Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2015, 475AMvB

Besluit van 30 november 2015 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WNT onder meer in verband met de normering van de bezoldiging van topfunctionarissen zonder dienstbetrekking voor de eerste twaalf maanden van de functievervulling en wijziging van bijlage 1 en 2 bij de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Economische Zaken, van 5 oktober 2015, nr. 2015-0000568078;

Gelet op de artikelen 1.3, tweede en derde lid, 1.9, tweede lid, 2.1, vierde lid, 2.11, 3.1, vijfde lid, 3.8, 5.6, tweede lid, en 7.4a, tweede lid, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 november 2015, nr. W04.15.0347/1);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Economische Zaken, van 24 november 2015, nr. 2015-0000679769;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Uitvoeringsbesluit WNT wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. een uit een wettelijk voorschrift, een collectieve arbeidsovereenkomst of reguliere arbeidsvoorwaarden voortvloeiende uitkering of verstrekking die wordt toegekend in verband met het bereiken van een bepaalde diensttijd;

B

Na artikel 2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2a

Als incidenteel inkomensbestanddeel als bedoeld in artikel 1.9, tweede lid, van de wet, dat geen onderdeel van de bezoldiging vormt, wordt aangemerkt een uitkering of verstrekking als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de Wet op de loonbelasting 1964.

C

In artikel 3 wordt aan het slot, onder vervanging van de punt door een komma, een zinsdeel toegevoegd, luidende: vermeerderd met de kosten verbonden aan de werkzaamheden van een accountant in verband met de verzameling en de controle van gegevens, tot een maximum van € 12.000.

D

De artikelen 4 tot en met 7 komen te luiden:

Artikel 4

  • 1. Indien de functie van topfunctionaris wordt vervuld anders dan op grond van een dienstbetrekking, komen partijen voor de duur van de functievervulling tot en met twaalf kalendermaanden geen bezoldiging overeen die hoger is dan de som van € 24.000 per kalendermaand voor de eerste zes kalendermaanden van de functievervulling en € 18.000 per kalendermaand voor de zevende tot en met de twaalfde kalendermaand van de functievervulling.

  • 2. Onverminderd het eerste lid, komen partijen voor de duur van de functievervulling tot en met twaalf kalendermaanden geen bezoldiging overeen die meer bedraagt dan € 175 per uur.

  • 3. In geval de vervulling van de functie van topfunctionaris anders dan op grond van een dienstbetrekking na het verstrijken van de twaalfde kalendermaand van de functievervulling wordt voortgezet, is artikel 2.1, vierde lid, eerste volzin, en zesde lid, van de wet van toepassing.

  • 4. Indien de functievervulling voor zes kalendermaanden of minder is onderbroken, worden voor de toepassing van het eerste en derde lid de voor en na de onderbreking gewerkte kalendermaanden bij elkaar opgeteld.

  • 5. De bedragen, genoemd in het eerste en tweede lid, worden telkens per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd in verband met de ontwikkeling van de contractuele loonkosten voor de overheid zoals deze in het jaar van vaststellen van de ministeriële regeling voor het daaraan voorafgaande jaar door het Centraal Bureau voor de Statistiek is vastgesteld, tenzij die ontwikkeling niet leidt tot een verhoging van de bedragen. De bedragen, genoemd in het eerste en tweede lid, worden afgerond op vijfhonderd euro’s onderscheidenlijk op euro’s.

  • 6. De ministeriële regeling, bedoeld in het vijfde lid, wordt bekend gemaakt vóór 1 november voorafgaand aan het jaar waarop de wijziging betrekking heeft.

Artikel 5

  • 1. Onze Minister wie het aangaat en Onze Minister kunnen gezamenlijk besluiten dat partijen bij dat besluit vast te stellen hogere bedragen mogen overeenkomen dan de bedragen, genoemd in artikel 4, eerste en tweede lid en het op grond van het derde lid toepasselijke bedrag.

  • 2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 6

  • 1. Onze Minister wie het aangaat kan, gehoord Onze Minister, bij een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de wet voor de in dat lid bedoelde categorie rechtspersonen en instellingen hogere bedragen vaststellen dan de bedragen, genoemd in artikel 4, eerste en tweede lid.

  • 2. Artikel 4, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing indien op grond van het eerste lid hogere bedragen zijn vastgesteld, met dien verstande dat in het derde lid in plaats van «artikel 2.1, vierde lid, eerste volzin, en zesde lid, van de wet» gelezen wordt: artikel 3.1, vijfde lid, eerste volzin, van de wet.

  • 3. De betrokken rechtspersonen of instellingen, bedoeld in de bijlage bij artikel 1.4, van de wet of een samenwerkingsverband van deze rechtspersonen of instellingen kunnen uiterlijk in de maand september voorafgaand aan het jaar waarop de bedragen betrekking hebben, aan Onze Minister wie het aangaat een voorstel doen voor de bedragen, bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Onze Minister wie het aangaat stelt, gehoord Onze Minister, de bedragen, bedoeld in het eerste lid, jaarlijks vast uiterlijk in de maand november voorafgaand aan het jaar waarop die bedragen betrekking hebben.

Artikel 7

  • 1. Een tussen partijen voor 1 januari 2016 overeengekomen bezoldiging die op enig moment na die datum meer bedraagt dan het op grond van of krachtens de wet van toepassing zijnde bezoldigingsmaximum, is toegestaan voor ten hoogste vier jaar na de datum waarop het toepasselijke bezoldigingsmaximum eerst wordt overschreden, tenzij op grond van artikel 7.3 eerste tot en met derde lid of achtste lid, van de wet reeds eerder een periode van ten hoogste vier jaar is aangevangen. De bezoldiging, bedoeld in de vorige volzin, wordt slechts verhoogd, indien deze verhoging en de wijze waarop deze wordt berekend voorafgaand aan 1 januari 2016, tussen partijen zijn overeengekomen. De artikelen 5.4 tot en met 5.6 zijn van toepassing.

  • 2. Indien een in het eerste lid bedoelde periode van vier jaar is verstreken, wordt de overeengekomen bezoldiging in een periode van drie jaar teruggebracht tot het voor de rechtspersoon of instelling geldende maximum overeenkomstig de wijze, bedoeld in artikel 7.3, negende lid, van de wet. Een eventuele overeengekomen verhoging als bedoeld in het eerste lid, blijft buiten toepassing.

  • 3. Indien een dienstverband waarop dit artikel van toepassing is, wordt verlengd, blijft dit artikel na de verlenging buiten verdere toepassing.

ARTIKEL II

De Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector wordt als volgt gewijzigd:

A

De bijlage, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder het opschrift Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a. Onderdeel 3 komt te luiden:

  • 3. De samenwerkingsverbanden, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs.

b. Onderdeel 5 komt te luiden:

  • 5. De samenwerkingsverbanden, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

c. Onderdeel 15 komt te luiden:

  • 15. De Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in artikel 1.5.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

d. In onderdeel 17 wordt «Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie» vervangen door: Onze Minister van Economische Zaken.

e. Onderdeel 18 wordt gewijzigd als volgt:

Na «landelijke» wordt ingevoegd: «en regionale»;

De zinsnede «met uitzondering van de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag, bedoeld in artikel 2.42 van de Mediawet 2008, doch met inbegrip van door deze genootschappen opgerichte rechtspersonen als bedoeld in artikel 2.49, derde lid, van de Mediawet 2008» vervalt.

f. In onderdeel 24 wordt «De Stichting Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (NUFFIC)» vervangen door: De Stichting EP-Nuffic.

2. Onder het opschrift Ministerie van Economische Zaken worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a. Onderdeel 2 vervalt.

b. De onderdelen 3 tot en met 7 worden vernummerd tot 2 tot en met 6.

c. In onderdeel 2 (nieuw) wordt «Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie» vervangen door: Onze Minister van Economische Zaken.

3. Het opschrift Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en onderdeel 1 onder dat opschrift vervallen.

B

In de bijlage, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, onderdeel e, vervalt onderdeel 6.

ARTIKEL III

1. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 mei 2015 ingediende voorstel van wet houdende regels met betrekking tot de productie, het transport, de handel en de levering van elektriciteit en gas (Elektriciteits- en gaswet) (34 199) tot wet is of wordt verheven en artikel 1.1 van die wet eerder in werking is getreden dan artikel II, onderdeel A, onder 2, van dit besluit, komt artikel II, onderdeel A, onder 2, onderdeel b, van dit besluit te luiden:

b. De onderdelen 3 tot en met 6 worden vernummerd tot 2 tot en met 5.

2. Indien het bij koninklijke boodschap van 4 mei 2015 ingediende voorstel van wet houdende regels met betrekking tot de productie, het transport, de handel en de levering van elektriciteit en gas (Elektriciteits- en gaswet) (34 199) tot wet is of wordt verheven en artikel 12.9 van die wet later in werking treedt dan artikel II, onderdeel A, onder 2, van dit besluit, wordt na de inwerking van artikel 1.1 van die wet de tekst onder het opschrift «Ministerie van Economische Zaken» in de bijlage, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector, vervangen door:

  • 1. De instellingen, bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, onder 3°, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

  • 2. De instellingen, bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek waarvoor Onze Minister van Economische Zaken verantwoordelijk is.

  • 3. De Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek te Wageningen.

  • 4. De Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001.

  • 5. De distributiesysteembeheerders, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Elektriciteits- en gaswet.

ARTIKEL IV

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van artikel I, onderdeel D, en artikel II, onderdeel A, onder 1, onderdeel e, onder 2°, die in werking treden met ingang van 1 januari 2016.

  • 2. Artikel I, onderdelen A en B, en artikel II, onderdeel A, onder 1, onderdeel f, en onder 3, werken terug tot en met 1 januari 2015.

  • 3. Artikel II, onderdeel A, onder 1, onderdeel c, en onder 2, onderdelen a en b, en onderdeel B, werkt terug tot en met 1 augustus 2015.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 30 november 2015

Willem-Alexander

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk

Uitgegeven de elfde december 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen deel

1. Inleiding

Met onderhavig besluit worden het Uitvoeringsbesluit WNT en bijlagen 1 en 2 bij de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (hierna: WNT) gewijzigd.

Het hoofdonderdeel van dit besluit betreft de normering van de bezoldiging voor de eerste twaalf maanden van de vervulling van een functie van topfunctionaris anders dan op grond van een dienstbetrekking en is gebaseerd op de artikelen 2.1, vierde lid, 3.1, vijfde lid en 7.4a, tweede lid, van de WNT. Dit onderdeel van het besluit treedt in werking op 1 januari 2016. Voor een uitgebreidere, algemene toelichting op dit onderdeel wordt verwezen naar de volgende paragraaf.

