Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201129383 nr. 170

29 383 Meerjarenprogramma herijking van de VROM-regelgeving

Nr. 170 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 juni 2011

In het Algemeen Overleg inzake het Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (agrarische activiteiten) van 22 juni 2011 heb ik toegezegd om uw Kamer schriftelijk te berichten over de gedane toezeggingen en tevens op enkele punten een nadere toelichting te verschaffen.

Planning

De voorgenomen datum van inwerkingtreding van het ontwerpbesluit is 1 juli 2012.

Dieselolietanks

De heer Koopmans heeft aangedrongen op het schrappen van enkele technische voorzieningen voor dieselolietanks.

Ik merk op dat de bestaande technische eisen niet zijn gewijzigd ten opzichte van het Besluit landbouw milieubeheer. Wel zal ik in het ontwerpbesluit opnemen dat de overgangstermijn uit het Besluit landbouw milieubeheer met terugwerkende kracht wordt verlengd tot 1 januari 2015. Hiertoe wordt in voorschrift 2.6.8, onderdeel b, van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer de datum «1 juni 2011» vervangen door «1 januari 2015». De bedrijven krijgen op deze manier voldoende tijd om de tanks te saneren, zoals ik ook reeds bij de schriftelijke beantwoording heb aangegeven.

Keuring mestkelders

De heer Koopmans heeft gevraagd om de keuring voor mestkelders uit het ontwerpbesluit te schrappen.

De regels voor het opslaan van drijfmest zijn zowel in het ontwerpbesluit als in de ontwerpregeling opgenomen. Artikel 3.71 van de ontwerpregeling heeft betrekking op de keuring van mestbassins. In het negende lid van dat artikel heb ik reeds een uitzondering opgenomen voor mestkelders: een mestkelder hoeft dus niet te worden gekeurd.

Daarnaast heeft de heer Koopmans voorgesteld om geen aanvullende eisen op te nemen in het Activiteitenbesluit ten aanzien van de aannemers die mestkelders mogen aanleggen. Ik deel deze mening en ik zal daarom de eis schrappen dat een mestkelder moet zijn aangelegd overeenkomstig BRL 2 342 uit artikel 3.70, eerste lid, van de ontwerpregeling. Nieuwe mestkelders moeten voldoen aan de Richtlijnen Mestbassins 1992, conform de huidige regelgeving. Dit betekent dat aannemers die een mestkelder aanleggen niet gecertificeerd hoeven te zijn.

Berekening omvang mestbassins

De heer Koopmans heeft gevraagd om bij berekening van de gezamenlijke oppervlakte en de gezamenlijke inhoud van mestbassins alle mestkelders buiten beschouwing te laten.

De voorschriften voor het opslaan van drijfmest zijn van toepassing op mestbassins met een gezamenlijke inhoud van 2 500 kubieke meter. In het ontwerpbesluit is al opgenomen dat de mestkelders die onder een stal zijn gelegen niet meetellen bij deze 2 500 kubieke meter. Dit is volledig in lijn met de huidige regeling in het Besluit mestbassins milieubeheer.

Er bestaan naar mijn mening echter geen milieuhygiënische bezwaren om bij het berekenen van de gezamenlijke inhoud ook de mestkelders die zijn gelegen onder een werktuigberging, een opslagvoorziening of een erfverharding buiten beschouwing te laten. Ik zal artikel 3.49 in deze zin aanpassen en in lijn hiermee ook de vergunningplichtige lijst.

Opslag van kuilvoer

Mevr. Snijder heeft gevraagd om het stellen van eisen aan het opvangen van perssappen en verontreinigd hemelwater bij de opslag van kuilvoer te heroverwegen.

Bij opslag van kuilvoer kunnen perssappen en verontreinigd hemelwater vrijkomen. Onder het huidige Lozingenbesluit Open Teelt en Veehouderij is reeds geregeld dat deze afvalwaterstromen niet geloosd mogen worden in het oppervlaktewater, vanwege het risico op substantiële verslechtering van de waterkwaliteit op lokaal niveau. Dit afvalwater bevat namelijk veel afbreekbare organische verbindingen hetgeen een substantiële vuilbelasting geeft. Daardoor kan lokaal een scherpe daling van het zuurstofgehalte van het oppervlaktewater optreden met negatieve ecologische gevolgen.

