Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2020, 528AMvB

Besluit van 9 december 2020 tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (twintigste tranche))

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 juli 2020, nr. 2020-0000378986, gedaan mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat;

Gelet op de artikel 2.4 van de Crisis- en herstelwet en artikel 7.2a, tweede lid, van de Wet milieubeheer;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 oktober 2020, nr. W04.20.0243/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 december 2020, nr. 2020-0000681272, uitgebracht mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 6 wordt, onder vernummering van het tweede tot het derde lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. In aanvulling op artikel 6.19 van het Besluit omgevingsrecht wordt als categorie van gevallen als bedoeld in artikel 3.9, derde lid, tweede volzin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid.

B

Artikel 6g wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Dit artikel is tot 1 januari 2022 van toepassing op de gemeenten Almere, Delft, Eindhoven, Haarlem, Haarlemmermeer, Hoogeveen, Hulst, Schijndel en Zoetermeer.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. In de gemeente Haarlemmermeer geldt het verbod, gesteld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, niet voor aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a tot en met j.

  • 5. Het vierde lid is niet van toepassing op het bouwen van een bouwwerk in, aan, op of bij:

    • a. een rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

    • b. een monument of archeologisch monument waarop artikel 9.1, eerste lid, onder b, van de Erfgoedwet van toepassing is;

    • c. een krachtens een provinciale of gemeentelijke verordening aangewezen monument dan wel een monument waarop, voordat het is aangewezen, een zodanige verordening van overeenkomstige toepassing is; of

    • d. beschermde stads- en dorpsgezichten als bedoeld in artikel 35 van de Monumentenwet 1988.

C

Na artikel 6q wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6r

  • 1. Dit artikel is tot 1 januari 2022 van toepassing op de volgende gemeenten:

    • a. Haarlemmermeer;

    • b. Waalwijk.

  • 2. Artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is niet van toepassing, indien een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van die wet betrekking heeft op door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen bouwwerken en locaties.

  • 3. Op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid is artikel 2.7, eerste lid, eerste volzin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet van toepassing.

D

Artikel 7j wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Dit artikel is van toepassing op door de raad bij bestemmingsplan aan te wijzen locaties binnen de gemeenten:

    • a. Heerhugowaard;

    • b. Hoorn;

    • c. Koggenland;

    • d. Leeuwarden;

    • e. Ooststellingwerf;

    • f. Weststellingwerf;

    • g. Peel en Maas.

2. In het tweede, vierde en vijfde lid wordt «vijftien jaar» vervangen door «dertig jaar».

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Van de in dit artikel bedoelde bevoegdheid tot het bij bestemmingsplan aanwijzen van locaties kan tot 1 januari 2024 gebruik worden gemaakt mits het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

E

Artikel 7v wordt als volgt gewijzigd:

1. Het achtste lid vervalt, onder vernummering van het negende tot en met drieëntwintigste lid tot achtste tot en met tweeëntwintigste lid.

2. Het zesde lid komt te luiden:

  • 6. Het is verboden om te beginnen met een activiteit als bedoeld in het negentiende lid als de verschuldigde geldsom, bedoeld in het negende lid, niet is betaald en

    • a. de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, nog niet onherroepelijk is; of

    • b. het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, nog niet onherroepelijk is.

3. In het tweede lid wordt «twintigste lid» vervangen door «negentiende lid».

4. In het tweede, vierde en vijfde lid, onder b en c, wordt «eenentwintigste lid» vervangen door «twintigste lid».

5. In het vierde lid wordt «elfde lid» vervangen door «tiende lid».

6. In het zevende lid wordt «tiende lid» vervangen door «negende lid».

7. In het negende lid (nieuw), tiende lid (nieuw) en vijftiende lid (nieuw) wordt na «het bestemmingsplan» ingevoegd «, bedoeld in het eerste lid,».

8. In het elfde lid (nieuw), dertiende lid (nieuw) en tweeëntwintigste lid (nieuw) wordt na «het bestemmingsplan» ingevoegd «, bedoeld in het eerste lid, of de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,».

9. In het zestiende lid (nieuw) wordt na «een bestemmingsplan» ingevoegd «als bedoeld in het eerste lid».

10. In het achttiende lid (nieuw) wordt «tiende lid» vervangen door «negende lid».

11. In het eenentwintigste lid (nieuw) wordt «eenentwintigste lid» vervangen door «twintigste lid».

12. In het tweeëntwintigste lid (nieuw) wordt na «de bestemmingsplannen» ingevoegd «, bedoeld in het eerste lid, of de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,».

F

Aan artikel 8, eerste lid, wordt, onder vervanging van «, en» aan het slot van onderdeel f door een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door «; en», een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • h. opwekking van duurzame energie als bedoeld in bijlage I, onder 1, bij de wet, onverminderd de bevoegdheden van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat op grond van de artikelen 9b, eerste lid, aanhef en onder a en b, en 9e, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998.

ARTIKEL II

Het Besluit milieueffectrapportage wordt als volgt gewijzigd:

Na artikel 2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3

  • 1. Als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 7.2a, tweede lid, van de wet, worden aangewezen de vaststelling of wijziging van een plan waarvoor bij de voorbereiding een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming en:

    • a. dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden indien:

      • 1°. voor dat plan een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is;

      • 2°. de omvang van het gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente klein is; en

      • 3°. het bevoegd gezag heeft beoordeeld dat de vaststelling of wijziging van dat plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft; of

    • b. waarbij sprake is van kleine wijzigingen van een plan en het bevoegd gezag heeft beoordeeld dat die wijzigingen geen aanzienlijke milieueffecten hebben.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een plan dat betrekking heeft op een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de wet.

