Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatscourant 2019, 64808Besluiten van algemene strekking

Voorpublicatie tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (twintigste tranche)

De Minister voor Milieu en Wonen maakt ingevolge artikel 5.2a van de Crisis- en herstelwet bekend dat een ieder gedurende vier weken na de dagtekening van deze Staatscourant schriftelijk zijn zienswijze naar voren kan brengen over onderstaand ontwerp van een algemene maatregel van bestuur.

Adres: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Programmadirectie Eenvoudig Beter – IPC 365

Postbus 20951 2500 EZ DEN HAAG

Besluit van 00 MAAND 2020 tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (twintigste tranche))

Op de voordracht van Onze Minister voor Milieu en Wonen van ..., nr. ..., gedaan mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat;

Gelet op de artikelen 1.2 en 2.4 van de Crisis- en herstelwet en artikel 7.2a, tweede lid, van de Wet milieubeheer;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van, nr. );

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Milieu en Wonen van ..., nr. ..., uitgebracht mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 6g worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. In de gemeente Haarlemmermeer geldt het verbod, gesteld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, niet voor aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a tot en met j.

  • 5. Het vierde lid is niet van toepassing op het bouwen van een bouwwerk in, aan, op of bij:

    • a. een rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

    • b. een monument of archeologisch monument waarop artikel 9.1, eerste lid, onder b, van de Erfgoedwet van toepassing is;

    • c. een krachtens een provinciale of gemeentelijke verordening aangewezen monument dan wel een monument waarop, voordat het is aangewezen, een zodanige verordening van overeenkomstige toepassing is; of

    • d. beschermde stads- en dorpsgezichten als bedoeld in artikel 35 van de Monumentenwet 1988.

B

Na artikel 6q wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6r

  • 1. Dit artikel is tot 1 januari 2021 van toepassing op de volgende gemeenten:

    • a. Haarlemmermeer;

    • b. Waalwijk.

  • 2. Artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is niet van toepassing, indien een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van die wet betrekking heeft op door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen bouwwerken en locaties.

  • 3. Op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid is artikel 2.7, eerste lid, eerste volzin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet van toepassing.

C

Artikel 7j wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Dit artikel is van toepassing op door de raad bij bestemmingsplan aan te wijzen locaties binnen de gemeenten:

    • a. Heerhugowaard;

    • b. Hoorn;

    • c. Koggeland;

    • d. Leeuwarden;

    • e. Ooststellingwerf;

    • f. Weststellingwerf;

    • g. Peel en Maas.

2. In het tweede lid wordt ‘vijftien jaar’ vervangen door ‘dertig jaar’.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Van de in dit artikel bedoelde bevoegdheid tot het bij bestemmingsplan aanwijzen van locaties kan tot 1 januari 2024 gebruik worden gemaakt mits het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

D

Artikel 7v wordt als volgt gewijzigd:

1. Het achtste lid vervalt, onder vernummering van het negende tot en met het drieëntwintigste lid tot achtste tot en met tweeëntwintigste lid.

2. Het zesde lid komt te luiden:

  • 6. Het is verboden om te beginnen met een activiteit als bedoeld in het negentiende lid als de verschuldigde geldsom, bedoeld in het negende lid, niet is betaald en

    • a. de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, onherroepelijk is; of

    • b. het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, onherroepelijk is.

3. In het tweede lid wordt ‘twintigste lid’ vervangen door ‘negentiende lid’.

4. In het tweede, vierde en vijfde lid, onder b en c, wordt ‘eenentwintigste lid’ vervangen door ‘twintigste lid’.

5. In het vierde lid wordt ‘elfde lid’ vervangen door ‘tiende lid’.

6. In het zevende lid wordt ‘tiende lid’ vervangen door ‘negende lid’.

7. In het negende lid (nieuw), tiende lid (nieuw) en vijftiende lid (nieuw) wordt na ‘het bestemmingsplan’ ingevoegd ‘, bedoeld in het eerste lid,’.

8. In het elfde lid (nieuw), dertiende lid (nieuw) en tweeëntwintigste lid (nieuw) wordt na ‘het bestemmingsplan’ ingevoegd ‘, bedoeld in het eerste lid, of de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,’.

9. In het zestiende lid (nieuw) wordt na ‘een bestemmingsplan’ ingevoegd ‘als bedoeld in het eerste lid’.

10. In het achttiende lid (nieuw) wordt ‘tiende lid’ vervangen door ‘negende lid’.

11. In het eenentwintigste lid (nieuw) wordt ‘eenentwintigste lid’ vervangen door ‘twintigste lid’.

12. In het tweeëntwintigste lid (nieuw) wordt na ‘de bestemmingsplannen’ ingevoegd ‘, bedoeld in het eerste lid, of de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,’.

E

Na artikel 7ab wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7ac

  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    a. aansluiting:

    aansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Elektriciteitswet 1998;

    b. net:

    net als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder i, van de Elektriciteitswet 1998;

    c. netbeheerder:

    netbeheerder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van de Elektriciteitswet 1998;

    d. productie-installatie:

    productie-installatie als bedoel in artikel 1, eerste lid, onder ah, van de Elektriciteitswet 1998;

    e. windpark:

    windpark als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder az, van de Elektriciteitswet 1998;

    f. zonneweide:

    een installatie voor de productie van elektriciteit uit zonne-energie met behulp van fotovoltaïsche zonnepanelen.

  • 2. In aanvulling op artikel 1, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998 worden productie-installaties voor de opwekking van elektriciteit met behulp van zonne-energie op het land die behoren tot eenzelfde onderneming of instelling en die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen, geacht te beschikken over één aansluiting.

  • 3. In afwijking van artikel 23, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 en van de artikelen 2.1.4, 2.2.2 en 2.3.3a van de Tarievencode elektriciteit kan een netbeheerder een aansluiting op een net realiseren die niet past bij de productiecapaciteit van de productie-installatie indien:

    • a. die aansluiting volgens de netbeheerder geschikter is met het oog op de belasting van zijn net;

    • b. die aansluiting geen negatieve gevolgen heeft voor bestaande en toekomstige aansluitingen op zijn net;

    • c. de gewenste aansluitcapaciteit wordt gerealiseerd; en

    • d. de kosten een afspiegeling zijn van de gemaakte kosten van de aan te leggen aansluiting.

  • 4. Voor de toepassing van het bij of krachtens de Elektriciteitswet 1998 bepaalde worden een of meer windparken op het land, een of meer zonneweides op het land, of een combinatie van windparken en zonneweides op het land die zich in elkaars onmiddellijke nabijheid bevinden, samen met het bijbehorende stelsel van verbindingen, beschouwd als één productie-installatie en één onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, indien:

    • a. ten behoeve van de hiervoor bedoelde windparken of zonneweides gezamenlijk een aanvraag is gedaan bij een netbeheerder om aangesloten te worden op dezelfde aansluiting; en

    • b. de gevraagde aansluitcapaciteit meer dan 2MVA is.

