdat een achterwand van een schietbaan zonder een dergelijke voorziening niet bestand is tegen de inslagen.

Ook ricochets (afgeketste kogels en delen daarvan) en door kogels losrakende objecten zoals grindkorrels mogen de baan niet kunnen verlaten of de constructie ernstig beschadigen. Daarom moeten ook ricochet-werende en wandbeschermende maatregelen worden genomen op een groot deel van de wanden, plafonds en op de aanschietbare uitstekende delen.

Voor het bereiken van voldoende veiligheid is gekozen voor een aantal bouwkundige maatregelen. Het betreft vooral de soorten bouw- en constructiemateriaal en de dikte daarvan. Deze zijn opgenomen in tabel 3.110. Het zijn maatregelen die op veel bestaande schietbanen zijn toegepast en daar tot inherent veilige situaties leiden. De voorzieningen voor vuistvuurwapens gelden ook voor schoudervuurwapens waarbij gebruik wordt gemaakt van pistoolmunitie.

De ricochetwerende en beschermende maatregelen nabij de standplaats voor de schutter gelden op die schietbanen waar standplaatsen op meerdere plaatsen over de lengte van de baan zijn gelegen, voor al die plaatsen.

In de kolommen van tabel 3.110 zijn de maatregelen van links naar rechts steeds zwaarder. De wapens en kalibers van de voorgaande kolom zijn dus ook toegestaan bij maatregelen van de volgende kolom. Het zijn basiseisen. In de werkelijke uitvoering moeten sommige zaken nog worden ingevuld, zoals de beton- en staalkwaliteit of diktes van niet direct aangeschoten materialen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van de drijver van de schietinrichting.

Aangezien op beperkte schaal bijzondere uitvoeringen van binnenschietbanen mogelijk zijn waarbij afgeweken moet worden van de in tabel 3.110 genoemde maatregelen is in het vierde lid de mogelijkheid geboden om maatwerkvoorschriften te stellen.

Artikel 3.111

Er dient te worden voorkomen dat de hulzen van verschoten munitie in of op de bodem terecht komen. Om deze reden is in het tweede lid voorgeschreven dat het schieten plaats dient te vinden boven een bodembeschermende voorziening. Dit betekent dat de zone rond de standplaats van de schutter dusdanig geconditioneerd moet zijn, dat het verzamelen van hulzen makkelijk uitvoerbaar is. Indien bij het schieten geen hulzen, of andere bodembedreigende stoffen in of op de bodem terecht kunnen komen, wordt het schieten niet aangemerkt als een bodembedreigende activiteit en is dit lid derhalve niet van toepassing.

Door het toepassen van een kogelvanger wordt, naast het veiligheidsaspect, ook voorkomen dat kogels in de bodem terecht kunnen komen. Een kogelvanger dient op grond van het derde lid opgesteld te worden boven een bodembeschermende voorziening, om te voorkomen dat de kogels die onverhoopt niet opgevangen worden door de kogelvanger, op of in de bodem terecht kunnen komen. De drijver van de inrichting kan een keuze maken voor de toe te passen bodembeschermende voorzieningen (en daarbij horende maatregelen). Doorgaans wordt er een verharding aangebracht die gemakkelijk schoongehouden kan worden.

Artikel 3.112 en bijlage 7

Dit artikel bepaalt dat in geval van binnenschietbanen niet gemeten wordt volgens de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai, 1999 maar volgens het in bijlage 7opgenomen Meetvoorschrift binnenschietinrichtingen. In de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai, 1999 is namelijk gesteld dat deze niet van toepassing is op schietgeluid. Voor de inventarisatie en beoordeling van schietgeluid wordt verwezen naar de Circulaire Schietlawaai (oorspronkelijke versie 1979). Deze circulaire is echter niet geschikt voor het meten van binnenschietlawaai. Daarom is een specifiek meetvoorschrift opgesteld voor het meten van schietlawaai in binnenschietbanen ten einde een beoordelingsniveau te kunnen vast stellen.

Het meetvoorschrift geeft hoe geluidemissies ten gevolge van schietgeluid rondom een binnenschietbaan op de gevel van nabijgelegen geluidgevoelige bestemmingen of in in- of aanpandige gebouwen bepaald moeten worden. Uitgangspunt hierbij is het zogenaamde A-gewogen geluidexpositieniveau LAE van een enkel schot. Er is verder rekening gehouden met het kortdurend karakter van het schietgeluid, mogelijke variaties in de niveaus van achtereenvolgende schoten en het type wapens waarmee wordt geschoten. Ook geeft het voorschrift de wijze aan waarop het niet-schietgeluid uit de inrichting zoals het geluid afkomstig van ventilatoren moet worden verdisconteerd.

Het begrip akoestische representatieve bedrijfssituatie is nader gespecificeerd en vastgesteld op 1 kalenderjaar. Hieronder vallen dus alle schoten die in de inrichting plaatsvinden, of deze nu in wedstrijd verband worden uitgevoerd of niet. Bij de ontvangers kan immers niet worden vastgesteld of het om een bijzondere of reguliere verrichting gaat, zodat ook geen effect op de overlast kan worden verondersteld. Gezien de doorgaans uitstekende administratie van het schieten binnen een inrichting hoeft het vaststellen van het jaarlijkse aantal schoten per periode niet tot problemen te leiden.

Uit onderzoek is bekend dat de beoordelingsperiode van 1 jaar doorgaans tot een betrouwbare schatting van de relevante hinder leidt. Dit is daarom ook gebruikt voor de beoordeling van militair schietgeluid. De enige afwijking hierop is de zondag: geluid op de zondag is waarschijnlijk hinderlijker dan op andere dagen. In voorkomende gevallen kan het bevoegd gezag via maatwerkvoorschrift hier beperkingen aan stellen.

Artikel 3.113

Dit artikel geeft de minimumvereisten voor de inhoud van het akoestisch onderzoek. Dit is grotendeels overeenkomstig de vereisten voor akoestisch onderzoek zoals die gesteld worden op basis van de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai, 1999.

Paragraaf 3.81. Gemeentelijke milieustraat

Artikel 3.115 is bedoeld om antwoord te geven op de vraag wanneer een gemeente een voldoende adequaat voorzieningenniveau en scheidingsbeleid op de milieustraat hanteert. Dit verschilt van geval tot geval en hangt samen met de organisatie van het totale afvalbeheer in een gemeente (welke stromen worden al apart ingezameld en welke komen wel op de milieustraat). De toetsing hiervan zal daarom plaats moeten vinden bij vergunningverlening voor de milieustraat of voor de sorteerinstallatie voor grof huishoudelijk restafval. De lijst van het tweede lid van artikel 3.115 bevat componenten die – voor zover zij in de betreffende gemeente op de milieustraat worden aangeboden als grof huishoudelijk afval – in ieder geval afgescheiden zouden moeten worden om te kunnen spreken van een voldoende adequaat voorzieningenniveau. Hiervoor dient de gemeente dus een aparte container of ruimte op de milieustraat te hebben teneinde een restfractie af te mogen voeren naar een AVI in plaats van een sorteerder.