Verder worden in dit besluit de onbelaste jubileumgratificaties uitgezonderd van het bezoldigingsbegrip van de WNT (artikel 1.9 van de WNT). Ook wijzigt onderhavig besluit enkele bestaande artikelen van het Uitvoeringsbesluit WNT. Onder meer wordt de opsomming van toegestane variabele beloningen gewijzigd, in die zin dat alle jubileumgratificaties die op grond van een wettelijk voorschrift, een collectieve arbeidsovereenkomst of reguliere arbeidsvoorwaarden worden toegekend, zijn toegestaan. Verder wordt het bedrag gewijzigd van de kosten voor openbaarmaking van de verplichte WNT-gegevens door de vakminister voor het geval de verantwoordelijke rechtspersoon of instelling1 dit nalaat.

Tot slot wordt de bijlage op enkele redactionele en technische punten geactualiseerd. De samenwerkingsverbanden voor onderwijsondersteuning in het primair en voortgezet onderwijs, de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, en de regionale publieke omroepen worden aan bijlage 1 bij de WNT toegevoegd. De erkende regionale verwijzingscommissies, de regionale expertisecentra, de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, de Werkgeversvereniging Kenniscentra, de Stichting Forum en de verwijzing naar 2.42 omroepen worden van bijlagen 1 en 2 verwijderd. De wijziging van bijlagen 1 en 2 bij de WNT is gebaseerd op artikel 1.3, tweede en derde lid, van de WNT en is in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister van Economische Zaken en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot stand gekomen.

2. De vervulling van een functie van topfunctionaris zonder dienstbetrekking in de eerste periode van twaalf maanden

Noodzaak en doelstelling

Sinds de inwerkingtreding van de WNT geldt dat indien de topfunctionaris zonder dienstbetrekking in een periode van achttien maanden de betreffende functie meer dan zes maanden vervult, zijn bezoldiging wordt genormeerd door de WNT, zoals die gold voor 1 januari 2015.2 Dat betekent het volgende. Bij een functievervulling zonder dienstbetrekking voor de duur van maximaal zes maanden geldt geen normering. Bij een functievervulling zonder dienstbetrekking van langer dan zes maanden geldt de reguliere WNT-normering (het wettelijk bezoldigingsmaximum van € 230.474 of de toepasselijke sectorale norm). Deze normering geldt bovendien met terugwerkende kracht ook voor de eerste zes maanden. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat deze wijze van normering tot 1 januari 2016 geldt, ingevolge artikel 7.4a, eerste lid, van de WNT.

In het eerste jaar na de inwerkingtreding van de WNT bleek dat het ontbreken van een norm voor de bezoldiging van topfunctionarissen zonder dienstbetrekking met een functievervulling van zes maanden of korter kan leiden tot inkomens met een dusdanige hoogte, dat die niet als overeenkomstig de bedoelingen van de WNT kunnen worden aangemerkt.3 De WNT beoogt immers de bezoldiging van topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector naar een maatschappelijk aanvaardbaar, evenwichtig en verantwoord niveau te brengen. Het ontbreken van een normering van de bezoldiging voor de topfunctievervulling zonder dienstbetrekking voor de duur van zes maanden kon dat doel ondermijnen. Ook heeft voormelde regeling tot veel uitvoeringsproblemen geleid, met name wat betreft de normering van de bezoldiging met terugwerkende kracht. Het gevolg is dat opdrachten nog voordat die zijn voltooid, worden beëindigd en de functie van topfunctionaris, mede vanwege de hoogte van de norm, niet voor langere perioden anders dan op grond van een dienstbetrekking kan worden vervuld.

Om deze onbedoelde en ongewenste effecten tegen te gaan, worden op grond van de artikelen 2.1, vierde lid, en 3.1, vijfde lid, van de WNT, zoals deze luiden na de inwerkingtreding van de Wet verlaging bezoldigingsmaximum WNT nadere regels gesteld voor de eerste twaalf maanden waarin een functie van topfunctionaris anders dan op grond van een dienstbetrekking wordt vervuld. Hiermee is beoogd een nieuw stelsel te creëren waarmee de bezoldiging bij een functievervulling zonder dienstbetrekking anders dan voorheen vanaf dag één wordt genormeerd. Door de inwerkingtreding van dit besluit wordt bovendien na twaalf maanden de bezoldiging genormeerd door de WNT of de daarop gebaseerde sectorale ministeriële regelingen. Dit besluit beëindigt de overgangsperiode die op grond van artikel 7.4a, eerste lid, van de WNT tot inwerkingtreding van dit besluit gold en welke was ingegeven om deze regeling zorgvuldig voor te bereiden en de uitvoerbaarheid te onderzoeken.4 Het vormt zo het sluitstuk van de Wet verlaging bezoldigingmaximum WNT. Ook wordt met dit besluit uitvoering gegeven aan de door de Tweede Kamer aanvaarde motie Van Toorenburg/ Van Raak,5 waarin de regering is verzocht om voor functievervulling zonder dienstbetrekking een maximaal per maand te verdienen bedrag te bepalen. Verwezen wordt in dit verband naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Wet verlaging bezoldigingsmaximum WNT. Daarbij is ook toegelicht waarom ervoor is gekozen die normering niet in de wet, maar in lagere regelgeving op te nemen.6

De wijziging van het Uitvoeringsbesluit WNT in artikel I, onderdeel D, van dit besluit geeft uitvoering aan voormelde grondslagbepalingen in de WNT. Met onderhavig besluit wordt derhalve de bezoldiging in verband met functievervulling zonder dienstbetrekking voor de eerste twaalf maanden van de functievervulling genormeerd. Bovendien doet de hoogte van de norm en de nieuw geïntroduceerde systematiek recht aan de bijzonderheden van interim-management en wordt daarmee rekening gehouden met de verschillen in de positie van partijen in vergelijking met functievervulling op basis van een dienstbetrekking.

Strekking van het besluit

Onderhavig besluit regelt wat betreft de bezoldiging voor topfunctievervulling zonder dienstbetrekking, gelet op de relevante grondslagen in de WNT, de volgende drie onderwerpen:

  • a. De algemene wijze van normering voor de eerste twaalf maanden van de functievervulling anders dan op grond van een dienstbetrekking.

  • b. Een grondslag voor de verantwoordelijke minister om voor instellingen waarvoor op grond van artikel 3.1 van de wet hogere bezoldigingsmaxima zijn vastgesteld (de zorgverzekeraars) tevens hogere bezoldigingsmaxima (verhoogde sectorale bezoldigingsmaxima) vast te stellen voor topfunctionarissen zonder dienstbetrekking.

  • c. Een overgangsregeling, neergelegd in het nieuwe artikel 7.

Deze onderdelen (a tot en met c) worden hieronder verder toegelicht.

Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat de verplichting tot openbaarmaking van de bezoldigingsgegevens ten aanzien van topfunctionarissen zonder dienstbetrekking is neergelegd in artikel 4.1, tweede lid, van de WNT. De componenten die tot de bezoldiging worden gerekend in het geval sprake is van functievervulling zonder dienstbetrekking worden nader uitgewerkt in de Uitvoeringsregeling WNT.7 Omdat met de normering is beoogd het all-in bedrag te normeren (exclusief BTW), zal hierin uitdrukkelijk bepaald zijn dat alle kosten voor de inhuur van een topfunctionaris tot de bezoldiging gerekend moeten worden, inclusief ten minste de kosten voor administratie, bureaukosten en (eenmalige) kosten van bemiddeling.

a. Algemene wijze van normering

De normering van de bezoldiging van topfunctionarissen zonder dienstbetrekking die hieronder nader zal worden toegelicht, komt samengevat op het volgende neer:

  • De hoogte van de normering is gekoppeld aan de duur van de functievervulling in kalendermaanden, waarbij voor de eerste zes maanden met een maximum van € 24.000 per kalendermaand gerekend wordt en voor de opvolgende zes kalendermaanden met een maximum van € 18.000 per maand.

  • De bezoldigingsnorm voor de eerste twaalf maanden van de topfunctievervulling zonder dienstbetrekking bedraagt dus in totaal maximaal € 252.000. Dit is een all-in maximumbedrag, exclusief, BTW, maar inclusief administratie- en bureaukosten en kosten van bemiddeling.

  • Hiernaast geldt een maximum uurtarief van € 175, om excessieve bezoldigingen bij parttime functievervulling te voorkomen.

  • Na twaalf maanden topfunctievervulling zonder dienstbetrekking, is de reguliere WNT-norm (respectievelijk de sectorale norm) van toepassing.

De normering van de bezoldiging voor de eerste twaalf maanden van de topfunctievervulling zonder dienstbetrekking heeft in dit besluit derhalve de vorm van een maximumbezoldiging die wordt bepaald aan de hand van de duur van de opdracht. Hierbij wordt voor de eerste zes kalendermaanden gerekend met een bedrag van € 24.000 per kalendermaand en voor de volgende zes maanden met een bedrag van € 18.000 per kalendermaand. Deze bedragen bepalen dus de formule om het maximum te berekenen. Dit zijn geen absolute maxima per kalendermaand, zolang de totale bezoldiging in twaalf maanden lager is dan de som van de bedragen over de gewerkte kalendermaanden. Ter illustratie: bij een functievervulling van twaalf maanden bedraagt het bezoldigingsmaximum € 252.000 (6 maal € 24.000 plus 6 maal € 18.000). Dit mag uitgekeerd worden volgens de genoemde bedragen (€ 24.000 per kalendermaand voor de eerste zes maanden en € 18.000 per kalendermaand voor de volgende zes maanden). Er kan ook voor worden gekozen om per maand het gemiddelde maandbedrag (€ 21.000) uit te keren. Uit de consultatie is gebleken dat deze vorm van normering goed aansluit bij de praktijk, waar opdrachten gemiddeld tussen de zes en twaalf maanden duren. De norm die in een concreet geval van toepassing is, is dus afhankelijk van de duur van de functievervulling door dezelfde topfunctionaris zonder dienstbetrekking. Dit geldt echter niet voor het maximum uurtarief van € 175, dat onverkort geldt voor de eerste twaalf maanden van de functievervulling. Uit artikel 1.6, eerste lid, van de WNT vloeit voort dat betalingen die het toepasselijke bezoldigingsmaximum en het maximumuurtarief overschrijden, onverschuldigd zijn betaald.