  • 5. Dit artikel is van toepassing op de provincies Drenthe, Flevoland, Friesland, Groningen en Overijssel en de gemeenten:

    • a. Aalsmeer;

    • b. Aalten;

    • c. Alkmaar;

    • d. Alphen aan den Rijn;

    • e. Amstelveen;

    • f. Amsterdam;

    • g. Apeldoorn;

    • h. Arnhem;

    • i. Barneveld;

    • j. Beemster;

    • k. Berg en Dal;

    • l. Bergeijk;

    • m. Bergen;

    • n. Bergen;

    • o. Berkelland;

    • p. Beuningen;

    • q. Beverwijk;

    • r. Boxmeer;

    • s. Bronckhorst;

    • t. Brummen;

    • u. Castricum;

    • v. Cuijk;

    • w. De Bilt;

    • x. Den Helder;

    • y. Doetinchem;

    • z. Drechterland;

    • aa. Ede;

    • ab. Eersel;

    • ac. Enkhuizen;

    • ad. Epe;

    • ae. Gennep;

    • af. Gooise Meren;

    • ag. Haaren;

    • ah. Haarlem;

    • ai. Haarlemmermeer;

    • aj. Heemskerk;

    • ak. Heerhugowaard;

    • al. Heiloo;

    • am. Heumen;

    • an. Hillegom;

    • ao. Hollands Kroon;

    • ap. Hoorn;

    • aq. Huizen;

    • ar. Kaag en Braassem;

    • as. Katwijk;

    • at. Koggenland;

    • au. Landsmeer;

    • av. Langedijk;

    • aw. Lansingerland;

    • ax. Leiderdorp;

    • ay. Leidschendam-Voorburg;

    • az. Lingewaard;

    • ba. Lisse;

    • bb. Lochem;

    • bc. Maasdriel;

    • bd. Medemblik;

    • be. Montferland;

    • bf. Mook en Middelaar;

    • bg. Nieuwkoop;

    • bh. Nijmegen;

    • bi. Noordwijk;

    • bj. Oirschot;

    • bk. Oost Gelre;

    • bl. Opmeer;

    • bm. Oude IJsselstreek;

    • bn. Ouder-Amstel;

    • bo. Overbetuwe;

    • bp. Purmerend;

    • bq. Reusel-De Mierden;

    • br. Rotterdam;

    • bs. Schagen;

    • bt. Schouwen-Duivenland;

    • bu. Sint Anthonis;

    • bv. Stede Broec;

    • bw. Texel;

    • bw. Teylingen;

    • by. Tholen;

    • bz. Tiel;

    • ca. Uitgeest;

    • cb. Velsen;

    • cc. Voorschoten;

    • cd. Voorst;

    • ce. Waddinxveen;

    • cf. Waterland;

    • cg. Weesp;

    • ch. West Betuwe;

    • ci. West Maas en Waal;

    • cj. Wijchen;

    • ck. Wormerland;

    • cl. Zaanstad;

    • cm. Zaltbommel;

    • cn. Zoetermeer;

    • co. Zoeterwoude;

    • cp. Zuidplas;

    • cq. Zutphen.

  • 6. Van de in dit artikel bedoelde afwijkingsbevoegdheden kan tot 1 januari 2025 gebruik worden gemaakt.

F

Aan artikel 8, eerste lid, wordt, onder vervanging van ‘, en’ aan het slot van onderdeel f door een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door ‘; en’, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • h. opwekking van duurzame energie als bedoeld in bijlage I, onder 1, bij de wet, onverminderd de bevoegdheden van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat op grond van de artikelen 9b, eerste lid, aanhef en onder a en b, en 9e, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998.

ARTIKEL II

Het Besluit milieueffectrapportage wordt als volgt gewijzigd:

Na artikel 2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3

  • 1. Als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 7.2a, tweede lid, van de wet, worden aangewezen de vaststelling of wijziging van een plan waarvoor bij de voorbereiding een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming en:

    • a. dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden indien:

      • 1°. voor dat plan een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is;

      • 2°. de omvang van het gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente klein is; en

      • 3°. het bevoegd gezag heeft beoordeeld dat de vaststelling of wijziging van dat plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft; of

    • b. waarbij sprake is van kleine wijzigingen van een plan en het bevoegd gezag heeft beoordeeld dat die wijzigingen geen aanzienlijke milieueffecten hebben.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een plan dat betrekking heeft op een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de wet.

  • 3. Het bevoegd gezag houdt bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°, en onder b, rekening met de criteria van bijlage II bij Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PbEG 2001, L 197) en raadpleegt daarvoor:

    • a. de bestuursorganen en instanties die op grond van een wettelijk voorschrift adviseren over de besluiten, aangewezen op grond van artikel 7.2, derde of vierde lid, van de wet waarop het plan betrekking heeft, en

    • b. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of in plaats van de betrokken minister een door hem aangewezen bestuursorgaan.

  • 4. Het bevoegd gezag betrekt bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onder b, de context van het plan dat wordt gewijzigd en de mate van waarschijnlijkheid dat de wijzigingen aanzienlijke milieueffecten zullen hebben.

  • 5. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onder a onder 3°, en onder b, met de bijbehorende motivering op in het plan.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

ARTIKEL IV

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (twintigste tranche).

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister voor Milieu en Wonen, S. van Veldhoven-van der Meer

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

Dit besluit bevat de zogenoemde twintigste tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: Bu Chw) en een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage.

Met artikel I wordt het Bu Chw gewijzigd en aangevuld.

In onderdeel A wordt aan het bestaande experiment in artikel 6g twee leden toegevoegd die het mogelijk maken om de bouwwerken opgenomen in dit artikel te bouwen zonder omgevingsvergunning.

In onderdeel B wordt een innovatief experiment als bedoeld in artikel 2.4 van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) aan het Bu Chw toegevoegd. Het gaat om een experiment waarmee gemeenten, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, ervaring kunnen opdoen de mogelijkheid om voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aantal bouwwerken niet meer te toetsen aan planologische regels.

In onderdeel C wordt de looptijd van het experiment aangepast. Hierbij wordt aangesloten bij de beoogde datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2021) en het in de Invoeringswet Omgevingswet voorziene overgangsrecht. Verder wordt de periode verlengd waarbinnen geen omgevingsvergunning is vereist op bij bestemmingsplan aangewezen locaties voor een activiteit, die betrekking heeft op een collector voor warmteopwekking of een paneel voor elektriciteitsopwekking op de grond of op een op de grond staand bouwwerk.

In onderdeel D worden enkele technische wijzigingen aangebracht in het bestaande experiment kostenverhaal (artikel 7v).

In onderdeel E wordt een nieuw innovatief experiment als bedoeld in artikel 2.4 van de Chw aan het Bu Chw toegevoegd. Het gaat om een experiment waarmee voor een aantal provincies en gemeenten, netbeheerders de transportcapaciteit voor duurzaam opgewekte elektriciteit kunnen vergroten.

In onderdeel F wordt opwekking van duurzame energie als bedoeld in bijlage 1, onder 1, bij de Chw aangewezen als categorie andere projecten van maatschappelijke betekenis als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, onder b, van de Chw. Hierdoor kan nu ook ten behoeve van de opwekking van duurzame energie gebruik worden gemaakt van het projectuitvoeringsbesluit.