Deze lijst is opgesteld uitgaande van grof huishoudelijk afval en bevat daarom niet alle stromen waarvoor het zinvol is of kan zijn om deze op een milieustraat apart te houden. Omdat het niet direct grof huishoudelijk afval betreft, ontbreken bijvoorbeeld in deze lijst stromen als verpakkingsglas, batterijen, gasontladingslampen, klein chemisch afval, frituurvet, incontinentiemateriaal, etcetera. Het betreft dus wat dat betreft geen limitatieve lijst.

Naast de fysieke mogelijkheid deze stromen gescheiden te houden, dient ook het beheer van de milieustraat te zijn gericht op een zo effectief mogelijke uitvoering daarvan.

  • In ieder geval dient voor de burger duidelijk te zijn welke bak waar wel en waar niet voor is bedoeld.

  • Daarnaast dient gekwalificeerd personeel aanwezig te zijn om vragen van burgers te beantwoorden en toezicht te houden op een juist gebruik van de verschillende voorzieningen.

  • Verder dient bij de inrichting en het beheer van de milieustraat aandacht te worden besteed aan toegankelijkheid en laagdrempeligheid voor de burger. Dit omvat naast fysieke bereikbaarheid, maar ook het beperken van wachttijden en administratieve procedures. In het derde lid van artikel 3.115 wordt daarom aangegeven dat de inrichtinghouder zich moet inspannen om te voorkomen dat afval waarvoor aparte inzamelvoorzieningen zijn in de restcontainer terecht komt. Dit is van belang omdat op grond van artikel 3.154, tweede lid, van het besluit het algemene mengverbod terugtreedt voor deze restcontainer. Bij de milieustraat moet via toezicht en voorlichting continu worden bewaakt dat zo min mogelijk ‘specifiek’ afval in de restcontainer belandt. In de procedures van acceptatie en controle geeft de inrichtinghouder aan hoe hier invulling aan wordt gegeven.

In het vierde lid van artikel 3.115 wordt aangegeven dat het bevoegd gezag bij maatwerk toestemming kan geven een of meer van de specifieke inzamelvoorzieningen achterwege te laten mits een gelijk niveau van afvalscheiding bereikt wordt door nascheiding of andere maatregelen. Die maatwerkmogelijkheid geldt niet voor alle inzamelvoorzieningen. Met name voor categorieën gevaarlijk afval en grond is nascheiding niet wenselijk of doelmatig. Het ligt voor de hand dat het maatwerk aangevraagd wordt door de inrichtinghouder, die daarbij zal moeten aangeven hoe het gelijkwaardig niveau van afvalscheiding bereikt wordt. Als onvoldoende duidelijk is hoe de nascheiding of andere verwerking plaats zal vinden kan het bevoegd gezag het maatwerkvoorschrift weigeren.

Als voor een milieustraat toestemming verleend is om een of meer inzamelvoorzieningen achterwege te laten, gaan er meer stromen in de container met restafval. Om de nascheiding te

verzekeren is het in dat geval niet wenselijk dat het restafval in een perscontainer gedaan wordt. Om die reden wordt het verdichten van restafval in die gevallen verboden.

Het maatwerk van het vierde lid heeft eigenlijk het karakter van een toestemming. Het zesde lid geeft aan dat aan deze toestemming voorwaarden kunnen worden verbonden en dat het mogelijk is om bijvoorbeeld in geval van nascheiding buiten de inrichting om bescheiden te vragen waaruit blijkt dat voldoende afvalscheiding wordt bereikt.

Onderdelen AA, BB, CC, DD en NN

In de toelichting bij het bij deze wijzigingsregeling behorende wijzigingsbesluit is reeds uitgelegd, dat de toepassing en de opslag van bepaalde typen organische peroxiden uit de vergunningplichtige lijst in het Besluit omgevingsrecht is gehaald. Het gaat daarbij om organische peroxiden type D tot en met F voor zover geen ADR temperatuurbeheersing nodig is, in een hoeveelheid van minder dan 1.000 kilogram per opslagvoorziening, in een andere verpakking van ‘limited quantity’ (LQ) en voor zover de opslag plaatsvindt binnen een inrichting waar rubber- of kunststof wordt verwerkt. Voor de opslag van organische peroxiden type C tot F, voor zover geen ADR temperatuurbeheersing nodig is, in een hoeveelheid van minder dan 1.000 kilogram per opslagvoorziening en in een LQ-verpakking gold al geen vergunningplicht. Ook zijn de organische peroxiden type G uit de vergunningplicht gehaald. Voor de opslag van deze organische peroxiden zijn echter geen specifieke eisen gesteld in het Activiteitenbesluit; hiervoor geldt de zorgplicht.

In de nieuwe paragraaf 4.1.5. van het Activiteitenbesluit worden aan de opslag van deze organische peroxiden algemene regels gesteld. In artikel 4.9 van de nieuwe paragraaf 4.1.5. is een delegatiebepaling opgenomen. Ingevolge deze bepaling worden in de Activiteitenregeling eisen gesteld aan de opslag van typen organische peroxiden.

Voor de opslag van organische peroxiden waarvoor wel in de Activiteitenregeling eisen worden gesteld, is aangesloten bij de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen. In PGS 8 is de opslag van organische peroxiden geregeld. PGS 15 stelt randvoorwaarden voor de opslag van organische

peroxiden naast de reguliere gevaarlijke stoffen. De eisen zijn echter niet enkel van toepassing bij gecombineerde opslag.

Voor de opslag van organische peroxiden die onder de algemene regels van het besluit vallen moet voldaan worden aan de eisen van PGS 8. Indien de organische peroxiden LQ verpakt zijn, kan er echter ook voor gekozen worden om in plaats van aan de eisen van PGS8 te voldoen, aan de eisen van PGS15 te voldoen.

Verder is met de onderhavige wijziging in artikel 4.1, eerste en tweede lid, een foutieve verwijzing hersteld.

Onderdelen EE, PP, RR, SS, WW (deels), XX (deels), YY (deels), ZZ (deels), BBB, DDD, FFF, GGG, III (deels), RRR, VVV, WWW, XXX en AAAA

In deze onderdelen wordt een wetstechnische reparatie uitgevoerd: het woordje ‘en’ is vervangen door ‘of’.

Onderdelen FF tot en met MM

In deze onderdelen is in paragraaf 4.1.3.1. een aantal wijzigingen doorgevoerd. Deels zijn dit wettechnische reparaties. Zo is in de artikelen de bewoording van een stationaire bovengrondse opslagtank opgenomen in plaats van een bovengrondse stationaire opslagtank. In het opschrift van de paragraaf is de zinsnede ‘stationaire en mobiele’ geschrapt, omdat deze zinsnede geen toegevoegde waarde heeft.

