Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035297 nr. 3

35 297 Regels over het voortgezet onderwijs (Wet voortgezet onderwijs 20xx)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

1. Inleiding

Het wetsvoorstel Wet op het voorgezet onderwijs 20xx (WVO 20xx) bevat een wijziging van de technische vormgeving van de huidige Wet op het voortgezet onderwijs (WVO). Met dit voorstel wordt ook de WVO BES geïncorporeerd in de WVO 20xx.

De consistentie, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de wet worden verbeterd door de bepalingen in een logische hoofdstukken-structuur te plaatsen, de redactie van de meeste artikelen grondig te herzien en alle bepalingen apart toe te lichten. Daarnaast wordt voor een aantal onderwerpen het niveau van regeling aangepast. Met dit wetsvoorstel wordt de wet in materieel opzicht (inhoudelijk) niet aangepast.

2. Aanleiding

Op 17 december 2015 informeerde het kabinet de Voorzitter van de Tweede Kamer bij brief over de voortgang van de vereenvoudiging van de bekostiging voor het voortgezet onderwijs. Daarbij kondigde het kabinet het toen nog gezamenlijke wetsvoorstel vereenvoudiging bekostiging en modernisering WVO aan.1 Op 22 februari 2017 is de aangepaste koers voor de vereenvoudiging van de bekostiging naar aanleiding van de internetconsultatie per brief aan de Tweede Kamer geschetst.2 Om onnodige vertraging te voorkomen bij het technisch onderhoud van de WVO is het wetgevingstraject voor de vereenvoudiging van de bekostiging afgesplitst van het oorspronkelijke ontwerp van het wetsvoorstel. Het op orde houden van de technische kwaliteit van de wet noopt op zijn tijd tot gedegen onderhoud van de WVO.

3. Probleemschets WVO

Iedereen wordt geacht de wet te kennen. Wet- en regelgeving dient duidelijk en bestendig van karakter te zijn. Volgens de regering is daarvan momenteel onvoldoende sprake bij de WVO. Het schort de WVO aan helderheid, inzichtelijkheid en toegankelijkheid, mede door de huidige ordening. De WVO is daardoor moeilijk te doorgronden voor wie met haar te maken heeft. Een gebruiker van de wet is meestal geïnteresseerd in een specifiek onderwerp. Het blijkt dan moeilijk om de weg te vinden in de WVO, juist omdat de WVO in de basis niet naar onderwerp is geordend. De toegankelijkheid van de WVO is dan ook voor verbetering vatbaar. Het is primair de verantwoordelijkheid van de wetgever om het wettelijk kader zo te onderhouden dat het voldoende kenbaar is voor gebruikers. De rechtszekerheid en rechtsgelijkheid worden daarmee gediend.

Historie

Op zichzelf is de levensduur van een wet niet bepalend voor haar duidelijkheid en helderheid. Maar er hebben zich in de periode sinds het midden van de jaren 50 van de vorige eeuw, toen de WVO werd ontworpen, heel wat ontwikkelingen in de samenleving en het onderwijs voorgedaan, met gevolgen voor wet- en regelgeving. Hoewel het aantal wijzigingen in de eerste jaren na de invoering van de WVO nog meeviel, is de wet inmiddels vaak – zo’n 250 keer – gewijzigd. Soms was wijziging nodig omdat complete onderwijssoorten naar andere, nieuwe wetten werden verplaatst, waardoor op diverse plaatsen gaten zijn gevallen in de opbouw en nummering van de WVO.3 Daarnaast zijn de bepalingen over wat nú wordt gerekend tot het voortgezet onderwijs vaak inhoudelijk gewijzigd, aangevuld of geschrapt. Tussendoor is de WVO viermaal herplaatst, met behoud van haar oorspronkelijke opzet.

Inhoudelijke wijzigingen

De diverse inhoudelijke wijzigingen door de jaren heen omvatten ook de invoering van fundamentele onderwijsinhoudelijke vernieuwingen. Daarbij valt te denken aan de basisvorming, de Tweede Fase van hoger algemeen voortgezet onderwijs (hierna: havo) en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (hierna vwo), de inrichting van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (hierna: vmbo), onderwijs in de Friese taal en cultuur, de invoering van de referentieniveaus taal en rekenen, passend onderwijs en het invoeren van de profielen in het vmbo. Andere ingrijpende beleidsontwikkelingen die hebben geleid tot wetswijzigingen waren de invoering van bekwaamheidsregels voor onderwijspersoneel (Wet BIO), introductie van een systeem van voorzieningenplanning, de decentralisatie van arbeidsvoorwaarden voor onderwijspersoneel en het aanbieden van gratis lesmateriaal. Op bekostigingsvlak was de omschakeling van declaratiebekostiging naar het systeem van lumpsumbekostiging een majeure wijziging. De wet is veel minder inzichtelijk geworden door al deze (deel)wijzigingen. Er zijn enerzijds «gaten» gevallen in de opbouw van de wet en anderzijds zijn er voor deelonderwerpen afzonderlijke Titels toegevoegd, waardoor spanning is ontstaan met de oorspronkelijke opzet van de wet. Overigens zijn deze toevoegingen gedaan met een inhoudelijke aanduiding van hun onderwerp, bijvoorbeeld: Titel IVA. Onderwijsachterstanden; Titel IVB. Bestrijding voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen; Titel IVC. Zij-instroom in het beroep. Het is ook ingewikkeld om voor nieuwe onderwerpen te voorzien in een sluitende aansluiting in de WVO. De WVO hinkt inmiddels dus in technisch opzicht op twee gedachten.

Indeling- en ordeningsprincipes

De hierboven geschetste vermenging van indelingsprincipes tast de toegankelijkheid en consistentie van de WVO aan. De keuze voor een logisch en werkbaar indelingsprincipe is van groot belang voor eenduidigheid en praktische bruikbaarheid van het wettelijk kader. De wet gaat desalniettemin nog steeds in de basis uit van haar oorspronkelijke opzet en indelingsprincipes. Die sluiten echter niet meer aan bij de eisen die tegenwoordig aan bruikbare en bestendige wetgeving worden gesteld. Deze eisen zijn opgenomen in de Aanwijzingen voor de regelgeving, die nog niet bestonden toen de WVO werd ontworpen.

De indeling van de WVO wordt op dit moment hoofdzakelijk bepaald door het (formele) onderscheid tussen openbare en bijzondere scholen, dat doorwerkt in regels en bekostigingsvoorwaarden. Ook in de nieuwe wet blijft dit onderscheid bestaan: er is nog altijd sprake van regels en bekostigingsvoorwaarden. Voor de plaats in de wet waar deze artikelen zijn opgenomen, is het onderscheid tussen regels en bekostigingsvoorwaarden echter niet meer leidend. Dat het onderscheid tussen regels en bekostigingsvoorwaarden nu nog wel het belangrijkste ordenende principe is, blijkt onder meer uit het opschrift «Hoofdstuk I. Regelen voor het openbaar schoolonderwijs, tevens voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder schoolonderwijs» in Titel II van de wet. Op het eerste gezicht zou niet geraden worden dat dit hoofdstuk een veelheid aan onderwerpen in zich heeft. Zo bevat het regels over de inrichting van het onderwijs tot scheiding van bestuur en toezicht, maar worden ook het leerlingenstatuut en de samenwerking met mbo-instellingen in dit hoofdstuk geregeld. Bij haar indeling wijkt de WVO af van de huidige Aanwijzingen voor de regelgeving (nr. 3.56), die inhouden dat de indelingsvolgorde van wet- en regelgeving is: Deel, Hoofdstuk, Titel, Afdeling en Paragraaf (waarvan in elk geval Hoofdstuk en Paragraaf worden gebruikt). De huidige WVO gebruikt de indeling Titel, Afdeling, Hoofdstuk, Paragraaf; de WVO heeft dus een sterk gelaagde structuur. Het is niet geheel te vermijden dat de opvattingen over het juiste niveau van regelen wijzigen in de loop der tijd. Bij oudere wetten is dit risico logischerwijs meer aanwezig dan bij jongere wetten. Wanneer – zoals bij de WVO het geval is – op den duur een disbalans ontstaat tussen regeling op wetsniveau en regeling op lager niveau, komt ook de duurzaamheid van het regelcomplex van het voortgezet onderwijs in het geding. Daar waar de wet zelf regels bevat die niet behoren tot hoofdelementen van regelgeving maar eerder thuishoren in lagere, eenvoudiger aan te passen regelgeving, is de wet te rigide en te vatbaar voor wijziging. Daarmee boet de wet in aan toekomstbestendigheid.

De omvang en ordening van de WVO veroorzaken behoorlijk wat gebruikersongemak. Dat is mede terug te voeren op de ontstaansgeschiedenis van de WVO. De WVO is op 1 augustus 1968 in werking getreden, maar haar geschiedenis gaat veel verder terug.4 Ze kwam oorspronkelijk in de plaats van een hele reeks wetten voor uiteenlopende soorten onderwijs, waaronder: de middelbaaronderwijswet, de Nijverheidsonderwijswet, de Kweekschoolwet, de hoger-onderwijswet en – wat betreft de lerarenopleiding – ook de Lager-onderwijswet 1920. Met de WVO werden ook het lager, middelbaar en hoger beroepsonderwijs – waaronder het landbouwonderwijs, waarvoor tot dan toe geen wettelijke regels bestonden – beter geregeld. Vanwege de enorme breedte die de WVO oorspronkelijk had, werd zij ook wel de Mammoetwet genoemd. Behalve dat er sprake is van een veelheid aan onderwerpen en een grote diversiteit aan herkomst van deze onderwerpen, is er ook sprake van een grote diversiteit aan gebruikers. Bij de WVO heeft het kabinet zich vanuit haar eigen verantwoordelijkheid, mede in het licht van de ontwikkelingen op het gebied van duurzame en toekomstbestendige wet- en regelgeving, de vraag gesteld of de WVO voldoende toegankelijk en kenbaar is voor al haar gebruikers.

Gebruikers

De gebruikers van de WVO zijn leerlingen, personeel, ouders, bestuurders, interne en externe toezichthouders, adviesorganen, rechters, advocaten, notarissen, juridische adviseurs, administratiekantoren, leden van het parlement, Bureau wetgeving van de Tweede Kamer, overheidsjuristen, sectororganisaties, zoals de VO-Raad, LAKS, de uitvoeringsorganisatie Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO), wetenschappers, aanpalende onderwijssectoren, het College voor Toetsen en Examens (hierna: CvTE) en medewerkers van diverse Ministeries (OCW, JenV, BZK, Financiën). Zij nemen in de meeste gevallen incidenteel en vaak voor een beperkt aantal thema’s kennis van de wet en dus is het belangrijk dat zij hun weg in de wet inderdaad kunnen vinden. Voor alle gebruikers is een heldere, inzichtelijke en toegankelijke sectorwet een premisse om hun rechten en plichten te kennen. Een beter geordende sectorwet kan bijvoorbeeld voorkomen dat een nieuwe bestuurder van een school in het voortgezet onderwijs door de wet heen moet zoeken om te weten wat er van hem of haar wordt verwacht en waar hij of zij zich aan dient te houden. Daarnaast draagt een duidelijke en actueel geordende WVO ook bij aan de kenbaarheid voor bijvoorbeeld de bevoegdheidssystematiek. Wie is waarvoor bevoegd? Een kenbare WVO draagt bij aan helderheid en inzichtelijkheid in de systematiek voor HR-medewerkers van schoolbesturen bij het aanstellen van personeel. De regering zet de komende jaren extra in op het wetgevingskwaliteitsbeleid ten aanzien van de onderwijswetgeving. De technische herziening van de WVO is daar een bouwsteen van.

4. Probleemschets WVO BES

Sinds 1 januari 2011 is de Wet voortgezet onderwijs BES (WVO BES) van toepassing op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Caribisch Nederland). Voor het overgrote deel is die wet een getrouwe kopie van de WVO zoals die gold voor het Europees deel van Nederland.

Het technisch onderhoud van de WVO heeft ook gevolgen voor de WVO BES. In 2010 is ervoor gekozen om de Europees-Nederlandse wetgeving als uitgangspunt te nemen voor de onderwijswetgeving in Caribisch Nederland. Dit heeft geleid tot specifieke wetten (BES-wetgeving), die slechts van de Europees-Nederlandse wetten afwijken voor zover de specifieke situatie op de Caribische eilanden daartoe aanleiding geeft. De aparte WVO BES werd in combinatie met het verbeterplan als toepasselijk instrument gezien om het onderwijsbestel in Caribisch Nederland zodanig aan te sturen dat er betere onderwijsresultaten konden worden geboekt. Deze zijn bereikt met behulp van de eerste Onderwijsagenda 2011–2016. Uit zowel de tweede Onderwijsagenda als het in werking laten treden van meerdere bepalingen uit de WVO BES volgt ook dat de WVO en de WVO BES dichter naar elkaar toe groeien. Dit roept de vraag op in hoeverre het ook nu nog noodzakelijk is om voor Caribisch Nederland een aparte wet aan te houden. De regering is van mening dat deze noodzaak nu minder evident is.

Het uitgangspunt blijft dat bij wijzigingen van onderwijsvoorschriften, steeds bezien wordt of al dan niet specifieke BES-voorschriften noodzakelijk zijn. Soms vraagt de specifieke situatie op de eilanden om een andere aanpak. Die afweging wordt bij elke voorgenomen wijziging van de onderwijswetgeving gemaakt. In de praktijk van de afgelopen jaren is het werken met twee afzonderlijke wetten voor alle betrokkenen echter omslachtig gebleken. Zorgen voor consistentie tussen de nu nog afzonderlijke wetten en tegelijkertijd recht doen aan de eiland-specifieke situatie is uitdagend. Deze werkwijze kan daarnaast in de hand werken dat de wetten onnodig uiteen gaan lopen. De regering grijpt het technisch onderhoud van de WVO mede daarom aan om daarin ook de wetgeving voor Caribisch Nederland mee te nemen. Daarmee wordt het voortgezet onderwijs van Caribisch Nederland zichtbaar geïncludeerd. Net als bij het technisch onderhoud van de WVO worden er geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht in de regels voor Caribisch Nederland.

Territoriale reikwijdte

De territoriale reikwijdte van deze wet is beperkt tot Nederland (zowel het Europese als het Caribische deel). In de andere landen van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten) en in het buitenland is deze wet niet van toepassing.5 Dat betekent dat het verzorgen van het voortgezet onderwijs en het afnemen van de examens voor het voortgezet onderwijs alleen mogen plaatsvinden op Nederlands grondgebied.

5. Nut en noodzaak; alternatieven

Wetgeving is noodzakelijk om de problemen op te lossen die in het voorgaande zijn geschetst. Dus om te komen tot consistente, toegankelijke en bruikbare wetgeving voor het voortgezet onderwijs.

De regering heeft zich in het voortraject van dit wetsvoorstel afgevraagd of er wellicht alternatieven zijn voor een groot technisch onderhoud. In dat verband zijn de volgende alternatieven overwogen:

  • een tranchegewijze herziening van de wet: successievelijk de regels over bekostiging, examens, huisvesting, voorzieningenplanning, bestuurlijke inrichting, enzovoorts aanpakken;

  • zodra zich weer een inhoudelijke wijziging van de huidige WVO aandient, de desbetreffende artikelen en de «schil» daaromheen moderniseren;

  • volstaan met een nieuwe hoofdstukindeling (zie aanwijzing 3.56 van de Aanwijzingen voor de regelgeving);6 met een doorlopende nummering, waarin bestaande artikelen worden ondergebracht zonder ze te wijzigen;

  • het technisch onderhoud beperken tot het meer in balans brengen van de verdeling van regels over de wet en lagere uitvoeringsregelingen.

Alle overwogen alternatieven hebben als groot nadeel dat het relatief lang zou duren voordat de hele wet op orde is. De diverse complexe regels zelf blijven dan immers grotendeels in stand. Ook is er dan niet één vast moment waarop de hele toelichting van de wet actueel beschikbaar is. En intussen gaat de «verkoop» door: de WVO zal nog steeds regelmatig moeten worden gewijzigd, met ook uitstralingseffecten naar onderwerpen of hoofdstukken die in een eerdere tranche zijn aangepakt. Deze alternatieve oplossingen zouden een flink extra beslag op de wetgevingscapaciteit en op andere betrokkenen in het proces leggen en zouden de beoogde voordelen van een herordening en inhoudelijke herziening voor een groot deel pas (veel) later binnen handbereik brengen. Ook zou al die tijd sprake blijven van twee te onderhouden wetten: de WVO en de WVO BES.

Wat de toekomst van de WVO BES betreft zijn er, uitgaande van de keuze voor groot technisch onderhoud van de WVO, twee varianten in beeld:

  • Handhaving van een afzonderlijke WVO BES. Die zou dan ook technisch helemaal moeten worden herzien. Ook blijft de noodzaak bestaan om twee afzonderlijke wetten te blijven onderhouden.

  • Het volledig in de WVO 20xx opnemen van de voorschriften uit de WVO BES. Voordeel is dat in dit geval nog maar één regelcomplex voor het voortgezet onderwijs in Nederland moet worden onderhouden. De consistentie van de regels wordt daardoor beter gewaarborgd.

De regering heeft een duidelijke voorkeur voor de tweede variant. Want alleen op die manier kunnen de nadelen worden weggenomen van het onderhouden van twee grotendeels identieke regelcomplexen. De regering stelt daarom voor de WVO BES in te trekken en de regels uit de WVO 20xx in Caribisch Nederland van toepassing te verklaren. Afwijkingen worden expliciet geregeld, op een duidelijk herkenbare plaats in de WVO 20xx. Deze voorgenomen aanpassing betekent dat de voorschriften zoals die nu voor Caribisch Nederland gelden, worden opgenomen in de WVO 20xx. Inhoudelijk worden de voorschriften voor Caribisch Nederland niet gewijzigd.

6. Technisch onderhoud van de WVO en incorporeren van de WVO BES

Het regelcomplex voor het voortgezet onderwijs (de WVO, de WVO BES, een aantal algemene maatregelen van bestuur (amvb’s) en een groot aantal ministeriële regelingen) heeft een grote omvang, waardoor het technisch onderhoud een omvangrijke opgave is. Bij deze onderhoudsbeurt worden uiteraard de laatste inzichten op het gebied van wetgevingstechniek in acht genomen. Zij vormen de basis van de ontwerpprincipes voor dit wetsvoorstel.

De wet wordt beter hanteerbaar en toegankelijker. De gehele wet is logischer opgebouwd en gemakkelijker leesbaar gemaakt, doordat het taalgebruik is gemoderniseerd. Als onderdeel van het vergroten van het gebruiksgemak van de WVO wordt per artikel een toelichting gegeven. Hiermee is beoogd duidelijkheid te bieden over de inhoud ervan op dit moment. Het wordt inzichtelijker aan welke wettelijke verplichtingen rechthebbenden moeten voldoen, en ook waar de wet juist ruimte biedt.

Regelingsniveau

De WVO 20xx is een uitwerking van artikel 23 Grondwet. Dit grondwetsartikel bevat in verschillende leden een opdracht aan de wetgever om hoofdelementen van ons onderwijsbestel wettelijk te regelen. Het gaat daarbij om het toezicht van de overheid, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, het openbaar onderwijs, de eisen aan de deugdelijkheid en de bekostiging van het bijzonder onderwijs naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs. De grondwetgever heeft de onderwijswetgever het primaat gegeven om te bepalen in hoeverre de hoofdelementen in de wet zelf worden geregeld en welke elementen in lagere regelgeving worden geregeld. Randvoorwaarde daarbij is dat de eisen die de wetgever stelt, neergelegd zijn in voldoende duidelijke en objectieve wettelijke normen op hoofdlijnen. De regels voor het voortgezet onderwijs moeten dus op het juiste niveau worden vastgesteld (wet, algemene maatregel van bestuur (hierna: amvb) of ministeriële regeling). Daarbij dient ook rekenschap te worden gegeven van de Aanwijzingen voor de regelgeving, waaruit volgt dat de structurele elementen van een wettelijke regeling en de voornaamste duurzame normen bij wet worden geregeld.7 Voor alle huidige bepalingen van de WVO en haar uitvoeringsbesluiten is onderzocht of zij op het juiste niveau zijn geregeld. Dat heeft ertoe geleid dat een aantal bepalingen uit uitvoeringsbesluiten met dit wetsvoorstel wordt opgenomen in de wet, bijvoorbeeld die over de hardheidsclausule voor de examens. Bepalingen van de WVO die meer een uitvoeringskarakter hebben, worden juist verplaatst naar amvb-niveau. De grondslagen van deze amvb’s zijn zoveel mogelijk concreet en nauwkeurig begrensd. De herziening van het regelingsniveau van de WVO heeft ertoe bijgedragen dat de WVO20xx overzichtelijker en toegankelijker kan zijn, terwijl de rechtszekerheid ten aanzien van de bepalingen die meer een uitvoeringskarakter hebben is geborgd op amvb-niveau.

Exemplarisch is hoofdstuk 2, dat het meest omvangrijke hoofdstuk van de WVO 20xx is en ook de meeste (sub)delegaties kent. Daarbij zijn onder meer als uitgangspunten gehanteerd:

  • a. De wet zelf regelt de onderwijskundige hoofdzaken, zoals doel en functie van kerndoelen, de inrichting van de profielen in vwo, havo, mavo en vbo, en de vakken van het praktijkonderwijs. Aanwijzing van vakken en kerndoelen gebeurt bij (of krachtens) amvb.

  • b. De wet regelt het doel van de samenwerkingsovereenkomsten bij entree-opleidingen en leer-werkovereenkomsten bij leer-werktrajecten. De specifieke onderwerpen die daarin vastgelegd moeten worden, worden geregeld bij amvb.

  • c. Regels over vrijstellingen en ontheffingen van het onderwijs worden bij of krachtens amvb gesteld.

  • d. Regels over onderwijstijd en onderwijsdagen zijn in hoofdzaak in de wet zelf opgenomen; de specifieke uitwerking in aantallen uren en onderwijsvrije dagen wordt bij (of krachtens) amvb gesteld.

  • e. Voor de eindexamens worden in de WVO 20xx aanzienlijk meer regels op wetsniveau opgenomen dan in de WVO. Bij of krachtens amvb wordt daaraan uitwerking gegeven, door bijvoorbeeld de jaarlijks terugkerende vaststelling van het examenprogramma te regelen bij ministeriële regeling, en door de functie van de zogenaamde tijdvakken en de aanwijzing van gecommitteerden bij of krachtens amvb nader te regelen.

Hoofdstukindeling

De wet wordt geordend naar onderwerp. In de dagelijkse praktijk is het veel herkenbaarder om een wet naar onderwerp in te richten. Daarmee wordt antwoord gegeven op de vragen «wat is van toepassing op mij», en «wat moet ík volgens de wet?». In dit licht is ervoor gekozen om voor de hoofdstructuur naar hedendaagse ontwerpprincipes en conform de Aanwijzingen voor de regelgeving een hoofdstukkenstructuur te gebruiken. De ordening van de WVO wordt niet gehandhaafd, maar het benoemen van bepalingen als bekostigingsvoorwaarde voor het bijzonder onderwijs, als regel voor het openbaar onderwijs, of als beide is wel nog steeds van toepassing. De wet wordt minder gelaagd. In plaats van vier niveaus is er sprake van twee niveaus, hoofdstukken en paragrafen. Een aantal erg lange onderwijsinhoudelijke artikelen is opgesplitst om de leesbaarheid en toegankelijkheid te vergroten. Het artikel waarin de regels over de schoolgids zijn geregeld (artikel 24a WVO) is daar een voorbeeld van. De artikelen worden met dit wetsvoorstel geordend naar onderwerp (verwante onderwerpen bij elkaar), en naar hun logische plaats in het onderwijsproces. Door de hele WVO 20xx heen is de nummering aangepast. De nieuwe wijze van nummeren verbetert de vindbaarheid van artikelen. Per artikel wordt een nummer gebruikt dat bestaat uit het hoofdstuknummer, gevolgd door een doortellend getal. Ook de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) is op deze manier ingericht.

De WVO 20xx komt er als volgt uit te zien:

Hoofdstuk 1 Algemeen

Hoofdstuk 2 Onderwijs

Hoofdstuk 3 Bestuur

Hoofdstuk 4 Voorzieningenplanning

Hoofdstuk 5 Bekostiging en verantwoording

Hoofdstuk 6 Huisvesting

Hoofdstuk 7 Personeel

Hoofdstuk 8 Deelname

Hoofdstuk 9 Experimenten en bijzondere inrichting

Hoofdstuk 10 Sancties

Hoofdstuk 11 Caribisch Nederland

Hoofdstuk 12 Invoerings- en overgangsrecht

Hoofdstuk 13 Slotbepalingen.

De WVO 20xx begint, na de algemene bepalingen (hoofdstuk 1), in hoofdstuk 2 met regels over het onderwijs inclusief de regels ten aanzien van examens. De regels over het onderwijs zijn vooraan geplaatst omdat veel bepalingen verderop in de wet verwijzen naar de schoolsoorten van het voortgezet onderwijs (vwo, havo, mavo, vbo en praktijkonderwijs), zoals de bepalingen over het stichten van scholen. De schoolsoorten worden benoemd en uitgewerkt in het hoofdstuk over onderwijs. Als dat hoofdstuk aan het begin van de wet staat, komt dat de duidelijkheid van de verwijzingen verderop in de wet ten goede. Na hoofdstuk 2 houdt de wet zoveel mogelijk een volgorde aan die wordt bepaald door de volgorde waarin de randvoorwaarden voor goed onderwijs worden gerealiseerd. Eerst moeten bestuurlijke randvoorwaarden (hoofdstuk 3) zijn vervuld, want zolang dat niet het geval is kan er geen actie ter uitvoering van de wet volgen. De eerstvolgende actie is het komen tot onderwijsvoorzieningen (bekostigde scholen) waarmee het onderwijs kan worden verzorgd (hoofdstuk 4). Dan moeten er middelen komen om het onderwijs ook daadwerkelijk te kunnen verzorgen. Middelen voor personeel en exploitatie (hoofdstuk 5), die uit ’s Rijks kas worden verstrekt, en middelen voor de huisvesting (hoofdstuk 6), die gemeenten aan de scholen verstrekken. Vervolgens moet de school worden toegerust met personeel dat aan bepaalde eisen voldoet en dat bepaalde rechten heeft (hoofdstuk 7). Met dit alles zijn de randvoorwaarden geregeld waaronder leerlingen verantwoord kunnen worden toegelaten tot het onderwijs (hoofdstuk 8). Dan volgen experimenteermogelijkheden over dit geheel van regels (hoofdstuk 9) en de generieke sancties voor het geval men zich niet aan de regels uit dat geheel houdt (hoofdstuk 10). Bijzondere regels voor Caribisch Nederland, dat in beginsel gewoon «meeloopt» in de hoofdstukken 1 t/m 10, zijn opgenomen in een afzonderlijk hoofdstuk (hoofdstuk 11). De wet wordt afgesloten met invoerings- en overgangsrecht (hoofdstuk 12) en slotbepalingen (hoofdstuk 13).

Gevolgen voor uitvoeringsregels

De aard van de wijzigingen in de formele wetgeving voor het voortgezet onderwijs heeft tot gevolg dat de amvb’s die op de WVO en WVO BES zijn gebaseerd ook gewijzigd moeten worden. De inhoud van acht amvb’s voor Europees Nederland en zeven amvb’s voor Caribisch Nederland wordt samengebracht in één Uitvoeringsbesluit WVO 20xx, dat de indeling van de WVO 20xx volgt.

In het Uitvoeringsbesluit WVO 20xx worden in totaal vijftien besluiten gebundeld: Inrichtingsbesluit WVO, Besluit kerndoelen onderbouw VO, Eindexamenbesluit VO, Staatsexamenbesluit VO, Besluit samenwerking VO-BVE, Bekostigingsbesluit WVO, Formatiebesluit WVO, Besluit Informatievoorziening WVO, Inrichtingsbesluit WVO BES, Besluit kerndoelen onderbouw VO BES, Eindexamenbesluit VO BES, Staatsexamenbesluit VO BES, Bekostigingsbesluit WVO BES, Besluit informatievoorziening WVO BES en Besluit samenwerking VO-BVE BES.

Deze amvb’s hebben met elkaar gemeen dat zij alleen betrekking hebben op het voortgezet onderwijs. Amvb’s die betrekking hebben op meer onderwijssectoren en mede op de WVO of de WVO BES zijn gebaseerd (het gaat bijvoorbeeld om het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel en het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten (RMC-besluit), blijven apart voortbestaan en worden dus niet opgenomen in het Uitvoeringsbesluit WVO 20xx. Het alsnog uiteen trekken van amvb’s met een bredere reikwijdte zou tot een toename van het aantal regels leiden. Het RMC-besluit heeft bijvoorbeeld betrekking op drie onderwijssectoren (voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs) en bevat een identieke set regels voor de drie betrokken sectoren. Het is niet de bedoeling dat alsnog twee of drie keer exact hetzelfde wordt geregeld. Uiteraard worden de regels in die amvb’s indien nodig wel aangepast aan de WVO 20xx.

Er bestaat een zekere overlap tussen de huidige amvb’s en er is sprake van een aanzienlijk aantal kruisverwijzingen tussen de amvb’s. Dit draagt niet bij aan eenduidigheid en transparantie. Ook daarin zal deze wijziging van de technische vormgeving van de regelgeving voor het voortgezet onderwijs het nodige moeten verbeteren. De uiteindelijke ambitie van de wetgevingsoperatie rond de WVO 20xx is het tot stand brengen van een wetgevingspakket dat bestaat uit één herordende en technisch herziene wet en uit één amvb waarin zoveel mogelijk het nu geldend recht voor het voortgezet onderwijs is samengebracht in een ordening, vergelijkbaar met die van de WVO 20xx, en die technisch is herzien.

Redactie en toelichtingen

De hele wet is herschreven. De artikelen en de toelichting daarop zijn kritisch tegen het licht gehouden en waar nodig en mogelijk gestroomlijnd, verduidelijkt en vereenvoudigd. Te denken valt aan het vervangen van de term «voorschriften» door «regels» en het vervangen van de term «levensbeschouwing» door «levensovertuiging» om beter aan te sluiten bij artikel 23 van de Grondwet. Uitgangspunten zijn korte en bondige formuleringen, met begrijpelijk taalgebruik en zo min mogelijk verwijzingen. Bepalingen en toelichtingen zijn zoveel mogelijk actief geformuleerd. Gedateerd taalgebruik als «bezigen» is vervangen door het meer hedendaagse «gebruiken». Verouderde termen als «alsmede», «alsdan», «alvorens», «behoudens», «doch», «genoegzaam», «niet dan nadat», «tevens», «welke» zijn vervangen door eenvoudiger termen: «alsdan» wordt bijvoorbeeld «in dat geval», «behoudens» wordt «behalve», «genoegzaam» wordt «voldoende». Omwille van de leesbaarheid is op verschillende plaatsen in de toelichting aangegeven dat zaken de verantwoordelijkheid zijn van «de school». Waar gesproken wordt van de school als actor, wordt echter steeds gedoeld op de instantie die met betrekking tot de school bestuurlijke bevoegdheden uitoefent: het bevoegd gezag. Hoofdstuk 3 gaat hier nader op in.

De wet boet aan helderheid in als er geen actuele toelichting bij ieder artikel van de WVO voorhanden is. Met het technisch onderhoud van de hele WVO is er ook gelegenheid om hier in te voorzien. Met het voorzien in een toelichting of het verduidelijken van bestaande toelichtingen wordt beoogd de huidige interpretatie van de wet helder weer te geven.

De artikelsgewijze toelichting bij een regel beschrijft de context waarin die regel moet worden gelezen. Als onderwerpen nu in de WVO op wetsniveau zijn geregeld maar op een lager regelgevingsniveau thuishoren of juist vice versa, is dat aangepast in de wet en expliciet toegelicht.

Redactie sectoroverstijgende artikelen

Niet alle hoofdstukken zijn even vergaand geredigeerd. De bepalingen van de WVO hebben vaak parallellen in andere sectorwetten, vooral in de WPO en de WEC. Het technisch wijzigen van zulke bepalingen in de WVO zou er toe leiden dat op eenzelfde terrein verschillend geformuleerde, of anders geordende of ingedeelde artikelen zouden gaan gelden. De meeste regels in de WVO die ook in andere sectorwetten voorkomen, zijn daarom in beperkte mate geredigeerd. Daarbij is een vooral pragmatische lijn gevolgd: ook sectoroverstijgende artikelen vallen onder het technisch onderhoud (denk onder meer aan regels over zij-instroom van leraren). Daar waar het gaat om artikelen die vaak worden toegepast en nog maar zeer kort geleden aan de sectorwetten zijn toegevoegd, of artikelen die op een bepaalde manier over de sectorgrenzen heen inhoudelijk of anderszins aan elkaar zijn gerelateerd, zijn qua vorm en terminologie intact gelaten. Zulke artikelen worden maar zeer beperkt aangepast om ze consistent te kunnen inpassen in de nieuwe wet. Een voorbeeld hiervan vormen de artikelen over de onderwijshuisvesting. Die artikelen zijn grotendeels gelijkluidend in WVO en WPO, en worden bovendien uitgevoerd door eenzelfde instantie: de gemeente. De gemeente zou als enig uitvoerder en enig budgethouder binnen één systeem niet geconfronteerd moeten worden met van elkaar afwijkende regelcomplexen op het terrein van die onderwijshuisvesting. Een en ander heeft tot gevolg dat hoofdstuk 6 nu slechts marginaal technisch is herzien. Dat betekent onder meer dat dit hoofdstuk in beperktere mate in meer hedendaagse taal is omgezet maar lange artikelen nog niet zijn opgeknipt. Wel zijn de begripsbepalingen uit artikel 1.1 gevolgd, waardoor bijvoorbeeld de aanduidingen van andere wetten en van de schoolsoorten worden afgekort. Een ander voorbeeld is het lerarenregister. Dat register stoelt op een reeks van sectorwetten maar is één instrument, niet een instrument per sectorwet en ook sectoroverstijgend. De regels over de samenwerkingsschool zijn per 1 januari 2018 ingrijpend herzien in zowel het primair als het voorgezet onderwijs. Toch zijn ze meegenomen in het technisch onderhoud. De achtergrond daarvan is dat deze regels sectorspecifiek en bovendien vermoedelijk slechts sporadisch worden toegepast. Het huidige artikel over de samenwerkingsschool is wel opgeknipt, maar met behoud van herkenbaarheid van de regels zelf.

Raakvlakken met andere wetgeving

De WVO 20xx is een sectorwet die wordt geraakt door meerdere andere wetten. Het voortgezet onderwijs vormt een scharnierpunt voor leerlingen tussen het primair onderwijs en het beroepsonderwijs of het wetenschappelijk onderwijs. Leerlingen worden in het voortgezet onderwijs toegerust voor hun (onderwijs)toekomst. De WVO 20xx brengt door de herordening de onderwijsinhoud op een overzichtelijke wijze bij elkaar, voorzien van een toelichting. Hierdoor is voor het primair onderwijs helder welke inhoudelijke eisen het voortgezet onderwijs kent en welke niveaus er zijn. Dat stelt scholen in het primair onderwijs beter in staat het onderwijs zo in te richten dat het goed aansluit op het voortgezet onderwijs. Ook voor het vervolgonderwijs ontstaat door het technisch onderhoud een inzichtelijk beeld van – het niveau van – de kennis en vaardigheden van leerlingen die hun onderwijsloopbaan in het voortgezet onderwijs met succes hebben afgesloten.

De WVO wordt ook geraakt door de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Deze verordening is op 25 mei 2018 in werking getreden. In verband met de rechtstreekse toepasselijkheid van de AVG in de nationale rechtsorde is het in beginsel niet toegestaan de daarin gewaarborgde rechten en verplichtingen in de nationale regelgeving over te nemen.8 Ter implementatie van de verordening is de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming opgesteld. Die wet regelt onder meer de intrekking van de Wet bescherming persoonsgegevens. Enige bepalingen in de WVO geven een invulling van, of zijn een aanvulling op normen uit de AVG en de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming. Zo geeft de wet bijvoorbeeld een nadere invulling aan AVG-bepalingen over het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens.

Een belangrijke wet waar de WVO ook aan raakt, is de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De WVO sluit sinds de zomer van 2017 terminologisch al goed aan op het begrippenkader van de Awb.9 Dat is wenselijk gezien de nauwe verwantschap van de onderwijsregelgeving en onderdelen van het algemene bestuursrecht. Hierbij valt te denken aan het consistent gebruiken van de begrippen «beslissing» en «besluit». Naast de Awb heeft de WVO ook een relatie met het Burgerlijk Wetboek (BW). De WVO en het BW zijn naast elkaar van toepassing.

Voorts is relevant de Wet register onderwijsdeelnemers (WRO). Deze wet is in maart 2019 in het Staatsblad geplaatst (Stb. 2019, 119). De WRO bevat de wettelijke regeling van een integraal register onderwijsdeelnemers. In dat register wordt een aantal bestaande, bij DUO ondergebrachte, registers geïntegreerd. Het betreft het basisregister onderwijs (BRON), het meldingsregister relatief verzuim, het diplomaregister en het register vrijstellingen en vervangende leerplicht.

De beoogde datum van inwerkingtreding van deze wet is 1 januari 2020. Daarom zijn de wijzigingen die met die wet in de huidige WVO en de huidige WVO BES zullen worden aangebracht, al in voorliggend wetsvoorstel verwerkt.

Het groot technisch onderhoud van de WVO is een omvangrijke operatie, alleen al door het grote aantal bepalingen dat de WVO telt. Er is rekening gehouden met lopende wetswijzigingen. De herordening en wijziging van de technische vormgeving van de WVO laat uiteraard onverlet dat de regering en de Staten-Generaal tussentijds met nieuwe wetsvoorstellen kunnen komen. Het aanbrengen van wijzigingen naar aanleiding van beleidswijzigingen zal door het technisch onderhoud van de WVO en het daarin integreren van de WVO BES echter wel een stuk eenvoudiger worden, omdat er een solide infrastructuur is voor toekomstige fundamentele onderwijsinhoudelijke ontwikkelingen.

7. Inhoudelijk kader

Hierna wordt per hoofdstuk op hoofdlijnen de inhoud geschetst.

Hoofdstuk 1. Algemeen

Om te komen tot een toegankelijke en transparante wet is hoofstuk 1 van de WVO 20xx cruciaal. In dit hoofstuk worden de begrippen gedefinieerd die door de hele WVO 20xx heen worden gebruikt. Er is conform de Aanwijzigingen voor de regelgving gekozen voor een alfabetische volgorde van de begrippen, met het oog op de leesbaarheid en om zo eventuele toevoegingen of wijzigingen in de toekomst beter te kunnen faciliteren. De reikwijdte van de wet is tot nog toe op een meer beknopte wijze in de wet opgenomen. In de loop der jaren zijn er in verschillende verbanden vragen gesteld over wanneer en op welke instellingen de WVO wel of juist niet van toepassing is. Met het nieuwe artikel 1.3 wordt de reikwijdte verhelderd, zodat duidelijk is waar, in hoeverre en op welke instellingen de wet van toepassing is. Hoofdstuk 1 gaat ook nader in op het karakter van het voortgezet onderwijs. Met welk doel wordt het voortgezet onderwijs gegeven? De laatste bepaling in het hoofdstuk verwoordt het grondwettelijke onderscheid in openbaar en bijzonder onderwijs in een bepaling over de aard van de bepalingen.