De wijziging van de Crisis- en herstelwet in verband met het versnellen van woningbouw en het faciliteren van duurzame ontwikkeling, zoals het verduurzamen van het energiegebruik is in werking getreden op 19 juni 2019 (Stb. 2019, 216). Doel van de wetswijziging is onder andere het versnellen van de woningbouwproductie en het bespoedigen van de transitie naar een duurzame energievoorziening. Deze tranche van het Bu Chw is de tweede tranche die gebaseerd is op de aangepaste Chw. In deze tranche zijn alleen nieuwe experimenten opgenomen. Toevoeging van gebieden en projecten aan bestaande experimenten vindt plaats bij ministeriële regeling (zie Stcrt. 2019, 36712 en Stcrt. 2019, 56226). In de nota van toelichting bij de negentiende tranche van het Bu Chw (Stb. .../...) is uitgebreid stilgestaan bij het onderscheid tussen het toevoegen van een nieuw experiment aan het Bu Chw en het toevoegen van gebieden en projecten aan een bestaand experiment bij ministeriële regeling.

Met artikel II wordt het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd.

Met dit artikel wordt het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd, waarbij invulling wordt gegeven aan artikel 7.2a, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Met dat artikel is beoogd een mogelijkheid te scheppen dat in bepaalde gevallen de verplichting tot het verrichten van een passende beoordeling niet automatisch betekent dat ook een milieueffectrapport voor een plan moet worden gemaakt. De plan-mer-plicht voor plannen, zoals een structuurvisie of een bestemmingsplan, geldt voor plannen die kaderstellend zijn voor bepaalde activiteiten en voor plannen waarvoor een passende beoordeling op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming wordt gemaakt.

Dit kan in drie gevallen leiden tot de situatie dat (uiteindelijk) alleen de passende beoordeling tot een mer-plicht leidt. In alle drie situaties bestaat de mer-plicht, omdat deze niet afhangt van de uitkomst van de passende beoordeling, maar alleen van het feit dát een passende beoordeling moet worden gemaakt. Dit kan ertoe leiden dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt voor een plan waarvan uit een voorafgaande mer-beoordeling en passende beoordeling al is gebleken dat aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten.

De eerste situatie betreft plannen die alleen kaderstellend zijn voor activiteiten die alle beneden de indicatieve drempelwaarden van de D-lijst van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage vallen. Dan moet per activiteit aan de hand van de selectiecriteria van de mer-richtlijn worden beoordeeld of voor die activiteit in het plan een milieueffectrapport noodzakelijk is. Zo nee, dan geldt er voor het plan geen verplichting voor een plan-mer.1 Er ontstaat dan wel een plan-mer-plicht als er een passende beoordeling voor het plan moet worden gemaakt, ook als uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat er geen aantasting is van de wezenlijke kenmerken van het Natura 2000 gebied of de Natura 2000 gebieden waarvoor de passende beoordeling is gemaakt.

De tweede situatie betreft plannen voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten die in kolom vier in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn aangewezen. Deze plannen zijn geen kaderstellende plannen, maar geven (direct) toestemming voor het project. Ook dan moet per activiteit aan de hand van de selectiecriteria van de mer-richtlijn worden beoordeeld of voor die activiteit in het plan een milieueffectrapport noodzakelijk is. Zo nee, dan geldt er voor het plan geen verplichting voor een project-mer. Er ontstaat echter wel een plan-mer-plicht als er een passende beoordeling voor het plan moet worden gemaakt, ook als uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat er geen aantasting is van de wezenlijke kenmerken van het Natura 2000 gebied of de Natura 2000 gebieden waarvoor de passende beoordeling is gemaakt.

De derde situatie betreft plannen die kaderstellend zijn voor andere activiteiten dan die genoemd in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage en waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt. Ook dan ontstaat een plan-mer-plicht omdat er een passende beoordeling voor het plan moet worden gemaakt, ook als uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat er geen aantasting is van de wezenlijke kenmerken van het Natura 2000 gebied of de Natura 2000 gebieden waarvoor de passende beoordeling is gemaakt.

Deze situatie is niet nieuw en heeft in 2010 geleid tot een bepaling in de Wet milieubeheer die de mogelijkheid biedt om bij algemene maatregel van bestuur categorieën van gevallen aan te wijzen waarin sprake is van kleine gebieden en kleine wijzigingen die geen aanzienlijke milieueffecten hebben, die kunnen worden uitgezonderd van de plan-mer-plicht als die plan-mer-plicht alleen volgt uit de passende beoordeling (artikel 7.2a, tweede lid, van de Wet milieubeheer). De smb-richtlijn2 biedt namelijk in artikel 3, derde lid, de mogelijkheid tot het uitvoeren van een voorafgaande plan-mer-beoordeling om zo te bepalen of er aanzienlijke milieueffecten kunnen zijn. De bepaling uit de Wet milieubeheer is echter nooit uitgewerkt. Onder de Omgevingswet is voorzien in een vergelijkbare delegatiegrondslag (artikel 16.36, derde lid, van de Omgevingswet) die wel wordt uitgewerkt (zie artikel 11.1 van het Omgevingsbesluit).

Vanuit de praktijk is gevraagd of voor deze specifieke situaties, wanneer een plan-mer noch vanuit milieuoverwegingen, noch vanuit verplichtingen uit Europa noodzakelijk is, de plan-mer-plicht kan worden weggenomen. Dit leidt in die gevallen immers tot een overbodige procedurele verplichting die belastend is in termen van kosten en capaciteit. Het wegnemen ervan zal volgens de praktijk tevens kunnen bijdragen aan verwezenlijking van kleinere projecten, zoals kleinschalige woningbouw. Daarom is het belangrijk om vooruitlopend op inwerkingtreding van de Omgevingswet deze mogelijkheid nu al te bieden.

Daarom wordt het Besluit milieueffectrapportage aangepast. De nieuwe regeling in het Besluit milieueffectrapportage maakt het mogelijk om in bepaalde gevallen eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren om te bepalen of er aanzienlijke milieueffecten kunnen zijn. Voor plannen die het gebruik bepalen van kleine gebieden op lokaal niveau en voor kleine wijzigingen van plannen is een plan-mer dan alleen verplicht als er sprake kan zijn van aanzienlijke milieueffecten, dit laatste ter beoordeling van het bevoegd gezag.

Als uit die plan-mer-beoordeling blijkt dat er geen aanzienlijke nadelige effecten kunnen zijn, kan een plan-mer achterwege blijven. Deze regeling geldt alleen voor:

  • plannen voor kleine gebieden op lokaal niveau; het betreft de vaststelling of wijziging van plannen van een gemeente, waarbij het plan betrekking heeft op een klein deel van het grondgebied van de gemeente;

  • kleine wijzigingen van een plan; daarbij is van belang dat dit moet worden bezien in de context van het plan en ook moet de mate van waarschijnlijkheid dat de wijziging aanzienlijke effecten zal hebben worden betrokken;

  • geen van de activiteiten waarvoor het plan de kaders stelt, is direct mer-plichtig.

Bij het uitvoeren van een plan-mer-beoordeling voor deze plannen kan voor de informatie over natuur gebruik worden gemaakt van, of worden verwezen naar, de informatie uit de passende beoordeling. De plan-mer-plicht vervalt alleen als uit de plan-mer-beoordeling volgt dat er geen aanzienlijke milieueffecten kunnen zijn. Als uit de passende beoordeling geen zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten, is waarschijnlijk ook niet uit te sluiten dat er geen aanzienlijke milieueffecten optreden. Andersom kan niet worden gesteld dat als uit de passende beoordeling wel de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten, ook is uitgesloten dat er voor het overige geen aanzienlijke milieueffecten zijn.