Opslag van kuilvoer kan ook nadelige gevolgen voor de bodem hebben, omdat het afvalwater ter plaatse van de opslag in de bodem kan dringen en daarmee een puntlozing kan veroorzaken. Mede gelet op de bepalingen van de EU-Grondwaterrichtlijn zijn daarom in het ontwerpbesluit ook voorschriften ter bescherming van de bodem en het grondwater opgenomen.

De voorschriften zijn verschillend afhankelijk van de duur van de opslag. Bij opslag korter dan zes maanden vereisen de voorschriften geen bouwkundige voorzieningen.

Wanneer opslag langer plaatsvindt (zoals het geval is bij opslag in silo’s), wordt bij nieuwe opslagen een vloeistofkerende vloer voorgeschreven waarbij vloeistoffen worden opgevangen. De opgevangen vloeistof kan vervolgens met de mest of separaat worden verspreid over het land, waardoor een puntlozing wordt voorkomen.

Voor bestaande opslagen ben ik in overleg met de sector over de noodzakelijke overgangstermijn. Belangrijk aandachtspunt daarbij is een gefaseerd verloop van de aanpassing van deze bestaande opslagen, waarbij rekening zal worden gehouden met natuurlijke momenten in de bedrijfsontwikkeling. De fasering moet daarbij zo worden ingericht dat, mede gelet op de Kaderrichtlijn water, alle voeropslagen in 2027 zijn gesaneerd.

Bovengrondse tanks voor de opslag van vloeibare kunstmeststoffen

De heren Dijkgraaf en Koopmans hebben gepleit voor een langere overgangstermijn voor de certificering van de tanks voor vloeibare kunstmeststoffen.

In het ontwerpbesluit is uitgegaan van een overgangstermijn tot 2023, vanuit de optiek van eenduidigheid binnen het Activiteitenbesluit. Uit nader overleg met LTO-Nederland is mij evenwel gebleken dat de agrarische sector extra tijd nodig heeft om in de praktijk te kunnen voldoen aan de eisen. Ik zal daarom de overgangtermijn verlengen tot 15 jaar, dus tot 1 januari 2027.

Geluidseisen laden en lossen

Mevrouw Snijder heeft aandacht gevraagd voor de noodzaak tot laad- en losactiviteiten op agrarische bedrijven in de avond- en nachtperiode en in verband daarmee voor de geluidseisen met betrekking tot het piekniveau. Zij heeft gevraagd om een nadere toelichting op de mogelijkheid om bij maatwerkvoorschrift af te wijken van de grenswaarde voor het piekniveau.

Het besluit bevat grenswaarden voor het gemiddelde geluidsniveau over langere tijd en voor het maximale geluidsniveau (het zogenoemde piekniveau).

Voor de agrarische bedrijven zijn deze grenswaarden opgenomen in artikel 2.17, lid 5 van het Besluit.

Overdag zijn de piekniveaus niet van toepassing op laad- en losactiviteiten, maar in de avond- en nachtperiode wel. Met de desbetreffende norm wordt een adequaat beschermingsniveau voor omwonenden gerealiseerd. Het merendeel van de laad- en losactiviteiten die toch ’s avonds en ’s nachts moeten plaatsvinden kan binnen deze norm. De bedoeling van deze norm is niet om laad- en losactiviteiten ’s avonds en ’s nachts te verbieden, maar om deze aan zodanige voorwaarden te binden dat omwonenden er niet onnodig veel last van hebben. Het bevoegd gezag kan door middel van een maatwerkvoorschrift een andere grenswaarde vaststellen. Als er in bepaalde situaties een ruimere norm nodig is, kan het bevoegd gezag daartoe besluiten. Het bevoegd gezag kan daar nadere voorwaarden aan verbinden, rekening houdend met de plaatselijke situatie. Het verruimen van de norm voor het piekniveau in het Besluit is niet wenselijk, omdat deze ruimere norm dan algemeen zou gelden en niet slechts in die situaties waarin dat ook echt nodig is. Dat zou tot een algehele verslechtering van het beschermingsniveau leiden, die niet nodig is.

In het huidige Besluit glastuinbouw is één uitzondering op de norm voor het piekniveau algemeen geregeld, en wel de uitzondering ten behoeve van het zogenoemde groepsvervoer van tuinbouwproducten. Deze uitzondering wordt nu overgenomen in het Activiteitenbesluit. Ik vind het niet wenselijk om voor allerlei andere soorten van laad- en losactiviteiten de uitzondering in het Besluit te regelen. Daarvoor is maatwerk het juiste instrument.

Kleine kassen

Door verschillende leden is ingegaan op de problematiek van kleine kassen en ondoelmatige investeringen.

Ik ben naar aanleiding van overleg met de sector en bevoegde instanties voornemens het ontwerpbesluit op dit punt aan te passen. De aanpassingen houden het volgende in:

  • als er geen emissie naar oppervlaktewater of bodem plaatsvindt, gelden de verplichtingen met betrekking tot lozingen helemaal niet;

  • «kleine kassen» met een maximale oppervlakte van 2500 m2 behoeven tot 2021 geen hemelwateropvang te hebben en geen recirculatie toe te passen. Dit geldt zowel voor substraatteelt als voor grondgebonden teelt;

  • in het besluit wordt de mogelijkheid voor het bevoegd gezag toegevoegd om wanneer hemelwateropvang en recirculatie niet doelmatig zijn, daarvan ontheffing te verlenen. Deze bevoegdheid is niet in kasoppervlak gelimiteerd, en leidt er toe dat ondoelmatige investeringen worden voorkomen;

  • na 2021 staat deze mogelijkheid uiteraard ook open voor de «kleine kassen»;

  • de emissienormen (substraatteelt) en de verplichting om bemesting af te stemmen op de behoefte van het gewas (grondteelt) gelden wel, om een noodzakelijk niveau van bescherming van het milieu te bereiken. Zonder deze verplichtingen zouden aan «kleine kassen» in het geheel geen voorschriften worden gesteld met betrekking tot emissies van stikstof en fosfaat;

  • om aan deze voorschriften te kunnen toetsen gelden in beginsel ook de registratie en rapportageverplichtingen, maar daar waar ze tot onnodige lasten zouden leiden, kan het bevoegd gezag ook deze verplichtingen aanpassen. Deze mogelijkheid geldt ongeacht het kasoppervlak, zodat ook grotere kassen daar gebruik van kunnen maken.

Ik ben van mening dat ik met bovenstaande aanpassingen maximaal tegemoet ben gekomen aan de wensen vanuit de sector, met behoud van het niveau van milieubescherming.

Brijn omgekeerde osmose

Door de heer Koopmans is het voorstel gedaan om in het besluit te bepalen dat artikel 2.2, eerste en tweede lid tot 5 jaar na inwerkingtreding van het besluit niet van toepassing zijn op het lozen van brijn van omgekeerde osmose installaties op grondwater voor zover deze worden toegepast in aanvulling op een regenwateropslag van minimaal 500 m3.

Het overnemen van dit voorstel stuit op zowel juridische als inhoudelijke bezwaren. Gelet op de Kaderrichtlijn Water en de EU-Grondwaterrichtlijn zijn dergelijke directe lozingen in het grondwater alleen mogelijk, indien deze «door de bevoegde autoriteiten worden beschouwd als voorkomend in een hoeveelheid of concentratie die zo klein is dat enig onmiddellijk of toekomstig gevaar van achteruitgang van de kwaliteit van het ontvangende grondwater uitgesloten is». Met een algemene toestemming zonder voorafgaande beoordeling kan aan deze voorwaarde niet worden voldaan.

Voor nieuwe situaties zou de voorgestelde regeling bovendien het risico inhouden, dat ondernemers installaties plaatsen, die na vijf jaar bij individuele beoordeling geen toestemming krijgen voor verder gebruik. Dit is zowel vanuit het oogpunt van de ondernemer als milieu ongewenst.

Wat bestaande situaties betreft geldt het vereiste van individuele voorafgaande toestemming voor dergelijke lozingen al vanaf de inwerkingtreding van het Lozingenbesluit bodembescherming. De provincie Zuid-Holland, waar de meeste lozingen aan de orde zijn, heeft als bevoegd gezag voor het Lozingenbesluit in 2006 een interimbeleid vastgesteld en aan alle lozers, die zich hebben gemeld, een ontheffing tot medio 2013 verleend. Deze ontheffingen blijven na de inwerkingtreding van het onderhavige ontwerpbesluit (agrarische activiteiten) tot die datum gelden.

In overleg met bevoegde instanties en de sector wordt op dit moment een toetsingskader ontwikkeld, om de individuele beoordeling van de lozingen verder te structureren. Ik ga er van uit dat dit toetsingskader eind van dit jaar gereed zal zijn. Mocht in dat kader blijken dat in bepaalde gevallen ook kan worden voldaan aan de voorwaarde van de richtlijnen door het stellen van algemene voorschriften, dan kan voor medio 2013 het besluit nog worden aangepast.

Meetverplichtingen tuinder en metingen in het kader van waterbeheer en het toelatingsbeleid

In het overleg zijn verschillende vragen gesteld die betrekking hadden op de meetverplichtingen voor de agrarische bedrijven (en met name de glastuinbouw), en de relatie tussen die meetverplichtingen en de metingen in het kader van het waterbeheer en het toelatingsbeleid voor gewasbeschermingsmiddelen.

Waar het gaat om het meten van gehalten aan gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in het afvalwater en in het watersysteem ga ik uit van een scheiding van verantwoordelijkheden.

De ondernemer is verplicht tot het treffen van maatregelen om de emissies naar het milieu zo veel mogelijk terug te dringen.

Het is primair de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag om bij toezicht en handhaving zo nodig metingen uit te voeren. Wanneer dat doelmatig is, kan als onderdeel van de voorschriften die aan het lozen worden gesteld door het bevoegd gezag ook een meetverplichting aan het bedrijf worden opgelegd.

Voor de substraatteelt in de glastuinbouw is dat gedaan voor meststoffen, omdat metingen door de tuinder noodzakelijk zijn om aan de emissienormen te kunnen toetsen.

Voor grondgebonden glastuinbouw kunnen vooralsnog geen emissienormen worden gesteld. Om de naar verhouding vaak hoge emissies te beperken, is een zorgplicht opgenomen om bemesting en watergift te beperken. Tot de zorgplicht behoort ook inzicht in de hoeveelheid meststoffen in de bodem en in het drainagewater. In navolging van het Besluit glastuinbouw zijn omtrent beide aspecten meetverplichtingen voor bedrijven opgenomen. Door de metingen krijgt de ondernemer (en via de rapportage ook het bevoegd gezag) inzicht in de invloed die de maatregelen op de emissie hebben.

Voor gewasbeschermingsmiddelen acht ik het daarentegen in algemene zin niet doelmatig om alle agrarische bedrijven een meetverplichting op te leggen. Dit zou leiden tot hoge kosten voor de sector, terwijl het de vraag is of de verzamelde gegevens wel in alle gevallen bruikbaar zijn.

Het volgen van de kwaliteit van het oppervlaktewater is een verantwoordelijkheid van de waterbeheerders en ook van het drinkwaterbedrijf, voor zover oppervlaktewater wordt ingezet voor productie van drinkwater. Voor een deel is deze verantwoordelijkheid vastgelegd in wetgeving (Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009 en Drinkwaterregeling). Daarnaast kunnen zowel de waterbeheerders als drinkwaterbedrijven zelf kiezen voor aanvullende monitoring. De gegevens over de waterkwaliteit spelen vervolgens een rol in het waterbeleid. Bij gewasbeschermingsmiddelen kunnen zij ook een rol spelen bij de beoordeling door het Ctgb van de toelaatbaarheid van middelen, zoals ook is aangegeven in schriftelijke antwoorden op de vragen van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 22 april 2011 naar aanleiding van het op 29 maart jl. aan uw Kamer overgelegde Ontwerpbesluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Kamerstukken II 2010/11, 32 372, nr. 49).

Gelet op het bovenstaande is er niet voor gekozen om in het ontwerpbesluit een algemene verplichting op te nemen voor bedrijven om gewasbeschermingsmiddelen in het afvalwater of oppervlaktewater te meten.

Artikel 2.1, vierde lid, biedt wel de mogelijkheid om in specifieke gevallen aan individuele bedrijven bij maatwerkvoorschrift een meetverplichting op te leggen.

Afscherming van assimilatielicht

De heer Koopmans vroeg om meer of betere maatwerkmogelijkheden voor de eisen met betrekking tot de afscherming van assimilatielicht.

Uit gesprekken met gemeenten en het bedrijfsleven was mij al duidelijk geworden dat er meer flexibiliteit nodig is voor de eisen die gelden voor de nanacht. Daartoe was in het ontwerpbesluit de zogenoemde product-eis, die nu nog geldt op grond van het Besluit glastuinbouw, reeds geschrapt. Daardoor krijgt de tuinder de mogelijkheid zelf te bepalen op welke wijze hij de noodzakelijke reductie van de lichtuitstraling realiseert. Ik ben bereid om daarenboven een maatwerkmogelijkheid in het Besluit op te nemen, zodat het bevoegd gezag ook een afwijkend percentage voor de afscherming in de nanacht kan vaststellen.

Daarnaast vroeg de heer Koopmans ook aandacht voor het maatwerk voor de (strengere) eisen die gelden tijdens de zogenoemde donkerteperiode, in het bijzonder de eis dat in de nabije toekomst 98% afscherming moet worden gerealiseerd. In dat verband ben ik bereid om tuinders die nu reeds een 98% scherm aanschaffen tot 1 januari 2017 de tijd te geven om nog met dit scherm ervaring op te doen. Tot die tijd behoeven zij dan alleen te voldoen aan een afschermpercentage van 95%. Hiermee wordt aangesloten bij de overgangstermijn voor bestaande 95% schermen: bestaande 95% schermen mogen tot 1 januari 2017 gebruikt worden en 98% schermen mogen tot diezelfde datum op 95%-niveau worden toegepast. Ook hier staat de technische uitvoering van de afscherming vrij. Omdat in het Besluit de wijze van afschermen niet meer is voorgeschreven, is een maatwerkvoorschrift (waarin een alternatieve wijze zou kunnen worden toegestaan) ook niet meer nodig. Die bepaling zal ik schrappen uit het ontwerpbesluit.

Antihagelkanonnen

Een aantal van uw leden heeft gevraagd om een eenduidige regeling om het gebruik van antihagelkanonnen mogelijk te maken.

Ik deel in algemene zin de opvatting dat het gebruik van antihagelkanonnen mogelijk moet zijn. De ruimte voor het gebruik is echter sterk afhankelijk van de lokale omstandigheden, zoals de locatie waarop het antihagelkanon is gesitueerd en de locatie van de omliggende woningen. Het ligt dan ook voor de hand om de belangenafweging op lokaal niveau te laten plaatsvinden.

Ook vanwege het bijzondere geluidskarakter van de antihagelkanonnen en het beperkt aantal antihagelkanonnen past het niet goed om een algemene norm te stellen. Ik ben dan ook geen voorstander van een landelijke regeling in het Activiteitenbesluit.

De huidige regelgeving biedt in principe voldoende aanknopingspunten om het gebruik van antihagelkanonnen te reguleren. In de praktijk blijken echter interpretatieverschillen te ontstaan rondom de vraag of een antihagelkanon als milieurelevante inrichting in de zin van de Wet milieubeheer moet worden beschouwd. Deze onduidelijkheid wil ik graag wegnemen. Ik zal daartoe de antihagelkanonnen aanwijzen als milieurelevante inrichting.

Om recht te doen aan de voordelen van een optimale belangenafweging op lokaal niveau zal ik de antihagelkanonnen tevens aanwijzen als vergunningplichtige inrichtingen. Het bevoegd gezag kan bij de vergunningverlening het beoordelingskader van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening toepassen. Dit betekent overigens niet dat de fruitteeltbedrijven geheel vergunningplichtig worden. De fruitteeltbedrijven vallen gewoon onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit.

Uitzondering voor glastuinbouwbedrijven van verplichting energiebesparende maatregelen

De heer Koopmans heeft gevraagd om glastuinbouwbedrijven uit te zonderen van de verplichting energiebesparende maatregelen te treffen (artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit).

Met de wet van 27 januari 2011 tot wijziging van de Wet milieubeheer1 wordt een nieuw systeem geïntroduceerd om de emissie van CO2 door glastuinbouwbedrijven te beheersen: het kostenvereveningssysteem. Dit systeem geeft naar mijn mening voldoende financiële prikkels aan de glastuinbouwbedrijven om de uitstoot van CO2 te beperken. In een energie-intensieve sector als de glastuinbouw zal beperking van deze uitstoot vooral worden gerealiseerd door het treffen van energiebesparende maatregelen. Ik deel de mening van de heer Koopmans dat het niet nodig is om, aanvullend op het kostenvereveningssysteem, in het Activiteitenbesluit nog een verplichting op te nemen voor de glastuinbouwbedrijven die deelnemen aan systeem. Ik zal de gevraagde uitzondering op artikel 2.15 voor glastuinbouwbedrijven dan ook opnemen.

Uitzondering voor glastuinbouwbedrijven van verplichting ten aanzien van vervoer eigen werknemers

De heer Koopmans heeft gevraagd om glastuinbouwbedrijven uit te zonderen van de verplichting maatregelen te treffen ten aanzien van het vervoer van eigen werknemers van en naar de eigen inrichting (artikel 2.16 van het Activiteitenbesluit), omdat deze bedrijven over het algemeen slecht bereikbaar zijn met het openbaar vervoer.

De voorgestelde regeling in artikel 2.16 van het Activiteitenbesluit beoogt de nadelige gevolgen van vervoersbewegingen rondom de inrichting te verminderen door het treffen van maatregelen. De regeling biedt ondernemers de ruimte om te kiezen voor maatregelen die het best aansluiten bij het karakter en de locatie van het bedrijf. Het is dus niet per se nodig om openbaar vervoer te stimuleren, er kan ook worden gekozen voor een carpoolregeling of een fietsregeling. De regeling biedt naar mijn mening dus ook voor glastuinbouwbedrijven voldoende flexibiliteit om een passende oplossing te kiezen.

Overigens wil ik er op wijzen dat artikel 2.16 van het Activiteitenbesluit nog niet in werking is getreden, dat zal naar verwachting met ingang van 1 januari 2014 gebeuren. Op dit moment is het Platform Slim Werken Slim Reizen (50 grote werkgevers in Nederland) in het kader van het programma Beter Benutten bezig met het verspreiden van de successen binnen mobiliteitsmanagement. De doelstelling van deze 50 werkgevers is 5% reductie van autokilometers in de spits. Het resultaat van de inspanningen van het platform zal in 2013 worden geëvalueerd. Mocht de regeling naar aanleiding van de uitkomsten van de evaluatie toch worden ingevoerd en aanpassing behoeven, dan wordt deze aanpassing vanzelfsprekend ook met de branches besproken. Ik zal daarbij ook de glastuinbouwbedrijven uitnodigen.

Administratieve lasten en kosten onderliggende regelgeving

De heer Koopmans heeft gevraagd naar de administratieve lasten en overige kosten van de onderhavige aanpassing van het Activiteitenbesluit. Deze vraag is niet op zeer korte termijn te beantwoorden. Ik zal echter de onderliggende regelgeving bij de huidige wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (agrarische activiteiten) doorlichten op het aspect administratieve lasten en overige kosten en de Kamer daarover berichten.

Samenhang inwerkingtreden gewijzigd Activiteitenbesluit en Actieplan Ammoniak

De heer Koopmans heeft gevraagd te regelen dat bedrijven die onder de IPPC-grens blijven vooruitlopend op de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit al onder het meldingsregime gaan vallen.

Varkens- en pluimveehouders die vanwege het Actieplan Ammoniak Veehouderij milieu maatregelen moeten treffen en die straks onder de werking van het gewijzigde Activiteitenbesluit gaan vallen worden in de gelegenheid gesteld op de inwerkingtreding daarvan te wachten. Daardoor kunnen zij alsnog voor hun maatregelen met een melding volstaan. Dit betekent dat de realisatietermijn van het Actieplan voor hen tot ten minste 1 juli 2013 wordt verlengd.

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

J. J. Atsma


X Noot
1

Wet van 27 januari 2011 tot wijziging van de Wet milieubeheer (kostenverevening reductie CO2-emissies glastuinbouw), kamerstukken II 2009/10, 32 451, nr. 2.