Verder is ook de reikwijdte van paragraaf 4.1.3.1. gewijzigd. In de toelichting bij het bij deze wijzigingsregeling behorende wijzigingsbesluit is hier reeds op ingegaan. Aangezien het opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank voortaan in paragraaf 3.4.9. is geregeld, zijn de artikelen in paragraaf 4.1.3.1. hier niet meer op van toepassing. Daarnaast is de opslag van polyesterhars in een bovengrondse opslagtank in deze paragraaf geregeld. Ook daar zijn de bepalingen op aangepast. Polyesterhars is een gevaarlijke stof van ADR-klasse 3. Als zodanig valt het onder ‘vloeibare gevaarlijke stoffen’ en onder ‘vloeibare bodembedreigende stoffen’. artikel 4.13, eerste en derde lid, noemt polyesterhars expliciet. In artikel 4.13, tweede lid, valt polyesterhars onder de term ‘andere bodembedreigende stoffen’. Dit maakt dat de artikelen 4.14 tot en met 4.19 in beginsel allemaal van toepassing zijn. In deze bepalingen is dit gespecificeerd door dit ofwel aan te duiden (artikel 4.14, eerste, derde en vierde lid en artikel 4.15, eerste lid), of omdat polyesterhars binnen de begrippen ‘vloeibare gevaarlijke stof’ of ‘vloeibare bodembedreigende stof’ past (artikelen 4.18, 4.18a en 4.19). artikel 4.16 en 4.17 zijn niet van toepassing op de bovengrondse opslag van polyesterhars.

Tenslotte is in onderdeel MM een omissie hersteld. De werkingssfeer van artikel 4.19 is verbreed tot alle stoffen die geregeld zijn onder deze paragraaf. In de oude tekst was deze uitzondering ten onrechte niet van toepassing voor vloeibare bodembedreigende stoffen, terwijl ‘hangende’ opslag daar wel voorkomt.

Onderdeel QQ

In het Activiteitenregeling worden eisen gesteld aan de emissie van totaal stof naar de lucht. In artikel 1.1, tweede lid, van het Activiteitenbesluit is ‘S’ gedefinieerd als totaal stof als bedoeld in de NeR. Tot de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling en de bij deze wijzigingsregeling behorende wijzigingsbesluit werden in het Activiteitenbesluit en in de Activiteitenregeling de term ‘S’ en de term ‘totaal stof’ echter door elkaar gebruikt, ook al ging het in alle gevallen om totaal stof als bedoeld in de NeR. Om verwarring te voorkomen is in dit onderdeel overal waar de term ‘totaal stof’ werd gebezigd, terwijl het eigenlijk ging om totaal stof als bedoeld in de NeR, de term ‘totaal stof’ vervangen door ‘stofklasse S’.

In verband met de omzetting van het BEMS naar het Activiteitenbesluit en in de Activiteitenregeling en de implementatie van de RIE, gaan na de in werkingtreding van deze wijzigingsregeling en de bij deze wijzigingsregeling behorende wijzigingsbesluit voor het in werking hebben van een stookinstallatie eisen gelden voor de emissie naar de lucht van totaal stof. Anders dan gewoonlijk gaat het hierbij niet om totaal stof als bedoeld in de NeR, omdat de NeR niet ziet op het in werking hebben van een stookinstallatie. Daarom zal bij die eisen de term ‘totaal stof’ worden gebruikt in plaats van de term ‘stofklasse S’. De term ‘totaal stof’ is in het Activiteitenbesluit niet gedefinieerd; het begrip wordt als bekend verondersteld.

Onderdeel TT

In verband met het onder de werking van het Activiteitenbesluit en -regeling brengen van het mechanisch bewerken, reinigen, coaten en lijmen van rubber en rubberproducten (paragraaf 4.4.1. en 4.4.2. ) en van het verwerken van rubber, thermoplastische kunststof en polyesterhars (paragraaf 4.4.3), is het opschrift van Afdeling 4.4. aangepast.

Onderdeel UU

In dit onderdeel wordt de reikwijdte van paragraaf 4.4.1. aangepast. Dit in navolging van de aanpassing van de reikwijdte van paragraaf 4.4.1. in het Activiteitenbesluit. In de toelichting van het wijzigingsbesluit is de aanpassing van de reikwijdte van paragraaf 4.4.1. in het besluit al toegelicht. De werking van paragraaf 4.4.1. is reeds toegelicht in de toelichting bij de Activiteitenregeling (Staatscourant 2007, nummer 223). Specifiek voor mechanische bewerking van rubber en rubberproducten geldt dat dit doorgaans geen grootschalige activiteit is. Alleen bij uitzondering is bronafzuiging en een filtrerende afscheider nodig om aan de emissie-eisen te kunnen voldoen.

Onderdelen VV, WW (deels), XX (deels), YY (deels), ZZ (deels)

In deze artikelen wordt de reikwijdte van paragraaf 4.4.2. uitgebreid. Dit in navolging van de uitbreiding van de reikwijdte van paragraaf 4.4.2. in het besluit. In de toelichting van het wijzigingsbesluit is de uitbreiding van de reikwijdte van paragraaf 4.4.2. in het besluit al toegelicht. De werking van paragraaf 4.4.1. is reeds toegelicht in de toelichting bij de Activiteitenregeling (Stcrt. 2007, nr. 223).

Onderdelen WW (deels) en ZZ (deels)

In het algemene deel is reeds aangegeven, dat in deze wijzigingsregeling in de Activiteitenregeling een aantal redactionele en wetgevingstechnische punten worden hersteld of aangepast. Eén van die punten is een verduidelijking in de teksten aan te brengen op grond van welke bepaling in het Activiteitenbesluit bepaalde eisen worden uitgevoerd. Derhalve zijn de artikelen 4.46 en 4.49 aangepast.

Onderdeel AAA

In dit onderdeel wordt een paragraaf toegevoegd, die van toepassing is op het verwerken van rubber, thermoplastisch kunststof en polyesterhars.

Artikel 4.49a, eerste lid

De systematiek inzake het beperken van emissies naar de lucht is in de toelichting bij de Activiteitenregeling (Staatscourant 2007, nummer 223) uitgelegd. Ten aanzien van het beperken

van luchtemissies bij de verwerking van rubber, thermoplastische kunststof en polyesterhars is in het besluit en deze regeling aangesloten bij de gangbare praktijk bij vergunningverlening.

In het eerste lid van artikel 4.49a is bepaald, dat bij het wegen en mengen doelmatige bronafzuiging verplicht is. Dit ter voorkoming van de emissie van totaal stof. Ten opzichte van de uitvoeringspraktijk zal dit naar verwachting geen verzwaring van de regels inhouden omdat bij het wegen en mengen van rubbercompounds in de praktijk meestal bronafzuiging wordt toegepast en anderzijds in de regeling voldoende wordt uitgewerkt in welke situaties bronafzuiging niet redelijk wordt geacht.