Caribisch Nederland

De WVO BES wordt geïntegreerd in de WVO. Dat betekent dat de WVO 20xx geldt voor zowel Europees als Caribisch Nederland, tenzij in hoofdstuk 11 – dat bepalingen bevat die alleen van toepassing zijn in Caribisch Nederland – iets anders is geregeld. Omdat een aantal begrippen alleen in Caribisch Nederland wordt gehanteerd, is in artikel 1.2 aangegeven hoe bepalingen die voor heel Nederland gelden, in Caribisch Nederland gelezen moeten worden. Zo moeten voor de begrippen «gedeputeerde staten» en «college van burgemeester en wethouders» de begrippen «Rijksvertegenwoordiger» en «bestuurscollege» gelezen worden. Als dit principe wordt toegepast op het eerste lid van artikel 4.4, een artikellid dat voor heel Nederland van toepassing is, en waarin staat dat gedeputeerde staten het college van burgemeester en wethouders kan opdragen een aanvraag in te dienen, betekent dit dat deze opdracht in Caribisch Nederland gegeven kan worden door de Rijksvertegenwoordiger aan het bestuurscollege.

Hoofdstuk 2. Onderwijs

Drieledige functie van het voortgezet onderwijs

Het voortgezet onderwijs bouwt voort op het primair onderwijs en bereidt voor op het vervolgonderwijs in het middelbaar beroepsonderwijs, hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs en wat het praktijkonderwijs betreft op de arbeidsmarkt. Het is daarmee een wezenlijke schakel in de onderwijsloopbaan van leerlingen, de onderwijsfase die vrijwel alle jongeren van ongeveer twaalf tot zestien à achttien jaar in schoolverband doorlopen. Het voortgezet onderwijs heeft drie doeldomeinen: kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming.* Jongeren worden er voorbereid op het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt, ze worden er toegerust voor en ingewijd in de maatschappij, en ze worden er persoonlijk gevormd. Het onderwijs draagt ertoe bij dat jongeren zich ontwikkelen tot zelfbewuste, empathische en ontwikkelde individuen, geïnformeerde, verantwoordelijke en actieve burgers, effectieve, bewuste en creatieve lerenden, en later ook tot competente, deskundige en ondernemende beroepsbeoefenaren.

Kaders stellen en richting geven

Dit voortgezet onderwijs krijgt gestalte in de dagelijkse onderwijspraktijk op vele honderden scholen in Nederland, waar tienduizenden leraren en andere onderwijsprofessionals zich ervoor inzetten om hun leerlingen zo goed mogelijk onderwijs te bieden. De WVO 20xx stelt daarvoor kaders en geeft daaraan richting. In hoofdstuk 2 van deze wet gaat het daarbij om de kern van het voortgezet onderwijs. Dit hoofdstuk beschrijft wat leerlingen moeten leren, hoe het onderwijs daarvoor wordt ingericht en vormgegeven en hoe wordt gewaarborgd dat leerlingen aan het eind van het voortgezet onderwijs ook echt hebben geleerd wat zij geacht worden te leren. Het voortgezet onderwijs slaagt in zijn missie wanneer leerlingen na het volgen ervan goed voorbereid doorstromen naar het vervolgonderwijs en daarna naar de arbeidsmarkt, en wanneer leerlingen er een zekere mate van volwassenheid hebben bereikt zodat zij goed zijn toegerust voor actieve deelname aan de maatschappij.

Beoogd, uitgevoerd en gerealiseerd curriculum

In de onderwijskunde, in het bijzonder in de curriculumtheorie, wordt wel onderscheid gemaakt tussen het beoogde curriculum, het uitgewerkte en uitgevoerde curriculum en het gerealiseerde curriculum. Het beoogde curriculum is het samenstel van de (leer)doelen van het onderwijs: wat zouden leerlingen moeten leren? Met het gerealiseerde curriculum wordt bedoeld dat wat leerlingen daadwerkelijk hebben geleerd. De feitelijke inrichting en vormgeving van het onderwijs op school- en klasniveau worden ten slotte aangeduid met de term uitgewerkt of uitgevoerd curriculum. Dit curriculum is het meest zichtbaar in de praktijk. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de lesroosters en de concrete invulling van de lessen. Waar de wetgeving relatief veel richting geeft aan het beoogde curriculum en met centrale examens waarborgen biedt dat het gerealiseerde curriculum zich hiertoe goed verhoudt, is de wetgever bewust terughoudend met het opleggen van dwingende inrichtingsregels voor het uitgevoerde curriculum.

Gemeenschappelijke en meer specifieke leerdoelen

In de wet- en regelgeving voor het onderwijs zijn landelijk geldende leerdoelen vastgelegd in onder meer kerndoelen, eindtermen en overige wettelijke regels. Sommige leerdoelen zijn gemeenschappelijk voor alle onder het wetsvoorstel vallende schoolsoorten, bijvoorbeeld de kerndoelen voor de onderbouw, de gemeenschappelijke doelen van de verschillende bovenbouwprogramma’s en algemene doelen over burgerschap. Andere leerdoelen zijn niet collectief, maar zijn eigen aan bepaalde opleidingen. Kenmerkend voor het Nederlandse voortgezet onderwijs is namelijk dat het onderwijsprogramma (en dus de leerdoelen) in de loop van de onderwijsperiode specifieker wordt, zowel naar niveau als inhoudelijk.

Gedifferentieerd onderwijsaanbod

Anders dan in het primair onderwijs zijn er in het voortgezet onderwijs verschillende schoolsoorten die elk staan voor een verschillend opleidingsniveau, met soms ook een verschillende opleidingsaard. Binnen die schoolsoorten zijn er – in het bijzonder in het tweede deel van de opleiding – verschillende programma’s: de profielen in vwo, havo en vmbo. Dat zijn samenhangende onderwijsprogramma’s met, naast gemeenschappelijke onderwijsinhoud, inhoudelijk verwante onderwijsinhoud die eigen is aan het betreffende profiel. Hier is nog steeds sprake van algemene maatschappelijke en persoonlijke vorming, maar in toenemende mate ook van meer specifieke voorbereiding op en kwalificatie voor (groepen van) opleidingen in het vervolgonderwijs. Voor het praktijkonderwijs gelden eigen, bijzondere regels. Dit onderwijs heeft een eigen opleidingsconcept en opleidingsinrichting.

Onderwijs in de context van een schoolsoort

Met het noemen van de schoolsoorten in het voortgezet onderwijs in hoofdstuk 2 doet een eerste inrichtingsbepaling zijn intrede in de WVO 20xx: het uitgangspunt van het Nederlandse voortgezet onderwijs dat alle leerlingen in beginsel een onderwijsprogramma volgen in de context van één van die schoolsoorten (vwo, havo, mavo, vbo, of praktijkonderwijs). Door het onderscheid in vier leerwegen wordt dit voor het vmbo nader gedifferentieerd naar opleidingsniveau en opleidingsaard (primair beroepsgericht of primair theoretisch georiënteerd). Met uitzondering van het praktijkonderwijs, beginnen de schoolsoorten in de eerste leerjaren wel met een gemeenschappelijke inhoudelijke basis die is verankerd in kerndoelen. Deze gemeenschappelijke basis kan op verschillende niveaus en op verschillende manieren in het onderwijs aan bod komen. Vanaf het derde leerjaar in het vmbo en vanaf het vierde leerjaar in havo en vwo vindt verdergaande specialisering plaats, voorbereidend op inhoudelijk verwante vervolgopleidingen en ook aansluitend bij de interesses en talenten van leerlingen.

Verschillende mate van sturing

Voor de eerste twee leerjaren van het voortgezet onderwijs heeft de WVO 20xx, behalve enkele algemene bepalingen die voor het gehele voortgezet onderwijs gelden (bijvoorbeeld bepalingen over onderwijstijd en het uitgangspunt dat het onderwijs ervan uitgaat dat leerlingen opgroeien in een pluriforme samenleving), alleen regels over wat leerlingen moeten leren: het in de kerndoelen vastgelegde formele beoogde curriculum. Deze kerndoelen zijn ook een richtlijn in het praktijkonderwijs. De wettelijke bepalingen over het onderwijs in het vierde tot en met vijfde/zesde leerjaar havo en vwo en het derde en vierde leerjaar vmbo zijn meer sturend. Er wordt in en op grond van de WVO 20xx niet alleen vastgesteld wat leerlingen in de verschillende profielen moeten leren om uiteindelijk een bepaald vo-diploma te kunnen behalen, maar er worden ook normatieve kaders gesteld voor de inrichting van het voortgezet onderwijs.

Richting én ruimte

Belangrijke uitgangspunten van het Nederlandse funderend onderwijs zijn de vrijheid van onderwijs, autonomie van scholen en professionele ruimte van leraren. Hiervoor is het nodig dat de wetgeving richtinggevend en helder is over het beoogde curriculum, door duidelijk in bijvoorbeeld kerndoelen, referentieniveaus, eindtermen en syllabi te regelen wat leerlingen in elk geval zouden moeten leren. Met een goed werkend stelsel van centrale examens kan bovendien betrouwbaar worden vastgesteld wat leerlingen hebben geleerd (het gerealiseerde curriculum). Daartussen – dus tussen beoogd curriculum en gerealiseerd curriculum, waar de wetgever een belangrijke richtinggevende en regisserende rol heeft – hebben scholen veel ruimte om zélf invulling te geven aan het zogeheten uitgevoerde curriculum. De inrichtingsbepalingen in en op grond van de WVO 20xx (momenteel vooral in het Inrichtingsbesluit WVO) geven een normatieve uitwerking van het curriculum, maar de feitelijke uitvoering is een zaak van scholen en professionals zelf.

Reguliere programma’s en ruimte voor maatwerk in de praktijk

De WVO 20xx regelt de normatieve programma’s die alle leerlingen moeten kunnen volgen om zich de kennis, vaardigheden en houdingen eigen te maken die noodzakelijk zijn voor het behalen van een diploma in het voorgezet onderwijs. Die programma’s hebben een omvang en inhoud die de gemiddelde leerling in staat moeten stellen om succesvol het onderwijs te doorlopen en af te ronden. In de meeste gevallen zal dit een voor de leerlingen geschikt programma zijn, zeker als het aangevuld wordt met ondersteuning of eigen invulling van het programma. Maar scholen kunnen, als dat in het belang van leerlingen is, ook afwijken van landelijk vastgestelde programma’s. Waar de wetgeving per definitie uitgaat van reguliere onderwijsprogramma’s, is er op schoolniveau ruimte voor maatwerk in de praktijk.

Eindexamens

Het onderwijs in vwo, havo, mavo en vbo leidt tot een wettelijk geregeld examen. Daaruit blijkt of de leerling de kennis, het inzicht en de vaardigheden heeft verworven die met dat onderwijs zijn beoogd. Het diploma voortgezet onderwijs heeft een grote persoonlijke, maatschappelijke en economische waarde.

Het eindexamen kan voor elk vak of ander programmaonderdeel bestaan uit een schoolexamen, uit een centraal examen of uit beide. Het examen bestaat tenminste uit een schoolexamen. Naast het schoolexamen zal er voor veel vakken sprake zijn van een centraal examen. Welke vakken dit betreft, blijkt uit de vastgestelde examenprogramma’s. Het geheel van schoolexamens en centrale examens vormt één ondeelbaar geheel – een gesloten systeem – waarvoor een bij wet geregeld aantal herkansingsmogelijkheden geldt. Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor het afnemen van het examen. Het eindexamen dat met goed gevolg wordt afgelegd resulteert in een diploma voortgezet onderwijs met civiel effect.

De huidige WVO regelt weinig over de examens. Het overgrote deel van de examenregels is te vinden in lagere regelgeving, te weten het Eindexamenbesluit VO, het Eindexamenbesluit VO BES, het Staatsexamenbesluit VO, het Staatsexamenbesluit VO BES, en ministeriële uitvoeringsregelingen daarvan. Er is met dit wetsvoorstel voor gekozen om de hoofdelementen van de regeling van de eindexamens en staatsexamens in de wet op te nemen. De vier genoemde besluiten regelen op dit moment diverse onderwerpen die als hoofdelementen moeten worden getypeerd, zoals de afnamemomenten van het schoolexamen en het centraal examen, vaststelling en inhoud van het programma van toetsing en afsluiting van de school en de handelwijze bij onregelmatigheden of onvoorziene omstandigheden. Deze hoofdelementen worden met dit wetsvoorstel naar het niveau van de wet zelf verplaatst. Het aantal regels op amvb-niveau zal daardoor afnemen. In de artikelsgewijze toelichting wordt aan de belangrijkste naar de wet «verplaatste» hoofdelementen nadere aandacht geschonken. Ook daar waar de toelichting zwijgt over de verdeling over wet en uitvoeringsregels en de daarbij gemaakte keuzen, geldt dat de hierboven bedoelde algemene beginselen zijn gehanteerd.

Ondersteuning of mogelijkheden om af te wijken voor leerlingen die dat nodig hebben

Niet alle leerlingen die voortgezet onderwijs volgen zijn zonder meer in staat om het onderwijsprogramma met goed gevolg af te ronden. Een deel van de leerlingen heeft daarvoor extra ondersteuning en/of afwijking van het reguliere programma nodig. Ook deze leerlingen verdienen het dat zij optimaal worden uitgedaagd, gestimuleerd en ondersteund om uit hun schoolperiode in het voortgezet onderwijs te halen wat erin zit. Daarom worden in en op grond van de WVO 20xx diverse voorzieningen getroffen om, al dan niet op de eigen school, extra ondersteuning en/of een aangepast programma aan te bieden. Dit biedt deze leerlingen een goed perspectief op het met succes doorlopen van de opleiding. Om dit goed te organiseren, werken scholen voor voortgezet onderwijs en scholen voor voortgezet speciaal onderwijs (vso) regionaal samen in samenwerkingsverbanden passend onderwijs.

Vertaling landelijke beleid via schoolbeleid naar schoolpraktijk

Landelijk vastgestelde leerplankaders en onderwijsprogramma’s moeten «vertaald» worden naar de dagelijkse onderwijspraktijk. Landelijk beleid moet worden vertaald in schoolbeleid voordat het schoolpraktijk kan worden. Belangrijke (beleids-) instrumenten daarbij zijn het schoolplan en de schoolgids. In het schoolplan beschrijft de school, op basis van haar eigen identiteit en visie op goed onderwijs, waar het gaat om de inhoud en de inrichting van het onderwijs waartoe, wat, hoe, waar en wanneer op déze school door leerlingen geleerd wordt. Daar komen ook schooleigen beleid en onderwijsinhoud aan de orde, want in het onderwijs komt (veel) meer aan bod dan wat in landelijke leerplankaders is vastgesteld. De wetgeving biedt die ruimte voor een schooleigen invulling van het onderwijs ook. Met de schoolgids wordt voor alle betrokkenen, vooral voor leerlingen en hun ouders, inzichtelijk gemaakt hoe het er op school aan toegaat en wat van de school en het daar geboden onderwijs verwacht mag worden.

Kwaliteit van het onderwijs

De kwaliteit van het onderwijs op een school is primair geënt op de mate waarin de school slaagt in haar opdracht, dus in hoeverre leerlingen na het volgen van vier, vijf of zes jaar voortgezet onderwijs goed voorbereid zijn op persoonlijk, maatschappelijk en beroepsmatig functioneren en op een leven lang leren, om te beginnen in het vervolgonderwijs. Het praktijkonderwijs heeft een eigen opdracht. Het cruciale uitgangspunt bij de uitvoering van de kwaliteit van het onderwijs is dat het bevoegd gezag de deugdelijkheidseisen dient na te leven. Hiermee worden de eisen bedoeld die op grond van artikel 23, vijfde lid, van de Grondwet zijn gesteld aan het bekostigd onderwijs. Het gaat om objectieve criteria, die de basiskwaliteit van het funderend onderwijs verzekeren en voor alle bekostigde scholen gelijk gelden. Ook dient het bevoegd gezag het stelsel van kwaliteitszorg dat in het schoolplan beschreven is, uit te voeren.

Zeer zwak onderwijs

Over de kwaliteit van het onderwijs is een algemene zorgplicht geformuleerd. Daarbij heeft een bevoegd gezag tot taak zorg te dragen voor de kwaliteit van het onderwijs op de school. Ter nadere invulling van deze algemene wettelijke zorgplicht voor kwaliteit zijn minimumeisen voor de leerresultaten van een school vastgesteld. Dat benoemt uitdrukkelijk de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag voor de basiskwaliteit van het onderwijs binnen de school. Het onderwijsstelsel is er op gericht om te garanderen dat kinderen goed onderwijs kunnen volgen. De Minister is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het stelsel als geheel, maar het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs binnen de scholen waarover zijn gezag zich uitstrekt. Wanneer de kwaliteit van het onderwijs op een school zeer zwak is, moet de Minister vanuit zijn stelselverantwoordelijkheid effectief kunnen ingrijpen en de bekostiging kunnen beëindigen.

Reikwijdte

In individuele gevallen kunnen examens voortgezet onderwijs worden afgenomen buiten Nederland. Denk hierbij aan topsporters die deelnemen aan Europese of wereldkampioenschappen, maar ook aan dans- en muziektalenten die voor hun opleiding tijdelijk in het buitenland verblijven. In dergelijke gevallen maakt het CvTE gebruik van de (nu nog in het Staatsexamenbesluit VO opgenomen) hardheidsclausule om kandidaten die in Nederland onderwijs volgen maar juist op het moment waarop (een deel van) hun examens plaatsvinden in het buitenland verblijven, toch in de gelegenheid te stellen het examen af te leggen.

Indeling hoofdstuk 2

Er is gekozen voor een opbouw van hoofdstuk 2 die begint met algemene onderwerpen en overgaat op meer specifieke onderwerpen.

Paragraaf 1 regelt de schoolsoorten, doelen en structuur van het voortgezet onderwijs. De structuur wordt gevormd door de diverse soorten voortgezet onderwijs. De wet typeert die soorten vervolgens nader. Zij verankert vervolgens het karakter van het openbaar onderwijs en enkele algemene uitgangspunten voor het onderwijs: burgerschap en sociale integratie, het bestrijden van (taal) achterstanden, enzovoorts.

Paragraaf 2 werkt de inrichting van de diverse schoolsoorten uit en maakt daarbij een onderscheid tussen het onderwijs in de eerste twee leerjaren, het onderwijs in het derde leerjaar vwo en havo en het onderwijs in de leerjaren daarna: de «periode van voorbereidend hoger onderwijs» (vwo en havo), en de «periode van vmbo» (mavo en vbo). De wet regelt (naast onderwijs in lichamelijke opvoeding, godsdienst- of levensbeschouwelijk onderwijs aan openbare scholen en de voertaal van het onderwijs) onder meer de kerndoelen voor de eerste twee leerjaren, het onderwijsprogramma voor die leerjaren en voor het derde leerjaar vwo en havo, de profielen in de hogere leerjaren van vwo, havo en vmbo, en de doelgroep en inrichting van het praktijkonderwijs.

Paragraaf 3 regelt de onderwijstijd en de vakanties.

Paragraaf 4 bevat bijzondere regels over extra ondersteuning en begeleiding van leerlingen. Die functies zijn verbonden met de doelen en inrichting van het onderwijs, geregeld in de voorgaande paragrafen. Het leerwegondersteunend onderwijs is in deze paragraaf geregeld, als functie binnen het vmbo. Deze paragraaf regelt ook de samenwerkingsverbanden passend onderwijs.

Paragraaf 5 regelt de toetsen en eindexamens.

Paragraaf 6 regelt de aanwijzing van niet bekostigde scholen als school met examenbevoegdheid, waardoor zij een wettelijk geregeld diploma voortgezet onderwijs kunnen afgeven.

Paragraaf 7 regelt de staatsexamens.

Paragraaf 8 werkt de mogelijkheid van andere vormen van voortgezet onderwijs uit in een juridisch kader.

Paragraaf 9 regelt de kwaliteitszorg van de school en de communicatie met stakeholders: de centrale kwaliteitsopdracht, de verplichting om een schoolplan met een bepaalde inhoud vast te stellen, de schoolgids, en de plicht voor de school om de ouders te informeren over de vorderingen van hun kind. Ook regelt deze paragraaf de wijze waarop leerresultaten worden gemeten, wanneer het onderwijs van een school de kwalificatie «zeer zwak» verdient en dat de Minister in dat geval kan ingrijpen. Dit is een overkoepelende paragraaf die ook geldt voor de aangewezen scholen met examenbevoegdheid.

Paragraaf 10 regelt de diverse onderwijskundige verbanden en de samenwerking tussen scholen voor voortgezet onderwijs onderling en tussen die scholen en scholen die ander onderwijs geven. In deze paragraaf is ook de mogelijkheid tot het volgen van de entreeopleiding in plaats van de basisberoepsgerichte leerweg vmbo geregeld, evenals het leer-werktraject vmbo.

Paragraaf 11 regelt dat het bevoegd gezag van de school zonder daarvoor een vergoeding te mogen vragen, lesmateriaal beschikbaar stelt aan leerlingen.

Paragraaf 12 regelt dat het bevoegd gezag van een school en het bevoegd gezag van een samenwerkingsverband beleidsinhoudelijke informatie beschikbaar moeten hebben voor de Minister ten behoeve van het regeringsbeleid voor het onderwijs.

Caribisch Nederland

De voorschriften over het onderwijs in Caribisch Nederland verschillen op een aantal punten van die voor Europees Nederland. In de toelichting op hoofdstuk 11, waarin specifieke afwijkingen voor Caribisch Nederland zijn geregeld, wordt hier uitvoerig aandacht aan besteed. Voor de bruikbaarheid van hoofdstuk 2 in Caribisch Nederland, worden de belangrijkste verschillen ook hier toegelicht.

In Europees Nederland geldt – afgezien van een aantal specifieke uitzonderingen – binnen alle onderwijssoorten de verplichting om voortgezet onderwijs in het Nederlands te verzorgen. Maar het onverkort toepassen hiervan is in Caribisch Nederland niet wenselijk. De huidige regels over instructietaal en examentaal in Caribisch Nederland blijven gelden. Op Bonaire is het Nederlands weliswaar de instructie- en examentaal in het voortgezet onderwijs, maar mag een docent af en toe een aanvullende toelichting geven in het Papiaments. In het praktijkonderwijs mag onderwijs gegeven worden in een andere taal dan het Nederlands. Op Saba en Sint Eustatius is Engels de instructie- en examentaal.

Het feit dat het aantal leerlingen in Caribisch Nederland beperkt is, heeft een aantal gevolgen voor het onderwijsaanbod. Zo geldt de verplichting om alle profielen aan te bieden niet voor Caribisch Nederland, en is er een andere zorgstructuur ingericht. Dit alles is in de artikelen 11.5 en 11.13 tot en met 11.24 geregeld. Ook leer-werktrajecten worden in Caribisch Nederland anders ingevuld dan in Europees Nederland, zie hiervoor de artikelen 11.30, 11.31 en 11.58. Verder zijn de bepalingen over minimumleerresultaten (de artikelen 2.94 tot en met 2.96) niet van toepassing verklaard, omdat het leerlingenbestand te klein is om de normering van de minimumleerresultaten behoorlijk te kunnen onderbouwen.

Hoofdstuk 3. Bestuur

Scholen zijn meer dan schoolgebouwen met een schoolplein: het zijn ook organisaties, met een bestuur, personeel en middelen. In dit hoofdstuk staat de school als organisatie centraal. De school zelf heeft geen rechtspersoonlijkheid. Waar in deze toelichting gesproken wordt van de school als actor, wordt steeds gedoeld op de instantie die met betrekking tot de school bestuurlijke bevoegdheden uitoefent: het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor het besturen van de school. Wie of wat als bevoegd gezag is aangemerkt, is afhankelijk van het openbare dan wel bijzondere karakter van de school, en van de gekozen bestuursvorm, zie hierover ook de begripsbepalingen in hoofdstuk 1. De bepalingen van de WVO die in ruime zin te maken hebben met het besturen van de school, zijn in hoofdstuk 3 samengebracht. Op de belangrijkste thema’s wordt hierna ingegaan.

Goed bestuur

Scholen opereren in de publieke sector en hebben daarbinnen een specifieke maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het bestuur draagt er zorg voor dat met behulp van publieke middelen goed onderwijs wordt gegeven. Jaarlijks wordt aan alle belanghebbenden verantwoording afgelegd over het gevoerde beleid en de behaalde prestaties in dat jaar. Voor het optimaal functioneren van het stelsel moet er sprake zijn van goed bestuur. De kwaliteit van het onderwijs staat daarbij steeds centraal. Daarvoor is goed intern toezicht belangrijk. Het bestuur is verantwoordelijk voor het te voeren beleid, de interne toezichthouder ziet toe op de uitvoering van de werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden van het bestuur. Het bevoegd gezag van een school is vrij in de vormgeving van de functiescheiding tussen bestuur en intern toezicht. Dit doet recht aan de inrichtingsvrijheid en grote bestuurlijke variëteit in het voortgezet onderwijs. De scheiding kan organiek zijn (bestuur en toezicht zijn aparte organen binnen de rechtspersoon) of functioneel (één orgaan met personen die een bestuursfunctie vervullen en personen met een toezichtfunctie). Grotere schoolbesturen werken vaak met een model van een college van bestuur en een raad van toezicht. Goed onderwijsbestuur is niet alleen een zaak van wettelijke regels: veel hangt af van de manier waarop instellingen zelf gestalte geven aan de principes van goed bestuur. In de Code Goed Onderwijsbestuur VO wordt uitwerking gegeven aan deze principes, waaronder de scheiding van bestuur en intern toezicht. Onder meer bij fusies speelt bestuurlijk handelen een belangrijke rol.

Verzelfstandigd openbaar onderwijs, samenwerkingsbestuur en samenwerkingsschool

Het onderwijs dat scholen verzorgen, kan openbaar of bijzonder van aard zijn. Openbaar onderwijs gaat uit van de overheid. Het is algemeen toegankelijk en levensbeschouwelijk neutraal. Bijzonder onderwijs wordt verzorgd op initiatief van anderen dan de overheid, zoals een vereniging of stichting, en gaat uit van een richting (godsdienst of levensovertuiging). Een openbare school kan in stand gehouden worden door een gemeente, maar kan ook worden verzelfstandigd. De gemeente richt dan een openbare rechtspersoon of stichting op die de school bestuurt. Openbare en bijzondere scholen kunnen door één en hetzelfde bestuur, ook wel samenwerkingsbestuur genoemd, in stand worden gehouden. Ook kan in één school zowel openbaar als bijzonder onderwijs worden gegeven: de samenwerkingsschool. Voor deze specifieke organisatievormen (het verzelfstandigd openbaar onderwijs, het samenwerkingsbestuur en de samenwerkingsschool) stelt de wet extra eisen aan de bestuurlijke inrichting. Zij zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze eisen zijn nodig om de verantwoordelijkheid van de overheid voor het openbaar onderwijs, en de zeggenschap van particulieren over het bijzonder onderwijs, te waarborgen.

Splitsing en afsplitsing

Bij splitsing van scholen en scholengemeenschappen moet er onderscheid worden gemaakt tussen «afsplitsing» en de zogenaamde «celdeling». Bij afsplitsing kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een scholengemeenschap voor vwo en havo die wordt opgesplitst in een vwo-school en een havo-school. Dit is geen fusie en hoeft niet ter instemming te worden voorgelegd aan de Minister. Maar als één (of beide) van de afgesplitste scholen wordt overgedragen aan een andere rechtspersoon, is sprake van een bestuurlijke fusie en die behoeft wel de instemming van de Minister. Hetzelfde geldt als één (of beide) van de afgesplitste scholen wordt samengevoegd met een andere school. Dan is sprake van een institutionele fusie die alleen met instemming van de Minister kan worden gerealiseerd. Bij de «celdeling» moet worden gedacht aan de situatie waarbij een vwo-school wordt «gedeeld»; na de «deling» zijn er twee vwo-scholen. Dit valt ook buiten de definitie van fusie, maar zodra één of beide scholen worden overgedragen of samengevoegd is er sprake van een fusie, die de instemming behoeft van de Minister.

Klachten en maatregelen

Zowel op leerlingniveau als op overheidsniveau kan sprake zijn van ontevredenheid over het functioneren van de school. Daarom is er een systeem van interventiemogelijkheden in de wet opgenomen. De eerste stap is altijd het voeren van een gesprek, op een eerlijke en transparante wijze. Helpt zo’n gesprek niet, dan hebben de leerlingen en hun ouders de mogelijkheid om op individueel niveau een klacht in te dienen. Wanneer het bestuur zich niet aan de wettelijke voorschriften houdt, heeft de Minister de mogelijkheid tot bestuurlijk ingrijpen. Deze interventies verschillen in zwaarte, oplopend tot het geven van een aanwijzing of het treffen van een bekostigingssanctie. Het kan voorkomen dat de wijze waarop het bevoegd gezag het voortgezet onderwijs verzorgt niet aansluit op de wensen van leerlingen en hun ouders dan wel niet overeenstemt met de eisen die de wetgever stelt. De wet schrijft voor dat het bevoegd gezag een regeling treft voor de behandeling van klachten. Deze regeling vermeldt in elk geval het instellen van een klachtencommissie, die de klachten behandelt. Ouders, leerlingen en personeelsleden kunnen bij een klachtencommissie een klacht indienen over onder andere gedragingen en beslissingen van het bevoegd gezag of het personeel.

Schiet de kwaliteit van het onderwijs of de kwaliteit van het bestuur ernstig of langdurig tekort, dan kan de Minister op verzoek van het bevoegd gezag, of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag, maatregelen treffen. Is sprake van wanbeheer van een of meer bestuurders of toezichthouders dan kan de Minister het bevoegd gezag een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven. De wet regelt uitputtend wat onder wanbeheer wordt verstaan. Voor het verzelfstandigd openbaar onderwijs is het in geval van wanbeheer mogelijk vanwege ernstige taakverwaarlozing maatregelen te nemen om de continuïteit van het openbaar onderwijs te waarborgen.

Veiligheid

Veiligheid op school houdt in dat de school een veilige leeromgeving biedt waarin niemand bang hoeft te zijn voor fysieke en mentale agressie, pesten, bedreiging, (seksuele) intimidatie of andere vormen van grensoverschrijdend gedrag. Zulk gedrag moet de school zoveel mogelijk voorkomen. Scholen voeren daartoe een veiligheidsbeleid en monitoren dit beleid. Er is op elke school een vast aanspreekpunt waarop ouders en leerlingen altijd een beroep moeten kunnen doen als leerlingen zich niet veilig voelen op school. Dat kan door op tijd te signaleren en gericht op te treden. De verplichting tot overleg en aangifte bij zedenmisdrijven en de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling dragen mede bij aan de veiligheid op school.

Samenwerkingsverbanden passend onderwijs

Een aantal bepalingen in hoofdstuk 3 is, behalve voor scholen, ook relevant voor de samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Het gaat om de eisen ten aanzien van goed bestuur, inclusief de scheiding tussen bestuur en intern toezicht, en om enkele interventiemiddelen (aanwijzing, maatregelen) die de Minister heeft. De desbetreffende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing verklaard op de samenwerkingsverbanden.

Indeling hoofdstuk 3

Hoofdstuk 3 is als volgt ingedeeld:

Paragraaf 1 bevat regels over bestuur en intern toezicht (goed bestuur): de scheiding tussen beide, de inhoud van het interne toezicht, en het hanteren van een code voor goed bestuur op de school.

Paragraaf 2 gaat over de openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs.

Paragraaf 3 heeft betrekking op de stichting voor openbaar onderwijs.

Paragraaf 4 gaat over de stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs.

Paragraaf 5 betreft de stichting voor instandhouding van een samenwerkingsschool.

Paragraaf 6 gaat over het niet bekostigd onderwijs.

Paragraaf 7 regelt fusies en splitsing

Paragraaf 8 gaat over centrale diensten.

Paragraaf 9 bevat een regeling over klachten, maatregelen als het bevoegd gezag tekort schiet in zijn zorg voor de kwaliteit van het onderwijs, en de mogelijkheid tot het geven van een aanwijzing.

Paragraaf 10 bevat enkele bepalingen over de veiligheid op de school.

Paragraaf 11 bevat een bepaling over overleg over de bestrijding van onderwijsachterstanden.

Caribisch Nederland

In aanvulling op en in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 3, is een aantal zaken op het gebied van bestuur specifiek voor Caribisch Nederland geregeld in hoofdstuk 11.

Verschillende Europees-Nederlandse wetten zijn in Caribisch Nederland niet van toepassing. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Wet medezeggenschap op scholen. De artikelen 11.33 tot en met 11.36 voorzien daarom in een medezeggenschapsstructuur die specifiek voor Caribisch Nederland geldt. Ook de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet gelden niet in Caribisch Nederland. Dat heeft tot gevolg dat de verplichting om een code over het melden van signalen van huiselijk geweld te hanteren, evenmin van toepassing is in Caribisch Nederland.

Gezien het eilandelijk karakter van de openbare lichamen, is ook de fusietoets in Caribisch Nederland niet van toepassing. De artikelen over de fusietoets worden uitgesloten in hoofdstuk 11. Ook de bepalingen over de centrale dienst (3.34), en het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (3.42) gelden niet voor Caribisch Nederland.

Zoals in de toelichting op hoofdstuk 2 al is aangegeven, kent Caribisch Nederland een andere zorgstructuur dan Europees Nederland. De bepalingen in hoofdstuk 3 die gelden voor de samenwerkingsverbanden passend onderwijs, zijn in Caribisch Nederland niet van toepassing.

Hoofdstuk 4. Voorzieningenplanning

Voorzieningenplanning gaat over alle wet- en regelgeving die van toepassing is op de vraag wie, waar, onder welke omstandigheden, welke soort onderwijs mag aanbieden dat bekostigd wordt door het Rijk. Er zijn verschillende soorten voorzieningen en handelingen mogelijk: stichting van een nieuwe school of scholengemeenschap en nevenvestiging, splitsing, afsplitsing, omzetting, en een regionaal plan onderwijsvoorzieningen (RPO) voor de bestaande school of scholengemeenschap. Het doel van de voorzieningenplanning is het tot stand brengen en in stand houden van een goed bereikbaar, toegankelijk en efficiënt netwerk van onderwijsvoorzieningen voor voortgezet onderwijs. De voorzieningenplanning vormt zodoende het fundament van het onderwijsbestel voor het voortgezet onderwijs en bevat bepalingen voor de start van de bekostiging, maar ook voor de beëindiging daarvan. Hoofdstuk 4 is als volgt opgebouwd: het onderscheid tussen stichten van scholen en scholengemeenschappen, de aanvraagprocedure die nodig is voor het stichten, het onderscheid tussen hoofd- en nevenvestiging, het RPO en de daarbij behorende aanvraagprocedure en tot slot de opheffingsnormen. In deze toelichting wordt nader ingegaan op de verbinding met de recente modernisering van de voorzieningenplanning, en op de manier waarop in Caribisch Nederland wordt omgegaan met de voorzieningenplanning.

Stichting van een nieuwe school, scholengemeenschap of profiel vbo

Voor de bekostiging van een nieuwe school of scholengemeenschap van een bepaalde richting (zoals algemeen bijzonder, Rooms-Katholiek of Protestants-Christelijk) in een bepaalde gemeente moet de aanvrager voldoen aan wettelijke criteria, met name de aantoonbare potentiële leerlingen per schoolsoort vo. De stichtingsnormen bedragen 65 leerlingen per leerjaar (bijvoorbeeld voor een school voor mavo: 260), met voor praktijkonderwijs als enige uitzondering 120 leerlingen voor een gehele school.

Regionale afstemming wijzigingen in onderwijsaanbod op bestaande scholen

De verantwoordelijkheid voor een goede afstemming tussen vraag en aanbod van onderwijs ligt grotendeels bij de samenwerkende schoolbesturen in de regio. Zij kunnen hiervoor een RPO opstellen, voor een periode van vijf schooljaren (artikel 4.19). De gedachte hierachter is dat men in de regio de lokale situatie veel beter kent en daardoor betere keuzes kan maken over veranderingen in het onderwijsaanbod. Het systeem zoals dat sinds 2008 functioneert, kenmerkt zich door meer autonomie voor scholen dan voordien en daarmee minder administratieve lasten, op voorwaarde van goede samenwerking en afstemming onderling en met andere betrokken partijen.

Wel is in verband met de principiële stelselverantwoordelijkheid van de Minister voor de doelmatigheid, kwaliteit, keuzevrijheid en toegankelijkheid van het onderwijs voorzien in een toetsende rol voor de Minister. Zo toetst de Minister bij aanvragen voor het voor bekostiging in aanmerking brengen van een nieuwe school of wordt voldaan aan onder meer de in de wet vastgelegde stichtingsnormen (artikel 4.2). Bij aanvragen voor bijvoorbeeld een nieuwe nevenvestiging of een nieuw profiel vbo aan een school voor vbo gebaseerd op een RPO toetst de Minister niet aan de geldende stichtingsnormen, maar indien nodig aan andere bij of krachtens amvb gestelde voorwaarden (artikel 4.20). Indien een aanvraag voldoet aan de voorwaarden, wordt een nieuwe onderwijsvoorziening voor bekostiging in aanmerking gebracht.

Beëindiging van de bekostiging

Naast de bepalingen over de start van een nieuwe school of scholengemeenschap en over de wijzigingen in het aanbod van bestaande scholen en scholengemeenschappen, bevat dit hoofdstuk ook de zogenaamde opheffingsnormen voor de beëindiging van de bekostiging. De bekostiging van een school (bijvoorbeeld een categorale mavo) of scholengemeenschap (bijvoorbeeld mavo/havo/vwo) eindigt als die gedurende drie achtereenvolgende schooljaren door minder leerlingen wordt bezocht dan respectievelijk 3/4 of de helft van de stichtingsnorm.

Modernisering voorzieningenplanning

Per 1 augustus 2018 zijn verschillende bepalingen over voorzieningenplanning gemoderniseerd.10 Het streven van deze modernisering was om te komen tot begrijpelijker, logischer wet- en regelgeving waarmee de problemen werden opgelost, die in een evaluatie van de bepalingen over voorzieningenplanning waren gesignaleerd. De gehele afdeling Aanvang van de bekostiging is met deze recente wet al herzien, met de wetgevingstechnische uitgangspunten van het technisch onderhoud van de WVO als richtsnoer. Tevens is de verdeling over de verschillende niveaus van regelgeving (wet en ministeriële regeling) bezien. In het nu voorliggende wetsvoorstel worden toch net iets andere wetgevingstechnische uitgangspunten gehanteerd dan in de recente wet over voorzieningenplanning vo. Dat betekent dat er verschillen in de teksten te zien zijn. De achtergrond hiervan is dat de WVO 20xx een andere indeling heeft dan de WVO. Dat betekent iets voor de plaats van de bepalingen over de voorzieningenplanning. In de WVO zijn de bepalingen over de voorzieningenplanning verspreid opgenomen over de titel Aanvang, grondslagen, wijze en beëindiging der bekostiging. De bepalingen zijn daarbij verdeeld over de afdelingen I (Aanvang van de bekostiging) en III (Beëindiging der bekostiging). Daartussen zit afdeling II met bepalingen over de grondslagen en wijze van de bekostiging. In de opzet van de WVO 20xx worden de bepalingen over de voorzieningenplanning vo bij elkaar gebracht in het hoofdstuk Voorzieningenplanning. De bepalingen over de grondslagen en wijze van bekostiging zijn opgenomen in hoofdstuk 5, dat de bekostiging regelt.