Gekozen is voor een normering die wordt berekend aan de hand van twee aflopende maximumbedragen, omdat dit – zoals ook blijkt uit de consultatie – het beste aansluit bij de praktijk van functievervulling zonder dienstbetrekking. Een dergelijke glijdende schaal stelt instellingen in staat om voor de korte termijn en voor korte opdrachten een urgente vervangingsvraag of de behoefte aan specialistische kennis op te vangen. Het hogere bedrag voor de eerste zes maanden maakt het mogelijk om ook bij korte opdrachten voldoende uren te kunnen maken bijvoorbeeld wanneer op korte termijn orde op zaken moet worden gesteld in de bedrijfsvoering, zodat een nieuw te werven topfunctionaris mét dienstbetrekking het werk weer kan overnemen. Ook bij langere opdrachten is het goed voorstelbaar, dat juist in de eerste fase grote inzet geboden is, om snel in te werken in de organisatie. De gekozen systematiek is ook hier voldoende flexibel voor. Tot slot biedt de glijdende schaal de mogelijkheid om een topfunctionaris zonder dienstbetrekking te compenseren voor de (financiële) risico’s die samenhangen met de veelal flexibele kortdurende opdrachten. Hoe langer de topfunctionaris zonder dienstbetrekking werkzaamheden voor een WNT-rechtspersoon of -instelling verricht, hoe meer de functievervulling het karakter van een dienstbetrekking krijgt. Dat heeft tot gevolg dat de bezoldiging, naarmate de werkzaamheden langer duren, meer richting de reguliere WNT-norm verschuift. Duurt de functievervulling door dezelfde topfunctionaris langer dan twaalf maanden, dan is met ingang van de dertiende maand het wettelijke bezoldigingsmaximum dan wel de toepasselijke sectorale maximumnormering van toepassing.

In de hoogte van de twee bedragen voor de eerste zes kalendermaanden en de tweede zes kalendermaanden van de functievervulling maanden is rekening gehouden met niet-declarabele uren als gevolg van acquisitie, eigen administratie, onderzoek, intern overleg, verzuim en verlof. Hierbij is er rekening mee gehouden dat in de eerste periode veelal de grootste inzet geboden is. Bij een bedrag van € 24.000 per maand kan betrokkene met het maximumtarief van € 175 per uur gemiddeld vier dagen per week declareren. Bij het bedrag van € 18.000 kan gemiddeld drie dagen per week worden gedeclareerd. Oftewel, op jaarbasis kan betrokkene met een uurtarief van € 175 dus gemiddeld drie en een halve dag per week declareren. Gemiddeld anderhalve dag per week, ofwel een gebruikelijke 30% van de tijd,8 is zo beschikbaar voor niet-declarabele uren door verlof, verzuim, administratie of acquisitie. Bij een lager tarief, bijvoorbeeld van € 135 per uur (het gemiddelde tarief voor algemene managers in de publieke en semipublieke sector)9 komt de verdeling in de twee genoemde perioden uit op respectievelijk vijf en vier dagen per week. Gelet op de in de interim index genoemde tijdsbesteding van vier tot vijf dagen in het begin van een opdracht en een tijdsbesteding van drie tot vier dagen in het verloop van de opdracht, worden de vastgestelde maxima geacht aan te sluiten bij de praktijk van functievervulling zonder dienstbetrekking.

De bedragen per maand leiden tot een maximum van € 252.000 per jaar. Dit is een factor 1.4 hoger dan het nieuwe (verlaagde) WNT-bezoldigingsmaximum van € 178.000 voor de topfunctionarissen in dienstbetrekking. Zoals in de toelichting hierboven aangegeven is dit hogere maximum gerechtvaardigd door de bijzonderheden bij functievervulling zonder dienstbetrekking.

Hoewel deze bijzonderheden zoals aangegeven sterker meetellen bij korte functievullingen, dient ook over het geheel van de functievervullingen zonder dienstbetrekking rekening te worden gehouden met het feit dat veelal bijzondere competenties gevraagd worden en dat voor de functionaris financiële risico’s bestaan, die bij functievervulling in vaste dienst niet aan de orde zijn. Daarnaast moet worden uitgegaan van aanvullende kosten, zoals overheadkosten en bemiddelingskosten. De combinatie van bovengenoemde risico’s, competenties en bijkomende kosten in het geval van functievervulling zonder dienstbetrekking resulteert in de in de dit besluit voorgestelde normering.

Voor de berekening van de maximale hoogte van de uurnorm is aangesloten bij het kabinetsbesluit over externe inhuur bij het Rijk, naar aanleiding van de motie van het lid De Pater – Van der Meer.10 Hierin wordt het uurtarief gebaseerd op de beloningscomponent van de WNT, uitgaande van de 130%-norm en gecorrigeerd voor verlof en verzuim, werkgeverslasten, bureaumarge en declarabele uren. In het onderhavige besluit wordt hierbij de normverlaging voor het bezoldigingsmaximum WNT in acht genomen. Toepassing van deze normverlaging van 130% naar 100% op het uurtarief van € 225 leidt tot een maximumuurtarief van afgerond € 175. Dit maximumtarief van € 175 geldt voor alle topfunctionarissen zonder dienstbetrekking in de publieke en semipublieke sector, dus inclusief het Rijk. De normering voor de inhuur van anderen dan topfunctionarissen wordt niet door middel van dit besluit geregeld. Niet-topfunctionarissen zonder dienstbetrekking vallen immers buiten de reikwijdte van de WNT. Uiteraard blijft bij de sector Rijk – naast deze normering voor topfunctionarissen zonder dienstbetrekking – wel de bestaande openbaarmakingsverplichting voor de externe inhuur van kracht indien het toepasselijk uurtarief van € 225 wordt overschreden. Deze comply or explain norm voor andere inhuur dan topfunctionarissen geldt niet voor andere sectoren, maar vindt hier wel veel navolging. Thans wordt overigens nog onderzocht of dat maximumuurtarief in het kader van de verlaging van het bezoldigingsmaximum van de WNT verder aanpassing behoeft. Dat onderzoek heeft geen gevolgen voor het in dit besluit voorgestelde maximumtarief voor topfunctionarissen zonder dienstbetrekking.

Benadrukt wordt dat de genoemde bedragen maxima betreffen. Bij elke opdracht kan de instelling zelf bepalen welk tarief zij per uur en per maand honoreren, zij het met inachtneming van de toepasselijke maxima. Hierbij kan bijvoorbeeld meewegen of er al dan niet sprake is van een tussenpartij en van een bureaumarge. Ook biedt de combinatie van een uurnorm en de norm gekoppeld aan de duur van de functievervulling instellingen de flexibiliteit om een balans te vinden tussen inhuur tegen een hoger tarief voor minder uren, of tegen een lager tarief voor meer uren.

b. Verhoogde sectorale bezoldigingsmaxima

Naast de algemene normering voor topfunctionarissen zonder dienstbetrekking wordt in artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit WNT een grondslag gelegd om bij regeling van de verantwoordelijke minister voor instellingen waarvoor op grond van artikel 3.1 van de WNT hogere bezoldigingsmaxima zijn vastgesteld (wat is geschied voor de zorgverzekeraars) tevens hogere bezoldigingsmaxima vast te stellen voor topfunctionarissen zonder diensbetrekking. De mogelijkheid om dergelijke verhoogde sectorale bezoldigingsmaxima vast te stellen is noodzakelijk om te voorkomen dat de maximale bezoldiging op jaarbasis voor topfunctionarissen zonder dienstbetrekking lager uitvallen dan voor topfunctionarissen met een dienstbetrekking.

c. Overgangsregeling

Op grond van artikel 7.4a, eerste lid, van de WNT blijft de wettelijke regeling voor de bezoldiging van topfunctionarissen zonder dienstbetrekking, zoals die voor 1 januari 2015 gold, onverkort van kracht zolang deze algemene maatregel van bestuur nog niet in werking is getreden. Artikel I, onderdeel D, van het besluit heeft tot gevolg dat de normering van de bezoldiging van alle topfunctionarissen zonder dienstbetrekking op verschillende manieren verandert. Bijvoorbeeld:

  • De bezoldiging van topfunctionarissen zonder dienstbetrekking, die zes maanden of korter werkzaam zijn, is tot 1 januari 2016 niet genormeerd. Als gevolg van dit besluit geldt de normering ook bij een functievervulling voor de duur van maximaal zes maanden.

  • Voor de bezoldiging van topfunctionarissen zonder dienstbetrekking die langer dan twaalf maanden werkzaam zijn, geldt tot 1 januari 2016 het wettelijke bezoldigingsmaximum, zoals dat gold voor 1 januari 2015 dan wel de toepasselijke sectorale norm. Als gevolg van dit besluit geldt vanaf de dertiende maand van de functievervulling zonder dienstbetrekking het (verlaagde) wettelijke bezoldigingsmaximum dat met ingang van 1 januari 2015 van toepassing is, onderscheidenlijk de toepasselijke sectorale norm die is aangepast naar aanleiding van de Wet verlaging bezoldigingsmaximum WNT.

Op grond van artikel 7.4a, tweede lid, van de wet is in dit besluit overgangsrecht vastgesteld voor die situaties waarbij betrokkenen door de nieuwe normering wordt benadeeld, zoals in de voorbeelden hiervoor geschetst. Het nieuwe artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit WNT strekt hiertoe. Naar aanleiding van de consultatie is besloten de overgangsregeling aan te laten sluiten bij het overgangsrecht uit de WNT, waarbij voor de inwerkingtreding van dit besluit gemaakte afspraken vanaf het moment dat de norm wordt overschreden voor vier jaar zijn toegestaan. Hierna volgt een afbouwperiode van drie jaar. Deze overgangsregeling is, evenals de overgangsregeling in artikelen 7.3 en 7.3a van de WNT, ingegeven door het recht op ongestoord genot van het eigendom, neergelegd in artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). In dit verband wordt verwezen naar Kamerstukken II 2010/11, 32 600, nr. 3, blz. 29–30 en Kamerstukken II 2013/14, 33 978, nr. 3, blz. 22–24. Bovendien is deze vorm van overgangsrecht zowel passend bij de inhuur van topfunctionarissen, als bij andere langdurige vormen van functievervulling zonder (fictieve) dienstbetrekking.

Naar de mening van de regering is zo – net als bij het overgangsrecht als belegd in artikelen 7.3 en 7.3a van de WNT – een fair balance gevonden tussen de belangen van het individu en het algemeen belang dat is gediend met de normering van de bezoldiging in de publieke en semipublieke sector en de normering van de bezoldiging in het geval van topfunctievervulling zonder dienstbetrekking voor een periode van de twaalf maanden in het bijzonder. De regering gaat er, gelet op het voorgaande, vanuit dat, voor zover onderhavig besluit leidt tot een beperking van het recht op ongestoord genot van het eigendom, deze beperking gerechtvaardigd is en daarmee niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM.

Afbakening van de regeling

De reikwijdte van de regeling voor de normering van de bezoldiging voor functievervulling zonder dienstbetrekking wordt afgebakend door de grondslagen die in artikel 2.1, vierde lid, en artikel 3.1, vijfde lid, van de WNT zijn opgenomen.