Onder doelmatige bronafzuiging wordt hier mede verstaan lokale of ruimteafzuiging bij activiteiten die in een speciaal daarvoor bestemde, afgesloten ruimte plaatsvinden of redelijkerwijs moeten plaatsvinden om vanwege de omvang van de producten een effectieve afzuiging van dampen te realiseren.

Bronafzuiging is echter niet in alle situaties redelijk. Emissiebronnen kunnen incidenteel en/of kleinschalig zijn. Dit komt met name voor bij activiteiten die niet tot het hoofdproces van inrichtingen behoren. Het kan incidenteel onderhoudswerk betreffen bij kleinere productiebedrijven of het gebruiken van specialistische apparatuur dat slechts in uitzonderingsgevallen nodig is.

Om bij diffuse emissies toch te kunnen bepalen of emissies van emissiebronnen kleinschalig of incidenteel zijn, kan een diffuse emissie worden beschouwd als ware het een gekanaliseerde emissie. Er zijn dan twee mogelijkheden om het incidentele en/of kleinschalige karakter van een emissie te kwantificeren:

  • De zogenaamde grensmassastroom in gram per uur voor de betreffende emissie vanuit de gehele inrichting wordt niet overschreden conform artikel 2.5 van het besluit);

  • De grensmassastroom wordt wel overschreden, maar de emissie vanuit de betreffende bron in kg per jaar is zodanig klein dat deze onder de vrijstellingsbepaling van artikel 2.6 van het besluit blijft.

Het incidentele karakter of de kleinschaligheid van een bron zal door drijver van de inrichting, in gevallen waarin dit niet op voorhand duidelijk is, op basis van onderbouwde ‘worst case’-aannames aangetoond moeten worden. Indien aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan zal bronafzuiging veelal niet redelijk zijn.

Artikel 4.49a, tweede lid

Om te voorkomen dat de afgezogen emissies van vaste stoffen afkomstig van het wegen of mengen van rubbercompounds of het verwerken van rubber, thermoplastische kunststof of polyesterhars, onvoldoende in de buitenlucht worden verspreid en leiden tot (stof)overlast nabij gevoelige gebouwen is de maatregel onder het tweede lid opgenomen. Deze maatregel is niet van toepassing indien een gevoelig gebouw is gelegen op een gezoneerd industrieterrein, dan wel op een bedrijventerrein waar minder dan 1 gevoelig gebouw per hectare is gelegen. Door de uitvoering van deze maatregel zullen de afgezogen stoffen in een groot aantal gevallen voldoende verspreid worden.

Zowel inrichtingen die na, als inrichtingen die voor de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit worden of zijn opgericht, moeten voldoen aan het gestelde in het tweede lid. Alleen als de inrichting kan aantonen dat hiervan kan worden afgeweken en dat met de alternatieve maatregel een gelijkwaardig beschermingsniveau kan worden bereikt, kan het bevoegd gezag, op basis van artikel 1.8 van het besluit, besluiten de afwijkende maatregel toe te staan.

Artikel 4.49a, derde lid

Door de uitvoering van de maatregel uit het tweede lid zullen de afgezogen stoffen in een groot aantal gevallen voldoende verspreid worden. Het besluit is ook van toepassing op inrichtingen met een relatief grote milieurelevantie. Daardoor is het mogelijk dat emissies vanwege het wegen of mengen van rubbercompounds of het verwerken van rubber, thermoplastische kunststof of polyesterhars toch tot (stof)overlast leidt nabij gevoelige gebouwen. Daarom is het noodzakelijk dat het bevoegd gezag de mogelijkheid heeft om in die situaties via een maatwerkvoorschrift zorg te dragen voor een betere verspreiding en de (stof)overlast nabij gevoelige gebouwen te verlagen, bijvoorbeeld door middel van het verhogen van de afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen. Bij de besluitvorming moet de NeR in acht worden genomen.

Artikel 4.49b

Indien een inrichting de maatregel zoals bedoeld in artikel 4.49b toepast, voldoet het hiermee aan het doelvoorschrift zoals opgenomen in artikel 4.49a, eerste lid, van het besluit. De aantoonplicht zoals bedoeld in artikel 2.8 van het besluit is dan niet meer van toepassing.

In de toelichting bij de Activiteitenregeling (Staatscourant 2007, nummer 223) is vastgelegd wat wordt verstaan onder een filtrerende afscheider en onder welke voorwaarden de afscheider doelmatig is en zijn goede werking in de loop van de tijd behoudt.

Artikel 4.49c

Bij het mengen en in mindere mate bij het wegen van rubbercompounds en het verwerken van rubber of thermoplastisch kunststof kunnen emissies vrijkomen van stoffen die onder een minimalisatieplicht vallen. Stoffen waarvoor de minimalisatieverplichting geldt, zijn alle stoffen die kunnen vrijkomen naar de lucht en die zijn ingedeeld in de categorieën extreem risicovolle stoffen (ERS), minimalisatieverplichte stoffen in de vorm van vaste stoffen (MVP1) en gas- of dampvormige minimalisatieverplichte stoffen (MVP2). Voor deze stoffen moet blijvend worden gestreefd naar een zo laag mogelijke emissie (nulemissie). Op grond van het derde lid van artikel 4.31b van het besluit is ter verduidelijking voor de branche in artikel 4.49c een niet-limitatieve lijst opgenomen van stoffen die onder die minimalisatieplicht vallen en nog toegepast worden bij het mengen van rubbercompounds en het verwerken van rubber of thermoplastisch kunststof.

De verwijzing naar de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen (REACH-verordening) in het tweede lid van artikel 4.49c van de Activiteitenregeling is opgenomen om te verduidelijken dat deze verordening onverkort van toepassing is. Dit brengt met zich mee, dat een stof in bepaalde gevallen überhaupt niet toegepast mag worden (bijvoorbeeld omdat geen autorisatie is verleend of de stof niet onder een uitzondering valt). Vanzelfsprekend geldt de minimalisatieverplichting in een dergelijk gevallen niet.

Artikel 4.49d

Bij de verwerking van polyesterhars wordt styreen geëmiteerd. Traditionele hars bevat 35-45% styreen. Styreen heeft een zeer lage geurdrempel; het is een stof die al bij zeer lage concentraties te ruiken is. De drijver van een inrichting waar polyesterhars wordt verwerkt, dient daarom een aantal maatregelen te nemen. De maatregelen staan opgesomd in het eerste lid.

De maatregelen zien zowel op het beperken van de dynamische emissie als op het beperken van de statische emissie van styreen bij de verwerking van polyesterhars. Dynamische emissie ziet op de emissie tijdens de uitwerking van de hars en de statische emissie ziet op de emissie tijdens het uitharden van de hars.

De dynamische emissie wordt vooral bepaald door het gehalte styreen in de hars. Immers, harsen die minder styreen bevatten zullen in het algemeen ook een lagere styreen emissie tijdens de verwerking vertonen. Er zijn verschillende soorten harsen, zoals INSERT-harsen en harsen met dicyclopentadieen (DCPD-harsen), die minder styreen emiteren.

