Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 2013, 338AMvB

Besluit van 30 augustus 2013 tot wijziging van diverse algemene maatregelen van bestuur op het terrein van het primair, voortgezet en hoger onderwijs en de educatie in verband met de correctie van verwijzingen, alsmede de harmonisatie van bepalingen en enkele andere technische aanpassingen

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 15 juli 2013, nr. WJZ/527158 (10227), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken;

Gelet op de artikelen 69, tweede lid, 92, tweede lid, 121, vijfde lid, 134, zevende lid, 171, derde lid, en 185, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 66, tweede lid, en 78, tweede lid, van de Wet primair onderwijs BES, de artikelen 33, tweede lid, 70, tweede lid, 90, tweede lid, en 157, derde lid, van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 10g, tiende lid, 27, eerste lid, 29, vierde lid, 38a, tweede en derde lid, 76c, tweede lid, 84, eerste lid, 103a, tweede lid, 103a1, tweede lid, 103d, vijfde lid, en 106, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, de artikelen 45, eerste lid, 72, vierde lid, 129, tweede lid, 176, 177, 187, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES, artikel 2.2.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 8.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000, artikel 4a, eerste lid, van de Experimentenwet onderwijs, artikel 27 van de Wet medezeggenschap op scholen en artikel 2, vierde lid, van de Wet participatiebudget;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 juli 2013, nr. W05.13.0232/I);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 22 augustus 2013, nr. WJZ/534691 (10227), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I. WIJZIGING BEKOSTIGINGSBESLUIT WVO

Het Bekostigingsbesluit WVO wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 1, komt de begripsbepaling «Onze Minister» te luiden:

Onze Minister:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;.

B

Artikel 19 vervalt.

C

De artikelen 21 en 22 komen te luiden:

Artikel 21. Onderzoek vanwege de minister en correctie en in mindering brengen op de bekostiging

  • 1. Onverminderd de bevoegdheid van de Inspectie van het onderwijs op grond van de Wet op het onderwijstoezicht kan Onze Minister een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarverslaggeving, naar de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de school.

  • 2. Indien uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onjuist is vastgesteld, kan Onze Minister correcties aanbrengen op de bekostiging. Onze Minister doet het bevoegd gezag schriftelijk mededeling van een besluit tot het aanbrengen van een correctie op de bekostiging.

  • 3. Indien uit de jaarverslaggeving, bedoeld in artikel 103, eerste lid, van de wet, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 103, vierde lid, van de wet of uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onrechtmatig is besteed of ondoelmatig is aangewend, kan Onze Minister bepalen dat het desbetreffende gedeelte van de bekostiging niet ten laste komt van het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging, onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 22. Betaling i.v.m. correcties

Een in artikel 21, tweede lid, bedoelde correctie wordt, indien de correctie strekt tot verhoging van de bekostiging, binnen acht weken na de mededeling, bedoeld in artikel 21, tweede lid, door Onze Minister betaald.

ARTIKEL II. WIJZIGING BEKOSTIGINGSBESLUIT WVO BES

Het Bekostigingsbesluit WVO BES wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 1, komt de begripsbepaling «Onze Minister» te luiden:

Onze Minister:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;.

B

Artikel 18 vervalt.

C

De artikelen 20 en 21 komen te luiden:

Artikel 20. Onderzoek vanwege de minister en correctie en in mindering brengen op de bekostiging

  • 1. Onverminderd de bevoegdheid van de Inspectie van het onderwijs op grond van de Wet op het onderwijstoezicht kan Onze Minister een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarverslaggeving, naar de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de school.

  • 2. Indien uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onjuist is vastgesteld, kan Onze Minister correcties aanbrengen op de bekostiging. Onze Minister doet het bevoegd gezag schriftelijk mededeling van een besluit tot het aanbrengen van een correctie op de bekostiging.

  • 3. Indien uit de jaarverslaggeving, bedoeld in artikel 175, eerste lid, van de wet, uit de verklaring van de deskundige, bedoeld in artikel 175, vierde lid, van de wet of uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onrechtmatig is besteed of ondoelmatig is aangewend, kan Onze Minister bepalen dat het desbetreffende gedeelte van de bekostiging niet ten laste komt van het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging, onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 21. Betaling i.v.m. correcties

Een in artikel 20, tweede lid, bedoelde correctie wordt, indien de correctie strekt tot verhoging van de bekostiging, binnen acht weken na de mededeling, bedoeld in artikel 20, tweede lid, door Onze Minister betaald.

ARTIKEL III. WIJZIGING BESLUIT BEKOSTIGING WEC

Het Besluit bekostiging WEC wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 1, in de begripsbepaling «leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond», wordt «de Nederlandse Antillen of Aruba» vervangen door: de voormalige Nederlandse Antillen of Aruba.

B

De artikelen 43 en 44 komen te luiden:

Artikel 43. Onderzoek vanwege de minister en correctie en in mindering brengen op de bekostiging

  • 1. Onverminderd de bevoegdheid van de Inspectie van het onderwijs op grond van de Wet op het onderwijstoezicht kan Onze Minister een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarverslaggeving, naar de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de school.

  • 2. Indien uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onjuist is vastgesteld, kan Onze Minister correcties aanbrengen op de bekostiging. Onze Minister doet het bevoegd gezag schriftelijk mededeling van een besluit tot het aanbrengen van een correctie op de bekostiging.

  • 3. Indien uit de jaarverslaggeving, bedoeld in artikel 157, eerste lid, van de wet, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 157, vierde lid, van de wet of uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onrechtmatig is besteed of ondoelmatig is aangewend, kan Onze Minister bepalen dat het desbetreffende gedeelte van de bekostiging niet ten laste komt van het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging, onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 44. Betaling i.v.m. correcties

Een in artikel 43, tweede lid, bedoelde correctie wordt, indien de correctie strekt tot verhoging van de bekostiging, binnen acht weken na de mededeling, bedoeld in artikel 43, tweede lid, door Onze Minister betaald.