Conform artikel 7 van het Bu Chw geeft Onze Minister in de jaarlijkse voortgangsrapportage over de uitvoering van de wet aan in hoeverre afwijkingen bij wege van experiment lid van de wet genoemde wetten aan haar doel beantwoorden en of de overeenkomstig artikel 2.4, derde lid, van de wet vastgestelde ten hoogste toegestane tijdsduur van die afwijkingen aanpassing behoeft.

In de artikelen III en IV worden de inwerkingtreding respectievelijk de citeertitel geregeld.

Op grond van artikel 5.2a van de Chw is het ontwerpbesluit op [datum] in de Staatscourant gepubliceerd (Stcrt. ..., nr. ...). Naar aanleiding van de voorpublicatie van het ontwerpbesluit ....

Op grond van artikel 5.2a van de Chw is het ontwerpbesluit door de Minister voor Milieu en Wonen bij brieven van [datum] (... respectievelijk ...) voorgelegd aan beide Kamers der Staten-Generaal (Kamerstukken II 20../.., 32 127, nr. ...).

II. Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

De gemeente Haarlemmermeer beoordeelt op basis van het huidige artikel 6g Bu Chw al voor bepaalde bouwwerken niet meer vooraf of het bouwwerk voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 (vereenvoudigde bouwtoets). Met dit experiment is artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet van toepassing. Door de bouwtoets van een vergunningaanvraag te vereenvoudigen zorgt dit experiment voor een vermindering van de regeldruk en lastenverlichting. Voor een nadere toelichting op artikel 6g wordt kortheidshalve verwezen naar de nota van toelichting bij de vijfde tranche van het Bu Chw (Stb. 2013, 77).

Ondanks dat het bouwwerk niet meer getoetst wordt aan het Bouwbesluit en alle bouwwerken genoemd in artikel 6g, moeten initiatiefnemers nog steeds een aanvraag om omgevingsvergunning voor bouwen doen. De gemeente moet de aanvraag in die gevallen nog toetsten aan de overige onderdelen van artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit betreft onder meer de planologische toets en de welstandtoets. De gemeente Haarlemmermeer heeft verzocht om via een experiment ook van deze onderdelen te mogen afwijken, onder meer omdat de gemeente geen welstandsbeleid heeft vastgesteld en het vervallen van de planologische toets de administratieve lasten nog verder kan verminderen. Hierdoor is het niet nodig om nog langer om een omgevingsvergunning voor bouwen te vragen voor de bouwwerken genoemd in artikel 6g. Als een bouwwerk, genoemd in artikel 6g, niet binnen het bestemmingsplan past, is nog steeds een vergunning voor afwijking van het bestemmingsplan nodig.

Onderdeel B

In onderdeel B wordt een experiment toegevoegd waardoor de gemeenten Haarlemmermeer en Waalwijk vooruitlopend op de Omgevingswet kunnen werken met een splitsing tussen de bouwtechnische vergunning en de ruimtelijke vergunning. Een vergunning voor een bouwwerk wordt nu getoetst aan planologische regels en aan bouwtechnische regels (nu nog het Bouwbesluit). Dat wordt met de Invoeringswet Omgevingswet gesplitst in een vergunning met het oog op de gemeentelijke regels in het omgevingsplan en een vergunning met het oog op de technische regels voor een bouwwerk in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Gemeente Waalwijk en Haarlemmermeer

De gemeenten Waalwijk en Haarlemmermeer willen ervaring opdoen met deze mogelijkheid uit de Omgevingswet door locaties aan te wijzen waarbinnen bepaalde bouwwerken niet meer worden getoetst aan planologische regels of welstandsregels. De verwachting is dat het hierdoor minder vaak nodig is om een vergunning aan te vragen voor bouwactiviteiten, dat administratieve lasten worden verminderd en dat woningbouwplannen kunnen worden versneld, ook het treffen duurzaamheidsmaatregelen zoals het plaatsen zonnepanelen kan beter worden gefaciliteerd hetgeen bijdraagt aan een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Door op innovatieve wijze – vooruitlopend op de Omgevingswet -gebieden en bouwwerken aan te wijzen waarvoor geen planologische toets geldt, wordt optimaal gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de Omgevingswet straks zal bieden.

Daarnaast wordt voor de gemeente Haarlemmermeer artikel 6g van het Bu Chw aangevuld om bepaalde bouwwerken vergunningvrij te maken.

Momenteel is landelijk uniform door het Rijk in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) vastgelegd welke bouwactiviteiten vergunningvrij kunnen plaatsvinden met betrekking tot toetsing aan de planologische regels en/of het Bouwbesluit 2012. Daardoor kan het zijn dat er alleen om technische regels een omgevingsvergunning is vereist. Er wordt in het kader van die vergunning echter ook getoetst aan de planologische regels, ook als een preventieve beoordeling aan die regels niet nodig wordt geacht. Met de regeling in artikel 6r van het Bu Chw wordt het mogelijk om bouwwerken of locaties aan te wijzen waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet wordt getoetst aan de planologische regels als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet. De bouwtechnische toets op basis van het Bouwbesluit 2012 blijft van toepassing.

Deze regeling sluit aan bij knip voor de bouwactiviteit in een technische en niet-technische vergunning, zoals deze is opgenomen in artikel 1.1, onderdeel BO, van de Invoeringswet Omgevingswet.

De bepaling dat artikel 2.7, eerste lid, eerste volzin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet van toepassing is, betreft een zekerstelling. Hiermee wordt voorkomen dat de indruk zou kunnen ontstaan dat onder alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project ook een aanvraag voor de planologische activiteit wordt begrepen in die gevallen waarin de gemeenten Waalwijk en Haarlemmermeer bepalen dat geen toetsing aan de planologische regels hoeft plaats te vinden.

Onderdeel C

In de negende en twaalfde tranche van het Bu Chw (Stb. 2015, 109 respectievelijk Stb. 2016, 337) zijn in totaal zeven gemeenten aangewezen voor een duurzaam innovatief experiment waarmee vergunningvrije zonnevelden mogelijk zijn voor een periode van vijftien jaar. De termijn van vijftien jaar blijkt in de praktijk te kort voor een gunstige exploitatie van de zonnevelden (Praktijkervaringen Crisis- en herstelwet, Voortgangsrapportage 2017-2018). Om tot een betere inzet van dit experiment te komen wordt de termijn dat gebruik kan worden gemaakt van dit experiment verlengd tot dertig jaar. Het wordt daardoor mogelijk bij de aanleg van de zonnevelden uit te gaan van een exploitatietermijn van dertig jaar.

Daarnaast wordt de termijn voor het aanwijzen van locaties voor tijdelijke vergunningvrije zonnevelden verlengd tot 1 januari 2024, mits het ontwerp van deze plannen ter inzage is gelegd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierbij wordt aangesloten bij de beoogde datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2021) en het in de Invoeringswet Omgevingswet voorziene overgangsrecht.