  • 3. Het bevoegd gezag houdt bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°, en onder b, rekening met de criteria van bijlage II bij Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PbEG 2001, L 197) en raadpleegt daarvoor:

    • a. de bestuursorganen en instanties die op grond van een wettelijk voorschrift adviseren over de besluiten, aangewezen op grond van artikel 7.2, derde of vierde lid, van de wet waarop het plan betrekking heeft; en

    • b. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of in plaats van de betrokken minister een door hem aangewezen bestuursorgaan.

  • 4. Het bevoegd gezag betrekt bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onder b, de context van het plan dat wordt gewijzigd en de mate van waarschijnlijkheid dat de wijzigingen aanzienlijke milieueffecten zullen hebben.

  • 5. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°, en onder b, met de bijbehorende motivering op in het plan.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

ARTIKEL IV

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (twintigste tranche).

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 9 december 2020

Willem-Alexander

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

Uitgegeven de zeventiende december 2020

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

Dit besluit bevat de zogenoemde twintigste tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: Bu Chw) en een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage.

Met artikel I wordt het Bu Chw gewijzigd en aangevuld.

In onderdeel A wordt aan het bestaande experiment in artikel 6 een lid toegevoegd waarmee de positieve fictieve beschikking (lex silencio positivo) buiten toepassing wordt verklaard bij het beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. Met deze toevoeging wordt het mogelijk om meer projecten onder de werking van artikel 6 te brengen ook als van tevoren nog niet is vastgesteld of er voor het betrokken project een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

In onderdeel B wordt de looptijd van het bestaande experiment in artikel 6g aangepast aan de nieuwe beoogde inwerkingtredingsdatum van de Omgevingswet. Daarnaast worden aan artikel 6g twee leden toegevoegd die het mogelijk maken om de bouwwerken opgenomen in dit artikel te bouwen zonder omgevingsvergunning.

In onderdeel C wordt een innovatief experiment als bedoeld in artikel 2.4 van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) aan het Bu Chw toegevoegd. Het gaat om een experiment waarmee gemeenten, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, ervaring kunnen opdoen met de mogelijkheid om voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aantal bouwwerken niet meer te toetsen aan planologische regels.

In onderdeel D wordt de looptijd van het experiment aangepast. Hierbij is aangesloten bij de looptijd van onder andere het experiment met het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte in artikel 7c, zoals gewijzigd met de achttiende tranche van het Bu Chw (Stb. 2019, 121). Verder wordt de periode verlengd van vijftien tot dertig jaar waarvoor locaties in het bestemmingsplan kunnen worden aangewezen ten behoeve van de realisatie van tijdelijke vergunningvrije zonnevelden.

In onderdeel E worden enkele technische wijzigingen aangebracht in het bestaande experiment kostenverhaal (artikel 7v).

In onderdeel F wordt opwekking van duurzame energie als bedoeld in bijlage 1, onder 1, bij de Chw aangewezen als categorie andere projecten van maatschappelijke betekenis als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, onder b, van de Chw. Hierdoor kan nu ook ten behoeve van de opwekking van duurzame energie gebruik worden gemaakt van het projectuitvoeringsbesluit.

De wijziging van de Chw in verband met het versnellen van woningbouw en het faciliteren van duurzame ontwikkeling, zoals het verduurzamen van het energiegebruik is in werking getreden op 19 juni 2019 (Stb. 2019, 216). Doel van de wetswijziging is onder andere het versnellen van de woningbouwproductie en het bespoedigen van de transitie naar een duurzame energievoorziening. Deze tranche van het Bu Chw is de tweede tranche die gebaseerd is op de aangepaste Chw. In deze tranche zijn alleen nieuwe experimenten opgenomen. Toevoeging van gebieden en projecten aan bestaande experimenten vindt plaats bij ministeriële regeling (zie onder andere Stcrt. 2019, 36712, en Stcrt. 2019, 56226). In de nota van toelichting bij de negentiende tranche van het Bu Chw (Stb. 2019, 75) is uitgebreid stilgestaan bij het onderscheid tussen het toevoegen van een nieuw experiment aan het Bu Chw en het toevoegen van gebieden en projecten aan een bestaand experiment bij ministeriële regeling.

Met artikel II wordt het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd.

De mer-plicht voor plannen (hierna: plan-mer-plicht), zoals een structuurvisie of een bestemmingsplan, geldt voor plannen die kaderstellend zijn voor bepaalde activiteiten en voor plannen waarvoor een passende beoordeling op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming wordt gemaakt.

Met dit artikel wordt het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd, waarbij invulling wordt gegeven aan artikel 7.2a, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Met dat artikel is beoogd een mogelijkheid te scheppen dat in bepaalde gevallen de verplichting tot het verrichten van een passende beoordeling niet automatisch betekent dat ook een milieueffectrapport voor een plan moet worden gemaakt.

De plan-mer-plicht voor kaderstellende plannen, zoals geregeld in artikel 7.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, inclusief de al bestaande mogelijkheid om voor plannen die uitsluitend kaderstellend zijn voor activiteiten die beneden de drempel blijven van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage een plan-mer-beoordeling te maken, blijft ongewijzigd.

Deze wijziging van het Besluit milieueffectrapportage creëert onder bepaalde voorwaarden de aanvullende mogelijkheid van een plan-mer-beoordeling. Deze mogelijkheid is voor de volgende drie situaties relevant. In deze drie situaties veroorzaakt (uiteindelijk) alleen de verplichting van een passende beoordeling tot een directe plan-mer-plicht. Deze plan-mer-plicht hangt namelijk niet af van de uitkomst van de passende beoordeling, maar alleen van het feit dát een passende beoordeling moet worden gemaakt. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt voor een plan waarvan uit een voorafgaande mer-beoordeling en passende beoordeling al is gebleken dat aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten.