ARTIKEL IV. WIJZIGING BESLUIT BEKOSTIGING WPO

Het Besluit bekostiging WPO wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 1, in de begripsbepaling «leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond», wordt «de Nederlandse Antillen of Aruba» vervangen door: de voormalige Nederlandse Antillen of Aruba.

B

In artikel 11, tweede lid, en in artikel 36a, zesde lid, wordt «de Nederlandse Antillen of Aruba» vervangen door: de voormalige Nederlandse Antillen of Aruba.

C

Na artikel 16 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 16a. Bekostiging materiële instandhouding nieuwe school

Het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 134, zevende lid, van de wet is tien.

D

Na artikel 19 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 19a. Bekostiging personeelskosten nieuwe school

Het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 121, vijfde lid, van de wet is tien.

E

De artikelen 34a en 34b komen te luiden:

Artikel 34a. Onderzoek vanwege de minister en correctie en in mindering brengen op de bekostiging

  • 1. Onverminderd de bevoegdheid van de Inspectie van het onderwijs op grond van de Wet op het onderwijstoezicht kan Onze Minister een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarverslaggeving, naar de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de school.

  • 2. Indien uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onjuist is vastgesteld, kan Onze Minister correcties aanbrengen op de bekostiging. Onze Minister doet het bevoegd gezag schriftelijk mededeling van een besluit tot het aanbrengen van een correctie op de bekostiging.

  • 3. Indien uit de jaarverslaggeving, bedoeld in artikel 171, eerste lid, van de wet, uit de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 171, vierde lid, van de wet of uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onrechtmatig is besteed of ondoelmatig is aangewend, kan Onze Minister bepalen dat het desbetreffende gedeelte van de bekostiging niet ten laste komt van het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging, onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 34b. Betaling i.v.m. correcties

Een in artikel 34a, tweede lid, bedoelde correctie wordt indien de correctie strekt tot verhoging van de bekostiging, binnen acht weken na de mededeling, bedoeld in artikel 34a, tweede lid, door Onze Minister betaald.

ARTIKEL V. WIJZIGING BESLUIT BEKOSTIGING WPO BES

De artikelen 23 en 24 van het Besluit bekostiging WPO BES komen te luiden:

Artikel 23. Onderzoek vanwege de minister en correctie en in mindering brengen op de bekostiging

  • 1. Onverminderd de bevoegdheid van de Inspectie van het onderwijs op grond van de Wet op het onderwijstoezicht kan Onze Minister een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarverslaggeving, naar de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de school.

  • 2. Indien uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onjuist is vastgesteld, kan Onze Minister correcties aanbrengen op de bekostiging. Onze Minister doet het bevoegd gezag schriftelijk mededeling van een besluit tot het aanbrengen van een correctie op de bekostiging.

  • 3. Indien uit de jaarverslaggeving, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet, uit de verklaring van de deskundige, bedoeld in artikel 131, vierde lid, van de wet of uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging voor een school onrechtmatig is besteed of ondoelmatig is aangewend, kan Onze Minister bepalen dat het desbetreffende gedeelte van de bekostiging niet ten laste komt van het Rijk of dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging, onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 24. Betaling i.v.m. correcties

Een in artikel 23, tweede lid, bedoelde correctie wordt, indien de correctie strekt tot verhoging van de bekostiging, binnen acht weken na de mededeling, bedoeld in artikel 23, tweede lid, door Onze Minister betaald.

ARTIKEL VI. WIJZIGING BESLUIT BOVENWETTELIJKE WERKLOOSHEIDSREGELING VOOR ONDERWIJSPERSONEEL PRIMAIR ONDERWIJS

Artikel 1, onderdeel a, van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs komt te luiden:

a. Onze Minister:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;.

ARTIKEL VII. WIJZIGING BESLUIT EXPERIMENT VERVROEGDE UITTREDING ONDERWIJZEND PERSONEEL

Het Besluit experiment vervroegde uittreding onderwijzend personeel wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 1, onderdeel a, komt te luiden:

a. «Onze Minister»:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;.

B

In de artikelen 1, onderdeel c, 3 en 10, wordt «Onze minister» vervangen door: Onze Minister.

ARTIKEL VIII. WIJZIGING BESLUIT GEBRUIK PERSOONSGEBONDEN NUMMERS WVO

Het Besluit gebruik persoonsgebonden nummers WVO wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 1, onderdeel a, komt te luiden:

a. Onze Minister:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;.

B

In artikel 9, eerste lid, wordt «Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit» vervangen door: Ministerie van Economische Zaken.

ARTIKEL IX. WIJZIGING BESLUIT INFORMATIEVOORZIENING WPO/WEC

In artikel 2, eerste lid, van het Besluit informatievoorziening WPO/WEC wordt «de richtlijnen voor de jaarverslaggeving van de Raad voor de jaarverslaggeving» vervangen door: bij ministeriële regeling vast te stellen regels.

ARTIKEL X. WIJZIGING BESLUIT INFORMATIEVOORZIENING WVO

Het Besluit informatievoorziening WVO wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, onderdeel b, komt te luiden:

b. Onze Minister:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;.

B

In artikel 2, eerste lid, wordt «de artikelen 103 en 103a van de wet» vervangen door: de artikelen 103a en 103a1 van de wet.

ARTIKEL XI. WIJZIGING BESLUIT INFORMATIEVOORZIENING WVO BES

Artikel 1, onderdeel b, van het Besluit informatievoorziening WVO BES komt te luiden:

b. Onze Minister:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;.

ARTIKEL XII. WIJZIGING BESLUIT MEDEZEGGENSCHAP ONDERWIJS

Artikel A-1, onderdeel a, van het Besluit medezeggenschap onderwijs komt te luiden:

a. Onze Minister:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;.

ARTIKEL XIII. WIJZIGING BESLUIT PARTICIPATIEBUDGET

Artikel 4 van het Besluit participatiebudget wordt gewijzigd als volgt:

1. In onderdeel a wordt «het onder a bedoelde aantal inwoners» vervangen door: het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente.