De statische emissie van styreen wordt duidelijk beperkt door het toevoegen van filmvormende stoffen aan de polyesterhars. Door de vorming van een film op het oppervlakte tijdens de uitharding van de polyesterhars wordt het verdampen van styreen voorkomen, mits het oppervlakte van de hars in deze fase niet meer wordt verstoord. Ook Laag Styreen Emitterende harsen (LSE-harsen) beperken de statische emissie.

Naast het toepassen van andersoortige harsen, zijn er verschillende technieken die de statische of dynamische emissie van styreen beperken. Bij airless spuiten wordt de hars in grotere druppels of stralen opgebracht dan bij traditioneel spuiten. Ook bij een lagedruk polyesterhars opbrengsysteem wordt nevelvorming voorkomen door middel van het opbrengen van polyesterhars met een lage druk spuitkop. Bij gesloten malsystemen worden stukken glasvezel in een mal gelegd, waarna de mal wordt gesloten en polyesterhars wordt ingebracht. Bij een vacüumfoliesysteem wordt geen handlamineren toegepast, maar begint de hars buiten het geheel en wordt er doorheen gezogen door de vacuümpomp. Het afdekken van emmers en vaten en het toepassen van gesloten leidingssystemen voor oplosmiddelen en hars leiden tevens tot een beperking van styreenemissie.

Ook nageschakelde technieken, die gebruikt worden om de afgassen te zuiveren, leiden tot emissiereductie van styreen.

Mocht de geurhinder ondanks de maatregelen, genoemd in het eerste lid, een aanvaardbaar niveau overschrijden, dan kan het bevoegd gezag op grond van artikel 4.49d, derde lid, met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschrfiten opstellen over het niet in de buitenlucht verwerken van polyesterhars, de situering van de afvoerpijp, het voorkomen of beperken van diffuse emissies of het beperken van incidentele geurpieken tot specifieke tijdstippen.

Mocht ook dit er niet toe leiden dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau niet overschrijdt, dan kan het bevoegd gezag met inachtneming van de NeR op grond van artikel 4.49d, vierde lid, nog maatwerkvoorschriften opstellen met betrekking tot de aanwezigheid van een ontgeuringsinstallatie of een grotere afvoerhoogte van de vrijkomende dampen.

Indien de drijver van de inrichting echter bij de melding in de op grond van artike 1.17, derde lid, van het Activiteitenbesluit verplichte beschrijving aantoont dat de geurhinder beperkt blijft tot een aanvaardbaar niveau of beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein of bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig object, hoeft de inrichtinghouder op grond van het tweede lid van artikel 4.49d, de bovenstaande maatregelen niet te nemen.

Artikel 4.49e

Om te voorkomen dat het wegen of mengen van rubbercompounds, het verwerken van rubber of thermoplastische kunststof waarbij gebruik wordt gemaakt van een installatie met een olie- of koelvloeistofcircuit of het verwerken van polyesterhars of het reinigen van de daarbij gebruikte apparatuur leidt tot niet-verwaarloosbare bodemvervuiling, dienen deze activiteiten plaats te vinden boven een bodembeschermende voorziening. Aangezien de toevoer- en aftappunten van een menginstallatie van rubbercompounds extra risico voor de bodem met zich brengen, dient hier bij de aanleg van de bodembeschermende voorziening extra aandacht aan te worden besteed.

Onderdeel CCC

In dit onderdeel is een nieuw artikel ingevoegd om de klassenindeling voor het lassen van metalen op regelingniveau vast te leggen. Voor de klassenindeling werd tot nu toe in artikel 4.40 van het Activiteitenbesluit verwezen naar de Praktijkrichtlijn lasrook. Deze Praktijkrichtlijn is echter in 2006 vervallen. Het Activiteitenbesluit stelt sinds de inwerkingtreding eisen aan emissies naar de lucht van de stofklasse (totaal stof) en afhankelijk van het lasproces ook aan andere emissies. De verschillende lasprocessen zijn opgedeeld in de klassen I tot en met VII waarbij de lasprocessen van klasse I het minst milieubelastend zijn en de lasprocessen van klasse VII het meest milieubelastend. Aan de lasprocessen van de klasse I en II zijn geen emissie-eisen gesteld, omdat bij deze lasprocessen geen significante emissies naar de lucht zullen optreden. De klassenindeling is ontleend aan de «Praktijkrichtlijn Lasrook, beschrijving doeltreffende maatregelen bij blootstelling aan rook en/of gassen en/of aanverwante processen» en is afhankelijk van het toegepaste lasproces, soort en hoeveelheid lastoevoegmateriaal, elektrode en het te lassen materiaal. Het besluit verwees naar deze richtlijn voor de klassenindeling. Aangezien deze richtlijn is ingetrokken, is aan de regeling een artikel toegevoegd dat de klassen definieert. Meer informatie over lasprocessen is beschikbaar in de module Lassen C.3.1 in het ‘Werkboek milieumaatregelen Metalektro industrie’.  In de regeling wordt per klasse aangegeven met behulp van welke maatregelen, bij juiste dimensionering, uitvoering en onderhoud, wordt voldaan aan de emissieconcentratie-eisen of wanneer er geen maatregelen behoeven te worden getroffen om aan de emissie-eisen te voldoen.

Onderdeel EEE

In dit onderdeel is een nieuw artikel ingevoegd, waarin is aangegeven op welke manier in ieder geval aan de in het Activiteitenbesluit opgenomen emissie-eisen voor schoonbrandovens voldaan kan worden. Voor een algemene toelichting over schoonbranden wordt verwezen naar de toelichting bij de desbetreffende artikelen in het Activiteitenbesluit.

In het eerste lid wordt aangegeven dat elektrische ovens waarin de afgezogen dampen worden afgezogen en teruggevoerd, geacht worden ook aan de emissie-eisen te voldoen. Bij dergelijke ovens is geen emissiepunt, behalve een heel kleine emissie bij het openen van de oven. Het tweede en derde lid geven de erkende maatregelen voor gasgestookte ovens. Deze maatregelen zijn ontleend aan bijzondere regeling F2 uit de NeR. Conform die regeling wordt onderscheid gemaakt in kleine ovens (tweede lid) en grote ovens (derde lid). De grens tussen groot en klein zit bij een capaciteit van vijf ton. In beide gevallen wordt aan de emissie-eisen voldaan met een naverbrander.

Bij een grote oven worden meer controles op de goede werking van de naverbrander verwacht. De emissie-eis voor koolmonoxide staat in de regeling en niet in het besluit, omdat de eis een controle op de goede werking van de naverbrander is.

Onderdeel HHH en III

Met dit onderdeel zijn, in navolging van de wijziging van het Activiteitenbesluit, de in het onderdeel genoemde paragrafen en artikelen op alle soorten steen van toepassing geworden.