Ingevolge de genoemde artikelen geldt de regeling enkel voor topfunctionarissen, werkzaam anders dan op grond van een dienstbetrekking. Voor de definitie van topfunctionaris wordt verwezen naar artikel 1.1, aanhef en onder b, van de WNT. Niet-topfunctionarissen vallen niet onder de reikwijdte van dit besluit. Bij een functievervulling anders dan op grond van een dienstbetrekking, moet onder meer worden gedacht aan de inhuur via een management-bv, een consultant- of adviesbureau of een uitzendbureau, vormen van detachering en terbeschikkingstelling, of de inhuur van een zelfstandige zonder personeel. Opgemerkt wordt dat ingevolge de WNT11 een fictieve dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 wel wordt aangemerkt als een dienstbetrekking. Hiervan is sprake wanneer betrokkene niet op basis van een arbeidsovereenkomst bij de rechtspersoon werkzaam is, maar desalniettemin op de loonlijst staat. De organisatie moet dan ook over de bezoldiging die betrokkene ontvangt loonbelasting en premies volksverzekeringen inhouden. Wanneer de functie van topfunctionaris op grond van een dergelijke fictieve dienstbetrekking wordt verricht, is de bezoldiging niet genormeerd door onderhavig besluit, maar (vanaf de eerste dag van de werkzaamheden) door de reguliere bepalingen van de WNT dan wel de sectorale regelgeving.

Hoewel de leden van de hoogste toezichthoudende organen (interne toezichthouders) ingevolge de WNT ook topfunctionaris zijn, vallen interne toezichthouders zonder dienstbetrekking niet onder dit besluit.12 Interne toezichthouders zijn overigens veelal werkzaam op basis van een fictieve dienstbetrekking en vallen, zoals hiervoor is toegelicht, onder de reikwijdte van de WNT.13

Normering na twaalf kalendermaanden en de termijn van achttien maanden

Wat betreft de artikelen 2.1, vierde lid, en 3.1, vijfde lid, van de WNT wordt op het volgende gewezen. Ingevolge die artikelen is de normering gekoppeld aan de duur van een functievervulling van twaalf maanden binnen een periode van achttien maanden. De periode van achttien maanden is niet bedoeld als afbakening van de normering in tijd (een normering die slechts geldt in een periode van achttien maanden) doch veeleer als veiligheidsklep om zogenoemde draaideurconstructies te voorkomen.14 Een functie van topfunctionaris anders dan op grond van een dienstbetrekking zal veelal in een aaneengesloten periode (de reguliere onderbrekingen, zoals verlof, daarbij meegerekend) worden vervuld. Om deze reden is de normering zoals neergelegd in dit besluit gekoppeld aan de eerste twaalf kalendermaanden waarin de functie daadwerkelijk wordt vervuld. Met ingang van de dertiende kalendermaand van de functievervulling, is de reguliere normering op grond van de WNT (wettelijke bezoldigingsmaximum of sectorale norm) van toepassing. Echter, niet is uitgesloten dat soms een korte onderbreking van de functievervulling zal plaatsvinden. Om in die gevallen voormelde draaideurconstructies te voorkomen, wordt in onderhavig besluit geregeld dat enkel na een onderbreking langer dan zes maanden de normering op grond van dit besluit opnieuw van toepassing wordt. Daarmee wordt, conform de bedoeling van de wetgever, voorkomen dat betrokkenen door korte onderbrekingen in de functievervulling kunnen bewerkstelligen dat steeds de (hogere) normen neergelegd in dit besluit van toepassing blijven. Wat betreft keuze om voor de normering uit te gaan van kalendermaanden wordt verwezen naar de toelichting bij het nieuwe artikel 4.

Impact van de normering

Het aantal functionarissen waarop dit voorstel effect kan hebben, is ingeschat met behulp van de gegevens ten behoeve van de WNT-jaarrapportage 2013. Voor topfunctionarissen zonder dienstbetrekking die korter dan zes maanden hun functie vervulden, gold in dat jaar geen normering. Bij functievervulling langer dan zes maanden gold voor veel van de topfunctionarissen het overgangsrecht, waardoor de bezoldigingsafspraken ongeacht de hoogte en de duur van het dienstverband gerespecteerd werden. De hoogte van de bezoldiging werd daardoor niet of slechts in beperkte mate beïnvloed door de WNT-normering. De cijfers geven derhalve een representatief beeld van wat topfunctionarissen zonder dienstbetrekking in de praktijk voor een functievervulling tot en met twaalf maanden verdienen.

De rapportage laat zien dat topfunctionarissen zonder dienstbetrekking die korter dan zes maanden de functie vervulden gemiddeld een hogere bezoldiging hadden dan topfunctionarissen zonder dienstbetrekking die langer dan zes maanden werkzaam waren. Van de 564 topfunctionarissen die anders dan op grond van een dienstbetrekking werkzaam waren, vervulden 136 van hen de functie korter dan zes maanden (ongenormeerd). Van die voorheen ongenormeerde groep topfunctionarissen zonder dienstbetrekking, heeft op basis van de rapportage circa 11% bezoldigingsafspraken die boven het niveau van de normering van onderhavig besluit uitgaan. Met onderhavig besluit zullen bovenmatige bezoldigingen in deze groep worden teruggedrongen. Uit de jaarrapportage is voorts af te leiden dat van circa 4,5% van de topfunctionarissen zonder dienstbetrekking die langer dan zes maanden de functie vervult, de bezoldiging hoger is dan het bedrag van € 18.000 per maand. Dit percentage is vergelijkbaar met de 4% normoverschrijdingen bij topfunctionarissen met een dienstbetrekking in 2013. Uitgaande van voormelde percentages, is de verwachting dan ook dat de normering zoals voortvloeit uit dit besluit, in het merendeel van de gevallen nog voldoende ruimte zal bieden voor het maken van passende bezoldigingsafspraken, terwijl excessen worden voorkomen.

3. De jubileumgratificatie als toegestane variabele beloning

Het onderhavige besluit wijzigt tevens artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit WNT, waarin een opsomming wordt gegeven van de variabele beloningen die zijn uitgezonderd van het in de WNT (artikelen 2.11 en 3.8) opgenomen verbod op variabele beloningen aan topfunctionarissen. Hierin zijn een eenmalige mobiliteitstoeslag, een eenmalige bindingspremie en een opsomming van diensttijdgratificaties opgenomen. Met de voorliggende wijziging worden niet langer alleen gratificaties ter gelegenheid van het bereiken van een diensttijd van 12½, 25, 40 en 50 jaar toegestaan: ook andere gratificaties ter gelegenheid van het bereiken van een diensttijd die op grond van een wettelijk voorschrift, collectieve arbeidsovereenkomst of reguliere arbeidsvoorwaarden worden toegekend, worden toegestaan. Voor sommige instellingen is het bijvoorbeeld gebruikelijk om een gratificatie toe te kennen bij het bereiken van een diensttijd van 10 jaar in plaats van 12,5 jaar of bij een diensttijd van 35 jaar in plaats van 40 of 50 jaar. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor militair personeel.15 Door de wijziging van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit WNT wordt het mogelijk dergelijke reguliere gratificaties toe te kennen, indien deze zijn toegestaan op grond van een wettelijk voorschrift, een collectieve arbeidsovereenkomst dan wel indien de toekenning voorvloeit uit de reguliere arbeidsvoorwaarden. Hieronder vallen ook de afgeleide proportionele gratificaties, die onder voorwaarden worden toegekend indien betrokkene vóór het bereiken van het vereiste aantal dienstjaren, uit dienst treedt. Dergelijke (proportionele) gratificaties worden niet bezwaarlijk geacht, aangezien geen sprake is van een financiële prikkel om betere prestaties te leveren.

Opgemerkt wordt dat in het geval een gratificatie wordt uitgekeerd, deze wel wordt meegerekend tot de bezoldiging. Het totaal aan uitgekeerde bezoldiging (inclusief de mogelijk uitgekeerde gratificaties) mag niet meer mag bedragen dan het wettelijke of sectorale bezoldigingsmaximum. Slechts voor twee gratificaties wordt in het nieuwe artikel 2a hierop een uitzondering gemaakt. Dit is in de volgende paragraaf nader toegelicht.

4. De uitzondering voor incidentele bezoldigingscomponenten die tot de reguliere arbeidsvoorwaarden horen

De artikelen 2.11 en 3.8 van de WNT bevatten een wettelijk verbod op winstdelingen, bonusbetalingen of andere vormen van variabele beloningen aan topfunctionarissen (zoals gratificaties). De gedachte hierachter is dat topfunctionarissen die werken voor de (semi)publieke taak niet financieel geprikkeld behoeven te worden om hun best te doen voor een zo goed mogelijke (semi)publieke dienstverlening. Topfunctionarissen kunnen uitsluitend een variabele beloning ontvangen op basis van het overgangsrecht (artikel 7.3, zevende lid, van de WNT) of indien de variabele beloning is uitgezonderd in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit WNT. Ingevolge laatstgenoemd artikel zijn na inwerkingtreding van onderhavig besluit een eenmalige mobiliteitstoeslag, een eenmalige bindingspremie en alle gratificaties ter gelegenheid van het bereiken van een diensttijd die op grond van een wettelijk voorschrift, een collectieve arbeidsovereenkomst of reguliere arbeidsvoorwaarden worden toegekend, toegestaan (verwezen wordt naar de vorige paragraaf). Deze beloning wordt echter wel tot de bezoldiging gerekend. Wanneer als gevolg van de uitkering hiervan de toepasselijke bezoldigingsnorm wordt overschreden, mag deze niet worden uitgekeerd of moet worden vastgesteld dat de beloning, geheel of wat betreft het gedeelte dat boven de toepasselijke bezoldigingsnorm uitkomt, onverschuldigd is betaald.