2. In onderdeel b wordt «het onder b bedoelde aantal inwoners» vervangen door: het door het Centraal bureau voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap berekende aantal volwassen inwoners in alle Nederlandse gemeenten.

ARTIKEL XIV. WIJZIGING BESLUIT RVC’S EN REGIONAAL ZORGBUDGET

Het Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsbepaling «leerling-dossier» komt te luiden:

leerling-dossier:

dossier dat over een leerling de gegevens bevat, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen a tot en met e, of artikel 4a, vierde lid;.

2. De begripsbepaling «Onze Minister» komt te luiden:

Onze Minister:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;.

B

In artikel 4a wordt in het derde lid, onderdeel e, en in het vierde lid «leerlingdossier» vervangen door: leerling-dossier.

C

In artikel 5, tweede lid, en artikel 6 wordt «Bekostigingsbesluit W.V.O.» vervangen door: Bekostigingsbesluit WVO.

ARTIKEL XV. WIJZIGING BESLUIT STUDIEFINANCIERING 2000

In artikel 13, tweede lid, van het Besluit studiefinanciering 2000 wordt «IB-Groep» vervangen door: Onze Minister.

ARTIKEL XVI. WIJZIGING BESLUIT TREKKENDE BEVOLKING WPO

Het Besluit trekkende bevolking WPO wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel A 1, in de begripsbepaling «leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond», wordt «de Nederlandse Antillen of Aruba» vervangen door: de voormalige Nederlandse Antillen of Aruba.

B

In artikel B 18, eerste lid, wordt na «Bij ministeriële regeling» ingevoegd: wordt.

ARTIKEL XVII. WIJZIGING BESLUIT WERKLOOSHEID ONDERWIJS- EN ONDERZOEKPERSONEEL

het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 1, onderdeel a, komt te luiden:

a. Onze Minister:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;.

B

In de artikelen 1, onderdeel b, onder 5 en 7, 4b, vierde lid, 5, zevende lid, 12, eerste lid, onder h, 13, derde en vierde lid, 14, tweede lid, 18, vijfde lid, 20a, 35, tweede lid, 38, vierde lid, 41, 49, derde, vierde en zesde lid, 49a, eerste lid, wordt telkens «Onze minister» vervangen door: Onze Minister.

ARTIKEL XVIII. WIJZIGING BESLUIT ZIEKTE EN ARBEIDSONGESCHIKTHEID VOOR ONDERWIJSPERSONEEL PRIMAIR ONDERWIJS

Artikel 1, onderdeel a, van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs komt te luiden:

a. Onze Minister:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;.

ARTIKEL XIX. WIJZIGING BESLUIT ZIJ-INSTROOM LERAREN PRIMAIR EN VOORTGEZET ONDERWIJS

In artikel 2 van het Besluit zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs wordt «Inrichtingsbesluit W.V.O.» vervangen door: Inrichtingsbesluit WVO.

ARTIKEL XX. WIJZIGING EINDEXAMENBESLUIT VO

Het Eindexamenbesluit VO wordt gewijzigd als volgt:

A

In de artikelen 1, 11, 12, 13, 22, 23, 24, 25 en 35c wordt telkens «Inrichtingsbesluit W.V.O.» vervangen door: Inrichtingsbesluit WVO.

B

In artikel 1, eerste lid, komt de begripsbepaling «Onze Minister» te luiden:

Onze Minister:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;.

C

In artikel 4, vijfde lid, wordt «tweede lid» vervangen door: derde lid.

ARTIKEL XXI. WIJZIGING EINDEXAMENBESLUIT VO BES

In artikel 1, eerste lid, van het Eindexamenbesluit VO BES komt de begripsbepaling «Onze Minister» te luiden:

Onze Minister:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;.

ARTIKEL XXII. WIJZIGING FORMATIEBESLUIT WVO

In artikel 1 van het Formatiebesluit WVO komt de begripsbepaling «Onze Minister» te luiden:

Onze Minister:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;.

ARTIKEL XXIII. WIJZIGING INRICHTINGSBESLUIT WVO

Het Inrichtingsbesluit WVO wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 1 komt de begripsbepaling «Onze Minister» te luiden:

Onze Minister:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en voor wat betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;.

B

In artikel 8 wordt «de artikelen 3, 7 en 10, eerste lid,» vervangen door: de artikelen 3 en 7.

C

In artikel 16, derde lid, onderdeel b, wordt «Koninginnedag» vervangen door: Koningsdag.

ARTIKEL XXIV. WIJZIGING INRICHTINGSBESLUIT WVO BES

Het Inrichtingsbesluit WVO BES wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 1 komt de begripsbepaling «Onze Minister» te luiden:

Onze Minister:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;.

B

In artikel 15, derde lid, onderdeel b, wordt «Koninginnedag» vervangen door: Koningsdag.

ARTIKEL XXV. WIJZIGING OVERLEGBESLUIT ONDERWIJSPERSONEEL

Artikel 1, onderdeel a, van het Overlegbesluit onderwijspersoneel komt te luiden:

a. Onze Minister:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en, voor wat betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;.

ARTIKEL XXVI. WIJZIGING RECHTSPOSITIEBESLUIT WPO/WEC

In artikel 1, onderdeel d, onder 3°, van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC wordt «artikel 187 van de Wet op het voortgezet onderwijs» vervangen door: artikel 69 van de Wet op de expertisecentra.

ARTIKEL XXVII. WIJZIGING TIJDELIJK BESLUIT GEDEELTELIJK VERZORGEN AD-PROGRAMMA OP LOCATIE BVE-INSTELLING

Artikel 1, onderdeel a, van het Tijdelijk besluit gedeeltelijk verzorgen Ad-programma op locatie bve-instelling komt te luiden:

a. Onze Minister:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor wat betreft het onderwijs en het onderzoek op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;.