Onderdeel D

In de zestiende tranche van het Bu Chw is artikel 7v toegevoegd. Dit artikel maakt het mogelijk met een andere systematiek voor kostenverhaal te werken. In het zesde lid van artikel 7v is geregeld dat het verboden is met een activiteit als bedoeld in het twintigste lid te beginnen zolang de verschuldigde geldsom niet is betaald en het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning voor afwijking van bestemmingsplan nog niet onherroepelijk is. Na vragen uit de praktijk is gebleken dat er onduidelijkheid bestaat over de uitleg van dit artikel, omdat de omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan niet expliciet genoemd is. Deze onduidelijkheid is met de wijziging van het zesde lid weggenomen. Om onduidelijkheden over de uitleg van de overige artikelleden te voorkomen, zijn deze ook op dit punt verhelderd.

Onderdeel E
Aanleiding en duiding van de problematiek

Op verschillende plaatsen is er sprake van transportschaarste in het elektriciteitsnetwerk. Dit probleem doet zich in meerdere delen van het land voor als gevolg van een snelle groei van het aandeel wind- en zonne-energie op land. Deze groei is dermate groot en snel dat deze niet altijd tijdig is te faciliteren door netbeheerders door middel van uitbreiding of verzwaring van het net. In de kamerbrief van 28 juni 2019 ‘Gevolgen van het gebrek aan netcapaciteit voor duurzame elektriciteitsprojecten’ (Kamerstukken II 2018/19, 30 196, nr. 669) is deze problematiek nader uiteengezet en aangekondigd dat er vooruitlopend op het wetsvoorstel voor een nieuwe Energiewet een aantal maatregelen zal worden genomen die netbeheerders de mogelijkheid bieden in te spelen op de snelle groei van hernieuwbare energie op land. Met dit experiment wordt hierop vooruitgelopen om in de praktijk te testen of de beoogde oplossingen op grote schaal werken.

Om lokale schaarste op het elektriciteitsnetwerk tegen te gaan en de beperkt beschikbare capaciteit te verdelen heeft de regionale netbeheerder op een aantal plaatsen aankondigingen gedaan voor congestiemanagement.3 Met behulp van congestiemanagement kan de netbeheerder in congestiegebieden tegemoet komen aan en voldoen aan de verplichting uit de Elektriciteitswet 1998 dat de netbeheerder iedereen die daar om verzoekt aansluit.4 Met behulp van congestiemanagement vraagt de netbeheerder voor de momenten dat er een tekort aan capaciteit is aan aangeslotenen minder elektriciteit in te voeden of af te nemen en zo het net te ontlasten. Deze aangeslotenen geven daarbij aan tegen welke prijs zij bereid zijn hieraan mee te werken. Alleen in die situaties waarbij de netbeheerder alle maatregelen heeft genomen om toch aan de (gedeeltelijke) transportvraag te kunnen voldoen en er toch redelijkerwijs geen transportcapaciteit geboden kan worden, hoeft hij geen aanbod tot transport te doen.5

Congestiemanagement is niet op alle plaatsen in het net een toepasbaar instrument om de vraag naar transportcapaciteit te faciliteren. Daar waar onvoldoende mogelijkheden zijn om op de ene plaats invoeding van elektriciteit te beperken en op een andere deze juist te verhogen om zo toch aan de marktvraag naar elektriciteit te kunnen voldoen, is congestiemanagement niet uit te voeren. Ook in gebieden waar er wel veel productie van duurzame, moeilijk regelbare, elektriciteit is, maar er weinig mogelijkheden bestaan om de vraag tijdelijk te verhogen (weinig grote afnemers) is congestiemanagement moeilijk toepasbaar.

Mede naar aanleiding van Motie Agnes Mulder (Kamerstukken II 2018/19, 32 813, nr. 295) wordt met dit innovatieve experiment, op basis van artikel 2.4 van de Chw, voor een aantal provincies en gemeenten een tweetal maatregelen genomen waarmee de netbeheerder de transportcapaciteit voor duurzaam opgewekte elektriciteit toch kan vergroten. Het betreft hier veelal gebieden buiten de bebouwde kom met relatief veel (toekomstig) aanbod van zonne-energie en weinig vraag waar al sprake is van congestie of waar congestie binnen afzienbare tijd dreigt te ontstaan. Omdat de problemen met de transportcapaciteit zich in veel provincies en gemeenten voordoen, is de lijst van provincies en gemeenten in het vijfde lid aanzienlijk. De lijst is gebaseerd op informatie van de netbeheerders over (dreigende) tekorten in transportcapaciteit.

De twee maatregelen die door dit experiment mogelijk worden, maken het afwijken van de Elektriciteitswet 1998 mogelijk en zijn in tijd begrensd. Deze maatregelen zijn daarom te beschouwen als experimenten vooruitlopend op een mogelijke aanpassing in een wetsvoorstel voor de nieuwe Energiewet. Op deze manier kan in praktijk worden getest of de gekozen oplossingen werken en of de gekozen oplossingen in de Energiewet aanscherping behoeven. De kern van beide maatregelen is dat het mogelijk wordt om zo efficiënt mogelijk duurzaam opgewekte elektriciteit op het elektriciteitsnet aan te sluiten en ook daadwerkelijk te transporteren. De maatregelen behelzen een aanvulling op voorschriften uit de Elektriciteitswet 1998. Het experiment draagt bij aan de duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving omdat met een tweetal maatregelen de huidige schaarste in de transportcapaciteit versneld wordt opgelost. Het voorkomen of oplossen van deze schaarste is immers niet altijd tijdig te faciliteren door netbeheerders door middel van uitbreiding of verzwaring van het net. Met innovatieve maatregelen wordt de benodigde transportcapaciteit op het juiste schaalniveau van de totale ontwikkeling toegewezen en kan deze efficiënter worden verdeeld, zodat een optimale verdeling wordt bereikt van het totaal aan transportcapaciteit. Met deze maatregelen wordt de transportcapaciteit niet vergroot. Dit experiment mag dan ook geen reden zijn voor de betreffende netbeheerders om af te zien van noodzakelijke investeringen in en uitbreidingen van het netwerk, de meer structurele oplossing. Met dit experiment wordt beoogd om de tijd die nodig is voor het realiseren van deze investeringen te overbruggen, zodat zoveel mogelijk duurzame elektriciteit alsnog op het net kan worden aangesloten en getransporteerd. Daarnaast bieden deze maatregelen de mogelijkheid ervaring op te doen die gebruikt kan worden voor de vormgeving van een wetsvoorstel voor een nieuwe Energiewet.

Naast de hieronder genoemde maatregelen wordt voor de overige maatregelen verwezen naar de hierboven genoemde brief van 28 juni 2019.

Maatregelen en toelichting

Om in de hierboven bedoelde gemeenten de mogelijkheid te creëren de transportcapaciteit te vergroten worden onderstaande maatregelen van kracht:

  • a. een opknipverbod van zonneweides, vergelijkbaar met het opknipverbod voor windparken zoals geformuleerd in artikel 1, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998;

  • b. de mogelijkheid om zon en wind van verschillende nabijgelegen projecten aan te sluiten op het net via één gedeelde aansluiting (cable pooling).