Sinds 1 januari 2015 bevat de WNT, in artikel 1.9, tweede lid, een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur incidentele, tot de reguliere arbeidsvoorwaarden horende bezoldigingscomponenten aan te wijzen die geen onderdeel van de bezoldiging in de zin van de WNT vormen en daarmee boven het toepasselijke bezoldigingsmaximum genoten kunnen worden. Daarbij heeft de regering gedacht aan bepaalde reguliere arbeidsvoorwaarden waarvan het onwenselijk is dat topfunctionarissen op of net onder maximum daarvan in materiële zin geen gebruik zouden kunnen maken. Daarentegen moet worden voorkomen dat met toepassing van een dergelijke uitzonderingsbepaling de bezoldiging van topfunctionarissen alsnog stelselmatig en substantieel kan worden verhoogd.16

Op grond van voormelde afweging worden op grond van dit besluit uitsluitend de onbelaste jubileumgratificaties bij het bereiken van een diensttijd van 25 en 40 jaar van het bezoldigingsbegrip zijn uitgezonderd. Andere jubileumgratificaties dan de onbelaste die worden verstrekt bij het bereiken van een diensttijd van 25 en 40 jaar en proportionele gratificaties worden niet van het bezoldigingsbegrip uitgezonderd. Hierin is een waarborg tegen misbruik gelegen, aangezien op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 alleen bij 25 en het 40 jarige ambtsjubileum van een werknemer belastingvrij een gratificatie kan worden verstrekt en deze, anders dan de andere jubileumgratificaties, in de genoemde wet beperkt is tot een maximum van een maandsalaris.17 De afkoop van vakantiedagen is, hoewel bij de indiening van de WNT-2 voor mogelijk werd gehouden,18 niet onder de uitzondering gebracht, omdat vakantiedagen jaarlijks en in die zin op reguliere basis kunnen worden afgekocht. In zoverre is dan ook geen sprake van incidentele bezoldigingscomponenten.19

5. De wijziging van het bedrag van de kosten voor openbaarmaking door de vakminister

Op grond van de WNT is de verantwoordelijke in de zin van deze wet verplicht in het financieel verslaggevingsdocument gegevens op te nemen betreffende de bezoldiging en de ontslaguitkering van topfunctionarissen (artikel 4.1) en van andere functionarissen met een dienstbetrekking die meer dan het bezoldigingsmaximum verdienen (artikel 4.2) of in aanmerking komen voor een ontslaguitkering boven deze norm. Wanneer de verantwoordelijke dit nalaat, is de betrokken minister op grond van artikel 5.6, eerste lid, van de WNT bevoegd deze gegevens alsnog openbaar te laten maken. De kosten die daaruit voortvloeien en die dus door de betreffende minister zijn gemaakt, kunnen worden verhaald op de verantwoordelijke die heeft verzuimd aan de openbaarmakingsverplichting te voldoen. Welk bedrag in rekening wordt gebracht bij de verantwoordelijke is vastgesteld in artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit WNT. Vóór 1 januari 2016 is dit bedrag, bestaande uit de kosten verbonden aan het opstellen van het document en de publicatie ervan, vastgesteld op een vast bedrag van € 1.100. Met het onderhavige besluit wordt dat bedrag gewijzigd, in die zin dat het bedrag dat de vakminister in rekening kan brengen bij de verantwoordelijke is gemaximeerd op € 12.000.

De reden voor de voorgestelde wijziging is dat bij de vaststelling van het bedrag van € 1.100 geen rekening is gehouden met de kosten die moeten worden gemaakt voor het inschakelen van een accountant voor het verzamelen van de WNT-gegevens en de kosten voor een controle door een andere accountant. Achteraf moet dan ook worden geconstateerd dat de totale kosten die in rekening worden gebracht, te laag is ingeschat. Als gevolg van de omstandigheid dat rekening moet worden gehouden met voormelde accountantskosten, is het bovendien niet langer mogelijk een forfaitair bedrag vast te stellen. De hoogte van de accountantskosten is immers afhankelijk van verschillende omstandigheden, zoals de administratie van de instelling en de bereidheid van een instelling om mee te werken aan het verstrekken van gegevens en aan het accountantsonderzoek.

De interne arbeids- en publicatiekosten waren, zoals toegelicht, reeds vastgesteld op € 1.100. Er bestaat thans geen aanleiding dit bedrag te wijzigen. Voor een toelichting van dat bedrag wordt verwezen naar de nota van toelichting bij het Uitvoeringsbesluit WNT (Stb. 2012, 624). De accountantskosten worden als volgt vastgesteld. Een accountant wordt door de desbetreffende minister ingeschakeld na het opvragen van drie offertes bij accountantskantoren waarmee het Rijk dan wel het desbetreffende ministerie een mantelovereenkomst heeft. Dit geldt zowel voor het inschakelen van een accountant voor de verzameling van de gegevens als voor het inschakelen van een andere accountant voor de controle van de gegevens. De hoogte van de uiteindelijk in rekening te brengen kosten, bestaande uit het aantal bestede uren en door de accountant gehanteerde uurtarief, wordt bepaald op basis van de economisch meest voordelige offerte. De hoogte van de offertes zal onder meer afhankelijk zijn van de administratieve eenvoud bij de rechtspersoon of instelling. Indien de instelling de administratie prepared to audit kan aanleveren, wordt ingeschat dat dit ongeveer 16 uur voor het verzamelen van de gegevens en ongeveer 16 uur voor controle vergt. Voor instellingen met een complexere administratie of waar anderszins een in zijn omvang grotere inspanning geleverd moet worden, wordt aangenomen dat de tijdsbesteding tot maximaal vier keer zo hoog kan zijn. Uitgaande van gemiddelde tarieven komt dit bedrag op maximaal € 11.000. Samen met de interne kosten voor de openbaarmaking en publicatie worden de kosten afgerond op € 12.000. Dit betreft een maximum bedrag. In gevallen waarin toepassing wordt gegeven aan artikel 5.6 van de wet zal het concrete voor de accountantskosten bij de WNT-instelling in rekening te brengen bedrag aan de hand van de werkelijke kosten inzichtelijk worden gemaakt. Dit geldt niet voor de vaste kosten van € 1.100.

6. Wijziging van bijlage 1 en 2 bij de WNT

De bijlagen 1 en 2 van de WNT bevatten een opsomming van tot de semipublieke sector behorende rechtspersonen en instellingen waarvoor het wettelijke bezoldigingsmaximum geldt, dan wel een verlaagde sectorale norm.

Kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven / de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven

In dit besluit zijn voornoemde bijlagen aangepast aan de overgang van de wettelijke taken van de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven naar de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven in de Wet van 16 april 2015 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake overgang van de wettelijke taken van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven naar de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (Stb. 2015, 170) (hierna: de Wet overgang wettelijke taken kenniscentra).

In artikel II, onderdeel A, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, en onderdeel B, worden de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven uit bijlage 1 en de Werkgeversvereniging Kenniscentra te Zoetermeer uit bijlage 2 van de WNT geschrapt, omdat de kenniscentra na de overgang van de wettelijke taken naar de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven niet meer door het Rijk worden bekostigd. Gelet op die overgang wordt de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven toegevoegd aan de bijlage 1 (artikel II, onderdeel A, onder 1, onderdeel c, van dit besluit). Op grond van artikel 1.3, eerste lid, onder c, van de WNT valt deze organisatie, zodra zij is aangewezen (op 1 augustus 2015)20 al onder de werkingssfeer van de WNT, maar voor de duidelijkheid wordt zij toch in bijlage 1 opgenomen. Bovendien wordt in artikel II, onderdeel B, de Werkgeversvereniging kenniscentra uit bijlage 2 verwijderd.

Artikel IV van de Wet overgang wettelijke taken kenniscentra beoogt hetzelfde te regelen als artikel II, onderdeel A, onder 1, onderdeel c, en onder 2, onderdeel a, van het onderhavige besluit. Door een vernummering in bijlage 1 van de WNT bij de Aanpassingswet WNT, worden in genoemd artikel IV echter de verkeerde organisaties uit bijlage 1 van de WNT van de bijlage verwijderd. Het onderhavige besluit verbetert dit. Artikel IV van de Wet overgang wettelijke taken kenniscentra is niet in werking getreden.21 Het artikel zal zo spoedig mogelijk komen te vervallen.

Regionale verwijzingscommissies en de regionale expertisecentra / Samenwerkingsverbanden in het funderend onderwijs

Voorts zijn de bijlagen aangepast aan de wijzigingen in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra als gevolg van de invoering van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) (hierna: de Wet passend onderwijs).

De regionale verwijzingscommissies en de regionale expertisecentra zijn met ingang van 1 augustus 2014 met de Wet passend onderwijs opgeheven en in plaats daarvan zijn de samenwerkingsverbanden in het funderend onderwijs gevormd. Gelet hierop regelt dit besluit dat deze commissies en expertisecentra worden verwijderd uit bijlage 1 en de samenwerkingsverbanden in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs worden toegevoegd (artikel II, onderdeel A, onder 1, onderdelen a en b). De samenwerkingsverbanden passend onderwijs hebben de vorm van privaatrechtelijke rechtspersonen, die zijn opgericht door de aangesloten bevoegde gezagsorganen. De bevoegde gezagsorganen van de scholen en instellingen vormen gezamenlijk het bestuur van deze rechtspersoon en zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het functioneren van het samenwerkingsverband. Met ingang van 1 augustus 2014 hebben de samenwerkingsverbanden wettelijke taken op het gebied van het beleid, de toewijzing en de bekostiging van de extra ondersteuning binnen het funderend onderwijs, voor de uitoefening waarvan zij door het Rijk worden bekostigd. De samenwerkingsverbanden zijn om die reden, zoals de regionale verwijzingscommissies en de regionale expertisecentra dat ook waren, WNT-instellingen.

De regionale publieke omroepen

Dit besluit wijzigt bijlage 1 bij de WNT, in die zin dat de regionale publieke omroepen daaraan worden toegevoegd. Deze omroepen vallen al met ingang van 1 januari 2013 (inwerkingtreding WNT) onder de WNT, omdat zij door de provincies werden gesubsidieerd (artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder c, van de WNT). Sinds 1 januari 2014 worden de regionale publieke omroepen echter door het Rijk bekostigd.22 Die bekostiging komt ten laste van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Daarom worden de regionale publieke omroepen thans in de bijlage van de WNT onder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap opgenomen (artikel II, onderdeel A, onder 1, onderdeel e, onder 1°). Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat lokale omroepen nog altijd door gemeenten worden gesubsidieerd en derhalve WNT-instellingen zijn die onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vallen.

De 2.42-omroepen

Daarnaast wordt de verwijzing naar de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag, bedoeld in artikel 2.42 van de Mediawet 2008 (van de bijlage uitgezonderd en dus geen WNT-instelling) en door deze genootschappen opgerichte rechtspersonen als bedoeld in artikel 2.49, derde lid, van de Mediawet 2008 (aangemerkt als WNT-instelling) verwijderd.

De kerkelijke en levensbeschouwelijke programmering kwam tot stand door kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag die daarvoor werden aangewezen. Zij hadden op basis van hun aanwijzing recht op eigen budget en zendtijd. De noodzaak tot bezuinigen heeft de regering doen besluiten om het budget voor deze zogenoemde 2.42-omroepen te schrappen. Dat geldt eveneens voor de door deze genootschappen opgerichte rechtspersonen als bedoeld in artikel 2.49, derde lid, van de Mediawet 2008. Deze wijziging zal op grond van de Wet wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren23 in werking treden op 1 januari 2016.24 Gelet hierop is er met ingang van 1 januari 2016 geen aanleiding meer om de 2.42-omroepen van de bijlage uit te zonderen en de door deze genootschappen opgerichte rechtspersonen op de bijlage op te nemen (artikel II, onderdeel A, onder 1, onderdeel e, onder 2°).