De eerste situatie betreft plannen die alleen kaderstellend zijn voor activiteiten die alle beneden de indicatieve drempelwaarden van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage vallen. Dan moet per activiteit aan de hand van de selectiecriteria van de mer-richtlijn worden beoordeeld of voor die activiteit in het plan een milieueffectrapport noodzakelijk is. Zo nee, dan geldt er voor het plan ook geen verplichting voor een plan-mer.1 Er ontstaat dan wel een plan-mer-plicht als er een passende beoordeling voor het plan moet worden gemaakt, ook als uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat er geen aantasting is van de wezenlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied of de Natura 2000-gebieden waarvoor de passende beoordeling is gemaakt.

De tweede situatie betreft plannen voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten die in kolom vier in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn aangewezen. Deze plannen zijn geen kaderstellende plannen, maar geven (direct) toestemming voor de activiteit. Ook dan moet per activiteit aan de hand van de selectiecriteria van de mer-richtlijn worden beoordeeld of voor die activiteit in het plan een milieueffectrapport noodzakelijk is. Zo nee, dan geldt er voor het plan geen verplichting voor een project-mer. Er ontstaat echter wel een plan-mer-plicht als er een passende beoordeling voor het plan moet worden gemaakt, ook als uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat er geen aantasting is van de wezenlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied of de Natura 2000-gebieden waarvoor de passende beoordeling is gemaakt.

De derde situatie betreft plannen die kaderstellend zijn voor andere activiteiten dan die genoemd in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage en waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt. Ook dan ontstaat een plan-mer-plicht omdat er een passende beoordeling voor het plan moet worden gemaakt, ook als uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat er geen aantasting is van de wezenlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied of de Natura 2000-gebieden waarvoor de passende beoordeling is gemaakt.

Deze situaties zijn niet nieuw en hebben in 2010 geleid tot een bepaling in de Wet milieubeheer die de mogelijkheid biedt om bij algemene maatregel van bestuur categorieën van gevallen aan te wijzen waarin sprake is van kleine gebieden en kleine wijzigingen die geen aanzienlijke milieueffecten hebben, die kunnen worden uitgezonderd van de plan-mer-plicht als die plan-mer-plicht alleen volgt uit de passende beoordeling (artikel 7.2a, tweede lid, van de Wet milieubeheer). De smb-richtlijn2 biedt namelijk in artikel 3, derde lid, de mogelijkheid tot het uitvoeren van een voorafgaande plan-mer-beoordeling om zo te bepalen of er aanzienlijke milieueffecten kunnen zijn. De bepaling uit de Wet milieubeheer is echter nooit uitgewerkt. Onder de Omgevingswet is voorzien in een vergelijkbare delegatiegrondslag (artikel 16.36, derde lid, van de Omgevingswet) die wel wordt uitgewerkt (zie artikel 11.1 van het Omgevingsbesluit).

Vanuit de praktijk is gevraagd of voor deze specifieke situaties, wanneer een plan-mer noch vanuit milieuoverwegingen, noch vanuit verplichtingen uit Europa noodzakelijk is, de plan-mer-plicht kan worden weggenomen. Dit leidt in die gevallen immers tot een overbodige procedurele verplichting die belastend is in termen van kosten en capaciteit. Het wegnemen ervan zal volgens de praktijk tevens kunnen bijdragen aan verwezenlijking van kleinere projecten, zoals kleinschalige woningbouw. Daarom is het belangrijk om vooruitlopend op inwerkingtreding van de Omgevingswet deze mogelijkheid nu al te bieden.

Daarom wordt het Besluit milieueffectrapportage aangepast. De nieuwe regeling in het Besluit milieueffectrapportage maakt het mogelijk om in bepaalde gevallen eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren om te bepalen of er aanzienlijke milieueffecten kunnen zijn. Voor plannen die het gebruik bepalen van kleine gebieden op lokaal niveau en voor kleine wijzigingen van plannen is een plan-mer dan alleen verplicht als er sprake kan zijn van aanzienlijke milieueffecten, dit laatste ter beoordeling van het bevoegd gezag.

Als uit die plan-mer-beoordeling blijkt dat er geen aanzienlijke nadelige effecten kunnen zijn, kan een plan-mer achterwege blijven. Deze regeling geldt alleen voor:

  • plannen voor kleine gebieden op lokaal niveau; het betreft de vaststelling of wijziging van plannen van een gemeente, waarbij het plan betrekking heeft op een klein deel van het grondgebied van de gemeente;

  • kleine wijzigingen van een plan; daarbij is van belang dat dit moet worden bezien in de context van het plan en ook moet de mate van waarschijnlijkheid dat de wijziging aanzienlijke effecten zal hebben worden betrokken;

  • geen van de activiteiten waarvoor het plan de kaders stelt, is direct mer-plichtig.

Bij het uitvoeren van een plan-mer-beoordeling voor deze plannen kan voor de informatie over natuur gebruik worden gemaakt van, of worden verwezen naar, de informatie uit de passende beoordeling. De plan-mer-plicht vervalt alleen als uit de plan-mer-beoordeling volgt dat er geen aanzienlijke milieueffecten kunnen zijn. Als uit de passende beoordeling geen zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten, is waarschijnlijk ook niet uit te sluiten dat er geen aanzienlijke milieueffecten optreden. Andersom kan niet worden gesteld dat als uit de passende beoordeling wel de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten, ook is uitgesloten dat er voor het overige geen aanzienlijke milieueffecten zijn. Een plan-mer-beoordeling kijkt immers breed naar de effecten van een plan op de omgeving en richt zich bovendien niet alleen op de effecten op Natura 2000-gebieden maar ook op de andere natuur zoals het Natuur Netwerk Nederland.