Caribisch Nederland

De scholen of scholengemeenschappen in Caribisch Nederland die sinds Bonaire, Sint Eustatius en Saba openbare lichamen zijn geworden voor bekostiging in aanmerking kwamen, zijn via overgangsrecht aangemerkt als scholen in de zin van de WVO BES. Op ieder eiland is één bekostigde school voor voortgezet onderwijs aanwezig. De voorzieningenplanning voor Caribisch Nederland wijkt fors af van die van Europees Nederland en is daarom grotendeels anders geregeld in Hoofdstuk 11. Zo is het niet mogelijk de stichtingsnormen die in Europees Nederland gelden ook in Caribisch Nederland te hanteren. In plaats van de bepalingen over het stichten van scholen zoals die in Europees Nederland gelden (de artikelen 4.2 en 4.3) gelden daarom de artikelen 11.43 en 11.44. Hetzelfde geldt voor de opheffingsnormen: in tegenstelling tot de absolute getalsnorm die in artikel 4.24 wordt aangehouden, geldt voor Caribisch Nederland een ministeriële regeling waarin dit is vastgelegd. Artikel 11.53, tweede lid, bevat de grondslag voor die regeling.

Ook samenvoeging en afsplitsing zijn specifiek geregeld, in artikel 11.47. Omdat de bepalingen over vestigingen in hoofdstuk 4 zo gedetailleerd zijn dat ze geen recht doen aan de situatie in Caribisch Nederland, zijn de eenvoudiger bepalingen over vestigingen overgenomen uit de WVO BES in de artikelen 11.49 en 11.50.

Vanwege de schaalgrootte en specifieke zorgstructuur, geldt in Caribisch Nederland geen overlegverplichting tussen het bevoegd gezag, de gemeente en het samenwerkingsverband voor het indienen van een aanvraag voor een school voor praktijkonderwijs. Ook hoeft leerwegondersteunend onderwijs niet afzonderlijk te worden aangevraagd. Omdat regionale samenwerking tussen scholen op het gebied van voorzieningenplanning vanwege de geografische situatie niet goed mogelijk is en er geen concurrentie is tussen de scholen, zijn de artikelen over regionale samenwerking voorzieningenplanning (4.18 tot en met 4.22 en 4.26) evenmin van toepassing. Tot slot bestaat er in Caribisch Nederland geen mogelijkheid om cursussen voortgezet onderwijs te bekostigen. Artikel 4.28 is daarom niet van toepassing.

Hoofdstuk 5. Bekostiging en verantwoording.

Dit hoofdstuk geeft de grondslagen voor de personele en materiële bekostiging van de scholen en die over aanvullende bekostiging. Het gaat om de huidige artikelen 77 tot en met 112 van de WVO (met uitzondering van de bepalingen over beëindiging van de bekostiging, die zijn opgenomen in hoofdstuk 2 (artikel 2.95) en hoofdstuk 4 (paragraaf 4)).

In grote lijnen is voor de bekostigingsbepalingen de volgorde aangehouden waarin deze bepalingen zijn opgenomen in de WVO. Wel zijn de bekostigingsvoorschriften voor samenwerkingsverbanden nu voor de overzichtelijkheid ondergebracht in een eigen paragraaf en zijn de boekhoudvoorschriften verplaatst naar het slot van dit hoofdstuk. Verder zijn de artikelen die betrekking hebben op sanctioneringsbeleid opgenomen bij de specifieke onderwerpen waarop zij betrekking hebben, in de diverse afzonderlijke hoofdstukken. Hoofdstuk 10 (Sancties) bevat alleen het algemene sanctioneringsartikel over opschorting of inhouding van de bekostiging.

Bekostiging voortgezet onderwijs

Het voortgezet onderwijs wordt sinds 1996 met een lumpsum bekostigd. Hiermee worden de schoolbesturen in staat gesteld om (onderwijs)personeel aan te stellen, overige arbeidsvoorwaarden te vervullen en om te voorzien in de kosten van de materiële instandhouding van scholen. De lumpsumbekostiging is voornamelijk gebaseerd op het aantal ingeschreven leerlingen en de schoolsoort. De lumpsum wordt op het niveau van de school (het brin-nummer) vastgesteld en wordt vervolgens betaald aan het bevoegd gezag.

Personele en materiële lasten

Onder personele lasten vallen brutosalarissen, werkgeverslasten, vervangingskosten en wachtgeldkosten van de drie personeelscategorieën directie, onderwijzend personeel (op) en onderwijsondersteunend personeel (oop). Onder de materiële lasten vallen uitgaven aan schoonmaak, onderhoud van schoolgebouwen (zowel binnen als buiten) en schoolterreinen, middelen (inventaris en leermiddelen inclusief schoolboeken), administratie, beheer en bestuur, energie en waterverbruik, loopbaanoriëntatie en -begeleiding en publiekrechtelijke heffingen.

Hoeveel een schoolbestuur uitgeeft aan management, op en oop en hoeveel aan materiële middelen, verschilt per school en schoolbestuur. Een schoolbestuur dat meer scholen onder zich heeft, bepaalt zelf hoe het geld over de scholen wordt verdeeld en ingezet. Naast de lumpsum (de «basisbekostiging») is er ook aanvullende bekostiging. Deze aanvullende bekostiging bestaat uit geoormerkte en niet-geoormerkte middelen.

Scholen kunnen ook nog andere inkomsten hebben, zoals lesgelden, verhuur van ruimten en vrijwillige ouderbijdragen. Bij het vaststellen van de bekostiging uit ’s Rijks kas is het van belang tot welke «schoolsoortgroep» een school behoort. Scholen kunnen afhankelijk daarvan namelijk een andere bekostiging ontvangen.

Scholen leggen verantwoording af over de aanwending van de ontvangen middelen in hun bestuursverslag en hun (geconsolideerde) jaarrekening. Met het bestuursverslag informeert het bestuur interne en externe belanghebbenden en toezichthouders over het gevoerde beleid en de gang van zaken bij de school, de uitkomsten van het gevoerde beleid in het jaar waarover verslag wordt gedaan en de aanwending van middelen in dat jaar. Met de jaarrekening geeft de school inzicht in de baten en lasten. De baten worden uitgesplitst naar rijksbijdrage, overige overheidsbijdragen en subsidies. De lasten worden uitgesplitst naar personeelslasten, afschrijvingen, huisvestingslasten en overige lasten.

Teldatum

In het voortgezet onderwijs is het aantal leerlingen dat op 1 oktober (teldatum) van het voorgaande jaar als daadwerkelijk schoolgaand staat ingeschreven op de school bepalend voor de bekostiging vanaf 1 januari het jaar daarop (bekostiging op kalenderjaarbasis). Scholen hebben daardoor kort voor de aanvang van het kalenderjaar zekerheid over de bekostiging die hen voor het komende kalenderjaar wordt verstrekt.

Bekostiging passend onderwijs, lwoo en pro

Naast de hierboven beschreven basisbekostiging worden er middelen verstrekt voor lichte en zware ondersteuning aan leerlingen. Deze middelen worden verstrekt aan scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs (hierna: (v)so), praktijkonderwijs (hierna: pro) en vmbo én aan samenwerkingsverbanden.

Zware ondersteuning

De middelen voor zware ondersteuning bestaan uit het ondersteuningsbudget voor cluster 3 en 4 van het vso en uit de middelen van wat voorheen de leerlinggebonden financiering, of ook wel het «rugzakje» werd genoemd. Dit budget wordt genormeerd (één bedrag per leerling in het voortgezet onderwijs) verdeeld over de samenwerkingsverbanden. Van dit budget wordt vervolgens het bedrag in mindering gebracht dat rechtstreeks aan de vso-school wordt verstrekt. Indien het bedrag dat in mindering wordt gebracht, groter is dan het budget dat het samenwerkingsverband ontvangt, wordt het resterende verschil in mindering gebracht op de basisbekostiging van alle deelnemende schoolbesturen van het samenwerkingsverband.

De middelen voor zware ondersteuning hangen in belangrijke mate samen met de bekostiging van het vso. De regels voor het vso zijn vastgelegd in de Wet op de expertisecentra (WEC). De wijze waarop de bekostiging van het vso is geregeld, stemt nagenoeg overeen met de wijze waarop dit is geregeld in het primair onderwijs.

Lichte ondersteuning

De middelen voor lichte ondersteuning bestaan uit het ondersteuningsbudget voor leerweg ondersteunend onderwijs (hierna: lwoo) en pro en de middelen voor regionale ondersteuning (voorheen het regionaal zorgbudget, Rebound, Herstart en Op de Rails). De middelen voor lwoo en pro zijn verdeeld over de samenwerkingsverbanden op basis van het percentage lwoo/pro- leerlingen dat de samenwerkingsverbanden hadden in 2012. Voor iedere leerling die is ingeschreven op het pro of als lwoo-leerling ontvangt de school die het lwoo/pro-onderwijs aanbiedt een ondersteuningsbedrag. Het bedrag dat de school rechtstreeks als bekostiging ontvangt voor lwoo en pro wordt in mindering gebracht op het budget voor lichte ondersteuning van het samenwerkingsverband. Indien het bedrag dat in mindering wordt gebracht, groter is dan het budget dat het samenwerkingsverband ontvangt, wordt het resterende verschil in mindering gebracht op de basisbekostiging van alle deelnemende schoolbesturen van het samenwerkingsverband.

Tussen de middelen voor lichte en zware ondersteuning is een schot geplaatst. Zo wordt het ondersteuningsbudget voor het vso niet in mindering gebracht op het budget voor lichte ondersteuning van het samenwerkingsverband.

Aanvullende regelingen

Naast deze structurele bekostigingsstromen zijn er nog vormen van aanvullende bekostiging die in afzonderlijke regelingen vastliggen en vaak een specifiek afgebakend doel of een afgebakende doelgroep hebben. Een bestuurder of schooldirecteur kan op basis van de regelgeving een financieel overzicht opstellen op basis waarvan berekend kan worden hoeveel bekostiging er beschikbaar is.

Indeling hoofdstuk 5

Hoofdstuk 5 gaat allereerst in op de hoofdlijnen van de bekostiging van de scholen door het Rijk (paragraaf 1). Vervolgens komen de grondslagen voor de berekening van deze bekostiging aan de orde (paragraaf 2). Dit deel van het hoofdstuk beschrijft waar scholen middelen voor ontvangen en hoe de bekostiging is opgebouwd. Vervolgens worden ook de grondslagen voor bekostiging van samenwerkingsverbanden beschreven: waar samenwerkingsverbanden bekostiging voor ontvangen en hoe hun bekostiging is opgebouwd (paragraaf 3). Ook de rol van de gemeente komt aan bod (paragraaf 4). Vastgelegd is hoe gemeenten moeten omgaan met de bekostiging van het openbaar onderwijs dat door hen in stand wordt gehouden en hoe zich dit dient te verhouden tot scholen die niet door de gemeente in stand worden gehouden. Hierna komen de verstrekking, betaling en vaststelling van de bekostiging uit ’s Rijks kas aan de orde (paragraaf 5). Geregeld is op welke manier de bekostiging wordt vastgesteld en welke posten in mindering worden gebracht op de bekostiging. Het aantal leerlingen is het belangrijkste gegeven, omdat dit aantal doorslaggevend is voor de hoogte van de bekostiging. In verband met de bekostiging kunnen nadere regels worden gesteld (paragraaf 6). Over alle bekostigingsstromen dient verantwoording afgelegd te worden. Hoe dat in het jaarverslag van een school zijn beslag moet krijgen, staat in paragraaf 7. Tot slot zijn de overige grondslagen voor uitvoeringsregels bij elkaar genomen en in de laatste paragraaf van dit hoofdstuk opgenomen.

Caribisch Nederland

In hoofdstuk 11 is een aantal zaken op het gebied van bekostiging voor Caribisch Nederland anders geregeld vanwege de specifieke situatie. Zo is de bekostiging van personeelskosten in Europees Nederland gebaseerd op wetgeving op het gebied van sociale zekerheid. Aangezien de Ambtenarenwet BES van toepassing, of van overeenkomstige toepassing is, voor het personeel op scholen in Caribisch Nederland, is die wet in plaats van artikel 5.6 van toepassing verklaard.

De overschrijdingsbedragen van personeels- of exploitatiekosten kunnen in Caribisch Nederland anders besteed worden dan in Europees Nederland. In artikel 11.57, tweede lid, is daarom opgegesomd wat voor Caribisch Nederland van toepassing is.

Zoals bij hoofdstuk 2 is aangegeven, heeft Caribisch Nederland een andere zorgstructuur dan Europees Nederland. De artikelen in hoofdstuk 5 die gaan over de bekostiging van samenwerkingsverbanden passend onderwijs zijn in Caribisch Nederland daarom niet van toepassing. Deskundige ondersteuning aan leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte wordt in Caribisch Nederland verzorgd door het expertisecentrum onderwijszorg, dat subsidie ontvangt op grond van artikel 11.20.

Hoofdstuk 6. Huisvesting

Dit hoofdstuk regelt de huisvesting in het voortgezet onderwijs. Hierbij gaat het voornamelijk om gebouwen waarin scholen gevestigd kunnen zijn.

Een bevoegd gezag dient eerst bij de Minister een aanvraag in om een school voor bekostiging in aanmerking te brengen. Als de Minister positief op de aanvraag heeft besloten, dient het bevoegd gezag vervolgens een aanvraag in bij de gemeente waar de beoogde vestigingsplaats van de nieuwe school is gelegen. Zodra de gemeente heeft aangegeven wanneer zij de huisvesting beschikbaar zal stellen, meldt het bevoegd gezag dat aan de Minister en kan de school starten. Zie hiervoor artikel 4.6, eerste lid, waar de koppeling tussen de start van een nieuwe school en de huisvesting is geëxpliciteerd. In dit hoofdstuk is de zorgplicht van gemeenten voor de huisvesting van scholen in het voortgezet onderwijs geregeld.

De wettelijke regels die zien op onderwijshuisvesting zijn in de WVO, WPO en WEC grotendeels gelijkluidend. Bovendien zijn de gemeenten de «uitvoerders» van deze bepalingen en moet een gemeente één totaalbudget vaststellen voor de huisvesting voor scholen in het (speciaal) basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs. Op die manier kan een gemeente een afweging maken, over alle onderwijssectoren heen.

Decentralisatie

Met ingang van 1 januari 1997 zijn gemeenten door de zogenoemde decentralisatie verantwoordelijk voor een aantal taken en middelen voor de huisvesting van scholen voor voortgezet onderwijs. Destijds ging het daarbij om het vwo, havo, mavo en vbo. Voor het praktijkonderwijs, dat in 1997 nog niet bestond, geldt inmiddels hetzelfde.

Budget huisvesting

Gemeenten krijgen een budget uit het gemeentefonds dat is bestemd voor de huisvesting van scholen voor primair onderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs. Elke gemeenteraad moet een verordening vaststellen, op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders aanvragen op het gebied van huisvesting beoordeelt. Die aanvragen moeten worden ingediend door de bevoegde gezagsorganen van zowel bestaande als nieuwe scholen. Verder gaat het naast aanvragen van schoolbesturen voor het bijzonder onderwijs ook om voorzieningen die nodig zijn voor het openbaar onderwijs. Openbaar en bijzonder onderwijs moeten door het college van burgemeester en wethouders op gelijke voet behandeld worden.

Dubbele-petten-problematiek

Met het oog op de positie van het bijzonder onderwijs en het feit dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag kan zijn van het openbaar onderwijs (de zogenaamde dubbele-petten-problematiek) is in de wet bepaald dat de gemeenteraad verantwoordelijk is voor het nemen van de volgende besluiten:

  • a. het vaststellen van een huisvestingsverordening (zie artikel 6.12), en

  • b. het al dan niet overgaan tot doordecentralisatie (zie artikel 6.21).

In de onder a bedoelde verordening moet onder meer staan wat in die gemeente exact onder onderwijshuisvestingsvoorzieningen moet worden verstaan. Daarnaast moeten er normen voor de grootte en indeling van schoolgebouwen en prognose- en urgentiecriteria in zijn opgenomen. Verder moet de verordening een beschrijving bevatten van de procedures waaraan het college van burgemeester en wethouders zich bij de beoordeling van aanvragen moet houden en welke voorzieningen in het algemeen voor de betrokken scholen voor bekostiging in aanmerking komen.

Nieuwbouw

Bevoegde gezagsorganen kunnen zich voor nieuwbouw en grote aanpassingen als gevolg van uitbreiding van het gebouw voor de financiering wenden tot de gemeente. De gemeente ontvangt hiervoor via het gemeentefonds een budget en heeft de verantwoordelijkheid om redelijkerwijs zorg te dragen voor voldoende onderwijshuisvesting.

Eigendom schoolgebouw

Bij het eigendom van schoolgebouwen wordt onderscheid gemaakt tussen de juridische eigendom en het economisch eigendom (economisch claimrecht). Uitgangspunt is dat het bevoegd gezag juridisch eigenaar is van het schoolgebouw. Dit type eigendom wordt vastgelegd in het kadaster met een notariële akte. De bevoegde gezagsorganen, die juridisch eigenaar zijn van de schoolgebouwen, zijn primair verantwoordelijk voor de exploitatie van die gebouwen. Zij betalen de energierekening en zijn verantwoordelijk voor het plegen van onderhoud, waarvoor zij financiële middelen van het Rijk ontvangen, als onderdeel van de lumpsumbekostiging.

Het economisch claimrecht dat rust op de gebouwen en terreinen van scholen voor voortgezet onderwijs is bij de decentralisatie van de huisvesting om niet overgegaan van het Rijk naar de gemeenten. Zie verder de toelichting op artikel 6.20.

Beëindiging gebruik school

Bij het beëindigen van het gebruik van een door een schoolbestuur bekostigde uitbreiding, verkrijgt de gemeente op basis van het economisch claimrecht het volledige eigendom van het pand, inclusief het gedeelte dat door het bevoegd gezag is bekostigd, op grond van natrekking (artikel 5:20 Burgerlijk Wetboek). Omdat het niet mogelijk is van deze wettelijke bepalingen af te wijken, geldt dit onder andere ook bij een faillissement. Bij investeringen van het schoolbestuur onderscheiden we middelen die het bevoegd gezag van de overheid heeft ontvangen en middelen uit andere bron, zoals legaten en schenkingen. Bij artikel 6.20 staat een nadere toelichting.

Doordecentralisatie

Een gemeenteraad heeft de mogelijkheid tot «doordecentralisatie», dat wil zeggen dat het bevoegd gezag zelf verantwoordelijk wordt voor zaken rond de huisvesting, waarvoor de gemeente dan alleen nog financiële middelen verschaft. Een gemeenteraad die met een bevoegd gezag een dergelijke constructie overeenkomt, dient daartoe op grond van dit hoofdstuk zelf voorwaarden te stellen. Bij die voorwaarden kan de gemeente ook afwijken van de bepalingen die in de aan de doordecentralisatiebepaling voorafgaande artikelen zijn opgenomen. Zie verder de toelichting op artikel 6.21.

Caribisch Nederland

Omdat de huisvestingsvoorschriften voor Caribisch Nederland dermate afwijken van hetgeen in dit hoofdstuk wordt geregeld, zijn de regels over huisvesting in Caribisch Nederland apart in hoofdstuk 11 opgenomen en toegelicht. Zie aldaar paragraaf 6 (artikel 11.60 en volgende).

Hoofdstuk 7. Personeel

Dit hoofdstuk regelt een aantal zaken over het personeel. Het gaat om een aantal algemene zaken rond bijvoorbeeld personeelscategorieën op een school (paragraaf 1), de eisen aan bekwaamheid, bevoegdheid en benoembaarheid van leraren (paragrafen 2 en 3), de voorwaarden voor benoeming van leidinggevend en onderwijsondersteunend personeel (paragraaf 4), bijzondere regels voor scholengemeenschappen (paragraaf 5), de regelingen voor zij-instroom (paragraaf 6) en de rechtspositie van het personeel (paragraaf 7). Paragraaf 8 gaat over stagiaires binnen een school. Hun rechtspositie is geregeld in een tripartiete overeenkomst. Paragraaf 9 bevat de bekwaamheids- en zedelijkheidseisen die gelden voor personeel van niet uit ’s Rijks kas bekostigde scholen. Paragraaf 10 gaat over het lerarenregister en paragraaf 11 over het registervoorportaal.

De verantwoordelijkheden van de leraar; het beroep van leraar

Paragraaf 2 begint met enkele belangrijke beginselbepalingen over het beroep van leraar, waaronder de regel dat leraren een zelfstandige verantwoordelijkheid hebben als het gaat om het beoordelen van de onderwijsprestaties van leerlingen. Ook is geregeld dat leraren moeten beschikken over voldoende vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische zeggenschap.

Het bevoegd gezag moet in overleg met de leraren een professioneel statuut opstellen waarin de afspraken zijn opgenomen over de wijze waarop de zeggenschap van leraren over specifieke elementen van hun beroepsuitoefening wordt georganiseerd. De wet benoemt die elementen. Bij het opstellen van het professioneel statuut moet de professionele standaard van de beroepsgroep in acht worden genomen.

De benoembaarheidsvereisten voor leraren

De paragrafen 2 en 3 bevatten verder de vereisten die gelden voor het benoemen van leraren. Deze paragrafen geven een toegankelijker overzicht van deze vereisten en sluiten beter aan bij het begrippenkader dat in de onderwijssector gehanteerd wordt. De bekwaamheidseisen hebben een meer prominente plek in de wet gekregen. Ook is gemarkeerd welke leraren bevoegd lesgeven en welke leraren op basis van de wet mogen lesgeven zonder over de juiste bevoegdheid te beschikken (de benoembaren). Verder zijn de nu nog verspreid geregelde benoemingsgronden en delegatiegrondslagen bij elkaar gezet. Daarnaast zijn de formuleringen gemoderniseerd en leesbaarder gemaakt. In de artikelsgewijze toelichting wordt specifieker ingegaan op bepalingen die in de uitvoering veel vragen opriepen.

Aansluiting bij begrippenkader in onderwijssector

In het spraakgebruik wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen bevoegde en onbevoegde leraren. De WVO spreekt alleen in artikel 2a over bevoegdheid en verder uitsluitend over vereisten voor benoembaarheid. Hierdoor is onduidelijk welke leraren aangemerkt worden als bevoegd en welke leraren – die weliswaar op basis van de wet mogen lesgeven – niet bevoegd zijn. De leraren uit de tweede categorie gelden in het spraakgebruik als benoembaar. Dit onderscheid blijkt niet duidelijk uit de WVO, maar vloeit wel logisch voort uit het stelsel van benoemingsgronden zoals zich dat ontwikkeld heeft. Grondgedachte hierin is dat een leraar zich met een getuigschrift kwalificeert voor het vak en het soort onderwijs (eerstegraads dan wel tweedegraads) dat hij of zij geeft. De leraar die in het bezit is van het juiste getuigschrift, kan zonder verdere beperkingen lesgeven.

Bevoegd en benoembaar

Er zijn twee typen benoemingsgronden. Ten eerste: benoemingsgronden die uitgaan van een permanente benoeming op grond van het behalen van het juiste getuigschrift. Ten tweede: benoemingsgronden voor situaties waarin dit nog niet is gebeurd. In dit type benoemingsgrond worden nadere voorwaarden geschetst waaronder de leraar toch les mag geven. In vrijwel alle gevallen bevatten deze voorwaarden een tijdshorizon en zijn ze erop gericht dat de leraar alsnog het juiste getuigschrift haalt.

Het onderscheid tussen deze twee benoemingsgronden correspondeert met het onderscheid bevoegd versus benoembaar. De bevoegde leraar kan wel onvoorwaardelijk en voor onbepaalde tijd worden benoemd in het vak waarvoor hij aan de bekwaamheidseisen heeft voldaan of krachtens de artikelen in deze paragraaf geacht wordt te voldoen. De benoembare leraar kan dit niet en wordt geacht alsnog het juiste getuigschrift te halen.

Ordening van grondslagen voor uitzonderingen

Een ander probleem was dat de vereisten voor benoeming verspreid waren over verschillende bepalingen. Door een herordening van de categorieën bevoegd en benoembaar ontstaat een meer homogeen overzicht van de juridische mogelijkheden om leraren te benoemen.

Rechtspositie

Werkgevers- en werknemersorganisaties in Europees Nederland onderhandelen in het voortgezet onderwijs, evenals in de andere onderwijssectoren, zelf over de arbeidsvoorwaarden van het personeel. Het gaat om de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden en bovenwettelijke sociale zekerheid. De onderhandelingen over het pensioen vinden plaats in de pensioenkamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid. Dit is een overlegtafel tussen centrales van overheidspersoneel en het Verbond Sectorwerkgevers Overheid. De sectororganisatie VO-raad is lid van dat Verbond.

In overeenstemming met dit uitgangspunt van volledige decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden, bepaalt de WVO 20xx dat het bevoegd gezag van een school de rechtspositie van het personeel regelt. Over de totstandkoming van de rechtspositionele regelingen moet overleg worden gevoerd tussen het bevoegd gezag en vakorganisaties. Door hun lidmaatschap van de werkgeversorganisatie mandateren de schoolbesturen als werkgevers deze werkgeversorganisatie om namens hen met de vakorganisaties te onderhandelen over een cao.

In paragraaf 7, die gaat over de rechtspositie van het personeel, wordt onder andere geregeld dat ieder personeelslid in algemene dienst is van het bevoegd gezag. Het personeel in het openbaar onderwijs krijgt een akte van aanstelling en het personeel in het bijzonder onderwijs een akte van benoeming, waarvan de verplichte elementen in de wet worden opgesomd. Wanneer voor het schoolbestuur een raad van toezicht is ingesteld, behoren de leden van die raad ook tot het personeel. Voor die bijzondere categorie worden in artikel 3.3, vierde lid, bijzondere regels gesteld.

Er zijn ook studenten die zijn ingeschreven voor een opleiding op grond van de WHW voor het beroep van leraar of die op een andere manier studeren om aan de bekwaamheidseisen te voldoen voor een functie in het primair, voortgezet, of beroepsonderwijs. In paragraaf 8 van dit hoofdstuk (Stages) is vastgelegd dat het bevoegd gezag verplicht is deze studenten tot de school toe te laten om in de school de ervaring op te doen die vereist is als onderdeel van hun opleiding.

Het lerarenregister en het registervoorportaal

De paragrafen 10 en 11 regelen dat de bekwaamheid van de leraar blijkt uit het lerarenregister en registervoorportaal. Leraren die aan de bekwaamheidseisen voldoen, moeten zich registreren in het lerarenregister en door middel van professionaliseringsactiviteiten voldoen aan de herregistratiecriteria. Opname in het registervoorportaal is, als daarvoor een wettelijke uitzonderingsgrond aanwezig is, een tijdelijk alternatief voor vermelding in het lerarenregister.

De wet bepaalt dat alle leraren die aan de bekwaamheidseisen voldoen, anders gezegd: bevoegd zijn, in het lerarenregister staan. Zij kunnen zich met hun vermelding in het lerarenregister «registerleraar» noemen. In het lerarenregister houden zij hun professionaliseringsactiviteiten bij in hun registerportfolio. Zij werken aan hun bekwaamheidsonderhoud met het oog op herregistratie. Aan de hand van het lerarenregister wordt periodiek – op basis van de criteria van de beroepsgroep – bepaald of zij dat afdoende doen. Leraren worden geacht te beschikken over een relevant diploma, waarmee is bewezen dat zij aan de bekwaamheidseisen voldoen. Vervolgens werken zij aan het onderhoud van die bekwaamheid, en krijgen zij die activiteiten ook erkend. Halen ze de herregistratiecriteria niet, zonder dat daar een rechtvaardigingsgrond voor aanwezig is, dan wordt dat aangetekend bij hun vermelding in het lerarenregister. Deze leraren kunnen dan geen verantwoordelijkheid meer dragen zoals omschreven in de wetsartikelen die het beroep van leraar betreffen, totdat ze aan de criteria voldoen. De beroepsgroep van leraren bepaalt de inhoud van de herregistratiecriteria, waarbij zij zich vergewist van draagvlak voor deze criteria bij de schoolbesturen. De wettelijke regels over het lerarenregister zien primair op het stimuleren van bekwaamheid en bekwaamheidsonderhoud door leraren. De leraren die (nog) niet aan de juiste bekwaamheidseisen voldoen, komen in het registervoorportaal te staan. In tegenstelling tot het lerarenregister ligt de inhoudelijke verantwoordelijkheid voor het registervoorportaal bij de overheid. Hiervoor houdt de overheid de voorwaarden bij op grond waarvan deze leraren in een beperkt aantal uitzonderingssituaties op de registercriteria onbevoegd mogen lesgeven. De voorwaarden omvatten onder meer de termijn waarbinnen deze inzet is toegestaan; na afloop van de termijn worden deze leraren geacht aan de bekwaamheidseisen te voldoen waardoor zij zich kunnen registreren in het lerarenregister. Met het aanleggen van een registervoorportaal wordt de inzet zichtbaar van leraren die nog aan de juiste bekwaamheidseisen moeten voldoen en kunnen de eisen die hieraan zijn verbonden worden bewaakt. Gedurende hun opname in het registervoorportaal werken de leraren waarvoor dat geldt aan het voldoen aan de juiste bekwaamheidseisen zodat zij aansluitend kunnen overstappen op het lerarenregister. Schoolbesturen stellen hen hiertoe in de gelegenheid.

Caribisch Nederland

Ook voor de bepalingen over personeel geldt dat een aantal zaken afwijkend geregeld is voor Caribisch Nederland. Allereerst bestaat de mogelijkheid tot het plaatsen van een centrale directie aan het hoofd van een grote of complexe school niet in Caribisch Nederland. Leraren die op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 210 van de WVO BES (dat wil zeggen: voor 1 augustus 2011) naar Nederlands Antilliaans recht bevoegd waren en onderwijs geven op een school voor voortgezet onderwijs in Caribisch Nederland, behielden hun bevoegdheden onder de WVO BES en behouden die ook onder de WVO 20xx. Ook studenten die vóór de inwerkingtreding van artikel 212 van de WVO BES (dat wil zeggen voor 1 augustus 2011) zijn begonnen aan een lerarenopleiding en die binnen vijf jaar na die inwerkingtreding hun onderwijsbevoegdheid hebben behaald, zijn net als zittende bevoegde leraren benoembaar in Caribisch Nederland.

Dit betekent dat nieuw aan te stellen leraren aan de Europees Nederlandse bekwaamheidseisen moeten voldoen. Op deze wijze is uitwisseling van leerkrachten op de BES-eilanden onderling, maar ook met Europees Nederland, eenvoudiger. Zittende leraren die op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 211 van de WVO BES (dat wil zeggen voor 1 augustus 2011) niet in het bezit waren van een bevoegdheid volgens voormalige Antilliaanse regelgeving, hadden binnen een termijn van vijf jaar over een bevoegdheid moeten beschikken. Dat betekent dat voor de onbevoegde leraren die vóór genoemde inwerkingtreding beginnen aan een opleiding die leidt tot een Nederlands-Antilliaanse bevoegdheid, daarna hetzelfde overgangsrecht geldt als voor de huidige studenten van de lerarenopleiding. Het is aan de werkgever om er zorg voor te dragen dat leraren aan de bekwaamheidseisen voldoen en indien nodig afspraken te maken over bijscholing.

Het centrale artikel over de rechtspositieregeling van personeel is in Caribisch Nederland niet van toepassing. Er gelden andere bepalingen voor het onderhandelen over de arbeidsvoorwaarden van het personeel en voor de rechtspositie van het personeel dat werkzaam is op een openbare school. Zo geldt de verplichting tot het voeren van overleg tussen het bevoegd gezag en vakorganisatie niet. In plaats daarvan moet het bestuurscollege met bevoegde gezagsorganen en personeel of vertegenwoordigers van personeel overleggen voordat het de regeling voor de salarissen en toelagen van het personeel vaststelt. De bepalingen uit de Ambtenarenwet BES en de daarop berustende regelingen gelden rechtstreeks. Voor personeel van een bijzondere school in Caribisch Nederland is bepaald dat deze regelgeving van overeenkomstige toepassing is.

Over de invoering van een lerarenregister in Caribisch Nederland wordt nog afzonderlijk besloten. De registerbepalingen van hoofdstuk 7 en artikel 7.8 over het beroep van leraar beperken zich daarom nog tot Europees Nederland.

Hoofdstuk 8. Deelname

Recht op het volgen van voortgezet onderwijs

Uitgangspunt van het Nederlandse voortgezet onderwijs is dat alle jongeren vanaf circa twaalf jaar recht hebben op het volgen en afronden van een opleiding in het voortgezet onderwijs (artikel 8.4 onderscheidt de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om tot het voortgezet onderwijs toegelaten te kunnen worden). Dit wil echter niet zeggen dat een jongere er zonder meer recht op heeft om op elke school dat onderwijs te volgen, of een opleiding te volgen op elk niveau. De te volgen opleiding moet immers aansluiten bij de capaciteiten en het leerpotentieel van de leerling. Niet elke leerling zal bijvoorbeeld in staat zijn een specifieke beroepsgerichte opleiding te volgen, of op een bepaald cognitief niveau te presteren. Bovendien kunnen scholen voor bijzonder onderwijs een schooleigen toelatingsbeleid voeren, zodat ouders kunnen kiezen voor een school met een identiteit of visie op onderwijs die aansluit bij hun eigen levensbeschouwelijke of onderwijskundige opvattingen. Ten slotte zijn er praktische redenen waarom het voor een school nodig kan zijn een toelatingsbeleid te voeren, bijvoorbeeld als er meer aanmeldingen zijn dan de school kan accommoderen. In dit hoofdstuk worden de regels gesteld over toelating en deelname.

Toelating tot het onderwijs en tot een bepaalde school

De toegankelijkheid van en toelating tot het voortgezet onderwijs worden in hoofdstuk 8 op drie niveaus geregeld: toelating tot het voortgezet onderwijs als zodanig, toelating tot een bepaalde school en toelating tot of plaatsing op een bepaald onderwijsniveau. Bovendien zijn er nadere regels voor toelating van leerlingen die extra ondersteuning behoeven. Het totale aanbod van scholen, openbaar en bijzonder, moet toereikend zijn om alle leerlingen in de gelegenheid te stellen een opleiding in het voortgezet onderwijs te volgen. Het openbaar onderwijs is toegankelijk voor alle leerlingen. Anders dan bij scholen voor bijzonder onderwijs kan daarbij geen onderscheid gemaakt worden naar godsdienst of levensovertuiging. Voor alle leerlingen bestaat dus in beginsel de gelegenheid om openbaar onderwijs te volgen. Bijzondere scholen kunnen wel een toelatingsbeleid voeren, onder de voorwaarde dat dit beleid consequent, consistent en transparant wordt uitgevoerd. Toelating mag alleen afhankelijk worden gesteld van een financiële bijdrage als daarvoor een wettelijke grondslag is.

Toelating tot de brugklas van een bepaalde schoolsoort

Als een leerling de basisschool bijna heeft afgerond, wordt hij of zij aangemeld bij een school voor voortgezet onderwijs. Het bevoegd gezag van de school voor voortgezet onderwijs beslist over de toelating van de leerling tot de school als zodanig. Wanneer de leerling tot de school wordt toegelaten, wordt gekeken welke opleiding de leerling in het voortgezet onderwijs kan gaan volgen, en dus in de brugklas van welke schoolsoort (vbo, mavo, havo of vwo, of in een combinatie van deze schoolsoorten, bijvoorbeeld havo/vwo) de leerling geplaatst wordt. Hierbij moet het bevoegd gezag het advies van de basisschool volgen. Het basisschooladvies is leidend, dat wil zeggen dat het bevoegd gezag het advies onverkort moet volgen, de leerling niet mag plaatsen op een lager schoolniveau dan door de basisschool is geadviseerd en de plaatsingsbeslissing niet op andere, aanvullende informatie mag baseren. Daarvoor geldt wel een aantal uitzonderingen. Als ouders en leerlingen zelf aangeven «naar beneden» van het basisschooladvies te willen afwijken, behoeft de leerling niet op het adviesniveau geplaatst te worden. Als er sprake is van een brugklas met een bijzondere inrichting (bijvoorbeeld met tweetalig onderwijs of met extra aandacht voor sport of dans voor talenten op dat vlak) mag het bevoegd gezag ook aanvullende informatie vragen aan de hand waarvan bepaald kan worden of de leerling over de daarvoor benodigde specifieke kennis, vaardigheden en (leer)houdingen beschikt. Als dat niet het geval is, moet de leerling wel in een brugklas op het geadviseerde niveau geplaatst worden, maar is de school niet verplicht tot plaatsing in de klas met de betreffende bijzondere inrichting.

Toelating van leerlingen die extra ondersteuning behoeven

Voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven, kan het bevoegd gezag ook om aanvullende informatie vragen. Zo kan deze leerlingen onderwijs op maat worden geboden. Als de school waar de leerling is ingeschreven de benodigde ondersteuning niet zelf kan bieden, is het de verantwoordelijkheid van de school om ervoor te zorgen dat de leerling op een andere school terecht kan, of dat in het samenwerkingsverband de benodigde ondersteuning geboden wordt.

Aanmelding, toelating en gegevenslevering

Na de algemene uitgangspunten over toelaatbaarheid van leerlingen tot het onderwijs, tot een bepaalde school en tot een bepaald schoolniveau, al dan niet met extra ondersteuning, geven de artikelen 8.8 tot en met 8.13 regels over het proces van aanmelding en toelating, en over de informatie die de ouders daartoe aan de school moeten verstrekken. Wanneer de ouders aan deze voorwaarden hebben voldaan, zorgt het bevoegd gezag voor de verdere administratieve en organisatorische afhandeling van de inschrijving van de leerling en plaatsing in een voor hem of haar passende brugklas.

Schorsing, verwijdering en uitschrijving

Leerlingen hebben recht op het volgen van onderwijs, en wanneer zij eenmaal op een school onderwijs volgen, moeten zij dit in beginsel kunnen blijven doen. Helaas komt het soms voor dat een leerling tijdelijk of structureel niet handhaafbaar is op school. Het bevoegd gezag kan dan overgaan tot schorsing voor bepaalde tijd, of zelfs tot definitieve verwijdering en uitschrijving van de leerling. Het besluit hiertoe moet voldoen aan eisen van zorgvuldigheid en proportionaliteit. In de artikelen 8.14 en 8.15 worden hiervoor regels gesteld.

Voortijdig schoolverlaten

Als een leerling het voortgezet onderwijs verlaat zonder dit met een vo-diploma te hebben afgerond, is hij of zij een voortijdig schoolverlater. Daarmee is hij of zij in de regel onvoldoende gekwalificeerd voor het volgen van een vervolgopleiding en voor succesvolle deelname aan de maatschappij. Daarom moet het aantal voortijdig schoolverlaters zoveel mogelijk worden beperkt, en wordt de deelname van jongeren in een kwetsbare positie aan het onderwijs en de arbeidsmarkt gevolgd door het college van burgemeester en wetshouders. In paragraaf 2 van dit hoofdstuk wordt hiervoor de wettelijke basis gegeven.

Caribisch Nederland

In Caribisch Nederland is in ieder openbaar lichaam slechts één bekostigde school voor voortgezet onderwijs gevestigd. Daarom wordt een leerling die voor een school wordt aangemeld, daar in principe ook toegelaten. De regels voor aanmelding en toelating tot een school zijn voor Caribisch Nederland dan ook eenvoudiger dan in Europees Nederland. Van belang is vooral dat de leerlingen tijdig worden aangemeld, en dat bij die aanmelding de juiste gegevens worden verstrekt.