Stichting EP-Nuffic

Door een fusie per 1 januari 2015 van de Stichting Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (NUFFIC) met het Europees Platform is de naam van deze Stichting gewijzigd in Stichting EP-Nuffic. Deze naamswijziging wordt doorgevoerd in de bijlage (artikel II, onderdeel A, onder 1, onderdeel f).

Stichting Forum

De subsidie is met ingang van 1 januari 2015 stopgezet omdat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Raad van Toezicht van FORUM gezamenlijk tot de conclusie zijn gekomen dat FORUM zich niet zal kunnen ontwikkelen tot een kwalitatief hoogwaardige, flexibele kennismakelaar.25 Deze stichting is opgeheven. Om deze reden wordt deze stichting van bijlage 1 verwijderd. Aangezien in die bijlage voorts geen andere rechtspersonen of instellingen onder het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vallen, wordt dat opschrift eveneens verwijderd. Zie artikel II, onderdeel A, onder 3.

Ten slotte wordt bijlage 1 geactualiseerd, zodat niet langer wordt verwezen naar de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, maar de minister van Economische Zaken.

7. Consultatie

Het ontwerpbesluit was onderwerp van consultatie van 9 juli 2015 tot en met 31 augustus 2015. Zowel digitaal als schriftelijk kon op het ontwerp gereageerd worden. Verschillende brancheverenigingen (72 totaal), beroepsorganisaties en andere belanghebbenden zijn per brief uitgenodigd te reageren op het ontwerpbesluit. Er zijn reacties ontvangen van 26 organisaties. Enkele van deze organisaties hebben gezamenlijk gereageerd. Hiernaast hebben zevenorganisaties aangegeven geen opmerkingen te hebben bij het ontwerpbesluit.

De reacties op het ontwerpbesluit zijn overwegend positief. Zowel over de algemene onderdelen van dit besluit (artikel I, onderdelen A tot en met C) als met betrekking tot de voorgestelde wijze van normering van topfunctionarissen zonder dienstbetrekking (onderdeel D). Met name op de vereenvoudiging en uitvoerbaarheid, maar ook op de hoogte en wijze van de normering wordt positief gereageerd. Men kan zich vinden in de balans die gezocht is in het tegengaan van bovenmatige bezoldigingen en een normering die recht doet aan de praktijk van inhuur van topfunctionarissen (waarbij bijvoorbeeld extra kosten gemoeid zijn). Ook een norm die is gebaseerd op maandbedragen die voor de eerste zes kalendermaanden hoger zijn dan voor de tweede zes kalendermaanden van de functievervulling, wordt als realistisch beoordeeld. Naar aanleiding van verschillende reacties is de systematiek enigszins aangepast. In het ontwerpbesluit was een harde norm per zes maanden opgenomen. Om de uitvoerbaarheid en controleerbaarheid van de regeling te vergroten, is hiervan afgestapt en is gekozen voor een normering gekoppeld aan de duur van de functievervulling (zie hiervoor onder paragraaf 2 van deze toelichting).

Vanuit de zorg en enkele zelfstandige bestuursorganen werden enkele zorgen geuit of de maxima afdoende zijn voor de inhuur van topfunctionarissen. Tevens wordt gevraagd waarom er geen uitzonderingen op functieniveau worden toegestaan. De regering is van mening dat met de voorgestelde normering afdoende tegemoet gekomen wordt aan de bijzondere rechtspositie en kosten die gepaard gaan met de inhuur van topfunctionarissen. De gegevens uit de WNT-jaarrapportage 2013 tonen aan dat inhuur van topfunctionarissen met deze normering mogelijk blijft en dat tegelijk bovenmatige bezoldigingen tegengegaan worden. Voor individuele gevallen is het op grond van het nieuwe artikel 5 mogelijk een uitzondering te maken. Uitzonderingen op functieniveau sluiten niet aan bij het concept van inhuur van topfunctionarissen. Uitzonderingen op functieniveau bestaan voor structurele wervingsproblemen voor specifieke functies. Inhuur biedt in zichzelf juist een oplossing voor wervingsproblemen en de voorgelegde normering zou hiervoor moeten volstaan. Overigens zal de normering van topfunctionarissen zonder dienstbetrekking (en de hoogte hiervan) meegenomen worden in de tweede wetsevaluatie.

Verschillende partijen hebben opmerkingen geplaatst over het overgangsrecht. In het ontwerpbesluit was voorzien in een overgangsperiode van zes maanden. De gedachte hierachter was dat de inhuur van topfunctionarissen veelal een kortdurend karakter heeft en dat zes maanden hiervoor afdoende zouden zijn. Echter, dit overgangsrecht raakt onbedoeld ook andere, langdurige, vormen van functievervulling zonder dienstbetrekking. Zij zouden dan – anders dan hun collega’s met een dienstbetrekking – vanaf 1 juli 2017 aan het maximum moeten voldoen zoals deze na inwerkingtreding van de Wet verlaging bezoldigingsmaximum WNT geldt. Vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid is daarom een uniform overgangsrecht, overeenkomstig de WNT opgenomen. Dit overgangsrecht is – juist vanwege het veelal kortdurende karakter van inhuur van topfunctionarissen – ook afdoende voor de overige, kortere opdrachten. Hiervoor geldt dat indien de opdracht verlengd wordt na inwerkingtreding van dit besluit, het overgangsrecht komt te vervallen. Dit is verduidelijkt middels toevoeging van lid 3 in het nieuwe artikel 7 uit onderdeel D (zie tevens de artikelsgewijze toelichting).

8. Administratieve lasten

Administratieve lasten en nalevingskosten voor betrokken rechtspersonen en instellingen die uit de WNT voortvloeien, zijn het gevolg van de publicatie van bezoldigingsgegevens in het financieel jaarverslag, de inschakeling van een accountant om het financieel jaarverslag op dit punt te controleren en de elektronische melding van deze gegevens aan de desbetreffende vakminister. Deze verplichtingen golden voor de inwerkingtreding van dit besluit reeds voor alle gevallen waarin sprake was van vervulling van een topfunctie anders dan op grond van een dienstbetrekking, ongeacht de duur van de functievervulling. De verwachting is dan ook dat onderhavig besluit niet zal leiden tot een toename van de administratieve lasten en de nalevingskosten voor een rechtspersoon of instelling. Verwacht wordt dat de nieuwe normering beter aansluit bij bestaande administraties dan in voorgaande regelgeving het geval was. Ook in het geval de toepassing van de nieuwe normering wel zal leiden tot bijvoorbeeld een aanpassing in de administratie van de WNT-instelling onder meer vanwege de maximum uurnorm, is de verwachting dat dit niet zal leiden tot een significante verhoging van de nalevingskosten. Bovendien zal de eenduidige toepassing van de regeling waarbij niet langer onder omstandigheden een terugwerkende kracht van toepassing wordt, juist een lastenvermindering moeten betekenen.

Voor de regionale publieke omroepen zal in de praktijk niets veranderen, omdat deze reeds onder de WNT vielen en op deze omroepen ook reeds het wettelijke bezoldigingsmaximum van toepassing was. De wijziging betreft in dit opzicht enkel een actualisering van de bijlage. In zoverre leidt onderhavig besluit dan ook niet tot een verhoging van de administratieve lasten en nalevingskosten. Dat geldt eveneens voor de overige onderdelen van dit besluit.

Los van het voorgaande wordt er volledigheidshalve op geattendeerd dat wat betreft de WNT als zodanig een algehele evaluatie van de administratieve lasten zal plaatsvinden in het kader van de wetsevaluatie die ik eind 2015 aan beide kamers der Staten-Generaal zal zenden.

9. Inwerkingtreding

Onderhavig besluit treedt wat betreft de normering van de bezoldiging bij kortdurende topfunctievervulling zonder dienstbetrekking en het vervallen van de verwijzing in bijlage 1 naar de kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en de door deze genootschappen opgerichte rechtspersonen als bedoeld in artikel 2.49, derde lid, van de Mediawet 2008 in werking met ingang van 1 januari 2016. Het besluit treedt wat betreft de overige onderdelen in werking op de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Het betreft:

  • de aanwijzing van reguliere incidentele bezoldigingscomponenten die geen onderdeel van de bezoldiging vormen;

  • de wijziging van de opsomming van toegestane variabele beloningen;

  • de wijziging van het bedrag van de kosten voor openbaarmaking door de vakminister;

  • de overige wijzigingen van bijlage 1 en de wijziging van bijlage 2 bij de WNT

De onmiddellijke werking van het onderdeel betreffende de wijziging van het bedrag van de kosten voor openbaarmaking van de verplichte gegevens door de vakminister is van belang, opdat in het kader van de handhaving zo spoedig mogelijk een daadwerkelijk kostendekkend bedrag in rekening kan worden gebracht voor de openbaarmaking van WNT-gegevens door de vakminister. Een onmiddellijke inwerkingtreding van de wijziging van bijlage 1 van de WNT wordt niet bezwaarlijk geacht voor de regionale publieke omroepen en de samenwerkingsverbanden in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs, die op het moment van inwerkingtreding van de betreffende onderdelen van dit besluit reeds als WNT-instelling worden aangemerkt. Voor deze rechtspersonen verandert deze wijziging in de praktijk niets.

De onderdelen wat betreft de aanwijzing van reguliere incidentele bezoldigingscomponenten die geen onderdeel van de bezoldiging vormen en de aanpassing van de opsomming van toegestane variabele beloningen (alle gratificaties ter gelegenheid van het bereiken van een diensttijd die op grond van een wettelijk voorschrift, een collectieve arbeidsovereenkomst of reguliere arbeidsvoorwaarden worden toegekend), werken gelet op het begunstigende karakter van de bepalingen, terug tot en met 1 januari 2015. Gekozen is voor 1 januari 2015, aangezien in de WNT eerst met ingang van die datum door de inwerkingtreding van de Wet verlaging bezoldigingsmaximum WNT een grondslag is opgenomen om bepaalde incidentele bezoldigingscomponenten van het bezoldigingsbegrip uit te zonderen.