Conform artikel 7 van het Bu Chw geeft Onze Minister in de jaarlijkse voortgangsrapportage over de uitvoering van de wet aan in hoeverre afwijkingen bij wege van experiment van de in het eerste lid van artikel 2.4 van de wet genoemde wetten aan haar doel beantwoorden en of de overeenkomstig artikel 2.4, derde lid, van de wet vastgestelde ten hoogste toegestane tijdsduur van die afwijkingen aanpassing behoeft.

In de artikelen III en IV worden de inwerkingtreding respectievelijk de citeertitel geregeld.

Op grond van artikel 5.2a van de Chw is het ontwerpbesluit op 27 november 2019 in de Staatscourant gepubliceerd (Stcrt. 2019, 64808). Naar aanleiding van de voorpublicatie van het ontwerpbesluit zijn drie zienswijzen tijdig ingediend. Het gaat om zienswijzen afkomstig van de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: Commissie m.e.r.), de Gasunie en Netbeheer Nederland. Betreffende het experiment met de knip tussen de bouwtechnische vergunning en de ruimtelijke vergunning (artikel 6r) verzoekt de Gasunie het artikel aan te passen. Met betrekking tot het experiment in artikel 7ac (een opknipverbod van zonneweides en cable pooling) is één zienswijze ingediend. In deze zienswijze verzoekt Netbeheer Nederland om het experiment en de toelichting op het experiment op onderdelen aan te passen. Met betrekking tot de wijziging van het Besluit milieueffectrapportage hebben de Commissie m.e.r. en de Gasunie een zienswijze ingediend. De Commissie m.e.r. verzoekt in haar zienswijze af te zien van deze wijziging, dan wel het artikel en de toelichting op onderdelen aan te passen. De Gasunie verzoekt in haar zienswijze om een verheldering van de toelichting.

Ten aanzien van het experiment in artikel 6r heeft de Gasunie bezwaar tegen de algemene formulering van het tweede lid van dit artikel, omdat dit bouwen zou mogelijk maken in alle situaties, ook wanneer dit ongewenst zou zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. De Gasunie verzoekt in haar zienswijze om het artikel zodanig aan te passen dat door het college van burgemeester en wethouders in zijn algemeenheid geen locaties kunnen worden aangewezen als bedoeld in artikel 5, derde lid, onder b en c, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. In reactie hierop wordt benadrukt dat in dit experiment enkel de toets aan het bestemmingsplan bij een omgevingsvergunning voor bouwen komt te vervallen. Het experiment maakt het niet mogelijk om in alle situaties te bouwen. Immers met dit experiment is het niet toegestaan te bouwen in strijd met het bestemmingsplan. Dit betekent dat de bouwactiviteit (het bouwwerk op de locatie waar dit wordt gerealiseerd) moet voldoen aan het bestemmingsplan en dat degene die de bouwactiviteit uitvoert verantwoordelijk is voor deze toets. Indien het bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan, dient er een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij het aanwijzen van locaties en bouwwerken rekening te houden met alle van belang zijnde omstandigheden, waaronder ook de belangen van de Gasunie en daarmee ook de locaties, bedoeld in artikel 5, derde lid, onder b en c, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Tot slot wordt opgemerkt dat met dit experiment vooruit wordt gelopen op de systematiek onder de Omgevingswet waarbij er een knip is gemaakt tussen de technische beoordeling van de bouwactiviteit en de (ruimtelijke) toets van de bouwactiviteit aan het omgevingsplan. Het wordt daarbij voor gemeenten mogelijk om toe te staan dat meer bouwwerken zonder vergunning kunnen worden gebouwd, mits deze voldoen aan de regels uit het omgevingsplan.

Naar aanleiding van de zienswijze van de Gasunie is de toelichting op artikel 6r op enkele plaatsen aangepast en verduidelijkt.

Netbeheer Nederland verzoekt in zijn zienswijze om artikel 7ac en de toelichting daarop op verschillende punten aan te passen. Aan dit verzoek is geen invulling gegeven, omdat datgene wat werd beoogd te regelen inmiddels is opgenomen in de Elektriciteitswet 1998.3 De wijziging van de Elektriciteitswet 1998, waarvan de betrokken amendementen onderdeel uitmaken, is op 9 juli 2020 bekendgemaakt.4 Omdat het betrokken experiment hierdoor materieel overbodig is geworden, is het experiment uit deze tranche van het Bu Chw gehaald.

De Commissie m.e.r. stelt in haar zienswijze voor om af te zien van het nieuwe artikel in het Besluit milieueffectrapportage omdat het leidt tot onoverzichtelijke regelgeving. Mocht het wel worden opgenomen dan geeft zij suggesties voor aanpassing. Met betrekking tot dit punt wordt opgemerkt dat de introductie van deze specifieke plan-mer-beoordeling, voor situaties waarbij alleen de passende beoordeling tot een plan-mer-plicht zou leiden, voorziet in een gevoelde behoefte uit de praktijk. Bovendien is het artikel over de plan-mer-beoordeling aanvullend op de andere regelgeving en gelijk aan de bepaling in de Omgevingswet. De praktijk kan hiermee vooruitlopen op de Omgevingswet. Daarnaast is de verwachting dat de praktijk goed uit de voeten kan met deze regelgeving. De Commissie m.e.r. stelt verder terecht dat het onder de huidige regelgeving al mogelijk is om de plan-mer en de passende beoordeling te integreren en concludeert daaruit dat deze nieuwe regeling ook niet nodig zou zijn. Een plan-mer en passende beoordeling zijn echter niet hetzelfde, zoals de Commissie m.e.r. ook terecht stelt. Daarmee is het geheel niet hoeven doen van de plan-mer in bepaalde gevallen een betere oplossing. Naar aanleiding van de suggesties van de Commissie m.e.r. is de toelichting op enkele plaatsen verduidelijkt, zodat met name het aanvullende karakter van deze regeling beter wordt uitgelegd.