Ad a: het opknipverbod (artikel 7ac, tweede lid)

Net als voor windparken op land (artikel 1, zesde lid, Elektriciteitswet 1998) zal met dit experiment een verbod gelden om productie-installaties van zonne-energie op te knippen in meerdere aansluitingen indien die behoren tot dezelfde eigenaar en als die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Hiermee wordt voorkomen dat zonneweides worden opgeknipt in verschillende WOZ-objecten waardoor deze losse objecten allemaal apart recht hebben op een aansluiting. Door te bepalen dat deze zonne-energie installaties worden geacht te beschikken over één aansluiting wordt het opknippen van deze zonneweides, teneinde misbruik te maken van de regels voor aansluitingen, voorkomen. Dit zal ertoe leiden dat dergelijke installaties eerder op netten met een hoger spanningsniveau zullen worden aangesloten, waar meer transportcapaciteit beschikbaar is. Hierdoor wordt het eenvoudiger meer kleine installaties van afzonderlijke eigenaren op netten met een lager spanningsniveau aan te sluiten en de daar geproduceerde elektriciteit te transporteren. Het is de verwachting dat hierdoor meer duurzaam opgewekte elektriciteit kan worden aangesloten en getransporteerd.

Omdat er situaties kunnen bestaan waarin het voor de netcapaciteit voordeliger is om een installatie aan te sluiten op een net met een lager spanningsniveau dan passend is bij de installatie maakt artikel 7ac, derde lid, dit mogelijk. Belangrijk hierbij is dat de netbeheerder rekening moet houden met mogelijke negatieve gevolgen voor anderen die in de toekomst aangesloten willen worden op een net met een lager spanningsniveau. Als die negatieve gevolgen er in de toekomst zijn (of op het moment van aansluiten al), dan moet de netbeheerder aansluiten volgens de bestaande regels en kan er geen gebruik worden gemaakt van deze mogelijkheid.

Het is denkbaar dat een opknipverbod tot hogere kosten voor producenten van duurzame energie leidt, omdat de tarievencode bepaalt dat aansluitingen op een hoger spanningsniveau duurder zijn dan aansluitingen op een lager spanningsniveau. Daar staat echter tegenover dat de maatschappelijke gesocialiseerde kosten vaak lager zullen zijn, omdat de netbeheerder efficiënter te werk kan gaan. De producenten kunnen op deze manier geen misbruik maken van de regels over aansluitingen en moeten betalen voor de aansluiting die past bij de productie-installatie die ze hebben.

Ad b: wind en zon op één gedeelde aansluiting (artikel 7ac, vierde lid)

In het vierde lid is bepaald dat eigenaren van twee of meer onroerende zaken voor de productie van windenergie of zonne-energie, of van een combinatie van windenergie en zonne-energie, die op grond van artikel 23 van de Elektriciteitswet 1998 recht hebben op meerdere aansluitingen, de netbeheerder kunnen verzoeken om één aansluiting en één transportovereenkomst wanneer de betreffende windparken of zonneparken (of combinaties) dicht bij elkaar liggen en hun belasting van het net als nagenoeg complementair kan worden beschouwd. Er wordt niet gekozen voor het dwingend opleggen van een gedeelde aansluiting door de netbeheerder omdat dit afbreuk zou doen aan het recht op een aansluiting (artikel 23 van de Elektriciteitswet 1998) van de twee of meer eigenaren van de zonneparken en of windparken. Op deze wijze wordt het mogelijk om duurzaam geproduceerde elektriciteit toch in te voeden waar dat anders op grond van artikel 24, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 door een netbeheerder geweigerd zou moeten worden.

Dit experiment ziet op twee mogelijke situaties. De eerste is de situatie waarin een windpark en een zonneweide een aanvraag doen voor een gezamenlijke aansluiting. Zij maken dan gebruik van het feit dat de productie van wind- en zonne-energie in de tijd meestal complementair aan elkaar is. Als het hard waait schijnt de zon meestal niet op volle kracht, en als de zon volop schijnt is er bijna nooit een piek aan windkracht. Dat brengt met zich mee dat het efficiënt is om beide vormen van duurzame energie niet apart aan te sluiten op het net, maar gebruik te maken van één gedeelde aansluiting waarbij als uitgangspunt de productie-installatie met het grootste capaciteitsbeslag wordt genomen. Dit bespaart kabels en creëert tegelijkertijd meer ruimte in een schakelstation om andere duurzame projecten aan te sluiten als de netcapaciteit dit toelaat.

Een aantal momenten per jaar zal het en hard waaien en zal de zon volop schijnen. Partijen in de energiesector geven aan dat het om 3–4% van de tijd gaat. De gezamenlijke transportvraag van het wind- en zonnepark zal dan de beschikbare transportcapaciteit van de gedeelde aansluiting overstijgen. Op die momenten kan met behulp van vermogenselektronica van het zonnepark het terug te leveren vermogen worden terug geregeld, of in het geval van het windpark, kan gekozen worden de turbines uit de wind te draaien. Hiermee zorgen de producenten dat er niet teveel elektriciteit op het net wordt geleverd en hebben een aansluitovereenkomst aanvaard waarin de vaste invoeding van energie niet is gewaarborgd. Dit sluit aan bij artikel 13, zevende lid, van de Verordening (EU) nr. 943/2019 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PbEU 2019, L 158/54). Het is aan de partijen die de gedeelde aansluiting gebruiken om in onderling overleg te bepalen op welke wijze en onder welke voorwaarden voldaan kan worden aan de eis om de maximale transportcapaciteit niet te overschrijden en wie genoegen neemt met het niet volledig kunnen benutten van de productiecapaciteit.

De tweede mogelijke situatie is de situatie waarin meerdere windparken of zonneweides een aanvraag doen voor een gezamenlijke aansluiting. Er komen dan bijvoorbeeld meerdere zonneweides op één aansluiting. In dat geval is er geen sprake van de ongelijktijdigheid van de energieproductie maar kunnen er mogelijk andere voordelen worden behaald. Door de verschillende zonneweides van één aansluiting te voorzien zou bijvoorbeeld kunnen worden aangesloten op een hoger gelegen netvlak. Daarmee zou uitgeweken kunnen worden naar een netvlak met minder capaciteitsproblemen. Het gaat hier om experimenten en het zal moeten blijken of dit ook in de toekomst kan bijdragen aan een efficiënter netgebruik. Dit experiment bepaalt dat wanneer windparken en zonneweides die zich in elkaars nabijheid bevinden besluiten tot een gezamenlijke aanvraag voor één aansluiting en transportovereenkomst de installaties en het stelsel van verbindingen zich voor de Elektriciteitswet 1998 kwalificeren als één onroerende zaak. Daarmee wordt voor partijen een alternatief gecreëerd voor het opzetten van een gesloten distributiesysteem (GDS) en de noodzaak tot het aanwijzen van een netbeheerder van dat systeem.

Voor een verdere verduidelijking van dit experiment wordt artikel 7ac onderstaand per lid besproken.

Het eerste lid bevat een eigen definitiebepaling. Omdat het gaat om bepaalde termen die in de rest van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet op een andere wijze worden gebruikt is ervoor gekozen om voor dit artikel een aparte definitiebepaling op te nemen.