De wijziging van bijlage 1 wat betreft Stichting EP-Nuffic en Stichting Forum werken terug tot en met 1 januari 2015, omdat de naamswijziging met ingang van die datum heeft plaatsgevonden onderscheidenlijk de opheffing van de stichting op die datum heeft plaatsgevonden. De toevoeging van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven aan bijlage en het verwijderen van de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven en de Werkgeversvereniging Kenniscentra uit bijlagen 1 en 2 werken terug tot en met 1 augustus 2015, omdat met ingang van die datum de wettelijke taken zijn overgegaan van de kenniscentra naar Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven.26

Artikelsgewijs deel

Artikel I

A

Dit onderdeel regelt de wijziging van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit WNT (de opsomming van toegestane variabele beloningen die worden aangemerkt als uitzonderingen op het verbod van dergelijke beloningen), in die zin dat alle gratificaties ter gelegenheid van het bereiken van een bepaalde diensttijd die op grond van een wettelijk voorschrift, een collectieve arbeidsovereenkomst of reguliere arbeidsvoorwaarden worden toegekend, zijn toegestaan. Onder dergelijke gratificaties kunnen proportionele gratificaties vallen, die worden uitgekeerd vóór het bereiken van de diensttijdjaren waarvoor een gratificatie wordt toegekend. Dit is uitgebreider toegelicht in het algemene deel van de toelichting, paragraaf 4.

B

Dit onderdeel regelt dat (alleen) de onbelaste jubileumgratificaties bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder o, van de Wet op de Loonbelasting 1964 niet tot de bezoldiging worden gerekend en dat deze derhalve kunnen worden verstrekt, zonder dat daarbij rekening hoeft te worden gehouden met de toepasselijke WNT-norm. Het gaat om een jubileumgratificatie bij het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 en 40 jaar waarbij ook wordt voldaan aan de overige vereisten die voortvloeien uit artikel 11, eerste lid, onder o, van de Wet op de Loonbelasting 1964. Gerelateerde proportionele gratificaties zijn niet van het bezoldigingsbegrip uitgezonderd. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit artikel geen aanspraak biedt op de betreffende jubileumgratificaties. Een uitgebreide toelichting is opgenomen in het algemene deel van de toelichting, paragraaf 3.

C

Dit onderdeel wijzigt het bedrag van de kosten dat bij een verantwoordelijke in rekening wordt gebracht voor de openbaarmaking van WNT-gegevens door de vakminister. In het artikel wordt uitgegaan van kosten voor het inschakelen van een accountant voor de verzameling van WNT-gegevens en de controle van die gegevens. Daarvoor zullen in de praktijk twee verschillende accountants moeten worden ingeschakeld, aangezien de controle van de gegevens plaatsvindt door een andere accountant dan die de gegevens heeft verzameld en vastgesteld. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar het algemene deel van de toelichting, paragraaf 5.

D
Artikel 4, eerste en tweede lid,

Het nieuwe artikel 4 legt aan partijen de verplichting op om, in het geval een functie van topfunctionaris wordt vervuld anders dan op grond van een dienstbetrekking, voor de eerste twaalf kalendermaanden van de functievervulling geen bezoldiging overeen te komen die hoger is dan het maximum zoals dat op grond van het eerste lid en de daarin aangegeven bedragen per maand wordt bepaald. De uurnorm, neergelegd in het tweede lid, geldt voor de gehele periode van de eerste twaalf maanden van de functievervulling.

Voor de normering op grond van het eerste lid wordt uitgegaan van kalendermaanden. De kalendermaanden waarin betrokkene werkt, bepalen de duur van de functievervulling en daarmee het toepasselijke maximum. Dit betekent dat ook de kalendermaanden waarin gedeeltelijk wordt gewerkt volledig tot de duur van de functievervulling worden gerekend. Alleen kalendermaanden waarin in het geheel niet wordt gewerkt, worden niet tot de duur van de functievervulling gerekend.

 

Voorbeeld: betrokkene is in de periode tussen 15 september 2016 en 5 maart 2017 werkzaam bij een WNT-instelling als topfunctionaris zonder diensbetrekking. In de periode 1 december tot en met 8 januari 2017 heeft betrokkene niet gewerkt. Betrokkene heeft in voormelde periode dan zes kalendermaanden de functie vervuld (de maanden september tot en met november 2016 en januari tot en met maart 2017). Voor de periode 15 september 2016 en 5 maart 2017 mag de bezoldiging niet meer bedragen dan 6 maal € 24.000, oftewel € 144.000.

Deze uitleg sluit aan bij de in het algemene deel van de toelichting geschetste systematiek van de normering van de bezoldiging bij functievervulling zonder dienstbetrekking, waarbij rekening is gehouden met periodes die niet-declarabel zijn. Deze periodes kunnen gedurende de opdracht voorkomen (tussentijdse onderbrekingen wegens ziekte of verlof) of plaatsvinden aan het begin of einde van de opdracht als er gedurende de opdracht geen ruimte is om afwezig te zijn. De in artikel 4 bepaalde wijze van normering stelt partijen in staat de verdeling van declarabele en niet-declarabele tijd zelf in te richten en te spreiden over de duur van de functievervulling. Hierdoor is bijvoorbeeld mogelijk om enkele weken vrij te nemen vanwege vakantie, terwijl in andere weken meer uren kan worden gedeclareerd. Door de normering te koppelen aan kalendermaanden is het weliswaar mogelijk dat het (lagere) wettelijke bezoldigingsmaximum in tijd bezien sneller van toepassing wordt, maar daar staat voormelde flexibiliteit tegenover. Een bijkomstig voordeel is bovendien dat een normering, gekoppeld aan de functievervulling per kalendermaand, in de uitvoering eenvoudig toepasbaar is en onnodige administratieve lasten voorkomt. Immers, voorkomen wordt dat voor de vaststelling van het toepasselijk bezoldigingsmaximum steeds moet worden vastgesteld hoeveel uren/dagen betrokkene in een maand heeft gewerkt. Het maximum uurtarief blijft overigens van kracht en voorkomt dat in een korte tijd excessief gedeclareerd kan worden.

Onder partijen, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, moet ingevolge de WNT27 worden verstaan de instelling, de topfunctionaris zonder dienstbetrekking en indien van toepassing de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de topfunctionaris ter beschikking stelt. Dit laat echter onverlet dat de normering is gekoppeld aan de vervulling van een bepaalde topfunctie bij een instelling door dezelfde functionaris zonder dienstbetrekking. Als topfunctionaris zonder dienstbetrekking A wordt opgevolgd door topfunctionaris zonder dienstbetrekking B wordt de maximum bezoldigingsnorm dus geheel opnieuw bepaald. Immers, ook voor de laatstgenoemde topfunctionaris zal gelden dat hij in de eerste werkzame periode, bijvoorbeeld met het oog op de inwerkperiode, meer uren werkzaam zal moeten zijn dan in de opvolgende periodes (verwezen wordt ook naar het algemene deel van de toelichting, paragraaf 2). Daarentegen betekent dit dat in het geval een functionaris de eerste zes maanden door Bureau 1 wordt uitgeleend voor vervulling van een topfunctie anders dan op grond van een dienstbetrekking en vervolgens voor de volgende zes maanden via Bureau 2 wordt uitgeleend voor vervulling van dezelfde functie, de normering zoals die voortvloeit uit het nieuwe artikel 4, van toepassing blijft op de topfunctionaris zonder dienstbetrekking.

Artikel 4, derde lid en vierde lid

Wanneer de functie van topfunctionaris meer dan twaalf kalendermaanden is vervuld anders dan op grond van een dienstbetrekking, is op de normering met ingang van de dertiende kalendermaand niet meer het Uitvoeringsbesluit WNT, maar rechtstreeks de normering op grond van de WNT of de sectorale regelgeving van toepassing. Op grond van artikel 4, derde lid, geldt dit ook als de functie zelf nog niet twaalf volledige maanden (zoals geregeld in artikel 2.1, vierde lid, van de wet) is vervuld.

 

Voorbeeld: betrokkene is in de periode tussen 15 januari 2016 en 15 januari 2017 werkzaam bij een WNT-instelling als topfunctionaris zonder diensbetrekking. Vanaf 1 januari 2017 is de functie meer dan twaalf kalendermaanden vervuld. Met ingang van 1 januari 2017 is de normering op grond van de WNT of de sectorale regelgeving van toepassing.

Artikel 4, derde lid, regelt tevens dat de WNT of de sectorale regelgeving van toepassing is als de functie in totaal langer dan twaalf maanden is vervuld, maar deze twaalf maanden over meer dan achttien maanden verspreid zijn. Ook dan is artikel 2.1, vierde lid, eerste volzin, en zesde lid van de WNT (nog) niet rechtstreeks van toepassing. Om te voorkomen dat voor deze situaties geen normering geldt, wordt in het derde lid als vangnet geregeld dat de WNT of het sectorale maximum na een functievervulling van twaalf kalendermaanden van toepassing is.

Het vierde lid regelt dat bij onderbrekingen korter dan zes kalendermaanden alle kalendermaanden waarin de functie wordt vervuld worden meegeteld om de duur van de functievervulling voor de berekening van de norm te bepalen.. Duurt de onderbreking langer dan zes maanden, dan vangt na de onderbreking een nieuwe periode van de functievervulling aan. Voor de duur van de functievervulling en de berekening van de toepasselijke norm wordt dus opnieuw geteld. a Dit is overeenkomstig het doel van de wet. Zoals in het algemene deel van de toelichting is toegelicht, wordt een hogere normering (dan het wettelijke bezoldigingsmaximum) gerechtvaardigd geacht voor de eerste twaalf kalendermaanden van functievervulling. Bij een functievervulling langer dan twaalf kalendermaanden wordt een onderscheid in de normering van de bezoldiging van een topfunctionaris zonder een dienstbetrekking en van een topfunctionaris in dienstverband niet langer gerechtvaardigd geacht en geldt derhalve ook voor de topfunctionaris zonder dienstverband het wettelijke bezoldigingsmaximum of de toepasselijke sectorale norm.

Artikel 4, vijfde en zesde lid

In artikel 4, zesde lid, is bepaald dat de maximumbedragen jaarlijks worden geïndexeerd met het percentage, dat het Centraal Bureau voor de Statistiek in het jaar van vaststelling van de ministeriële regeling heeft vastgesteld van de ontwikkeling van de contractuele loonkosten voor de overheid in het daaraan voorafgaande jaar. Deze wijze van indexering komt overeen met de wijze waarop het bezoldigingsmaximum van de WNT sinds 1 januari 2015 wordt geïndexeerd (artikel 2.3, tweede lid, van de WNT). Evenals voor het bezoldigingsmaximum van de WNT is er in het zesde lid bovendien voor gekozen om de maximumbedragen slechts te wijzigen in het geval de indexering leidt tot een verhoging van die bedragen. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt de gewijzigde bedragen bij ministeriële regeling vast en maakt deze bekend voor 1 november voorafgaande aan het jaar waarop de gewijzigde bedragen betrekking zullen hebben. Dit is geregeld in artikel 4, zevende lid.