De Gasunie merkt op dat in de toelichting de indruk wordt gewekt dat ook een mer-plicht kan ontstaan als een passende beoordeling moet worden gemaakt voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en verzoekt om verduidelijking. Benadrukt wordt dat dit besluit geen verandering aanbrengt in de categorieën plannen bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt. In de artikelsgewijze toelichting is aangevuld dat dit besluit alleen betrekking heeft op plannen als bedoeld in de Wet natuurbescherming, waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt. Het gaat dus niet om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Op grond van artikel 5.2a van de Chw is het ontwerpbesluit door de Minister voor Milieu en Wonen bij brieven van 27 november 2019 (2019-0000610702 respectievelijk 2019-0000610704) voorgelegd aan beide Kamers der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2019/20, 32 127, nr. 236). De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer heeft op 20 januari 2020 een aantal schriftelijke vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister voor Milieu en Wonen. Deze vragen zijn beantwoord met de Kamerbrief 32 127, nr. 238. De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft deze antwoorden voor kennisgeving aangenomen.

II. Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

Met dit onderdeel wordt een lid aan artikel 6 van het Bu Chw toegevoegd waarmee wordt bewerkstelligd dat de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet van toepassing is bij het beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid. Dit betekent dat de vergunning niet van rechtswege is verleend als niet tijdig is beslist op de aanvraag.

Met deze toevoeging wordt het mogelijk om meer projecten onder de werking van artikel 6 te brengen, via aanwijzing bij ministeriële regeling, ook als van tevoren nog niet is vastgesteld of er voor het betrokken project een milieueffectrapport moet worden gemaakt. De verlening van een vergunning van rechtswege zonder dat de mer-beoordeling heeft plaatsgevonden, zou immers in strijd zijn met de mer-richtlijn. Als na het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning uit de vereiste mer-beoordeling blijkt dat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt, kan de beslissing op de aanvraag met de reguliere procedure worden voorbereid. Als uit de beoordeling volgt dat er wel een plicht is om een milieueffectrapport te maken en dit rapport niet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning is overgelegd, bepaalt artikel 7.28 van de Wet milieubeheer dat de aanvraag buiten behandeling wordt gelaten. Is het milieueffectrapport wel bij de aanvraag overgelegd, dan geldt op grond van artikel 7.32, tweede lid, van de Wet milieubeheer dat de artikelen 3:11, 3:12, 3:15 en 3:16 van de Awb moeten worden toegepast. Daaruit volgt onder meer dat het ontwerpbesluit en het milieueffectrapport zes weken ter inzage worden gelegd en dat de mogelijkheid bestaat hierover zienswijzen naar voren te brengen.

Overigens blijft op grond van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de uitgebreide voorbereidingsprocedure onverminderd van toepassing als een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is vereist. Van dat artikelonderdeel wordt immers met dit experiment niet afgeweken. Het experiment kan dus uitsluitend worden toegepast voor projecten die vallen onder de door de gemeenteraad op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht aangewezen categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist.

Onderdeel B

De gemeente Haarlemmermeer beoordeelt op basis van het huidige artikel 6g Bu Chw al voor bepaalde bouwwerken niet meer vooraf of het bouwwerk voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 (vereenvoudigde bouwtoets). Met dit experiment is artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet van toepassing. Door de bouwtoets van een vergunningaanvraag te vereenvoudigen zorgt dit experiment voor een vermindering van de regeldruk en lastenverlichting. Voor een nadere toelichting op artikel 6g wordt kortheidshalve verwezen naar de nota van toelichting bij de vijfde tranche van het Bu Chw (Stb. 2013, 77).

Ondanks dat het bouwwerk niet meer getoetst wordt aan het Bouwbesluit 2012 en alle bouwwerken genoemd in artikel 6g, moeten initiatiefnemers nog steeds een aanvraag om omgevingsvergunning voor bouwen doen. De gemeente moet de aanvraag in die gevallen nog toetsten aan de overige onderdelen van artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit betreft onder meer de planologische toets en de welstandtoets. De gemeente Haarlemmermeer heeft verzocht om via een experiment ook van deze onderdelen te mogen afwijken, onder meer omdat de gemeente geen welstandsbeleid heeft vastgesteld en het vervallen van de planologische toets de administratieve lasten nog verder kan verminderen. Hierdoor is het niet nodig om nog langer om een omgevingsvergunning voor bouwen te vragen voor de bouwwerken genoemd in artikel 6g. Als een bouwwerk, genoemd in artikel 6g, niet binnen het bestemmingsplan past, is nog steeds een vergunning voor afwijking van het bestemmingsplan nodig.

Onderdeel C

In onderdeel C wordt een experiment toegevoegd waardoor de gemeenten Haarlemmermeer en Waalwijk vooruitlopend op de Omgevingswet kunnen werken met een splitsing tussen de bouwtechnische vergunning en de ruimtelijke vergunning. Een vergunning voor een bouwwerk wordt nu getoetst aan planologische regels en aan bouwtechnische regels (nu nog het Bouwbesluit 2012). Dat wordt met de Invoeringswet Omgevingswet gesplitst in een vergunning met het oog op de gemeentelijke regels in het omgevingsplan en een vergunning met het oog op de technische regels voor een bouwwerk in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Gemeente Waalwijk en Haarlemmermeer

De gemeenten Waalwijk en Haarlemmermeer willen ervaring opdoen met deze mogelijkheid uit de Omgevingswet door locaties aan te wijzen waarbinnen bepaalde bouwwerken niet meer worden getoetst aan planologische regels of welstandsregels. De verwachting is dat het hierdoor minder vaak nodig is om een vergunning aan te vragen voor bouwactiviteiten, dat administratieve lasten worden verminderd en dat woningbouwplannen kunnen worden versneld, ook het treffen duurzaamheidsmaatregelen zoals het plaatsen zonnepanelen kan beter worden gefaciliteerd hetgeen bijdraagt aan een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Door op innovatieve wijze – vooruitlopend op de Omgevingswet – gebieden en bouwwerken aan te wijzen waarvoor geen planologische toets geldt, wordt optimaal gebruikgemaakt van de mogelijkheden die de Omgevingswet straks zal bieden.