ARTIKEL XXVIII. WIJZIGING UITVOERINGSBESLUIT VOORZIENINGEN IN DE HUISVESTING PO/VO

Artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO wordt gewijzigd als volgt:

1. De puntkomma aan het slot van onderdeel i wordt vervangen door een punt.

2. Onderdeel j vervalt.

ARTIKEL XXIX. WIJZIGING UITVOERINGSBESLUIT VOORZIENINGEN IN DE HUISVESTING PO/VO BES

Artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO BES wordt gewijzigd als volgt:

1. De puntkomma aan het slot van onderdeel h wordt vervangen door een punt.

2. Onderdeel i vervalt.

ARTIKEL XXX. WIJZIGING UITVOERINGSBESLUIT WEB

Het Uitvoeringsbesluit WEB wordt gewijzigd als volgt:

A

In de artikelen 2.1.1, tweede lid, en 2.2.3, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a, wordt «Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.» vervangen door: Onze Minister van Economische Zaken.

B

In de artikelen 2.5.2, tweede lid, en 4b.3.3, eerste lid, wordt «het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie» vervangen door: het Ministerie van Economische Zaken.

ARTIKEL XXXI. INWERKINGTREDING

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, en waarbij kan worden bepaald dat dit besluit of een artikel of onderdeel daarvan kan terugwerken tot en met een bij dat besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 30 augustus 2013

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker

Uitgegeven de zeventiende september 2013

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Met dit besluit worden diverse algemene maatregelen van bestuur op het terrein van het primair onderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs, het voortgezet onderwijs, het hoger onderwijs en de educatie gewijzigd. Het betreft hier een technische actualisatie. In diverse bepalingen worden verwijzingen naar wetsartikelen of onderdelen daarvan die inmiddels vernummerd, vervallen of vervangen zijn, gecorrigeerd. In het artikelsgewijze deel van de toelichting wordt nader ingegaan op de wijzigingen in elk van de verschillende besluiten.

In paragraaf 2 van deze nota van toelichting wordt nader ingegaan op de wijziging in de diverse bekostigingsbesluiten, die naast een puur technische component ook een beperkte inhoudelijke wijziging omvat.

Paragraaf 3 gaat in op een tweetal in dit besluit meegenomen wijzigingen van het Besluit bekostiging WPO in verband met het bepalen van het aantal leerlingen in het kader van verzelfstandiging van dislocaties.

Deze nota van toelichting is opgesteld in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken.

2. Onderzoek vanwege de minister en correctie en in mindering brengen op de bekostiging

Met de inwerkingtreding van de Wet van 2 februari 2012 tot wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht en enige andere wetten in verband met de invoering van geïntegreerd toezicht en de gewijzigde rol van de Inspectie van het onderwijs bij het toezichtproces (Stb. 2012, 118), zijn de bepalingen in de sectorwetten die «het onderzoek van de minister» regelen (de artikelen 175 van de Wet op het primair onderwijs en 161 van de Wet op de expertisecentra) komen te vervallen in verband met de Derde wijziging van de Comptabiliteitswet 2001. Die laatste wet biedt de ministers (dan wel de door hen aangewezen personen) in de artikelen 43 en 43a een algemene wettelijke basis inzake de toegang tot gegevens van derden die collectieve middelen ontvangen en uitgeven, alsmede de inzage in de controledossiers van de instellingsaccountants en het maken van kopieën van dossierstukken. Naar aanleiding daarvan moeten de bepalingen in de bekostigingsbesluiten die nog verwijzen naar de hiervoor genoemde bepalingen in de sectorwetten, worden geschrapt.

De voorliggende wijziging betreft een aanpassing van artikel 34a van het Besluit bekostiging WPO, artikel 43 van het Besluit bekostiging WEC en de artikelen 19 en 21 van het Bekostigingsbesluit WVO. Artikel 23 van het Besluit bekostiging WPO BES en de artikelen 18 en 20 van het Bekostigingsbesluit WVO BES zijn op overeenkomstige wijze aangepast. Daarbij is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de teksten van deze artikelen zoveel mogelijk te vereenvoudigen en te harmoniseren.

De voorschriften in die artikelen betreffen de mogelijkheid tot correctie en terugvordering van bekostiging en lijken dus overbodig naast artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat de algemene regeling bevat van intrekking of wijziging van een beschikking tot vaststelling. Uit artikel 4:21, vierde lid, van de Awb volgt dat dit artikel ook van toepassing is op (het corrigeren en terugvorderen van) onderwijsbekostiging. Toch is handhaving van de correctiemogelijkheid in de bekostigingsbesluiten naast de Awb zinvol om ervoor te zorgen dat de – beperkte – mogelijkheden die artikel 4:49 Awb biedt, niet in de weg staan aan deze correctiemogelijkheden.

3. Verzelfstandiging dislocaties

Met dit besluit wordt invulling gegeven aan de artikelen 121, vijfde lid, en 134, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs (WPO). Deze artikelen zijn in de WPO gevoegd met de Wet van 25 februari 2012 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs in verband met de verzelfstandiging van dislocaties (Stb. 2012, 209), maar nog niet in werking getreden. Deze wet beoogde vooral binnen zekere grenzen de barrière weg te nemen voor de omzetting van een dislocatie in een zelfstandige school. De wet heeft ook voor nevenvestigingen de mogelijkheid om te verzelfstandigen vergroot. In het kader van de verzelfstandiging van dislocaties – en bij overige schoolstichtingen – is het zo dat de bekostiging van leerlingen die overstappen naar een nieuwe school binnen het bevoegd gezag vanaf het moment van de overstap wordt beëindigd bij de school van herkomst van die leerlingen indien er sprake is van een substantieel aantal leerlingen. Op grond van de grondslag in de artikelen 121, vijfde lid, en 134, zevende lid, kan dit aantal leerlingen bij algemene maatregel van bestuur nader worden bepaald. In dit besluit wordt in de (nieuwe) artikelen 16a en 19a bepaald dat dit aantal ten minste tien leerlingen betreft.

4. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Dit besluit is in het kader van een uitvoeringstoets voorgelegd aan DUO. Het besluit heeft geen gevolgen voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.

De conclusie van DUO is dat het voorstel uitvoerbaar is voor het onderdeel «Onderzoek vanwege de minister en correctie en in mindering brengen op de bekostiging». Naar aanleiding van een opmerking van de Inspectie van het onderwijs is de in de bekostigingsbesluiten gebruikte terminologie rondom het jaarverslag en de jaarverslaggeving iets aangescherpt.

Ook ten aanzien van het onderdeel «verzelfstandiging dislocaties» (artikel IV, onderdelen C en D) is de conclusie van DUO dat dit voorstel uitvoerbaar is. De bekostiging van leerlingen die overstappen naar een nieuwe school binnen het bevoegd gezag wordt vanaf het moment van de overstap beëindigd bij de school van herkomst van die leerlingen indien er sprake is van een overstap van ten minste 10 leerlingen. Dat betekent dat er binnen een bevoegd gezag moet worden bepaald of er sprake is van ten minste 10 leerlingen die zijn overgestapt van reeds bestaande basisscholen onder hetzelfde bevoegd gezag. Voor de uitvoering brengt het geen problemen met zich mee om dit aantal te bepalen en vervolgens de bekostiging hierop aan te passen.

5. Administratieve lasten

Dit besluit heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten van burgers of bedrijven.

6. Financiële gevolgen

Dit besluit heeft geen substantiële gevolgen voor de rijksbegroting. Ten aanzien van het onderdeel «verzelfstandiging dislocaties» valt daaraan het volgende toe te voegen: De artikelen 121, vijfde lid, en 134, zevende lid, van de WPO hebben tot gevolg dat de bekostiging van leerlingen die overstappen naar een nieuwe school binnen hetzelfde bevoegd gezag – vanaf het moment van de overstap – wordt beëindigd bij de scholen van herkomst van die leerlingen, indien het om een substantieel aantal leerlingen van de nieuwe school gaat. Dit aantal wordt in dit besluit vastgesteld op tien leerlingen. De beëindiging van dubbele bekostiging in de hier bedoelde gevallen gaat gepaard met zeer bewerkelijke herberekeningen die voor het departement een aanmerkelijke administratieve last mee kunnen brengen. Door die herberekeningen te beperken tot situaties waarin het een substantieel aantal van tien leerlingen of meer betreft, wordt bewerkstelligd dat die last opweegt tegen het ongewenste bekostigingsvoordeel dat ongedaan wordt gemaakt. Hierover kan nog het volgende worden opgemerkt. Op 1 augustus 2012 zijn er elf nieuwe scholen gesticht, waarvan zeven door verzelfstandiging van een dislocatie.1 Van de overige vier zijn er twee nieuw begonnen met in totaal minder dan 10 leerlingen. De andere twee hadden respectievelijk 17 en 22 leerlingen, waarvan respectievelijk drie en vijf leerlingen afkomstig waren van een andere school van hetzelfde bestuur. De totale opbrengst is dus nihil. Op 1 augustus 2011 zijn er ook elf scholen gesticht. Verzelfstandiging kon toen nog niet. Bij slechts één van deze scholen waren er meer dan 10 leerlingen afkomstig van hetzelfde bestuur. In dit geval 23 leerlingen vanuit zeven andere scholen van dat bestuur. Per saldo zou dat een verminderde bekostiging van € 70.000 hebben betekent. De totale besparing voor de Rijksbegroting is zodoende marginaal.

II. Artikelsgewijs

Artikelen I, onderdeel A, II, onderdeel A, VI tot en met VIII, XI, XII, XIV, onderdeel A, onder 2, XVII, XVIII, XX, onderdeel B, XXI, XXII, XXIII, onderdeel A, XXIV, onderdeel A, XXV en XXVII en XXX

In diverse besluiten wordt verwezen naar het «landbouwonderwijs», dat onder verantwoordelijkheid van de Minister van Economische Zaken valt. Deze bepalingen zijn geharmoniseerd. Waar nog sprake was van «Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit», dan wel van «Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie», zijn deze oude verwijzingen aangepast naar «Onze Minister van Economische Zaken». Ook zijn de verschillende gebruikte aanduidingen voor dit type onderwijs vervangen door «onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel».

Artikelen I, onderdeel B en II, onderdeel B (Artikel 19 van het Bekostigingsbesluit WVO en artikel 18 van het Bekostigingsbesluit WVO BES)

Artikel 19 van het Bekostigingsbesluit WVO kan vervallen. Het eerste lid en de tweede volzin van het tweede lid kunnen vervallen omdat met de reeds genoemde Derde wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 de artikelen 43, 43a en 43b een algemene wettelijke basis bevatten voor de toegang tot gegevens van derden die collectieve middelen ontvangen en uitgeven, alsmede voor de inzage in de controledossiers van de instellingsaccountants etc.

Het tweede lid, eerste volzin, is opgenomen als eerste lid van artikel 21. Analoog daaraan is, uit het oogpunt van harmonisatie en vanwege de samenhang met de lumpsumbekostiging in verband waarmee onderzoek moet kunnen worden gedaan naar zowel de rechtmatige als de doelmatige besteding van rijksbekostiging, een identiek eerste lid in de artikelen 34a van het Besluit bekostiging WPO en 43 van het Besluit bekostiging WEC opgenomen.

Artikelen I, onderdeel C, II, onderdeel C, III, onderdeel B, IV, onderdeel E, en V (artikel 21 van het Bekostigingsbesluit WVO, artikel 20 van het Bekostigingsbesluit WVO BES, artikel 43 van het Besluit bekostiging WEC, artikel 34a van het Besluit bekostiging WPO en artikel 23 van het Besluit bekostiging WPO BES)

Eerste lid

De tekst van artikel 19, tweede lid, eerste volzin, van het Bekostigingsbesluit WVO, is met een enigszins gewijzigde formulering opgenomen als eerste lid van het opnieuw geformuleerde artikel 21 van het Bekostigingsbesluit WVO en – analoog daaraan – als eerste lid van de artikelen 20 van het Bekostigingsbesluit WVO BES, 34a van het Besluit bekostiging WPO, 43 van het Besluit bekostiging WEC en 23 van het Besluit bekostiging WPO BES. Zie de toelichting bij artikel 19 van het Bekostigingsbesluit WVO. De gewijzigde formulering hangt samen met het feit dat de Inspectie van het onderwijs (hierna: de inspectie) met de eerdergenoemde wijziging van de WOT de wettelijke bevoegdheid heeft gekregen om in het kader van haar toezicht ook financieel onderzoek te doen. Daarnaast moet het echter ook voor de minister zelf mogelijk blijven om onderzoek te doen of te laten doen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het onderzoek dat in opdracht van de minister is uitgevoerd door de Commissie onderzoek financiële problematiek Amarantis.

Uit het oogpunt van harmonisatie en vereenvoudiging wordt thans in het Besluit bekostiging WPO en het Besluit bekostiging WEC opgenomen dat ook bij ondoelmatige besteding kan worden gecorrigeerd (lager vastgesteld) en teruggevorderd. Alle vergelijkbare bepalingen (artikel 21 het Bekostigingsbesluit WVO, artikel 2.9 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en artikel 2.5.9 van de Wet educatie en beroepsonderwijs) bieden deze mogelijkheid eveneens. Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 19 van het Bekostigingsbesluit WVO2 blijkt dat de mogelijkheid voor de minister om onderzoek te doen naar de doelmatigheid van het beheer van de school samenhangt met de ruime bestedingsvrijheid van bevoegde gezagsorganen in het kader van de lumpsumbekostiging. Daarbij is overwogen dat ook dan de overheid uiteindelijk verantwoordelijk blijft voor een doelmatige aanwending van rijksgelden, zij het dat omwille van deze bestedingsvrijheid terughoudendheid is gepast bij de beoordeling of sprake is van een ondoelmatige aanwending. Ook op grond van de Comptabiliteitswet 2001 is de minister verantwoordelijk voor het toezicht op een rechtmatige en doelmatige besteding van collectieve middelen.3 Uiteraard moet de minister in het kader van dat toezicht in álle sectoren zijn opvatting kenbaar kunnen maken in evidente gevallen van ondoelmatige besteding van de bekostiging.

Aangezien de lumpsumbekostiging in 2006 ook in de sectoren basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs is ingevoerd, ligt het in de rede om ook voor deze sectoren te bepalen dat de minister onderzoek kan doen naar de doelmatigheid van het beheer van de school.

Tweede en derde lid

De huidige teksten van het eerste lid van de bekostigingsbesluiten worden met deze wijziging opgenomen in het tweede lid. In verband met de Derde wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 zijn de verwijzingen naar de artikelen 175 van de Wet op het primair onderwijs en 161 van de Wet op de expertisecentra geschrapt (zie paragraaf 2 van de algemene toelichting).

Onder het begrip correctie in het tweede lid wordt ook verstaan het aanbrengen van correcties door de Dienst Uitvoering Onderwijs op basis van de resultaten van een onderzoek dat is uitgevoerd door of in opdracht van de Inspectie van het onderwijs naar de leerlinggegevens.

Een ander punt van vereenvoudiging is het schrappen van de verjaringstermijn van één jaar uit de gewijzigde artikelen. Er is immers geen reden voor een kortere termijn dan de verjaringstermijn van vijf jaar die op grond van artikel 4:49 Awb van toepassing is. Dit betekent uiteraard niet dat de minister altijd (tot vijf jaar) zal wachten met terugvorderen. Eisen rond zorgvuldigheid vergen dat de minister geen langere termijn in acht neemt dan noodzakelijk is.

Ten slotte zijn ook nodeloze verfijningen in de terminologie rond «bekostiging» geschrapt. In de gewijzigde artikelen werden allerlei vormen van bekostiging onderscheiden. In de nieuwe tekst is sprake van «de bekostiging». Daaronder vallen alle vormen van bekostiging, zoals bijzondere en aanvullende bekostiging.

Artikelen III, onderdeel A, IV, onderdelen A en B, en XVI, onderdeel A (Besluit bekostiging WEC, Besluit bekostiging WPO en Besluit trekkende bevolking WPO)

Het land Nederlandse Antillen bestaat niet meer met ingang van 10 oktober 2010. Bonaire, Sint Eustatius en Saba maken nu als openbare lichamen deel uit van Nederland, terwijl Curaçao en Sint Maarten zelfstandige landen binnen het Koninkrijk zijn geworden. In de begripsbepaling «leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond», zoals opgenomen in de bovengenoemde besluiten, wordt nog verwezen naar de Nederlandse Antillen. Door het gebruik van het begrip «de voormalige Nederlandse Antillen» wordt beoogd geen inhoudelijke wijziging aan te brengen in de begripsbepaling «leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond».

Artikel IV, onderdelen C en D (Besluit bekostiging WPO)

Na artikel 16 wordt een nieuw artikel 16a ingevoegd, waarmee invulling wordt gegeven aan artikel 134, zevende lid, van de WPO. Tevens wordt met een nieuw artikel 19a invulling gegeven aan artikel 121, vijfde lid, van de WPO. De artikelen 121, vijfde lid, en 134, zevende lid, zijn in de WPO gevoegd met de Wet van 25 februari 2012 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs in verband met verzelfstandiging van dislocaties (Stb. 2012, 209). Deze artikelen van de WPO hebben tot gevolg dat de bekostiging van leerlingen die overstappen naar een nieuwe school binnen hetzelfde bevoegd gezag, vanaf het moment van de overstap, wordt beëindigd bij de scholen van herkomst van die leerlingen, indien het om een substantieel aantal leerlingen van de nieuwe school gaat. De artikelen 121, vijfde lid, en 134, zevende lid, van de WPO bevatten de grondslag om bij algemene maatregel van bestuur de omvang van dat aantal leerlingen te bepalen. Het aantal leerlingen wordt in onderhavig besluit nader bepaald op grond van deze grondslag. In het Besluit bekostiging WPO wordt in de nieuwe artikelen 16a en 19a bepaald dat met dit substantiële deel een aantal van ten minste 10 leerlingen wordt bedoeld.

Artikel IX (Besluit informatievoorziening WPO/WEC)

De Regeling jaarverslaggeving onderwijs bevat de specifiek op onderwijs toegesneden invulling van de richtlijnen voor de jaarverslaggeving van de Raad voor de jaarverslaggeving.

Artikel X (Besluit informatievoorziening WVO)

Met de Wet van 4 februari 2010 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet medezeggenschap op scholen en de Leerplichtwet 1969 in verband met de invoering van bekostigingsvoorschriften voor minimumleerresultaten, alsmede een aanvulling van de interventiemogelijkheden in het kader van het overheidstoezicht, en de verbetering van het intern toezicht (Stb. 2010, 80) zijn de artikelen 103 en 103a van de WVO vervangen door de artikelen 103 tot en met 103a2. Bij Besluit van 6 december 2010 tot wijziging van het Besluit informatievoorziening WVO in verband met het actualiseren van de door scholen te leveren gegevens (Stb. 2010, 828) is het Besluit informatievoorziening WVO hierop aangepast. Dit komt mede tot uitdrukking in het bij dat besluit ingevoegde artikel 4a, waarmee het Besluit informatievoorziening WVO is «omgehangen». Sindsdien is het besluit gebaseerd op de artikelen 103a en 103a1 van de WVO. Daarbij is echter verzuimd om ook de verwijzing in artikel 2, eerste lid, aan te passen.

Artikel XIII (Besluit participatiebudget)

Artikel 4 van het Besluit participatiebudget is per 1 januari 2013 ingrijpend gewijzigd op grond van artikel I, onderdeel C, van het Besluit van 11 oktober 2012 tot wijziging van enige algemene maatregelen van bestuur inzake het participatiebudget, contacturen, referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, examengeld staatsexamen Nederlands als tweede taal en technische wijzigingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (Stb. 2012, 524). Zes onderdelen van het artikel zijn vervallen, onder verlettering van de resterende onderdelen. Daarbij is verzuimd om twee verwijzingen naar vervallen onderdelen aan te passen. Deze omissie wordt in het onderhavige artikel hersteld. De zinsneden die in de plaats komen van de verwijzingen zijn letterlijk overgenomen uit de vervallen onderdelen. Deze wijziging is dus puur technisch van aard.

Artikel XIV (Besluit RVC’s en regionaal zorgbudget)

In het Besluit van 23 mei 2005, houdende wijziging van het Besluit RVC’s, regionaal zorgbudget en praktijkscholen met declaratiebekostiging in hoofdzaak in verband met bijzondere gevallen van toelating tot praktijkonderwijs (bijzondere toelating tot praktijkonderwijs) (Stb. 2005, 313)4 en het Besluit van 17 januari 2005, houdende actualisering van het Bekostigingsbesluit W.V.O., het Formatiebesluit W.V.O. en het Besluit RVC’s, regionaal zorgbudget en praktijkscholen met declaratiebekostiging mede in verband met vereenvoudiging van de bekostigingsbepalingen in de Wet op het voortgezet onderwijs alsmede opneming in het Bekostigingsbesluit W.V.O. van regels voor de berekening van de rijksbijdrage voor kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven voor hun taken bij leer-werktrajecten vmbo (Stb. 2005, 62)5 is geen rekening gehouden met de onderlinge samenloop tussen deze twee besluiten. Doordat laatstgenoemde besluit als eerste in werking is getreden, kon de beoogde wijziging in artikel I, onderdeel A, van eerstgenoemde besluit niet worden doorgevoerd. Met het onderhavige besluit wordt dit hersteld.

In onderdeel C worden twee verwijzingen gecorrigeerd in verband met de gewijzigde citeertitel6 van het Bekostigingsbesluit WVO.

Artikel XV (Besluit studiefinanciering 2000)

Met het Aanpassingsbesluit vierde tranche Awb (Stb. 2009, 267)7 is in artikel 13 van het Besluit studiefinanciering 2000 een verwijzing naar de IB-Groep opgenomen. De aanpassing van deze verwijzing blijkt echter niet meegenomen te zijn bij het Besluit van 23 december 2009 tot wijziging van diverse besluiten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) (Stb. 2010, 159).8 Dit wordt nu hersteld.

Artikel XVI, onderdeel B (Besluit trekkende bevolking WPO)

De wijziging in artikel B 18 van het Besluit trekkende bevolking WPO betreft slechts een taalkundige aanpassing.

Artikelen XIX en XX, onderdeel A (Besluit zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs en Eindexamenbesluit VO)

In het Eindexamenbesluit VO en in het Besluit zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs worden verwijzingen gecorrigeerd in verband met de gewijzigde citeertitel9 van het Inrichtingsbesluit WVO.

Artikel XX, onderdeel C (Eindexamenbesluit VO)

In artikel 4, vijfde lid, van het Eindexamenbesluit VO wordt een verwijzing gecorrigeerd. Bij het Besluit van 14 juni 2011 tot wijziging van onder meer het Inrichtingsbesluit WVO en het Eindexamenbesluit VO in verband met de invoering van een maatschappelijke stage in het voortgezet onderwijs (Stb. 2011, 401) is in dit artikel een nieuw tweede lid ingevoegd. Daarbij is een verwijzing naar het oude tweede lid over het hoofd gezien.

Artikel XXIII, onderdeel B (Inrichtingsbesluit WVO)

Artikel 10 van het Inrichtingsbesluit WVO is vervallen bij Besluit van 1 juli 2010, houdende wijziging van enkele uitvoeringsbesluiten van de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met verruiming van uitbestedings- en doorstroommogelijkheden voor leerlingen (Stb. 2010, 283). De verwijzing hiernaar in artikel 8 kan daarom komen te vervallen.

Artikel XXIII, onderdeel C, en XXIV, onderdeel B (Inrichtingsbesluit WVO en Inrichtingsbesluit WVO BES)

Artikel 16 van het Inrichtingsbesluit WVO en artikel 15 van het Inrichtingsbesluit WVO BES noemen Koninginnedag als dag waarop geen onderwijs wordt verzorgd.10 In verband met de inhuldiging van Koning Willem-Alexander op 30 april 2013 wordt Koninginnedag in deze besluiten vervangen door de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd: Koningsdag. Koningsdag wordt gevierd op 27 april, tenzij deze dag een zondag is, dan wordt Koningsdag de dag daaraan voorafgaand gevierd.11

Artikel XXVI (Rechtspositiebesluit WPO/WEC)

In artikel 78 van het Besluit van 27 mei 2003, houdende regels inzake regionale verwijzingscommissies, een regionaal zorgbudget en praktijkscholen met declaratiebekostiging in het voortgezet onderwijs en houdende wijzigingen van besluiten in verband met onder meer de bekostiging van leerwegondersteunend en praktijkonderwijs (Besluit RVC’s, regionaal zorgbudget en praktijkscholen met declaratiebekostiging) (Stb. 2003, 262) is artikel 1, onderdeel d, van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC aangepast. Hierbij is echter abusievelijk de verwijzing naar artikel 69 van de WEC komen te vervallen, in plaats van de verwijzing naar artikel 187 van de WVO. Artikel 187 van de WVO maakte deel uit van het al eerder vervallen deel II van de WVO.12 Het was dus juist die verwijzing die had moeten vervallen. Met deze wijziging wordt een en ander hersteld.

Artikelen XXVIII en XXIX (Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO (BES))

Naar aanleiding van de zogenaamde «Knooble-uitspraak» van de Hoge Raad van 22 juni 2012 (LJN: BW0393) en het project «Kenbaarheid van normen en normalisatie» heeft het kabinet Rutte I een kabinetsreactie opgesteld.13 Daarin wordt aangegeven dat vanwege de kenbaarheid van normen de wetgever zoveel mogelijk op niet-dwingende wijze naar normen moet verwijzen. Indien dwingende verwijzing gehandhaafd wordt, en de normadressaat een andere is dan de overheid, wordt de betreffende norm kosteloos door de overheid ter beschikking gesteld. Het kabinet streeft ernaar om overbodig geachte dwingende verwijzingen om te zetten voor 1 januari 2014.

In de betreffende Uitvoeringsbesluiten is sprake van een overbodig geachte dwingende verwijzing naar NEN 2580:1997/A1:2001 (tevens verouderd) en NEN 2580:2007/C1:2008. Met de wijziging van de Uitvoeringsbesluiten komt de begripsbepaling van «bruto vloeroppervlakte», met daarin de verwijzingen naar deze NEN normen te vervallen.

Artikel XXXI

De inwerkingtredingsbepaling, artikel XXXI, voorziet in inwerkingtreding op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Deze keuze houdt verband met het procedurevoorschrift dat het besluit alvorens in werking te kunnen treden gedurende vier weken dient te worden voorgelegd aan de Tweede Kamer (artikelen 70, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra en 69, vierde lid, en 185, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs), dan wel aan beide Kamers der Staten Generaal (artikelen 29, vierde lid, en 84, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs). Deze zogeheten «nahangbepaling» heeft betrekking op de wijzigingen van de algemene maatregelen van bestuur genoemd in de artikelen III, IV en XVI, respectievelijk XX en XXII.

Het inwerkingtredingsartikel voorziet daarnaast in de mogelijkheid om dat koninklijk besluit terugwerkende kracht te verlenen ten aanzien van onderdelen van dit besluit. Die mogelijkheid is opgenomen ten behoeve van de wijziging van het Besluit participatiebudget (artikel XIII), waarvoor terugwerkende kracht wordt voorzien tot en met 1 januari 2013. Afhankelijk van het moment van publicatie van dit besluit zal mogelijk tevens terugwerkende kracht worden verleend aan de artikelen XXIII, onderdeel C, en XXIV, onderdeel B. Deze onderdelen zullen dan terugwerken tot en met 1 augustus 2013, het moment van inwerkingtreding van het Besluit van 5 oktober 2012 tot wijziging van het Inrichtingsbesluit WVO en het Inrichtingsbesluit WVO BES in verband met vakanties en andere dagen waarop geen onderwijs wordt verzorgd (Stb. 2012, 581).

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker


X Noot
1

Dubbele bekostiging wordt in die gevallen voorkomen door artikel 121, vierde lid, en artikel 134, zesde lid, van de WPO.

X Noot
2

Stb. 1998, 117, blz. 25.

X Noot
3

Kamerstukken II 2005/06, 30 660, nr. 3, blz. 12.

X Noot
4

In werking getreden met ingang van 1 augustus 2005 (Stb. 2005, 363).

X Noot
5

In werking getreden met ingang van 6 april 2005 (Stb. 2005, 177).

X Noot
6

Artikel I, onderdeel B, van het Besluit van 14 juni 2011 tot wijziging van onder meer het Inrichtingsbesluit WVO en het Eindexamenbesluit VO in verband met de invoering van een maatschappelijke stage in het voortgezet onderwijs (Stb. 2011, 401).

X Noot
7

In werking getreden met ingang van 1 juli 2009.

X Noot
8

In werking getreden op 28 april 2010, met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2010 (Stb. 2010, 160).

X Noot
9

Artikel III, onderdeel G, van het Besluit van 17 mei 2011, houdende wijziging van enige besluiten in verband met technische actualisatie (Stb. 2011, 277).

X Noot
10

Besluit van 5 oktober 2012 tot wijziging van het Inrichtingsbesluit WVO en het Inrichtingsbesluit WVO BES in verband met vakanties en andere dagen waarop geen onderwijs wordt verzorgd (Stb. 2012, 581).

X Noot
11

Besluit van 30 januari 2013, nr. 13.0000173, houdende vaststelling en aanduiding van de zevenentwintigste april als Koningsdag (Stcrt. 2012, 4075).

X Noot
12

Wet van 30 mei 2002 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs en een aantal andere wetten in verband met onder meer de invoering van een regeling voor de bekostiging van het leerwegondersteunend onderwijs en het praktijkonderwijs en een regionaal zorgbudget (Stb. 2002, 288).

X Noot
13

Kamerstukken II 2010–2011, 27 406, nr. 193.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.