Onderdeel JJJ

In dit onderdeel worden drie paragrafen toegevoegd, die van toepassing zijn op het vervaardigen van betonmortel (paragraaf 4.5a.4.), het vormgeven van betonproducten (paragraaf 4.5a.5.) en het breken van steenachtig materiaal (paragraaf 4.5a.6).

Artikel 4.84g

Dit artikel betreft het beperken of voorkomen van diffuse emissies. Om te voorkomen dat de emissies van het doseren en mengen onvoldoende in de buitenlucht worden verspreid en leiden tot overlast nabij gevoelige gebouwen is de maatregel in het eerste lid opgenomen. Deze maatregel is niet van toepassing indien een gevoelig gebouw is gelegen op een gezoneerd industrieterrein, dan wel op een bedrijventerrein waar minder dan 1 gevoelig gebouw per hectare is gelegen.

Voor bestaande inrichtingen wordt in het overgangsrecht een uitzondering gemaakt op het eerste lid, waardoor het eerste lid niet van toepassing is op deze inrichtingen.

Voor inrichtingen met een relatief grote milieurelevantie is het mogelijk dat het gestelde onder het eerste lid tot (stof)overlast leidt nabij gevoelige gebouwen Voor deze situaties heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om via een maatwerkvoorschrift zorg te dragen voor een betere verspreiding en de (stof)overlast nabij gevoelige gebouwen te verlagen, bijvoorbeeld door middel van het verhogen van de afvoerhoogte van de afgezogen dampen en gassen. Bij de besluitvorming moet de NeR in acht worden genomen.

Artikel 4.84h

Indien een inrichting deze maatregel toepast, voldoet de inrichting daarmee aan het doelvoorschrift dat is opgenomen in artikel 4.74j, tweede lid, van het Activiteitenbesluit. De aantoonplicht van artikel 2.8 van het besluit is dan niet meer van toepassing. In hoofdstuk 7 van het algemene deel van de toelichting bij de regeling van 9 november 2007 (zie Stcrt. 2007, nr. 223) is beschreven wat wordt verstaan onder een filtrerende afscheider en onder welke voorwaarden de afscheider doelmatig is en zijn goede werking in de loop der tijd behoudt.

Artikel 4.84i

De in artikel 4.74o, eerste lid, van het Activiteitenbesluit bedoelde kosteneffectieve en technisch uitvoerbare maatregelen bestaan in ieder geval uit het treffen van maatregelen ten aanzien van de bedrijfsvoering ter voorkoming van onnodige emissie (good housekeepingmaatregelen) en het gebruiken van VOS-arme producten en efficiënte applicatiemethoden. Voorbeelden hiervan zijn:

  • (1) het insmeren van de vulplaats in plaats van spuiten, zodat minder bekistingsmiddel wordt gebruikt;

  • (2) het gebruiken van oplosmiddelvrije bekistingsolie;

  • (3) het optimaliseren van de spuittechniek. Spuitverliezen kunnen worden voorkomen door:

    • het gebruik van een goed afgesteld spuitpistool;

    • het hanteren van een goede spuittechniek;

    • regelmatig onderhoud van de spuit;

    • het gebruik van de juiste nozzle en deze regelmatig controleren op slijtage en sproeikarakteristieken en zonodig vervangen;

  • (4) Instructie van de medewerkers gericht op zuinig gebruik;

  • (5) Het introduceren van slijtvaste en beter lossende materialen voor mallen en vulplaten. Het toepassen van ontkistingsmiddelen kan worden beperkt als de mal of vulplaat wordt bedekt met een materiaal waar het beton niet aan hecht. Dit materiaal moet slijtvast zijn en een smerende werking hebben. Er is een aantal galvanische materialen en kunststoffen op de markt die hier voor kunnen worden gebruikt;

  • (6) Het zoveel mogelijk gesloten houden van emballage.

Het artikel verplicht de inrichtinghouder niet tot het toepassen van bovengenoemde voorbeelden. Van de inrichtinghouder wordt verwacht dat deze die maatregelen getroffen heeft, dan wel aantoonbaar overwogen of beoordeeld heeft, die technisch uitvoerbaar zijn en in de betreffende situatie kosteneffectief zijn.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit artikel alleen van toepassing is, als niet aannemelijk gemaakt kan worden dat de maximale hoeveelheid ingekochte VOS houdende bekistingsmiddelen per jaar minder dan 1.000 kilogram bedraagt. Dit vloeit voort uit het tweede lid van artikel 4.74o van het Activiteitenbesluit.

Artikel 4.84j

De ontkistingsmiddelen die worden toegepast kunnen bodembedreigend zijn. De ontkistingsmiddelen kunnen op basis van hun samenstelling als volgt worden onderverdeeld:

  • minerale oliën met of zonder toevoegingen;

  • dierlijke of plantaardige oliën met toevoegingen;

  • water-in-olie emulsies;

  • olie-in-water emulsies;

  • bekistingswas;

  • chemische ontkistingsmiddelen.

De laatste jaren wordt steeds meer gebruik gemaakt van biologisch afbreekbare oliën.

Het afwerken van beton kan plaatsvinden door het uitwassen van beton. Door het uitwassen van beton krijgt het beton textuur. Het uitwassen van beton is een behandeling van het betonoppervlak, waarbij spoelwater vrijkomt. Dit spoelwater kan betonresten (en bindingvertragers) bevatten.

De Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) geeft voor bedrijfsmatige activiteiten invulling aan het preventieve bodembeschermingsbeleid. In het Activiteitenbesluit (en de NRB) staat het begrip ‘ Verwaarloosbaar bodemrisico’ centraal. Voorzieningen en maatregelen dienen een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren voor de duur van de bedrijfsmatige activiteiten. Om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen, wordt voor deze processen-conform de NRB- een vloeistofdichte vloer of verharding of een lekbak voorgeschreven.

Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om in afwijking van het eerste lid bij maatwerk andere maatregelen en voorzieningen toe te staan op grond van de gelijkwaardigheidsbepaling, artikel 1.8 van het Activiteitenbesluit. Dit is mogelijk indien met deze alternatieve maatregelen en voorzieningen eveneens een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd.

Indien deze activiteiten reeds werden uitgevoerd voor 1 januari 2013 en in de vergunning maatregelen en voorzieningen zijn voorgeschreven, waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt bereikt, blijven deze voorschriften op grond van het overgangsrecht van kracht (zie artikel 6.11aa van de Activiteitenregeling (nieuw)).

Indien deze activiteiten reeds werden uitgevoerd voor 1 januari 2013 en het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico in een specifieke situatie niet kan worden gevergd, kan op grond van het overgangsrecht (artikel 6.10 van het Activiteitenbesluit) een aanvaardbaar bodemrisico worden gerealiseerd. Het bevoegd gezag moet daartoe wel met een maatwerkvoorschrift toestemming hebben verleend.