Daarnaast wordt voor de gemeente Haarlemmermeer artikel 6g van het Bu Chw aangevuld om bepaalde bouwwerken vergunningvrij te maken.

Momenteel is landelijk uniform door het Rijk in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht vastgelegd welke bouwactiviteiten vergunningvrij kunnen plaatsvinden met betrekking tot toetsing aan de planologische regels en/of het Bouwbesluit 2012. Daardoor kan het zijn dat er alleen om technische regels een omgevingsvergunning is vereist. Er wordt in het kader van die vergunning echter ook getoetst aan de planologische regels, ook als een preventieve beoordeling aan die regels niet nodig wordt geacht. Met de regeling in artikel 6r van het Bu Chw wordt het mogelijk om bouwwerken of locaties aan te wijzen waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet wordt getoetst aan de planologische regels als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet. Dit betekent dat de bouwactiviteit (het bouwwerk op de locatie waar dit wordt gerealiseerd) moet voldoen aan het bestemmingsplan en dat degene die de bouwactiviteit uitvoert verantwoordelijk is voor deze toets. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij het aanwijzen van locaties en bouwwerken rekening te houden met alle van belang zijnde omstandigheden. De bouwtechnische toets op basis van het Bouwbesluit 2012 blijft verder onverkort van toepassing.

Deze regeling sluit aan bij knip voor de bouwactiviteit in een technische en niet-technische vergunning, zoals deze is opgenomen in artikel 1.1, onderdeel BO, van de Invoeringswet Omgevingswet. Met de tijdsduur van het experiment is aangesloten bij de beoogde inwerkingtredingsdatum van de Omgevingswet.

De bepaling dat artikel 2.7, eerste lid, eerste volzin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet van toepassing is, betreft een zekerstelling. Hiermee wordt voorkomen dat de indruk zou kunnen ontstaan dat onder alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project ook een aanvraag voor de planologische activiteit wordt begrepen in die gevallen waarin de gemeenten Waalwijk en Haarlemmermeer bepalen dat geen toetsing aan de planologische regels hoeft plaats te vinden.

Onderdeel D

In de negende en twaalfde tranche van het Bu Chw (Stb. 2015, 109 respectievelijk Stb. 2016, 337) zijn in totaal zeven gemeenten aangewezen voor een duurzaam innovatief experiment waarmee tijdelijke vergunningvrije zonnevelden mogelijk zijn voor een periode van vijftien jaar. De periode van vijftien jaar blijkt in de praktijk te kort voor een gunstige exploitatie van de zonnevelden (Praktijkervaringen Crisis- en herstelwet, Voortgangsrapportage 2017–2018). Om tot een betere inzet van dit experiment te komen, wordt de periode waarvoor locaties in het bestemmingsplan kunnen worden aangewezen ten behoeve van de realisatie van tijdelijke vergunningvrije zonnevelden, verlengd tot dertig jaar. Het wordt daardoor mogelijk bij de aanleg van de zonnevelden uit te gaan van een exploitatietermijn van dertig jaar. Een dergelijke exploitatietermijn geeft meer financiële armslag en dus meer opbrengsten, die deels ten goede kunnen komen aan de gemeente of de gemeenschap. Bovendien hebben zonnepanelen een levensduur van dertig jaar. Met de verlenging naar dertig jaar kunnen de panelen optimaal worden benut.

Daarnaast wordt de looptijd van het experiment met het aanwijzen van locaties voor tijdelijke vergunningvrije zonnevelden verlengd tot 1 januari 2024, mits het ontwerp van deze plannen ter inzage is gelegd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierbij is aangesloten bij de looptijd van onder andere het experiment met het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte in artikel 7c, zoals gewijzigd met de achttiende tranche van het Bu Chw.

Onderdeel E

In de zestiende tranche van het Bu Chw is artikel 7v toegevoegd. Dit artikel maakt het mogelijk met een andere systematiek voor kostenverhaal te werken. In het zesde lid van artikel 7v is geregeld dat het verboden is met een activiteit als bedoeld in het twintigste lid te beginnen zolang de verschuldigde geldsom niet is betaald en het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning voor afwijking van bestemmingsplan nog niet onherroepelijk is. Na vragen uit de praktijk is gebleken dat er onduidelijkheid bestaat over de uitleg van dit artikel, omdat de omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan niet expliciet genoemd is. Deze onduidelijkheid is met de wijziging van het zesde lid weggenomen. Om onduidelijkheden over de uitleg van de overige artikelleden te voorkomen, zijn deze ook op dit punt verhelderd.

Onderdeel F

Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Chw in verband met het versnellen van woningbouw en het faciliteren van duurzame ontwikkeling in de Tweede Kamer is naar aanleiding van vragen van de fractie van de ChristenUnie toegezegd dat het toepassingsbereik van het projectuitvoeringsbesluit wordt uitgebreid met energieprojecten zoals genoemd in bijlage I bij de Chw onder categorie 1, duurzame energie.5 In dit onderdeel wordt hier invulling aan gegeven door opwekking van duurzame energie als bedoeld in bijlage 1, onder 1, bij de Chw toe te voegen aan artikel 8 van het Bu Chw.