Het tweede lid regelt een uitbreiding van het opknipverbod zoals dat is geregeld voor windparken in artikel 1, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998. Voor de formulering van dit lid is ook aangesloten bij dat artikel. Met dit verbod wordt voorkomen dat zonneweides kunstmatig worden opgeknipt in verschillende WOZ-objecten om op die manier aanspraak te kunnen maken op kleinere (en goedkopere) aansluitingen.

Het derde lid maakt het netbeheerders mogelijk om een productie-installatie aan te sluiten op een net dat niet past bij de productiecapaciteit van de installatie. Hiermee wordt voorkomen dat mogelijke ruimte op een net met een lager spanningsniveau ongebruikt blijft. Omdat de productie-installatie in principe aangesloten zou moeten worden op een net met een hoger spanningsniveau moet er wel rekening gehouden worden met anderen die ook een aansluiting op het net met een lager spanningsniveau wensen of in de toekomst kunnen wensen. Het is niet de bedoeling dat het net met een lager spanningsniveau vol raakt door grotere productie-installaties waarvan de productiecapaciteit niet past bij dat net (onderdeel b).

Een netbeheerder zal ook de gevraagde aansluitcapaciteit moeten leveren (onderdeel c). Verder moeten de kosten passend zijn bij de aan te leggen aansluiting. Dit betekent dat de netbeheerder de kosten moet berekenen zoals deze normaal voor de aan te leggen aansluiting worden berekend. De netbeheerder kan niet het tarief in rekening brengen voor de aansluiting op het middenspanningsnet indien op het laagspanningsnet wordt aangesloten. De kosten moeten in dat geval passend zijn voor de aansluiting op het laagspanningsnet.

Het vierde lid maakt een gedeelde aansluiting (cable pooling) mogelijk. Zoals in het algemene deel bij dit artikel wordt uitgelegd gaat het hierbij om twee verschillende situaties. De eerste situatie is het aansluiten van verschillende productie-installaties die niet altijd gelijktijdig op vol vermogen stroom opwekken (wind en zon). De tweede situatie is dat windparken samen of zonneweides samen om een gezamenlijke aansluiting verzoeken. In dat geval worden dus meerdere windparken samen aangesloten of meerdere zonneweides samen aangesloten.

Er is gekozen om aan te sluiten bij de constructie zoals deze ook wordt gebruikt voor studentenwoningen (artikel 1, vierde lid, van de Elektriciteitswet 1998). Door zonneweides en windparken als één WOZ-object te beschouwen voor de toepassing van de Elektriciteitswet 1998 kan worden volstaan met één aansluiting voor een of meerdere windparken of een of meerdere zonneweides samen. De verbindingen die achter de aansluiting bestaan, zijn dan ook geen gesloten distributie systeem en hiervoor hoeft ook geen beheerder voor te worden aangewezen. Een gedeelde aansluiting wordt ook mogelijk gemaakt voor meerdere zonneweides en meerdere windparken.

Dit lid geldt voor zonneweides en windparken die in elkaars onmiddellijke nabijheid staan. De verwachting is dat de kosten voor de aanvragers die gemoeid zijn met het creëren van een gedeelde aansluiting de afbakening zullen zijn voor onmiddellijke nabijheid. Gedacht moet worden aan windparken en zonneweides die op een dusdanige afstand van elkaar liggen waarbij het economisch voordelig is om een gedeelde aansluiting en transportovereenkomst aan te gaan.

Met dit lid wordt een juridische fictie gecreëerd vanaf het moment dat de gezamenlijke aanvraag wordt gedaan. Voor deze constructie is gekozen omdat het van overeenkomstige toepassing verklaren van bepaalde bepalingen uit de Elektriciteitswet 1998 niet hetzelfde effect heeft als deze bepaling. Dit lid biedt geen mogelijkheid om de juridische fictie die wordt gecreëerd door het doen van de aanvraag terug te draaien. Dat betekent dat zolang dit artikellid in werking blijft de windparken en de zonneweides waarvoor een aanvraag wordt gedaan voor de toepassing van de Elektriciteitswet 1998 als één WOZ-object worden gezien. Er kan daarom later ook niet alsnog om een eigen aansluiting worden verzocht.

Het vijfde lid bepaalt de reikwijdte van dit experiment. Gekozen is voor de provincies Drenthe, Flevoland, Friesland, Groningen, Overijssel en daarnaast ook verscheidene gemeenten waarbij er een tekort aan transportcapaciteit dreigt of al bestaat. Het is een omvangrijke lijst omdat de capaciteitsproblemen zich in een groot deel van het land voordoen. De lijst is gebaseerd op informatie van de netbeheerders.

Het zesde lid regelt de looptijd van het experiment. Van de in dit artikel bedoelde afwijkingsbevoegdheid kan tot 1 januari 2025 gebruik worden gemaakt. De verwachting is dat eerder het wetsvoorstel voor de nieuwe Energiewet in werking zal treden. In dat geval zal bij de inwerkingtreding van dat wetsvoorstel worden gekeken hoe de experimenten op grond van dit artikel op een goede manier kunnen overgaan in het nieuwe regime. Indien de nieuwe Energiewet niet voor 1 januari 2025 in werking treedt, zal worden gekeken naar een overgangsregime voor de bestaande experimenten.

Onderdeel F

Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Crisis- en herstelwet in verband met het versnellen van woningbouw en het faciliteren duurzame ontwikkeling in de Tweede Kamer is naar aanleiding van vragen van de fractie van de ChristenUnie toegezegd dat het toepassingsbereik van het projectuitvoeringsbesluit wordt uitgebreid met energieprojecten zoals genoemd in bijlage I bij de Crisis- en herstelwet onder categorie 1, duurzame energie.6 In dit onderdeel wordt hier invulling aan gegeven door opwekking van duurzame energie als bedoeld in bijlage 1, onder 1, bij de Chw toe te voegen aan artikel 8 van het Bu Chw.

Artikel II

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan de mogelijkheid die Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen (PbEG 2001, L 197) (hierna: de smb-richtlijn) in artikel 3, derde lid, geeft voor het uitvoeren van een plan-mer-beoordeling. De grondslag hiervoor was al opgenomen in de Wet milieubeheer die de mogelijkheid biedt om bij algemene maatregel van bestuur categorieën van gevallen aan te wijzen waarin sprake is van kleine gebieden en kleine wijzigingen die geen aanzienlijke milieueffecten hebben, die kunnen worden uitgezonderd van de mer-plicht als mer-plicht alleen volgt uit de passende beoordeling (artikel 7.2a, tweede lid, van de Wet milieubeheer). Deze mogelijkheid van een plan-mer-beoordeling in plaats van een directe plan-mer-plicht geldt alleen voor plannen die mer-plichtig zijn, uitsluitend vanwege het feit dat daarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming.

Eerste lid, onder a

In het eerste lid is nader geduid in welke gevallen een plan-mer-beoordeling kan plaatsvinden voor plannen waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. De gegeven criteria sluiten aan bij de ruimte die artikel 3, derde lid, van de smb-richtlijn biedt, de jurisprudentie van het Hof van Justitie en de toelichting die de Europese Commissie daarbij in haar handreiking heeft opgenomen.7 Het moet gaan om een plan op gemeentelijk niveau, en de omvang van het betrokken gebied vergeleken met die van het totale grondgebied van de betreffende gemeente moet klein zijn.