Artikel 5

Artikel 5 biedt de basis voor een individuele afwijking van de maximumbedragen op grond van artikel 4. Het is mogelijk om af te wijken van de bedragen per maand en de uurnorm, genoemd in artikel 4, eerste en tweede lid. Ook is het mogelijk een hoger maximumbedrag vast te stellen dan het maximumbedrag dat geldt in geval de functie langer dan twaalf kalendermaanden wordt vervuld (artikel 4, derde lid). De betrokken vakminister en Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen in die gevallen gezamenlijk een hoger bezoldigingsmaximum vaststellen. Deze bepaling is, evenals het vergelijkbare artikel 2.4 van de WNT, bedoeld voor die uitzonderlijke situaties waarin onderhavig besluit in de weg staat aan een adequate bemensing op topniveau in de (semi-)publieke sector. Naar verwachting zal die situatie zich slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, die op voorhand niet goed zijn te voorzien, voordoen. Immers, de maximumbedragen van dit besluit die hoger zijn dan het maximumbedrag in de WNT zijn nu juist bedoeld om adequate bemensing voor topfuncties door middel van functievervulling zonder dienstbetrekking mogelijk te maken.

Artikel 6

Artikel 6 kent aan de betrokken vakminister de bevoegdheid toe om hogere bezoldigingsmaxima vast te stellen voor de toepasselijke in de bijlage bij artikel 1.4, eerste lid, van de WNT, aangewezen categorie waarvoor reeds een verhoogde sectorale maximumnorm geldt. Deze verhoogde sectorale maximumnorm van de WNT geldt enkel voor zorgverzekeraars. Ingevolge artikel 6 kan de vakminister voor deze categorie dus eveneens verhoogde maximumnormen vaststellen in het geval de functie van topfunctionaris wordt vervuld anders dan op grond van een dienstbetrekking, voor een periode van twaalf maanden. Uit het tweede lid volgt dat ook de systematiek van de normering zoals neergelegd in artikel 4, derde en vierde lid, ook geldt als er op grond van het eerste lid van artikel 5 hogere bedragen zijn vastgesteld. Wordt de functie langer dan twaalf kalendermaanden vervuld dan is met ingang van de dertiende kalendermaand van de functievervulling de op grond van artikel 3.1, vijfde lid, gebaseerde sectorale norm van overeenkomstige toepassing.

De betreffende bedragen worden jaarlijks uiterlijk in de maand november vastgesteld. De betrokken minister geeft, alvorens bedragen vast te stellen, aan de sector de gelegenheid om ter zake voorstellen te doen. Voorstellen kunnen worden gedaan door WNT-instellingen of door koepelorganisaties. Aangezien de betrokken minister de bedragen uiterlijk in november moet vaststellen, is – conform artikel 3.3 van de WNT – bepaald dat de voorstellen in september moeten zijn ontvangen.

Artikel 7

Dit artikel regelt het overgangsrecht voor op 1 januari 2016 bestaande bezoldigingsafspraken op grond waarvan de bezoldiging op enig moment na 1 januari 2016 hoger is dan het toepasselijke maximum of het maximumuurtarief op grond van dit besluit, of hoger is dan het toepasselijke wettelijke of sectorale maximum. Dit kan gaan om verschillende situaties, waarbij de norm op verschillende momenten kan worden overschreden (zie tevens het algemene deel van de toelichting). Artikel 7, eerste lid, regelt dat bezoldigingsafspraken van voor de inwerkingtreding van dit besluit die op enig moment hoger zijn dan het toepasselijke bezoldigingsmaximum voor vier jaar na dit moment worden gerespecteerd. Hierna wordt de bezoldiging op grond van het tweede lid in drie jaar afgebouwd naar het voor de rechtspersoon of instelling geldende bezoldigingsmaximum. Oftewel, op het moment dat op grond van bestaande afspraken meer wordt uitgekeerd dan aan de hand van de som van de maandbedragen voor de duur van de opdracht is toegestaan, treedt het overgangsrecht in werking. Dit wordt met het volgende voorbeeld geïllustreerd:

 

Voorbeeld 1: partijen hebben afgesproken dat de betrokkene de functie vanaf maart 2015 voor onbepaalde tijd vervult en daarvoor een bezoldiging van € 19.000 per maand ontvangt. Op 1 januari 2016 treedt het voorliggende besluit in werking. Met ingang van die datum is de betrokkene voor de elfde maand ingehuurd als topfunctionaris. Voor de maanden januari en februari 2016 mag de bezoldiging dus totaal niet meer bedragen dan (€ 18.000 maal 2 =) € 36.000. Uitgaande van de overeengekomen bezoldiging van € 19.000 per maand is de bezoldiging met ingang van 1 februari 2016 hoger dan het toepasselijke maximum (€ 19.000 maal 2 = € 38.000). Met ingang van februari 2016 is de overeengekomen bezoldiging voor vier jaar toegestaan tot februari 2020. Met ingang van februari 2020 wordt de bezoldiging tot februari 2023 afgebouwd naar het dan geldende wettelijke bezoldigingsmaximum.

Indien een topfunctionaris zonder dienstbetrekking reeds op grond van artikel 7.3 van de WNT onder het overgangsrecht valt, blijven de termijnen op grond van dit eerst geldende overgangsrecht gelden. Er vangt dan geen nieuwe overgangstermijn aan op grond van dit artikel. De bezoldigingsafspraken waarop het overgangsrecht van toepassing is worden slechts verhoogd, indien deze verhoging en de wijze waarop deze wordt berekend voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit tussen partijen zijn overeengekomen.

Het derde lid van artikel 7 regelt dat in geval van verlenging van de functievervulling het overgangsrecht vervalt. Hier volgt een voorbeeld:

 

Voorbeeld 2: partijen hebben afgesproken dat de betrokkene de functie van oktober 2015 tot en met maart 2016 vervult, voor een bezoldiging van € 200 per uur en € 30.000 per maand. Op 1 januari 2016 treedt het voorliggende besluit in werking. Op grond van dit besluit mag de betrokkene met ingang van 1 januari 2016 niet meer verdienen dan € 175 per uur en voor de periode januari tot en met maart 2016 niet meer dan (€ 24.000 maal 3 =) € 72.000. Met ingang van 1 januari 2016 is de bezoldiging van betrokkene hoger dan het toepasselijke maximum. Ingevolge artikel 7, eerste lid, is dit toegestaan. Indien tussen partijen wordt besloten de opdracht voort te zetten na 1 april 2016, dan vervalt het overgangsrecht en is vanaf dat moment voor de volgende zes maanden de normering zoals belegd in dit besluit van toepassing. Dus geldt in de periode van april 2016 tot en met september 2016 een uurtarief van € 175 en een bezoldigingsmaximum van (€ 18.000 maal 6 =) € 108.000. Na twaalf kalendermaanden functievervulling, dus met ingang van oktober 2016, is het wettelijk bezoldigingsmaximum of een sectoraal maximum van toepassing.

Na het vervallen van het overgangsrecht of het verstrijken ervan, moet worden vastgesteld hoeveel maanden betrokkene de betreffende functie heeft vervuld. Dit betekent niet dat de tot die tijd gewerkte periode alsnog wordt genormeerd. De vaststelling van het aantal gewerkte maanden heeft enkel tot doel om vast te stellen welke norm voor het vervolg van de functievervulling van toepassing is. Hierbij tellen maanden die voor 1 januari 2016 zijn gewerkt mee.

Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat het overgangsrecht is bedoeld voor de gevallen waarin deze regeling ongunstiger is dan de regeling zoals die gold voor 1 januari 2016. Echter, niet is uitgesloten dat een topfunctionaris zonder dienstbetrekking als gevolg van de nieuwe regeling een bezoldiging mag overeenkomen die hoger is dan de bezoldiging die hij voor 1 januari 2016 is overeengekomen. Het overgangsrecht staat hieraan uiteraard niet in de weg.

Artikel II

A en B

Dit artikel regelt de wijziging van bijlagen 1 en 2 bij de WNT. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar het algemene deel van de toelichting, paragraaf 6.

Artikel III

Artikel III regelt de samenloop met het aanhangige wetsvoorstel houdende regels met betrekking tot de productie, het transport, de handel en de levering van elektriciteit en gas (Elektriciteits- en gaswet) (34 199). In dat wetsvoorstel wordt eveneens de bijlage bij artikel 1.3, onderdeel d, van de WNT gewijzigd.

Artikel IV

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van onderhavig besluit. Voor een toelichting daarop wordt verwezen naar de algemene deel van de toelichting, paragraaf 9.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk


X Noot
1

Bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel a, van de WNT.

X Noot
2

Datum van inwerkingtreding van de Wet verlaging bezoldigingsmaximum WNT.

X Noot
3

Kamerstukken II 2014/15, Aanhangsel, nr. 436.

X Noot
4

Kamerstukken II 2014/2015, 33 978, nr. 8.

X Noot
5

Kamerstukken II, 33 715, nrs. 13 en 17.

X Noot
6

Kamerstukken II 2013/14, 33 978, nr. 3, blz. 17 en kamerstukken I 2014/15, 33 978, C, blz. 16.

X Noot
7

De Uitvoeringsregeling WNT wordt hiervoor gelijktijdig met het onderhavige besluit gewijzigd.

X Noot
8

Kamerstukken II vergaderjaar 2009–2010, 32 124, nr. 18.

X Noot
9

Zie Schaekel & Partners (2014), Interim Index 11, Trends en shifts in de markt voor tijdelijk management.

X Noot
10

Kamerstukken II vergaderjaar 2009–2010, 32 124, nr. 18.

X Noot
11

Artikel 1.1, aanhef en onder g, van de WNT.

X Noot
12

Zie ook Kamerstukken II 2014/2015, 33 978, nr. 8

X Noot
13

Zie in dat verband ook Kamerstukken II 2013/14, 33 715, nr. 7.

X Noot
14

Zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32 600, nr. 3, blz. 43.

X Noot
15

Zie artikel 16, onder e, van het Inkomstenbesluit Militairen.

X Noot
16

Kamerstukken II 2014/15, 33 978, nr. 7, blz. 9–10.

X Noot
17

Zie artikel 11, eerste lid, aanhef en onder o, van de Wet op de loonbelasting 1964.

X Noot
18

Kamerstukken II 2014/15, 33 978, nr. 3, blz. 9–10.

X Noot
19

Kamerstukken II 2014/15, 33 978, nr. 7, blz. 9–10.

X Noot
20

Artikel 1.5.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en Stcrt. 2015, 201688.

X Noot
21

Stb. 2015, 214.

X Noot
22

Artikel 2.170 van de Mediawet 2008.

X Noot
23

Stb. 2013, 454.

X Noot
24

Artikel 9.10 van de Mediawet 2008 en Kamerstukken II, 2012/13, 33 541, nr. 3, blz. 19.

X Noot
25

Kamerstukken II, 2013/14, 32 824, nr. 63.

X Noot
27

Artikel 1.1, onderdeel c.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.