Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032124 nr. 18

32 124 Trendnota Arbeidszaken Overheidspersoneel 2010

Nr. 18 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 juli 2010

1. Inleiding

In de motie van het lid De Pater-Van der Meer (CDA), ingediend tijdens de behandeling van de begroting 2010 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 1 december 20091 (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2009–2010, nr. 31, blz. 2894) en naderhand aangenomen, wordt de regering gevraagd om een maximumuurtarief vast te stellen voor externe inhuur door de rijksoverheid voor die gevallen waarin geen gebruik wordt gemaakt van de mantelpartijen. Hierbij dient volgens de motie te worden uitgegaan van een inkomensnorm van € 181.000 en een bureaumarge van 30%. De verantwoording over de naleving dient plaats te vinden bij de jaarlijkse verantwoordingsrapportage over externe inhuur, waarmee dit maximumtarief wordt geïncorporeerd in het sturingsinstrumentarium externe inhuur.

Overweging bij de motie is dat de normering van topinkomens evenzeer dient te gelden voor consultants en interim-managers die door de overheid worden ingehuurd.

In het onderstaande geef ik namens het kabinet aan op welke wijze het kabinet zich voorneemt uitvoering te geven aan de motie.

2. Berekening maximumuurtarief

De gedachte is een tarief te hanteren dat ertoe leidt dat een consultant in dienst van een bureau qua bruto jaarsalaris maximaal uitkomt op de gewenste inkomensnorm. Daarbij dient rekening worden gehouden met de feitelijke manier waarop de bureaus werken. Zo wordt het tarief betaald aan het bureau en komt het niet geheel in handen van de consultant.

Vandaar dat met marges voor bureaukosten en werkgeverslasten rekening moet worden gehouden, alsmede met een aanname over het percentage declareerbare uren dat consultants worden geacht te maken.

Op basis van de ervaringspraktijk met de werkwijze van externe bureaus kan als volgt een maximumuurtarief worden berekend:

Aantal uren op jaarbasis

Uitgaande van 52 werkweken, 5 weken verlof en 1 week uitval door ziekte e.d. resteren 46 effectieve werkweken x 5 werkdagen = 230 werkdagen per jaar.

Een gangbare praktijk bij externe bureaus is dat hiervan 70% dient te worden besteed aan declareerbare uren. De rest gaat zitten in acquisitie, onderzoek, intern overleg, etc. Geen rekening wordt gehouden met inkomensbestanddelen als bonussen e.d.

Dit komt neer op 161 dagen, oftewel 161 x 8 = 1.288 uren, afgerond 1.300 uren.

Bureaumarge plus overige marge

De motie-De Pater noemt een bureaumarge van 30%. Als ervan wordt uitgegaan dat de inkomensnorm het brutosalaris betreft van de ingehuurde consultant moet -behalve met de bureaumarge – ook rekening worden gehouden met de werkgeverslasten (sociale lasten en pensioenpremie) die voor rekening komen van het externe bureau waar de consultant in dienst is.

Daarom wordt gerekend met een bureaumarge voor overhead en winst van 30% én met een opslag voor de werkgeverslasten van 20% (gangbaar gemiddelde).

Inkomensnorm

Als inkomensnorm wordt gehanteerd de maximum bruto bezoldiging voor leden van de zogeheten Top Management groep (TMG), zoals opgenomen in het wetsvoorstel voor de Wet normering uit publieke middelen bekostigde bezoldiging topfunctionarissen (WNT). Deze norm wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld. Voor 2010 bedraagt de norm € 187.340.

Maximumuurtarief

Op basis van bovenstaande uitgangspunten valt het bedoelde maximumuurtarief als volgt te berekenen.

  • € 187.340 + 20% werkgeverslasten = € 224.808 + 30% bureaumarge = € 292.250

  • € 292.250 : 1300 uur = € 224,80 per uur (exclusief BTW).

Dit maximumuurtarief van (afgerond) € 225 komt overeen met een maximumdagtarief van € 1800 (exclusief BTW).

Het beeld is dat door de bank genomen met dit maximumuurtarief externe inhuur van voldoende kwalitatief niveau moet kunnen worden gerealiseerd.

3. Status van het maximumuurtarief

Het hanteren van het maximumuurtarief krijgt de status van een rijksbrede afspraak dat de inhuur buiten de mantelcontracten in principe niet tegen een hoger uurtarief dan € 225 per uur zal plaatsvinden. Het maximumtarief vormt een aanvulling op het sturingsinstrumentarium externe inhuur (de procentuele uitgavennorm). Om niet iedere flexibiliteit weg te nemen wordt ook in dit geval het principe «comply or explain» toegepast. In uitzonderlijke gevallen is het immers voorstelbaar dat een hoger uurtarief moet worden betaald dan het vastgestelde maximum. In die situatie is het aan het desbetreffende ministerie om daar achteraf verantwoording over af te leggen.

4. Verantwoording, ingangsdatum en werkingssfeer

Verantwoording

De verantwoording over de naleving van het maximumuurtarief zal plaatsvinden in de departementale jaarverslagen, te weten in de bijlage met het overzicht van de uitgaven externe inhuur. Gerapporteerd zal worden in hoeveel gevallen inhuur tegen een hoger dan het maximumuurtarief heeft plaatsgevonden, voorzien van een toelichting.

Ingangsdatum

Met het oog op de praktische uitvoerbaarheid geldt de afspraak met betrekking tot het maximumuurtarief voor de inhuurcontracten die vanaf 1 januari 2011 worden afgesloten.

Werkingssfeer

Het kabinet acht het niet goed uitvoerbaar dat er een Nederlandse norm wordt toegepast op opdrachten voor externe inhuur die in het buitenland worden gegeven. Een Nederlandse norm verhoudt zich niet goed tot de verschillende lokale situaties in het buitenland. Daarnaast spelen er praktische punten als valuta-effecten. Het maximumuurtarief voor externe inhuur is dan ook alleen van toepassing op externe inhuur buiten raamovereenkomsten die in Nederland plaatsvindt.

Aangezien de zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) door de ministeries niet worden aangestuurd op aspecten van hun bedrijfsvoering, is deze afspraak voor ZBO’s niet bindend. Ook voor medeoverheden is het niet mogelijk hen aan deze gedragslijn te binden.

5. Relatie met het wetsvoorstel voor de Wet normering uit publieke middelen bekostigde bezoldiging topfunctionarissen (WNT)

Zoals u weet ben ik voornemens in het wetsvoorstel voor de Wet normering uit publieke middelen bekostigde bezoldiging topfunctionarissen (WNT) vast te leggen dat topfuncties in het openbaar bestuur, die binnen een termijn van 18 aaneengesloten maanden langer dan 12 maanden door een externe (interim) worden bezet, niet hoger mogen worden beloond dan de in deze wet vast te stellen norm. Voor de rijksdienst zullen voor de WNT de leden van de Top Management groep (TMG) als bestuurder worden aangewezen.

Dit betekent dat bij externe inhuur ter vervanging van de TMG-leden – binnen de genoemde voorwaarde – de in de WNT op te nemen norm leidend zal zijn in plaats van het bovengenoemde maximumuurtarief.

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

A. Th. B. Bijleveld-Schouten


XNoot
1

Tweede Kamer, 2009–2010, 32 123 VII, nr. 49.