Artikel II

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan de mogelijkheid die Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen (PbEG 2001, L 197) (hierna: de smb-richtlijn) in artikel 3, derde lid, geeft voor het uitvoeren van een plan-mer-beoordeling. De grondslag hiervoor was al opgenomen in de Wet milieubeheer die de mogelijkheid biedt om bij algemene maatregel van bestuur categorieën van gevallen aan te wijzen waarin sprake is van kleine gebieden en kleine wijzigingen die geen aanzienlijke milieueffecten hebben, die kunnen worden uitgezonderd van de mer-plicht als de mer-plicht alleen volgt uit de passende beoordeling (artikel 7.2a, tweede lid, van de Wet milieubeheer). Deze mogelijkheid van een plan-mer-beoordeling in plaats van een directe plan-mer-plicht geldt alleen voor plannen die mer-plichtig zijn, uitsluitend vanwege het feit dat daarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming.

Eerste lid, onder a

In het eerste lid is nader geduid in welke gevallen een plan-mer-beoordeling kan plaatsvinden voor plannen waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij dus alleen om plannen als bedoeld in de Wet natuurbescherming en niet om projecten. De gegeven criteria sluiten aan bij de ruimte die artikel 3, derde lid, van de smb-richtlijn biedt, de jurisprudentie van het Hof van Justitie en de toelichting die de Europese Commissie daarbij in haar handreiking heeft opgenomen.6 Het moet gaan om een plan op gemeentelijk niveau, en de omvang van het betrokken gebied vergeleken met die van het totale grondgebied van de betreffende gemeente moet klein zijn.

Eerste lid, onder b, en vierde lid

Het vierde lid geeft een nadere duiding voor de beoordeling of sprake is van een kleine wijziging van een plan waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. Hierbij zal in ieder geval moeten worden gekeken naar de context van het plan en in hoeverre de wijziging aanzienlijke milieueffecten tot gevolg heeft. Het is immers denkbaar dat een wijziging op het eerste gezicht klein lijkt, maar grote gevolgen voor het milieu kan hebben. Wanneer op voorhand al duidelijk is dat de effecten groot zijn en de uitkomst van de mer-beoordeling daarmee helder is, kan de mer-beoordeling achterwege worden gelaten en geldt er direct een verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapport voor dat plan.

Tweede lid

Een plan-mer-beoordeling is uitgesloten als het plan betrekking heeft op een (direct) mer-plichtige activiteit als bedoeld in de kolommen 1 en 2 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Met «betrekking hebben op» wordt niet bedoeld dat het plan kaderstellend is voor een mer-plichtige activiteit. Het gaat hier om een plan dat zelf de toestemming geeft voor een activiteit (de tweede situatie genoemd in het algemeen deel van de toelichting). In dat geval is er, naast de verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapport voor de activiteit, ook meteen sprake van de verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapport voor het plan.

Zoals in het algemeen deel van de toelichting is vermeld, blijft de plan-mer-plicht die voortvloeit uit artikel 7.2 van de Wet milieubeheer ongewijzigd. De bepaling in dit besluit is de uitwerking van artikel 7.2a en kan de mer-plicht van artikel 7.2 dus niet wegnemen.

Derde lid

Het derde lid bepaalt dat het bevoegd gezag moet beoordelen of er sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Bij de beoordeling of er sprake is van aanzienlijke milieueffecten moet rekening worden gehouden met de criteria van bijlage II bij de smb-richtlijn. De adviseurs en de bestuursorganen die op grond van een wettelijk voorschrift adviseren over de besluiten die benodigd zijn voor de activiteiten waarop het plan betrekking heeft, moeten worden geraadpleegd. Daarnaast worden ook de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of een door hen aangewezen bestuursorgaan geraadpleegd. Het is niet uitgesloten dat deze ministers hetzelfde bestuursorgaan aanwijzen. Dit vormt de implementatie van artikel 3, zesde lid, in samenhang met artikel 6, derde lid, van de smb-richtlijn.

Vijfde lid

In het vijfde lid is tot uitdrukking gebracht dat de uitkomst van de plan-mer-beoordeling in (de toelichting bij) het plan wordt opgenomen. Er is dus geen apart plan-mer-beoordelingsbesluit nodig.

Artikel III

In artikel III wordt de inwerkingtreding geregeld. Er wordt afgeweken van de systematiek van vaste verandermomenten en een invoeringstermijn van drie maanden omdat door onmiddellijke inwerkingtreding voor de doelgroep (verschillende overheden) aanmerkelijk publieke nadelen worden voorkomen. De in het besluit betrokken overheden hebben zelf verzocht om de aanwijzing in het besluit. Enkele zijn ook al begonnen met de procedures die moeten leiden tot de besluiten waarin uitvoering wordt gegeven aan de in deze twintigste tranche van het Bu Chw opgenomen experimenten.

Zij zullen worden benadeeld als de besluitvormingsprocedure voor deze experimenten wordt vertraagd als toepassing wordt gegeven aan de regeling inzake vaste verandermomenten en een invoeringstermijn van drie maanden.

Ook wat betreft de wijziging van het Besluit milieueffectrapportage wordt afgeweken van de vaste verandermomenten. Vanwege de urgentie in de praktijk om deze procedurele verplichting weg te nemen om zo verwezenlijking van onder andere kleinschalige woningbouwprojecten te vergemakkelijken, is het noodzakelijk het besluit zo spoedig mogelijk na publicatie in het Staatsblad in werking te laten treden. Die urgentie is gelegen in het op korte termijn mogelijk maken van kleine woningbouwprojecten. De extra procedurele verplichting zou deze projecten kunnen vertragen en daarmee aanmerkelijke ongewenste publieke nadelen hebben. Om die reden wordt afgeweken van de vaste verandermomenten.

Financiële gevolgen gemeenten

De wijziging van het Besluit milieueffectrapportage loopt vooruit op de mogelijkheden onder de Omgevingswet. In 2014 zijn door SIRA Consulting de bestuurlijke lasten onderzocht van de plan-mer-beoordeling. Een plan-mer-beoordeling geeft netto een reductie van de bestuurlijke lasten voor gemeenten en provincies. Door SIRA is dit ingeschat op € 0,4 miljoen per jaar voor gemeenten en € 0,1 miljoen per jaar voor provincies.

De nieuwe experimenten zijn toegevoegd op verzoek van de bevoegde gezagen. Het is aannemelijk dat deze bestuursorganen de financiële effecten hebben meegewogen bij de beslissing om een experiment al dan niet aan te vragen. De financiële effecten die deze experimenten hebben, zijn daarom niet onderzocht.

Regeldruk voor burgers en bedrijven

Deze tranche van het Bu Chw maakt een nieuw experiment mogelijk en voegt een nieuwe categorie toe aan projecten van maatschappelijke betekenis. De experimenten op grond van de Chw hebben als doel een bijdrage te leveren aan duurzame ontwikkeling en economische structuurversterking of een bijdrage te leveren aan duurzame ontwikkeling en innovatie. De kwalitatieve doelstelling van de experimenten is daarmee bepaald. Aanvullende kwantitatieve doelstellingen, bijvoorbeeld over regeldrukeffecten worden bewust niet vastgelegd. Dat past niet bij het karakter van een experiment, waarbij op voorhand moeilijk is in te schatten wat de effecten zullen zijn. Ook worden experimenten onder meer uitgevoerd om te bezien wat de feitelijke effecten zijn van een bepaalde aanpassing van wet- en regelgeving. Dit neemt niet weg dat achteraf geëvalueerd moet worden, onder andere wat de (regeldruk)effecten van de experimenten zijn geweest. Dit wordt gedaan in de Voortgangsrapportage die jaarlijks naar de Staten-Generaal wordt gestuurd. In de Voortgangsrapportage 2017-2018 is hier reeds aandacht aan besteed. Dit zal in de komende Voortgangsrapportage intensiever worden gedaan onder andere naar aanleiding van het ATR-advies op de twintigste tranche.

De te verwachten regeldrukeffecten van de nieuwe experimenten zijn onder meer afhankelijk van de keuzes die decentrale overheden maken bij de toepassing van de experimenten. Gelet op het karakter van het experiment zijn de te verwachten regeldrukeffecten hierna kwalitatief en globaal beschreven.

Op grond van het experiment met de knip dat is opgenomen in artikel 6r kunnen de gemeenten Haarlemmermeer en Waalwijk gebieden aanwijzen waarin door de gemeenten te bepalen bouwwerken niet langer getoetst hoeven te worden aan het bestemmingsplan. Concreet betekent dit voor de gemeente dat er minder ambtelijke uren gemaakt hoeven te worden voor het verlenen van een omgevingsvergunning. De mate waarin de regeldruk afneemt, is afhankelijk van de grootte van het gebied en het soort bouwwerken dat niet langer wordt getoetst aan het bestemmingsplan.

Door te regelen dat voor bepaalde bouwwerken geen omgevingsvergunning voor bouwen meer nodig is, daalt ook de regeldruk voor burgers en bedrijven in de gemeenten Haarlemmermeer en Waalwijk. Burgers en bedrijven hoeven geen omgevingsvergunning aan te vragen en dus ook geen leges te betalen. De gemeente Haarlemmermeer schat dat de legesinkomsten met 280.000 euro zullen dalen. Daar staat tegenover dat er voor hetzelfde bedrag geen ambtelijke uren gemaakt hoeven te worden.

Met het toevoegen van het opwekken van duurzame energie als bedoeld in bijlage 1, onder 1, bij de Chw aan artikel 8 van het Bu Chw, wordt de opwekking van duurzame energie aangewezen als categorie andere projecten van maatschappelijke betekenis als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, onder b, van de Chw. Hiermee kan nu ook ten behoeve van de opwekking van duurzame energie gebruik worden gemaakt van het projectuitvoeringsbesluit. Van dit experiment worden verder geen negatieve regeldrukeffecten verwacht. Pas wanneer een projectuitvoeringsbesluit wordt genomen, treden eventuele regeldrukeffecten op. Als een projectuitvoeringsbesluit is genomen, is de verwachting dat dit een lastenvermindering oplevert. Deze vermindering van lasten komt met name voort uit het feit dat er tegen het projectuitvoeringsbesluit slechts beroep bij één instantie openstaat.

De aanpassing van het Besluit milieueffectrapportage is voor burgers en bedrijven lastenneutraal. De kosten voor een plan-mer beoordeling worden in eerste instantie bekostigd door het betreffende bevoegd gezag. In sommige gevallen worden de kosten verrekend met de initiatiefnemer. In die gevallen is er sprake van een kleine lastendruk verlichting.

Artikel IV

In artikel IV wordt een citeertitel gegeven.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren


X Noot
1

Zie Stb. 2011, 102, nota van toelichting.

X Noot
2

Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PbEG 2001, L 197).

X Noot
3

Kamerstukken II 2019/20, 35 283, nr. 14, Kamerstukken II 2019/20, 35 283, nr. 18 en Kamerstukken II 2019/20, 35 283, nr. 20.

X Noot
5

Handelingen II 2018/19, 35 013, nr. 17, p. 13.

X Noot
6

HvJ EU 21 december 2016, C-444/15 (Associazione Italia Nostra Onlus), en Handreiking «Uitvoering van richtlijn 2001/42 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s», p. 13–14.