Eerste lid, onder b, en vierde lid

Het vierde lid geeft een nadere duiding voor de beoordeling of sprake is van een kleine wijziging van een plan waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. Hierbij zal in ieder geval moeten worden gekeken naar de context van het plan en in hoeverre de wijziging aanzienlijke milieueffecten tot gevolg heeft. Het is immers denkbaar dat een wijziging op het eerste gezicht klein lijkt, maar grote gevolgen voor het milieu kan hebben. Wanneer op voorhand al duidelijk is dat de effecten groot zijn en de uitkomst van de mer-beoordeling daarmee helder is, kan de mer-beoordeling achterwege worden gelaten en geldt er direct een verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapport voor dat plan.

Tweede lid

Een plan-mer-beoordeling is uitgesloten als het plan betrekking heeft op een (direct) mer-plichtig project als bedoeld in de kolommen 1 en 2 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. In dat geval is er meteen sprake van de verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapport voor het plan.

Derde lid

Het derde lid bepaalt dat het bevoegd gezag moet beoordelen of er sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Bij de beoordeling of er sprake is van aanzienlijke milieueffecten moet rekening worden gehouden met de criteria van bijlage II bij de smb-richtlijn. De adviseurs en de bestuursorganen die op grond van een wettelijk voorschrift adviseren over de besluiten die benodigd zijn voor de projecten waarop het plan betrekking heeft, moeten worden geraadpleegd. Daarnaast worden ook de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of een door hen aangewezen bestuursorgaan geraadpleegd. Het is niet uitgesloten dat deze Ministers hetzelfde bestuursorgaan aanwijzen. Dit vormt de implementatie van artikel 3, zesde lid, in samenhang met artikel 6, derde lid, van de smb-richtlijn.

Vijfde lid

In het vijfde lid is tot uitdrukking gebracht dat de uitkomst van de plan-mer-beoordeling in (de toelichting bij) het plan wordt opgenomen. Er is dus geen apart plan-mer-beoordelingsbesluit nodig.

Artikel III

In artikel III wordt de inwerkingtreding geregeld. Er wordt afgeweken van de systematiek van vaste verandermomenten en een invoeringstermijn van drie maanden omdat door onmiddellijke inwerkingtreding voor de doelgroep (verschillende overheden) aanmerkelijk publieke nadelen worden voorkomen. De in het besluit betrokken overheden hebben zelf verzocht om de aanwijzing in het besluit. Enkele zijn ook al begonnen met de procedures die moeten leiden tot de besluiten waarin uitvoering wordt gegeven aan de in deze twintigste tranche van het Bu Chw opgenomen experimenten.

Zij zullen worden benadeeld als de besluitvormingsprocedure voor deze experimenten wordt vertraagd als toepassing wordt gegeven aan de regeling inzake vaste verandermomenten en een invoeringstermijn van drie maanden.

Ook wat betreft de wijziging van het Besluit milieueffectrapportage wordt afgeweken van de vaste verandermomenten. Vanwege de urgentie in de praktijk om deze procedurele verplichting weg te nemen om zo verwezenlijking van onder andere kleinschalige woningbouwprojecten te vergemakkelijken, is het noodzakelijk het besluit zo spoedig mogelijk na publicatie in het Staatsblad in werking te laten treden. Om die reden wordt afgeweken van de vaste verandermomenten.

Financiële gevolgen gemeenten

De wijziging van het Besluit milieueffectrapportage loopt vooruit op de mogelijkheden onder de Omgevingswet. In 2014 zijn door SIRA Consulting de bestuurlijke lasten onderzocht van de plan-mer-beoordeling. Een plan-mer-beoordeling geeft netto een reductie van de bestuurlijke lasten voor gemeenten en provincies. Door SIRA is dit ingeschat op € 0,4 miljoen per jaar voor gemeenten en € 0,1 miljoen per jaar voor provincies.

De nieuwe experimenten zijn toegevoegd op verzoek van de bevoegde gezagen. Het is aannemelijk dat deze bestuursorganen de financiële effecten hebben meegewogen bij de beslissing om een experiment al dan niet aan te vragen. De financiële effecten die deze experimenten hebben zijn daarom niet onderzocht.

Regeldruk voor burgers en bedrijven

In deze paragraaf wordt per nieuw experiment ingegaan op de regeldruk effecten.

Op grond van het experiment met de knip dat is opgenomen in artikel 6r kunnen de gemeenten Haarlemmermeer en Waalwijk gebieden aanwijzen waarin voor door de gemeenten te bepalen bouwwerken niet langer getoetst hoeven te worden aan het bestemmingsplan. Concreet betekent dit voor de gemeente dat er minder ambtelijke uren gemaakt hoeven te worden voor het verlenen van een omgevingsvergunning. De mate waarin de regeldruk afneemt, is afhankelijk van de grootte van het gebied en het soort bouwwerken dat niet langer wordt getoetst aan het bestemmingsplan.

Door te regelen dat voor bepaalde bouwwerken geen omgevingsvergunning voor bouwen meer nodig is daalt ook de regeldruk voor burgers en bedrijven in de gemeenten Haarlemmermeer en Waalwijk. Burgers en bedrijven hoeven geen omgevingsvergunning aan te vragen en dus ook geen leges te betalen. De gemeente Haarlemmermeer schat dat de legesinkomsten met 280.000 euro zullen dalen. Daar staat tegenover dat er voor hetzelfde bedrag geen ambtelijke uren gemaakt hoeven te worden.

Op grond van het experiment dat is opgenomen in artikel 7ac kunnen netbeheerders in verschillende provincies en gemeenten de transportcapaciteit voor duurzaam opgewekte energie vergroten. De netbeheerder krijgt daartoe een tweetal mogelijkheden, te weten een opknipverbod van zonneweides en de mogelijkheid tot cable pooling. Aan beide mogelijkheden zijn geen extra handelingen of kosten verbonden voor burgers of bedrijven. Derhalve is er geen sprake van nieuwe regeldrukeffecten. Het kan in voorkomende gevallen wel zo zijn dat het opknipverbod zal leiden tot het gebruik van één aansluiting op een hoger gelegen netvlak waarvoor een tarief geldt dat hoger uitvalt dan de som van de kosten voor meerdere aansluitingen op een lager netvlak.

De aanpassing van het Besluit milieueffectrapportage is voor burgers en bedrijven lastenneutraal. De kosten voor een plan-mer beoordeling worden in eerste instantie bekostigd door het betreffende bevoegd gezag. In sommige gevallen worden de kosten verrekend met de initiatiefnemer. In die gevallen is er sprake van een kleine lastendruk verlichting.

Artikel IV

In artikel IV wordt een citeertitel gegeven.

De Minister voor Milieu en Wonen, S. van Veldhoven-van der Meer


X Noot
1

Zie Stb. 2011, 102, nota van toelichting.

X Noot
2

Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PbEG 2001, L 197).

X Noot
4

Artikel 23, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998.

X Noot
5

Artikel 24, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998.

X Noot
6

Handelingen II, 2018/2019, 35 013, nr. 17, p. 13.

X Noot
7

HvJ EU 21 december 2016, C-444/15 (Associazione Italia Nostra Onlus), en Handreiking ‘Uitvoering van richtlijn 2001/42 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s’, p. 13–14.