Ook op het gebied van zorg voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte gelden andere regels voor Caribisch Nederland dan de regels die over passend onderwijs in Europees Nederland van kracht zijn. De bepalingen over de zorgplicht van scholen voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, zijn niet van toepassing in Caribisch Nederland. In plaats daarvan geldt een eigen zorgstructuur, die is geregeld in de artikelen 11.5 en 11.13 tot en met 11.24. Tot slot zijn de bepalingen over de bestrijding van voortijdig schoolverlaten voor Caribisch Nederland afwijkend. In plaats van de artikelen 8.19 tot en met 8.27 geldt voor Caribisch Nederland artikel 11.97. In hoofdstuk 11 en de toelichting daarop worden de bepalingen gegeven die voor Caribisch Nederland afwijken van de bepalingen in hoofdstuk 8.

Hoofdstuk 9. Experimenten en bijzondere inrichting

Dit hoofdstuk regelt een aantal mogelijkheden om voor onderwijsinstellingen of voor leerlingen daarbinnen, af te wijken van bepalingen in de WVO 20xx. Het gaat zowel om afwijkingsmogelijkheden in de vorm van een experiment (de artikelen 9.1 en 9.2), als om afwijkingen met een structureel karakter vanwege de bijzondere inrichting van een school (artikel 9.3). Beide typen afwijkingsmogelijkheden gelden voor groepen van gevallen. Een voorbeeld van bijzondere inrichting als bedoeld in artikel 9.3 vormen de scholen met een aangepast lesprogramma voor jonge sporttalenten, of toptalenten op het gebied van dans of muziek, de zogenaamde Loot- en DaMu-scholen.

Experimenteerbepalingen bieden de mogelijkheid om nieuwe ontwikkelingen te onderzoeken en te stimuleren door af te kunnen wijken van bestaande wet- en regelgeving. Ze zijn een belangrijk instrument voor vernieuwing en bieden onderwijsinstellingen de mogelijkheid om nieuwe en innovatieve ideeën te testen. Dat kan binnen het voortgezet onderwijs, maar er is ook voorzien in een mogelijkheid tot het opzetten van experimenten in het kader van samenwerking tussen scholen in verschillende sectoren (bijvoorbeeld voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs).

Omdat in experimenten wordt afgeweken van de wet, is tegelijkertijd voorzichtigheid geboden. Daarom is een aantal waarborgen verbonden aan de mogelijkheid tot experimenteren. Zo geldt dat afwijking van de wet op basis van de artikelen 9.1 of 9.2 voor een experiment alleen maar kan worden geregeld bij amvb en dat de duur van een experiment beperkt is. Experimenteren vergt een zo concreet en nauwkeurig mogelijke begrenzing van het onderwerp waarop een experiment betrekking heeft. Het doel en de functie van het experiment moeten vooraf worden aangegeven, daarnaast moet duidelijk zijn van welke artikelen of onderdelen van de wet kan worden afgeweken. Ook moet altijd worden aangegeven hoe evaluatie plaatsvindt, en wordt voorafgaand aan het aflopen van een experiment verslag uitgebracht over de opbrengsten ervan.

In het kader van een experiment, of vanwege de bijzondere inrichting van het onderwijs aan een school, kan op verschillende manieren van de wet worden afgeweken. De mogelijkheden worden hieronder genoemd:

  • a. ontheffingen/vrijstellingen voor individuele leerlingen,

  • b. afwijkingen van onderwijs- en examenregels omdat de school een bijzondere inrichting heeft, zoals in het geval van de Loot- en DaMu-scholen, scholen met overwegend oudere asielzoekers als leerlingen, enz.,

  • c. experimenten op het gebied van onderwijs, examens, bekostiging, personeel (tijdelijke afwijkingen),

  • d. experimentele nieuwe onderwijssoorten die binnen de kaders van de WVO 20xx niet mogelijk zijn (in het verleden bijvoorbeeld de Middenschool en de Nieuwe Lerarenopleidingen).

Hoofdstuk 9 regelt afwijkingsmogelijkheden voor het voortgezet onderwijs zoals hiervoor opgesomd onder b, c en d. De WVO 20xx regelt in hoofdstuk 2 de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden voor individuele leerlingen (zie artikel 2.43, eerste lid, onderdeel b). Daarnaast is er de Experimentenwet onderwijs (EWO) voor innovatieve onderwijsvormen die buiten de kaders van de sectorwetten vallen. Bij het redigeren van hoofdstuk 9 is besloten om alleen afwijkingsmogelijkheden voor specifieke scholen of specifieke groepen leerlingen en (innovatieve) experimenten bij elkaar te plaatsen, vanwege die specifieke koppeling, en om afwijkingen voor individuele leerlingen (ontheffingen en vrijstellingen) erbuiten te laten. Een belangrijke groep afwijkingsmogelijkheden staat dan bij elkaar, waarbij goed zichtbaar is aan de ene kant welke tijdelijke/experimentele afwijkingen mogelijk zijn en aan de andere kant welke meer structurele mogelijkheden er zijn om van een vrij beperkt aantal bepalingen (namelijk over examens en inrichting van het onderwijs) af te wijken.

Hoofdstuk 10. Sancties

In dit hoofdstuk is uitsluitend een algemene sanctiebepaling opgenomen: ze geeft de Minister de bevoegdheid om een sanctie op te leggen bij een handelen in strijd met deze wet en de uitvoeringsregels van deze wet. De sanctiebepaling is verbonden aan handelingen in strijd met de wet die voortduren. De (herstel)sanctie is er op gericht de onrechtmatige handelingen te beëindigen. Dit kan door de bekostiging op te schorten zolang een onrechtmatige situatie voortduurt. Als de onrechtmatige situatie is hersteld, zal alsnog de opgeschorte bekostiging worden verstrekt. Als herstel van de onrechtmatige situatie niet meer kan plaatsvinden wordt de bekostiging ingehouden. Daarnaast is in het Bekostigingsbesluit WVO opgenomen dat indien uit de jaarverslaggeving van een school blijkt dat bekostiging onrechtmatig is besteed, de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de bekostiging.

Op het voortgezet onderwijs zijn ook de algemene sanctiebepalingen voor subsidie, zoals die zijn opgenomen in de Awb (titel 4.2), van toepassing. Het betreft hier met name de artikelen 4:35, 4:48 en 4:49 Awb.11

Overige sancties

Overige bestuurlijke maatregelen zijn opgenomen in hoofdstuk 3, paragraaf 9 (Klachten, maatregelen en aanwijzingen) of zijn opgenomen bij het onderwerp waar de betrokken maatregel direct verband mee houdt. Bij dat laatste gaat het om de volgende maatregelen:

  • Artikel 2.49 bevat de maatregel die de Minister kan treffen indien een samenwerkingsverband zijn taak ernstig verwaarloost;

  • Artikel 2.61, dat is ontleend aan het Eindexamenbesluit VO, regelt een aantal maatregelen die kunnen worden genomen op het moment dat zich onregelmatigheden of onvoorziene omstandigheden voordoen bij het eindexamen. Artikel 2.82 bevat een soortgelijke bepaling voor de staatsexamens;

  • Artikel 2.62 regelt de intrekking van de bevoegdheid examens af te nemen indien het gemiddeld verschil tussen de cijfers van het schoolexamen en het centraal examen te lang te groot is;

  • Artikel 2.70 bepaalt wanneer en onder welke voorwaarden de bevoegdheid om examens af te nemen kan worden ingetrokken voor een niet uit ’s Rijks kas bekostigde school;

  • Artikel 2.95 bepaalt dat de bekostiging van een school voor bijzonder onderwijs kan worden beëindigd en dat een school voor openbaar onderwijs kan worden opgeheven indien sprake is van zeer zwak onderwijs;

  • De artikelen 3.9, 3.15, 3.21 en 3.26 geven aan dat een gemeente de bevoegdheid heeft een rechtspersoon die – mede – openbaar onderwijs verzorgt te ontbinden indien sprake is van taakverwaarlozing;

  • Artikel 3.37 geeft de Minister de bevoegdheid maatregelen te treffen als op een school de zorg voor de kwaliteit tekortschiet en het bevoegd gezag verzoekt om maatregelen;

  • Artikel 3.38 geeft de Minister de bevoegdheid bestuurders of toezichthouders een aanwijzing te geven indien sprake is van onregelmatigheden, zoals bijvoorbeeld financieel wanbeleid;

  • Artikel 7.41 geeft aan dat een leraar bij koninklijk besluit in zijn bevoegdheid tot het geven van onderwijs kan worden geschorst als bij herhaling niet ieders godsdienst of levensovertuiging wordt gerespecteerd.

Hoofdstuk 11. Caribisch Nederland

Op 10 oktober 2010 vond de staatkundige transitie plaats waarmee Bonaire, Sint Eustatius en Saba openbare lichamen binnen Nederland werden. Deze transitie heeft effect gehad op de voor Caribisch Nederland geldende wet- en regelgeving. Omdat het onderwijs in Caribisch Nederland destijds nog niet voldeed aan de maatstaven die het kabinet aanvaardbaar achtte, is ervoor gekozen aparte onderwijswetten op te stellen. De eerder geldende landsverordening is omgezet naar de WVO BES, met de Europees Nederlandse WVO als model.

Terugkijkend op de afgelopen jaren is er veel gebeurd in Caribisch Nederland. De scholen hebben de stap gemaakt naar basiskwaliteit. Dat geeft aan dat de eilanden in ontwikkeling zijn op het gebied van onderwijs. Dit vraagt ook een stap in de ontwikkeling van de wetgeving die geldt voor het voortgezet onderwijs op Bonaire, Saba en Sint Eustatius (inclusief het middelbaar beroepsonderwijs).

Met in gedachten dat het uitgangspunt dat Europees Nederlandse regelgeving in grote mate model stond voor de onderwijsregelgeving op de drie eilanden en de ontwikkeling daarin een stijgende lijn is kan de volgende stap worden gezet om nog meer de eenheid aan te geven. Het groot technisch onderhoud van de WVO in Europees Nederland is het moment om te komen tot één Wet voortgezet onderwijs voor alle scholen voor het voortgezet onderwijs in Europees en Caribisch Nederland. Een aparte wet voor de scholen voor voortgezet onderwijs in Caribisch Nederland is niet (meer) noodzakelijk, gezien de hiervoor geschetste ontwikkelingen. Uitgangspunt is dat de WVO 20xx van toepassing is, ook voor Caribisch Nederland. Daar waar dit onwenselijk of onmogelijk blijkt, bijvoorbeeld vanwege de kleinschaligheid van de eilanden en de geografische ligging, is maatwerk gewenst. Dit maatwerk komt tot uiting in hoofdstuk 11, waar de uitzonderingen en specifieke bepalingen voor Caribisch Nederland worden geregeld. In de andere hoofdstukken wordt in de toelichting aangegeven of er een specifieke bepaling geldt voor Caribisch Nederland. Daar waar een specifieke bepaling geldt, wordt verwezen naar hoofdstuk 11.

Bij de inwerkingtreding van de WVO BES was duidelijk dat niet aan alle eisen van de WVO BES onmiddellijk kon worden voldaan. Er is destijds voor gekozen om de WVO BES gefaseerd in werking te laten treden. Prioriteit had en heeft de invoering van die eisen die onmiddellijk de kwaliteit van het onderwijs raken. Nog niet alle artikelen uit de WVO BES zijn voor Caribisch Nederland in werking getreden. Daarnaast heeft Caribisch Nederland op een enkel punt nog te maken met overgangsrecht tussen Nederlands- Antilliaanse regelgeving en de WVO BES. Verschillende artikelen die nog niet in werking zijn op Caribisch Nederland zijn wel in de WVO 20xx opgenomen (omdat ze ook al in de WVO BES stonden), maar treden op een later moment in werking.12 Soms geldt dat een artikel wel in Europees Nederland maar nog niet in Caribisch Nederland in werking treedt. Zie verder voor het invoerings- en overgangsrecht hoofdstuk 12.

Aanbod en systematiek

Het aanbod binnen het voortgezet onderwijs is gelijk aan het aanbod in Europees Nederland. Dit betekent dat het in beginsel mogelijk is om in Caribisch Nederland alle vormen van voortgezet onderwijs aan te bieden die in de wet staan. Gelet op het beperkte aantal leerlingen zal dit echter niet voor alle schoolsoorten, en daarbinnen alle leerwegen of profielen, te realiseren zijn. Bij een eventuele uitbreiding van het onderwijsaanbod kan rekening gehouden worden met de behoeftes op de lokale arbeidsmarkt.

Taal en examens

In 2011 bleef de voor Caribisch Nederland gehanteerde instructietaal, examentaal en examenstructuur gehandhaafd. Dit betekent voor Bonaire dat de hoofdregel is dat het Nederlands de instructie- en examentaal in het voortgezet onderwijs is en dat de examenstructuur gelijk is aan die van Europees Nederland. Dit laat onverlet dat het in de praktijk is toegestaan dat een docent af en toe gebruik maakt van het Papiaments voor aanvullende toelichting. Tevens blijft de uitzondering voor de instructietaal (Papiaments) in het praktijkonderwijs, dat geen examens kent. Hierbij blijft het Nederlands als vak behouden.

Het onderwijs op de enige school voor voortgezet onderwijs op Saba, de Saba Comprehensive School, waar Engels de instructie- en examentaal is en waar het Engelstalige examen van de Caribbean Examinations Council wordt afgenomen, wordt gerekend tot de andere vormen van voortgezet onderwijs in de zin van artikel 2.86. In het «Tijdelijk besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES» wordt deze uitzondering geregeld. Op die manier blijft de situatie van voor 10 oktober 2010 op Saba gehandhaafd. De inhoud van het verplichte examenvak Nederlands wordt wel versterkt zodat Nederlandstalig vervolgonderwijs ook voor Sabaanse leerlingen toegankelijk blijft.

Per 1 augustus 2015 is ook de enige school voor voortgezet onderwijs op Sint Eustatius, de Gwendoline van Puttenschool, opgenomen in voornoemde amvb. Dit betekent dat de Gwendoline van Puttenschool ook Engels als instructie- en examentaal heeft en het Engelstalige examen van de Caribbean Examinations Council wordt afgenomen.13 Voor eventueel op Saba en Sint-Eustatius te stichten nieuwe scholen geldt dat ze moeten voldoen aan de bekostigingsvoorwaarden die in deze wet zijn geregeld.

Tekortschieten leerresultaten

In Europees Nederland is een bepaling over minimumleerresultaten als bekostigingsvoorwaarde opgenomen. Deze minimumleerresultaten zijn in Europees Nederland uitgewerkt in een amvb en vervolgens in een ministeriële regeling. In Caribisch Nederland is het leerlingenbestand te klein om de normering van de minimumleerresultaten te onderbouwen met een vergelijking zoals die in Europees Nederland wordt gemaakt tussen scholen met dezelfde schooljaren en met een vergelijkbaar leerlingenbestand. De veranderingen in de inhoud van het onderwijs als gevolg van de transitie in 2010 zijn zodanig dat vooralsnog de ervaring ontbreekt om op basis van de meting van de resultaten een normering vast te stellen. De bepaling over minimumleerresultaten, inclusief de grondslag voor een amvb, wordt dan ook uitgezonderd voor Caribisch Nederland. Ook de uiterste consequentie van ernstig of langdurig tekortschietende leerresultaten, namelijk de mogelijkheid om een school te sluiten worden uitgezonderd voor Caribisch Nederland.

Overigens blijven ook bij het ontbreken van de mogelijkheid om een school te sluiten bij ernstig of langdurig tekortschietende leerresultaten nog voldoende mogelijkheden overeind om slagvaardig op te kunnen treden bij onvoldoende onderwijskwaliteit. Wat betreft de kwaliteit van het onderwijs wordt het toezichtskader van de inspectie ook voor Caribisch Nederland toegepast. De inspectie kan verder prestatieafspraken maken met scholen. De mogelijkheid om bekostiging in te houden of op te schorten is wel van toepassing en ook de aanwijzingsbevoegdheid is van toepassing.

Kerndoelen

Voor de inhoudelijke inrichting van het voortgezet onderwijs op Bonaire geldt dezelfde structuur als die in Europees Nederland geldt. Dit houdt in dat de kerndoelen gelden in de onderbouw en dat de inhoud van het onderwijsprogramma in de bovenbouw en de beroepsopleiding is afgeleid van de eindtermen. De kerndoelen van het Caribische en het Europese deel van Nederland zijn grotendeels identiek zodat het mogelijk is dat leerlingen uit Caribisch Nederland tussentijds makkelijk doorstromen naar een opleiding binnen het Europese deel van Nederland en omgekeerd. Specifiek verschillen de onderdelen E en F van de kerndoelen enigszins ten opzichte van de onderdelen die gelden in Europees Nederland. De culturele en maatschappelijke aspecten van de Caribische regio zijn in de kerndoelen verwerkt, zodat in de onderbouw van het voortgezet onderwijs daaraan aandacht besteed wordt. Papiaments is opgenomen als vak in het vrije deel. Op deze wijze wordt de grondslag voor het examenvak Papiaments gecreëerd. Voor de inhoudelijke inrichting van het voortgezet onderwijs op Saba en Sint Eustatius gelden de vereisten van de Caribbean Examinations Council.

Voorzieningenplanning

De scholen of scholengemeenschappen in Caribisch Nederland die voor bekostiging in aanmerking komen sinds Bonaire, Sint Eustatius en Saba openbare lichamen zijn, zijn via overgangsrecht aangemerkt als scholen in de zin van de WVO BES. Op ieder eiland is één school voor voortgezet onderwijs aanwezig.

Voor de bekostiging van nieuwe scholen hanteert Caribisch Nederland een andere systematiek dan Europees Nederland. Gezien de schaalgrootte van de afzonderlijke eilanden, maar ook gezien de verschillen in schaal tussen Bonaire enerzijds en Saba en Sint Eustatius anderzijds, is het niet mogelijk om de stichtingsnormen zoals die in Europees Nederland gelden ook op Caribisch Nederland toe te passen. De stichtingsnormen hebben primair tot doel een doelmatige verdeling van de onderwijsmiddelen te waarborgen. Nieuw te stichten scholen moeten een zodanige omvang hebben dat zij bedrijfseconomisch kunnen functioneren en voldoende kwaliteit van onderwijs kunnen bieden. Gelet op het spanningsveld tussen enerzijds de vrijheid van stichting, en anderzijds het risico van ondoelmatige besteding van onderwijsgeld, is een bevoegdheid voor de Minister opgenomen om scholen in Caribisch Nederland voor bekostiging in aanmerking te brengen wanneer blijkt dat deze naar verwachting zal worden bezocht door een aantal leerlingen dat voldoende is om een school van voldoende omvang en kwaliteit in stand te houden. De in de wet neergelegde criteria worden voor Caribisch Nederland in lagere regelgeving uitgewerkt, om tegemoet te komen aan de specifieke situatie op de verschillende eilanden.

Opheffing van scholen

Ook voor de opheffingsnormen geldt dat deze worden neergelegd in lagere regelgeving. Daarbij wordt aangesloten bij de systematiek die in Europees Nederland geldt, namelijk dat de opheffingsnormen zijn gerelateerd aan de stichtingsnormen.

Nevenvestiging en verplaatsing van vestigingen

Voor Caribisch Nederland is voor nevenvestigingen en verplaatsing van vestigingen een vereenvoudiging aangebracht, in die zin dat er niet zoals in Europees Nederland onderscheid wordt gemaakt tussen tijdelijke en permanente nevenvestigingen. Door de schaalgrootte wordt ieder eiland afzonderlijk als voedingsgebied beschouwd, waarbinnen scholen – om onderwijskundige redenen of redenen van huisvesting – nevenvestigingen kunnen openen, indien het eilandsbestuur daarvoor de huisvesting ter beschikking stelt. Zolang het eilandbestuur voorziet in de huisvesting kunnen scholen hun vestigingen verplaatsen binnen de grenzen van het openbaar lichaam. Op de nevenvestigingen kunnen dezelfde soorten onderwijs worden verzorgd als op de hoofdvestiging.

Geen regionaal plan onderwijs voorziening

In Europees Nederland kunnen bevoegde gezagsorganen samenwerken om het onderwijsaanbod op de vraag van leerlingen, ouders en andere belanghebbenden in het gezamenlijke werkgebied af te stemmen. Die mogelijkheid verkleint de rol van de centrale overheid en vergroot de autonomie van de scholen. De geografische ligging van Caribisch Nederland wijkt zodanig af van die in Europees Nederland dat dat deze mogelijkheden tot voorzieningenplanning niet toepasbaar zijn. Bovendien is er geen sprake van concurrentie van verschillende scholen binnen hetzelfde voedingsgebied. De artikelen die deze regionale samenwerking mogelijk maken zijn daarom niet toepasbaar in Caribisch Nederland.

Huisvesting

Voor Caribisch Nederland is voor wat betreft de huisvesting aangesloten bij de uitgangspunten en de verdelingssystematiek van de middelen die gelden in Europees Nederland. Nu ligt echter de overgangsbepaling voorziening in de huisvesting als een schil over de uiteindelijke huisvestingsbepalingen (zie artikel 208 van de WVO BES).* Nadat de overgangsbepaling is uitgewerkt, worden de uiteindelijke huisvestingsbepalingen van kracht. Dit betekent dat vanaf dat moment de eilandsraad en het bestuurscollege zorg dragen voor de huisvestingsvoorzieningen op het grondgebied van het openbaar lichaam. Deze huisvesting moet zodanig zijn dat kan worden voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen stelt. Openbaar een bijzonder onderwijs wordt op gelijke voet behandeld. De verdeling van de middelen komt er grosso modo op neer dat het schoolbestuur van het Rijk een normatieve vergoeding ontvangt voor uitvoering van onderhoud aan gebouwen en terreinen.

Aanvraag- en toekenningsprocedure huisvestingsvoorzieningen Caribisch Nederland.

De aanvraag- en toekenningsprocedure voor huisvestingsvoorzieningen is met het oog op het kleine aantal scholen in Caribisch Nederland eenvoudiger dan in Europees Nederland. Zo zal niet eerst een programma huisvestingsvoorzieningen door het bestuurscollege hoeven te worden gemaakt, waarin de aanvragen om huisvesting worden opgenomen die worden beoordeeld op grond van een gedetailleerde eilandelijke verordening. In plaats van het huisvestingsprogramma en de eilandsverordening kunnen scholen die niet door het openbaar lichaam in stand worden gehouden één keer per jaar een aanvraag om een voorziening in huisvesting indienen bij het bestuurscollege. De aanvraag dient vóór 1 september voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft te zijn ingediend. Het bestuurscollege beslist vervolgens vóór 1 januari van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft. De vereisten waaraan deze aanvraag dient te voldoen, staan in de door de eilandsraad vastgestelde eilandsverordening. De aanvraag kan alleen worden afgewezen op basis van een wettelijke weigeringsgrond, waaronder het door het bestuurscollege vastgestelde bekostigingsplafond. Het bestuurscollege beslist op basis van urgentie welke aangevraagde voorzieningen worden bekostigd indien het bekostigingsplafond onvoldoende is voor alle aanvragen. Alleen in het geval van aanvragen met een spoedeisend karakter is het mogelijk om een aanvraag buiten de termijnen in te dienen die niet enkel kan worden afgewezen vanwege het bereiken van het bekostigingsplafond. Om de hoogte van dat bekostigingsplafond vast te stellen, zal het bestuurscollege overleggen met de schoolbesturen, om te inventariseren welke huisvestingsvoorzieningen nodig zijn. De aanvraag- en toekenningsprocedure is tot slot van overeenkomstige toepassing op openbare scholen die door het openbaar lichaam in stand worden gehouden.

Bestuurlijke en organisatorische structuur

Voor wat betreft de bestuurlijke en organisatorische structuur van een school voor voortgezet onderwijs, zijn de regels gelijk aan die voor Europees Nederland. Dit houdt onder meer in dat de personeelsstructuur in Caribisch Nederland gelijk is aan die in Europees Nederland. Taken en verantwoordelijkheden van het leidinggevend personeel worden vastgelegd en het bevoegd gezag beschrijft jaarlijks het beleid met betrekking tot de formatie van de verschillende personeelscategorieën van de school. De mogelijkheid om aan het hoofd van een grote of complexe school een centrale directie te plaatsen, is niet van toepassing omdat, gezien de schaalgrootte in Caribisch Nederland, een dergelijke grote of complexe school niet voor zal komen.

Bevoegdheden van leraren

Leraren die op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 210 van de WVO BES naar Nederlands Antilliaans recht bevoegd waren, en onderwijs geven op een school voor voortgezet onderwijs in Caribisch Nederland, behielden hun bevoegdheden onder de WVO BES en ook onder deze wet. Ook studenten die voor de inwerkingtreding van de WVO BES zijn begonnen aan een lerarenopleiding en die binnen vijf jaar na die inwerkingtreding hun onderwijsbevoegdheid hebben behaald, werden net als zittende bevoegde leraren benoembaar in Caribisch Nederland. Nadat de WVO20xx in werking is getreden kunnen alleen nog leerkrachten aangesteld worden die voldoen aan de benoemingsvereisten. Dit betekent dat nieuw aan te stellen leraren aan de Europees Nederlandse bekwaamheidseisen moeten voldoen. Op deze wijze is uitwisseling van leerkrachten op de BES-eilanden onderling, maar ook met Europees Nederland, eenvoudiger. Zittende leraren die op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 211 van de WVO BES niet in het bezit waren van een bevoegdheid volgens het toen geldende Antilliaanse regelgeving moesten binnen een termijn van vijf jaar over een bevoegdheid beschikken. Dat betekende dat voor de onbevoegde leraren die voor genoemde inwerkingtreding begonnen waren aan een opleiding die leidt tot een Nederlands-Antilliaanse bevoegdheid, daarna hetzelfde overgangsrecht gold als voor de huidige studenten van de lerarenopleiding. Het is aan de werkgever om er zorg voor te dragen dat leraren aan de bekwaamheidseisen voldoen en indien nodig afspraken te maken over bijscholing.

Zorgstelsel Caribisch Nederland

Leerlingenzorg

In Caribisch Nederland is het, gezien de schaalgrootte, niet haalbaar om een zorgstructuur in te richten volgens de gedetailleerde systematiek van Europees Nederland. Er zijn geen scholen voor speciaal onderwijs zoals die in Europees Nederland zijn geregeld in de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC). De gekozen benadering is erop gericht een zo eenvoudig mogelijk wettelijk kader te scheppen waarbinnen het belang van zorgleerlingen zo goed mogelijk wordt geborgd terwijl tegelijkertijd ruimte is voor betrokken scholen om zelf de beste oplossingen te kiezen aansluitend bij de behoefte en schaal van het eiland.

Eerstelijnszorg binnen de school

De scholen hebben de taak om leerlingen met een extra onderwijszorgvraag – de eerstelijnszorg, zoals onder andere praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs – zo veel mogelijk binnen de school op te vangen. Daarbij worden de maatregelen om een goede zorgstructuur te waarborgen door de school in het schoolplan vastgelegd. Uitvoering van de eerstelijnszorg vindt door en in de school plaats. Het bevoegd gezag van een school bepaalt, in overleg met de ouders, of een leerling in aanmerking komt voor zorg en stelt een handelingsplan op. Voor de eerstelijnszorg ontvangen de scholen een nader te bepalen toeslag die aan het bedrag van de lumpsum wordt toegevoegd.

Tweedelijnszorg in het expertisecentrum onderwijszorg

Daarnaast wordt per eiland een aanbod van specialistische deskundigheid georganiseerd in de vorm van een «expertisecentrum onderwijszorg» (EOZ), waarvan scholen voor primair onderwijs, scholen voor voortgezet onderwijs en instellingen voor beroepsonderwijs (hierna: instellingen) gebruik kunnen maken. Het EOZ is een rechtspersoon die deskundige ondersteuning kan bieden aan leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte. In eerste instantie zal het EOZ vooral ondersteuning bieden aan leerlingen binnen een school. Voorts kunnen leerlingen worden opgevangen binnen het EOZ indien deze leerlingen niet kunnen worden opgevangen binnen het voortgezet onderwijs. Het EOZ kan tijdelijk of voor langere tijd zorg dragen voor de opvang van zorgleerlingen (het gaat hierbij om leerlingen en deelnemers uit de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs of middelbaar beroepsonderwijs). Hoofdstuk 11 biedt scholen de ruimte om hiertoe zelf de optimale vorm te vinden. Er kan bijvoorbeeld binnen het samenwerkingsverband een lokaal door een van de scholen beschikbaar worden gesteld. Het EOZ huurt dan deze locatie. Daarnaast kunnen scholen gezamenlijk een leerkracht per onderwijssoort inhuren of detacheren vanuit een van de deelnemende scholen of instellingen. Het EOZ is verantwoordelijk voor de zorgaspecten. Leerlingen blijven ingeschreven bij de school, die verantwoordelijk blijft voor het onderwijs en de voorzieningen die daarbij horen.

Handelingsplan

Dat een leerling niet binnen de school kan worden opgevangen moet blijken uit het handelingsplan van de betrokken leerling, dat altijd in overeenstemming met de ouders wordt vastgesteld. Hierbij zijn een diagnose van een hiervoor gekwalificeerde expert en – indien relevant – resultaten van gevalideerde testen en/of toetsen noodzakelijk. Hiervoor gaat het initiatief uit van het bevoegd gezag.

Samenwerkingsverband

Per eiland is, om de zorgstructuur goed te laten functioneren, één samenwerkingsverband ingericht, waarin het expertisecentrum onderwijszorg, scholen voor primair en voortgezet onderwijs en instellingen samenwerken. In het samenwerkingsverband worden afspraken gemaakt over het geheel van zorgvoorzieningen zodat zoveel mogelijk leerlingen een ononderbroken onderwijsloopbaan kunnen doorlopen. In de eerste plaats worden afspraken gemaakt over de zorg voor leerlingen en deelnemers met een specifieke onderwijsbehoefte, die binnen een school of instelling deelnemen aan het onderwijs (eerstelijnszorg). In de tweede plaats worden er binnen het samenwerkingsverband afspraken gemaakt over de zorg voor en het onderwijs aan leerlingen en deelnemers die niet binnen een school of instelling onderwijs kunnen ontvangen. Deze leerlingen krijgen onderwijs binnen het expertisecentrum onderwijszorg, dat verantwoordelijk is voor de gespecialiseerde tweedelijnszorg. Verder spreken de partijen in het samenwerkingsverband af wie welk onderwijs verzorgt voor leerlingen en deelnemers die dat onderwijs moeten krijgen in het expertisecentrum onderwijszorg. De afspraken betreffen ook de toerekening van kosten als bijvoorbeeld een leraar van de ene school in het expertisecentrum onderwijszorg lesgeeft aan een leerling van een andere school. Deze afspraken worden neergelegd in een eilandelijk zorgplan.

Eilandelijk zorgplan

In het eilandelijk zorgplan worden naast afspraken over de eerste- en tweedelijnszorg ook de activiteiten van het expertisecentrum onderwijszorg en de partijen in het samenwerkingsverband, de beoogde resultaten en procedures om die resultaten te bereiken, beschreven. Het eilandelijk zorgplan wordt, gezien de bevoegdheden die de inspectie heeft ten aanzien van het onderwijs dat wordt gegeven aan leerlingen en deelnemers met een specifieke onderwijsbehoefte, jaarlijks toegezonden aan de inspectie.

Subsidie aan het EOZ

De WVO kent een bekostigingsgrondslag voor de bekostiging van taken van het EOZ in het kader van leerlingen, zoals onderwijsondersteunende activiteiten, het verzorgen van ambulante begeleiding, het verrichten van handelingsgerichte diagnostiek of het geven van advies (artikel 11.24).

Toezicht op onderwijs binnen het EOZ

De inspectie houdt vanuit haar bevoegdheden ten aanzien van scholen toezicht op de kwaliteit van het onderwijs dat binnen het EOZ wordt aangeboden. De inspectie is hiervoor bevoegd, omdat het bevoegd gezag van een school waarbij de betreffende leerling is ingeschreven verantwoordelijk blijft voor het onderwijs dat deze leerling ontvangt.

Toezicht op overige taken van het EOZ

Het EOZ ontvangt subsidie. In een ministeriële regeling zijn voorschriften opgenomen waaraan het EOZ moet voldoen. Het gaat hier bijvoorbeeld om het verstrekken van inlichtingen, gegevens en bescheiden, het opstellen van een begroting en een jaarplan en het uitbrengen van een jaarverslag en jaarrekening. Artikelen uit de titels 4.1 en 4.2 van de Awb en de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies over het verlenen, vaststellen, intrekken en terugvorderen van de subsidie zijn van toepassing op de subsidie aan het expertisecentrum onderwijszorg. Voor het toezicht op de taken van het EOZ kan de Minister een ambtenaar aanwijzen. Indien blijkt dat het expertisecentrum onderwijszorg zijn taken ernstig verwaarloost, kan de Minister maatregelen treffen. Als ultimum remedium kan de Minister de door hem afgegeven aanwijzing intrekken. Dit houdt in dat de rechtspersoon niet meer in aanmerking komt voor de subsidie en dat de Minister een andere rechtspersoon zal aanwijzen.

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

De bepalingen uit de WVO 20xx met betrekking tot het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid zijn niet van toepassing in Caribisch Nederland. De problematiek rond taalachterstanden verschilt teveel van de Europees Nederlandse situatie.

Toepasselijkheid van het Caribisch Nederlandse en Europees Nederlandse bestuursrecht

In Caribisch Nederland geldt de Wet administratieve rechtspraak BES (hierna: WAR BES). Die wet regelt met name het bestuursprocesrecht voor de Caribisch Nederlandse belanghebbenden. Tegen een beschikking van een bestuursorgaan kan rechtsbescherming worden ingeroepen conform de procedures die zijn neergelegd in de WAR BES. Dat geldt ook voor de beschikkingen die worden genomen op grond van de WVO 20xx en nu nog de WVO BES. Ook het in jurisprudentie van het Gerecht in eerste aanleg en in de jurisprudentie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevormde ongeschreven materiële bestuursrecht is van toepassing.

Voor de in Europees Nederland gevestigde bestuursorganen zoals de Minister geldt de Awb in beginsel niet ten aanzien van hun handelen in Caribisch Nederland. Om voor bijvoorbeeld subsidies en toezicht toch een juridisch kader te kunnen hanteren, wordt in diverse bijzondere BES-wetten bepaald dat de betreffende artikelen uit de Awb van toepassing zijn. Dat was het geval in de WVO BES en dat wordt nu overgenomen in de WVO 20xx. Waar het dus gaat om rechtsbescherming en het materiële bestuursrecht is het recht van de WAR BES van toepassing. Waar dat expliciet is bepaald, gelden voor het handelen van in Nederland gevestigde bestuursorganen zoals de Minister ten aanzien van de scholen voor voortgezet onderwijs in Caribisch Nederland daarnaast of in plaats daarvan nog enkele bepalingen uit de Awb.

Hoofdstuk 12. Overgangsrecht

In hoofdstuk 12 wordt uiteindelijk al het invoerings- en overgangsrecht voor het voortgezet onderwijs samengebracht dat nog relevant is. Bij het opnemen van overgangsrecht is de chronologie bepalend. Voor hoofdstuk 12 worden de Overgangswet W.V.O. (1967) en de oorspronkelijke WVO (1963), alsmede alle wijzigingswetten tot en met nu met betrekking tot de WVO, onder de loep genomen. Uitgewerkte overgangsbepalingen uit de diverse wijzigingswetten worden geschrapt; de overgangsbepalingen die nog niet zijn uitgewerkt worden eveneens in hun oude vorm geschrapt, maar tegelijkertijd materieel overgezet naar dit nieuwe hoofdstuk.

Deze actie betekent voor de gebruikers een verbetering, omdat de nog geldende invoerings- en overgangsbepalingen voor het voortgezet onderwijs nu allemaal in de WVO 20xx worden opgenomen en dus eenvoudiger te vinden zijn. Daarmee wordt bereikt dat bij de raadpleging van de geldende regelgeving voor het voortgezet onderwijs in een oogopslag kan worden gezien welke bijzondere regelingen daarbij van kracht zijn. Tevens worden alle artikelen voorzien van een toelichting.

In dit wetsvoorstel wordt hoofdstuk 12 slechts zeer beperkt gevuld. Dit wetsvoorstel bevat alleen het invoerings- en overgangsrecht dat voortvloeit uit het schrappen van bepaalde artikelen uit de WVO.

Met de Invoerings- en aanpassingswet WVO 20xx zal in elk geval worden ingevoegd:

  • het nu al in de WVO (zie titel IVE) en in de WVO BES (zie Titel VI) opgenomen overgangsrecht, in geactualiseerde vorm, en

  • het overige nog vigerende overgangsrecht uit oude wijzigingswetten van de WVO en de WVO BES dat nog van kracht en relevant is.

Hoofdstuk 13. Slotbepalingen

In dit slothoofdstuk van de wet is allereerst het centrale artikel over de voorhangprocedure opgenomen. In dit artikel zijn alle grondslagen samengebracht van uitvoeringsregels die aan een voorhangprocedure zijn onderworpen. Verder zijn de nog geldende evaluatiebepalingen van diverse wijzigingswetten opgenomen. Een cruciaal artikel is verder dat waarin de WVO en WVO BES worden ingetrokken. Het inwerkingtredingsartikel schrijft voor dat de hoofdstukken van de wet in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, waarbij kan worden gedifferentieerd naar hoofdstuk en ook naar onderdelen daarvan. Ook kan bij de inwerkingtreding onderscheid worden gemaakt tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland. Het laatste artikel van dit hoofdstuk regelt de citeertitel van de nieuwe wet.

8. Draagvlak

Een ingewikkelde en inmiddels onoverzichtelijke sectorwet wordt grondig aangepakt. Onduidelijkheid over wat nu wel en niet geldt, wordt met het technisch onderhoud van de WVO zoveel mogelijk weggenomen. Met een aantal wijzigingen wordt de wet begrijpelijker. Een heldere wet draagt ook bij aan een consequente handhavingspraktijk. Besturen van scholen (ook buiten het voortgezet onderwijs), schoolleiders, leraren, ouders, leerlingen, DUO, de inspectie, het CvTE, gemeenten en OCW zelf, hebben met een WVO 20xx een toegankelijkere wet tot hun beschikking, die inzichtelijk en overzichtelijk maakt wat ieders rechten en plichten in het voortgezet onderwijs zijn. Uit de internetconsultatie blijkt dat er draagvlak is voor toegankelijker en bruikbaarder maken van de WVO. Bij de voorbereiding van het technisch onderhoud van de WVO is ook de expertise van enkele hoogleraren onderwijsrecht ingewonnen. Hun suggesties zijn ten dele meegenomen in het wetsvoorstel.

9. Administratieve lasten

Met administratieve lasten worden de kosten om te voldoen aan informatieverplichtingen aan de overheid bedoeld, die voortvloeien uit wet- en regelgeving. Het gaat dan om het verzamelen, bewerken, registreren, bewaren en ter beschikking stellen van informatie. De gevolgen van dit wetsvoorstel voor de administratieve lasten zijn in kaart gebracht met behulp van het standaardkostenmodel (SKM). De wijzigingen zijn technisch van aard en hebben daarom geen betrekking op wijzigingen van de informatieverplichtingen. Het wetsvoorstel heeft dan ook geen effect op het gebied van administratieve lasten.

10. Uitvoering en handhaving

Dit wetsvoorstel is door DUO en de inspectie beoordeeld op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. De aandachtspunten die zich ten aanzien van het technisch onderhoud van de WVO met name concentreerden op correcte verwijzingen, verduidelijking van begrippen en de gekozen ordening voor de voorhangbepalingen zijn verwerkt. In hoofdstuk 13 wordt nadere uitleg gegeven over de voorhangbepalingen. Naar het oordeel van DUO en de inspectie is het voorstel uitvoerbaar en handhaafbaar.