Artikel 4.84k

Als bij het breken van steenachtig materiaal in de buitenlucht het materiaal door besproeiing vochtig wordt gehouden, kan voldaan worden aan de eisen. Er mag hierbij geen afvalwater vrijkomen.

Artikel 4.84l

Indien een inrichting deze maatregel toepast, voldoet de inrichting daarmee aan het doelvoorschrift dat is opgenomen in artikel 4.74s, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. De aantoonplicht van artikel 2.8 van het Activiteitenbesluit is dan niet meer van toepassing.

Artikel 4.84m

Om te voorkomen dat de emissies van het inpandig breken van steenachtige materialen onvoldoende in de buitenlucht worden verspreid en leiden tot overlast nabij gevoelige gebouwen is de maatregel in het eerste lid opgenomen. Deze maatregel is niet van toepassing indien een gevoelig gebouw is gelegen op een gezoneerd industrieterrein, dan wel op een bedrijventerrein waar minder dan 1 gevoelig gebouw per hectare is gelegen.

Voor bestaande inrichtingen wordt in het overgangsrecht een uitzondering gemaakt op het eerste lid, waardoor het eerste lid niet van toepassing is op deze inrichtingen.

Voor inrichtingen met een relatief grote milieurelevantie is het mogelijk dat het gestelde onder het eerste lid tot (stof)overlast leidt nabij gevoelige gebouwen Voor deze situaties heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om via een maatwerkvoorschrift zorg te dragen voor een betere verspreiding en de (stof)overlast nabij gevoelige gebouwen te verlagen, bijvoorbeeld door middel van het verhogen van de afvoerhoogte. Bij de besluitvorming moet de NeR in acht worden genomen.

Onderdeel LLL en NNN

Vanwege de verruiming van de reikwijdte van paragraaf 3.3.1. van het Activiteitnebesluit met het afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen, wordt de reikwijdte van paragraaf 4.6.4. van het Activiteitenbesluit ingeperkt. Met dit onderdeel wordt, in navolging van de inperking van paragraaf 4.6.4. van het Activiteitenbesluit, de reikwijdte van paragraaf 4.6.3. tevens ingeperkt.

Onderdeel MMM

Op grond van artikel 4.88 van de Activiteitenregeling dient uit oogpunt van veiligheid voldaan te worden aan bepaalde in de regeling opgenomen artikelen. Eén van deze artikelen, artikel 4.90, is echter vervallen. De verwijzing is derhalve aangepast.

Onderdelen OOO, PPP en QQQ

In deze artikelen wordt de reikwijdte van paragraaf 4.6.4. uitgebreid. Dit in navolging van de uitbreiding van de reikwijdte van paragraaf 4.6.5. in het Activiteitenbesluit.

Onderdelen SSS en UUU

In verband met het onder de werking van het Activiteitenbesluit en de -regeling brengen van rotatieoffset druktechniek, flexodruktechniek en verpakkingsdiepdruktechniek is de naam van Afdeling 4.7. gewijzigd. De activiteiten met betrekking tot papier en textiel vallen voortaan onder Afdeling 4.7a.

Onderdeel TTT

In dit onderdeel worden twee paragrafen toegevoegd, één die van toepassing is op het toepassen van rotatieoffset druktechniek en één die van toepassing is op het toepassen van flexodruktechniek of verpakkingsdiepdruktechniek.

Paragraaf 4.7.3a. Rotatieoffset druktechniek

Artikel 4.102ea, eerste lid

De toelichting op onderdeel AAA inzake artikel 4.49a, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing. Specifiek voor rotatieoffset druktechniek geldt dat dit enkel diffuse emissies worden verwacht bij gassen en dampen die vrijkomen bij heatsetrotatieoffset en coldset. Bij UV droging wordt geen emissie verwacht.

Artikel 4.102ea, tweede tot en met vijfde lid

Bij activiteiten met betrekking tot rotatieoffset druktechniek waar gewerkt wordt met vluchtige organische stoffen en waar producten worden gedroogd is verder nog geuremissie te verwachten.

Het afvoeren van dampen en gassen door middel van een afvoerpijp, die voldoende hoog is in vergelijking met de omliggende bebouwing, zal in een groot aantal gevallen leiden tot een voldoende verspreiding van geuremissies. Van belang is hierbij dat de uittredende lucht zoveel mogelijk verticaal wordt uitgeblazen, zodat de verspreiding van de dampen en gassen in de buitenlucht zo goed mogelijk plaatsvindt. Hierdoor wordt de kans op geurhinder verkleind.

Zowel inrichtingen die na, als inrichtingen die voor de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit worden of zijn opgericht, moeten voldoen aan het gestelde in het tweede lid. Alleen als de inrichting kan aantonen dat hiervan kan worden afgeweken en dat met de alternatieve maatregel een gelijkwaardig beschermingsniveau kan worden bereikt, kan het bevoegd gezag, op basis van artikel 1.8 van het besluit, besluiten de afwijkende maatregel toe te staan.

Het kan voorkomen dat ondanks de in het tweede lid bedoeld maatregel, vanwege onvoldoende spreiding van de afgezogen dampen of gassen, of vanwege geuremissies die niet via de afzuiging worden afgevoerd of vanwege incidentele geurpieken, de geurhinder alsnog een aanvaardbaar niveau overschrijdt. Het bevoegd gezag kan dan op grond van artikel 4.102ea, derde lid, met inachtneming van de NeR, maatwerkvoorschrfiten opstellen over de situering van de afvoerpijp, het voorkomen of beperken van diffuse geuremissies of het beperken van incidentele geurpieken tot specifieke tijdstippen.

Mocht ook dit er niet toe leiden dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau niet overschrijdt, dan kan het bevoegd gezag met inachtneming van de NeR op grond van artikel 4.102ea, vierde lid, nog maatwerkvoorschriften opstellen met betrekking tot de aanwezigheid van een ontgeuringsinstallatie of een grotere afvoerhoogte van de vrijkomende dampen en gassen.

Indien de mogelijke geurhinder beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein of bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig object per hectare, hoeft de inrichtinghouder echter de in het tweede lid van artikel 4.102ea opgenomen maatregel niet te nemen.

Artikel 4.102eb

Om te voorkomen dat bij het bedrukken met rotatieoffset druktechniek het verwerken van inkten, verdunningsmiddelen, reinigingsmiddelen en toevoegingsmiddelen leidt tot niet-verwaarloosbare

bodemvervuiling, dienen deze activiteiten plaats te vinden boven een bodembeschermende voorziening.

