Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135830-B nr. 1

Tweede Kamer der Staten-Generaal

35 830 B Jaarverslag en Slotwet Gemeentefonds 2020

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET GEMEENTEFONDS (B)

Ontvangen 19 mei 2021

Vergaderjaar 2020–2021

GEREALISEERDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

Figuur 1 Gerealiseerde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln.). Totaal € 33.436.400.000,-

Figuur 2 Gerealiseerde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 mln.). Totaal € 33.436.400.000,-

A. ALGEMEEN

1 1. Aanbieding van het jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bieden wij het jaarverslag van het gemeentefonds (B) over het jaar 2020 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 2.37 en 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties én de Staatssecretaris van Financiën decharge te verlenen over het in het jaar 2020 gevoerde financiële beheer.

Voor de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening stelt de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 7.14 van de Comptabiliteitswet 2016 een rapport op. Dit rapport wordt op grond van artikel 7.15 van de Comptabiliteitswet 2016 door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Algemene Rekenkamer over:

  • 1. het gevoerde begrotingsbeheer, financieel beheer, materiële bedrijfsvoering en de daartoe bijgehouden administraties van het Rijk;

  • 2. de centrale administratie van de schatkist van het Rijk van het Ministerie van Financiën;

  • 3. de financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;

  • 4. de totstandkoming van de niet-financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;

  • 5. de financiële verantwoordingsinformatie in het Financieel jaarverslag van het Rijk.

Bij het besluit tot dechargeverlening worden verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken betrokken:

  • 1. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2020;

  • 2. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • 3. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het onderzoek van de centrale administratie van de schatkist van het Rijk en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • 4. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer over de in het Financieel jaarverslag van het Rijk, over 2020 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten over 2020, alsmede over de saldibalans over 2020 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 7.14, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016.

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,K.H.Ollongren

De Staatssecretaris van Financiën,J.A.Vijlbrief

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. Leeswijzer

Algemeen

Voor u ligt het jaarverslag 2020 van het gemeentefonds.

Gemeentefonds

Het jaarverslag van het gemeentefonds maakt onderdeel uit van de financiële verantwoording van het Rijk, maar heeft daarbinnen een eigen bijzonder karakter. Het jaarverslag van het gemeentefonds kent in tegenstelling tot een departementaal jaarverslag slechts één beleidsartikel: het gemeentefonds. Het beleid dat wordt gevoerd ter realisatie van de algemene beleidsdoelstelling is direct verbonden met dit ene beleidsartikel. De apparaatuitgaven in de zin van materiële en personele uitgaven van de medewerkers bij de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Financiën die betrokken zijn bij het fondsbeheer, zijn niet in de tabel Budgettaire gevolgen van beleid opgenomen. Deze kosten worden in de respectievelijke departementale begrotingen verantwoord. Dit geldt eveneens voor het algemene beleid inzake decentrale overheden, waarbij deze uitgaven zijn terug te vinden in de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII).

Toelichting verschillen

Dit jaarverslag zal de eerdere, op 2020 betrekking hebbende, begrotingen van het gemeentefonds (de oorspronkelijk vastgestelde begroting 2020 en de eerste en tweede suppletoire begrotingen 2020) als uitgangspunt nemen. Terugkijkend op de beleidsprioriteiten zal hierbij de ontwerpbegroting 2020 van het gemeentefonds van belang zijn. De gehanteerde norm voor de toelichting bij verschillen tussen de budgettaire raming en de realisatie in het verslagjaar, is dat alle verschillen worden toegelicht. De toelichting is op hoofdlijnen met verwijzingen naar de relevante suppletoire begrotingen.

Incidentele Suppletoire Begrotingen

In de loop van 2020 zijn twee Incidentele Suppletoire Begroting (ISB) gepubliceerd (Kamerstukken II 2019/20, 25480, nr. 1 en Kamerstukken II, 2019/20, 35544, nr. 1). De mutaties uit deze ISB's zijn verwerkt in de standen van de eerste suppletoire begroting.

Indeling

Het jaarverslag is verdeeld in twee onderdelen: het beleidsverslag en de jaarrekening. Het beleidsverslag is een terugblik op het gevoerde beleid in 2020. Hierin komt de realisatie van de beleidsprioriteiten aan bod, worden de budgettaire gevolgen van het gevoerde beleid in beeld gebracht en worden beleidsmatige conclusies ten aanzien van de beleidsprioriteiten getrokken. Hier wordt ook de toelichting gegeven op het verschil tussen de oorspronkelijke vastgestelde begroting en realisatie. De verschillen worden daarbij absoluut weergegeven en toegelicht. Daarna volgt in de bedrijfsvoeringsparagraaf informatie over de rechtmatigheid. De jaarrekening geeft het financiële beeld van het begrotingsjaar 2020 wat betreft het gemeentefonds. In dit onderdeel worden de verantwoordingsstaat en de saldibalans gepresenteerd.

Groeiparagraaf

Ten opzichte van het jaarverslag 2019 is één wijziging doorgevoerd. De bijlage met corona steunmaatregelen is toegevoegd.

Grondslagen voor de vastlegging en de waardering

De verslaggevingsregels en waarderingsgrondslagen die van toepassing zijn op de in dit jaarverslag opgenomen financiële overzichten zijn ontleend aan de Comptabiliteitswet 2016 en de daaruit voortvloeiende regelgeving, waaronder de Regeling rijksbegrotingsvoorschriften 2021 en de Regeling agentschappen. Voor de begrotingsadministratie van het gemeentefonds wordt het verplichtingen-kasstelsel toegepast.

Focusonderwerpen

Het focusonderwerp voor 2020 is de toepassing van Artikel 3.1 Comptabiliteitswet 2016. Dit is voor het gemeentefonds niet van toepasing.

Slotopmerking

Als gevolg van afronding wijkt in sommige tabellen het totaal af van de som der delen.

B. BELEIDSVERSLAG

3. Beleidsprioriteiten

Dit jaarverslag gaat in op de in 2020 gerealiseerde beleidsprioriteiten. Uitgangspunt daarbij zijn de oorspronkelijk in de begroting 2020 geformuleerde beleidsprioriteiten.

Ten eerste wordt de realisatie van de beleidsprioriteiten in 2020 beschreven. Vervolgens worden de budgettaire en financiële consequenties van deze beleidsprioriteiten weergegeven. De tabel realisatie beleidsdoorlichtingen en het overzicht risicoregelingen zijn voor het gemeentefonds niet van toepassing. De tabel met steunmaatregelen in verband met de coronacrisis is opgenomen als bijlage bij dit jaarverslag.

Realisatie van de beleidsprioriteiten 2020

De fondsbeheerders hebben de Tweede Kamer in 2020 geïnformeerd over de stand van zaken van de herijking van de verdeling van de middelen van het gemeentefonds. In het voorjaar over het feit dat vervolgonderzoek voor met name de verdeling van de middelen van het klassieke deel van het gemeentefonds noodzakelijk was (Kamerstukken II 2019/20, 35300 B, nr. 15). In december 2020 over het afronden van de vervolgonderzoeken, en dat besluitvorming over de invoering van de verdeling aan het volgend kabinet wordt gelaten (Kamerstukken II 20/21, 35570 B, nr. 13). Het proces is in nauwe samenwerking met gemeenten (op bestuurlijk en ambtelijk niveau) doorlopen.

In mei 2020 hebben de fondsbeheerders een ambtelijk adviesrapport gepubliceerd met bouwstenen voor een herziening van het gemeentelijk belastinggebied (Kamerstukken II 2019/20, 32140, nr. 71). Dit betreft zowel verruiming van het gemeentelijk belastinggebied, als modernisering van bestaande lokale heffingen. Dit alles opdat het fiscale instrumentarium beter kan worden toegespitst op de actuele maatschappelijke opgaven.

In november hebben de fondsbeheerders het rapport over de evaluatie van de normeringssystematiek aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2020/21, 35570 B, nr. 10). Het evaluatierapport is opgesteld door een ambtelijke werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO), het ministerie van Financiën en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De voorstellen in het rapport zijn erop gericht om met name de stabiliteit van de systematiek te verbeteren. Het is aan een volgend kabinet hoe het belang van een stabiele accresontwikkeling wordt afgewogen tegenover een actuele aansluiting van het accres op de rijksuitgaven.

In 2020 is door de fondsbeheerders ook verder gewerkt aan een herziening van de Financiële-verhoudingswet. Hierbij zijn ook verschillende uitkeringsvormen onderzocht voor situaties waarin het Rijk samenwerkt met één of meer gemeenten en/of provincies aan de realisatie van een gezamenlijke opgave.

Budgettaire en financiële consequenties van de beleidsprioriteiten 2020

Naast de vele steunmaatregelen voor gemeenten ter bestrijding van de financiële gevolgen van de coronacrisis zijn in 2020 nog enkele concrete afspraken gemaakt die van invloed zijn op de financiële positie van gemeenten.

De afgelopen jaren hebben schommelingen in het accres, en de doorwerking hiervan op de gemeentelijke en provinciale begrotingen onrust veroorzaakt bij de medeoverheden. Het kabinet vindt het belangrijk in deze bijzondere tijd de schommelingen voor medeoverheden te dempen; hoe stabieler de inkomsten, hoe minder verstoringen van het gemeentelijke en provinciale begrotingsproces. In overleg met de VNG en het IPO is daarom besloten om de stand van het accres (volume en loon- en prijsontwikkeling) zoals gepresenteerd in de Voorjaarsnota 2020 te bevriezen voor de jaren 2020 en 2021. Het is aan een nieuw kabinet om in overleg met de medeoverheden te besluiten hoe in de toekomst met het accres om te gaan (Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 43).

Gezien de toegenomen financiële druk bij gemeenten door corona heeft het kabinet besloten de oploop in de opschalingskorting voor gemeenten in de jaren 2020 en 2021 incidenteel te schrappen. Dit leidt tot een verhoging van de algemene uitkering van het gemeentefonds van € 70 mln. in 2020 en € 160 mln. in 2021. (Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 104).

4. Beleidsartikel

Artikel 1 Gemeentefonds

A. Algemene doelstelling

Via het gemeentefonds wordt bewerkstelligd dat de gemeenten middelen krijgen toebedeeld om hun taken naar behoren uit te voeren. Deze doelstelling valt uiteen in twee beleidsthema’s:

  • 1. gemeenten via het gemeentefonds voorzien van voldoende financiële middelen voor de uitvoering van hun taken;

  • 2. een verdeling van de beschikbare financiële middelen over gemeenten die elk van de gemeenten in staat stelt om hun inwoners een gelijkwaardig voorzieningenpakket tegen globaal gelijke lastendruk te kunnen leveren.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De fondsbeheerders, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijks-relaties en de Minister van Financiën – namens deze de Staatssecretaris van Financiën- Fiscaliteit en Belastingdienst – hebben een regisserende en financierende rol ten aanzien van het gemeentefonds. De fondsbeheerders zijn op basis van de Financiële-verhoudingswet verantwoordelijk voor de financiële verhoudingen tussen Rijk en gemeenten. Zij dragen daarbij zorg voor een adequate omvang alsmede een goede werking van de verdeelsystematiek van het gemeentefonds. Tevens zorgen zij voor een adequate uitbetaling en vaststelling van de algemene uitkering, de integratie-uitkeringen en decentralisatie-uitkeringen aan de verschillende gemeenten.

In het regeerakkoord zijn ambitieuze beleidsvoornemens geformuleerd. Maatschappelijke opgaven spelen steeds vaker op meerdere schaalniveaus tegelijk en oplossingen liggen niet in het bereik van één overheidslaag. Een toenemend aantal maatschappelijke opgaven is alleen op te lossen wanneer gemeenten, provincies, waterschappen en Rijk als één overheid samenwerken richting partners. Samenwerking vindt ook in toenemende mate plaats op regionaal niveau. Vrijwel overal in Nederland zijn regionale coalities van overheden en andere partijen op zoek naar passende governance arrangementen om aan te sluiten op hun regionale opgaven. In de uitvoering van overheidstaken spelen medeoverheden een steeds belangrijkere rol. Daarom heeft het kabinet extra geld beschikbaar gesteld aan gemeenten.

Voor de realisatie van de beschreven beleidsthema’s wordt een aantal instrumenten en activiteiten ingezet.

Beleidsthema 1: gemeenten via het gemeentefonds voorzien van voldoende financiële middelen voor de uitvoering van hun taken.

A) Normeringssystematiek

De jaarlijkse ontwikkeling van de omvang van de algemene uitkering van het gemeentefonds wordt – naast taakmutaties – bepaald door de normeringssystematiek. De normeringssystematiek houdt in dat de ontwikkeling van het fonds gekoppeld is aan de ontwikkeling van de accres-relevante uitgaven van het Rijk (ARU), dit wordt ook wel aangeduid als het principe «samen de trap op, samen de trap af». De jaarlijkse toe- of afname van het gemeentefonds die voortvloeit uit de koppeling aan de rijksuitgaven, wordt het accres genoemd. De normeringssystematiek is in werking sinds 1995 en berust op een bestuurlijke afspraak tussen het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO). Met ingang van 2018 is de basis van de normeringssystematiek verbreed. Naast de uitgaven onder het kader rijksbegroting worden nu ook de uitgaven onder de kaders zorg en sociale zekerheid meegenomen in de normeringssystematiek.

B) Artikel 2 Financiële-verhoudingswet

Er zijn jaarlijks diverse specifieke taakmutaties die tot toevoegingen en/of onttrekkingen aan het gemeentefonds kunnen leiden. Uitgangspunt hierbij is artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet. Dit artikel geeft aan dat indien beleidsvoornemens van het Rijk leiden tot een wijziging van de uitoefening van taken of activiteiten door gemeenten, in een afzonderlijk onderdeel van de bijbehorende toelichting met redenen wordt omkleed en met kwantitatieve gegevens wordt gestaafd, welke de financiële gevolgen van deze wijziging voor de gemeenten zijn. Tevens wordt aangegeven via welke bekostigingswijze de financiële gevolgen voor de gemeenten kunnen worden opgevangen.

C) Bestuurlijk overleg financiële verhoudingen

Het Bestuurlijk overleg financiële verhoudingen (Bofv) tussen de fondsbeheerders, de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen (UvW) vindt minimaal twee keer per jaar plaats, rond het verschijnen van de Voorjaarsnota en de Miljoenennota. Iedere partij kan agendapunten inbrengen. Zo nodig kunnen ook andere bewindspersonen dan de fondsbeheerders aan het overleg deelnemen. De uitkomst van de normeringsystematiek (vgl. A) kan – indien bekend – in het Bofv bestuurlijk worden gewogen.

D) Macronorm Onroerend Zaak Belasting (OZB)/benchmark woonlasten

De OZB-opbrengst van gemeenten werd tot en met 2019 op macroniveau gemaximeerd door jaarlijks een percentage vast te stellen waarmee de som van de OZB-opbrengsten van alle gemeenten mocht groeien. Met ingang van 2020 is een benchmark woonlasten geïntroduceerd ter vervanging van de macronorm OZB.

E) Artikel 12 gemeenten

Een indicator voor de financiële positie van gemeenten is het aantal gemeenten dat een beroep doet op artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet. Dat aantal is de laatste jaren beperkt gebleven tot 2.

F) Monitoring nieuwe middelen sociaal domein

Het college van burgemeester en wethouders legt over de besteding van de middelen sociaal domein uitsluitend financiële verantwoording af aan de gemeenteraad. Het Rijk vraagt geen verantwoording over de rechtmatigheid van de besteding door gemeenten. Wel monitort het Rijk de uitvoering van de taken van het sociaal domein, om de systeemverantwoordelijkheid van vakministers en fondsbeheerders te kunnen borgen.

Het Rijk ontvangt daartoe via het informatiesysteem Informatie voor derden (Iv3) per gemeente informatie over de uitgaven in het sociaal domein. Iv3 is geen verantwoordingsinformatie en op basis van Iv3 kan niet worden teruggevorderd.

Beleidsthema 2: een verdeling van de beschikbare financiële middelen over gemeenten die elk van de gemeenten in staat stelt om hun inwoners een gelijkwaardig voorzieningenpakket tegen globaal gelijke lastendruk te kunnen leveren.

G) Verdeelmaatstaven

Het budget van de algemene uitkering van het gemeentefonds wordt over de gemeenten verdeeld via een systeem van verdeelmaatstaven. De fondsbeheerders zijn verantwoordelijk voor ontwikkeling en onderhoud van het systeem van verdeelmaatstaven dat de verdeling tot stand brengt. Dit verdeelsysteem heeft als doel gemeenten in staat te stellen hun voorzieningen op een onderling gelijkwaardig niveau te brengen tegen globaal gelijke lastendruk en rekening houdend met de structuurkenmerken van de gemeenten. Zolang voor een uitkeringsjaar de voor de verdeelmaatstaven noodzakelijke statistische gegevens nog niet bekend of definitief zijn, worden de gemeenten bevoorschot op basis van voorlopige cijfers. Hierbij wordt ernaar gestreefd de voorschotten zo goed mogelijk aan te laten sluiten op de algemene uitkering waarop een gemeente uiteindelijk recht heeft, zoals deze vastgesteld wordt nadat de statistische gegevens definitief zijn vastgesteld. Dit streven geldt ook voor integratie- en decentralisatie-uitkeringen. Als er gedurende en na afloop van het uitkeringsjaar definitieve volumegegevens beschikbaar komen, leidt dit tot bijstellingen in de bevoorschotting. Aangezien voor het gemeentefonds de verplichtingen leidend zijn, zullen deze altijd tot uitkering komen.

H) Periodiek onderhoudsrapport

Voor de verdeling van de financiële middelen is het Periodiek onderhoudsrapport (POR) de belangrijkste indicator. Daarin wordt door de fondsbeheerders bijgehouden of de verdeling nog adequaat is. De verdeling is adequaat als deze nog voldoende aansluit bij de daadwerkelijke uitgaven zoals blijkt uit de gemeentelijke begrotingen. Het POR verschijnt jaarlijks als bijlage bij de begroting.

C. Beleidsconclusies

Vanuit het gemeentefonds hebben gemeenten in 2020 middelen toebedeeld gekregen om hun taken uit te voeren. Daarbij hebben de fondsbeheerders uiteraard het bestaande verdeelmodel toegepast voor de algemene uitkering.

Door de fondsbeheerders wordt gewerkt aan een nieuw verdeelmodel (zie ook de paragraaf Beleidsprioriteiten). Een nieuw verdeelmodel is nodig om de verdeling van de middelen over de gemeenten beter te laten aansluiten op de huidige taken en kosten van gemeenten. Deze taken en kosten zijn, onder meer door de decentralisaties in het sociaal domein, de afgelopen jaren behoorlijk gewijzigd. Ook moet een nieuw model eenvoudiger worden. Het huidige model is namelijk door alle wijzigingen in de loop der jaren behoorlijk ingewikkeld geworden. Tot slot zal het nieuwe verdeelmodel meer rekening moeten houden met de mogelijkheden die gemeenten hebben om eigen inkomsten op te halen.

In 2020 zijn forse stappen gezet om te komen tot een nieuw verdeelmodel. De fondsbeheerders hebben de Tweede Kamer in 2020 geïnformeerd over de stand van zaken van de herijking van de verdeling van de middelen van het gemeentefonds. In het voorjaar 2020 over het feit dat vervolgonderzoek voor met name de verdeling van de middelen van het klassieke deel van het gemeentefonds noodzakelijk was (Kamerstukken II 2019/20, 35300 B, nr. 15). In december 2020 over het afronden van de vervolgonderzoeken, het verdere proces en dat besluitvorming over de invoering van de verdeling aan het volgend kabinet wordt gelaten (Kamerstukken II 2020/21, 35570 B, nr. 13). Het proces is in nauwe samenwerking met gemeenten (op bestuurlijk en ambtelijk niveau) doorlopen.

Het kabinet is zich ervan bewust dat de financiële positie van gemeenten onder druk staat. De gevolgen van de coronacrisis hebben deze druk verder vergroot. Afgelopen periode heeft het kabinet zich ingespannen om gemeenten financieel te ondersteunen door middel van het compenseren van de financiële gevolgen van de coronacrisis en door tijdelijk extra geld beschikbaar te stellen voor onder andere de kosten van de Jeugdzorg. Ook heeft het kabinet besloten het accres tijdelijk te bevriezen en de oploop in de opschalingskorting incidenteel te schrappen voor 2020 en 2021.

Hoewel gemeenten op korte termijn enige lucht hebben gekregen in hun begroting, liggen er voor de komende jaren grote uitdagingen en opgaven voor. Naar de toekomst toe is het van groot belang in breder perspectief naar de interbestuurlijke en financiële verhoudingen tussen het Rijk en medeoverheden, en in het bijzonder gemeenten, te kijken. Interbestuurlijke en financiële besluitvorming kunnen niet los van elkaar worden gezien, het is dan ook wenselijk dat een volgend kabinet hierover een integraal besluit neemt. De voorbereiding op het volgend kabinet gebeurt in nauw overleg met de medeoverheden.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

In onderstaande tabel worden de budgettaire gevolgen van beleid weergegeven.

Tabel 1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 gemeentefonds (bedragen x € 1.000)

Gemeentefonds

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2016

2017

2018

2019

2020

2020

2020

Verplichtingen:

28.142.671

27.871.247

29.371.165

31.075.999

33.482.207

31.901.410

1.580.797

        

Uitgaven:

28.124.902

27.906.247

29.083.134

31.297.982

33.436.400

31.901.410

1.534.990

        

Opdrachten

       

1. Kosten Financiële-verhoudingswet

1.264

1.530

1.507

2.943

1.208

1.261

‒ 53

        

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

       

1. Kosten Waarderingskamer

2.104

2.441

0

0

0

0

0

2. Kosten Financiële-verhoudingswet

0

0

95

328

769

0

769

        

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

       

1. Budget A+O-fonds

6.610

6.640

0

0

0

0

0

2. Bijdrage aan VNG

64.951

74.689

0

0

0

0

0

3. Bijdrage aan KING

7.464

7.464

0

0

0

0

0

        

Bijdragen aan medeoverheden

       

1. Algemene uitkering

15.695.965

15.555.457

16.494.393

25.116.658

26.817.031

26.354.315

462.716

2. Integratie-uitkeringen

1.207.888

1.290.729

1.293.821

4.499.368

4.809.716

4.461.903

347.813

3. Decentralisatie-uitkeringen

1.123.503

1.136.719

1.228.909

1.678.685

1.807.676

1.083.931

723.745

4. Integratie-uitkering sociaal domein

10.015.153

9.830.578

10.064.409

0

0

0

0

        

Ontvangsten:

28.124.902

27.906.247

29.083.134

31.297.982

33.436.400

31.901.410

1.534.990

        

1. Terugontvangsten Waarderingskamer

0

0

222

0

0

0

0

2. Ontvangsten ex art. 4 Fvw

28.124.902

27.906.247

29.082.912

31.297.982

33.436.400

31.901.410

1.534.990

E. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

Ten opzichte van de oorspronkelijk vastgestelde begroting zijn de verplichtingen met € 1.581 mln. opwaarts bijgesteld. Dit bedrag is het saldo van de mutaties die bij eerste suppletoire begroting 2020 (€ 1.164 mln.) en tweeede suppletoire begroting 2020 (€ 431 mln.) zijn aangebracht. In de slotwet vindt een mutatie plaats van ‒ € 14 mln. Een toelichting op deze mutaties is te vinden in de memories van toelichting van beide suppletoire begrotingen (Kamerstukken II 2019/2020, 35450 B, nr. 2, Kamerstukken II 2020/21, 35650 B, nr. 2 en Kamerstukken II 2020/21, 35650 B, nr. 4) en in de slotwet.

Uitgaven

Opdrachten

Kosten Financiële-verhoudingswet

Het gerealiseerde bedrag komt € 53.000 lager uit dan in de ontwerpbegroting 2020 werd geraamd. Het gerealiseerde bedrag voor de kosten Financiële-verhoudingswet onder opdrachten komt hiermee op € 1,208 mln. Een toelichting is te vinden in de memories van toelichting van beide suppletoire begrotingen (Kamerstukken II 2019/2020, 35450 B, nr. 2 en Kamerstukken II 2020/21, 35650 B, nr. 2) en in de slotwet.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Kosten Financiële-verhoudingswet

Het gerealiseerde bedrag komt € 0,77 mln. hoger uit dan in de ontwerpbegroting 2020 werd geraamd, doordat enkele bijdragen zijn verstrekt die als opdracht waren begroot. Een toelichting is te vinden in de memorie van toelichting van tweede suppletoire begroting 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 35650 B, nr. 2) en in de slotwet 2020.

Bijdragen aan medeoverheden

Algemene uitkering

De uitgaven van de algemene uitkering van het gemeentefonds worden ten opzichte van de oorspronkelijke vastgestelde begroting bijgesteld met € 463 mln. en komen daarmee in totaal op € 26.817 mln. De hogere uitgaven hangen vooral samen met de extra toegekende middelen voor corona. Bij de eerste en tweede suppletoire begroting 2020 hebben eerdere mutaties plaatsgevonden van respectievelijk € 408 mln. en € 191 mln. In de slotwet 2020 vindt een mutatie plaats van ‒ € 136 mln. Een toelichting op deze mutaties is te vinden in de memories van toelichting van beide suppletoire begrotingen (Kamerstukken II 2019/20, 35450 B, nr. 2, Kamerstukken II 2020/21, 35650 B, nr. 2 en Kamerstukken II 2020/21, 35650 B, nr. 4) en in de slotwet 2020.

Integratie-uitkeringen

De uitgaven van de integratie-uitkeringen van het gemeentefonds worden ten opzichte van de oorspronkelijke vastgestelde begroting bijgesteld met € 348 mln. en komen daarmee in totaal op € 4.810 mln. Bij de eerste en tweede suppletoire begroting 2020 hebben eerdere mutaties plaatsgevonden van respectievelijk € 316 mln. en € 32 mln. Een toelichting op deze mutaties is te vinden in de memories van toelichting van beide suppletoire begrotingen (Kamerstukken II 2019/20, 35450 B, nr. 2 en Kamerstukken II 2020/21, 35650 B, nr. 2) en in de slotwet 2020.

Decentralisatie-uitkeringen

De uitgaven van de decentralisatie-uitkeringen van het gemeentefonds worden ten opzichte van de oorspronkelijke vastgestelde begroting bijgesteld met € 724 mln. en komen daarmee in totaal op € 1.808 mln. De hogere uitgaven zijn vooral een gevolg van het toevoegen van nieuwe decentralisatie-uitkeringen in de loop van 2020, onder meer ter compensatie van extra uitgaven en gederfde inkomsten als gevolg van de coronacrisis. Bij de eerste en tweede suppletoire begroting 2020 hebben eerdere mutaties plaatsgevonden van respectievelijk € 526 mln. en € 208 mln. en in de slotwet van ‒ € 10 mln. Een toelichting op deze mutaties is te vinden in de memories van toelichting van beide suppletoire begrotingen (Kamerstukken II 2019/20, 35450 B, nr. 2 en Kamerstukken II 2020/21, 35650 B, nr. 2) en in de slotwet 2020.

Ontvangsten

Sinds de invoering van de Financiële-verhoudingswet zijn de uitgaven en de inkomsten over ieder uitkeringsjaar aan elkaar gelijk. Ten opzichte van de oorspronkelijke vastgestelde begroting van het gemeentefonds voor 2020 worden de ontvangsten met € 1.535 mln. verhoogd tot € 33.436 mln. Deze verhoging is de som van de mutaties die bij eerste suppletoire begroting 2020 (€ 1.251 mln.), tweede suppletoire begroting 2020 (€ 430 mln.) en in de slotwet 2020 (- € 147 mln.) zijn aangebracht.

5. Bedrijfsvoeringsparagraaf

Paragraaf 1 - Uitzonderingsrapportage voor de volgende vier verplichte onderdelen:

Rechtmatigheid

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de overschrijdingen van de tolerantiegrenzen betreffende rechtmatigheid.

Tabel 2 Overzicht overschrijdingen rapporteringstoleranties fouten en onzekerheden

(1) Rapporteringstolerantie

(2) Verantwoord bedrag in € (omvangsbasis)

(3) Rapporteringstolerantie voor fouten en onzekerheden in €

(4) Bedrag aan fouten in €

(5) Bedrag aan onzekerheden in €

(6) Bedrag aan fouten en onzekerheden in €

(6a) Waarvan bedrag aan fouten en onzekerheden gerelateerd aan noodmaatregelen in €

(7) Percentage aan fouten en onzekerheden t.o.v. verantwoord bedrag = (6)/(2)*100%

(7a) Waarvan percentage aan fouten en onzekerheden gerelateerd aan noodmaatregelen t.o.v. verantwoord bedrag = (6a)/(2)*100%

Artikel 1 uitgaven

€ 33.436.399.611

€ 1.671.819.981

€ 244.255.000

€ 21.700.000

€ 265.955.000

€ 0

0,8%

0,0%

         

Totaal uitgaven

€ 33.436.399.611

€ 668.727.992

€ 244.255.000

€ 21.700.000

€ 265.955.000

€ 0

0,8%

0,0%

Bij de uitgaven van het gemeentefonds worden de tolerantiegrenzen voor rechtmatigheid niet overschreden. Toch is ook daar, net als bij het provinciefonds, sprake van een aanzienlijk bedrag aan fouten en onzekerheden.

Deze fouten en onzekerheden worden veroorzaakt doordat bij een aantal decentralisatie-uitkeringen sprake is van voorwaarden van de kant van het Rijk die de beleids- en bestedingsvrijheid van gemeenten aantasten (fouten). Bij een deel van de decentralisatie-uitkeringen is (nog) niet definitief vastgesteld of er wel of geen sprake is van dergelijke voorwaarden (onzekerheden).

Voor meer informatie over dit onderwerp wordt u verwezen naar de bedrijfsvoeringsparagraaf in het jaarverslag van begrotingshoofdstuk VII Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Totstandkoming niet-financiële verantwoordingsinformatie

Er zijn geen bijzonderheden te melden.

Begrotingsbeheer, financieel beheer en de materiële bedrijfvoering

Voor het begrotingsbeheer, financieel beheer en de materiële bedrijfsvoering wordt u verwezen naar de bedrijfsvoeringsparagraaf in het jaarverslag van begrotingshoofdstuk VII Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Overige aspecten van de bedrijfsvoering

Voor overige aspecten van de bedrijfsvoering wordt u verwezen naar de bedrijfsvoeringsparagraaf in het jaarverslag van begrotingshoofdstuk VII Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Paragraaf 2 - Rijksbrede bedrijfsvoeringsonderwerpen

Voor de rijksbrede bedrijfsvoeringsonderwerpen wordt u verwezen naar de bedrijfsvoeringsparagraaf in het jaarverslag van begrotingshoofdstuk VII Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Paragraaf 3 - Belangrijke ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering

Voor de belangrijke ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering wordt u verwezen naar de bedrijfsvoeringsparagraaf in het jaarverslag van begrotingshoofdstuk VII Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

C. JAARREKENING

6. Verantwoordingsstaat van het gemeentefonds

Tabel 3 Verantwoordingsstaat 2020 van het gemeentefonds (B) (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

(1) Vastgestelde begroting

(2) Realisatie

(3)=(2)-(1) Verschil realisatie en vastgestelde begroting

  

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

01

Gemeentefonds

31.901.410

31.901.410

31.901.410

33.482.207

33.436.400

33.436.400

1.580.797

1.534.990

1.534.990

7. Saldibalans van het gemeentefonds

Tabel 4 Saldibalans per 31 december 2020 van het gemeentefonds (B) (bedragen x € 1.000)

Activa

Passiva

 

31-12-2020

31-12-2019

  

31-12-2020

31-12-2019

       

Intra-comptabele posten

      

1) Uitgaven ten laste van de begroting

33.436.400

31.297.983

 

2) Ontvangsten ten gunste van de begroting

33.436.400

31.297.983

3) Liquide middelen

0

0

    

4) Rekening-courant RHB

0

0

 

4a) Rekening-courant RHB

0

0

5) Rekening-courant RHB Begrotingsreserve

0

0

 

5a) Begrotingsreserves

0

0

6) Vorderingen buiten begrotingsverband

0

0

 

7) Schulden buiten begrotingsverband

0

0

8) Kas-transverschillen

0

0

    

Subtotaal intra-comptabel

33.436.400

31.297.983

 

Subtotaal intra-comptabel

33.436.400

31.297.983

       

Extra-comptabele posten

      

9) Openstaande rechten

0

0

 

9a) Tegenrekening openstaande rechten

0

0

10) Vorderingen

0

0

 

10a) Tegenrekening vorderingen

0

0

11a) Tegenrekening schulden

0

0

 

110 Schulden

0

0

12) Voorschotten

109.323.688

106.951.775

 

12a) Tegenrekening voorschotten

109.323.688

106.951.775

13a) Tegenrekening garantieverplichtingen

0

0

 

13) Garantieverplichtingen

0

0

14a) Tegenrekening andere verplichtingen

162.328

116.520

 

14) Andere verplichtingen

162.328

116.520

15) Deelnemingen

0

0

 

15a) Tegenrekening deelnemingen

0

0

Subtotaal extra-comptabel

109.486.016

107.068.295

 

Subtotaal extra-comptabel

109.486.016

107.068.295

       

Totaal

142.922.416

138.366.278

 

Totaal

142.922.416

138.366.278

Toelichting behorende bij de saldibalans per 31 december 2020 van het gemeentefonds

Hierna worden de saldibalansposten toegelicht. De nummering van de toelichting komt overeen met die van de saldibalansposten.

Ad 1. Uitgaven ten laste van de begroting en Ad 2. Ontvangsten ten gunste van de begroting

Bij de begrotingsuitgaven en -ontvangsten voor 2020 zijn de gerealiseerde uitgaven en ontvangsten opgenomen met betrekking tot het jaar 2020 waarvoor de Rijksrekening nog niet door de Tweede Kamer is goedgekeurd.

Ad 12. Voorschotten

Hieronder zijn de betaalde voorschotten opgenomen voor nog niet definitief vastgestelde uitkeringen aan gemeenten. De gemeenten ontvangen, als gevolg van de wet, voorschotten tot het bedrag waar ze vermoedelijk recht op hebben. Uitkeringen aan de gemeenten worden na afloop van het uitkeringsjaar via beschikkingen of algemene maatregelen van bestuur definitief vastgesteld. Het totaalbedrag van de betaalde voorschotten bestaat met name uit voorschotten aan gemeenten op de algemene uitkering, de integratie-uitkeringen en de decentralisatie-uitkeringen. Het bedrag is in bijlage 1 bij de saldibalans gespecificeerd en hieronder nader toegelicht.

De stand openstaande voorschotten is toegenomen ten opzichte van de stand ultimo 2019. Ten eerste zijn de voorschotten voor de verschillende uitkeringen over 2020 aan de stand voorschotten toegevoegd. Deze voorschotten zijn ontstaan in 2020 voor een bedrag van € 33 mld. Daar tegenover staat voor een bedrag van € 31 mld. aan afgerekende voorschotten. Deze afrekening hangt samen met de publicatie in 2020 van de algemene maatregel van bestuur (AMvB), waarmee de integratie- en decentralisatie-uitkeringen uit 2017, en nog enkele uitkeringen uit 2015 en 2016, zijn vastgesteld. Ook zijn in 2020 de beschikkingen verzonden waarmee de algemene uitkeringen 2016 van de gemeenten zijn vastgesteld.

Ad 14. Andere verplichtingen

Onder deze post zijn de openstaande betalingsverplichtingen uit hoofde van de algemene uitkering uit het gemeentefonds, openstaande betalings-verplichtingen uit hoofde van de integratie- en decentralisatie-uitkeringen, en openstaande betalingsverplichtingen uit hoofde van onderzoek en bijdragen organisaties opgenomen. Het bedrag is in bijlage 2 bij de saldibalans gespecificeerd en hieronder nader toegelicht.

De stand openstaande verplichtingen is toegenomen ten opzichte van de stand ultimo 2019. Dit is vooral verooraakt doordat een wat groter deel van de algemene uitkering 2020 nog niet is uitgekeerd aan de gemeenten. Bij de integratie- en decentralisatie-uitkeringen is het nog openstaande bedrag afgenomen. Een volledig overzicht van de nog niet tot betalingen gekomen bedragen voor de decentralisatie- en integratie-uitkeringen is opgenomen in de slotwet 2020.

Bijlage 1 bij Saldibalans 2020 gemeentefonds

Tabel 5 Specificatie voorschotten gemeentefonds (bedragen x € 1.000)
 

31-12-2020

31-12-2019

   

Onderzoek en bijdragen organisaties

  

2019

0

0

2020

188

0

subtotaal

188

0

   

Algemene uitkering

  

2016

0

15.649.597

2017

15.547.927

15.548.017

2018

16.524.181

16.522.806

2019

25.109.262

25.074.512

2020

26.780.882

0

subtotaal

83.962.252

72.794.932

   

Integratie-uitkeringen / decentralisatie-uitkeringen

  

2015

0

1.643.783

2016

0

1.546.452

2017

0

12.222.620

2018

12.824.922

12.824.922

2019

5.953.675

5.919.065

2020

6.582.651

0

subtotaal

25.361.248

34.156.843

   

TOTAAL

109.323.688

106.951.775

Toelichting

Algemene uitkering

Dit onderdeel van de tabel vergelijkt voor de algemene uitkering de voorschotten per 31 december 2020 waarvoor per uitkeringsjaar de beschikking nog niet definitief is opgemaakt met de voorschotten waarvoor geldt dat de definitieve beschiking voor het desbetreffende uitkeringsjaar per 31 decemer 2019 nog niet was opgemaakt.

Integratie-uitkeringen / decentralisatie-uitkeringen

De voorschotten voor de integratie- en decentralisatie-uitkeringen op de saldibalans van het gemeentefonds hebben veelal een bijzonder karakter. Bij een beperkt aantal uitkeringen staat de hoogte van de uitkering niet vooraf vast of dient over de betaling nog een afrekening plaats te vinden. Bij een groot deel van deze uitkeringen wordt echter vooraf door het beleidsdepartement precies bepaald welke bedragen aan welke begunstigden worden uitbetaald. De begunstigden hoeven ook geen verantwoording af te leggen over de (wijze van) besteding van de uitkering. Het gemeentefonds is hierbij slechts een loket waarlangs de verstrekkingen lopen. Desondanks worden alle betalingen uit hoofde van deze uitkeringen op de saldibalans van het gemeentefonds als voorschot verantwoord tot het moment waarop de verdeling over medeoverheden definitief wordt vastgesteld door middel van een AMvB.

Tabel 6 Mutatieoverzicht voorschotten gemeentefonds (bedragen x € 1.000)

voorschotten per 01-01-2020

106.951.775

ontstaan in 2020

33.434.610

afgerekend in 2020

31.062.697

voorschotten per 31-12-2020

109.323.688

Bijlage 2 bij Saldibalans 2020 gemeentefonds

Tabel 7 Verloop van de openstaande verplichtingen gemeentefonds (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

Openstaande verplichtingen per 1-1-2020

Aangegane verplichtingen in 2020 (excl. positieve bijstellingen)

Tot betaling gekomen in 2020

Bijstellingen van aangegane verplichtingen uit eerdere begrotingsjaren

Openstaande verplichtingen per 31-12-2020

      

Onderzoek en bijdragen organisaties

1.087

1.533

1.977

0

643

Algemene uitkering

63.573

26.905.046

26.817.031

0

151.588

Integratie- en decentralisatie-uitkeringen

51.860

6.589.130

6.617.392

‒ 13.502

10.096

      

Totaal

116.520

33.495.709

33.436.400

‒ 13.502

162.327

Toelichting

De toelichting heeft betrekking op de negatieve bijstellingen die per saldo een omvang hebben van meer dan 10% en of meer dan € 0,1 mln. ten opzichte van de verplichtingenstand per 31-12-2019.

In 2020 is € 7,5 mln. afgeboekt op de restantverplichting voor de decentralisatie-uitkering Huisvesting Onderwijs Asielinstroom uit 2016 en € 6 mln. op de restantverplichting voor de decentralisatie-uitkering Huisvesting Onderwijs Asielinstroom uit 2017. Op deze DU is minder beroep gedaan door gemeenten dan vooraf door het ministerie van OCW was ingeschat.

D. BIJLAGEN

Bijlage 1 Overzicht coronasteunmaatregelen

Tabel 8 Corona steunmaatregelen (bedragen x € 1 mln.)

Maatregel

Verplichtingen 2020

Uitgaven 2020

Relevante Kamerstukken

Parkeer- en toeristenbelasting

225

225

Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 43 en Kamerstukken II 2019/20, 35480, nr. 1

Continuiteit van zorg

144

144

Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 43 en Kamerstukken II 2019/20, 35480, nr. 1

SW bedrijven

90

90

Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 43 en Kamerstukken II 2019/20, 35480, nr. 1

Lokale culturele voorzieningen

60

60

Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 43 en Kamerstukken II 2019/20, 35480, nr. 1

Eigen bijdrage WMO

18

18

Kamerstukken II 2019/20, 25295, nr. 277 en Kamerstukken II 2020/21, 35650 B, nr. 1

Kinderopvang

8

8

Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 2 en Kamerstukken II 2020/21, 35650 B, nr. 1

Noodopvang kinderen

23

23

Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 43 en Kamerstukken II 2020/21, 35650 B, nr. 1

Precariobelasting en markt- en evenementenleges

20

20

Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 104 en Kamerstukken II 2020/21, 35544, nr. 1

Lokale culturele voorzieningen

60

60

Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 104 en Kamerstukken II 2020/21, 35544, nr. 1

Buurt- en dorpshuizen

17

17

Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 104 en Kamerstukken II 2020/21, 35544, nr. 1

Toezicht en handhaving

50

50

Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 104 en Kamerstukken II 2020/21, 35544, nr. 1

Vrijwilligersorganisaties Jeugd

7

7

Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 104 en Kamerstukken II 2020/21, 35544, nr. 1

Verkiezingen

29

29

Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 104 en Kamerstukken II 2020/21, 35544, nr. 1

SW bedrijven

50

50

Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 104 en Kamerstukken II 2020/21, 35544, nr. 1

Opschalingskorting

70

70

Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 104 en Kamerstukken II 2020/21, 35544, nr. 1

Continuiteit van zorg

26

26

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 207 en Kamerstukken II 2020/21, 35650 B, nr. 1

Ondersteuning bij quarantaine

4

4

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 207 en Kamerstukken II 2020/21, 35650 B, nr. 1

Gemeentelijk schuldenbeleid

15

15

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 207 en Kamerstukken II 2020/21, 35650 B, nr. 1

Bijzondere bijstand

5

5

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 207 en Kamerstukken II 2020/21, 35650 B, nr. 1

Crisisdienstverlening

16

16

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 207 en Kamerstukken II 2020/21, 35650 B, nr. 1

Aanvullend pakket re-integratie

39

39

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 207 en Kamerstukken II 2020/21, 35650 B, nr. 1

Jeugdpakket

21

21

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 207 en Kamerstukken II 2020/21, 35679, nr. 1