11. Financiële gevolgen

Het wetsvoorstel heeft geen financiële consequenties.

12. Advies en Consultatie

In de internetconsultatie is gevraagd of door het voorliggende wetsvoorstel de WVO leesbaarder en bruikbaarder is geworden. De respondenten waren allen gematigd positief ten aanzien van het leesbaarder en toegankelijker maken van de WVO. Zij gaven aan met het wetsvoorstel de WVO leesbaarder en bruikbaarder te vinden. Ook de geraadpleegde hoogleraren onderwijsrecht kunnen zich vinden in het wetsvoorstel. In een aantal opzichten vinden ze echter dat de ingrepen niet ver genoeg gaan. Ondanks de samenhang tussen de bepalingen in de WPO, WEC en WVO voor passend onderwijs hadden de hoogleraren bij de bepalingen die zien op samenwerkingsverbanden verdergaande aanpassingen voor ogen. Het gaat daarbij om een andere ordening en om redactioneel aangepaste teksten. De bepalingen over de samenwerkingsverbanden zijn echter op vrijwel identieke wijze ook opgenomen in WPO en WEC. Het enkel aanpassen van deze bepalingen in de WVO zou leiden tot inconsistentie en geringere herkenbaarheid van de regels in hun samenhang met WPO en WEC. Het regelcomplex voor passend onderwijs als geheel zou dan aan duidelijkheid inboeten. Een ander punt waar de hoogleraren op wijzen – waarover overigens geen eenstemmigheid in hun commentaar bestaat – is het al dan niet aanpassen van de adressant van de WVO, het bevoegd gezag. Deze voorgestelde aanpassing zou een wijziging betekenen die het karakter van een technische wijziging overstijgt. Het gaat dan om een fundamentele juridische discussie die niet past bij een wetswijziging waarmee geen inhoudelijke wijzigingen worden doorgevoerd.

Wat Caribisch Nederland betreft: op 12 oktober 2015 is het rapport van de Commissie evaluatie uitwerking van de nieuwe staatkundige structuur Caribisch Nederland uitgebracht.14 Het doel van de evaluatie was het analyseren van de wijze waarop invulling is gegeven aan de gemaakte afspraken in de aanloop naar 2010 en in de periode daarna. Het ging erom vast te stellen wat er is bereikt, hoe de wetgeving en het bestuur hebben gefunctioneerd en in kaart te brengen wat de gevolgen van de transitie zijn geweest voor de bevolking. In het rapport is een paragraaf gewijd aan de ontwikkelingen in het onderwijs op Bonaire, Sint Eustatius en Saba.15 Geconcludeerd wordt dat de consultatie van de eilanden over voorgenomen regelgeving en beleid, in ieder geval in het begin, gebrekkig is geweest en dat er op bepaalde terreinen vooruitgang zichtbaar is.16 Voor dit wetsvoorstel is ernaar gestreefd het proces van consultatie zorgvuldig in te richten. Daarbij is in een vroeg stadium overleg geweest met de openbare lichamen van Caribisch Nederland en is het wetsvoorstel formeel ter consultatie voorgelegd. De consultatie heeft geen concrete wijzigingen van het wetsvoorstel tot gevolg gehad.

Op 3 oktober 2017 heeft de Onderwijsraad advies uitgebracht over het wetsvoorstel. In algemene zin is de raad positief over de voorgestelde herziening van de WVO. Hij onderschrijft het uitgangspunt van de modernisering, om meer helderheid en structuur te bieden in de wet. Het wetsvoorstel zorgt voor een meer overzichtelijke en modernere wet. De raad is echter wel van mening dat het wetsvoorstel meer in lijn gebracht moet worden met het doel van de modernisering; een louter technische wijziging. Daartoe doet de raad een drietal aanbevelingen die verwerkt zijn in het wetsvoorstel.

Aanbeveling 1: beperk de doelstelling van het wetsvoorstel tot technische verbeteringen en een herordening. In het wetsvoorstel zoals voorgelegd aan de Onderwijsraad was naast het primaire doel ook het verminderen van de ervaren regeldruk als doel opgenomen. De raad wijst erop dat er geen directe relatie is aangetoond tussen het toenemen van gebruikersgemak en het verminderen van ervaren regeldruk. De raad geeft aan dat regeldruk een complex fenomeen is dat van meer factoren afhangt dan de sectorwetgeving. Ervaren regeldruk is inderdaad moeilijk vatbare materie waar de meningen danig over verschillen. De aanbeveling van de raad is ter harte genomen en de doelstelling van de modernisering is beperkt tot de technische verbetering en de herordening van de wet.

Aanbeveling 2: zorg voor een goed evenwicht tussen juridische juistheid en begrijpelijkheid voor gebruikers. De raad wijst op het gevaar dat taalkundige aanpassingen in het wetsvoorstel tot wijziging van de inhoudelijke betekenis van de bepalingen kunnen leiden. Datzelfde geldt voor het herordenen van bepalingen en het actualiseren van de toelichtingen van bepalingen. Ook deze aanbeveling van de raad is ter harte genomen. Het wetsvoorstel is nogmaals grondig tegen het licht gehouden. Met betrekking tot de ordening wordt vastgehouden aan het onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs en bekostigd en niet bekostigd onderwijs. Waar het om taalgebruik of toelichting gaat, vormen de oorspronkelijke toelichtingen, parlementaire geschiedenis en jurisprudentie – indien aanwezig – het afwegingskader om te komen tot technisch gemoderniseerde teksten van bepalingen en toelichtingen.

Aanbeveling 3: zorg dat de regelgeving voor Caribisch Nederland geen inhoudelijke wijzigingen omvat. De raad meent dat met de WVO 20xx een aantal inhoudelijke wijzigingen voor Caribisch Nederland wordt bewerkstelligd. Dat is nadrukkelijk niet het geval. Vanwege de tot nu toe gehanteerde techniek worden inhoudelijke wijzigingen voor Caribisch Nederland geregeld door met een koninklijk besluit een aantal reeds beschreven bepalingen in de WVO BES apart in werking te laten treden. Dat maakt meteen de omslachtigheid van het gehanteerde systeem duidelijk. Het laatste KB dateert van 1 augustus 2017. De WVO 20xx incorporeert enkel de uitzonderingsbepalingen voor Caribisch Nederland in hoofdstuk 11, zonder dat dit inhoudelijke gevolgen heeft.

13. Invoerings- en overgangsrecht en inwerkingtreding

Waar nu het invoerings- en overgangsrecht zeer verspreid is geregeld, als apart onderdeel van wetsvoorstellen, voorziet de WVO 20xx in een eigen hoofdstuk invoerings- en overgangsrecht. Dit hoofdstuk bevat (straks) al het geldende invoerings- en overgangsrecht, dus ook dat van eerdere wijzigingswetten.

Dit wetsvoorstel strekt tot het technisch onderhoud van de WVO. Tegelijkertijd is gewerkt aan een Invoerings- en aanpassingswet WVO 20xx, waarmee wordt voorzien in de aanpassing van alle wetten die naar de WVO 20xx verwijzen. Het overgangsrecht dat gedurende de afgelopen decennia is opgebouwd wordt bekeken op zijn actuele waarde. De verwachting is dat bijna al het overgangsrecht zal zijn uitgewerkt en met de eerdergenoemde Invoerings- en aanpassingswet WVO 20xx kan worden geschrapt. Het overgangsrecht waarvan de geldigheid moet worden gecontinueerd, zal door middel van die wet worden ingevoegd in hoofdstuk 12 van de WVO 20xx.

In de bijlagen zijn transponeringstabellen opgenomen van de WVO en de WVO BES naar de WVO 20xx en omgekeerd. In de transponeringstabellen wordt een toelichting gegeven op artikelen uit de WVO of WVO BES die niet meer in de WVO 20xx worden opgenomen.

In de citeertitel staat «20xx» voor het jaartal van publicatie in het Staatsblad.

ARTIKELSGEWIJS

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

Een belangrijke doelstelling van de voorgestelde herziening van de WVO is het leesbaarder en toegankelijker maken van de wettekst. Een mogelijkheid om dat te realiseren is het formuleren van kortere zinnen. Daartoe worden enkele (bestaande) begrippen omschreven, waardoor niet elke keer de tekst in een artikel hoeft te worden herhaald. Nieuwe definities zijn geen nieuwe begrippen ten opzichte van de WVO. Er vindt dan ook geen inhoudelijke wijziging plaats. Ook wordt meer gebruik gemaakt van afkortingen. Daarnaast zijn de begrippen, onder meer vanwege hun grote aantal, in alfabetische volgorde geplaatst. Daarbij is gekozen voor een opsomming zonder nummering of letteraanduiding, opdat latere wijzigingen eenvoudiger kunnen worden aangebracht.17

Veruit de meeste begripsbepalingen verwijzen naar een wettelijke bepaling (binnen deze wet of daarbuiten) of regeling, waar het begrip invulling krijgt. Of zij geven – als het begrip een afkorting is – aan waar de afkorting voor staat, soms gecombineerd met een verwijzing. Zie voor de betekenis van de verwijzende begripsbepalingen de toelichtingen bij de wettelijke bepalingen of regelingen waarnaar deze begripsbepalingen verwijzen.

Ook bevat artikel 1.1 enkele begripsbepalingen met een inhoudelijk karakter. Deze begripsbepalingen worden hierna waar nodig toegelicht. De zinsnede «tenzij anders is bepaald» in de aanhef is opgenomen omdat begrippen op bepaalde plaatsen in de wet een andere betekenis hebben. Zo wordt op sommige plaatsen in de wet verwezen naar scholen, bevoegde gezagsorganen en samenwerkingsverbanden in het primair onderwijs. Deze vallen buiten de begripsomschrijvingen die artikel 1.1 geeft.

Bevoegd gezag

Het besturen en het in stand houden van een school moeten van elkaar worden onderscheiden. Het bevoegd gezag bestuurt de school. De wettelijke voorschriften richten zich tot dan ook tot het bevoegd gezag. In artikel 1.1 wordt voor elk type school (openbaar, bijzonder, samenwerkingsschool) geregeld wie het bevoegd gezag is.

Bij openbare scholen (onderdeel a) is het bevoegd gezag:

  • het college van burgemeester en wethouders, tenzij de gemeenteraad anders bepaalt; de gemeenteraad kan besluiten dat de gemeenteraad zelf of een bestuurscommissie als bedoeld in artikel 83 van de Gemeentewet fungeert als bevoegd gezag;

  • het orgaan dat bevoegd is volgens de gemeenschappelijke regeling waarbij het openbaar lichaam, dat de school in stand houdt, is ingesteld;

  • de openbare rechtspersoon die de school in stand houdt; of

  • de stichting die de school in stand houdt. Het kan hierbij gaan om een stichting voor openbaar onderwijs (artikel 3.10) of een stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs (artikel 3.16).

Bij bijzondere scholen (onderdeel b) is de privaatrechtelijke rechtspersoon die de school in stand houdt, zoals een vereniging of stichting, het bevoegd gezag. Uit artikel 4.1, tweede lid, volgt dat een bekostigde bijzondere school in stand wordt gehouden door een rechtspersoon. Een natuurlijke persoon kan ook het bevoegd gezag zijn van een bijzondere school, het gaat dan echter altijd om een niet bekostigde school.

Bij samenwerkingsscholen (onderdeel c) is de stichting die de school in stand houdt het bevoegd gezag.

Instandhouding betekent het privaatrechtelijk beheer van de school. Hiermee wordt bedoeld: de vermogensrechtelijke zeggenschap over, en aansprakelijkheid voor, de school. De instantie die in stand houdt is de eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde van de school en van de middelen die door de overheid zijn toegekend.18 Uit de begripsbepalingen van «openbare school» en «bijzondere school» in artikel 1.1 blijkt wie de school in stand houdt. Een openbare school wordt door een gemeente, openbaar lichaam, openbare rechtspersoon of stichting in stand gehouden. Een bijzondere school wordt in stand gehouden door een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon. Een bekostigde bijzondere school kan alleen door een privaatrechtelijke rechtspersoon in stand worden gehouden (zie artikel 4.1, tweede lid). Een niet bekostigde bijzondere school kan ook door een natuurlijke persoon in stand worden gehouden. Een samenwerkingsschool, ten slotte, wordt in stand gehouden door een stichting (zie artikel 3.22).

Cursusduur, leerjaar en schooljaar

De onderwijsprogramma’s in het vwo, havo, mavo en vbo (niet het praktijkonderwijs) hebben elk een eigen cursusduur, uitgedrukt in een vast aantal zogenaamde leerjaren (zie paragraaf 1 van hoofdstuk 2). Een leerjaar is de eenheid waaruit de cursusduur is opgebouwd. Het vwo bijvoorbeeld heeft een cursusduur van zes leerjaren. Elk leerjaar loopt van 1 augustus tot en met 31 juli. Uitgangspunt is dat voor de leerlingen die een bepaald onderwijsprogramma volgen, het aantal te volgen leerjaren (dus: aantal jaren te ontvangen onderwijs) gelijk is. Het leerjaar is een nominale eenheid. De begripsbepaling staat er niet aan in de weg dat individuele leerlingen in bepaalde gevallen een curriculum volgen waarbij bijvoorbeeld een leerjaar eerder wordt afgesloten dan normatief het geval zou zijn. Nu het praktijkonderwijs geen cursusduur kent, is daar evenmin sprake van leerjaren. Het praktijkonderwijs is niet ingedeeld in leerjaren, omdat de inhoud, zwaarte en duur van het onderwijsprogramma daarvoor te individueel zijn bepaald. Er is geen algemene norm voor alle leerlingen. Het praktijkonderwijs kent als enige onderwijssoort daarom ook geen algemene cursusduur. Voor de duidelijkheid is nu ook het begrip «cursusduur» in de begripsbepalingen opgenomen. Daaruit blijkt dat de cursusduur bestaat uit leerjaren.

Het schooljaar is de «kalendertijd» die feitelijk is gemoeid met het verzorgen van onderwijs, niet de tijd waaruit de cursusduur is opgebouwd waarmee het programma is gemoeid. Het aantal schooljaren waarin individuele leerlingen een bepaald onderwijsprogramma volgen kan overigens verschillen van de in leerjaren geprogrammeerde tijd, afhankelijk van het tempo van de leerling (doubleren of niet; zakken voor het eindexamen of niet).

Gelijksoortige school

Binnen het vbo volgt de leerling na het tweede leerjaar de basisberoepsgerichte leerweg of de kaderberoepsgerichte leerweg. Binnen het mavo volgt een leerling na het tweede leerjaar de theoretische leerweg. De gemengde leerweg bevat zowel elementen van de beroepsgerichte leerwegen als van de theoretische leerweg en is hiermee een tussenvorm tussen mavo en vbo.

Het vbo en het mavo verschillen in dit opzicht van het havo en het vwo. In het vmbo volgen leerlingen in de fase van de leerweg, dus vanaf het derde leerjaar, een bepaald profiel, maar het vertrekpunt blijft daar de specifieke leerweg die een leerling volgt. Havo en vwo kennen dit niet: daar word je voor een specifiek leerjaar ingeschreven, niet voor een profieljaar of leerweg. Omdat de leerweg in plaats van de schoolsoort zo onderscheidend is in het vmbo, zijn in de bepaling van het begrip «gelijksoortige school» naast de formulering «van dezelfde schoolsoort» ook de woorden «van dezelfde leerweg» opgenomen.

Onderwijsnummer

Aan leerlingen die van de overheid geen burgerservicenummer hebben gekregen, verstrekt de Minister een persoonsgebonden nummer, genaamd onderwijsnummer (zie artikel 8.10). Soms hebben leerlingen geen burgerservicenummer, bijvoorbeeld omdat zij uit het buitenland komen. Bij verdragen is bepaald dat elk kind in de leerplichtige leeftijd onderwijs krijgt, ongeacht de status van het kind.19 Ook kinderen in de leerplichtige leeftijd die niet legaal in Nederland zijn, volgen dus onderwijs en krijgen daarvoor een alternatief leerlinggebonden onderwijsnummer. In Caribisch Nederland is het onderwijsnummer het alternatief voor het administratienummer.

Onderwijsprogramma

De huidige wet gebruikt op diverse plaatsen de begrippen «onderwijsprogramma» en «ander programmaonderdeel», maar is niet duidelijk genoeg over de inhoud ervan. Daarom is een inhoudelijke begripsbepaling toegevoegd die expliciet voorschrijft welke componenten een onderwijsprogramma kan hebben. Daardoor wordt ook bereikt dat een ander, niet gedefinieerd begrip, helderder wordt: «ander programmaonderdeel». Uit de definitie van «onderwijsprogramma» blijkt immers dat het bij «andere programmaonderdelen» niet gaat om de wettelijk geregelde vakken, om combinatievakken of om schooleigen vakken, maar om iets anders. Denk daarbij aan stages, excursies, godsdienstonderwijs of projectonderwijs.

Van een definitiebepaling van «vakken» is afgezien, enerzijds omdat dit begrip moeilijk in een sluitende omschrijving valt te vatten, en anderzijds vanwege de noodzakelijke dynamiek van dat begrip. Een definitie zou al gauw verstarrend werken in een context die juist ruimte zoekt en nodig heeft. Wel is waar nodig in de memorie van toelichting bij artikelen die spreken van «vakken» verduidelijkt wat daarmee wordt bedoeld.

Ouders

Het begrip «ouders» is in de WVO 20xx ruim gedefinieerd. Met het begrip «ouders» worden diegenen bedoeld die belast zijn met het gezag over de leerling. Dat kunnen de ouders van een leerling zijn, maar ook anderen: voogden en verzorgers. Wanneer één ouder gezag heeft, of als er één voogd of verzorger is, wordt de meervoudsvorm als enkelvoud gelezen.

Personeel

Onderdeel a bevat een opsomming van de verschillende categorieën personeelsleden. Met onderdeel b wordt bereikt dat de bepalingen over personeel als hoofdregel ook van toepassing zijn op personen die zijn tewerkgesteld zonder benoeming (uitzendkrachten, gedetacheerden). Een aantal artikelen is echter niet van toepassing op deze personen (zie in dit verband de aanhef van artikel 1.1: «tenzij anders is bepaald»). Welke afwijkingen het betreft, is geregeld in hoofdstuk 3 (Centrale dienst; zie artikel 3.34, derde lid), hoofdstuk 5 (Aftrekposten bekostiging; zie artikel 5.34, eerste lid) en hoofdstuk 7 (Rechtspositie, benoeming in algemene dienst, georganiseerd overleg, akte van aanstelling, akte van benoeming; zie artikel 7.1, tweede lid, waarin is geregeld dat de artikelen 7.34, 7.35, 7.37, 7.39 en 7.40 niet van toepassing zijn op personeel dat zonder benoeming tewerk is gesteld aan de school).

Persoonsgebonden nummer

Het persoonsgebonden nummer van een leerling is zijn burgerservicenummer (BSN) of, als hij geen BSN heeft, het onderwijsnummer dat is toegekend door de Minister.

Persoonsgebonden nummer BES

Het persoonsgebonden nummer BES van een leerling is zijn administratienummer of, als hij geen administratienummer heeft, het onderwijsnummer dat is toegekend door de Minister.

Scholengemeenschap; verticale scholengemeenschap

Deze begripsbepalingen verduidelijken dat er twee soorten scholengemeenschappen zijn:

  • a. scholengemeenschappen die alleen bestaan uit scholen voor voortgezet onderwijs, en

  • b. scholengemeenschappen die bestaan uit een of meer scholen voor voortgezet onderwijs en een of meer instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs, in de praktijk meestal aangeduid als verticale scholengemeenschappen.

School

Deze begripsbepaling omschrijft scholen als scholen voor voortgezet onderwijs. Het begrip voortgezet onderwijs is ingevuld in artikel 1.4. Onder het begrip school wordt in algemene zin begrepen een instelling waar onderwijs wordt gegeven. In meer specifieke zin zijn er verschillende invalshoeken om het begrip school te omschrijven. Het begrip school vormt in de wet het aangrijpingspunt voor het bestuur van een rechtspersoon om een verzoek in te dienen om in aanmerking te komen voor bekostiging voor de schoolsoort waarin men onderwijs wil verzorgen en voor het verzorgen van het onderwijs in één gebouw. Deze school wordt in de administratie aangeduid met een BRIN-nummer. Als de school uitbreidt met een tweede schoolsoort ontstaat een scholengemeenschap. Als de school uitbreidt met een tweede gebouw ontstaat een nevenvestiging.

Uit het artikel (plaats en context) is duidelijk wat onder het begrip «school» dient te worden verstaan. Het begrip school wordt in de wet gebruikt voor:

  • het bevoegd gezag, waarmee wordt bedoeld het bestuur van een school, waaronder begrepen alle vestigingen en alle schoolsoorten die onder hetzelfde BRIN-nummer zijn geregistreerd. Zo wordt in artikel 2.88 bepaald dat het bevoegd gezag van een school een schoolplan opstelt: alle (neven)vestigingen van een BRIN-nummer hebben daarom één en hetzelfde schoolplan;

  • de vestiging van een school; in hoofdstuk 4 (Voorzieningenplanning) staat aangegeven wanneer er sprake is van een school of scholengemeenschap, van een hoofdvestiging of van een nevenvestiging;

  • het schoolgebouw; hoofdstuk 6 (Huisvesting) voorziet in regels over het eigendom van een schoolgebouw.

Artikel 1.2. Toepassing bepalingen in openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Deze wet en de uitvoeringsregels daarvan zijn ook van toepassing in Caribisch Nederland. De bestuursorganen die belast zijn met uitvoering van deze wet, hebben in Caribisch Nederland een andere naam dan in Europees Nederland (bijvoorbeeld het bestuurscollege in plaats van het college van burgemeester en wethouders). Artikel 1.2 is opgenomen om te voorkomen dat in de wettekst steeds beide namen moeten worden vermeld.

Artikel 1.3. Reikwijdte

Doel van dit artikel is om helder aan te geven op welke scholen deze wet van toepassing is. De wet is van toepassing op bekostigde scholen voor voortgezet onderwijs,20 en – gedeeltelijk – ook op niet bekostigde scholen die voortgezet onderwijs verzorgen. Bekostigde scholen zijn scholen die voor het verzorgen van onderwijs financiering (bekostiging genoemd) ontvangen uit ’s Rijks kas; niet bekostigde scholen zijn scholen waaraan het Rijk geen financiering verstrekt voor het verzorgen van onderwijs. Die scholen betalen hun onderwijs zelf, meestal uit bijdragen van ouders. Het gaat bij niet bekostigde scholen in de eerste plaats om scholen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2, LPW of artikel 1, onderdeel b, onder 2, LPW BES (hierna: B2-scholen). Deze scholen mogen, nadat ze zijn aangewezen door de Minister (zie daarvoor hoofdstuk 2, paragraaf 6) examens voortgezet onderwijs afnemen en diploma’s uitreiken. In de tweede plaats gaat het om scholen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 3, LPW (hierna: B3-scholen). Deze scholen moeten voldoen aan bepaalde minimumkwaliteitseisen om te gelden als school waar de leerplicht kan worden vervuld. Zo moet het onderwijs in het Nederlands worden gegeven, moet er een schoolplan zijn en moet er aantoonbaar aandacht aan de kerndoelen worden besteed. Deze kwaliteitseisen zijn geregeld in artikel 1a1 LPW of artikel 3 LPW BES.

Deze wet is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 4, LPW of artikel 1, onderdeel b, onder 4, LPW BES (B4-scholen). De normen waaraan B4-scholen dienen te voldoen, staan in de ministeriële regeling of beschikking waarbij deze scholen worden aangewezen als school in de zin van de LPW.21 Voor de buitenlandse en internationale scholen in Europees Nederland zijn deze normen uitgewerkt in de Regeling aanwijzing internationale en buitenlandse scholen.

De WVO gaf tot nu toe niet expliciet aan welke onderdelen van de wet van toepassing zijn op de B2- en B3-scholen. De WVO 20xx doet dit wel en voorkomt zo interpretatieproblemen.

Eerste en tweede lid

Het eerste lid verklaart deze wet van toepassing op bekostigde scholen voor voortgezet onderwijs. De artikelen 2.66 tot en met 2.71 en artikel 2.109 worden uitgezonderd, omdat deze artikelen alleen gelden voor niet bekostigde scholen respectievelijk scholen als bedoeld in de WEC. Caribisch Nederland kent geen scholen als bedoeld in de WEC. De artikelen 3.27 (kennisgeving oprichting bijzondere school) en 7.44 (bekwaamheids- en zedelijkheidseisen personeel niet uit ’s Rijks kas bekostigde school) zijn alleen van toepassing op niet bekostigde scholen.

Derde lid

Het derde lid maakt duidelijk dat de artikelen 2.66 tot en met 2.70 en artikel 2.109 gelden voor B2-scholen. Deze artikelen regelen onder meer de verplichtingen waaraan een niet bekostigde school moet voldoen om de bevoegdheid te krijgen – en te behouden – om examens voortgezet onderwijs af te nemen en diploma’s uit te reiken. Ook regelen deze artikelen hoe de aanvraagprocedure verloopt en op welke gronden de Minister de aanwijzing kan intrekken. Deze artikelen gelden niet voor B3-scholen. Opgemerkt wordt dat in de artikelen 2.66 tot en met 2.70 en in artikel 2.109 verschillende andere artikelen van deze wet, of onderdelen daarvan, van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de B2-scholen. Materieel gezien zijn op B2-scholen dus méér artikelen van toepassing dan alleen de artikelen 2.66 tot en met 2.70 en 2.109.

Vierde lid

Het vierde lid van artikel 1.3 regelt de reikwijdte van artikel 2.71. Artikel 2.71 regelt dat ook scholen die voortgezet speciaal onderwijs verzorgen door de Minister kunnen worden aangewezen als bevoegd om examens voortgezet onderwijs af te nemen en diploma’s uit te reiken.

Vijfde lid

Het vijfde lid vermeldt een aantal artikelen die zowel voor bekostigde scholen als voor niet bekostigde scholen gelden.

Zesde lid

Het zesde lid maakt duidelijk dat deze wet niet van toepassing is op het onderwijs dat wordt gegeven in de in dit lid genoemde justitiële inrichtingen. Dit lid komt overeen met het huidige artikel 119. De mogelijkheid om bij amvb te regelen dat de WVO wel van toepassing is op deze inrichtingen wordt op dit moment overigens niet gebruikt.

Zevende lid

Op grond van het zevende lid geldt de wet ook in Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba), tenzij anders is bepaald. In hoofdstuk 11 wordt bepaald welke onderdelen van de wet niet van toepassing zijn in Caribisch Nederland. Daarbij wordt ook aangegeven hoe het dan wel geregeld is.

Vervallen reikwijdtebepalingen

Artikel 119, eerste lid, en 120 WVO komen te vervallen. Artikel 119, eerste lid, WVO, zondert het militair onderwijs en bepaalde (bedrijfs)opleidingen ter vergroting van de vakbekwaamheid van het personeel, uit van de WVO. Deze vormen van onderwijs vallen op grond van artikel 1.3, in samenhang met de inhoudelijke afbakening van voortgezet onderwijs in artikel 1.4 reeds buiten het toepassingsbereik van de WVO 20xx. Een afzonderlijke bepaling is daarom niet meer nodig.

Artikel 120 WVO bepaalt dat bij twijfel of de WVO van toepassing is op een inrichting van onderwijs, bij koninklijk besluit wordt beslist. Omdat de werkingssfeer van de wet nu duidelijk wordt afgebakend door middel van de bepalingen in de artikelen 1.3 en1.4, is het niet meer noodzakelijk om de procedure van artikel 120 WVO te handhaven. Die procedure is overigens ook nooit toegepast.

Artikel 1.4. Karakter en doelen voortgezet onderwijs

Eerste lid

Dit artikellid geeft ten eerste weer wat de positie en functie van het voortgezet onderwijs in het onderwijsbestel is. Het voortgezet onderwijs volgt op het basisonderwijs en speciaal onderwijs en gaat vooraf aan het beroeps- of hoger onderwijs. Het voorgezet onderwijs omvat algemene vorming. Deze doelstelling geldt voor alle onderwijssoorten. Het voortgezet onderwijs bereidt leerlingen voor op het beroepsonderwijs of het hoger onderwijs of, bij leerlingen in het praktijkonderwijs, op functies binnen de regionale arbeidsmarkt. Voor alle leerlingen geldt dat het voortgezet onderwijs voorbereidt op deelname aan de maatschappij. Het voortgezet onderwijs heeft drie functies: kwalificatie, socialisatie en vorming. Jongeren worden voorbereid op het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt, ze worden in het voortgezet onderwijs ook toegerust voor en ingewijd in de maatschappij en ze worden er persoonlijk gevormd.

Tweede lid

Dit lid geeft een doelbepaling inzake de ononderbroken ontwikkeling en het afstemmen van het onderwijs op de ontwikkeling van leerlingen op het niveau van de school. Van het bevoegd gezag kan namelijk niet verwacht worden dat zij de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen waarborgt. Het onderwijs moet zodanig zijn ingericht, dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen. Dit hangt samen met het aanbod en de verwezenlijking van dat aanbod in de klas en daarbuiten. Het onderwijsaanbod moet zodanig gestructureerd zijn en aangeboden worden, dat de leerling zich gedurende zijn of haar schooltijd het totale leerstofaanbod eigen kan maken op het niveau dat van hem of haar verwacht mag worden. Voor het afstemmen van het onderwijs op de ontwikkeling van leerlingen is inzicht in het niveau van leerlingen cruciaal. Van een inrichting van het onderwijs waarbij leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen, is geen sprake wanneer leerlingen bijvoorbeeld worden geconfronteerd met activiteiten of onderwijsinhouden die evident niet aansluiten bij hun ontwikkelingsfase of ontwikkelingsniveau.

Artikel 1.5. Aard bepalingen bekostigd bijzonder onderwijs

Dit artikel legt de juridische aard vast van de bepalingen die bij of krachtens deze wet worden vastgesteld ten aanzien van het bevoegd gezag van het bekostigd bijzonder onderwijs. Deze bepalingen zijn voor het bevoegd gezag, dat wil zeggen de privaatrechtelijke rechtspersoon die de bijzondere school in stand houdt, bekostigingsvoorwaarden. Dit is in overeenstemming met de grondwettelijk geborgde vrijheid van onderwijs. Die vrijheid betekent dat het bevoegd gezag van de bijzondere school aan voorwaarden voor bekostiging kan worden onderworpen. Houdt het bevoegd gezag zich niet aan de voorwaarden, dan kan dat gevolgen hebben voor de aanspraak op of de hoogte van de bekostiging.

Het bevoegd gezag van een school voor bijzonder onderwijs is de normadressaat van de bekostigingsvoorwaarden. Artikel 1.5 spreekt over «bepalingen die zich rechtstreeks of naar hun aard richten tot het bevoegd gezag». Hiervoor is gekozen om duidelijk te maken dat, los van de gekozen formulering van de desbetreffende bepaling, sprake kan zijn van een voorwaarde voor bekostiging voor het bevoegd gezag. Een deel van de bepalingen uit de wet en de daarop te baseren regelgeving die voor het bijzonder onderwijs bekostigingsvoorwaarde is, richt zich immers rechtstreeks tot het bevoegd gezag door het bevoegd gezag expliciet in de bepaling te noemen. Bij andere bepalingen spreekt het voor zich dat deze zich tot het bevoegd gezag van een school richten, ook al is het bevoegd gezag niet expliciet als normadressaat genoemd. Dit betreft bijvoorbeeld bepalingen die de inrichting van het onderwijs regelen alsook de bepalingen die zich richten tot de directeur of rector. Dit zijn bepalingen die zich naar hun aard tot het bevoegd gezag richten.

Het beginsel dat de wettelijke bepalingen voor het bijzonder onderwijs voorwaarden voor bekostiging zijn, neemt niet weg dat deze bepalingen ook kunnen doorwerken in de (privaatrechtelijke) relatie tussen het bevoegd gezag en derden, te weten de leerling (ouders) of de personeelsleden. Deze zogenaamde «doorwerking» van de (wettelijke) bekostigingsvoorwaarden betekent dat betrokkene er in de privaatrechtelijke relatie met het bevoegd gezag aanspraak aan kan ontlenen en zich er jegens het bevoegd gezag op kan beroepen. De doorwerking kan in de eerste plaats uit de formulering van de bepaling worden afgeleid. Als uit de gekozen formulering van de bepaling niet direct een doorwerking kan worden afgeleid, dan zal aan de hand van de strekking, het beschermingsbereik, het doel of de ratio van de bepaling vastgesteld kunnen worden dat van doorwerking sprake is. Of dit in een concrete situatie het geval is, is uiteindelijk ter beoordeling van de rechter.

Los van de doorwerking van wettelijke bekostigingsvoorwaarden in de privaatrechtelijke relatie, kan er ook sprake van zijn dat het bevoegd gezag (of daaronder ressorterende functionarissen als de directeur of rector) in het bijzonder onderwijs openbaar gezag uitoefent. In dat geval is sprake van een besluit in de zin van de Awb en is het bevoegd gezag (of de daaronder ressorterende functionaris) met betrekking tot dat besluit bestuursorgaan in de zin van de Awb (b-orgaan). Hiervan is in ieder geval sprake bij het toekennen van diploma’s. Bij dergelijke besluiten kan de leerling ook in het bijzonder onderwijs zo nodig een beroep doen op de bestuursrechter.

Mocht sprake zijn van doorwerking van een bepaling in de privaatrechtelijke relatie met derden, dan wel van toekenning van openbaar gezag en daarmee een Awb-besluit, dan behoudt deze bepaling voor het bijzonder onderwijs (tevens) het karakter van bekostigingsvoorwaarde. In genoemde gevallen is de bepaling echter ook relevant in de rechtsverhouding tussen het bevoegd gezag en de derde.

In artikel 1.5 wordt gesproken over «de bepalingen vastgesteld bij of krachtens deze wet». Op deze manier wordt ook de juridische aard van de uitvoeringsbepalingen expliciet bepaald.

Voor het openbaar onderwijs gelden de bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen als algemeen verbindende voorschriften. Dit betekent onder meer dat deze bepalingen rechtstreekse werking hebben in de relatie tot derden en deze aanspraak hierop kunnen maken en er rechten aan kunnen ontlenen. Het is niet nodig om dit expliciet bij wet te bepalen. Mede gelet op artikel 23 van de Grondwet, is het immers vanzelfsprekend dat ten aanzien van het openbaar onderwijs van algemeen verbindende voorschriften sprake is.

HOOFDSTUK 2. ONDERWIJS

Paragraaf 1. Schoolsoorten, doelen en structuren voortgezet onderwijs

Artikel 2.1. Schoolsoorten voortgezet onderwijs

Eerste lid

In de WVO 20xx worden de diverse vormen van voortgezet onderwijs aangeduid als schoolsoorten. In dit artikel wordt aangegeven welke schoolsoorten er zijn in het voortgezet onderwijs.

Tweede lid

Andere vormen van voortgezet onderwijs dan deze schoolsoorten zijn ook mogelijk. Zie daarvoor artikel 2.89.

Artikel 2.2. Voortgezet onderwijs in een pluriforme samenleving; burgerschap; sociale integratie

Dit artikel is gebaseerd op artikel 17 van de WVO. Het voortgezet onderwijs moet er vanuit gaan dat leerlingen opgroeien in een pluriforme samenleving en moet gericht zijn op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie. Verder legt dit artikel vast dat het onderwijs erop moet zijn gericht dat leerlingen kennis verwerven van en kennismaken met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdgenoten. In het schoolplan en in de schoolgids verantwoorden scholen zich over de manier waarop zij invulling geven aan de opdracht om actief burgerschap en sociale integratie te bevorderen.

In een pluriforme samenleving is aandacht voor gedeelde waarden en sociale binding van groot belang. Dat het onderwijs hierin een rol heeft, is verankerd in de bepaling over actief burgerschap en sociale integratie. Onder actief burgerschap worden de bereidheid en het vermogen verstaan om deel uit te maken van de samenleving en daaraan een actieve bijdrage te leveren. Sociale integratie verwijst naar deelname van burgers aan de samenleving, in de vorm van sociale participatie, deelname aan de maatschappij en haar instituties, en bekendheid met en betrokkenheid bij uitingen van de Nederlandse cultuur. Van alle scholen wordt verder verwacht dat zij actief bijdragen aan de ontmoeting van leerlingen met verschillende achtergronden en culturen. De wijze waarop zij daar invulling aan geven verschilt. Scholen kunnen dit bijvoorbeeld organiseren door gezamenlijke deelname aan sportieve en culturele activiteiten, door bezoeken aan bedrijven en maatschappelijke instellingen en door uitwisselingen tussen scholen te organiseren, kortom door hun leerlingen te laten leren in verschillende sociale omgevingen. Scholen hebben een verantwoordelijkheid om recht te doen aan de ontmoetingsfunctie tussen jongeren met leeftijdgenoten uit andere culturen.

Het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie gaat niet alleen over kennisoverdracht maar ook over het aanleren van burgerschapsvaardigheden. Burgerschapsvorming wordt niet gezien als een apart vak, maar kan onderdeel uitmaken van verschillende vakken. Ook kan burgerschapsvorming ontwikkeld worden in bijvoorbeeld de manier waarop de school invulling geeft aan de omgang tussen leerlingen en leraren en door het aanbieden van een maatschappelijke stage.

Artikel 2.3. Karakter openbaar voortgezet onderwijs

Dit artikel brengt de pluriformiteit van het openbaar onderwijs in Nederland tot uitdrukking. Het regelt dat het openbaar onderwijs bijdraagt aan de ontwikkeling van leerlingen, waarbij aandacht wordt gegeven aan de godsdienstige waarden, levensovertuiging en maatschappelijke waarden, die leven in de Nederlandse samenleving. Met de term «ontwikkeling» worden ook begrippen als vorming en opleiding bedoeld. Op grond van de derde volzin moet openbaar onderwijs worden gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging. De achtergrond hiervan is artikel 23, derde lid, van de Grondwet. De term «levensovertuiging» sluit ook bij dat artikel aan.

In het verlengde van artikel 2.3 regelt artikel 8.2 dat openbare scholen toegankelijk zijn voor alle leerlingen, zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt naar godsdienst of levensovertuiging. Dit is anders in het bijzonder onderwijs, waar het bevoegd gezag van ouders mag vragen om bij de aanmelding te verklaren dat ze de grondslag van het onderwijs op de school onderschrijven (zie artikel 8.9). Ook is rekening gehouden met situaties waarin leerlingen niet binnen redelijke afstand van hun woning in de gelegenheid zijn om onderwijs aan een openbare school te volgen. Uit de artikelen 8.3 en 2.36 volgt dat zij niet door de bijzondere school kunnen worden verplicht om lessen te volgen die worden gegeven in verband met de levensovertuiging waarvan de school uitgaat.

Artikel 2.4. Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs

Dit artikel beschrijft de hoofdkenmerken van de schoolsoort vwo. Ook is geregeld waarop het onderwijs de leerling moet voorbereiden: op aansluitend wetenschappelijk onderwijs.

Het vwo is de schoolsoort binnen het voortgezet onderwijs met de langste cursusduur en heeft twee vormen: gymnasium en atheneum. Het gymnasium is een school voor vwo waaraan in elk geval onderwijs in Latijnse taal en cultuur en Griekse taal en cultuur wordt gegeven. De overige scholen voor vwo zijn athenea. Beide vormen van vwo moeten zes leerjaren hebben. Dat betekent dat het vwo zo moet zijn ingericht dat de gemiddelde leerling niet meer dan zes jaren nodig heeft om het met goed gevolg te kunnen afsluiten. Paragraaf 2 van dit hoofdstuk regelt afzonderlijk de eerste leerjaren en de bovenbouw van het vwo.