Paragraaf 4.7.3b. Flexodruktechniek en Verpakkingsdiepdruk

De toelichting bij de paragraaf inzake rotatieoffset druktechniek is van overeenkomstige toepassing op deze paragraaf. Wel is het nog van belang, dat ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van geurhinder, anders dan bij rotatieoffset druktechniek, in eerste instantie gekozen kan worden tussen het afvoeren van dampen en gassen door middel van een afvoerpijp, of het leiden van de gassen en dampen door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

Mochten de bevoegdheden, genoemd in het vierde lid, niet leiden tot het niet overschrijden van een aanvaardbaar niveau van geurhinder, dan kan het bevoegd gezag net als bij rotatieoffsetdruktechniek met inachtneming van de NeR nog maatwerkvoorschriften opstellen met betrekking tot de aanwezigheid van een ontgeuringsinstallatie of een grotere afvoerhoogte van de vrijkomende dampen en gassen. Het bevoegd gezag kan er echter ook voor kiezen een maatwerkvoorschrift op te stellen waardoor de drijver van de inrichting verplicht wordt een ontgeuringsinstallatie te plaatsen. Het spreekt voor zich dat indien de drijver van de inrichting op basis van het eerste lid van artikel 4.102ec al voor een ontgeuringsinstallatie heeft gekozen, dit geen optie is.

Verder is het voor wat betreft de bodemaspecten nog van belang te melden, dat anders dan bij rotatieoffset druktechniek en verpakkingsdiepdruktechniek bij flexodruktechniek bij de in artikel 4.102ed, tweede lid, genoemde activiteiten geen bodembeschermende voorziening nodig is, maar een vloeistofdichte vloer.

Tenslotte is voor verpakkingsdiepdruktechniek ten aanzien van het veiligheidsaspect nog een voorschrift opgenomen. Bij schoonmaakwerkzaamheden in verpakkingsdrukkerijen wordt meestal een mengsel van vluchtige oplosmiddel gebruikt, veelal ethylacetaat en ethanol, soms isopropylalcohol. Hardnekkige verontreinigen worden verwijderd met afbijt of agressieve, niet-vluchtige, oplosmiddelen. In uitzonderingsgevallen worden in automatische wasmachines niet-vluchtige oplosmiddelen toegepast. Als het oplosmiddel te sterk vervuild raakt wordt dit gedestilleerd, waarna de sludge wordt afgevoerd als gevaarlijk afval. Het is van belang dat het destileren in een brandcompartiment gebeurt. Om de risico’s verder te beperken is het verder verpliacht dat in het brandcompartiment waar de detilatie plaatsvindt geen opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen of brandbare goederen plaatsvindt, tenzij het gaat om opslag of handelingen die betrekking hebben op de destillatie.

Onderdeel ZZZ

Deze wijziging betreft een wetgevingstechnische reparatie; de woorden ‘van een’ zijn toegevoegd.

Onderdeel BBBB

In de toelichting op onderdelen FF tot en met MM is al aangegeven, dat het opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank voortaan in paragraaf 3.4.9. is geregeld en dat de artikelen in paragraaf 4.1.3.1. hier niet meer op van toepassing is. Logischerwijs is het overgangsrecht voor de verschillende activiteiten dientengevolge gesplitst en op de juiste plaats gezet. artikel 6.10, eerste, vierde en vijfde lid, (oud) zijn daarom opgenomen in het nieuwe artikel 6.5ha. artikel 6.10, vierde lid, (oud) blijft overigens ook in artikel 6.10 staan, maar wordt vernummerd naar het derde lid.

Onderdeel CCCC en HHHH

In verband met het verplaatsen van de paragraaf inzake traditioneel schieten van hoofdstuk 4 naar hoofdstuk 3, is het overgangsrecht tevens verplaatst.

Onderdeel DDDD, EEEE en FFFF

De artikelen 6.7, 6.10 en 6.15 zijn aangepast in verband met het vernummeren en verplaatsen van artikelen in de regeling. In de toelichting op onderdeel BBBB is al ingegaan op het verplaatsen van artikel 6.10, eerste en vijfde lid (oud).

Daarnaast is in artikel 6.7 de artikelen 4.84g en 4.84m toegevoegd. Betonbedrijven die zijn opgericht voor de inwerkingtreding van artikel 4.84g en 4.84m beschikten over een omgevingsvergunning voor milieu. In het kader van deze vergunning is het aspect van een doelmatige verspreiding van emissies meegenomen. Door dit overgangsrecht hoeven bestaande inrichtingen niet te voldoen aan het eerste lid van artikel 4.84g en het eerste lid van 4.84m, voor zover er geen wijzigingen optreden die leiden tot een toename van de emissie naar de lucht dan wel die leiden tot een minder doelmatige verspreiding van de geëmitteerde stoffen. Op grond van het tweede lid heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om ook voor bestaande betonbedrijven maatwerkvoorschriften op te nemen zoals bedoeld in artikel 4.84g, tweede lid, en 484m, tweede lid.

Onderdeel GGGG

In dit artikel wordt bepaald dat artikel 4.84j, aanhef en onder a, van de Activiteitenregeling niet van toepassing is op inrichtingen die reeds voor de inwerkingtreding van artikel 4.84j in werking waren en beschikten over een onherroepelijke vergunning. Dat geldt echter alleen voor inrichtingen waarvoor in die vergunning andere bodembeschermende voorzieningen of maatregelen (dan de voorgeschreven voorzieningen in artikel 4.84j) zijn voorgeschreven, waarmee eveneens een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd bij het aanbrengen van ontkistingsmiddelen. Op grond van het tweede lid blijven deze vergunningvoorschriften voor onbepaalde tijd van kracht.

Onderdeel IIII

Bij besluit van 9 juni 2011 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 16 maart 2011, houdende algemene regels voor lozen anders dan vanuit een inrichting (Besluit lozen buiten inrichtingen) (Stb. 153) en van artikel II, onderdeel B, aanhef en onder 1, van het besluit van 15 november 2010 tot wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (afvalgerelateerde activiteiten in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) (Stb. 781) en tot wijziging van artikel 2, derde lid, van het besluit van 26 november 2007, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 22 november 2006, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en enige andere daarmee verband houdende wetten (modernisering van de algemene milieuregels voor inrichtingen) (Stb. 606) en van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Stb. 415), (Stb. 472) (Stb. 2011, 298) is de inwerkingtredingsbepaling van artikel 2.16 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, dat het vervoer van de eigen werknemers van en naar de inrichting op uitputtende wijze regelt, gewijzigd. De datum van inwerkingtreding van artikel 2.16 is verschoven naar 1 januari 2014. Met de onderhavige wijziging wordt de inwerkingtredingsbepaling van de bijbehorende artikelen uit de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer in lijn gebracht met deze nieuwe datum.

Artikel II

In de toelichting bij artikel III van het bij deze wijzigingsregeling behorende wijzigingsbesluit is reeds ingegaan op het intrekken van het Besluit typekeuring verwarmingstoestellen luchtverontreiniging stikstofoxiden en de bijbehorende Typekeuringsregeling.

Artikel III

De Uitvoeringsregeling emissie-eisen middelgrote stookinstallaties milieubeheer is in deze wijzigingsregeling overgezet naar de Activiteitenregeling. Derhalve is de Uitvoeringsregeling ingetrokken.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld.