Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en InnovatieStaatsblad 2011, 377AMvB

Besluit van 8 juli 2011, houdende wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met de implementatie van EU-regelgeving voor het op de markt brengen en een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, (kenmerk 191917), mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Gelet op:

  • Richtlijn nr. 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PbEU 2009, L 309),

  • Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309),

  • Richtlijn 2009/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG betreffende het op de markt brengen van biociden in verband met de verlenging van bepaalde termijnen (PbEU 2009, L 262),

  • de artikelen 4, derde lid, 29, eerste lid, 44, tweede lid, 45, tweede lid, 47, vijfde lid, 71, tweede en vierde lid, 73, vijfde lid, 78 en 79, 80a, 90, 97, eerste lid, 121a, vierde lid, 122, eerste lid, 123, eerste lid en 124, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden,

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 mei 2011, nr. W15.11.0088/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 1 juli 2011, nr. 214914, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, en in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel g wordt na «het middel» ingevoegd: of de biocide.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

i. richtlijn 1999/45/EG:

richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG 1999, L 200).

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen a en b vervallen.

2. De onderdelen c tot en met g worden geletterd a tot en met e.

3. Onderdeel d (nieuw) komt te luiden:

  • d. het vaststellen van het maximaal toelaatbaar risiconiveau van gewasbeschermingsmiddelen voor bodem of waterorganismen op verzoek van de houder van een toelating, bedoeld in artikel 3, onderdeel 24, van verordening (EG) 1107/2009 of op verzoek van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, indien dit risiconiveau niet reeds bij een toelating door het college is vastgesteld.

C

1. In de artikelen 2, onderdeel c, 11, eerste lid, 18, vierde lid, 19, eerste en tweede lid, en 32, eerste, tweede en derde lid, wordt «Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit» telkens vervangen door: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

2. In de artikelen 16, eerste lid, 18, vierde lid, 19, eerste en tweede lid, 31, eerste lid, en 32, eerste, tweede en derde lid, wordt «Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer» telkens vervangen door: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.

D

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste en tweede lid vervallen.

2. Het derde tot en met achtste lid worden vernummerd tot eerste tot en met zesde lid.

3. In het derde lid (nieuw) wordt «in het eerste tot en met vierde lid» vervangen door: in het eerste en tweede lid.

4. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Bij een onderzoek, bedoeld in het derde lid, dat is verricht overeenkomstig goede laboratoriumpraktijken, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van richtlijn 2004/10/EG, is een verklaring van het desbetreffende laboratorium aanwezig.

E

In artikel 4, eerste en derde lid, wordt «in artikel 3, vijfde lid» telkens vervangen door: in artikel 3, derde lid.

F

In artikel 5, eerste lid, vervalt «een dossier als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet, onderscheidenlijk» en wordt «het gewasbeschermingsmiddel of biocide» telkens vervangen door: de biocide.

G

Artikel 6 vervalt.

H

In artikel 7, tweede lid, wordt «in artikel 3, derde en vierde lid» vervangen door: in artikel 3, eerste en tweede lid.

I

Artikel 8 komt te luiden:

Artikel 8 Toelating niet-professioneel gebruik

Het college verleent geen toelating voor niet-professioneel gebruik van een gewasbeschermingsmiddel dat overeenkomstig richtlijn 1999/45/EG is ingedeeld als giftig, zeer giftig, kankerverwekkend, mutageen of vergiftig voor de voortplanting.

J

Artikel 10 vervalt.

K

Aan artikel 11 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Het college stelt bij iedere toelating voor niet-professioneel gebruik voorschriften als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdelen b en c, van de wet. Deze voorschriften hebben betrekking op gebruiksklare formuleringen en stellen beperkingen aan het formaat van de verpakking.

L

Artikel 17 komt te luiden:

Artikel 17. Bewijs van vakbekwaamheid inzake gewasbeschermingsmiddelen

  • 1. Een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 71, tweede lid, onderdeel a, van de wet, inzake gewasbeschermingsmiddelen kan worden verstrekt aan de persoon die:

    • a) een bij regeling van Onze Minister aangewezen opleiding heeft gevolgd;

    • b) een bij regeling van Onze Minister aangewezen examen heeft afgelegd, of

    • c) een instructie heeft gevolgd waarvan de bij regeling van Onze Minister aangewezen instantie heeft geoordeeld dat hiermee voldoende kennis van de in bijlage I bij richtlijn 2009/128/EG genoemde onderwerpen wordt verkregen, gelet op de taken en verantwoordelijkheden van die persoon.

  • 2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over het vereiste kennisniveau voor de onderwerpen, genoemd in bijlage I bij richtlijn 2009/128/EG, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen en in voorkomend geval binnen de groepen van distributeurs van gewasbeschermingsmiddelen, voorlichters en professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen.

  • 3. Het bewijs van vakbekwaamheid vermeldt de volledige naam, het adres, de woonplaats en de geboortedatum van betrokkene en kan een opsomming bevatten van onderwerpen waarvan kennis is verworven en op welk niveau.

  • 4. De gelding van het bewijs van vakbekwaamheid, dat is verkregen op grond van het eerste lid, onderdeel c, geeft geen recht op het ontvangen of voorhanden hebben van gewasbeschermingsmiddelen, toegelaten voor professioneel gebruik.

  • 5. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over de gelding van het bewijs van vakbekwaamheid, waarbij de gelding kan worden beperkt tot bepaalde gewasbeschermingsmiddelen, bepaalde toepassingen of bepaalde ruimten of terreinen.

M

Na artikel 17 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 17a. Bewijs van vakbekwaamheid inzake biociden

  • 1. Een bewijs van vakbekwaamheid inzake biociden als bedoeld in artikel 71, tweede en vierde lid, van de wet wordt verstrekt aan de persoon die voldoet aan bij regeling van Onze Minister te stellen voorwaarden inzake:

    • a. de distributie van gasvormige en gasvormende biociden,

    • b. de bestrijding van mollen en woelratten,

    • c. het afweren of bestrijden van een dierplaag,

    • d. het bestrijden van een houtrotverwekkende schimmel, of

    • e. het toepassen van gasvormige en gasvormende biociden, met uitzondering van de bestrijding van mollen en woelratten als bedoeld in onderdeel b.

  • 2. De ondernemer van een bedrijf of hoofdverantwoordelijke voor een instelling is vrijgesteld van een bewijs van vakbekwaamheid voor handelingen met betrekking tot biociden:

    • a. die niet zijn genoemd in het eerste lid, of

    • b. die zijn genoemd in het eerste lid en die worden uitgevoerd door:

      • 1°. een bedrijfsvoerder die in dienst is en die beschikt over een daartoe verstrekt bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in het eerste lid, of

      • 2°. een bedrijf dat voor de ondernemer een biocide toepast en waarvan de persoon die de biocide distribueert aan klanten of toepast, beschikt over een daartoe verstrekt bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Artikel 71, eerste, tweede en derde lid, van de wet, is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde gevallen.

  • 4. Het bewijs van vakbekwaamheid vermeldt de volledige naam, het adres, de woonplaats en de geboortedatum van betrokkene en kan een opsomming bevatten van onderwerpen waarvan kennis is verworven en op welk niveau.

  • 5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels of nadere regels worden gesteld met betrekking tot de onderwerpen, genoemd in de artikelen 71, tweede lid, van de wet.

N

Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de datum van afgifte van een getuigschrift als bedoeld in artikel 17, eerste of tweede lid» vervangen door: het tijdstip waarop de opleiding is afgerond, het examen is afgelegd, of de instructie is verkregen, overeenkomstig artikel 17, eerste lid, of aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, is voldaan.

2. In het tweede lid wordt «automatisch» vervangen door: ambtshalve.

3. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. De vernieuwing van een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, en 17a, eerste lid, wordt geweigerd indien niet is voldaan aan bij regeling door Onze Minister vast te stellen voorwaarden inzake scholing.

4. Het zesde lid vervalt.

O

In artikel 19, eerste en tweede lid, wordt «de houder van een getuigschrift , als bedoeld in artikel 17, eerste en tweede lid» telkens vervangen door: de houder van een bewijs van vakbekwaamheid dat is verkregen op grond van artikel 17, eerste lid, of 17a, eerste lid.

P

De artikelen 20, 21 en 22 vervallen.

Q

Het opschrift van hoofdstuk 5, paragraaf 4, komt te luiden:

§ 4. Goede praktijken, geïntegreerde gewasbescherming en juist gebruik

R

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het woord «bestrijding» wordt telkens vervangen door: gewasbescherming.

2. In het eerste lid vervalt de zinsnede «voorzover genoemde gewasbeschermingsmiddelen door het college niet zijn toegelaten voor niet-professioneel gebruik».

3. In het tweede lid wordt «bijlage bij dit besluit» vervangen door: bijlage III bij richtlijn 2009/128/EG.

4. In het derde lid vervalt «op landbouwgebied als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder d, van de wet».

5. Het zesde lid komt te luiden:

  • 6. Het eerste lid is niet van toepassing op degene die:

    • a. uitsluitend een gewasbeschermingsmiddel voor niet-professioneel gebruik toepast, of

    • b. onder de verantwoordelijkheid dan wel in opdracht van een derde een gewasbeschermingsmiddel toepast.

6. Het zevende lid komt te luiden:

  • 7. Bij ministeriële regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is op een categorie van gebruikers, indien een systeem van kwaliteitszorg of andere regelgeving reeds op vergelijkbare wijze in de toepassing van geïntegreerde gewasbescherming voorziet.

7. Na het zevende lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels of nadere regels worden gesteld over geïntegreerde gewasbescherming door professionele gebruikers.

S

Na artikel 27 worden vier artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 27a. Gebruik van prioritaire gevaarlijke stoffen

Een gewasbeschermingsmiddel dat een prioritaire gevaarlijke stof bevat als bedoeld in artikel 16, derde lid, van richtlijn 2000/60/EG wordt niet gebruikt in de nabijheid van oppervlaktewater of in gebieden die zijn aangewezen krachtens artikel 1.2, tweede lid, onderdeel a, van de Wet milieubeheer.

Artikel 27b. Verharde oppervlakken

Het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel wordt geminimaliseerd of blijft achterwege op en langs:

  • a. wegen, spoorwegen en andere infrastructuur in de nabijheid van oppervlaktewater of grondwater, alsook op verharde oppervlakken waar een groot risico van afspoeling naar oppervlaktewateren of rioleringssystemen bestaat;

  • b. zeer doorlaatbare oppervlakken in de nabijheid van oppervlaktewater of grondwater.

Artikel 27c. Middelen met laag risico bij het brede publiek of kwetsbare groepen

  • 1. In niet-landbouwgebieden in gebruik bij het grote publiek of bij kwetsbare groepen als bedoeld in artikel 3 van verordening (EG) 1107/2009 wordt gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico als bedoeld in artikel 47 van verordening (EG) 1107/2009 of biologische bestrijdingsmethoden.

  • 2. Indien met de gewasbeschermingsmiddelen of bestrijdingsmethoden, bedoeld in het eerste lid, onvoldoende resultaat wordt geboekt of zo’n resultaat redelijkerwijs te verwachten is, kunnen andere toegelaten gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast.

  • 3. Degene die voornemens is in de situatie, bedoeld in het tweede lid, een gewasbeschermingsmiddel te gebruiken, dat overeenkomstig richtlijn 1999/45/EG is ingedeeld als vergiftig of zeer vergiftig, meldt zijn voornemen aan Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Artikel 32, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald binnen welke termijn na ontvangst van de melding Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kan besluiten het voorgenomen gebruik te verbieden, dan wel voorschriften en beperkingen te verbinden aan het gebruik.

Artikel 27d. Waarschuwingen in recent behandelde gebieden

Indien een gewasbeschermingsmiddel wordt gebruikt, waarvoor in het gebruiksvoorschrift bij de toelating een wachttermijn voor herbetreding is bepaald, zorgt een professionele gebruiker er voor dat andere personen op het bedrijf weten van die wachtttermijn en voor welke arealen van het bedrijf die wachttermijn geldt.

T

Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde en zesde lid wordt «leverancier» telkens vervangen door: distributeur.

2. In het zesde lid wordt de zinsnede «een administratie ... artikel 24, eerste lid» vervangen door: zijn administratie.

U

Na artikel 32 wordt in hoofdstuk 5 een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 6. Technieken reiniging van verpakkingen

Artikel 32a. Reinigingsplicht verpakkingen in productschapsverordeningen
  • 1. Ter uitvoering van artikel 80a, tweede lid, van de wet wordt medewerking gevorderd van de besturen van het Productschap Akkerbouw, het Productschap Tuinbouw en het Productschap Zuivel.

  • 2. Deze medewerking bestaat uit:

    • a. het bij verordeningen stellen van regels dan wel nadere regels inzake de terugwinning of verwijdering van restanten van gewasbeschermingsmiddelen uit de verpakkingen ervan;

    • b. het aanwijzen van personen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de verordeningen.

  • 3. De medewerking bestaat voor het Productschap Akkerbouw tevens uit het bij verordening stellen van regels, inhoudende dat de krachtens het tweede lid gestelde regels mede andere dan de in artikel 102, eerste lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie bedoelde natuurlijke personen en rechtspersonen binden, voor zover deze personen handelingen verrichten met betrekking tot de terugwinning of verwijdering van restanten van gewasbeschermingsmiddelen uit de verpakkingen ervan, die bedrijfsmatig in de ondernemingen waarvoor het productschap is ingesteld, plegen te worden verricht.

  • 4. De in het eerste lid genoemde productschappen kunnen tuchtrechtelijke maatregelen stellen als bedoeld in artikel 2 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 die kunnen worden toegepast bij overtreding van de in het tweede lid bedoelde verordeningen, behoudens voor de andere natuurlijke personen en rechtspersonen, bedoeld in het derde lid.

V

Na artikel 33 wordt in hoofdstuk 6, paragraaf 1, een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 33a. Bestuurlijke boetes

  • 1. De bestuurlijke boete bedraagt voor een overtreding uit de categorie:

     

    a. zeer geringe overtreding

    € 50,–,

     

    b. geringe overtreding

    € 250,–,

     

    c. matige overtreding

    € 500,–,

     

    d. ernstige overtreding

    € 1.000,– tot € 10.000,–

  • 2. Bij ministeriële regeling stelt Onze Minister regels omtrent de indeling in categorieën per overtreding. Daarbij wordt ten minste onderscheid gemaakt tussen de categorieën distributeurs, niet-professionele gebruikers en professionele gebruikers.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister een hogere boete vaststellen, indien de omstandigheden van het geval of de ernst van de overtreding daartoe aanleiding geven.

W

Artikel 34 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, vervalt «gewasbeschermingsmiddel of» en wordt «artikel 121a, vijfde lid» vervangen door: artikel 121a, vierde lid.

2. In het eerste lid, onderdelen a en b, vervalt telkens «het gewasbeschermingsmiddel of».

3. In het tweede lid vervalt «gewasbeschermingsmiddelen of», wordt «het gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk de biocide,» vervangen door «de biocide» en vervalt «artikel 28, eerste lid, onderdeel b, subonderdelen 1 tot en met 5, van de wet, onderscheidenlijk».

X

Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «een gewasbeschermingsmiddel of een biocide» en «een gewasbeschermingsmiddel of biocide» telkens vervangen door «een biocide», en vervalt «het desbetreffende gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk», alsmede de komma voor «niet».

2. In het derde lid vervalt «gewasbeschermingsmiddel of».

3. In het vierde lid, onder a, wordt «het gewasbeschermingsmiddel of biocide» vervangen door: de biocide.

4. In het vierde lid, onder f, vervallen de zinsneden «gewasbeschermingsmiddelen of» en «32, 33,».

Y

Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Artikel 36. Dringend vereiste biocide

2. Het eerste lid vervalt, onder vernummering van het tweede tot en met vijfde lid tot eerste tot en met vierde lid.

3. In het derde lid (nieuw) vervalt «gewasbeschermingsmiddel of ».

4. In het vierde lid (nieuw) vervallen de zinsneden «artikel 28, eerste lid, onderdeel b, onder 5, van de wet onderscheidenlijk» en «een gewasbeschermingsmiddel onderscheidenlijk».

5. Het zesde lid vervalt, onder vernummering van het zevende en achtste lid tot vijfde en zesde lid.

6. In het vijfde lid (nieuw) vervalt «gewasbeschermingsmiddel of ».

7. In het zesde lid (nieuw) wordt «Het eerste tot en met zevende lid» vervangen door: Het eerste tot en met vijfde lid.

Z

Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt «een gewasbeschermingsmiddel onderscheidenlijk».

2. In het tweede lid vervalt «een gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk» en vervalt «artikel 28, eerste lid, onderdeel b, onder 5, onderscheidenlijk».

3. Het derde en vierde lid vervallen.

4. Het vijfde en zesde lid worden vernummerd tot derde en vierde lid.

5. In het derde lid (nieuw) vervalt «gewasbeschermingsmiddel of ».

6. In het vierde lid (nieuw) wordt «Het eerste tot en met vijfde lid» vervangen door: Het eerste tot en met derde lid.

AA

Na artikel 37 wordt in hoofdstuk 6 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 37a. Gegevensbescherming

Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over de duur van de gegevensbescherming bedoeld in artikel 47, vijfde lid, van de wet.

BB

De bijlage bij artikel 26, tweede lid, vervalt.

ARTIKEL II

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 8 juli 2011

Beatrix

De Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

H. Bleker

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

J. J. Atsma

Uitgegeven de zestiende augustus 2011

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen deel

§ 1 Inleiding

1.1 Nieuwe EU-regelgeving

In het najaar van 2009 zijn twee EU-verordeningen en twee EU-richtlijnen met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen vastgesteld. Het betreft:

  • Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG (PbEU 2009, L 309), hierna te noemen: verordening (EG) 1107/2009.

  • Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PbEU 2009, L 309), hierna te noemen: richtlijn 2009/128/EG.

  • Richtlijn 2009/127/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 tot wijziging van de Richtlijn 2006/42/EG met betrekking tot machines voor de toepassing van pesticiden (PbEU 2009, L 310), hierna te noemen: richtlijn 2009/127/EG, en

  • Verordening (EG) nr. 1185/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 november 2009 betreffende statistieken over pesticiden (PbEU 2009, L324), hierna te noemen verordening (EG) 1185/2009.

Pesticiden ofwel bestrijdingsmiddelen worden normaliter onderscheiden in twee typen: gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Hoewel beide richtlijnen en verordening (EG) 1185/2009 het verzamelbegrip pesticiden in hun opschrift gebruiken, blijkt op grond van artikel 2, eerste lid, van richtlijn 2009/128/EG dat de richtlijn niet van toepassing is op biociden, maar uitsluitend op gewasbeschermingsmiddelen. Dit geldt evenzeer voor de andere hierboven genoemde EU-regelgeving. Daarom noodzaken verordening (EG) 1107/2009 en beide hierboven genoemde richtlijnen tot het aanbrengen van wijzigingen in het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden, alsmede in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, het Besluit lozen buiten inrichtingen, het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, het Warenwetbesluit machines en het Warenwetbesluit bestuurlijke boetes. Onderhavig besluit voert de wijzigingen door die nodig zijn voor de implementatie van verordening (EG) 1107/2009 en richtlijn 2009/128/EG, voor zover deze wijzigingen geen formele betrokkenheid (voorhang) van de Eerste en Tweede Kamer vereisen.

De implementatie van hierboven genoemde EU-regelgeving in algemene maatregelen van bestuur waarbij een voorhangprocedure geldt, zal in een apart besluit (Kamerstukken II 2010/11, 32 372, nr. 47) plaatsvinden. Deze nota van toelichting is opgesteld in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu.

1.2 Doelstelling en gevolgen verordening (EG) 1107/2009

De verordening bevat vooral regels over het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, waarbij de toelatingsprocedure centraal staat. Aangezien een EU-verordening rechtstreeks werkend is, is een belangrijk gevolg van het van toepassing worden van de verordening op 14 juni 2011, dat bestaande Nederlandse regels die strijdig zijn of overlap vertonen met de verordening vervallen of worden gewijzigd.

1.3 Doelstelling en gevolgen richtlijn 2009/128/EG

Op grond van artikel 23 van de richtlijn moet de Nederlandse implementatieregelgeving uiterlijk op 26 november 20111 in werking treden. Artikel 5, tweede lid, artikel 6, vierde lid, artikel 8, tweede lid, artikel 14, vierde lid, en artikel 17 van de richtlijn voorzien in afwijkende termijnen voor de daarin genoemde specifieke maatregelen of onderwerpen. Eventuele nieuwe eisen voor geïntegreerde gewasbescherming zullen in voorkomend geval eerst met ingang van 1 januari 2014 in werking treden, zodat een ieder voldoende tijd zal krijgen zich voor te bereiden op een mogelijk nieuwe situatie.

Het doel van richtlijn 2009/128/EG is de bevordering van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, uitgaande van een op voorzorg en preventie gebaseerde benadering (overweging 1 bij de richtlijn). Artikel 1 van de richtlijn verwoordt waar het de Europese wetgever om gaat:

«Deze richtlijn stelt een kader vast voor de totstandbrenging van een duurzaam gebruik van pesticiden door vermindering van de risico’s en de effecten van pesticidengebruik op de menselijke gezondheid en het milieu en door bevordering van het gebruik van geïntegreerde plaagbestrijding en alternatieve benaderingswijzen of technieken, zoals niet-chemische alternatieven voor pesticiden.»

Daartoe bevat de richtlijn in artikel 4 de verplichting een nationaal actieplan te maken. Nederland dient dit plan uiterlijk 26 november 2012 aan te bieden aan de Europese Commissie en de andere lidstaten. De inhoud van het nationale actieplan zal onder andere worden bepaald door de uitkomsten van de evaluatie van de Nota duurzame gewasbescherming (Kamerstukken II 2003/04, 27 858, nr. 47) en met inachtneming van de eisen die artikel 4 van de richtlijn stelt aan de totstandkoming en de inhoud van het plan.

1.4 Verhouding richtlijn 2009/128/EG en andere EU-regelgeving

Richtlijn 2009/128/EG stelt in aanvulling op Verordening (EG) 1107/2009 regels over de gebruiksfase van gewasbeschermingsmiddelen. Zo vereist de richtlijn in artikel 5 dat lidstaten passende opleidingen aanbieden aan professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen en in artikel 6 dat de verkoop van middelen wordt gereguleerd. Richtlijn 2009/128/EG moet in samenhang met verordening (EG) 1107/2009 worden beschouwd. Het belangrijkste is immers dat de gebruiker van een gewasbeschermingsmiddel weet wanneer en hoe hij een middel mag gebruiken. Zie daartoe ook overweging 36 bij verordening (EG) 1107/2009.

Zowel verordening (EG) 1107/2009 als richtlijn 2009/128/EG staan niet op zichzelf, maar leggen beide een verband met Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschap van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG 2000, L 327 (de Kaderrichtlijn water), alsmede met andere EU-regelgeving. Volgens de derde overweging bij richtlijn 2009/128/EG dienen de maatregelen waarin de richtlijn voorziet «een aanvulling te vormen op en mogen [deze] geen afbreuk doen aan de maatregelen die zijn neergelegd in andere aanverwante communautaire wetgeving».

1.5 Doelstelling en gevolgen van richtlijn 2009/127/EG

Richtlijn 2009/127/EG tot slot, die machinerichtlijn 2006/42/EG wijzigt, stelt aanvullende eisen aan het ontwerp van een machine en andere apparatuur die voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen wordt gebruikt in verband met de bescherming van het milieu. Richtlijn 2009/127/EG reguleert daarmee de ontwerp- en fabricage-eisen voor dergelijke machines. Richtlijn 2009/127/EG bepaalt tevens dat slechts die machines en andere apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in het vrije verkeer van de Unie mogen worden gebracht die aan de eisen van richtlijn 2006/42/EG, zoals gewijzigd door richtlijn 2009/127/EG, voldoen.

Artikel 8 van richtlijn 2009/128/EG reguleert in aanvulling daarop de gebruiksfase van die machines en andere apparatuur door te bepalen dat apparatuur periodiek moet worden gekeurd, teneinde in goede staat van onderhoud te blijven. Er is dus een nauw verband tussen richtlijn 2009/127/EG en artikel 8 van richtlijn 2009/128/EG.

§ 2 Hoofdlijnen verordening (EG) 1107/2009, richtlijn 2009/128/EG en 2009/127/EG

Omwille van de leesbaarheid van deze toelichting wordt kort ingegaan op de Europese regelgeving.

2.1 Verordening (EG) 1107/2009

De huidige richtlijn voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, richtlijn 91/414/EEG, wordt vervangen door een nieuwe verordening (EG) 1107/2009. Nieuwe elementen in de verordening ten opzichte van richtlijn 91/414/EEG zijn de volgende:

  • Er worden positieve lijsten op EU-niveau en een goedkeuringsprocedure voor allerhande hulpstoffen vastgesteld, voordat zij in gewasbeschermingsmiddelen mogen worden opgenomen.

  • Er wordt onderscheid gemaakt tussen laag risico, normaal en hoog risico stoffen en daaraan worden rechtsgevolgen verbonden voor de duur van de toelating van middelen op basis van die stoffen.

  • Middelen die niet op de markt worden gebracht als gewasbeschermingsmiddel, maar wel een zodanige (bij-)werking hebben, mogen niet als zodanig worden gebruikt, tenzij zij zijn goedgekeurd door de Europese Commissie als basisstof.

  • De Unie wordt in verband met de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen opgedeeld in drie zones, waarbinnen de omstandigheden op het gebied van klimaat, milieu en landbouw als vergelijkbaar worden beschouwd. De beoordeling vindt plaats door één lidstaat, die namens meerdere lidstaten in de zone de voorgeschreven beoordeling uitvoert en een besluit neemt omtrent toelating, dat in beginsel ook de andere lidstaten waar een aanvraag is ingediend, bindt.

  • Voor daartoe aangewezen hoog risicostoffen gaat de verplichting gelden ten minste eenmaal tijdens de toelatingsduur te onderzoeken of er geen alternatieve middelen op de markt zijn op basis van andere (niet hoog-risico) werkzame stoffen. Een positief antwoord vormt reden de toelating niet te verlengen of te beëindigen.

  • Voor de goedkeuring van laag-risico-stoffen en middelen op basis van die stoffen gaan daarentegen juist langere goedkeurings- en toelatingstermijnen gelden en dus meer zekerheid voor de fabrikant en de gebruiker.

2.2 Richtlijn 2009/128/EG

In deze paragraaf worden slechts kort die onderwerpen uit richtlijn 2009/128/EG toegelicht, welke tot wijzigingen leiden in dit besluit. Voor een toelichting op de overige inhoud van de richtlijn wordt verwezen naar § 4.1 van de memorie van toelichting bij de Wet van 24 maart 2011 tot wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met de implementatie van Europese regelgeving op het gebied van het op de markt brengen en duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (Staatsblad 2011, nr. 235).

Opleiding gekoppeld aan certificaat en verkoopeisen

De artikelen 5 en 6 van richtlijn 2009/128/EG verplichten alle lidstaten van de Europese Unie te zorgen voor opleidingen ten behoeve van de distributeurs, voorlichters en professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen, alsmede een systeem van certificaten in te voeren, inclusief een procedure voor het verlenen, vernieuwen of intrekken ervan. Ook worden eisen gesteld aan de verkoop van gewasbeschermingsmiddelen met een toelating voor professioneel gebruik en aan het personeel van een distributeur dat adviseert over de verkoop van middelen. Voorts is er specifieke aandacht voor distributeurs die middelen aan niet-professionele gebruikers verkopen. Artikel 13, tweede lid, van de richtlijn is in dit verband ook van belang, omdat het de lidstaten verplicht tot het nemen van beperkende maatregelen inzake gewasbeschermingsmiddelen voor niet-professioneel gebruik. Het gaat dan om beperkingen aan het middel zelf, zoals kleinere verpakkingen.

Bescherming aquatisch milieu en drinkwatervoorziening

Artikel 11 van richtlijn 2009/128/EG verplicht de lidstaten ervoor te zorgen dat het aquatische milieu (oppervlaktewater en grondwater) en de drinkwatervoorziening worden beschermd tegen het effect van gewasbeschermingsmiddelen. Daartoe moeten onder andere maatregelen worden vastgesteld met betrekking tot het minimaliseren van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en het beperken van verwaaiende spuitnevel (de zogenoemde drift), uitspoeling en afspoeling van gewasbeschermingsmiddelen. Alle te nemen maatregelen dienen ondersteuning te bieden aan en verenigbaar te zijn met de Kaderrichtlijn water (richtlijn 2000/60/EG) en verordening (EG) 1107/2009.

Vermindering gebruik of risico van gebruik in specifieke gebieden

Artikel 12 van de richtlijn verplicht ertoe het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in bepaalde specifieke gebieden te minimaliseren of te verbieden, zodat de kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen afneemt. Daarbij zijn risicobeheersmaatregelen mogelijk teneinde te voorkomen dat het grote publiek of werknemers in aanraking komen met middelen. Hetzelfde geldt voor beschermde gebieden op grond van Europese regelgeving, zoals de Natura-2000-gebieden en de in de Kaderrichtlijn water als bijzondere bescherming behoevend aangemerkte gebieden.

Veiligheidseisen voor en na het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 13 van richtlijn 2009/128/EG verplicht de lidstaten ertoe ervoor te zorgen dat distributeurs en professionele gebruikers zorgvuldig omgaan met gewasbeschermingsmiddelen en de handelingen die worden verricht bij het aanmaken van middelen, het omgaan met restanten en verpakkingen en het schoonmaken van gebruikte apparatuur. Het tweede lid van die bepaling verplicht ertoe specifieke maatregelen te nemen om gevaarlijke situaties met middelen voor niet-professioneel gebruik te voorkomen, zoals beperkingen aan het formaat van de verpakking. Op grond van het derde lid geldt een zorgvuldigheidsnorm voor de opslag van gewasbeschermingsmiddelen, zodat het ongewenst vrijkomen ervan wordt voorkomen.

Geïntegreerde gewasbescherming

Artikel 14 van richtlijn 2009/128/EG bepaalt dat de lidstaten alle mogelijke maatregelen nemen om bestrijding met lage gewasbeschermingsmiddeleninzet te bevorderen, waarbij zii waar mogelijk voorrang geven aan niet-chemische methoden. Daarnaast verplicht artikel 14 ertoe dat Nederland de nodige randvoorwaarden schept, zoals het beschikbaar stellen van informatie en concrete adviezen over geïntegreerde gewasbescherming. Bijlage III van de richtlijn somt acht algemene beginselen van geïntegreerde gewasbescherming op en noemt daarbij diverse concrete maatregelen.

Het onderwerp geïntegreerde gewasbescherming leent zich er niet toe «dichtgeregeld» te worden. Het is echter denkbaar in de ministeriële regeling bepaalde maatregelen te noemen, welke gelden als bewijsvermoeden dat de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming worden toegepast. Geïntegreerde gewasbescherming is in feite maatwerk. Randvoorwaarden voor het toepassen van geïntegreerde gewasbescherming zijn voldoende kennis bij de professionele gebruiker, handhaafbaarheid van eventuele regels en het voorkomen van administratieve lastenstijgingen. Uiterlijk 30 juni 2013 dient de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aan de Europese Commissie verslag uit te brengen over de mate van geïntegreerde gewasbescherming in Nederland. In het nationaal actieplan als bedoeld in artikel 81a van de wet, dat in november 2012 gereed moet zijn, beschrijft iedere lidstaat en dus ook Nederland hoe zij ervoor zorgt dat bijlage III, met andere woorden de algemene beginselen van geïntegreerde gewasbescherming, uiterlijk op 1 januari 2014 zal worden uitgevoerd door de professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen.

§ 3 Hoofdlijnen van het wijzigingsbesluit

3.1 Inleiding

Het onderhavige wijzigingsbesluit brengt wijzigingen aan in het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna ook: Bgb). Dit algemeen deel van de toelichting geeft een toelichting op de belangrijkste wijzigingen.

3.2 Wijzigingen als gevolg van verordening (EG) 1107/2009

Nu de verordening regels stelt over de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen en deze regels directe werking in de Nederlandse rechtssfeer hebben, moeten bepalingen in het Bgb die vergelijkbare regels bevatten, vervallen en ook niet meer terugkeren in de ministeriële regeling. Dit heeft met name gevolgen voor de bepalingen die regels stellen over de bij de aanvraag te leveren gegevens, de te hanteren onderzoeksmethoden of richtsnoeren en beslistermijnen.

3.3 Bestaande, relevante regelgeving ivm de implementatie van richtlijn 2009/128/EG

De richtlijn stelt regels over onderwerpen, waarvoor soms in Nederland al beleid of regelgeving bestaat. Zo introduceert de richtlijn een opleiding ten behoeve van gewasbeschermingsmiddelenhandel en -gebruik, gekoppeld aan een certificaat, waaruit de gevolgde opleiding blijkt. In Nederland geldt voor veel situaties al de verplichting te beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid, hetgeen vergelijkbaar is met het genoemde certificaat.

De richtlijn verplicht tot zorgvuldig handelen met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen vóór de toepassing ervan, bij voorbeeld tijdens het klaarmaken van het middel, het zorgvuldig omgaan met verpakkingen en restanten en het schoonmaken van spuittanks en gebruikte apparatuur. Bij de toelating stelt het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden hier soms regels over. Daarnaast geldt de algemene zorgplicht als bedoeld in artikel 2a van het wetsvoorstel, en regelgeving op grond van de Wet milieubeheer. Ten aanzien van de reiniging van verpakkingen van gewasbeschermingsmiddelen gelden momenteel autonome productschapsverordeningen van de Productschappen Akkerbouw, Tuinbouw en Zuivel2. Tot slot is er een convenant3, teneinde ervoor te zorgen dat lege of halflege verpakkingen niet in het milieu terecht komen, maar als chemisch afval worden ingezameld, zodat ze volgens de afvalstoffenregelgeving op de juiste wijze kunnen worden verwerkt.

3.4 Wijzigingen als gevolg van richtlijn 2009/128/EG

Hierna zullen de belangrijkste thema’s van dit wijzigingsbesluit als gevolg van richtlijn 2009/128/EG worden toegelicht.

3.4.1 Bewijs van vakbekwaamheid

Artikel 71 van de Wet van 24 maart 2011 tot wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met de implementatie van Europese regelgeving op het gebied van het op de markt brengen en duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (Staatsblad 2011, nr. 235) bevat de regels omtrent het bewijs van vakbekwaamheid. Artikel 73 van die wet bevat specifieke regels voor de verkoop van gewasbeschermingsmiddelen, die zijn toegelaten voor professioneel gebruik. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de tweede nota van wijziging (Kamerstukken II 2009/10, 32 372, nr. 9).

Het wettelijk systeem blijft zo dat de verkoop en alle andere vormen van distributie van gewasbeschermingsmiddelen een bewijs van vakbekwaamheid vergt aan de verkoperszijde. Daarop geldt een uitzondering voor gewasbeschermingsmiddelen die specifiek door het college zijn toegelaten voor niet-professioneel gebruik. Dergelijke middelen zijn geschikt bevonden voor gebruik zonder enige opleiding en mogen in de toekomst in een bepaald geval worden verkocht zonder dat een bewijs van vakbekwaamheid is vereist, namelijk mits de desbetreffende distributeur uitsluitend handelt in middelen die expliciet zijn toegelaten voor niet-professioneel gebruik èn die middelen niet als vergiftig, zeer vergiftig, kankerverwekkend, mutageen of vergiftig voor de voortplanting zijn ingedeeld op grond van Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschap van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG 1999, L 200).

De middelen voor niet-professioneel gebruik mogen door een ieder worden gebruikt zonder dat een bewijs van vakbekwaamheid nodig is, mits uiteraard de gebruiksvoorschriften die door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden in het kader van de toelating van het middel zijn vastgesteld, worden opgevolgd. Indien een dergelijk gewasbeschermingsmiddel de pleksgewijze bestrijding van onkruid toestaat, mag dus ook een landbouwer dat middel toepassen zonder dat hij over een bewijs van vakbekwaamheid beschikt. Voor de persoon die een gewasbeschermingsmiddel met een toelating voor professioneel gebruik wil gaan gebruiken, is daarentegen wel een bewijs van vakbekwaamheid een voorwaarde voor het ontvangen, voorhanden hebben en gebruiken ervan.

Het voormalige artikel 17 Bgb is opgesplitst in een nieuw artikel 17 inzake bewijzen van vakbekwaamheid voor gewasbeschermingsmiddelen en een nieuw artikel 17a voor biociden. Dit is nodig, omdat de richtlijn uitsluitend betrekking heeft op gewasbeschermingsmiddelen en de artikelen 71 en 73 van de wet nu zo zijn geformuleerd, dat zij regels stellen inzake gewasbeschermingsmiddelen met de mogelijkheid die regels van overeenkomstige toepassing te verklaren op biociden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. De specifieke aanduiding van distributie van gasvormige en gasvormende gewasbeschermingsmiddelen en biociden (voorheen artikel 17, eerste lid, onderdeel b) is vervallen, nu in de praktijk dat onderscheid in de distributie niet werd gemaakt en er geen behoefte aan bestaat.

Het voormalige artikel 17, derde lid, is vervallen. Dit impliceert overigens niet dat een ondernemer of hoofdverantwoordelijke voor een instelling niet meer verantwoordelijk is voor wat er in zijn bedrijf of organisatie gebeurt met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen. Deze verantwoordelijkheid blijft onverkort gelden, maar het is bij nader inzien niet meer nodig dit expliciet te regelen, ook omdat de definities van distributeur en (professionele) gebruiker voldoende ruim zijn en niet alleen de feitelijke handelende persoon omvatten, maar ook de werkgever of opdrachtgever.

Artikel 17a is weliswaar nieuw, maar introduceert geen nieuwe regels voor bewijzen van vakbekwaamheid voor biociden. Dit betekent dat voor het gebruik van vier typen biociden een bewijs van vakbekwaamheid is vereist. Hoewel artikel 17a, eerste lid, onderdeel a, ook de distributie van gasvormende en gasvormige biociden onder de verplichting tot een bewijs van vakbekwaamheid schaart, blijft het vooralsnog zo geregeld dat in artikel 6.6 van de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden hierop weer een uitzondering wordt gemaakt, zodat per saldo geen bewijs van vakbekwaamheid is vereist voor de distributie van biociden. Hiermee wordt de situatie zoals die bestaat sinds de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 voor de distributie van biociden gecontinueerd.

3.4.2 Bescherming van het aquatisch milieu (art. 11 richtlijn)

Op grond van artikel 11 van de richtlijn dragen de lidstaten er zorg voor dat passende maatregelen worden vastgesteld teneinde het aquatisch milieu en de voorziening van drinkwater te beschermen tegen het effect van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Het tweede lid bevat een opsomming van vast te stellen maatregelen. Onderdeel a bepaalt dat de maatregelen de voorkeur dienen te geven aangewasbeschermingsmiddelen die niet als gevaarlijk voor het aquatisch milieu zijn ingedeeld en geen prioritaire gevaarlijke stoffen bevatten (artikel 11, tweede lid, onderdeel a).Ter implementatie van deze bepaling bevat het nieuwe artikel 27a Bgb een verbod op het gebruik van dergelijke middelen nabij oppervlaktewateren en in grondwaterbeschermingsgebieden. Voorts moeten de vast te stellen maatregelen de voorkeur geven aande meest doeltreffende toepassingstechnieken (artikel 11, tweede lid, onderdeel b) en moeten de maatregelen voorzien in het gebruik van risicoreducerende maatregelen waardoor het risico van vervuiling buiten het terrein als gevolg van verwaaiende spuitnevel, uitspoeling en afspoeling tot een minimum wordt beperkt. De richtlijn schrijft daarbij voor dat voorzien moet worden in bufferzones voor de bescherming van niet-doelwit-waterorganismen en in beschermingszones voor oppervlaktewater en grondwater dat wordt gebruikt voor de onttrekking van drinkwater, waarbinnen geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden toegepast of opgeslagen (artikel 11, tweede lid, onderdeel c).

De huidige voorschriften van het zowel op de Waterwet als op de artikelen 79 en 80 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden gebaseerde Lozingenbesluit open teelt en veehouderij (Lotv) vormen voor agrarische toepassingen implementatie van deze richtlijnverplichtingen. Het streven is overigens dat besluit tezamen met enkele andere besluiten op korte termijn in te voegen in het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (het Activiteitenbesluit). In deze toelichting wordt echter uitgegaan van de huidige situatie.

Driftreducerende technieken zijn verplicht op grond van artikel 15 Lotv. Veldspuiten zonder speciale doppen zijn verboden. Verder zijn er verboden opgenomen om te spuiten op te grote hoogte, met te hoge spuitdruk of boven een windsnelheid van meer dan 5 meter per seconde. Afhankelijk van het gewastype en de toe te passen spuittechniek vereist artikel 13 van het Lotv een teeltvrije zone tussen een gewas en de insteek (het begin) van het talud van een oppervlaktewaterlichaam. Deze varieert van 25 centimeter voor grasland tot 14 meter voor hoogstamfruit dat zonder driftreducerende technieken met een gewasbeschermingsmiddel wordt behandeld.

Gewasbeschermingsmiddelen worden echter ook in belangrijke mate voor niet-landbouwkundige toepassingen gebruikt. Hiervoor bestaan nog geen nationale regels. Op sportvelden kunnen naast onkruidbestrijdingsmiddelen ook middelen voor de bestrijding van emelten en engerlingen worden gebruikt. De uit- of afspoeling van dergelijke middelen vanaf sportvelden kan aanzienlijk zijn als gevolg van de samenstelling van de bodem (lichte ondergrond) en een sterke afwatering. Ook kan bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen verwaaiing (drift) naar het oppervlaktewater optreden.

Ook bij het onderhoud van auto- of spoorwegen wordt soms gebruik gemaakt van onkruidbestrijdingsmiddelen. Nabij oppervlaktewater kunnen deze middelen door verwaaiing in het oppervlaktewaterlichaam geraken. Al deze voorbeelden tonen aan dat het nodig is op grond van de eisen die artikel 11 van de richtlijn stelt, te voorzien in aanvullende implementatievoorschriften.

Op grond van artikel 1.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer bestaat voor provinciale staten de verplichting in zijn provinciale milieuverordening beschermingszones aan te wijzen rondom grondwaterwinningen. Volgens die bepaling moeten hierin regels worden gesteld ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden.

Onafhankelijk van de bovengenoemde generieke voorschriften is het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevoegd toelatingsvoorschriften op te nemen op grond van artikel 31 van verordening (EG) 1107/2009. In het kader van de toelatingsprocedure van middelen beoordeelt het college op risico’s voor de waterkwaliteit en het drinkwater, aangezien dat op grond van de uniforme beginselen (bijlage VI bij richtlijn 91/414/EEG of artikel 29, zesde lid, van verordening (EG) 1107/2009) reeds verplicht is.

Tot slot moeten de vast te stellen maatregelen zo veel mogelijk de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen beperken dan wel uitschakelen op en langs wegen, spoorwegen, zeer doorlaatbare oppervlakken en andere infrastructuur nabij oppervlaktewater en grondwater, alsook op verharde oppervlakken waar een groot risico van afspoeling naar oppervlaktewateren of rioleringssystemen bestaat (artikel 11, tweede lid, onderdeel d). Bij het gebruik van chemische middelen bij het bestrijden van onkruid op verhardingen, zoals wegen, trottoirs of bedrijfsterreinen spoelen de bestrijdingsmiddelen met het regenwater af van de verharding en komen zo direct of indirect, via de riolering, in het oppervlaktewater terecht. De chemische bestrijding van onkruid op verhardingen draagt daarmee in belangrijke mate bij aan de belasting van het oppervlaktewater. Het nieuwe artikel 27b van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een algemene verplichting om op gesloten en half-open verhardingen en op zeer doorlaatbare oppervlakken het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te minimaliseren.

Ook buiten de landbouw zijn gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen (in casu vaak onkruidbestrijdingsmiddelen) op grond van artikel 26, eerste lid, van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden verplicht ieder jaar een gewasbeschermingsplan op te stellen. In dat plan moet in voorkomend geval ook rekening worden gehouden met de eisen van artikel 27b Bgb. Dit houdt in ieder geval in dat voordat sprake is van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen eerst de niet-chemische alternatieven moeten worden overwogen.

3.4.3 Vermindering van gewasbeschermingsmiddelengebruik of -risico’s in specifieke gebieden (art. 12 richtlijn)

Artikel 12 bestaat uit een algemene aanhef en drie onderdelen. Hierna zullen de drie onderdelen worden toegelicht. Onderdeel a heeft betrekking op de bescherming van mensen, onderdeel b op de bescherming van aangewezen water- en natuurgebieden en onderdeel c heeft betrekking op de bescherming van werknemers in de landbouw.

Artikel 12 van de richtlijn verplicht lidstaten met inachtneming van de eisen inzake hygiëne, volksgezondheid en biodiversiteit, of van de resultaten van desbetreffende risicobeoordelingen, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in bepaalde specifieke gebieden te minimaliseren of verbieden. Passende risicobeheersmaatregelen moeten worden genomen en in eerste instantie wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico, zoals omschreven in artikel 47 van verordening (EG) nr. 1107/2009, en biologische bestrijdingsmethoden overwogen.

Onderdeel a

De huidige praktijk is dat het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden toetst wie er op welke wijze (bij voorbeeld via een gazon, een sportveld of in een openbaar gebied) normaliter in aanraking kan komen met gewasbeschermingsmiddelen. Zijn er daarbij risico’s voor kinderen of andere (kwetsbare) groepen, dan worden er specifieke risicoreducerende maatregelen voorgeschreven of indien dat niet voldoende risicoreducerend is, wordt het middel in zijn geheel niet toegelaten.

De eerste categorie specifieke gebieden, namelijk gebieden die door het brede publiek of door kwetsbare groepen worden gebruikt, wordt dus beschermd door middel van de beoordeling van de effecten van het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel in het kader van de toelatingsaanvraag. Artikel 12, aanhef, van de richtlijn gaat echter verder: het gebruik van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen in het algemeen – en van middelen met een hoog risico in het bijzonder – moet in specifieke gebieden tot het minimum worden beperkt, zo niet verboden. Daarom wordt met dit wijzigingsbesluit artikel 27c in het Bgb opgenomen, waarin de verplichting wordt neergelegd in openbare gebieden die door het brede publiek of kwetsbare groepen worden gebruikt slechts gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico als bedoeld in artikel 47 van verordening (EG) 1107/2009 of biologische bestrijdingsmethoden toe te passen of middelen die niet zijn ingedeeld als vergiftig of zeer vergiftig. Voor deze laatste beperking is gekozen, omdat het onderdeel a van artikel 12 van richtlijn 2009/128/EG erop is gericht de risico’s van blootstelling van mensen aan gewasbeschermingsmiddelen zoveel mogelijk te voorkomen.

Onderdeel b

De tweede categorie specifieke gebieden – de beschermde gebieden als omschreven in de Kaderrichtlijn water en andere gebieden die ten behoeve van de uitvoering van de noodzakelijke natuurbehoudsmaatregelen zijn aangewezen overeenkomstig de Vogel- en de Habitatrichtlijn – worden met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beschermd op grond van de Waterwet, de Wet bodembescherming (grondwater), de Wet milieubeheer (verontreiniging vanuit inrichtingen) en de Natuurbeschermingswet 1998.

Artikel 6.2 van de Waterwet bevat een verbod om stoffen in een oppervlaktewaterlichaam te brengen (te lozen), tenzij men een vergunning heeft of een vrijstelling geldt. Weigeringsgronden voor een vergunning op grond van de Waterwet zijn opgenomen in de artikelen 2.1 en 6.21 Waterwet en betreffen onder meer de doelstelling van bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. Het Lotv bevat voor het gewasbeschermingsmiddelengebruik algemene regels. Op grond van artikel 13, twaalfde lid, Lotv is het mogelijk, indien aan het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam een bijzondere functie of waterkwaliteitsdoelstelling is toegekend, een bredere teeltvrije zone voor te schrijven. De waterbeheerder zal van zijn bevoegdheid gebruikmaken als door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen de kwaliteit van een in het register van beschermde gebieden opgenomen oppervlaktewaterlichaam wordt bedreigd.

Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in Natura 2000-gebieden wordt beoordeeld in het kader van de opstelling van de zogenoemde beheerplannen voor ieder aangewezen natuurgebied. Kunnen significante effecten van een gewasbeschermingsmiddel op de natuur niet worden uitgesloten, dan moet een vergunning op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 worden aangevraagd. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in Natura 2000-gebieden moet worden getoetst aan de eisen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. In het kader van het beheerplan moet worden bezien of er sprake is van effecten, die gelet op de instandhoudingsdoelen en -waarden van het gebied de kwaliteit van de in het aanwijzingsbesluit voor het gebied opgenomen natuurlijke habitats en de habitats van soorten verslechteren of significant verstoren. Zo ja, dan is sprake van vergunningplicht en noodzaak tot mitigatie. Zo nee, dan kan een toegelaten middel zonder aanvullende vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet 1998 worden gebruikt.

Voor een totaalverbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in deze categorie gebieden is niet gekozen omdat in de Nederlandse situatie ook landbouwgronden in Natura 2000-gebieden liggen en de instandhoudingsdoelstellingen ervan voldoende worden beschermd tegen de bestaande landbouwactiviteiten in het kader van de op te stellen beheerplannen en zonodig door de vergunning op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998, zoals hiervoor toegelicht.

Onderdeel c

Voor de recent behandelde gebieden die door werknemers kunnen worden betreden wordt verwezen naar de toelichting bij het nieuwe artikel 27d.

3.4.4 Hantering, opslag en behandeling (art. 13 richtlijn)

Artikel 13, eerste en derde lid, van richtlijn 2009/128/EG verplicht de lidstaten ervoor te zorgen dat distributeurs en professionele gebruikers zorgvuldig omgaan met gewasbeschermingsmiddelen en de handelingen die worden verricht bij het aanmaken van middelen, het omgaan met restanten en verpakkingen en het schoonmaken van gebruikte apparatuur.

Op dit moment gelden er reeds specifieke regels over:

  • opslag van gewasbeschermingsmiddelen: krachtens de bijlage, paragraaf 2.6 van het Besluit landbouw milieubeheer en bijlage 2, paragraaf 2.1, moeten gewasbeschermingsmiddelen worden opgeslagen in een omgeving waarin de bodem is beschermd tegen lekken van vloeistoffen. Bij heel grote hoeveelheden gelden extra brandveiligheidsregels.

  • aanmaak: volgens de bijlage, paragrafen 2.7 en 4.8, Besluit landbouw milieubeheer en bijlage 2, paragraaf 2.2, Besluit glastuinbouw, mogen gewasbeschermingsmiddelen niet, bij voorbeeld via transportleidingen, in contact komen met drinkwaterleidingen. Verder zijn onder meer voorzieningen in geval van morsen vereist en bodembeschermende voorzieningen voor dompelbaden. Op grond van artikel 17 Lotv bedraagt de minimale afstand tussen vulplaats en oppervlaktewaterlichaam 2 meter.

  • hantering van gewasbeschermingsmiddelen en verpakkingen: door de schakelbepaling in artikel 9.5, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn verschillende regels van de arbeidsomstandighedenregelgeving ook van toepassing op zelfstandigen en meewerkende werkgevers, namelijk de artikelen 3.23, 4.6, 4.7, 8.1, zesde lid en 8.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

  • reiniging van verpakkingen: hiervoor bestaan autonome productschapsverordeningen. Voor de wettelijke borging en de uitbreiding van de verplichtingen naar de niet-landbouw wordt verwezen naar de uitgebreide toelichting bij het nieuwe artikel 32b Bgb.

  • reiniging van apparatuur: dit is geregeld in het Besluit landbouw milieubeheer (bijlage, par. 2.12), het Besluit glastuinbouw (bijlage 2, par. 3.1), het Lozingenbesluit bodembescherming en artikel 7 Lotv.

  • afvoer van gewasbeschermingsmiddelen en verpakkingen: dit is geregeld in de artikelen 5 en 10, derde en vierde lid, Lotv, paragraaf 1.3.7 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer, paragraaf 4.3 van bijlage 2 bij het Besluit glastuinbouw en in hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer. Volgens het Convenant inzake resten en gebruikte verpakkingen van gewasbeschermingsmiddelen4 mogen lege verpakkingen worden afgevoerd als bedrijfsafval (mits hiernaar op het etiket verwezen wordt) als men dit reinigt met gebruikmaking van de apparatuur en methode als omschreven in de verordening.

Daarnaast is artikel 13 van de richtlijn reeds geïmplementeerd in hoofdstuk 8 (regels over milieuvergunningen en grondslag voor het Activiteitenbesluit) en hoofdstuk 10 (regels over het storten en afvoeren van afvalstoffen) van de Wet milieubeheer. Voor de implementatie van artikel 13, tweede lid, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 11, vierde lid, van het Bgb, waar eisen worden gesteld aan de toelating van middelen voor niet-professioneel gebruik.

Gelet op het bovenstaande overzicht is de conclusie dan ook dat nieuwe regels ter implementatie van artikel 13 van richtlijn 2009/128/EG niet nodig zijn. In artikel 32a van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden is slechts voorzien in een medebewindsgrondslag teneinde de thans autonome verordeningen van bedrijfslichamen te kunnen omvormen naar medebewindsverordeningen.

3.4.5 Geïntegreerde gewasbescherming (art. 14 richtlijn)

Artikel 14 van richtlijn 2009/128/EG is voor de uitvoeringspraktijk belangrijk, maar is naar zijn aard slechts gedeeltelijk wettelijk vastgelegd. Het bestaande artikel 26 van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden wordt tekstueel aangepast, omdat de Europese terminologie niet langer spreekt over bestrijding maar over geïntegreerde gewasbescherming. De uitwerking van beleidskeuzes kan nog tot aanpassing van regelgeving leiden. Om die reden is een achtste lid aan artikel 26 Bgb toegevoegd, zodat bij ministeriële regeling eventueel nog regels kunnen worden gesteld.

§ 4 Administratieve lasten

4.1 Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden

In onderstaande tabel worden de belangrijkste lasten weergegeven en daarna toegelicht. Mede naar aanleiding van de consultatieperiode en de daarin gemaakte opmerkingen is bezien of de last werkelijk noodzakelijk was. Waar mogelijk zijn alternatieven beoordeeld op hun bruikbaarheid. Soms is gekozen voor een alternatieve methode met lagere administratieve lasten.

Tabel administratieve lasten

Artikel

Onderwerp

Lasten per jaar

Bedrijfsleven/overheid

17

bewijs van vakbekwaamheid

Geringe verzwaring

bedrijfsleven

36

verdwijnen van dringend vereiste Gewasbeschermingsmiddelen (DVG’s)

verlichting met circa € 540.000,–

bedrijfsleven en overheid

Effect op (administratieve) lasten per artikel:
Artikel 17. Bewijs van vakbekwaamheid inzake gewasbeschermingsmiddelen

De aanpassingen vloeien voort uit de artikelen 5 en 6 van richtlijn 2009/128/EG. Ten aanzien van die artikelen heeft de regering gekozen voor een sobere, uitgebalanceerde implementatie in artikelen 71 en 73 van de wet, en artikel 17, 17a en 18 van het Bgb. Dit betekent dat het huidige stelsel behouden blijft. De precieze eindtermen en kwalificaties zullen worden bepaald in de ministeriële regeling, zoals nu ook al het geval is. De nieuwe redactie van artikel 17 betekent voor twee groepen mogelijk een lastenverzwaring:

Voorlichters als bedoeld in artikel 18 van de wet

Gewasbeschermingsadviseurs en andere voorlichters als gedefinieerd in artikel 18 van de wet zijn en worden niet in algemene zin licentieplichtig. Artikel 73, tweede lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, zoals die komt te luiden met ingang van 26 november 2011 verplicht slechts die voorlichters die in het kader van de distributie van gewasbeschermingsmiddelen met een toelating voor professioneel gebruik, adviseren over gewasbescherming, over een bewijs van vakbekwaamheid te beschikken. Daarmee wordt gekozen voor de kleinst mogelijke lastenverzwaring in verband met de implementatie van richtlijn 2009/128/EG. Voor de periode 2011–2015 zijn circa 1400 bewijzen van vakbekwaamheid distribueren en bedrijfsvoering in omloop. Het aantal bedrijfsvestigingen dat gewasbeschermingsmiddelen voor professioneel gebruik distribueert, bedraagt circa 400 vestigingen (ontleend aan gegeven van Agrodis, de branche organisatie voor de distributie, zoals gebruikt in het kader van de verlenging van de algemeenverbindendverklaring van de overeenkomst inzake handel in gewasbeschermingsmiddelen). Hieruit kan worden afgeleid dat er gemiddeld circa 3 bewijzen van vakbekwaamheid per vestiging in omloop zijn. Aangezien artikel 73 van de wet vereist dat een distributeur over voldoende personeel met een bewijs van vakbekwaamheid dient te beschikken, kan het voorkomen dat in enkele gevallen een distributeur of zijn personeel nog een bewijs van vakbekwaamheid dient te behalen. In dat geval wordt hij geconfronteerd met de volgende lasten:

  • Een persoon die over voldoende kennis beschikt, maar nog niet over een bewijs van vakbekwaamheid, kan alsnog examen doen. Dit kost eenmalig circa € 150,–.

  • Een persoon die niet over voldoende kennis beschikt, kan de gehele cursus bedrijfsvoeren gewasbeschermingsmiddelen volgen. De eenmalige kosten hiervoor bedragen ruim € 500,– voor acht dagdelen cursus en een dagdeel examen.

  • Nadat een bewijs van vakbekwaamheid is verkregen, moet de kennis worden bijgehouden door middel van het volgen van voldoende bijeenkomsten in een periode van vijf jaren. Bijscholing kost circa € 540,– per vijfjaarsperiode ofwel 108,– per jaar, omgerekend vanuit manuren, alsmede de kosten van de cursus of het evenement zelf. Hierbij wordt uitgegaan van drie dagdelen van vier uur, à € 45,– per uur (standaard uurtarief voor een hoogopgeleide kenniswerker).

Gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen voor professioneel gebruik

Gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen met een toelating voor professioneel gebruik en met name nieuwe bedrijfsleiders of ondernemers zullen meer kennis, ook over geïntegreerde gewasbescherming, moeten hebben. Dit wordt veroorzaakt door de eisen die richtlijn 2009/128/EG op dit punt (bijlage I van de richtlijn) stelt, welke in hun algemeenheid verder gaan en breder zijn dan de huidige kennisvereisten. De nieuwe opleidingseisen zullen onderdeel worden van de middelbare beroepsopleiding in het groene onderwijs en daardoor geen invloed hebben op de verzwaring van lasten. Wel zal nadien de kennis bijgehouden moeten worden door bijscholingscursussen te volgen. Bijscholing kost circa € 108,– per jaar per persoon, omgerekend vanuit manuren, alsmede de kosten van de cursus of het evenement zelf. Hierbij wordt uitgegaan van 3 dagdelen van 4 uur, à € 45,– per uur (standaard uurtarief voor een hoogopgeleide kenniswerker, per periode van 5 jaar). De nieuwe regels zullen hun beslag krijgen in de nieuwe Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Professionele gebruikers die nu zijn vrijgesteld volgens artikel 6.6 van de Rgb

Richtlijn 2009/128/EG kent geen mogelijkheid voor vrijstellingen, zodat de regering gehouden is te eisen van alle gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen, toegelaten voor professioneel gebruik, dat zij een bepaalde opleiding hebben gevolgd en over een bewijs van vakbekwaamheid beschikken. Voor bepaalde eenvoudige en zich herhalende handelingen met gewasbeschermingsmiddelen, zoals het dopen van stekken in stekpoeder, streeft de regering naar een beperkte opleiding door middel van een eenvoudig systeem van instructie op het bedrijf zelf. Na het volgen van zo’n instructie zal een aangepast bewijs van vakbekwaamheid worden verstrekt en mag één specifiek aangewezen handeling worden verricht met een gewasbeschermingsmiddel. Het tijdsbeslag en daarmee de last zal door deze wijze van implementatie beperkt blijven tot circa 1 uur per medewerker. Het is onbekend om hoeveel medewerkers het hierbij gaat. Wel zal per bedrijf een administratie moeten worden bijgehouden welke persoon wanneer instructie heeft gehad. De uitwerking hiervan vindt plaats in de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Op deze wijze wordt met een zeer beperkte, verantwoorde lastenvermeerdering toch voldaan aan de eisen van richtlijn 2009/128/EG.

Artikelen 20 en 21

De artikelen 20 en 21 vervallen, maar keren in beginsel terug in de ministeriële regeling, zodat dit per saldo geen effect op de administratieve lasten tot gevolg heeft. De administratieve lasten van een bedrijf dat een toelating aanvraagt voor de toepassing van een gewasbeschermingsmiddel op zaaizaad verminderen behoorlijk als gevolg van het van toepassing worden van verordening (EG) 1107/2009 op 14 juni 2011. Op grond van die verordening wordt de nationale toelatingsprocedure vereenvoudigd indien er al een toelating is in ten minste één van de andere lidstaten van de Unie. In dat geval kan namelijk worden volstaan met een wederzijdse erkenning, waarbij de kosten voor een toelating in Nederland dalen, omdat er van één Europees dossier gebruik kan worden gemaakt. Immers, na 14 juni 2011 wordt een aanvraag tot toelating voor de behandeling van zaaizaad beoordeeld voor de gehele Europese Unie, waarbij nog slechts de toelating door middel van wederzijdse erkenning behoeft te worden overgenomen. Indien de toelating in Nederland wordt aangevraagd, moet een volledig dossier worden aangeleverd bij het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, maar daar staat tegenover dat dan de Nederlandse toelating eenvoudig door middel van wederzijdse erkenning kan worden overgenomen door andere Europese lidstaten, indien ook daar het bedrijfsleven de behoefte heeft gewasbeschermingsmiddelen aan te brengen op zaad. De handel in behandeld zaaizaad binnen de Europese Unie mag niet worden belemmerd, indien het zaad is behandeld met een gewasbeschermingsmiddel dat in ten minste één EU-lidstaat is toegelaten. De afgelopen drie jaren zijn tussen de 6 en 10 aanvragen per jaar ingediend bij het college (zowel nieuwe aanvragen als uitbreidingen). Ingeval van een wederzijdse erkenning door Nederland zullen de lasten gemiddeld enkele duizenden tot tienduizenden euro’s per toelating kunnen verminderen. De inschatting is dat de lasten voor het bedrijfsleven zullen afnemen met circa € 300.000,– per jaar.

Artikel 27c. Middelen met laag risico bij het brede publiek of kwetsbare groepen

Dit artikel kan een beperkte verzwaring van de administratieve lasten tot gevolg hebben indien een melding ingevolge het derde lid is vereist.

Het eerste lid brengt geen administratieve lasten met zich mee, maar wel nalevingskosten, welke echter voortvloeien uit artikel 12, onderdeel a, van richtlijn 2009/128/EG. In eerste instantie behoren in speeltuinen, sportterreinen, parken, enzovoorts biologische of andere niet-chemische bestrijdingsmaatregelen te worden toegepast, die mogelijk duurder zijn dan reguliere gewasbeschermingsmiddelen. Professionele gebruikers mogen in gebieden die door het brede publiek of door kwetsbare groepen worden gebruikt pas in tweede instantie toegelaten middelen toepassen die niet behoren tot de categorieën vergiftig of zeer vergiftig. Teneinde de nalevingskosten te beperken, voorziet het tweede lid in een ambtshalve vrijstelling van de verplichtingen uit het eerste lid, indien te verwachten is dat de alternatieve middelen en methoden geen soelaas kunnen of zullen bieden, waardoor het gebruik van een regulier gewasbeschermingsmiddel noodzakelijk is. Het gebruik van vergiftige of zeer vergiftige middelen is echter uitsluitend toegestaan, nadat een melding van het voorgenomen gebruik aan een door de Staatssecretaris aan te wijzen instantie is gedaan en een reactie van die instantie is uitgebleven. De verwachting is dat een melding in de praktijk nauwelijks nodig zal zijn, omdat in de desbetreffende gebieden vrijwel geen als giftige of zeer giftige ingedeelde middelen worden toegepast. De meldingsprocedure is daarmee vooral bedoeld voor noodgevallen, zoals het bestrijden van organismen die de volksgezondheid bedreigen. De precieze lasten zullen bij de uitwerking in de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden worden weergegeven.

Artikel 27d. Waarschuwingen in recent behandelde gebieden

Dit artikel heeft geen effect op de administratieve lasten. Wel kan zij in geringe mate nalevingskosten voor professionele gebruikers betekenen, omdat zij voor informatievoorziening op het bedrijf en derhalve voor naleving van de bepaling moeten zorgen. Deze bepaling is aangepast als gevolg van de consultatieperiode.

Artikel 36 Dringend vereiste gewasbeschermingsmiddelen

Dringend vereiste gewasbeschermingsmiddelen kunnen na 14 juni 2011 niet meer worden aangevraagd. Het wegvallen van deze toelatingsmogelijkheid, resulteert in beginsel in een vermindering van de administratieve lasten, voor zowel de overheid als het bedrijfsleven. In 2009 bedroegen de aanvraag- en beoordelingskosten circa € 540.000,–. Deze kosten werden voor de helft betaald door het landbouwbedrijfsleven en voor de andere helft door de overheid.

Tegenover deze lastenverlichting zullen echter lasten staan voor reguliere toelatingen, zoals de kleine toepassingstoelating, of in noodsituaties een aanvraag tot vrijstelling ex artikel 38 van de wet. De uiteindelijke lastenverlichting zal daardoor lager uitvallen of wellicht achterwege blijven, afhankelijk van de landbouwkundige knelpunten door het niet beschikbaar zijn van toegelaten middelen in de nabije toekomst.

De conclusie is dat er per saldo sprake is van een lastenverlichting als gevolg van dit besluit met € 300.000,– à 500.000,–

§ 5 Commentaar van organisaties van belanghebbenden en van het college

Op 9 februari 2010 is een consultatiebijeenkomst georganiseerd, waarbij vertegenwoordigers van organisaties op het gebied van de productie en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aanwezig waren, maar ook vertegenwoordigers van waterschappen, de vereniging van drinkwaterbedrijven en Stichting natuur en milieu.

Daarbij is in algemene termen gesproken over richtlijn 2009/128/EG en de gevolgen daarvan voor het Nederlandse beleid en de regelgeving. De meeste aanwezigen vonden dat een bewijs van vakbekwaamheid alleen moet worden gevraagd indien er risico’s voor de arbeidsomstandigheden, het milieu of de volksgezondheid zijn, en alleen indien dit niet is afgedekt door andere regelgeving. Alle aanwezigen waren van mening dat een voorlichter, distributeur of zijn personeel, meer van gewasbescherming af moeten weten dan gebruikers die zij adviseren. De meesten waren van mening dat er al voldoende regels worden gesteld aan niet-professionele middelen (o.a. eisen aan giftigheid), waardoor deze veilig kunnen worden gebruikt door iemand zonder licentie. Als zorgpunt werd opgemerkt dat er veel particulieren zijn die niet-professioneel handelen en grote hoeveelheden gebruiken. Voor maatregelen ter bescherming van de specifieke gebieden als bedoeld in artikel 12 van de richtlijn werd het belang van vrijwillige maatregelen benadrukt, mits deze goed werken. Over een verplicht gebruik van laag risicomiddelen in de specifieke gebieden bestond verdeeldheid. Conform afspraak is de tekst van het wijzigingsbesluit voorgelegd aan alle belanghebbenden.

Dat is gedaan door middel van internetconsultatie (www.internetconsultatie.nl). De ontvangen reacties zullen hierna worden besproken. Voor zover belanghebbenden opmerkingen hebben gemaakt, die betrekking hebben op onderwerpen die in het tweede wijzigingsbesluit ter implementatie van de Europese regelgeving op het gebied van gewasbescherming betrekking hebben, zullen hun opmerkingen in dat besluit aan de orde komen.

5.1 Internetconsultatie maatschappelijke organisaties

Tijdens de internetconsultatie vanaf 13 september tot 12 oktober 2010 van het ontwerp besluit zijn opmerkingen ontvangen van:

  • de vereniging Agrodis, de brancheorganisatie voor ondernemingen die gewasbeschermingsmiddelen distribueren,

  • de vereniging Plantum NL, de brancheorganisatie voor de Nederlandse veredelings- en vermeerderingssector,

  • de Vereniging van Waterbedrijven in Nederland (Vewin),

  • de Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO),

  • de Stichting Kwaliteitseisen Landbouwtechniek (SKL), en

  • de Nederlandse Stichting voor Fytofarmacie (Nefyto), de brancheorganisatie van de agrochemische industrie in Nederland.

De ontvangen opmerkingen worden onderscheiden in algemene opmerkingen en opmerkingen bij een voorgesteld artikel of de nota van toelichting. Hierna zullen de algemene opmerkingen worden weergegeven. Indien een artikel als gevolg van de consultatie is gewijzigd, zal dat worden vermeld in de artikelsgewijze toelichting bij dit wijzigingsbesluit.

AGRODIS

Agrodis is van mening dat het voorliggende ontwerp-besluit nodeloos afwijkt van de EU-regelgeving en wijst daarbij met name op het voorgestelde artikel 11a van het besluit. Verder merkt Agrodis op dat zij zich zorgen maakt over het behoud van een effectief middelenpakket in Nederland vanwege de «nationale koppen» bij het toelatingsbeleid, zodat er te veel verschillen tussen Nederland en de rest van Europa in toegestane middelen en toepassingen blijven bestaan. Ten aanzien van het bewijs van vakbekwaamheid vindt Agrodis het van belang dat bij de uitwerking in de ministeriële regeling rekening wordt gehouden met reeds in kaart gebrachte praktische haken en ogen en vraagt zij met name aandacht voor de duiding van het begrip voorlichter.

VEWIN

VEWIN wijst erop dat ter bescherming van de volksgezondheid zowel in de Drinkwaterwet als in het Besluit Kwaliteitseisen en Monitoring Water als norm is gesteld dat in oppervlaktewater en grondwater ten hoogste 0,1 μg gewasbeschermingsmiddel per liter water mag worden aangetroffen. Nog steeds worden overschrijdingen gemeten in het grond- en oppervlaktewater van de werkzame stoffen glyfosaat, mecoprop en isoproturon. VEWIN acht het dan ook van essentieel belang dat het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden bij de toelatingsprocedure blijft toetsen op de gevolgen van middelengebruik voor drinkwaterbronnen.

Naast de provinciale milieuverordeningen die regels bevatten ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater, is VEWIN van opvatting dat een wettelijke grondslag voor beschermingszones langs oppervlaktewater dat voor drinkwater wordt gebruikt, ten onrechte ontbreekt. De omvang van de zones kan worden bepaald overeenkomstig de beschermingszones van Rijkswaterstaat. De gebieden dienen regionaal te worden aangewezen.

Nederland heeft specifieke kenmerken, op basis waarvan een gewasbeschermingsmiddel dat in een andere (EU-lid)staat is toegelaten, niet per definitie kan worden toegelaten in Nederland. Lidstaten moeten de mogelijkheid hebben op basis van waterhuishouding, bodemgesteldheid, milieu en volksgezondheid de toelating van een gewasbeschermingsmiddel te verbieden, dan wel aanvullende eisen te stellen aan het gebruik, aldus VEWIN. Tot slot wijst VEWIN op het grote belang van het nationale actieplan dat Nederland verplicht is te maken. VEWIN wijst erop dat uit onderzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving en het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat de milieubelasting in drinkwaterbronnen nog steeds te hoog is en het gebruik van bestrijdingsmiddelen de laatste jaren niet afneemt. Op grond van de Kaderrichtlijn water (Richtlijn 2000/60/EG) moeten nationale actieplannen worden afgestemd met de stroomgebiedbeheerplannen en is monitoring van de resultaten noodzakelijk.

NEFYTO

Nefyto meent dat het ontwerp besluit forse nationale koppen bevat, hetgeen in tegenspraak is met de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, waar is vermeld dat de verordening «nauwelijks beleidsruimte biedt en dat daarom sprake is van een implementatie zonder nationale koppen»; daarnaast is in de memorie van toelichting aangegeven dat met de implementatie van richtlijn 2009/128/EG «zo dicht mogelijk is aangesloten bij de terminologie en de systematiek van de Richtlijn». In dit licht is Nefyto verbaasd over het nieuw voorgestelde artikel 11a van het ontwerpbesluit. Nefyto verzoekt met klem het ontwerpbesluit aan te passen zodat kan worden voldaan aan de doelstellingen van de nieuwe EU-regelgeving zoals eveneens in de memorie van toelichting vermeld: «de toelating van gewasbeschermingsmiddelen verder te harmoniseren en het Europees speelveld naar elkaar toe laten groeien».

Nefyto merkt bij onderdeel X – artikel 27a, 27b, 27c en 27d, op dat die artikelen, onder andere betrekking hebbend op maatregelen die de bescherming van het aquatisch milieu beogen, verdergaan dan is beschreven in richtlijn 2009/128/EG. Deze richtlijn beoogt namelijk niet het verbod van het gebruik van middelen, maar juist het duurzaam gebruik. Nefyto onderschrijft de scheiding tussen middelen voor niet-professioneel en professioneel gebruik, alsmede het uitgangspunt dat middelen toegelaten voor niet-professioneel gebruik door een ieder mogen worden gebruikt zonder dat een bewijs van vakbekwaamheid nodig is.

Nefyto stelt zich daarbij wel op het standpunt dat alleen die toepassingen zijn toegelaten en op het etiket worden vermeld die ook door het Ctgb zijn beoordeeld. Middelen voor niet-professioneel gebruik zijn beoordeeld op dit kleinschaliger, niet-professioneel gebruik en zouden derhalve niet door een akkerbouwer onder andere omstandigheden, grootschalig of voor andere toepassingen mogen worden gebruikt. Nefyto maakt derhalve bezwaar tegen het gegeven voorbeeld van de akkerbouwer die zonder bewijs van vakbekwaamheid pleksgewijs een onkruidbestrijdingsmiddel toepast.

Nefyto merkt op dat in de administratieve lastenparagraaf is verzuimd de lasten aan te geven bij onverkorte doorvoering van het voorgestelde artikel 11a. Tot slot zal de lastenreductie voor zaaizaadbedrijven van enkele tienduizenden euro’s per toelating zich volgens Nefyto niet voordoen, omdat Nederlandse zaadbedrijven een unieke positie in de wereld innemen, zodat vaak uitsluitend een toelating in Nederland zal worden aangevraagd. De opmerkingen van Nefyto bij de voorgestelde artikelen, zullen hierna bij het desbetreffende artikel worden besproken.

PLANTUM NL

Plantum NL is over het algemeen tevreden met de voorgestelde wijzigingen in het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden, maar maakt bij enkele artikelen opmerkingen, die met name betrekking hebben op de behandeling van zaaizaad met een gewasbeschermingsmiddel en op de handel in behandeld zaaizaad. Plantum maakt bezwaar tegen het voorgestelde artikel 11a inzake de vergelijkende evaluatie en het voorgestelde artikel 27d inzake een bordenplaatsplicht. Volgens Plantum moet het aan de ondernemer worden overgelaten de wijze van waarschuwen te bepalen, waarbij mogelijkerwijs een bordje wordt opgehangen.

LTO Nederland

LTO meent dat het ontwerpbesluit ongewenste nationale koppen bevat en wijst daarbij met name op het voorgestelde artikel 11a. LTO is tevreden met de duidelijkheid die het ontwerpbesluit biedt inzake het onderscheid tussen professioneel en niet-professioneel gebruik. De aard van het middel bepaalt of een bewijs van vakbekwaamheid is vereist. LTO kan dan ook instemmen met het voorbeeld van een akkerbouwer zonder bewijs van vakbekwaamheid, die een middel dat is toegelaten voor niet-professioneel gebruik, wil gebruiken. LTO wijst erop dat deze uitleg met name van belang is voor veehouder die incidenteel en op beperkte schaal gebruik willen maken van niet-professionele middelen in de professionele omgeving van hun bedrijf. Ten aanzien van artikel 27c van het ontwerpbesluit meent LTO dat de reikwijdte van het artikel onduidelijk is, maar dat het geen gevolgen mag hebben voor agrarische percelen en dat het artikel niet van toepassing zou moeten zijn op een wandelpad dat een agrarisch perceel doorkruist. Ten aanzien van het voorgestelde artikel 27d is LTO het oneens met de voorstelling van zaken dat het plaatsen van waarschuwingsborden slechts beperkte nalevingskosten met zich brengt. Bovendien wijs LTO op landschapsontsiering als gevolg van een bordenplaatsplicht, terwijl voorts op andere wijze werknemers op een bedrijf kunnen worden geïnformeerd over recent behandelde percelen, waarvoor een wachttermijn voor herbetreding geldt.

Op 25 maart 2010 heeft het college een uitvoeringstoets opgeleverd aan de interdepartementale projectgroep. Het college constateerde dat de voorgestelde wijzigingen nauwelijks gevolgen hebben voor de werkwijze van het college, omdat de voorgestelde bepalingen vooral algemeen verbindende voorschriften betreffen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen na toelating en niet op de daaraan voorafgaande toelatingsbeoordeling in verband met het voorgenomen gebruik ervan.

§ 6 Notificatie

Op grond van artikel 23 van richtlijn 2009/128/EG wordt dit besluit medegedeeld aan de Europese Commissie. Een separate notificatie van technische voorschriften op grond van richtlijn 98/34/EG over notificatie van technische voorschriften wordt niet nodig geoordeeld op basis van artikel 10 van die richtlijn5, nu de voorschriften van dit besluit rechtstreeks voortvloeien uit richtlijn 2009/128/EG of een uitwerking zijn van verordening (EG) 1107/2009.

Waar er sprake is van diensten in de zin van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschap van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PBEG 2006, L 376, hierna: de dienstenrichtlijn), is een aparte notificatie niet nodig, omdat op grond van artikel 3, eerste lid, de zogenaamde voorrangsregel uit de dienstenrichtlijn, regels inzake diensten die rechtstreeks voortvloeien uit EU-regelgeving niet behoeven te worden genotificeerd.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

Onderdeel A (artikel 1)

Vanwege de inwerkingtreding van de verordening en beide richtlijnen wordt de definitie van Richtlijn 1999/45/EG inzake gevaarlijke preparaten toegevoegd.

Onderdeel B (artikel 2)

Onderdelen a en b inzake door het college te verrichten werkzaamheden in verband met de uitvoering van Richtlijn 91/414/EEG zijn vervallen, nu die richtlijn met ingang van 14 juni 2011 is ingetrokken door verordening (EG) 1107/2009, die op dat tijdstip van toepassing is geworden. De met de vervallen onderdelen corresponderende taken die voortvloeien uit de verordening, zijn thans opgenomen in artikel 4 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Onderdeel d is opnieuw geformuleerd als gevolg van de gewijzigde benamingen (zie onderdeel c), waarbij geen inhoudelijke wijziging is beoogd. Het college blijft bevoegd een maximaal toelaatbaar risico voor bodem- of waterorganismen (MTR) vast te stellen, hetzij bij de toelating, hetzij op verzoek van de minister.

Onderdeel C (diverse artikelen)

Sinds het aantreden van het kabinet Rutte op 14 oktober 2010, bestaan de Ministeries van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Verkeer en Waterstaat niet meer. De bevoegdheden van drie ministers worden sindsdien uitgeoefend door de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de Minister van Infrastructuur en Milieu. De relevante artikelen, de voordracht en de ondertekening van dit wijzigingsbesluit zijn hiermee in overeenstemming gebracht.

Onderdeel D (artikel 3)

Artikel 3 bevat de dossiereisen voor een aanvraag tot toelating. Vervallen zijn de oorspronkelijke leden 1 en 2, aangezien deze verwezen naar bijlagen II en III van Richtlijn 91/414/EEG. Deze richtlijn is op 14 juni 2011 ingetrokken door verordening (EG) 1107/2009, die voor de zonale beoordelingsprocedure in artikel 33, eerste lid, eisen stelt aan de aanvraag. Slechts op grond van het overgangsrecht, bedoeld in artikel 130a van het wet zoals die is komen te luiden sinds 14 juni 2011 blijven de dossiereisen van richtlijn 91/414/EEG nog een aantal jaren van toepassing.

Het opnieuw geredigeerde vierde lid maakt duidelijk dat niet elk onderzoek ten behoeve van een toelatingsdossier volgens goede laboratorium praktijken (glp) behoeft te zijn verricht, maar dat slechts het laboratoriumonderzoek aan dat vereiste dient te voldoen, waarvan dient te blijken door middel van een (originele) verklaring van het desbetreffende laboratorium.

Onderdelen E en H (artikelen 4 en 7)

Vanwege de vernummering in artikel 3 zijn de verwijzingen naar dat artikel aangepast in de artikelen 4 en 7 van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Onderdeel F (artikel 5)

Vanwege het vervallen van artikel 25 van de Wgb zijn de verwijzingen hiernaar aangepast. Ingevolge verordening (EG) 1107/2009 is het niet meer nodig om te bepalen dat op verzoek gegevens achterwege mogen blijven. Artikel 5 blijft wel relevant voor aanvragen tot toelating van een biocide.

Onderdeel G (artikel 6)

Verordening (EG) 1107/2009 stelt thans de belangrijkste beslistermijnen voor de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen vast, zodat artikel 6 kan vervallen.

Onderdeel I (artikel 8)

Het oorspronkelijke artikel 8 is vervallen, zij het dat onderdelen ervan, zoals toegelicht in paragraaf 3.2 van het algemeen deel, weer kunnen terugkeren in de ministeriële regeling op grond van artikel 28, eerste lid, onderdelen b, c en d, en derde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zoals die is komen te luiden na de inwerkingtreding van de Wet van 24 maart 2011 tot wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met de implementatie van Europese regelgeving op het gebied van het op de markt brengen en duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (Staatsblad 2011, nr. 235).

Het eerste lid, onderdeel a, is vervallen omdat voortaan in de ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld ter uitvoering van artikel 36, derde lid, van verordening (EG) 1107/2009. Het gaat dan om regels in verband met de specifieke omstandigheden voor het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel die verband houden met de landbouwkundige of de milieusituatie in Nederland en de daarbij te stellen gebruiksvoorschriften.

Onderdeel b inzake nationale maximale residulimieten (mrl) komt niet meer terug in de nationale regelgeving, nu de verordening daarvoor geen basis meer biedt.

Onderdeel c is niet meer nodig, gelet op artikel 28, derde lid, van het wetsvoorstel, dat een algemene basis biedt voor regels ter uitwerking van de uniforme beginselen.

Het tweede lid inzake de aanwijzing van richtsnoeren vervalt, nu artikel 36, eerste lid, van de verordening bepaalt dat een aanvraag voor toelating van een gewasbeschermingsmiddel wordt onderzocht «met gebruikmaking van de richtsnoeren die ten tijde van de aanvraag beschikbaar zijn».

Het derde lid vervalt, nu de verordening, zoals hierboven aangegeven, geen ruimte meer biedt af te wijken van de richtsnoeren. Dientengevolge is het niet meer mogelijk beoordelingsmethoden aan te wijzen die afwijken of in de plaats komen van beoordelingsmethoden uit de communautaire richtsnoeren, zoals het voormalige derde lid mogelijk maakte.

Het vierde lid vervalt, aangezien in artikel 28, eerste lid, onderdeel d, van het wetsvoorstel de ruimte is geschapen om bij ministeriële regeling regels te stellen over de kleine uitbreidingstoelating (een bijzondere vorm van toelating) en op grond van artikel 28, derde lid, van het wetsvoorstel, over de uitwerking van de uniforme beginselen als bedoeld in artikel 29, zesde lid, van verordening (EG) 1107/2009.

Artikel 8 (nieuw) bevat de regel dat het college geen toelating verstrekt voor niet-professioneel gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, die door het college op grond van richtlijn 1999/45/EG zijn ingedeeld als giftig, zeer giftig, kankerverwekkend, mutageen of vergiftig voor de voortplanting. Hiermede wordt invulling gegeven aan artikel 13, tweede lid, van richtlijn 2009/128/EG, in die zin dat het niet-professionele gebruik van middelen met hogere toxiciteit wordt uitgesloten en dergelijke middelen slechts mogen worden gebruikt door personen die over een bewijs van vakbekwaamheid beschikken.

Onderdeel J (artikel 10)

Artikel 10 regelde dat bij ministeriële regeling regels konden worden gesteld voor de beoordeling van een aanvraag om toelating van een gewasbeschermingsmiddel voor de behandeling van zaaizaad en daarbij onderscheiden kon worden in zaaizaad dat wordt verhandeld binnen Nederland, binnen de Europese Economische Ruimte, niet zijnde Nederland, of buiten de Europese Economische Ruimte. Dit artikel vervalt, omdat zaaizaad volgens verordening (EG) 1107/2009 enkel mag worden behandeld met een gewasbeschermingsmiddel dat in de EU is toegelaten, ook als het behandelde zaaizaad is bestemd voor een land buiten Europa.

Onderdeel K (artikel 11)

Artikel 11, vierde lid, van het wijzigingsbesluit implementeert artikel 13, tweede lid, van richtlijn 2009/128/EG en vindt zijn grondslag in artikel 29, eerste lid, Wgb.6 De beperkingen van het formaat van de verpakkingen zijn bedoeld om te voorkomen dat de verpakkingen te groot zijn, aangezien niet-professioneel gebruik een kleinschalig gebruik veronderstelt en vermeden moet worden dat particulieren jarenlang nog restanten van middelen onder zich houden. De voorschriften inzake gebruiksklare formuleringen kunnen bijvoorbeeld inhouden dat de inhoud minder geconcentreerd is dan bij de middelen voor professioneel gebruik.

Nefyto heeft tijdens de internetconsultatie opgemerkt zich te kunnen vinden in het beperken van het formaat van de verpakking voor niet-professioneel gebruik. Het college kan dan bij de evaluatie van een aanvraag tot niet-professioneel gebruik uitgaan van kleinschalig gebruik en dat concretiseren door bij voorbeeld uit te gaan van een te behandelen oppervlakte van 500 m2 en slechts een verpakking toe te staan die zo’n oppervlakte kan behandelen. Nefyto meent echter dat het artikel ongewenste gevolgen met zich brengt indien het college voortaan altijd gebruiksklare formuleringen zou voorschrijven voor niet-professionele toepassingen. Dan zou het leiden tot het niet-duurzaam transport en dito opslag van grote hoeveelheden water en tot kosten voor de ontwikkeling en toelating van een nieuwe formulering. De implementatie zou dan veel verder gaan dan artikel 13, tweede lid, van richtlijn 2009/128/EG voorschrijft, namelijk «vermijden dat op een gevaarlijke manier wordt omgegaan» met middelen voor niet-professioneel gebruik.

Naar aanleiding hiervan is de regering van opvatting dat de suggestie van Nefyto de verpakkingsgrootte steeds te beperken tot een te behandelen oppervlakte van 500 m2 een goede suggestie is, ook omdat dat voor een standaardisatie zorgt en dus minder administratieve lasten voor het bedrijfsleven en uitvoeringskosten voor het college. Het is echter aan het college zelf hierover een besluit te nemen. De redactie van artikel 11, vierde lid, is namelijk zodanig dat het aan het college is overgelaten per gewasbeschermingsmiddel een afweging te maken of een gebruiksklare formulering noodzakelijk is. Voor het college dient daarbij uitgangspunt te zijn dat gevaarlijke situaties met middelen toegelaten voor niet-professioneel gebruik worden voorkomen. Het aanlengen van een poeder met water is niet per definitie als gevaarlijk te beschouwen. Dat hangt van de bijkomende omstandigheden van het geval af. De regering heeft de bepaling dan ook niet gewijzigd, nu het de verantwoordelijkheid van het college is op een zinvolle wijze hieraan invulling te geven.

Onderdeel L (artikel 17)

Vanwege richtlijn 2009/128/EG is artikel 71 van de wet (zie daartoe ook Kamerstukken II 2009/10, 32 372, nr. 9) gewijzigd en heeft dat artikel uitsluitend betrekking op het bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbeschermingsmiddelen. Om die reden heeft artikel 17 voortaan betrekking op het bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbeschermingsmiddelen ter uitwerking van artikel 71 van de wet. De regels over een biociden bewijs van vakbekwaamheid zijn verplaatst naar een nieuw artikel 17a.

Artikel 17, eerste lid, regelt in welke gevallen een persoon een bewijs van vakbekwaamheid kan verkrijgen. De meest gangbare weg is door middel van het behalen van een daartoe aangewezen middelbare beroepsopleiding, die recht geeft op het bewijs van vakbekwaamheid. Onderdeel c heeft betrekking op de situatie dat een persoon slechts een beperkte taak en verantwoordelijkheid heeft met betrekking tot het toepassen van een gewasbeschermingsmiddel voor professioneel gebruik. De regel is dat een ieder die een gewasbeschermingsmiddel voor professioneel gebruik toepast, over een bewijs van vakbekwaamheid beschikt.

Ingevolge het vijfde lid kan een bewijs een beperkte gelding hebben, namelijk slechts voor een specifiek gewasbeschermingsmiddel of een specifieke situatie. Een bekend voorbeeld is het stekken van boomgewassen, waarbij het stekpoeder ook een gewasbeschermingsmiddel bevat. In dit soort gevallen kan worden volstaan met een beperkte vorm van instructie, die het recht geeft de desbetreffende handeling met het gewasbeschermingsmiddel te verrichten.

Het tweede lid maakt het mogelijk bij ministeriële regeling regels te stellen over het vereiste kennisniveau per onderwerp genoemd in bijlage I bij richtlijn 2009/128/EG. Dit maakt het mogelijk een onderscheid aan te brengen in het verwachte niveau van kennis voor een distributeur, voorlichter of professionele gebruiker. Ook binnen de groep van professionele gebruikers kunnen er grote verschillen bestaan in de mate van kennis en vaardigheden waarover men beschikt dan wel over moet kunnen beschikken. Voor uitvoerende handelingen met gewasbeschermingsaspecten die met voldoende begeleiding binnen het bedrijf worden uitgevoerd kan worden volstaan met een ander kennisniveau dan voor degene die moet beslissen hoe een bepaalde ziekte of plaag te voorkomen of in voorkomend geval verdere verspreiding van de ziekte of plaag zoveel mogelijk in te dammen dan wel te bestrijden. Dergelijke uitvoerende handelingen zullen nauwkeurig worden beschreven, zodat er geen misverstand ontstaat in welke gevallen welk bewijs van vakbekwaamheid is vereist.

Het derde lid bepaalt aan welke administratieve eisen het certificaat in ieder geval dient te voldoen.

Het vierde lid beperkt de gelding van een bewijs van vakbekwaamheid dat is verkregen na een instructie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c door te bepalen dat daarmee in geen geval een gewasbeschermingsmiddel voor professioneel gebruik kan worden ontvangen.

Het vijfde lid maakt het mogelijk in aanvulling op het vierde lid nadere regels te stellen of regels te stellen inzake de gelding van een bewijs van vakbekwaamheid in andere situaties.

Onderdeel M (artikel 17a)

Dit artikel beschrijft voor welke soorten biociden het gebruik uitsluitend is toegestaan indien men in het bezit is van een bewijs van vakbekwaamheid. Het geeft daarmee invulling aan artikel 71, vierde lid, van de wet. Voor de duidelijkheid is dit nog eens bepaald in het derde lid. Het vijfde lid bevat voorts de mogelijkheid bij ministeriële regeling nog nadere regels te stellen, waaronder het uitzonderen van bepaalde handelingen waarvoor geen bewijs van vakbekwaamheid is vereist. Het ligt in de rede dat te doen voor de distributie van gasvormende en gasvormige biociden (artikel 17a, eerste lid, onderdeel a), waarvan ook voorheen op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden voor de distributie van biociden geen bewijs van vakbekwaamheid was vereist.

Onderdeel N (artikel 18)

Deze bepaling regelt de geldigheidsduur van een eenmaal afgegeven bewijs van vakbekwaamheid, alsmede gronden voor intrekking ervan. In het eerste lid worden verwijzingen naar artikel 17 en 17a aangepast.

In artikel 18, tweede lid, is verduidelijkt dat de geldigheid van een bewijs van vakbekwaamheid in principe telkens ambtshalve wordt verlengd met vijf jaren, tenzij blijkt dat niet aan de voorwaarden voor een hernieuwd bewijs van vakbekwaamheid wordt voldaan, omdat onvoldoende nascholing is gevolgd, zoals in het derde lid is bepaald.

Artikel 18, zesde lid, vervalt, omdat op grond van artikel 71, derde lid, onderdeel b, van de wet, regels over een tarief voor het (wederom) verkrijgen van een bewijs van vakbekwaamheid, voortaan rechtstreeks bij ministeriële regeling worden gesteld.

Onderdeel O (artikel 19)

Vanwege de wijzigingen in artikel 17 en het nieuwe artikel 17a zijn verwijzingen opgenomen in artikel 19 naar die bepalingen.

Onderdeel P (artikelen 20, 21 en 22)

Deze artikelen vervallen, omdat artikel 74 van de Wet van 24 maart 2011 tot wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met de implementatie van Europese regelgeving op het gebied van het op de markt brengen en duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (Staatsblad 2011, nr. 235), de grondslag voor deze regels, voorschrijft dat regels over gewasbeschermingsmiddelen niet bestemd voor gebruik in Nederland, in de ministeriële regeling worden gesteld.

Op grond van verordening (EG) 1107/2009 zijn geen nationale regels meer mogelijk voor met een gewasbeschermingsmiddel behandeld zaaizaad dat is bestemd voor een land buiten de Europese Unie. Zaaizaad dat is behandeld met een niet op grond van artikel 33, tweede lid, onderdeel b, van verordening (EG) 1107/2009 toegelaten gewasbeschermingsmiddel mag niet op de markt komen in de Europese Unie.

Onderdeel Q (opschrift hoofdstuk 5, paragraaf 4)

Het opschrift is gewijzigd als gevolg van de wijzigingen in artikel 26 van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden, zoals toegelicht bij onderdeel U.

Onderdeel R (artikel 26)

In de gehele bepaling wordt geïntegreerde bestrijding telkens vervangen door geïntegreerde gewasbescherming, nu richtlijn 2009/128/EG laatstgenoemd begrip hanteert. De uitzondering in het eerste lid, dat men niet behoeft te beschikken over een gewasbeschermingsplan indien men gebruik maakt van oor gewasbeschermingsmiddelen voor niet-professioneel gebruik, vervalt op deze plaats maar keert terug in het zesde lid.

In het tweede lid wordt de verwijzing naar de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming in de bijlage bij dit besluit vervangen door een verwijzing naar bijlage III bij richtlijn 2009/128/EG, nu artikel 55 van verordening (EG) 1107/2009 voorschrijft dat uiterlijk met ingang van 1 januari 2014 die beginselen worden toegepast door professionele gebruikers.

In het derde lid vervalt de beperking van de mogelijkheid tot verzoeken om een gids voor goede landbouwpraktijken tot beroepsinstanties op landbouwgebied. Bij nader inzien is deze beperking tot de landbouw te beperkt. Ook beroepsmatige onkruidbestrijders of anderen, zoals wegbeheerders, sportterrein- of groenbeheerders, kunnen belang hebben bij een gids voor goede gewasbeschermingspraktijken en daarvoor het initiatief nemen.

Het oude zesde lid had betrekking op de administratieverplichting voor de professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen. Nu artikel 67 van verordening (EG) 1107/2009 hier regels over stelt, is het zesde lid ingrijpend gewijzigd. Het zesde lid regelt nu dat een gebruiker van uitsluitend gewasbeschermingsmiddelen toegelaten voor niet-professioneel gebruik niet over een gewasbeschermingsplan behoeft te beschikken. Ook verduidelijkt het dat een loonwerker of een ander die in opdracht gewasbeschermingsmiddelen toepast niet over een plan hoeft te beschikken, maar slechts de opdrachtgever. Uiteraard staat het de opdrachtgever vrij om het advies of de hulp in te roepen van een deskundige loonwerker of gewasbeschermingsvoorlichter voor het opstellen van zijn gewasbeschermingsplan.

Het zevende lid is opnieuw geredigeerd, waarbij het woord vrijstelling achterwege is gebleven. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke gevallen geen gewasbeschermingsplan is voorgeschreven.

Het achtste lid is nieuw en bedoeld om bij ministeriële regeling nog regels te kunnen stellen over geïntegreerde gewasbescherming, met name vanwege artikel 55 van verordening (EG) 1107/2009 in relatie tot artikel 14 van richtlijn 2009/128/EG en bijlage III daarbij.

Onderdeel S: artikelen 27a tot en met d

Deze bepalingen zijn nieuw als gevolg van de artikelen 11 en 12 van de richtlijn 2009/128/EG.

Onderdeel S: artikel 27a

Teneinde artikel 11, tweede lid, onderdeel a, van richtlijn 2009/128/EG te implementeren, wordt de uit die bepaling voortvloeiende negatieve voorkeur voor prioritaire gevaarlijke stoffen uitgewerkt door het gebruik hiervan te verbieden in gebieden waar deze het grootste risico vormen voor het aquatisch milieu.

Bijlage X bij de Kaderrichtlijn Water duidt twintig prioritaire gevaarlijke stoffen aan. Er is geen prioritaire gevaarlijke stof onderdeel van een toegelaten gewasbeschermingsmiddel in Nederland in januari 2011.

Onderdeel S: artikel 27b

Dit artikel betreft met name verharde oppervlakken, waarvoor artikel 11 van de richtlijn passende maatregelen eist om de toepassing zoveel mogelijk te beperken of uit te schakelen. In de praktijk betreft het hier vooral onkruidbestrijding. Dergelijke toepassingen zijn veelal niet-agrarisch, op welke toepassingen het Lotv geen betrekking heeft. Uit de tussenevaluatie van de nota Duurzame Gewasbescherming7 blijkt dat een aantal herbiciden (onder meer glyfosaat en MCPA) die ook veel in de niet-landbouw worden gebruikt voor drinkwaterknelpunten zorgt. Emissiebeperking van gewasbeschermingsmiddelen in de niet-landbouwsectoren kan daarom bijdragen aan het verminderen van deze knelpunten.

Het doelvoorschrift van artikel 27b dient ter implementatie van artikel 11, tweede lid, onderdeel d, van richtlijn 2009/128/EG. Vanwege de dwingende tekst van de richtlijn is een afdwingbare verplichting opgenomen die een bepaald gedrag voorschrijft. De minimalisatie van gewasbeschermingsmiddelengebruik op oppervlakken en daarmee de naleving van artikel 27b is onder andere mogelijk door gewasbeschermingsmiddelen slechts toe te passen volgens de «DOB-methode» (Duurzaam OnkruidBeheer op verhardingen). De toezichthouders van de Wgb kunnen bij de inschatting van risico’s op regelovertreding rekening houden met de aanwezigheid van een DOB-certificaat. Deze risico-inschatting zorgt voor een beperking van de toezichtslasten. De DOB-criteria zijn onderdeel van het certificatiesysteem Barometer Duurzaam Terreinbeheer. Dit systeem is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. Certificatie vindt plaats door certificatie-instellingen die door de Stichting Milieukeur zijn erkend. De gevolgen die aan het certificaat worden toegekend betreffen dus de wijze van toezicht op de naleving van wettelijke regels. Het certificaat vormt een indicatie dat de certificaathouder zich bijzonder inzet om de emissies bij onkruidbeheer te beperken. Deze variant van certificering is dus de «toezichtsvariant».8 Vanuit het Bgb bezien gaat het immers om vrijwillig uitgevoerde certificatieactiviteiten die door de overheid kunnen worden benut bij de uitvoering van haar toezichts- en handhavingsbeleid. Het DOB-systeem voorziet tevens in voorlichting aan gebruikers, hetgeen de juiste toepassing van het systeem bevordert. Volgens onderzoek van Plant Research International (Wageningen) werd over een testperiode van 2002 tot 2005 door het toepassen van de DOB richtlijnen het gewasbeschermingsmiddelengebruik met gemiddeld 35% verminderd.9

Het toepassingsbereik van het DOB-systeem komt grotendeels overeen met de in het eerste lid, onder a, genoemde oppervlakken. De oppervlakken van onderdeel b vallen grotendeels niet onder het DOB-systeem en zullen dus meer aandacht vergen van de toezichthouders.

Onderdeel S: artikel 27c

Dit artikel implementeert artikel 12, onderdeel a, van richtlijn 2009/128/EG en is reeds toegelicht in paragraaf 3.4.4. Naar aanleiding van de tijdens de internetconsultatie gemaakte opmerking van Nefyto dichterbij de tekst van artikel 12, onderdeel a, van richtlijn 2009/128/EG te blijven, heeft de regering artikel 27c aangepast. De bepaling houdt thans in dat ook gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico als bedoeld in artikel 47 van verordening (EG) 1107/2009 mogen worden gebruikt. Het is echter, gelet ook op de Engelse tekst van de richtlijn, een bewuste keuze de term «methode» in plaats van «middel» te hanteren. Het begrip bestrijdingsmethode is ruimer dan de term bestrijdingsmiddel (pesticide). Er bestaat dus een voorkeur voor een biologische bestrijdingsmethode, hetgeen de inzet van biologische bestrijders, zoals lieveheersbeestjes, mede omvat.

Naar aanleiding van de door LTO gemaakte opmerkingen tijdens de internetconsultatie inzake de onduidelijkheid van de reikwijdte van het eerste lid, is dit lid gewijzigd. De regering meent dat de thans gebruikte term niet-landbouwgebieden in gebruik bij het grote publiek of bij kwetsbare groepen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 14, van verordening (EG) 1107/2009 voldoende onderscheidend vermogen bezit. Voldoende duidelijk wordt gemaakt dat de bepaling geen gevolgen heeft voor percelen die in gebruik zijn voor agrarische productie. De regering meent dat dit verantwoord is, omdat de doelstelling van artikel 12, onderdeel a, van richtlijn 2009/128/EG is de risico’s van blootstelling aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zoveel mogelijk te beperken in gebieden die primair voor gebruik door het grote publiek of kwetsbare groepen zijn bestemd.

Hoewel er regels bestaan die het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel boven een windsnelheid van 5 meter per seconde verbieden (artikel 15, vierde lid, onderdeel c, Lozingenbesluit open teelt en veehouderij), is de reikwijdte van dat voorschrift beperkt tot agrarische toepassingen.

Kortom, artikel 27c, eerste lid, is van toepassing in die gebieden die specifiek zijn bestemd voor gebruik door het publiek of kwetsbare groepen, zoals zwangere vrouwen, vrouwen die borstvoeding geven, (pasgeboren) kinderen en ouderen. Indachtig de voorbeelden uit artikel 12, onderdeel a, van richtlijn 2009/128/EG wordt de reikwijdte van het voorschrift daarmee beperkt tot gebieden zoals parken, openbare tuinen, sport- en recreatieterreinen, schoolterreinen, speelplaatsen en zorginstellingen. Al deze voorbeelden hebben gemeen dat zij specifiek bestemd zijn voor gebruik door grote groepen mensen of specifieke groepen daarbinnen, zoals kinderen. Het betreft in alle gevallen niet-agrarische gebieden.

Het tweede lid maakt het mogelijk te kiezen voor het gebruik van een regulier toegelaten gewasbeschermingsmiddel, indien met de biologische bestrijding onvoldoende resultaat wordt geboekt of kan worden geboekt.

Ter bescherming van de gezondheid van kwetsbare groepen voorziet het derde lid, ook teneinde een afgewogen oordeel te kunnen geven over de toepassing in een specifiek geval, in een meldingsplicht van het voorgenomen gebruik van een doodshoofdmiddel (dat wil zeggen een middel blijkens de toelating als vergiftig of zeer vergiftig is ingedeeld) in een park, op een sportveld of een speelplaats of een ander niet-landbouwgebied als bedoeld in het eerste lid, indien de gebruiker het toch noodzakelijk oordeelt een dergelijk gewasbeschermingsmiddel in te zetten. Op grond van het vierde lid kan de minister beperkingen of voorschriften verbinden aan het gebruik van zo’n doodshoofdmiddel in een niet-landbouwgebied, dan wel dat gebruik verbieden. De minister zal dat in ieder geval doen indien onvoldoende aannemelijk wordt, dat biologische bestrijders of andere alternatieven voor gewasbeschermingsmiddelen zijn overwogen.

Onderdeel S: artikel 27d

Dit artikel implementeert artikel 12, onderdeel c, van de richtlijn. Dit richtlijnonderdeel eist risicobeheersmaatregelen voor recent behandelde gebieden die door werknemers in de landbouw worden gebruikt of voor hen toegankelijk zijn. Over waarschuwingen bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is reeds het volgende geregeld in:

  • artikel 8.4 Arbeidsomstandighedenbesluit: verplichting voor werkgever tot doeltreffende veiligheids- of gezondheidssignalering indien de gevaren op de arbeidsplaats of de gevaren van een arbeidsmiddel daartoe aanleiding geven;

  • hoofdstuk 8 Arbeidsomstandighedenregeling: bevat detailvoorschriften over veiligheids- of gezondheidssignalering;

  • artikel 30 Bgb: bevat een waarschuwingsplicht voor de gebruiker van gasvormige of gasvormende gewasbeschermingsmiddelen in besloten ruimten;

  • artikel 8.8, tweede lid, Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden: regelt dat de waarschuwing als bedoeld in artikel 30 Bgb in overeenstemming moet zijn met hoofdstuk 8 van de Arbeidsomstandighedenregeling.

Ten opzichte van de hierboven genoemde regelgeving vormt artikel 27d Bgb een uitbreiding, omdat het toepassingsgebied van artikel 27d algemeen van aard is en daarmee breder dan de besloten ruimten als bedoeld in artikel 30 Bgb: het betreft alle voor een werknemer toegankelijke gebieden. Artikel 27d Bgb heeft betrekking op een waarschuwingsplicht gedurende de herbetredingstermijn en het artikel geldt ook voor de professionele gebruiker die geen werkgever, zelfstandige of meewerkende werkgever is en die niet onder een situatie in de zin van artikel 30 Bgb valt.

Naar aanleiding van de tijdens de internetconsultatie geuite bezwaren van LTO, Nefyto en Plantum tegen de voorgestelde Nederlandse omzetting van artikel 12, eerste lid, onderdeel c, van de richtlijn 2009/128/EG, en met name de verplichting tot het plaatsen van waarschuwingsborden, is de bepaling aangepast. Het bedrijfsleven onderschrijft dat werknemers adequaat moeten worden geïnformeerd over toegepaste gewasbeschermingsmiddelen op de bedrijven en percelen, maar vindt dat de wijze waarop werknemers worden geïnformeerd, dient te worden vrijgelaten. Volgens LTO is het plaatsen van borden landschapsontsierend, vandalismegevoelig en arbeidsintensief. Nefyto en LTO menen dat geschetste lastenverzwaring een schromelijke onderschatting is van de daadwerkelijke lastenverzwaring. LTO Nederland is van eveneens van mening dat de bestaande regelgeving ten aanzien van arbeidsomstandigheden reeds voldoende waarborgen biedt voor adequate voorlichting aan werknemers. Een bordenplaatsplicht is dus volstrekt overbodig.

Volgens Plantum neemt een goed werkgever nu ook al «passende maatregelen» bijvoorbeeld door gerichte instructies aan de werknemers te geven op welk veld men wel of niet aan de slag moet gaan. Plantum stelt voor in plaats van een middelbepaling een doelbepaling op te nemen, in die zin dat de werkgever verplicht is de werknemers te informeren over herbetredingstermijnen, maar dat de wijze waarop niet wordt voorgeschreven.

Naar aanleiding van bovenstaande opmerkingen heeft de regering de tekst van de bepaling gewijzigd in een doelvoorschrift. De essentie van dit artikel is dat werkenden afdoende geïnformeerd zijn wanneer de ruimte (bij voorbeeld een kas) of het gebied (bij voorbeeld een bollenveld) na toepassing van een gewasbeschermingsmiddel weer kan worden betreden, zonder dat daarbij persoonlijke beschermingsmiddelen gedragen moeten worden om zich te beschermen tegen aanwezige resten van het gewasbeschermingsmiddel.

Indien op grond van de toelating een herbetredingstermijn is bepaald, mag de behandelde ruimte of het behandelde gebied vóór het verstrijken van die termijn alleen betreden worden indien adequate persoonlijke beschermingsmiddelen worden gedragen. Er zijn diverse mogelijkheden om de werkenden te waarschuwen wanneer een ruimte of behandeld gebied onbeschermd betreden mag worden. Enkele voorbeelden waarop invulling kan worden gegeven aan de waarschuwingsplicht op grond van dit artikel zijn, los van adequate instructie, naar analogie van arbeidsomstandighedenregelgeving:

  • de plaatsing van een bord (met daarop het tijdstip waarop de behandelde ruimte of het gebied weer onbeschermd betreden mag worden),

  • het afsluiten van de behandelde ruimte tot het moment dat de ruimte weer onbeschermd betreden mag worden,

  • het plaatsen van andere signalering (bij voorbeeld linten) die pas weggehaald wordt, als het gebied of de ruimte onbeschermd betreden mag worden.

Onderdeel T (artikel 32)

Naast een redactionele wijziging waarbij leverancier telkens wordt vervangen door distributeur, vervallen in het zesde lid ook expliciete verwijzigingen. De reden hiervoor is dat over de aard van de administratieverplichtingen geen misverstand kan bestaan. De administratieverplichtingen voor gewasbeschermingsmiddelen zijn nu in artikel 67 van verordening (EG) 1107/2009 geregeld en voor biociden in artikel 25 van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Onderdeel U: artikel 32a

Artikel 32a is nieuw en dient ter uitvoering van artikel 13 van richtlijn 2009/128/EG. Er wordt medebewind van productschappen gevorderd.

Over de reiniging van verpakkingen van gewasbeschermingsmiddelen gelden momenteel drie autonome productschapsverordeningen: van het Productschap Akkerbouw, het Productschap Tuinbouw en het Productschap Zuivel. Deze kunnen dienen ter implementatie van artikel 13 van de richtlijn. Het eerste lid daarvan verplicht – voor zover hier relevant – de noodzakelijke maatregelen te treffen om te verzekeren dat de hantering, schoonmaak en verwijdering van verpakkingen het milieu of de menselijke gezondheid niet in gevaar brengt. Overeenkomstig het kabinetsstandpunt indirect medebewind is het ongewenst een richtlijn te implementeren door middel van autonome productschapsregels.10 Er moet derhalve ten minste sprake zijn van medebewind. Hiervoor is de opname van een bepaling over medebewind in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden nodig, teneinde de medewerking van voornoemde productschappen te kunnen vorderen, zoals artikel 96 van de Wet op de bedrijfsorganisatie vereist. De medebewindsbepaling is opgenomen in de eerste nota van wijziging bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Kamerstukken II 2009/10, 32 372, nr. 6).

Artikel 32a, derde lid, verplicht de productschappen in hun verordeningen derdenwerking op te nemen ter uitvoering van artikel 13 van de richtlijn. Het is namelijk mogelijk om degenen die niet in een onderneming werken als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het Instellingsbesluit Akkerbouwproductschappen of artikel 3, tweede lid, van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw of onder de jurisdictie van het Productschap Zuivel, via de derdenwerking onder de jurisdictie van de productschappen te brengen, zodat er één systeem ontstaat. Te denken valt aan een spoorwegbeheerder of overheidsfunctionaris.

Onderdeel V (artikel 33a)

Deze bepaling regelt dat bij ministeriële regeling de hoogte van de bestuurlijke boete per overtreding kan worden bepaald. Daarbij zullen in principe vier boetebedragen worden gehanteerd, omdat iedere overtreding in een categorie zal worden ingedeeld. Bij de indeling in categorieën kan rekening worden gehouden met zowel de aard van het feit dat wordt overtreden en de gevolgen van deze overtreding, als de mate van overtreden van het feit. Tevens wordt onderscheid gemaakt tussen een overtreding door een distributeur, een professionele gebruiker en een niet-professionele gebruiker. Het derde lid maakt het mogelijk in een individuele boetebeschikking een hoger boetebedrag op te leggen, als de omstandigheden van het geval of de ernst van de overtreding dat rechtvaardigen. Er kunnen omstandigheden zijn waarin de standaardboetebedragen van het eerste lid te laag zijn. Voorbeelden zijn calculerend gedrag waarbij de standaardboete bij overtreding niet opweegt tegen een economisch voordeel dat als gevolg van de overtreding kan worden bereikt of meervoudig gebruik van verboden toepassingen. Voor die gevallen biedt het derde lid de mogelijkheid een afwijkende boetebeschikking te nemen, waarbij uit de motivering dient te blijken waarom er voor een andere boete is gekozen.

Onderdelen W tot en met Z (artikelen 34 tot en met 37)

Deze bepalingen zijn gewijzigd, waardoor ze slechts van toepassing blijven voor biociden, behoudens op grond van het overgangsrecht als bedoeld in artikel 130a van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Onderdeel AA (artikel 37a)

Deze bepaling strekt tot implementatie van richtlijn 2009/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschap van 16 september 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG betreffende het op de markt brengen van biociden in verband met de verlenging van bepaalde termijnen (PbEU 2009, L 262). Deze richtlijn bevat de verlenging van gegevensbescherming in verband met de verlenging van het werkprogramma van de Commissie van de Europese Unie voor opname van bestaande stoffen in bijlage I, IA of IB van richtlijn 98/8/EG. Het nieuwe vijfde lid van artikel 47 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden biedt een delegatiebasis om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur de duur van gegevensbescherming af te stemmen op de verlenging van het werkprogramma. Richtlijn 2009/107/EG koppelt de duur van de gegevensbescherming aan de duur van het werkprogramma. Niet is uitgesloten dat het werkprogramma nogmaals zal worden verlengd. Wijzigingen in het werkprogramma met mogelijke gevolgen voor de duur van de gegevensbescherming moeten snel kunnen worden doorgevoerd. Een ministeriële regeling is daartoe het meest geschikte instrument.

Onderdeel BB (bijlage I)

De bijlage vervalt, omdat bijlage III bij richtlijn 2009/128/EG voor geheel Europa de algemene beginselen van geïntegreerde gewasbescherming bevat. Artikel 26, tweede lid, van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden verwijst thans naar die bijlage. Bij ministeriële regeling kunnen op grond van artikel 26, achtste lid, Bgb, uitvoeringsregels worden gesteld.

Artikel II

Gekozen is voor een inwerkingtreding bij koninklijk besluit, waarbij voor ieder artikel of onderdeel daarvan een verschillend tijdstip kan worden vastgesteld. Dit omdat beide richtlijnen 2009/127/EG en 2009/128/EG verschillende implementatietijdstippen hebben, eveneens de verordening (EG) 1107/2009. Bovendien bepaalt de EU-regelgeving soms dat op een later tijdstip dan het implementatietijdstip aan een bepaling moet zijn voldaan. Door de formulering van artikel II kan hiermede rekening worden gehouden.

Aangezien dit besluit implementatieregelgeving betreft, is er sprake van een uitzondering op het kabinetsstandpunt vaste verandermomenten (Kamerstukken II 2009/10, 29 515, nr. 309) en treedt het in werking op het (vaak uiterste) tijdstip dat verband houdt met de implementatie van de Europese regelgeving. De regering streeft ernaar het besluit ten minste twee weken voordat het in werking treedt, vast te stellen in het Staatsblad.

Transponeringstabel Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PbEU 2009, L 309)

Artikel richtlijn 2009/128/EG

Artikelen implementatie

Toelichting

Artikel 1 (onderwerp)

Behoeft geen implementatie

 

Artikel 2 (reikwijdte)

Behoeft geen implementatie

Richtlijn 2009/128/EG is vooralsnog alleen van toepassing op gewasbeschermingsmiddelen en nog niet op biociden

Artikel 3 (definities)

Artikelen 1 en 18 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

 

Artikel 4 (nationale actieplan)

Artikel 81a Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

 

Artikel 5 (opleiding)

Artikelen 71 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en 17 en 18 Bgb

 

Artikel 6 (verkoopvoor-schriften )

Artikel 73 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

 

Artikel 7 (informatie)

Behoeft geen implementatie d.m.v. regelgeving

De richtlijn verplicht de lidstaten voorlichting en bewustmaking van het grote publiek te faciliteren, alsmede informatie over incidenten met gewasbeschermingsmiddelen te verzamelen. Deze onderwerpen lenen zich meer voor opname in het nationale actieplan dan voor regelgeving.

Artikel 8 (keuring van apparatuur in gebruik)

Artikel 80 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

 

Artikel 9 (vliegtuigenspuiten)

Artikel 80 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Thans reeds geregeld in artikelen 29 en 77 Bgb.

Artikel 10 (voorlichting)

Behoeft geen implementatie d.m.v. regelgeving

Optie om in nationale actieplan doelen te stellen over verstrekking informatie aan personen die aan verwaaiende sproeinevel kunnen worden blootgesteld.

Artikel 11, eerste lid (bescherming watermilieu en drinkwater)

Behoeft geen implementatie d.m.v. regelgeving

Artikel 11, eerste lid, is een algemene bepaling, die in het tweede lid wordt geconcretiseerd.

11, tweede lid, onderdeel a

Artikel 27a Bgb

Voorkeur voor gewasbeschermingsmiddelen die niet zijn ingedeeld als gevaarlijk voor het aquatisch milieu of een prioritair gevaarlijke stof bevat.

11, tweede lid, onderdeel b

Artikelen 13 en 15 Lotv,

Artikel 4.113b Barim

Artikel 3.26 Blbi

Voorkeur voor meest doeltreffende technieken met het oog op voorkomen drift; grotendeels reeds geregeld in artikelen 13 en 15 Lotv

11, tweede lid, onderdeel c

Artikelen 13 en 15 Lotv

Artikel 3.3 Barim

Risico op vervuiling buiten behandelde terrein beperken door teelt- of spuitvrije zones. Grotendeels reeds geregeld in artikelen 13 en 15 Lotv

11, tweede lid, onderdeel d

Artikel 27b Bgb

Artikel 3.4, vierde en vijfde lid, Blbi

Beperking toepassing middelen in of nabij oppervlakte- of grondwater of waar groot risico afspoeling bestaat.

Artikel 12, aanhef en onderdeel a (risicoreductie specifieke gebieden)

Artikel 27c Bgb

Blootstelling grote publiek aan gewasbeschermingsmiddelen zoveel mogelijk vermijden

Aanhef en onderdeel b

Artikel 6.2 Waterwet, artikel 13, twaalfde lid, Lotv, artikelen 19a en 19d Natuurbeschermingswet 1998

Geen nieuwe regelgeving nodig, daar genoemde, bestaande regelgeving reeds kan dienen als implementatie.

Aanhef en onderdeel c

Artikel 27d Bgb

 

Artikel 13, eerste lid (zorgvuldig omgaan met gewasbeschermings-

middelen)

Artikel 2a Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, artikel 32a Bgb,

Besluit landbouw milieubeheer, bijlage, par. 2.6 / 2.7 / 4.8

Besluit glastuinbouw, art. 6, eerste lid, onder a, en bijlage 2, par. 2.1 / 2.2

Arbeidsomstandighedenbesluit: artikelen 3.23, 4.6, 4.7, 8.1, zesde lid, 8.4 en 9.5, vierde lid

Art. 17 Lotv

 

tweede lid

Artikelen 8 en 11, vierde lid, Bgb

 

derde lid

Besluit landbouw milieubeheer, bijlage, par. 2.6.4 / 4.8

Besluit glastuinbouw, bijlage 2, par. 2.1 / 2.2

 

Artikel 14 (geïntegreerde gewasbescherming)

Artikel 26 Bgb

 

Artikel 15 (indicatoren)

Behoeft geen implementatie d.m.v. regelgeving

Risico-indicatoren zijn van belang voor kwantificeren beleidsdoelstellingen en evaluatie beleid

Artikel 16 (rapportage)

Behoeft geen implementatie d.m.v. regelgeving

Rapportage door Europese Commissie

Artikel 17 (handhaving en sancties)

Artikelen 85, 86, 87, 88 en 90 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en artikel 33a Bgb

 

Artikel 18 (uitwisseling informatie)

Behoeft geen implementatie d.m.v. regelgeving

Uitwisseling van informatie tussen lidstaten

Artikel 19 (heffingen)

Artikel 32a, derde lid, onderdeel a, Bgb

 

Artikel 20 (erkenning)

Behoeft geen implementatie d.m.v. regelgeving

Harmonisatie of erkenning van keuringsnormen

Artikel 21 (comité)

Behoeft geen implementatie d.m.v. regelgeving

Aanwijzing bevoegd comité dat Commissie bijstaat

Artikel 22 ( uitgaven)

Behoeft geen implementatie d.m.v. regelgeving

EU-uitgaven

Artikel 23 (omzetting)

Behoeft geen implementatie d.m.v. regelgeving

Uiterlijk 26 november 2011 moet de nodige implementatieregelgeving in werking treden

Artikel 24 (inwerkingtreding)

Behoeft geen implementatie d.m.v. regelgeving

Tijdstip inwerkingtreding Richtlijn 2009/128/EG is 25 november 2009

Artikel 25 (adressaat)

Behoeft geen implementatie d.m.v. regelgeving

 

De Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

H. Bleker


X Noot
1

PbEU 2010, L 161, bevat een rectificatie. Daarbij is de eerder genoemde datum van 14 december gewijzigd in 26 november 2011.

X Noot
2

Verordening PA reiniging verpakkingen gewasbeschermingsmiddelen 2008, Verordening PT reiniging verpakkingen gewasbeschermingsmiddelen 2009 en Zuivelverordening 2003, Reiniging verpakkingen gewasbeschermingsmiddelen.

X Noot
3

Stichting Opruiming Restanten Landbouwbestrijdingsmiddelen, www.storl.nl.

X Noot
4

Te vinden op de website van de Stichting Opruiming Restanten Landbouwbestrijdingsmiddelen, www.storl.nl

X Noot
5

Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PBEG, L 204).

X Noot
6

Wet van 24 maart 2011 tot wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met de implementatie van Europese regelgeving op het gebied van het op de markt brengen en duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (Staatsblad 2011, nr. 235).

X Noot
7

Evaluatie duurzame gewasbescherming 2006, http://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/607016001.pdf

X Noot
8

Zie de brief over certificering en accreditatie van de Minister van Economische Zaken, Kamerstukken II 2003/04, 29 304, nr. 1, evenals de bijlage: Eijlander/Evers/van Gestel, De inkadering van certificatie en accreditatie in beleid en regelgeving. Een onderzoek in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken, p. 55.

X Noot
9

Plant Research International, De DOB methode. Naar duurzamer onkruidbeheer op verhardingen. Publieksrapport, http://www.dob-verhardingen.nl/NR/rdonlyres/F397B4B0-C867-4FB8-958E-9E8B4DB41B1B/0/SWEEPbrochure_NED_laag.pdf

X Noot
10

Kamerstukken II 1996/97, 25 091, nr. 2, p. 10.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.