Artikel 2.5. Hoger algemeen voortgezet onderwijs

Het havo is het onderwijs dat wordt gegeven aan scholen voor havo. Havo kan daarnaast op dit moment nog worden gegeven aan tweejarige afdelingen havo, verbonden aan scholen voor mavo. Het onderwijs aan deze afdelingen begint na vier leerjaren van het mavo. Het artikel schrijft verder nog voor dat het onderwijs aan scholen voor havo vijf leerjaren beslaat. Dat betekent dat het onderwijs zo moet zijn ingericht dat de gemiddelde leerling niet meer dan vijf jaren nodig heeft om het havo met goed gevolg te kunnen afsluiten. Ook is geregeld dat het havo-onderwijs de leerling moet voorbereiden op aansluitend hoger beroepsonderwijs.

Artikel 2.6. Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs

Het mavo is het onderwijs dat wordt gegeven aan scholen voor mavo, in vier leerjaren. Dat betekent dat het onderwijs zo moet zijn ingericht dat de gemiddelde leerling niet meer dan vier jaren nodig heeft om het mavo met goed gevolg te kunnen afsluiten. Ook is geregeld dat het onderwijs de leerling moet voorbereiden op aansluitend beroepsonderwijs of op havo.

Artikel 2.7. Voorbereidend beroepsonderwijs

Het vbo is het onderwijs dat wordt gegeven aan scholen voor vbo, in vier leerjaren. Dat betekent dat het onderwijs zo moet zijn ingericht dat de gemiddelde leerling niet meer dan vier jaren nodig heeft om het vbo met goed gevolg te kunnen afsluiten. Ook is geregeld waarop het onderwijs de leerling moet voorbereiden: op aansluitende vormen van beroepsonderwijs.

Artikel 2.8. Praktijkonderwijs

Eerste lid

Praktijkonderwijs is een schoolsoort die voor een beperkte groep leerlingen openstaat. Voor het volgen van praktijkonderwijs is een toelaatbaarheidsverklaring vereist. Het praktijkonderwijs wordt gegeven aan scholen voor praktijkonderwijs en kent, in tegenstelling tot de overige schoolsoorten, geen leerjaren.

Tweede lid

Dit lid regelt waarop het praktijkonderwijs moet zijn gericht. Waar de overige schoolsoorten primair gericht zijn op voorbereiding op het vervolgonderwijs, is de primaire functie van het praktijkonderwijs de voorbereiding op een functie op de regionale arbeidsmarkt. Een aanzienlijk deel van het onderwijsprogramma bestaat om die reden uit leren in de praktijk. Zie voor voorschriften over de inrichting van het praktijkonderwijs artikel 2.31.

Artikel 2.9. Dagscholen; contractactiviteiten

Eerste lid

Het eerste lid legt vast dat de scholen voor voortgezet onderwijs dagscholen zijn. Daaruit volgt dat voortgezet onderwijs grotendeels of geheel buiten de avonduren wordt gegeven.

Tweede lid

Dit lid regelt de contractactiviteiten. Scholen kunnen naast hun gewone taken ook kostendekkende scholingsactiviteiten uitvoeren voor derden. Onder «derden» worden onder meer particulieren en het bedrijfsleven verstaan. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om functiegerichte cursussen, of om lessen in moderne talen. Scholen hoeven voor het aanbieden van zulke activiteiten geen nevenstichting op te richten, maar worden er niet voor bekostigd uit ’s Rijks kas.

Derde lid

Het derde lid bevat randvoorwaarden om te voorkomen dat het bekostigde onderwijs wordt benadeeld door contractactiviteiten of dat het particuliere onderwijs er oneigenlijke concurrentie door ondervindt. De contractactiviteiten moeten verband houden met het gewone onderwijsaanbod van de school, verder bemoeit de overheid zich niet met hun inhoud.

Bij «schaden» kan het onder andere gaan om activiteiten die de goede naam van een school aantasten, of om slecht financieel beleid. Omdat zulke situaties (als dat al wenselijk zou zijn) niet in centrale regelgeving zijn vast te leggen, is gekozen voor een algemene formulering.

Vierde lid

De reden dat programma's en beschrijvingen van contractactiviteiten ter kennisneming moeten worden gestuurd aan de inspectie, is dat deze de inspectie informatie bieden om te kunnen constateren of de cursussen en werkzaamheden verband houden met het onderwijs aan de school en of het belang van het onderwijs aan de school er niet door wordt geschaad. Van toezicht houden op de inhoud van de programma's en beschrijvingen van de contractactiviteiten is echter geen sprake.

Paragraaf 2. Inrichting van het voortgezet onderwijs

Artikel 2.10. Reikwijdte

Dit artikel regelt het uitgangspunt dat paragraaf 2 geldt voor vwo, havo, mavo en vbo. Voor het praktijkonderwijs gelden de regels van paragraaf 2 alleen als dat expliciet is bepaald. Voor alle duidelijkheid: het praktijkgerichte onderricht dat onderdeel is van het vbo valt niet onder het begrip «praktijkonderwijs».

Artikel 2.11. Instructietaal

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 deels iets anders geregeld.

Verder is de instructietaal bij toetsen en examens en bij staatsexamens (nu onderdeel van artikel 6a WVO) geregeld in een afzonderlijk artikel, dat is opgenomen in de examenparagrafen van dit hoofdstuk.

Eerste lid

Dit lid regelt het uitgangspunt dat het Nederlands de voertaal is van het voortgezet onderwijs.

Tweede en derde lid

Op de volgende uitzonderingsgronden mag het bevoegd gezag van een school een andere taal dan Nederlands gebruiken:

  • a. als onderwijs over die andere taal wordt gegeven;

  • b. als de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs dat noodzakelijk maken; of

  • c. als de herkomst van de deelnemers daartoe noodzaakt.

Voor situaties als bedoeld onder b en c moet het bevoegd gezag wel een gedragscode vaststellen.

Artikel 2.12. Algemeen doel inrichting voortgezet onderwijs eerste twee leerjaren

Dit artikel gaat over de eerste twee leerjaren van het voortgezet onderwijs. Scholen moeten het onderwijsprogramma zo inrichten dat voor alle leerlingen een doorlopende leerlijn mogelijk is.

Leerlingen mogen niet in een fuik lopen door de manier waarop het onderwijssysteem is georganiseerd. Ook om voortijdige schooluitval te voorkomen, moet de weg open blijven voor leerlingen van de onderbouw van het vmbo om over te stappen naar een andere schoolsoort. Omgekeerd moet het ook mogelijk blijven voor leerlingen in de onderbouw van vwo en havo om over te stappen naar het vmbo. Leerlingen in het havo en vwo krijgen na de eerste twee jaar, waarvoor kerndoelen gelden, te maken met een derde jaar zonder kerndoelen, dat toegang moet geven tot de bovenbouw van het havo of vwo (vierde en volgende leerjaar), waarvoor eindexameneisen gelden.

Artikel 2.13. Kerndoelen eerste twee leerjaren

Eerste lid

Dit artikel regelt wat kerndoelen, die bij amvb worden vastgesteld, in essentie zijn.

De kerndoelen beschrijven de collectieve ambitie: welke kennis, vaardigheden en inzichten behoren alle jongeren te verwerven? Wat is nodig voor persoonlijk, maatschappelijk en beroepsmatig functioneren van alle leerlingen? De uitgewerkte kerndoelen verwijzen naar drie aspecten van het leven waarop het onderwijs voorbereidt:

  • «Cultureel kapitaal» is nodig voor (levenslange en levensbrede) persoonlijke ontplooiing en ontwikkeling;

  • Het verwerven van voldoende «sociaal kapitaal» is essentieel voor actief burgerschap, integratie en sociale cohesie;

  • «Menselijk kapitaal» heeft betrekking op de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt.

Daarnaast brengen kerndoelen tot uitdrukking welke bagage leerlingen nodig hebben voor het vervolg van hun onderwijsloopbaan, om te beginnen in de bovenbouw (de profielenfase) van het voortgezet onderwijs. Sommige kerndoelen kunnen niet of met moeite worden gerealiseerd in een bepaald didactisch model, maar het is niet de bedoeling dat die kerndoelen dan niet worden aangeboden. Scholen zullen manieren moeten vinden om op een andere manier invulling te geven aan deze kerndoelen: niet de onderwijsmethode maar de kerndoelen en de algemene opdracht aan de school zijn voor alle scholen het uitgangspunt. Daarbij geldt dat de onderbouw voorbereidt op de bovenbouw. Scholen zijn in de gelegenheid om het programma in de onderbouw zo in te richten dat een goede doorlopende leerlijn naar de bovenbouw ontstaat, aangepast aan wat leerlingen nodig hebben in de bovenbouw.

Tweede lid

De leerjaren voorafgaand aan de profielenfase, vormen de laatste periode in de onderwijsloopbaan met veel gemeenschappelijke onderwijsdoelen: de kerndoelen. De omvang en de formulering van de kerndoelen, die gelden voor de eerste twee leerjaren, moeten het voor alle scholen mogelijk maken om maatwerk te leveren voor leerlingen van de verschillende schoolsoorten (van vbo tot vwo). De functie van de kerndoelen is om het kader aan te geven waarbinnen scholen aanbodkeuzes kunnen maken. Kerndoelen geven de richting aan en moeten kunnen worden vertaald in concrete onderwijsprogramma's op verschillende niveaus en op scholen van alle signaturen. De programma’s zelf, en niet de kerndoelen, geven vorm aan niveaudifferentiatie. Het uiteindelijke ijkpunt voor de niveaudifferentiatie in de programma's is het eindexamen.

Dit artikel schrijft voor aan welke onderwerpen aandacht moet worden besteed in de kerndoelen.

Scholen hebben de ruimte om de kerndoelen in het onderwijsprogramma op verschillende manieren uit te werken. Daarbij kunnen ze zelf de breedte van de programmaonderdelen bepalen: bijvoorbeeld vakken, leergebieden/projecten of geïntegreerd in praktische opdrachten.

De leerjaren voorafgaand aan de profielenfase zijn voor leerlingen een belangrijke schakel in de doorlopende leerlijn van primair onderwijs naar vervolgopleidingen in en na het voortgezet onderwijs, naar de arbeidsmarkt en naar de maatschappij. Naarmate de onderwijsloopbaan vordert, neemt de diversiteit van de onderwijsprogramma's toe.

Artikel 2.14. Onderwijsprogramma eerste twee leerjaren

Eerste en tweede lid

Het bevoegd gezag moet een samenhangend en onder zijn verantwoordelijkheid verzorgd onderwijsprogramma voor de eerste twee leerjaren opstellen. Het moet de kerndoelen als uitgangspunt nemen bij het inrichten van het programma en daarbij rekening houden met de verschillen tussen groepen van leerlingen en met behoud van de keuzevrijheid en de doorstroommogelijkheden, zoals bedoeld in artikel 2.12. De eis uit artikel 11c WVO dat het programma wordt verzorgd «in schooltijd» is in de WVO 20xx anders geformuleerd, waarmee de bedoeling van de regel beter tot uitdrukking wordt gebracht: het programma moet onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag worden verzorgd.

Derde lid

In het huidige Inrichtingsbesluit WVO en het huidige Inrichtingsbesluit WVO BES zijn regels gesteld over het verzorgen van onderwijs in de eerste twee leerjaren naast het onderwijs dat wordt verzorgd op basis van de kerndoelen.

Vierde lid

Op grond van dit lid moet de school de inrichting van de eerste twee leerjaren geordend bijhouden. Dit betekent dat het bevoegd gezag het onderwijsprogramma voor deze leerjaren duidelijk moet beschrijven en documenteren. De school verantwoordt zich daarmee richting de Minister en de inspectie. Richting de ouders gebeurt de verantwoording door het uitbrengen van de jaarlijks vast te stellen schoolgids.

Artikel 2.15. Fries eerste twee leerjaren

Eerste lid

Op scholen in de provincie Fryslân moet, rekening houdend met de kerndoelen, aandacht worden besteed aan de Friese taal en cultuur. Voor scholen in de andere provincies en in Caribisch Nederland geldt deze verplichting niet. Het gaat hier alleen om de eerste twee leerjaren (alleen voor die leerjaren gelden kerndoelen, zie artikel 2.14, eerste lid).

Tweede lid

Dit lid regelt de mogelijkheid van een gehele of gedeeltelijke ontheffing van de verplichting om onderwijs in Friese taal en cultuur te geven. Scholen zijn bij een gedeeltelijke ontheffing ontheven van sommige kerndoelen Friese taal en cultuur. Zij moeten dan bijvoorbeeld wel lesgeven in de mondelinge beheersing van het Fries, maar niet de schriftelijke beheersing ervan. Door een ontheffing kan het onderwijs beter aansluiten bij de schoolsituatie en de leerlingenpopulatie.

Derde lid

Voor de rechtszekerheid van scholen en ouders is bepaald dat gedeputeerde staten in een beleidsregel ontheffingscriteria moeten vaststellen voor de volledige en gedeeltelijke ontheffing van de plicht om onderwijs te geven in Friese taal en cultuur. Deze criteria worden pas vastgesteld nadat gedeputeerde staten erover hebben overlegd met het Friese onderwijsveld. Door deze overlegverplichting moeten de ontheffingscriteria voldoende draagvlak krijgen in het onderwijsveld. Ook de mening van de ouders weegt daarbij mee.

Artikel 2.16. Vaststelling kerndoelen Fries

Op grond van dit artikel moeten kerndoelen voor Friese taal en cultuur worden vastgesteld. Dat gebeurt in een provinciale verordening van Fryslân zelf. In de provincie Fryslân fungeert het Fries als officiële taal naast het Nederlands. Voordat de provinciale verordening in werking kan treden en er dus onderwijs op basis van de daarin opgenomen kerndoelen kan worden verzorgd, moet de Minister aan de verordening goedkeuring hebben verleend. Het gaat hier om goedkeuring in de zin van de Awb. De «lex silencio positivo» is op de goedkeuring niet van toepassing; de grondwettelijke aspecten van de artikelen over het Fries maken een nadrukkelijk goedkeuringsbesluit nodig. Zie ook hierna bij artikel 2.17.

Artikel 2.17. Gronden onthouden goedkeuring verordening inzake kerndoelen Fries

In een afzonderlijk artikel zijn de regels uit artikel 11e WVO die te maken hebben met goedkeuring en weigering van de verordening waarin de kerndoelen voor Friese taal en cultuur worden vastgesteld bij elkaar geplaatst. De slotzin van artikel 11e, tweede lid, waarin wordt bepaald dat paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (inzake de «lex silencio positivo») niet van overeenkomstige toepassing is, is geschrapt, omdat deze regel niet nodig blijkt. Reden daarvoor is dat paragraaf 4.1.3.3 alleen van toepassing is als dat expliciet in de wet zo wordt bepaald. Nu de WVO 20xx dat niet bepaalt, geldt die paragraaf niet.

Eerste lid

Het eerste lid noemt twee aspecten die de Minister in elk geval moet betrekken bij de afweging om al dan niet goed te keuren. Deze aspecten gaan over het draagvlak in het Friese onderwijsveld voor de kerndoelen Fries en over de balans in het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 2.14, eerste lid.

Tweede lid

Het tweede lid verplicht gedeputeerde staten tot het verstrekken van gegevens die nodig zijn voor de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden van het eerste lid.

Derde lid

Dit lid concentreert zich op de kerndoelen zelf (anders dan het eerste lid) en noemt vier gevallen die ertoe kunnen leiden dat de Minister goedkeuring onthoudt aan de verordening. Het gaat hierbij om gevallen waarin de kerndoelen Fries ten onrechte geen aandacht schenken aan bepaalde verplichte elementen.

Vierde lid

Is de Minister van plan om de voorgelegde kerndoelen af te keuren, dan vraagt hij daarover eerst een advies aan de Onderwijsraad. Dat advies wordt binnen zes weken uitgebracht en openbaar gemaakt. Vervolgens kan de Minister besluiten om al dan niet goed te keuren. Er is in de goedkeuringsprocedure ruimte voor overleg tussen de Minister en de provincie Fryslân.

Vijfde lid

Parlementaire betrokkenheid is gewaarborgd doordat de Minister het parlement informeert over zijn voornemen om al dan niet goedkeuring te verlenen aan de door Fryslân voorgelegde kerndoelen. Met het informeren van het parlement en de goedkeuring door de Minister is er voor de provinciaal vastgestelde kerndoelen een procedure die waarborgen bevat, vergelijkbaar met die van de nahangprocedure voor de kerndoelen, vastgesteld bij amvb.22

Artikel 2.18. Ontheffingen delen onderwijsprogramma eerste twee leerjaren; bijzondere regels

Eerste lid

Leerlingen kunnen ontheffing krijgen voor onderdelen van het onderwijsprogramma voor de eerste twee leerjaren van vwo, havo, mavo en vbo. Het bevoegd gezag kan deze ontheffing na overleg met de ouders aan een individuele leerling verlenen, zodat de leerling in de daardoor vrijkomende tijd een alternatief programma kan volgen.

Tweede lid

Voor bepaalde leerlingen kan verder worden afgeweken van een of meer onderdelen of van het onderwijsprogramma en van de kerndoelen, bedoeld in artikel 2.14. Zo zijn er leerlingen die vanwege een fysieke beperking niet volledig kunnen deelnemen aan het programma voor lichamelijke opvoeding, dat is gebaseerd op de kerndoelen die hiervoor zijn vastgesteld. Ook scholen met eerste opvang anderstaligen (EOA’s) maken gebruik van deze bevoegdheid om ontheffing te verlenen voor programmaonderdelen. Zo kunnen ze meer Nederlands geven. Artikel 2.12 moet hierbij altijd worden gerespecteerd, zodat de doorstroming van leerlingen wordt bevorderd naar de daar genoemde leerjaren of profielen, met behoud van de keuzevrijheid van de leerlingen.

Derde lid

In het tweede lid van dit artikel is geregeld dat het bevoegd gezag voor leerlingen die daarvoor in aanmerking komen, bij de inrichting van het onderwijs kan afwijken van een of meer onderdelen van het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 2.14. De wijze waarop wordt vastgesteld welke leerlingen hiervoor in aanmerking komen is niet op wetsniveau, maar op besluitniveau geregeld. Het derde lid van artikel 2.18 is de grondslag voor deze nadere regels. Ze zijn te vinden in artikel 19 van het huidige Inrichtingsbesluit WVO en artikel 16 van het huidige Inrichtingsbesluit WVO BES.

Artikel 2.19. Onderwijsprogramma derde leerjaar vwo en havo

Eerste en tweede lid

Dit artikel gaat over het derde leerjaar van het vwo en het havo. Dat is het laatste leerjaar voorafgaand aan de profielenfase (periode van voorbereidend hoger onderwijs). Het derde leerjaar is een schakel in de doorlopende leerlijn tussen het onderwijsprogramma van de eerste twee leerjaren en de periode van voorbereidend hoger onderwijs. Net als het onderwijsprogramma van de eerste twee leerjaren moet het onderwijsprogramma in het derde leerjaar ervoor zorgen dat leerlingen niet worden beperkt in hun doorstroommogelijkheden naar de profielenfase van het voortgezet onderwijs. Het onderwijsprogramma moet op zo’n manier zijn ingericht dat alle doorstroommogelijkheden voor leerlingen die ook in de eerste twee leerjaren gelden, open blijven. Het artikel is niet van toepassing op het mavo en het vbo, omdat daar de leerwegen (opgebouwd uit profielen) van het derde en vierde leerjaar direct aansluiten op de eerste twee leerjaren.

Een aantal bepalingen over het onderwijsprogramma geldt voor zowel de eerste twee leerjaren als voor het derde leerjaar vwo en havo. In artikel 2.19 zijn de bepalingen die ook voor het derde leerjaar gelden uitgeschreven, om inzichtelijk te maken wat op het derde leerjaar van toepassing is.

Derde lid

Artikel 2.14, derde lid, maakt het mogelijk om bij of krachtens amvb regels te stellen over het verzorgen van het onderwijsprogramma in de eerste twee leerjaren, voor zover het gaat om ander onderwijs dan onderwijs dat wordt verzorgd op basis van de kerndoelen. Het derde lid van artikel 2.19 verklaart dat artikellid van overeenkomstige toepassing. Daardoor kunnen bij of krachtens amvb ook regels worden gesteld over het verzorgen van onderwijs in het derde leerjaar havo en vwo, naast het onderwijs dat wordt verzorgd op basis van de kerndoelen. De hier bedoelde regels kunnen bijvoorbeeld inhouden dat extra verplichte programmaonderdelen kunnen worden aangewezen, zoals een tweede of derde moderne vreemde taal naast Engels, of Grieks of Latijn in het gymnasium (zie het huidige Inrichtingsbesluit WVO en het huidige Inrichtingsbesluit WVO BES). Zie voor de toepassing van dit onderdeel in Caribisch Nederland hoofdstuk 11 van deze wet en het Inrichtingsbesluit WVO BES.

Vierde lid

Dit lid draagt het bevoegd gezag op om over het onderwijsprogramma geordende gegevens beschikbaar te hebben. Daarmee wordt het (horizontale en verticale) toezicht op het onderwijs vergemakkelijkt.

Artikel 2.20. Voorbereidend hoger onderwijs; profielen vwo en havo

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 deels iets anders geregeld.

Eerste lid

Het eerste lid schrijft voor dat in het vwo en havo de eerste drie leerjaren worden opgevolgd door een periode van voorbereidend hoger onderwijs.

Tweede lid

Het tweede lid regelt de structuur van die periode: de profielen. Profielen zijn «voorgeprogrammeerde» vakkenpakketten die, als het gaat om vwo en havo, aansluiting geven op bepaalde (groepen van) opleidingen in wo en hbo. Het afzonderlijk omschrijven van de profielenfase als «periode van voorbereidend hoger onderwijs» neemt niet weg dat er gedurende de hele cursus een doorlopende leerroute is: ook de periode voorafgaand aan de profielenfase is al (mede) gericht op de voorbereiding op hoger onderwijs. Het profiel is getypeerd als een samenhangend onderwijsprogramma.

Derde lid

Dit lid regelt de drie uitgangspunten voor de inrichting van elk profiel.

Vierde lid

Dit lid regelt welke vier profielen er zijn in het vwo en het havo en schrijft ook voor dat het bevoegd gezag alle profielen moet aanbieden. Scholen − ook scholen met een klein aantal leerlingen in de periode van voorbereidend hoger onderwijs – mogen zich niet beperken tot minder dan vier profielen. De leerling moet zich kunnen voorbereiden op alle groepen van vervolgopleidingen. De formulering van het vierde lid brengt tot uitdrukking dat het bevoegd gezag daarvoor verantwoordelijk is. Door te regelen dat het bevoegd gezag van de school alle profielen aanbiedt in plaats van in alle gevallen daadwerkelijk verzorgt, wordt rekening gehouden met de mogelijk dat er voor een profiel geen leerlingen zijn. Dan zou het te ver voeren om toch het verzorgen van zo’n profiel af te dwingen.

Artikel 2.21. Opbouw en vakken van profielen vwo en havo

Dit artikel regelt de opbouw van de profielen in het vwo en havo. Het bevat verder een grondslag voor uitvoeringsregels over de vakken in de drie onderdelen van elk profiel, en een bepaling over het «relatieve gewicht» van de vakken in vwo en havo binnen het geheel van de vakken van het eindexamen.

Eerste lid

Elk profiel heeft een onderwijsprogramma dat is verdeeld over een gemeenschappelijk deel, profieldeel en vrij deel. Van elk deel is in het artikel een korte typering opgenomen. Het gemeenschappelijk deel is hetzelfde voor alle profielen van een schoolsoort. Het profieldeel heeft wel een inrichting die specifiek is voor dat profiel. In het vrije deel is ruimte voor een eigen invulling door de leerling binnen het aanbod dat de school kan faciliteren. Het onderscheidende karakter van de school kan hierin ook terugkomen.

Tweede lid

Dit lid biedt de grondslag voor een amvb die voor elk profiel vwo en havo regelt:

  • a. welke vakken een verplicht onderdeel zijn van het gemeenschappelijk deel,

  • b. welke vakken een verplicht onderdeel zijn van de profieldelen en uit welke vakken de leerling in de profieldelen moet kiezen (waarbij de voorwaarde geldt dat het bevoegd gezag er ook voor heeft gekozen, die vakken aan te bieden), en

  • c. wat het vrije deel betreft, welke vakken of andere programmaonderdelen dat deel moet of kan omvatten, waarbij de voorwaarde geldt dat het bevoegd gezag deze vakken of andere programmaonderdelen ook inderdaad aanbiedt.

Het vrije deel is bijzonder van karakter, omdat het diverser van inhoud is dan het gemeenschappelijk deel en het profieldeel. Een deel van het vrije deel van elk profiel is bestemd voor vrij te kiezen examenvakken, maar ook het andere deel kan worden besteed aan examenvakken.

Derde lid

Dit lid regelt de grondslag om het relatieve gewicht van elk van de vakken binnen het geheel van de vakken van het eindexamen havo en vwo, uitgedrukt in een normatieve studielast per vak, nader te regelen.

Vierde lid

Dit lid biedt de grondslag voor het stellen van regels over de mogelijkheid om vervangende vakken te volgen op een hoger niveau dan dat van de havo. Ook kunnen op grond van onderdeel b leerlingen extra vakken volgen. Zo kan een leerling in vwo of havo bijvoorbeeld een extra wiskundevak volgen, zie onder meer artikel 8 van het huidige Eindexamenbesluit WVO.

Vijfde lid

In aanvulling op de verplichting tot het volgen van bepaalde vakken of programmaonderdelen die voortvloeit uit het eerste lid, kan het bevoegd gezag op grond van dit lid beslissen dat alle leerlingen bepaalde vakken of programmaonderdelen moeten volgen.

Artikel 2.22. Vmbo

Eerste lid

Na het tweede leerjaar wordt het onderwijs aan scholen voor mavo en vbo betiteld als »periode van vmbo» (vmbo). Dit is een parallel met vwo en havo, waarbij er na het derde leerjaar een periode van «voorbereidend hoger onderwijs» (vho) is. Het begrip «vmbo» heeft hiermee een duidelijke plaats in de wet gekregen. Dat is in de WVO nog niet voldoende het geval: het begrip wordt pas genoemd in artikel 21 WVO, nadat het onderwijsbouwwerk is beschreven, en heeft daar alleen een «afgeleide» betekenis: scholen kunnen zich «school voor vmbo» noemen. Een inhoudelijke wijziging is met het nieuwe artikel niet beoogd: scholen voor mavo en vbo mogen zich vmbo-school noemen (net als nu), maar blijven voor de toepassing van de WVO 20xx formeel scholen voor mavo of vbo. Ze reiken (net als in de WVO is geregeld) een diploma vmbo uit, met vermelding van de leerweg die aan de school voor mavo of vbo is gevolgd. Het vmbo kent vier leerwegen: de theoretische leerweg, de basisberoepsgerichte leerweg, de kaderberoepsgerichte leerweg en de gemengde leerweg. Waar in deze memorie van toelichting zowel scholen voor mavo als scholen voor vbo worden bedoeld, zijn deze samen aangeduid als scholen voor vmbo.

Tweede en derde lid

Deze leden koppelen de afzonderlijke leerwegen aan de schoolsoorten mavo en vbo. Scholen voor vbo verzorgen onderwijs in de basisberoepsgerichte en de kaderberoepsgerichte leerweg. Scholen voor mavo verzorgen onderwijs in de theoretische leerweg.

Vierde lid

De in het tweede en derde lid genoemde leerwegen kunnen rechtstreeks worden gekoppeld aan de schoolsoorten mavo (theoretische leerweg) en vbo (de beroepsgerichte leerwegen). Daarnaast is er echter nog een vierde leerweg: de gemengde leerweg. Deze leerweg bevat zowel elementen van de beroepsgerichte leerwegen als van de theoretische leerweg en is hiermee een tussenvorm tussen mavo en vbo. De gemengde leerweg kan alleen verzorgd worden door (verticale) scholengemeenschappen die zowel mavo- als vbo-onderwijs geven. Bepaalde combinaties van vakken kunnen resulteren in een pakket dat aansluiting geeft op het havo.

Vijfde en zesde lid

Deze leden regelen de toepassing van het vierde lid op verticale scholengemeenschappen met een roc, met een bijzondere regel voor verticale scholengemeenschappen waarvan een aoc onderdeel uitmaakt. Zie ook de definitie van «verticale scholengemeenschap» in artikel 1.1.

Artikel 2.23. Leerwegen en profielen vmbo

De beroepsgerichte leerwegen en de gemengde leerweg van het vmbo worden vanaf 1 augustus 2016 met ingang van het derde leerjaar niet meer ingericht naar sectoren en afdelingen, maar volgens profielen. In de WVO 20xx zijn nu de laatste leerjaren van vwo, havo, mavo en vbo (de profielenfase) volgens één overzichtelijk stramien geregeld.

Artikel 2.24. Opbouw en vakken van profielen vmbo

Dit artikel regelt de opbouw van de profielen in het vmbo. Het bevat verder een grondslag voor uitvoeringsregels met betrekking tot de vakken in de drie onderdelen van elk profiel, en een grondslag voor uitvoeringsregels over het minimum aantal te volgen eindexamenvakken in het derde leerjaar van het vmbo.

Eerste lid

Elk profiel heeft een onderwijsprogramma dat is verdeeld over een gemeenschappelijk deel, profieldeel en vrij deel. Van elk deel is een korte typering opgenomen. Het gemeenschappelijk deel is hetzelfde voor alle profielen van een leerweg. Het profieldeel heeft wel een inrichting die specifiek is voor dat profiel. In het vrije deel is ruimte voor een eigen invulling door de leerling binnen het aanbod dat de school kan faciliteren. Het onderscheidende karakter van de school kan hierin ook terugkomen.

Tweede lid

Dit lid biedt de grondslag voor een amvb die voor elk profiel in het vmbo regelt:

  • a. welke vakken een verplicht onderdeel zijn van het gemeenschappelijk deel,

  • b. welke vakken een verplicht onderdeel zijn van de profieldelen en uit welke vakken de leerling in de profieldelen moet kiezen (waarbij de voorwaarde geldt dat het bevoegd gezag er ook voor heeft gekozen die vakken aan te bieden), en

  • c. wat het vrije deel betreft, welke vakken of andere programmaonderdelen dat deel moet of kan omvatten, waarbij de voorwaarde geldt dat het bevoegd gezag deze vakken of andere programmaonderdelen ook inderdaad aanbiedt.

Het vrije deel is bijzonder van karakter, omdat het meer divers van inhoud is dan het gemeenschappelijk deel en het profieldeel: een deel van het vrije deel van elk profiel is bestemd voor vrij te kiezen examenvakken. Maar ook het andere deel kan worden besteed aan examenvakken.

Gekozen is om de vakken niet langer in de wet te benoemen, maar te regelen bij amvb. Deze keuze is ingegeven door de overweging dat dit bijdraagt aan een belangrijk doel van de WVO 20xx: een duurzamer regelcomplex bieden dan nu het geval is. Structurele elementen vragen om regeling in de wet, maar vakaanduidingen zijn veranderingsgevoelig. Een ander niveau van regelgeving vergroot de flexibiliteit van het voortgezet onderwijsstelsel.

Voor de vakken zelf heeft deze keuze geen gevolgen: zij blijven centraal geregeld, maar dan op het niveau van een amvb. Die amvb wordt onderworpen aan nahang (zie hierover hoofdstuk 13), zodat parlementaire betrokkenheid in alle gevallen blijft gewaarborgd, zoals nu ook al geldt voor het Inrichtingsbesluit en het Eindexamenbesluit voor het voortgezet onderwijs.

Derde lid

De beroepsgerichte leerwegen en de gemengde leerweg bevatten per profiel een profielvak. Om welk vak het gaat wordt niet op wetsniveau maar bij amvb geregeld. Dit lid bevat de grondslag voor het stellen van die regels, evenals regels over de beroepsgerichte keuzevakken in de beroepsgerichte leerwegen en gemengde leerweg. Regels over de goedkeuring van nieuw ontwikkelde beroepsgerichte keuzevakken hebben eveneens een grondslag in dit artikellid.

Vierde lid

Op grond van dit lid kan op een lager niveau dan dat van de wet worden geregeld wat het minimaal door alle leerlingen in het derde leerjaar in alle leerwegen binnen de periode van vmbo te volgen aantal vakken is waarin eindexamen kan worden afgelegd, en om welke vakken het gaat. Hiermee wordt beoogd dat leerlingen in het derde leerjaar meer vakken volgen dan alleen de vakken waarin ze eindexamen gaan doen. Het bredere onderwijspakket is een vervolg op de onderbouw (de eerste twee leerjaren vbo en mavo).

Vijfde lid

Dit lid biedt de grondslag voor het stellen van regels over de mogelijkheid om vervangende vakken te volgen op een hoger niveau dan de schoolsoort of leerweg van inschrijving. Ook kunnen leerlingen extra vakken volgen op grond van onderdeel b.

Zesde lid

In aanvulling op de verplichting tot het volgen van bepaalde vakken of programma-onderdelen die voortvloeit uit het eerste lid, kan het bevoegd gezag op grond van dit zesde lid beslissen dat alle leerlingen bepaalde vakken of programmaonderdelen in het vrije deel moeten volgen.

Artikel 2.25. Profielen in de theoretische leerweg

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 deels iets anders geregeld.

Eerste lid

Dit lid geeft een omschrijving van de profielen in de theoretische leerweg. De profielen zijn samenhangende onderwijsprogramma’s die worden gegeven met een aantal doelen: algemene vorming, voorbereiding op aansluitend beroepsonderwijs zoals dat overeenkomstig de WEB wordt ingericht, en voorbereiding op het havo.

Tweede lid

Dit lid benoemt specifiek de vier profielen van de theoretische leerweg. Het regelt welke profielen er in de theoretische leerweg zijn en schrijft ook voor dat het bevoegd gezag al deze profielen moet aanbieden. Scholen − ook scholen met een klein aantal leerlingen in de periode van vmbo – mogen zich niet beperken tot het aanbieden van minder dan vier profielen. De leerling moet zich kunnen voorbereiden op alle groepen van vervolgopleidingen. De formulering brengt tot uitdrukking dat het bevoegd gezag daarvoor verantwoordelijk is, maar houdt ook rekening met de mogelijkheid dat er voor een profiel geen leerlingen zijn. In dat geval zou het te ver voeren om toch het verzorgen van dat profiel af te dwingen.

Artikel 2.26. Profielen in de beroepsgerichte leerwegen

Eerste lid

Dit lid geeft een omschrijving van de profielen in de beroepsgerichte leerwegen. De profielen zijn samenhangende onderwijsprogramma’s die worden gegeven met een aantal doelen: algemene vorming, en voorbereiding op aansluitend beroepsonderwijs.

Tweede lid

Het bevoegd gezag van de school waar een beroepsgerichte leerweg wordt verzorgd, is niet verplicht om alle profielen van die leerweg aan te bieden.

Omdat voor de theoretische leerweg als gevolg van de Wet profielen vmbo met ingang van 1 augustus 2016 een andere indeling in profielen geldt dan voor de beroepsgerichte leerwegen en de gemengde leerweg,23 is er voor gekozen om de indeling in profielen op te nemen in de artikelen over de verschillende leerwegen zelf. Het onderstaande geldt wat betreft de indeling in profielen voor zowel de beroepsgerichte leerwegen als voor de gemengde leerweg.

Door de combinatie van een profiel met beroepsgerichte vakken hebben scholen de mogelijkheid om een onderwijsprogramma aan te bieden dat vergelijkbaar is met dat wat ze voor 1 augustus 2016 verzorgden op grond van de diverse afdelingsvakken, intra- en intersectorale programma’s.

Derde lid

Dit lid gaat over stages in de leerwegen en komt in de plaats van artikel 22, tweede lid, onderdeel b, WVO (in de WVO BES ontbreekt nu zo’n specifieke grondslag). Op grond van het derde lid kunnen regels worden gesteld over de stage in de kaderberoepsgerichte en basisberoepsgerichte leerweg. Deze regels hebben betrekking op het stageplan, de stageplaatsen en stage-overeenkomsten en zijn nu te vinden in de artikelen 31 tot en met 36 van het Inrichtingsbesluit WVO.

Artikel 2.27. Profielen in de gemengde leerweg

Eerste en tweede lid

Dit artikel geeft een omschrijving van de profielen in de gemengde leerweg, op een manier die vergelijkbaar is met de omschrijving van de profielen in de beroepsgerichte leerwegen in artikel 2.24. Ook in de gemengde leerweg vormen de profielen een door het bevoegd gezag opgesteld samenhangend onderwijsprogramma, dat wordt gegeven met een aantal doelen: algemene vorming, en voorbereiding op aansluitend beroepsonderwijs dat overeenkomstig de WEB wordt ingericht. Het bevoegd gezag van de school of (verticale) scholengemeenschap waar de gemengde leerweg wordt verzorgd, is niet verplicht om alle profielen van die leerweg aan te bieden.

Derde lid

Dit lid gaat over stages in de gemengde leerweg en komt in de plaats van artikel 22, tweede lid, onderdeel b, WVO (in de WVO BES ontbreekt nu zo’n specifieke grondslag). Op grond van het derde lid kunnen regels worden gesteld over de stage in de gemengde leerweg. Deze regels hebben betrekking op het stageplan, de stageplaatsen en stage-overeenkomsten en zijn nu voor Europees Nederland te vinden in de artikelen 31 tot en met 36 van het Inrichtingsbesluit WVO.

Artikel 2.28. Vbo in aoc

Aoc’s verzorgen ook (groen) vbo. Alle regels van de WVO 20xx voor het vbo gelden ook voor het vbo in aoc’s, tenzij een amvb of een ministeriële regeling op grond daarvan nadrukkelijk bepaalt dat dit niet (of niet geheel) het geval is. Dergelijke afwijkende regels zijn op dit moment opgenomen in het Besluit vbo-groen in een AOC 2016.

Artikel 2.29. Doelgroep praktijkonderwijs

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

Praktijkonderwijs is bedoeld voor leerlingen voor wie vaststaat dat:

  • a. overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden, en

  • b. het volgen van het onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in artikel 2.22, eerste lid, al dan niet in combinatie met het volgen van leerwegondersteunend onderwijs, niet zal leiden tot het behalen van een diploma of een getuigschrift vmbo als bedoeld in artikel 2.58, tweede lid.

Het praktijkonderwijs is bedoeld voor een specifieke, beperkte groep leerlingen. Deze doelgroep is in dit artikel omschreven. De toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs is geregeld in artikel 2.30. De jongeren om wie het hier gaat, hebben een integrale achterstand als gevolg van structurele problematiek en zijn gebaat bij een overwegend orthopedagogische en orthodidactische benadering. Jongeren met zicht op een regulier diploma of een getuigschrift vmbo – al dan niet met een tijdelijke of blijvende hulp door middel van het leerwegondersteunend onderwijs –, behoren niet tot de doelgroep van het praktijkonderwijs.

Artikel 2.30. Toelaatbaarheid en toelating praktijkonderwijs

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

Eerste lid

Op grond van het eerste lid van dit artikel kan het bevoegd gezag van de school waar een leerling is ingeschreven of (bij een leerling die van het basisonderwijs voor het eerst naar het voortgezet onderwijs gaat) het bevoegd gezag van de school waar een leerling zich aanmeldt, aan de ouders van die leerling voorstellen dat hij of zij praktijkonderwijs gaat volgen. Dat is alleen aan de orde als de leerling behoort tot de doelgroep van het praktijkonderwijs, zoals beschreven in artikel 2.29. Het eerste lid vereist dat het bevoegd gezag redelijkerwijs moet kunnen aannemen dat deze situatie zich voordoet.

Tweede lid

Het samenwerkingsverband beslist op basis van landelijke criteria (die worden gesteld op basis van artikel 2.47, dertiende lid) of de leerling toelaatbaar wordt verklaard tot het praktijkonderwijs.

Derde lid

Geregeld is welke documenten bij de aanvraag moeten worden gevoegd. Zonder toelaatbaarheidsverklaring mag een school voor praktijkonderwijs een leerling niet toelaten. Een toelaatbaarheidsverklaring van een samenwerkingsverband is landelijk geldig.

Vierde lid

Hoofdregel is dat een aanvraag bij het samenwerkingsverband kan worden ingediend voor 3 categorieën leerlingen, te weten:

  • a) de leerling die rechtstreeks afkomstig is van een school of instelling als bedoeld in de WPO of de WEC;

  • b) de leerling die rechtstreeks afkomstig van het eerste leerjaar van een school voor voortgezet onderwijs;

  • c) de leerling die voldoet aan criteria die zijn gesteld bij of krachtens amvb.

Het woord «rechtstreeks» in onderdelen a en b geeft aan dat er geen tussenfase mag zijn waarin de leerling geen onderwijs of ander onderwijs dan hier genoemd, heeft gevolgd. De criteria bedoeld in categorie c, zijn gesteld in het huidige artikel 15e van het Inrichtingsbesluit WVO. Verdere ontwikkeling van die voorwaarden kan leiden tot de keuze om bepaalde afgeleide, gedetailleerde of technische elementen van die voorwaarden te regelen bij ministeriële regeling.

Vijfde lid

In het vijfde lid is geregeld onder welke voorwaarden een aanvraag voor de toelaatbaarheidsverklaring tot het praktijkonderwijs mag worden ingediend door het bevoegd gezag, voor de leerling die vreemdeling is als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, onderdeel b of c. Voor een vreemdeling die op 1 oktober van het schooljaar waarin hij voor het eerst wordt meegeteld als vo-leerling korter dan een jaar in Nederland is, kan pas een aanvraag worden ingediend na afloop van dat schooljaar. Dit betekent dat nieuwkomers eerst een volledig vo-schooljaar moeten volgen voordat ze in het praktijkonderwijs kunnen worden geplaatst. Deze regels over vreemdelingen moeten voorkomen dat nieuwkomers door taalproblemen of leerproblemen als gevolg van sociaal-emotionele problematiek in een onderwijsvorm worden geplaatst die geen recht doet aan hun cognitieve capaciteiten. Daar komt bij dat deze leerlingen de Nederlandse taal vaak niet of nauwelijks beheersen, waardoor zij niet op een goede manier kunnen deelnemen aan de testen waarop het oordeel over de toelaatbaarheid wordt gebaseerd. Na het eerste schooljaar kan eventueel een aanvraag over de toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs worden ingediend.

Zesde lid

In dit lid is bepaald dat artikel 8:4, derde lid, onderdeel b, Awb, niet van toepassing is op de toelatingsbeschikking tot het praktijkonderwijs door het samenwerkingsverband. Dat betekent dat beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing als het een besluit in de zin van de Awb betreft.

Zevende lid

Nadat de leerling toelaatbaar is verklaard, beslist het bevoegd gezag van de school voor praktijkonderwijs over de daadwerkelijke toelating van de leerling tot de school. Hiertoe wordt eerst overleg gevoerd met de ouders van de betreffende leerling.

Artikel 2.31. Inrichting praktijkonderwijs

Dit artikel bevat specifieke regels voor de inrichting van het praktijkonderwijs. Bij de inrichting van het praktijkonderwijs kan op verschillende punten worden afgeweken van regels die gelden voor de overige schoolsoorten.

Eerste lid

Dit lid regelt de centrale doelstellingen van de inrichting van het praktijkonderwijs. Het praktijkonderwijs bestaat uit twee gedeelten. Met de term «aangepast theoretisch onderwijs» wordt bedoeld dat het bevoegd gezag bij het programma op maat voor de betrokken leerling zoveel mogelijk uitgaat van de kerndoelen voor de eerste twee leerjaren van het voortgezet onderwijs (zie artikel 2.13). Daarbij wordt het onderwijs meer gericht op het aanleren van praktische vaardigheden dan regulier klassikaal theoretisch onderwijs.

Tweede lid

Dit lid legt de relatie met de kerndoelen: praktijkonderwijs wordt zoveel mogelijk op basis van de kerndoelen verzorgd. Het praktische gedeelte van de opleiding biedt de leerling de mogelijkheid om door begeleide stages te worden voorbereid op het uitoefenen van functies op de regionale arbeidsmarkt waar het praktijkonderwijs voor opleidt.

Derde lid

Leerlingen in het praktijkonderwijs stromen in met een leerachterstand. De schoolsoort is – in tegenstelling tot de overige schoolsoorten – niet gericht op het behalen van een diploma met civiel effect, maar doelen worden per leerling gesteld. Daarom is in dit lid bepaald dat scholen voor praktijkonderwijs ernaar moeten streven om deze leerlingen voor zover mogelijk te brengen tot het referentieniveau dat op grond van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen is vastgesteld voor deze schoolsoort.

Vierde lid

Dit lid is vergelijkbaar met de opdracht voor de scholen voor vwo, havo, mavo en vbo om een samenhangend onderwijsprogramma vast te stellen dat onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag wordt verzorgd.

Vijfde lid

Dit lid bevat de grondslag om bij amvb regels te stellen over de vakken en de arbeidstraining die het praktijkonderwijs moet omvatten. Artikel 25a van het Inrichtingsbesluit WVO bepaalt nu dat het praktijkonderwijs ten minste Nederlandse taal, rekenen of wiskunde, informatiekunde en lichamelijke opvoeding omvat, en de vakken waarvan het bevoegd gezag, na overleg met de gemeente die daarbij de werkgevers betrekt die werkzaam zijn op de regionale arbeidsmarkt, heeft vastgesteld dat deze van belang zijn voor het uitoefenen van functies binnen die arbeidsmarkt.

Zesde lid

Dit lid geeft scholen voor praktijkonderwijs de mogelijkheid om af te wijken van de inhoud van artikel 2.39, dat gaat over het aantal dagen waarop per schooljaar onderwijs wordt verzorgd. De woorden «indien dat voor de leerling noodzakelijk is» geven aan dat er een objectieve noodzaak moet zijn om voor een leerling af te wijken van die regels. De afwijkingen moeten bovendien proportioneel zijn en er moet steeds recht worden gedaan aan het tweede en derde lid, waarin is geregeld dat de school de opdracht heeft om «zoveel mogelijk» het onderwijs te verzorgen op basis van de kerndoelen, en de opdracht dat de leerlingen «zoveel mogelijk» de referentieniveaus bereiken. De afwijking kan dus niet zo ver gaan dat deze uitgangspunten helemaal worden verlaten.

Zevende lid

Dit lid houdt in dat het bevoegd gezag het onderwijsprogramma duidelijk moet beschrijven en documenteren.

Artikel 2.32. Maatschappelijke stage

Eerste lid

Dit lid regelt dat een maatschappelijke stage onderdeel kan zijn van het onderwijsprogramma van een school. Het geldt voor alle schoolsoorten in het voortgezet onderwijs: vwo, havo, mavo, vbo en (zie het vierde lid) praktijkonderwijs. Op grond van artikel 2.58, vijfde lid, wordt op besluitniveau de cijferlijst geregeld. Daarbij gaat het ook om de hoeveelheid uren die de met goed gevolg afgesloten maatschappelijke stage minimaal moet hebben geduurd om vermeld te mogen worden op de cijferlijst of het getuigschrift (dit is nu nog te vinden in artikel 52, eerste lid, onderdeel f, van het EB VO).

Tweede lid

Dit lid geeft aan waar de maatschappelijke stage op is gericht. Het gaat om een ander soort stage dan de stage die onderdeel kan uitmaken van de beroepsgerichte leerwegen (artikel 2.26, derde lid), of de gemengde leerweg (artikel 2.27, derde lid).

Derde lid

Er moet sprake zijn van een schriftelijke stage-overeenkomst als een school kiest voor de maatschappelijke stage. In beginsel moet toegestane arbeid door kinderen en jongeren plaatsvinden buiten schooltijd. Een belangrijke uitzondering hierop is op grond van artikel 3:1 van de Nadere regeling kinderarbeid de aanwezigheid van een stage-overeenkomst als onderdeel van een schoolplan. Als zo’n overeenkomst onder de maatschappelijke stage ligt, mag schooltijd gebruikt worden voor de uitvoering ervan. Regels over de inhoud van de stage-overeenkomst voor de maatschappelijke stage worden bij amvb vastgesteld. Deze regels zijn nu te vinden in artikel 30a van het Inrichtingsbesluit.

Vierde lid

Ook in het praktijkonderwijs kan een maatschappelijke stage onderdeel zijn van het onderwijsprogramma. In het vierde lid wordt artikel 2.32 van toepassing verklaard op het praktijkonderwijs.

Artikel 2.33. Voortgezet onderwijs in lichamelijke opvoeding

Dit artikel is in Caribisch Nederland niet geheel van toepassing.

Eerste en tweede lid

Dit artikel bevat de norm voor de omvang en spreiding over de leerjaren en schoolweken van het bewegingsonderwijs. Daarbij geldt de norm van 1 augustus 2005. Voor het havo gaat het dan om 360 klokuren en voor het vwo om 400 klokuren. Het betreft praktische bewegingsactiviteiten. Dat betekent dat de leerlingen ook echt in beweging moeten zijn. Het is niet de bedoeling om het leren van de spelregels daaronder te begrijpen. Daarnaast moet het bewegingsonderwijs gespreid over de schoolweken worden verzorgd. Het eerste lid, onderdeel d, bevat een zorgplicht. Het tweede lid is niet van toepassing in Caribisch Nederland, zie hiervoor hoofdstuk 11.

Derde lid

Voor het laatste leerjaar geldt, dat het onderwijs in het eindexamenvak lichamelijke opvoeding niet eerder mag worden afgesloten dan in de maand december.

Vierde lid

Dit lid bevat een ontheffingsmogelijkheid voor lichamelijke opvoeding. Deze ontheffingsmogelijkheid is nu opgenomen in het Inrichtingsbesluit WVO en het Inrichtingsbesluit WVO BES. Omdat de lichamelijke opvoeding voor alle leerjaren op het niveau van de wet is geregeld, is er voor het overzicht voor gekozen deze ontheffingsmogelijkheid ook in de wet op te nemen. Dit lid is hiervoor de aangewezen plaats.

Artikel 2.34. Bestrijding achterstanden voortgezet onderwijs

Voor Caribisch Nederland is dit artikel aangevuld in hoofdstuk 11.

Dit artikel regelt dat het voortgezet onderwijs structureel en herkenbaar aandacht moet besteden aan het bestrijden van achterstanden, vooral in de beheersing van de Nederlandse taal. Voldoende beheersing van de Nederlandse taal is een belangrijke voorwaarde voor het goed functioneren in de Nederlandse samenleving. Iedere leerling met een taalachterstand moet de taalondersteuning kunnen krijgen die nodig is. Scholen moeten daar een duidelijk beleid voor ontwikkelen en dat beleid moet zijn beschreven in het schoolplan. De manier waarop het beleid in de school wordt uitgevoerd, is beschreven in de schoolgids. Uit het systeem van de wet vloeit voort dat het onderwijs dat de school verzorgt, en dus ook taalondersteuning, onderdeel moet zijn van het schoolplan, dat op grond van artikel 2.88 een beschrijving bevat van het onderwijskundig beleid van de school (uitgewerkt in artikel 2.90). Het artikel dat gaat over de schoolgids (2.92, tweede lid, onder b) schrijft voor dat het bevoegd gezag in die gids informatie opneemt over «de wijze waarop vorm wordt gegeven aan de ondersteuning van leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben».

Artikel 2.35. Godsdienst- of levensbeschouwelijk onderwijs aan openbare scholen

Het godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs kan geen deel uitmaken van het programma van de openbare school, omdat dit in strijd zou zijn met de neutraliteit van het openbaar onderwijs. Dat neemt echter niet weg dat er wel godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk onderwijs aan openbare scholen verzorgd kan worden. Dit artikel stelt hiervoor regels.

Eerste lid

Wanneer kerkelijke gemeenten, plaatselijke kerken of instellingen die daaraan gelijk worden gesteld, daarom verzoeken, moet een openbare school haar leerlingen de gelegenheid bieden om op de school godsdienstonderwijs te volgen. Het bevoegd gezag moet voor dit godsdienstonderwijs lokalen beschikbaar stellen en mag daarvoor geen vergoeding vragen.

Tweede lid

Soortgelijke regels gelden voor genootschappen op geestelijke grondslag.

Derde lid

Zijn er geschillen over het vaststellen van lessen in godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk onderwijs, of over het beschikbaar stellen van lokalen, dan beslist de Minister daarover.

Vierde lid

Iedere onderwijsgevende moet, ongeacht het vak dat hij of zij geeft, vakinhoudelijke en pedagogisch-didactische kennis, vaardigheden en inzichten bezitten en onderhouden. Het bevoegd gezag van de school moet daarop toezien. De wet eist van leraren die lessen godsdienst of levensovertuiging geven dat zij, net als hun collega's in andere vakken, voldoen aan bekwaamheidseisen en hun bekwaamheid onderhouden. De organisatie waardoor de leraar (op grond van het eerste en tweede lid) wordt aangewezen, is verantwoordelijk voor een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat hij of zij voldoet aan de bekwaamheidseisen, en zijn of haar bekwaamheid onderhoudt.

Vijfde lid

Dit artikel is ook van toepassing op openbare scholen voor praktijkonderwijs.

Artikel 2.36. Volgen van lessen bijzondere school door leerlingen met andere levensovertuiging

Artikel 8.3 regelt dat aan een leerling die binnen een redelijke afstand van zijn woning niet in de gelegenheid is tot het volgen van onderwijs aan een openbare school, niet op grond van levensovertuiging de toegang geweigerd mag worden voor een uit ’s Rijks kas bekostigde bijzondere school (van de gewenste schoolsoort). Heeft een leerling geen mogelijkheid om een school van de eigen levensovertuiging te bezoeken en is er ook geen openbare school van de gewenste schoolsoort binnen redelijke afstand aanwezig, dan kan de leerling een school met een andere levensovertuiging bezoeken. Artikel 2.36 regelt dat deze leerlingen er niet toe kunnen worden verplicht om lessen te volgen die verband houden met de andere levensovertuiging. Dit artikel geldt ook voor het praktijkonderwijs.

Artikel 2.37. Vrijstelling en ontheffing onderwijsprogramma

Dit artikel biedt de grondslag om vrijstellingen en ontheffingen van (delen van) het onderwijsprogramma te regelen. Bij de vrijstellingen op onderdelen kan het bijvoorbeeld gaan om vrijstelling van de verplichting tot het volgen van onderwijs in lichamelijke opvoeding voor een leerling die daartoe door zijn gezondheid niet in staat is. Andere gevallen zijn echter niet uitgesloten, daarom bevat dit onderdeel geen uitputtende regeling.

Deze delegatiebepaling geldt ook voor de aanvullende voorwaarden op het onderwijsprogramma in de onderbouw van het havo, vwo en vmbo. Zie daarvoor onder meer de artikelen 21 en 22 van het huidige Inrichtingsbesluit WVO, die voorzien in ontheffingsmogelijkheden van het volgen van onderwijs in Frans, Duits of beide talen.

Paragraaf 3. Onderwijstijd, vakanties

Artikel 2.38. Onderwijstijd

Eerste tot en met vierde lid

In deze leden is het aantal klokuren voorgeschreven dat per schoolsoort vwo, havo, mavo en vbo in totaal minimaal moet worden aangeboden.

Welke activiteiten als onderwijstijd kunnen meetellen, hangt af van wat er op schoolniveau wordt afgesproken binnen de kaders van landelijke wet- en regelgeving. Met dit artikel is het mogelijk om te differentiëren naar inhoud, niveau en ook uren. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat scholen uren onderwijs inplannen dat door alle leerlingen bezocht kan worden, maar niet door alle leerlingen gevolgd hoeft te worden. Een urennorm per opleiding maakt dat mogelijk.

Tot onderwijstijd kunnen ook andere onderwijsactiviteiten behoren dan «traditionele» lessen (lesuren). De wettelijke kaders voor onderwijstijd zijn bewust globaal gehouden, zodat zij voldoende flexibel zijn voor situaties die vooraf niet goed kunnen worden ingeschat. Wanneer een vooraf niet geprogrammeerde activiteit, zoals bijvoorbeeld het volgen van een stage of deelnemen aan een wedstrijd, bijdraagt aan de geprogrammeerde leerdoelen van de leerling, kan zij meetellen als onderwijstijd.

Tijd- en plaatsonafhankelijk onderwijs kan als begeleide onderwijstijd meetellen voor de urennorm. Te denken valt bijvoorbeeld aan programma’s waarbij de leraar op afstand mee kijkt met leerlingen, met hen kan communiceren via de computer en aanwijzingen kan geven. Op schoolniveau kan op basis van professionele keuzes en de didactische verantwoordelijkheid van school en leraren worden afgesproken in hoeverre men van deze mogelijkheid gebruik maakt. Voorop staat dat een onderwijsactiviteit onder de verantwoordelijkheid van de school moet worden uitgevoerd en dat de school dus aanspreekbaar is op inhoud, vorm en uitvoering van die activiteit. De medezeggenschapsraad van de school moet vooraf instemmen met het inplannen van bepaalde soorten onderwijsactiviteiten als onderwijstijd. Scholen kunnen maatwerk bieden aan leerlingen, ook voor wat betreft de hoeveelheid uren onderwijstijd. Leerlingen kunnen voor het ene vak meer tijd nodig hebben dan het «reguliere» aantal uren, terwijl zij voor andere vakken juist minder tijd nodig zouden kunnen hebben. Het is de didactische verantwoordelijkheid van school en leraar om te bepalen of leerlingen die niet het reguliere programma (behoeven te) volgen erbij gebaat zijn dat zij een onderwijsprogramma volgen met minder uren, of dat zij «vrijkomende» uren benutten voor bijvoorbeeld verdieping, verbreding, verrijking of extra ondersteuning.

De school kan er ook voor kiezen om bijvoorbeeld begeleide zelfstudie of keuzewerktijd in te plannen als onderwijstijd. Het is denkbaar dat zulke activiteiten voor sommige leerlingen heel nuttig zijn, terwijl andere leerlingen deze uren niet nodig hebben. Op schoolniveau kan worden afgesproken dat bepaalde leerlingen die ingeplande uren niet verplicht behoeven te volgen. Dat heeft geen invloed op het voldoen van de school aan de urennorm: de uren zijn immers wel aangeboden en kunnen door alle leerlingen worden gevolgd. Artikel 2.38 regelt niet of, en zo ja welke, leerlingen bepaalde lessen niet behoeven te volgen; dat is bij uitstek een professionele beslissing van de leraar.

Onderwijstijd en leerplicht: geregeld schoolbezoek

Jongeren zijn op grond van artikel 4, eerste lid, LPW en artikel 7, eerste lid, LPW BES verplicht de school waar zij als leerling staan ingeschreven «geregeld te bezoeken». Op grond van artikel 4, tweede lid, LPW en artikel 7, tweede lid, LPW BES vindt het schoolbezoek geregeld plaats «zolang geen les of praktijktijd wordt verzuimd». De kwaliteit, doelmatigheid en toegankelijkheid van het onderwijs kunnen zijn gebaat bij innovatieve vormen van onderwijs. Er zijn ook diverse initiatieven om innovatieve vormen van onderwijs en maatwerk te stimuleren en te faciliteren. Daarbij gaat het nadrukkelijk niet om verruiming van de vrijstellingen voor het volgen van onderwijs zoals geregeld in de LPW of de LPW BES, of om situaties die de leerplicht van individuele leerlingen betreffen. Artikel 2.38 biedt op systeemniveau meer onderwijskundige ruimte voor (al dan niet innovatieve) vormen van onderwijs, zoals maatwerk, gepersonaliseerd leren en bijvoorbeeld afstandsonderwijs met ICT. Dergelijke vormen van onderwijs kunnen worden gezien als onderwijstijd als ze aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • ze moeten een integraal onderdeel zijn van het reguliere onderwijsprogramma, dat in beginsel voor alle leerlingen toegankelijk is,

  • het onderwijs moet worden verzorgd onder verantwoordelijkheid van de school waar de leerling is ingeschreven,

  • het onderwijs moet zijn gericht op de onderwijsdoelen die onder meer in de kerndoelen, exameneisen en algemene doelstellingen zijn vastgelegd, en

  • het onderwijs moet worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van iemand die daartoe op grond van hoofdstuk 7 inzetbaar is.

De mogelijkheid bestaat om een deel van de lessen, onder verantwoordelijkheid van de school waar de leerling is ingeschreven, op een andere school of instelling te volgen. Dat geldt ook voor de mogelijkheid om bijvoorbeeld via afstandsonderwijs lessen op een andere school te volgen.

Vijfde lid

In dit lid is bepaald dat de uren moeten worden ingevuld met activiteiten die passen binnen het samenhangende onderwijsprogramma dat het bevoegd gezag heeft ingericht voor de verschillende opleidingen en leerjaren. In onder andere artikel 2.14 en volgende is geregeld dat het bevoegd gezag voor de verschillende leerjaren een samenhangend onderwijsprogramma moet inrichten dat onder zijn verantwoordelijkheid wordt verzorgd, en is geregeld waarop het onderwijs in dat programma moet zijn gericht. Dit betekent dat de uren onderwijstijd die worden vastgesteld, moeten worden ingevuld met activiteiten die vooraf zijn geprogrammeerd en zijn gericht op de onderwijsdoelen die worden verbonden aan een samenhangend onderwijsprogramma.

Om mee te tellen als onderwijstijd, moeten onderwijsactiviteiten deel uitmaken van het onderwijsprogramma dat wordt verzorgd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag van de school waar de leerling is ingeschreven, en dat is gericht op de onderwijsdoelen die onder meer in kerndoelen, exameneisen en algehele wettelijke doelstellingen zijn vastgelegd. Het bevoegd gezag, maar vooral degene onder wiens verantwoordelijkheid de activiteit wordt uitgevoerd (iemand die voldoet aan de bekwaamheidseisen die op de betreffende activiteit van toepassing zijn), moet hierop aanspreekbaar zijn. Bovendien moet de inspectie er toezicht op kunnen houden. Ook moet de onderwijsactiviteit binnen de kaders van de LPW en de LPW BES worden uitgevoerd.

Om aangemerkt te kunnen worden als onderwijstijd, moet een onderwijsactiviteit worden verzorgd onder de verantwoordelijkheid van iemand die op grond van hoofdstuk 7 WVO 20xx onderwijs mag verzorgen. Wat dit inhoudt, kan per situatie verschillen. De verantwoordelijke is in elk geval aanspreekbaar op het leerproces en de leeropbrengsten. Indien nodig kan hij in het leerproces van de leerling ingrijpen en er is interactie mogelijk tussen hem en de leerling.

Zesde lid

Het zesde lid regelt in de aanhef en onder a dat in de eerste twee leerjaren samen ten minste 1425 klokuren onderwijs wordt verzorgd op basis van alle kerndoelen. Voor de leerlingen die leerwegondersteunend onderwijs volgen is in artikel 2.42, derde lid, geregeld dat niet op basis van alle kerndoelen onderwijs hoeft te worden verzorgd. Ditzelfde is ook geregeld voor leerlingen die een leer-werktraject volgen. Zie daarvoor artikel 2.103, achtste lid. In geval van leer-werktrajecten of leerwegondersteunend onderwijs gaat het bij die 1425 klokuren onderwijs om onderwijs dat wordt gegeven op basis van een samenstel van kerndoelen dat niet alle kerndoelen hoeft te omvatten. Als sommige kerndoelen niet aan de orde komen, moet extra tijd worden besteed aan kerndoelen die wél worden aangeboden.

Zevende lid

De algemene regels over de onderwijstijd gelden niet voor het praktijkonderwijs. In dit lid is bepaald dat het praktijkonderwijs zo moet worden ingericht dat de leerlingen in elk schooljaar minimaal 1000 klokuren praktijkonderwijs krijgen. Dat is de optelsom van het volgen van theoretische vakken, persoonlijkheidsvorming en het aanleren van sociale vaardigheden, en het daarnaast volgen van arbeidstraining. Het maximum is 5,5 klokuren per dag praktijkonderwijs exclusief arbeidstraining.

Achtste lid

Ook dit lid gaat over het praktijkonderwijs. Het bevat de grondslag voor een amvb die het aantal klokuren onderwijs in de praktijk van de uitoefening van een vak of beroep per schoolweek regelt. Het Inrichtingsbesluit WVO bepaalt nu, in artikel 32, dat voor een school voor praktijkonderwijs het aantal uren stage of arbeidstraining gedurende de cursusduur gemiddeld ten hoogste 50% bedraagt van het aantal uren waarin onderwijs wordt verzorgd. Per schoolweek mag de stage of arbeidstraining ten hoogste 80% zijn van het aantal uren waarin in die week onderwijs wordt verzorgd.

Negende lid

Dit lid gaat over leer-werktrajecten en regelt de bandbreedte van het aantal te verzorgen klokuren in het derde en vierde leerjaar samen.

Tiende lid

In dit lid is geregeld dat het bevoegd gezag over geordende gegevens moet beschikken over de invulling en over de spreiding van de uren over de verschillende leerjaren waar het vijfde lid het over heeft: het samenhangend onderwijsprogramma waarin de uren van het eerste tot en met vierde lid zijn ingevuld. Het gaat daarbij om vwo, havo, mavo en vbo. Dit betekent dat het bevoegd gezag voorafgaand aan een schooljaar moet registreren hoeveel onderwijstijd wordt geprogrammeerd in elk leerjaar, en na afloop van het schooljaar inzicht moet kunnen geven in de daadwerkelijk gerealiseerde onderwijstijd. Ook moet het bevoegd gezag voorafgaand aan het schooljaar registreren met welke soort onderwijsactiviteiten de onderwijstijd wordt ingevuld. Dit is ook van belang voor de verplichte levering van deze informatie aan de medezeggenschapsraad (zie artikel 14 van de Wet medezeggenschap op scholen).

Elfde lid

Er kunnen psychische of lichamelijke redenen zijn, waardoor een leerling tijdelijk of gedeeltelijk niet in staat is om naar school te gaan. Denk bijvoorbeeld aan kinderen die op school zoveel prikkels te verwerken krijgen dat zij aan leren niet toekomen, kinderen die vanwege hun behandeling in de zorg tijdelijk minder onderwijs kunnen volgen, of kinderen wier fysieke gesteldheid het niet toelaat dat zij uren achtereen op een stoel zitten. In het elfde lid is daarom ten behoeve van deze leerlingen met psychische of lichamelijke beperkingen de mogelijkheid geboden om af te wijken van de voorgeschreven onderwijstijd in het eerste, tweede, derde of vierde lid. Om in een concreet geval te kunnen afwijken van de betreffende urennorm moet de inspectie hebben ingestemd met een door het bevoegd gezag hiertoe ingediend verzoek. De mogelijkheid tot afwijking van de voorgeschreven onderwijstijd geldt zowel voor kinderen die tijdelijk of gedeeltelijk helemaal geen onderwijs kunnen volgen (bijvoorbeeld omdat ze onder behandeling zijn in de zorg) als voor kinderen die tijdelijk of gedeeltelijk niet op school onderwijs kunnen volgen, maar waarvoor wel buiten school in onderwijs wordt voorzien. Voor zieke leerlingen (bijvoorbeeld griep, gebroken been of migraine) blijft artikel 11 onder d van de Leerplichtwet van toepassing, waarin geregeld is dat ziekte een vorm van geoorloofd verzuim is.

Artikel 2.39. Onderwijsdagen

Eerste lid

Dit artikel gaat over het aantal dagen per schooljaar waarop al dan niet onderwijs wordt verzorgd. In het eerste lid is geregeld dat per schooljaar op ten minste 189 dagen onderwijs moet worden verzorgd.

Tweede lid

Dit tweede lid geeft voor het laatste leerjaar (dat is het vierde leerjaar vmbo, het vijfde leerjaar havo en het zesde leerjaar vwo) de mogelijkheid om af te wijken van het eerste lid. Geregeld wordt dat scholen aan leerlingen die in het laatste leerjaar examen doen, geen onderwijs meer hoeven aan te bieden na de start van het eerste tijdvak van de centrale examens, want door het afronden van de centrale examens is de hele opleiding afgerond. Bij de planning van de dagen waarop onderwijs wordt verzorgd, wordt meestal geen onderscheid gemaakt tussen verschillende leerjaren: leerlingen in het examenjaar hebben op dezelfde dagen onderwijs en op dezelfde dagen vrij als leerlingen in de overige leerjaren.

Derde lid

In het derde lid is een grondslag opgenomen om bij of krachtens amvb regels te kunnen stellen over vakanties en over andere dagen waarop geen onderwijs behoeft te worden verzorgd. Zie daarvoor het huidige artikel 16 Inrichtingsbesluit WVO en artikel 15 Inrichtingsbesluit WVO BES.

Vierde lid

In het vierde lid is de grondslag geregeld om af te kunnen wijken van het minimum aantal onderwijsdagen van 189 per schooljaar, als dat nodig is voor de centraal vastgestelde vakantiespreiding. Dit zal in de praktijk om maximaal vijf dagen gaan, omdat de zomervakantie door de vakantiespreiding jaarlijks ten hoogste één week «verspringt». Wanneer in een regio de zomervakantie in schooljaar Y een week eerder begint dan in het daaraan voorafgegane schooljaar X, is als gevolg daarvan schooljaar Y een week korter. Dan kan in de ministeriële regeling worden bepaald dat in die regio in schooljaar Y niet 189 onderwijsdagen moeten worden gerealiseerd, maar ten minste 184. Andersom kan in de ministeriële regeling worden geregeld dat in een schooljaar in enige regio tot 194 onderwijsdagen moeten worden gerealiseerd als dat schooljaar in die regio een week langer duurt doordat de zomervakantie een week later begint dan in het schooljaar dat daaraan vooraf is gegaan.

Artikel 2.40. Meetellen onderwijstijd voortgezet speciaal onderwijs

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

Dit artikel schrijft voor dat voor leerlingen die zijn ingeschreven op een school voor voortgezet onderwijs en die voor een deel van hun schoolweek les krijgen op een school voor vso, de tijd waarin zij in het vso onderwijs hebben ontvangen, meetelt als onderwijstijd in de zin van de WVO 20xx. Een amvb kan dit uitwerken.

Paragraaf 4. Extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen

Inleiding

Deze paragraaf bevat specifieke regels over extra begeleiding en ondersteuning van leerlingen. Onderdeel daarvan zijn ook de regels over leerwegondersteunend onderwijs. Hoewel een deel van deze regels ziet op de aanvraag over het aangewezen zijn op leerwegondersteunend onderwijs, en daarmee op voorwaarden om toegelaten te worden tot dit onderwijs, zijn deze regels toch niet opgenomen in hoofdstuk 8, omdat deelname aan leerwegondersteunend onderwijs gekoppeld is aan de behoefte van de leerling aan extra ondersteuning en niet aan een schoolsoort.

Caribisch Nederland heeft een eigen zorgstructuur. Daarom is paragraaf 4 niet van toepassing op Caribisch Nederland, maar in hoofdstuk 11 anders geregeld.

Ook de samenwerkingsverbanden passend onderwijs hebben een plek gekregen in deze paragraaf. De achtergrond daarvan is dat de samenwerkingsverbanden een structureel element zijn van het onderwijsgebouw en van de wijze waarop extra ondersteuning aan leerlingen is vormgegeven, anders dan de samenwerkingsconstructies die scholen naar eigen inzicht en behoefte wel of niet kunnen aangaan. De regels over de samenwerkingsverbanden passend onderwijs en «opting out» (zie de artikelen 2.47 en 2.48) zijn van vrij recente datum. Er is destijds voor gekozen om alle regels over deze samenwerkingsverbanden bij elkaar te plaatsen, in plaats van ze te verdelen over de WVO. In de WVO 20xx is daaraan vastgehouden omdat nagenoeg identieke regels ook zijn opgenomen in de WPO. Ook de huidige formuleringen zijn gehandhaafd. Waar nodig zijn alleen enkele technisch-redactionele aanpassingen aangebracht, om de artikelen in de systematiek van de WVO 20xx te laten inpassen.

Artikel 2.41. Begeleiding van leerlingen met extra ondersteuning

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

Eerste lid

Dit lid schrijft om te beginnen voor dat het onderwijs voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, moet zijn gericht op individuele begeleiding, afgestemd op de behoeften van die leerlingen. Ook is voorgeschreven dat het bevoegd gezag voor dit maatwerk zo nodig moet overleggen met de in het eerste lid genoemde instanties.

Tweede lid

Scholen formuleren hun ondersteuningsbeleid en leggen dit vast in een schoolondersteuningsprofiel. Het bevoegd gezag moet dat ten minste een keer per vier jaar vaststellen. Het profiel is in artikel 1.1 WVO 20xx gedefinieerd als «een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven». Hierbij gaat het zowel om de ondersteuning die de school zelf kan bieden als om de gespecialiseerde ondersteuning die zij met hulp van het samenwerkingsverband kan verzorgen.

Scholen kunnen kiezen voor een schoolondersteuningsprofiel met weinig extra ondersteuning, maar kunnen niet zomaar leerlingen buiten de deur houden, omdat naast het ondersteuningsprofiel van een school de zorgplicht geldt. Die houdt in dat een kind dat extra ondersteuning nodig heeft en niet kan worden toegelaten tot de school van aanmelding, een plaats op een andere school moet worden aangeboden., Daarbij moet rekening worden gehouden met de ondersteuningsbehoefte van het kind. Verder hebben scholen volgens de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte altijd de plicht om te onderzoeken of de school de ondersteuning zelf kan bieden.

Leerkrachten kunnen een rol vervullen bij het opstellen van het schoolondersteuningsprofiel. Het bevoegd gezag kan het profiel pas vaststellen nadat ouders en leerkrachten erover hebben geadviseerd via de medezeggenschapsraad. Ook heeft de medezeggenschapsraad de mogelijkheid om, als de school het advies niet ter harte zou nemen, daarover een oordeel te vragen aan de Landelijke Commissie Geschillen WMS.

Het schoolondersteuningsprofiel komt tot stand in de school en wordt opgesteld door het team (de directeur, de leraren, de intern begeleider en/of de zorgcoördinator) van de school. Zo nodig kan het team in kaart brengen op welke punten de leraren extra professionalisering nodig vinden.

Het profiel wordt gepubliceerd in de schoolgids zodat ouders en andere betrokkenen weten op welke ondersteuning zij kunnen rekenen. Als de school het ondersteuningsbeleid niet naar tevredenheid uitvoert, kunnen ouders zich wenden tot de klachtencommissie van de school. Aan het College voor de Rechten van de Mens kan bij geschillen over begeleiding aan zittende leerlingen om een oordeel worden gevraagd. Scholen zijn op grond van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte verplicht om voor leerlingen met een handicap of chronische ziekte doeltreffende aanpassingen te plegen, tenzij die redelijkerwijs niet kunnen worden gevraagd van de school. In laatste instantie kunnen ouders een geschil over de begeleiding aanhangig maken bij de burgerlijke rechter. De inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs, waaronder ook op de geboden ondersteuning.

Artikel 2.42. Doelgroep en inrichting leerwegondersteunend onderwijs

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

Eerste lid

Leerlingen die niet zonder extra ondersteuning een leerweg in het vmbo met succes kunnen afronden, komen in aanmerking voor leerwegondersteunend onderwijs.

Tweede lid

Het leerwegondersteunend onderwijs moet voorbereiden op één van de vmbo-leerwegen, of dat onderwijs begeleiden. Het uitgangspunt is dat het om onderwijs gaat dat zo veel mogelijk in het gewone onderwijs wordt geïntegreerd. Leerwegondersteunend onderwijs is een hulpvoorziening die wordt ingezet naast en na het inzetten van andere ondersteunende activiteiten. Daarbij valt te denken aan huiswerkbegeleiding en taakopdrachten. Als die activiteiten onvoldoende blijken, komt een leerling in aanmerking voor leerwegondersteunend onderwijs. Het leerwegondersteunend onderwijs heeft een aanvullend karakter, en wordt verzorgd als de vmbo-leerling het nodig heeft om de beoogde doorlopende ontwikkeling door te kunnen maken.

Derde lid

Het onderwijs dat in de eerste twee leerjaren wordt gegeven aan leerlingen die leerwegondersteunend onderwijs volgen, wordt gegeven op basis van een samenstel van kerndoelen dat niet alle kerndoelen hoeft te omvatten. Zie verder ook artikel 2.38, zesde lid, voor het minimum aantal klokuren dat in die twee leerjaren moet worden verzorgd. Voor de duidelijkheid wordt nog opgemerkt dat artikel 2.12 op deze leerlingen van toepassing is, zodat het onderwijs zo moet zijn ingericht dat met behoud van de keuzevrijheid van de leerlingen, de doorstroming van de leerlingen wordt bevorderd naar leerwegen en profielen. Scholen kiezen de kerndoelen dus zo dat de doorstroom naar een van de leerwegen en profielen niet belemmerd wordt.

Vierde lid

Om te kunnen beslissen of een leerling leerwegondersteunend onderwijs zou moeten krijgen, moet het bevoegd gezag eerst overleg plegen met de ouders van de betreffende leerling. Uiteindelijk ligt de beslissing of leerwegondersteunend onderwijs wordt gegeven bij het bevoegd gezag. Het vierde lid betekent dat het bevoegd gezag de ouders van de betreffende leerling tijdig meeneemt in de beslissing dat hun kind in aanmerking gebracht zal worden voor leerwegondersteunend onderwijs.

Artikel 2.43. Aangewezen zijn op leerwegondersteunend onderwijs

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

Eerste lid

Op grond van het eerste lid kan het bevoegd gezag van de school waar de leerling is ingeschreven een aanvraag indienen voor een leerling om aangewezen te worden op leerwegondersteunend onderwijs bij een samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband beslist of voor een leerling het leerwegondersteunend onderwijs aan de orde is. Dat betekent dat een school voor de leerling lwoo-bekostiging ontvangt.

Voor het aanbieden van lwoo is een positieve beslissing van het samenwerkingsverband dat een leerling op lwoo is aangewezen niet nodig: ongeacht de beslissing over de bekostiging kunnen alle vmbo-scholen lwoo aanbieden. Voor de aanvullende bekostiging van de leerling die op lwoo is aangewezen is de beslissing van het samenwerkingsverband wel nodig.

Tweede lid

In het tweede lid wordt geregeld welke documenten bij de aanvraag moeten worden gevoegd.

Derde lid

Dit artikellid verklaart een aantal regels uit artikel 2.30 over de procedure voor de toelaatbaarheid van een leerling tot het praktijkonderwijs van overeenkomstige toepassing. Het gaat om regels over:

  • a. leerlingen voor wie een aanvraag kan worden ingediend; en

  • b. nakomende aanvragen voor vreemdelingen.

Vierde lid

Dit lid regelt de relatie tot artikel 8:4, derde lid, onderdeel b, Awb. Ouders en bevoegd gezag kunnen op grond van de Awb een bezwaar- en beroepschrift kunnen indienen tegen een beschikking.

Artikel 2.44. Ontwikkelingsperspectief

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

Eerste lid

Het bevoegd gezag moet een ontwikkelingsperspectief (op Caribisch Nederland: handelingsplan) vaststellen voor alle leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, waaronder leerlingen die praktijkonderwijs volgen. Het moet na overleg met de ouders worden vastgesteld. Voor leerlingen die alleen zijn aangewezen op lwoo en niet op andere vormen van extra ondersteuning, is het vaststellen van een ontwikkelingsperspectief niet verplicht, maar wel toegestaan. Voor leerlingen die zijn aangewezen op lwoo en daarnaast een andere vorm van extra ondersteuning nodig hebben, is een ontwikkelingsperspectief wel verplicht. Met het ontwikkelingsperspectief kan verantwoording worden afgelegd over de bereikte resultaten.

Bij de beslissing over de toelating van een leerling die extra ondersteuning behoeft, kijkt de school naar de ondersteuningsbehoefte van de leerling. De school overlegt hierover met de ouders van de leerling. In het ontwikkelingsperspectief wordt beschreven welke onderwijsdoelen kunnen worden gerealiseerd en welke ondersteuning wordt geboden om deze doelen te realiseren. Voor een leerling in het vwo, havo, mavo of vbo is dat in elk geval het einddiploma. Het ontwikkelingsperspectief geeft de school handvatten om het onderwijs af te stemmen op de behoefte van de leerling. De school en leerling hebben met het opstellen van een ontwikkelingsperspectief scherper in beeld waar naartoe gewerkt moet worden. Het is daarnaast een instrument voor de communicatie met ouders: met een ontwikkelingsperspectief weten ouders tijdig wat een realistisch perspectief is voor hun kind.

Tweede lid

Het tweede lid van artikel 2.44 regelt een afwijking van het eerste lid, waar is geregeld dat het bevoegd gezag en ouders op overeenstemming gericht overleg moeten voeren over het ontwikkelingsperspectief, waarna het bevoegd gezag het kan vaststellen. Het deel van het ontwikkelingsperspectief dat betrekking heeft op de individuele begeleiding (artikel 2.45, eerste lid) kan pas worden vastgesteld als daarover overeenstemming is bereikt tussen het bevoegd gezag en de ouders.

Verder regelt dit lid wanneer het ontwikkelingsperspectief (uiterlijk) moet zijn vastgesteld. De periode van uiterlijk zes weken na de inschrijving van de leerling betreft alleen weken waarin daadwerkelijk onderwijs wordt gegeven, dus geen weken die nog tot de vakantieperiode behoren.

Derde en vierde lid

Het ontwikkelingsperspectief moet ten minste een keer per schooljaar met de ouders worden geëvalueerd. Het overleg met de ouders kan aanleiding zijn tot bijstelling van het ontwikkelingsperspectief. Het vierde lid noemt expliciet de twee gevallen waarin dat kan:

  • a. nadat het bevoegd gezag op overeenstemming gericht overleg met de ouders heeft gevoerd over deze bijstelling, of

  • b. nadat overeenstemming met de ouders is bereikt voor zover het gaat over de individuele begeleiding, bedoeld in artikel 2.45, eerste lid.

Vijfde lid

De begeleiding van een leerling die extra ondersteuning nodig heeft (zie artikel 2.41) moet worden omschreven in het ontwikkelingsperspectief. Ook moet het ontwikkelingsperspectief vermelden op welke punten voor deze leerling wordt afgeweken van een of meer onderdelen van het onderwijsprogramma.

Zesde lid

Dit lid biedt de grondslag voor het stellen van nadere regels bij amvb over de inhoud van het ontwikkelingsperspectief. Deze nadere regels zijn nu opgenomen in artikel 15c van het Inrichtingsbesluit WVO. Dat artikel schrijft voor welke informatie het ontwikkelingsperspectief ten minste moet omvatten.

Artikel 2.45. Voortgezet onderwijs aan zieke leerlingen

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

De verantwoordelijkheid voor een goede voortzetting van het onderwijsprogramma aan leerlingen die in het ziekenhuis liggen of ziek thuis zijn, berust bij het bevoegd gezag van de school waar deze leerlingen zijn ingeschreven. Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor het adequaat aanbieden van voldoende onderwijs en begeleiding aan deze zieke leerlingen. Ook zieke kinderen moeten zoveel mogelijk in staat gesteld worden een ononderbroken ontwikkelingsproces te doorlopen. De manier waarop dat wordt ingericht, wordt ook beïnvloed door de omstandigheden waarin het kind verkeert.

Artikel 2.46. Ondersteuning bij het voortgezet onderwijs aan zieke leerlingen

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

Eerste lid en tweede lid

Het bevoegd gezag van de school waar een ziek kind staat ingeschreven, is verantwoordelijk voor het onderwijs dat dat kind ontvangt. Is het kind ziek thuis of bevindt het zich in een ziekenhuis dat geen academisch ziekenhuis is, dan kan de school daarvoor ondersteuning krijgen van de schoolbegeleidingsdienst (sbd) in de eigen sbd-regio. Als het ziekenhuis in een andere regio ligt, kunnen tussen de sbd in die regio en de sbd in de regio waar de school staat, afspraken worden gemaakt over «grensverkeer». Ligt een kind in een academisch ziekenhuis, dan kan de school van inschrijving ondersteuning krijgen vanuit een zogenaamde educatieve voorziening. Deze voorziening is geregeld in de WHW.

Derde lid

In dit lid is vastgelegd dat de ondersteuning ook kan bestaan uit het geven van onderwijs. Het bevoegd gezag school van inschrijving blijft verantwoordelijk voor het onderwijs van het kind, ook als het kind ondersteunend onderwijs ontvangt. Het bevoegd gezag van deze school moet verifiëren of onderwijs wordt geboden. Dat houdt onder meer in dat wordt nagegaan of de ondersteuner wel, zoals de wetgeving vereist, bevoegd is tot het geven van het onderwijs.

Vierde lid

Dit lid is de wettelijke grondslag voor een jaarlijkse bekostiging die is bestemd voor de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen. Het vierde lid is vergelijkbaar met soortgelijke regels in WPO en WEC.

Vijfde lid

De hier bedoelde ministeriële regeling kan de elementen regelen die meetellen voor de wijze waarop de bekostiging wordt berekend, zoals het aantal leerlingen op de teldatum.

Zesde lid

Dit lid bepaalt dat alleen schoolbegeleidingsdiensten die in de genoemde periode op grond van genoemde wet van 10 december 1998 gemeentelijke subsidie ontvingen voor het onderwijs aan zieke leerlingen, (door het Rijk bekostigde) ondersteuning kunnen verzorgen bij het geven van onderwijs aan zieke leerlingen.

Artikel 2.47. Samenwerkingsverbanden

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

Eerste lid

Scholen voor voortgezet onderwijs en voor vso werken samen in samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Alle scholen moeten daarbij zijn aangesloten (zie hierover ook het tweede lid van dit artikel). Het bevoegd gezag is voor alle vestigingen aangesloten bij het samenwerkingsverband waarin de vestigingen zijn gelegen. Een bevoegd gezag kan dus bij verschillende samenwerkingsverbanden zijn aangesloten, maar een vestiging kan slechts bij één samenwerkingsverband zijn aangesloten.

Tweede lid

De samenwerkingsverbanden bestaan uit de scholen voor vso in de regio die gezamenlijk de lichte en de zware ondersteuning in het onderwijs vormgeven. De afzonderlijke bevoegde gezagsorganen blijven verantwoordelijk voor het verzorgen van het onderwijs. Het bevoegd gezag is zowel schoolbestuur als deelnemer in het samenwerkingsverband. Als schoolbestuur bepaalt het bevoegd gezag het schoolondersteuningsprofiel van de school. Als deelnemer in het samenwerkingsverband is het bevoegd gezag – samen met de overige deelnemers -verantwoordelijk voor een dekkend aanbod van ondersteuning, zodat passend onderwijs beschikbaar is voor alle leerlingen die extra ondersteuning behoeven. Beide rollen hangen dan ook sterk met elkaar samen. De dekking van het ondersteuningsaanbod hangt samen met de schoolondersteuningsprofielen van de deelnemende scholen. Deze profielen zijn niet los te zien van het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband. Schoolbesturen vormen zelf het samenwerkingsverband. Zij bepalen daarmee samen hoe schoolbesturen en samenwerkingsverband zich precies tot elkaar verhouden. Verder blijft de school verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs en de ondersteuning van haar leerlingen.

Derde lid

De grenzen van de samenwerkingsverbanden zijn landelijk geografisch vastgesteld op basis van grenzen van aaneengesloten gebieden, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de gemeentegrenzen. Zie hiervoor de Regeling regio-indeling samenwerkingsverbanden passend onderwijs PO en VO.

Vierde lid

Er kunnen regels worden gesteld over de samenwerking tussen een samenwerkingsverband en scholen of instellingen in de grensregio’s.

Vijfde lid

Een samenwerkingsverband passend onderwijs is een privaatrechtelijke rechtspersoon zonder winstoogmerk die wordt opgericht door de aangesloten bevoegde gezagsorganen. Zij vormen samen het bestuur van deze rechtspersoon en zijn ook samen verantwoordelijk voor het functioneren van het samenwerkingsverband. De afzonderlijke bevoegde gezagsorganen zijn verantwoordelijk voor het onderwijs en de ondersteuning op hun eigen scholen en voor de besluiten over de toelating van leerlingen. Het kan zijn dat een bevoegd gezag van meet af aan deelneemt aan het samenwerkingsverband, maar het is ook mogelijk dat het bevoegd gezag pas op een later moment deelnemer wordt van het samenwerkingsverband. In beide situaties is voorzien in deelname van het bevoegd gezag aan de rechtspersoon, want in dit lid is geregeld dat de bevoegde gezagsorganen die deelnemen aan het samenwerkingsverband ook deelnemen aan de rechtspersoon.

In de statuten worden afspraken opgenomen die de basis van de samenwerking tussen de bevoegde gezagsorganen regelen. Geregeld is dat er ook in wordt vastgelegd hoe met eventuele geschillen in het samenwerkingsverband wordt omgegaan.

Zesde lid

De in dit lid bedoelde bevoegde gezagsorganen uit het vso mogen, als zij willen deelnemen aan een samenwerkingsverband waarin zij geen vestiging hebben, niet worden uitgesloten van deelname aan het samenwerkingsverband.

Zevende lid

In dit artikel wordt geregeld dat een samenwerkingsverband passend onderwijs een aantal taken heeft, waaronder het vaststellen van het ondersteuningsplan, het toelaatbaar verklaren van leerlingen tot het vso en het verdelen van het budget voor voorzieningen voor extra ondersteuning.

Onderdeel a

De afspraken over de wijze waarop voor alle leerlingen zo goed mogelijk passend onderwijs kan worden gerealiseerd, moeten worden vastgelegd in het ondersteuningsplan (zie voor de inhoud daarvan ook het negende lid). Ook leggen de samenwerkingsverbanden jaarlijks verantwoording af over het gevoerde beleid in een jaarverslag en jaarrekening. Hierin informeren de samenwerkingsverbanden de overheid en andere belanghebbenden (zoals de medezeggenschapsraad) over de gang van zaken binnen het verband, over de behaalde resultaten en over de inzet van middelen.

Onderdeel b

Schoolbesturen maken in het samenwerkingsverband afspraken over de inzet van (de middelen voor) extra ondersteuning. Zij zijn vrij in de manier waarop zij de beschikbare middelen inzetten en verdelen over de aangesloten bevoegde gezagsorganen. Wel heeft het samenwerkingsverband de taak om een samenhangend geheel van voorzieningen voor extra ondersteuning binnen en tussen de scholen te realiseren.

Onderdeel c

Naast het opstellen van een ondersteuningsplan, heeft het samenwerkingsverband tot taak om op basis hiervan het aangewezen zijn op het leerwegondersteunend onderwijs, of de toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs of het vso te beoordelen. Het bevoegd gezag van de school waar de leerling is aangemeld of ingeschreven, vraagt bij het samenwerkingsverband een toelaatbaarheidsverklaring tot het vso of het praktijkonderwijs, of een verklaring tot het aangewezen zijn op het leerwegondersteunend onderwijs aan. Deze procedure vloeit voort uit de verantwoordelijkheid van het samenwerkingsverband om voor elke leerling die is aangemeld op een vestiging van een school binnen het samenwerkingsverband een passende onderwijsplek aan te bieden.

In het samenwerkingsverband worden de criteria en de procedure bepaald op grond waarvan leerlingen kunnen worden geplaatst in het vso. Het samenwerkingsverband geeft een toelaatbaarheidsverklaring af waarin de duur van de plaatsing in het vso en de prijscategorie waarin de leerling is geplaatst, staat vermeld. Het bevoegd gezag van de vso-school beslist over de daadwerkelijke toelating van de leerling tot de school. Toelating van leerlingen tot de zware ondersteuning – het vso – kan alleen met instemming van het samenwerkingsverband. Als een leerling nog niet eerder is ingeschreven op een school (de eerste aanmelding) is dit het samenwerkingsverband van de woonplaats van de leerling. Is de leerling al ingeschreven op een school, dan is dit het samenwerkingsverband waar deze (verwijzende) school deel van uitmaakt.

Het kan natuurlijk voorkomen dat een leerling die een toelaatbaarheidsverklaring heeft, gaat verhuizen. Dan kunnen zowel de woonplaats van de leerling of de school hij bezoekt veranderen. De toelaatbaarheidsverklaring blijft geldig voor de duur die er voor was bepaald. Als de toelaatbaarheidsverklaring nog geldig is wanneer een leerling verhuist, kan de leerling deze verklaring meenemen naar de nieuwe school. Wanneer de duur van de toelaatbaarheidsverklaring is afgelopen, moet de nieuwe school van de leerling een nieuwe toelaatbaarheidsverklaring aanvragen bij het samenwerkingsverband van herkomst.

Het samenwerkingsverband besluit ook over de ondersteuningstoewijzing van leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs. Op grond van de toelaatbaarheidsverklaring praktijkonderwijs mag een leerling geplaatst worden in het praktijkonderwijs. Het bevoegd gezag van de school voor praktijkonderwijs beslist over de daadwerkelijke toelating van de leerling tot de school.

Op grond van de beslissing van het samenwerkingsverband dat de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs, ontvangt de vmbo-school extra middelen voor de leerling. Het bevoegd gezag van de school beslist over de extra ondersteuning die de leerling op de vmbo-school ontvangt.

De toelaatbaarheidsverklaring praktijkonderwijs en de aanwijzing op leerwegondersteunend onderwijs zijn landelijk voor een gelijke duur geldig. In principe hanteert het samenwerkingsverband landelijke criteria bij het toewijzen, en is de duur van de ondersteuningstoewijzing gelijk aan de duur van de schoolloopbaan van de leerling. Bij leerwegondersteunend onderwijs mag een samenwerkingsverband daarvan afwijken via een opting out. Het mag volgens eigen criteria ondersteuning toewijzen en kan de duur van de ondersteuningstoewijzing zelf te bepalen. Deze «opting out mogelijkheid» is geregeld in artikel 2.48.

Onderdeel d

Het samenwerkingsverband adviseert over de ondersteuningsbehoefte van een leerling als de school waar de leerling is aangemeld of ingeschreven daarom verzoekt.

Achtste lid

De bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband maken afspraken over hoe voor alle leerlingen zo goed mogelijk passend onderwijs kan worden gerealiseerd. Het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband wordt ten minste eens in de vier jaar opgesteld. Het is mogelijk om het tussentijds te wijzigen. Daarnaast leggen de samenwerkingsverbanden jaarlijks verantwoording af over het gevoerde beleid in een jaarverslag en jaarrekening. Hierin informeren de samenwerkingsverbanden de overheid en andere belanghebbenden over de gang van zaken binnen het verband, over de behaalde resultaten en over de inzet van middelen. Zie ook de artikelen 4a en 14a WMS.

Negende lid

Dit lid regelt de onderwerpen die in elk geval moeten worden opgenomen in het voorgeschreven ondersteuningsplan. Voor zover nodig, worden deze hierna toegelicht:

Onderdeel a

Verwezen wordt in dit onderdeel naar het tweede lid, tweede volzin. Het ondersteuningsplan omvat daarmee een beschrijving van de manier waarop het samenwerkingsverband een samenhangend en dekkend geheel van ondersteuningsvoorzieningen realiseert. Ook worden de basisondersteuningsvoorzieningen beschreven die op alle vestigingen van de scholen in het samenwerkingsverband aanwezig zijn.

Onderdeel c

Het ondersteuningsplan moet ook de procedure en criteria bevatten voor plaatsing van leerlingen op vso-scholen. Bij amvb worden bepaalde procedures geregeld voor het beoordelen of leerlingen op het leerwegondersteunend onderwijs zijn aangewezen en het toelaatbaar verklaren van leerlingen tot het praktijkonderwijs. Het dertiende lid bevat de grondslag voor de amvb waarin de landelijke uniforme beoordelingscriteria en procedureregels worden vastgesteld op basis waarvan de samenwerkingsverbanden beschikkingen afgeven over het aangewezen zijn op het leerwegondersteunend onderwijs en de toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs. Voor zover deze amvb niet voorziet in een bepaald procedurevoorschrift, is het aan het samenwerkingsverband zelf om daarin te voorzien. In criteria voor leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs hoeft het samenwerkingsverband niet te voorzien: hier gelden landelijke criteria, tenzij voor leerwegondersteunend onderwijs wordt gekozen voor «opting out».

Onderdeel d

In het samenwerkingsverband worden ook afspraken gemaakt over de terugplaatsing en overplaatsing van leerlingen van het vso naar het reguliere onderwijs. Bij terugplaatsing gaat het om een leerling die eerder regulier onderwijs heeft gevolgd, bij overplaatsing gaat het om een leerling die voor de eerste keer in het reguliere onderwijs wordt geplaatst. Wanneer de vso-school gedurende de periode dat de leerling toelaatbaar is verklaard, een terug- of overplaatsing naar het regulier onderwijs mogelijk vindt, kunnen ouders ervoor kiezen om dat te doen, maar ook om hun kind de termijn op de vso-school af te laten maken.

Wanneer de termijn van de toelaatbaarheid voor de vso-school afloopt, beoordeelt de school voor vso of een langer verblijf op het vso noodzakelijk is. Wanneer de vso-school denkt dat dat nodig is, wordt opnieuw een toelaatbaarheidsverklaring gevraagd bij het samenwerkingsverband dat voor de leerling verantwoordelijk is. Wanneer de vso-school van mening is dat de leerling (weer) regulier onderwijs kan volgen, zoekt de vso-school ingevolge de zorgplicht een plek voor de leerling in het reguliere onderwijs. De school overlegt hierover met de ouders van de leerling. Indien er nog geen reguliere school is gevonden die de leerling kan toelaten, blijft de leerling ingeschreven op de school voor vso. Daarom zal ook de bekostiging vanuit het samenwerkingsverband voor de leerling op de vso-school doorlopen totdat de leerling is ingeschreven op een andere school. Dit biedt in elk geval de zekerheid voor de vso-school dat er bekostiging voor de leerling blijft zolang de leerling nog op de vso-school is ingeschreven. Hiermee worden de scholen voor regulier onderwijs in het samenwerkingsverband gestimuleerd om de leerling uit het vso zo snel mogelijk in te schrijven en de plaatsing in het vso niet te lang te laten voortduren.

Onderdelen g en h

Deze onderdelen regelen dat er in het ondersteuningsplan afspraken worden vastgelegd over de groei van het vso in de periode van 1 oktober tot 1 februari en hoe de uit deze groei voortvloeiende kosten worden gedekt.

Onderdelen i en j

In deze leden is bepaald dat de samenwerkingsverbanden die kiezen voor een of meer van de vormen van «opting out» zoals geregeld in artikel 2.48, eerste tot en met derde lid, hun keuze en inrichting daarvan kenbaar moeten maken in hun ondersteuningsplan.

Tiende lid

Het ondersteuningsplan wordt niet vastgesteld voordat over een concept van het plan op overeenstemming gericht overleg heeft plaatsgevonden met het college van burgemeester en wethouders. De meeste samenwerkingsverbanden hebben met meerdere gemeenten te maken, waarmee overlegd moet worden over het ondersteuningsplan. Het ligt voor de hand dat het samenwerkingsverband het overleg met de betrokken gemeenten gezamenlijk voert, en niet met elke gemeente afzonderlijk. Vaak werken die gemeenten ook onderling en met betrokken schoolbesturen samen op het terrein van de jeugdzorg, voortijdig schoolverlaten en de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Hoe dit proces concreet wordt vormgegeven, is aan het samenwerkingsverband en de betrokken gemeente(n). Ook moet overleg worden gevoerd met het de samenwerkingsverbanden primair onderwijs die in dezelfde regio actief zijn.

De tweede volzin regelt dat het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs mbo-instellingen met een of meer vestigingen in de regio van het samenwerkingsverband uitnodigt voor het overleg met burgemeester en wethouders over de aansluiting van de ondersteuningsvoorzieningen (negende lid, onder a). Mbo-instellingen met een vestiging in het gebied van het samenwerkingsverband nemen deel aan dit overleg. Zie ook artikel 8.3.5 WEB, waarin is bepaald dat de desbetreffende mbo-instellingen hun ondersteuningsafspraken afstemmen op de afspraken die zijn gemaakt in het overleg.

Gemeenten en samenwerkingsverbanden hebben daarnaast de verplichting om een procedure voor het beslechten van geschillen vast te stellen. Het is afhankelijk van deze procedure wat het gevolg is van het niet komen tot overeenstemming over het ondersteuningsplan.

Elfde lid

De inspectie houdt toezicht op de uitvoering van de taken door het samenwerkingsverband. Voor dit toezicht is geregeld dat het ondersteuningsplan wordt toegezonden aan de inspectie.

Twaalfde lid

Samenwerkingsverbanden kunnen hun activiteiten inrichten in de vorm van een «orthopedagogisch-didactisch centrum» (opdc). Een opdc is een voorziening waar tijdelijk onderwijs wordt gevolgd door leerlingen voor wie een orthopedagogische en orthodidactische benadering nodig is. Deze leerlingen zijn tijdelijk niet in staat om onderwijs te volgen op de eigen reguliere school, ook niet met extra ondersteuning. De school van inschrijving blijft overigens verantwoordelijk voor leerlingen die op een opdc worden geplaatst.

Dit lid geeft ook de grondslag voor een amvb waarin nadere regels kunnen worden gesteld over de voorwaarden waaronder een opdc kan worden ingericht.

Dertiende lid

Dit lid bevat de grondslag voor de amvb waarin de landelijke uniforme beoordelingscriteria en procedureregels worden vastgesteld op basis waarvan de samenwerkingsverbanden beschikkingen afgeven over het aangewezen zijn op het leerwegondersteunend onderwijs en de toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs. Ook is in dit lid een grondslag opgenomen voor subdelegatie naar een ministeriële regeling. Deze grondslag is nodig voor regels over een jaarlijkse vaststelling van screenings- en testinstrumenten die dat jaar gebruikt kunnen worden om te bepalen of de leerling aan de criteria voldoet. Deze regels zijn opgenomen in de Regeling screenings- en testinstrumenten lwoo en pro.

Veertiende lid

Het samenwerkingsverband vraagt advies aan deskundigen (in commissieverband of anderszins) over de eventuele toelaatbaarheid van een leerling tot het vso, praktijkonderwijs of een aanwijzing op het lwoo. Bij amvb wordt geregeld welke deskundigheid er aanwezig moet zijn. Zie daarvoor het Inrichtingsbesluit WVO. Er moeten altijd ten minste twee deskundigen zijn.

Vijftiende lid

De toelaatbaarheidsverklaring die bepaalt of een leerling vso of praktijkonderwijs kan gaan volgen, en het besluit dat de leerling is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs, zijn besluiten in de zin van de Awb. Dat betekent dat er voor de aanvrager de mogelijkheid bestaat bezwaar en beroep bij de bestuursrechter aan te tekenen tegen de beslissing van het samenwerkingsverband op een verzoek om een toelaatbaarheidsverklaring, of de beoordeling of een leerling is aangewezen op lwoo. Het samenwerkingsverband richt hiervoor een bezwaarprocedure in. In het kader daarvan stelt het samenwerkingsverband een adviescommissie in die adviseert over bezwaarschriften over besluiten van het samenwerkingsverband over de toelaatbaarheid van leerlingen tot het vso, praktijkonderwijs of aanwijzing op lwoo.

Zestiende lid

In dit lid is een aantal zaken geregeld over de omgang met gegevens over de gezondheid van leerlingen. Het samenwerkingsverband mag gezondheidsgegevens van leerlingen verwerken indien dit nodig is voor de uitoefening van de in het zevende lid, onderdelen b tot en met d, genoemde taken. Deze gegevens mogen niet aan derden worden verstrekt, met uitzondering van de school waarbij de leerling is aangemeld of ingeschreven. Tot slot dienen de gegevens op een veilige plaats te worden bewaard en is de bewaartermijn vastgesteld op drie jaar.

Zeventiende lid

Het zeventiende lid bevat een administratief voorschrift, namelijk het toekennen van een volgnummer aan elke toelaatbaarheidsverklaring voor praktijkonderwijs of vso en elke verklaring dat de leerling is aangewezen op lwoo. Ook is geregeld dat het samenwerkingsverband een afschrift van het advies over de ondersteuningsbehoefte van de leerling verstrekt aan de ouders van die leerling.

Achttiende lid

Naast de samenwerkingsverbanden als bedoeld in het tweede lid, regelt dit achttiende lid een landelijk samenwerkingsverband naar richting. De bevoegde gezagsorganen binnen het landelijk samenwerkingsverband hebben, net als de scholen binnen de regionale samenwerkingsverbanden, een verantwoordelijkheid om te zorgen voor een dekkend en samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen. Bij de eerste aanmelding bij een school voor vso geldt dat het landelijk samenwerkingsverband de toelaatbaarheid moet toetsen. Indien de leerling toelaatbaar wordt verklaard, kan de leerling worden ingeschreven. Het landelijk samenwerkingsverband is dan verantwoordelijk voor de bekostiging van de leerling. Hiermee wordt afgeweken van de regionale systematiek, waarbij bij de eerste aanmelding de woonplaats van de leerling bepaalt welk samenwerkingsverband verantwoordelijk is voor de bekostiging. Net als bij regionale samenwerkingsverbanden, geldt ook voor een landelijk verband dat indien een leerling door een reguliere school van een landelijk verband naar het vso wordt verwezen, het landelijk samenwerkingsverband de leerling toelaatbaar moet verklaren.

Het vormen van een landelijk samenwerkingsverband naar richting is alleen toegestaan als alle scholen van die richting in Nederland (die als zodanig in het BRIN staan geregistreerd) er bij aansluiten en als alle onderwijssoorten in die richting worden aangeboden, inclusief vso cluster 3 en 4.

Voor het landelijk samenwerkingsverband gelden dezelfde regels als voor de regionale samenwerkingsverbanden. Zo moet er een rechtspersoon worden opgericht en een ondersteuningsplan worden opgesteld. Het landelijk samenwerkingsverband stemt het landelijk ondersteuningsplan af met de gemeenten waarin de (vestigingen van de) scholen liggen die deel uitmaken van het landelijk verband. Langs die weg kan ook de afstemming met de jeugdzorg in die gemeenten gestalte krijgen. De doelstellingen en taken van een samenwerkingsverband gelden ook voor een landelijk samenwerkingsverband.

Wanneer een school een registratie heeft met meer richtingen, wordt aan het bevoegd gezag van de school éénmalig de keuze gelaten of het met het landelijke of regionale samenwerkingsverband wil meedoen. Indien in de toekomst een nieuwe nevenvestiging wordt ingericht van een school die is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband van een bepaalde richting, zal deze nevenvestiging moeten aansluiten bij datzelfde landelijke samenwerkingsverband.

Negentiende lid

De hier bedoelde nadere regels zijn op dit moment de regels in artikel 26 van het Inrichtingsbesluit WVO over het orthopedagogisch-didactisch centrum (opdc).

Artikel 2.48. Mogelijkheid afwijken van landelijke criteria, procedure, duur en licenties

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

Samenwerkingsverbanden verzorgen de ondersteuningstoewijzing van leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs en zijn verantwoordelijk voor het ondersteuningsbudget van leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs. Daarbij hebben ze wel te maken met landelijke beoordelingscriteria voor leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs en – wat het leerwegondersteunend onderwijs betreft – met wettelijke regels voor bevoegd gezagsorganen om voor bekostiging uit ’s Rijks kas in aanmerking te komen (op grond van artikel 4.8).

Individuele samenwerkingsverbanden die daar bewust voor kiezen hebben echter de mogelijkheid om zelf de criteria te bepalen voor leerwegondersteunend onderwijs, de duur van de ondersteuningstoewijzing en/of welke scholen in aanmerking komen voor lwoo-bekostiging (lwoo-licentie). Dit is de zogenoemde opting out-mogelijkheid. Samenwerkingsverbanden kunnen alleen aan deze opting out-mogelijkheid deelnemen als alle besturen (en de medezeggenschap) daar achter staan: een samenwerkingsverband kan zich alleen aanmelden als alle besturen (bevoegde gezagsorganen) met vestigingen die zijn gelegen in het gebied van het samenwerkingsverband akkoord gaan met de opting out. Indien één of meer schoolbesturen niet akkoord zijn, moet het samenwerkingsverband de landelijk vastgestelde criteria gebruiken en/of blijven de regels over de lwoo-licenties van kracht.

Eerste lid

In het eerste lid wordt de mogelijkheid geboden om van de landelijke criteria voor de aanvraag en de beoordeling, de procedure en de duur van de beoordeling of leerlingen op het leerwegondersteunend onderwijs zijn aangewezen af te wijken en in plaats daarvan zelf criteria en procedures op te stellen.

In de opting out voor de landelijke criteria en de duur van de ondersteuningstoewijzing kunnen samenwerkingsverbanden ervoor kiezen eigen criteria vast te stellen voor de toewijzing van ondersteuning aan lwoo-leerlingen. Daarbij hebben ze ook de keuze om zelf de geldigheidsduur van de toewijzing of toelaatbaarheidsverklaring te bepalen. Het samenwerkingsverband kan een eigen geldigheidsduur bepalen, maar mag er ook voor kiezen om de geldigheidsduur voor de duur van de schoolloopbaan te houden. Afspraken over de invulling van de opting out worden opgenomen in het ondersteuningsplan.

Tweede lid

Het samenwerkingsverband kan het bevoegd gezag van een school die is aangesloten bij het samenwerkingsverband en die geen bekostiging uit ’s Rijks kas kon ontvangen voor lwoo op grond van artikel 4.8, voordragen aan de Minister om in aanmerking te worden gebracht voor bekostiging van lwoo. Door deze opting out veranderen voor een school de voorwaarden om in aanmerking te komen voor bekostiging voor lwoo. Het samenwerkingsverband kan eigen voorwaarden stellen. De lwoo-bekostiging blijft in de opting out wel voorbehouden aan het vmbo: alleen aanbieders van vmbo kunnen die bekostiging krijgen. Een ander gevolg voor scholen is dat de praktische procedure voor het verkrijgen van lwoo-bekostiging verandert bij een opting out. Bij opting out is het niet aan de school maar aan het samenwerkingsverband om aan DUO door te geven welke scholen zij voor lwoo-bekostiging in aanmerking wil brengen.

Derde lid

In dit lid is de voorwaarde opgenomen dat een samenwerkingsverband de instemming nodig heeft van alle bevoegde gezagsorganen met vestigingen in het gebied van dit samenwerkingsverband.

Vierde lid

Dit lid bevat een grondslag voor een amvb met nadere regels over opting out, zoals de aanvullende voorwaarden voor de duur en betrokkenheid van ouders. Ook is er een mogelijkheid voor een ministeriële regeling krachtens deze amvb om regels van administratieve aard vast te stellen, zoals over de procedure voor samenwerkingsverbanden om aan de Minister te melden dat ze gebruik maken van opting out. Zie hiervoor artikel 15f van het Inrichtingsbesluit WVO.

Artikel 2.49. Taakverwaarlozing samenwerkingsverband

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

Dit artikel bevat bepalingen die ingrijpen door de Minister mogelijk maken als het samenwerkingsverband zijn taak ernstig verwaarloost. Het treffen van voorzieningen door de Minister zal inhouden dat een of meer personen zullen worden aangewezen die er voor zorgdragen dat de taken van het samenwerkingsverband alsnog naar behoren zullen worden verricht. Als er sprake zou zijn van ernstige taakverwaarlozing dan is de kans daarop het grootst in de eerste jaren waarin het samenwerkingsverband functioneert. Daarom kent het artikel de mogelijkheid om bij koninklijk besluit een datum te bepalen waarop de taakverwaarlozingsregeling eindigt. Het artikel voorziet ook in de mogelijkheid om in te grijpen als bevoegde gezagsorganen in het gebied van het samenwerkingsverband zich niet aansluiten bij het samenwerkingsverband (derde lid).

Paragraaf 5. Toetsen en eindexamens

Artikel 2.50. Reikwijdte

Dit artikel regelt dat de examenregels van deze paragraaf alleen betrekking hebben op de schoolsoorten vwo, havo, mavo en vbo. Het praktijkonderwijs valt uitsluitend onder de regels van deze paragraaf, als dit expliciet is bepaald. Dat deze paragraaf in principe niet op het praktijkonderwijs van toepassing is, komt omdat die schoolsoort geen wettelijk geregeld examen kent.

Artikel 2.51. Eindexamen

Eerste lid

Dit lid bepaalt voor de scholen voor vwo, havo, mavo en vbo dat de leerlingen van het bevoegd gezag «gelegenheid» moeten krijgen om aan de school een eindexamen af te leggen. Het gaat daarbij om een volledig examen. De woorden «om het onderwijs af te sluiten» geven aan dat het eindexamen in de regel aan het einde van de cursusduur wordt afgenomen. Artikel 2.56, vierde lid, regelt echter dat een leerling ook in het voorlaatste leerjaar, of in het leerjaar dat daaraan voorafgaat, eindexamen in een of meer vakken kan afleggen.

In het voortgezet onderwijs zijn ook examens mogelijk die niet «vanwege de school» worden afgenomen. Bij amvb kunnen daarover regels worden gesteld. Het zesde lid biedt daarvoor een grondslag.

Tweede lid

Het bevoegd gezag kan personen die niet als leerling aan de school zijn ingeschreven, de gelegenheid geven om een diploma te behalen door als extraneus aan die school een eindexamen af te leggen. De extraneus wordt voor de toepassing van de wet en de daarop rustende bepalingen als examenkandidaat aangemerkt. Het is niet nodig dit expliciet te bepalen.

Derde lid

Dit lid is afkomstig uit artikel 29, tweede lid, van de huidige WVO, en de artikelen 3 EB VO en 3 EB VO BES. Het regelt wie bevoegd is om het eindexamen af te nemen, te weten de rector of directeur en de examinatoren. De tweede volzin regelt wie als examinator kan optreden, namelijk de conrector, de adjunct-directeur, een of meer leden van de centrale directie en leraren van de school.

Vierde lid

Ook deskundigen kunnen worden betrokken bij het afnemen van het eindexamen. Het bevoegd gezag wijst hen aan. Bij de beroepsgerichte vakken in het vmbo kan de school bij bouwtechniek bijvoorbeeld een bouwvakker het examen laten afnemen, of bij vwo of havo een specialist op het gebied van natuur- en scheikunde.

Vijfde lid

Dit lid biedt de grondslag om bij amvb nadere regels te stellen over de toelating van een extraneus tot het examen, waaronder de gevallen waarin door een extraneus een financiële bijdrage verschuldigd is voor deelname aan het eindexamen. Ook wordt bij amvb de hoogte van die bijdrage vastgesteld. Een ministeriële regeling voorziet in de indexering van het bedrag dat bij amvb is vastgesteld.

Zesde lid

Dit lid biedt de mogelijkheid om bij amvb regels te stellen over examens die niet vanwege de school worden afgenomen. In het huidige artikel 2, vierde lid, EB VO is hieraan invulling gegeven voor vso-leerlingen die bij een vmbo-school examens kunnen afleggen in één of meer profielvakken of beroepsgerichte keuzevakken van de beroepsgerichte leerweg, de kaderberoepsgerichte leerweg of de gemengde leerweg.

Artikel 2.52. Afnametaal bij toetsen en examens

Dit artikel regelt het uitgangspunt dat Nederlands de voertaal is bij het afnemen van toetsen en examens, behalve als er sprake is van één van de uitzonderingsgronden die in dit artikel zijn geregeld. De school mag een andere taal gebruiken bij het afnemen van toetsen en examens:

  • a. als het gaat om toetsen en examens over die andere taal, of

  • b. als bijzondere omstandigheden daartoe noodzaken (onderdelen b en c). Voor laatstbedoelde situaties moet de school wel een gedragscode vaststellen.

In Caribisch Nederland kan ook in bepaalde gevallen worden afgeweken van de regel dat examens in het Nederlands worden afgenomen. Er moet dan eveneens een gedragscode worden opgesteld. Deze moet aan de inspectie worden toegestuurd. Dit is geregeld in hoofdstuk 11.

Artikel 2.53. Inhoud eindexamen

Eerste lid

Het eerste lid van dit artikel (keuze uit vakken en programmaonderdelen) is deels afgeleid van artikel 8, eerste lid, van het EB VO en artikel 7 van het EB WVO BES. Het drukt de keuzevrijheid uit van de leerling bij het kiezen van eindexamenvakken. Deze keuzevrijheid is begrensd doordat een aantal eindexamenvakken verplicht is, en doordat het moet gaan om vakken die door de school – al dan niet in samenwerking met een andere school – worden aangeboden. Welke vakken verplicht zijn, hangt af van de schoolsoort of het profiel waarin de leerling onderwijs volgt, en wordt nader uitgewerkt bij amvb (zie nu de artikelen 11 tot en met 13 en 22 tot en met 25 van het EB VO en de artikelen 11 tot en met 17 van het EB VO BES).

Tweede lid

Het tweede lid, dat gaat over de opbouw van het eindexamen uit een centraal examen en/of een schoolexamen, is ontleend aan artikel 29, eerste lid, slotzin, WVO en artikel 72, eerste lid, slotzin, WVO BES. Het vervangt bovendien artikel 4, eerste lid, EB VO en artikel 4, eerste lid, EB VO BES. Het eindexamen kan voor elk vak of ander programmaonderdeel bestaan uit een schoolexamen, uit een centraal examen of uit beide. Het examen bestaat in beginsel altijd uit een schoolexamen. Uitsluitend in de situatie van een centraal schriftelijk en praktisch examen in een profielvak (CSPE) vindt geen schoolexamen, maar alleen een centraal examen plaats. De inhoud van het eindexamen is op dit moment nader geregeld in hoofdstuk 2 van het EB VO en hoofdstuk 2 van het EB VO BES.

Derde lid

Het derde lid, dat gaat over het profielwerkstuk, is ontleend aan artikel 4, derde lid, EB VO en artikel 4, tweede lid, EB VO BES, en verplicht ertoe om als onderdeel van het schoolexamen van vwo, havo en theoretische leerweg, een profielwerkstuk te maken. Dat er behalve in vakken of programmaonderdelen ook in een profielwerkstuk wordt geëxamineerd, is te zien als een hoofdelement van het examenstelsel, en daarom in het wetsvoorstel opgenomen. De uitwerking van het profielwerkstuk (regelen waar het profielstuk betrekking op heeft) is een onderwerp, dat wordt geregeld bij of krachtens amvb. Zie voor de grondslag daarvoor het vijfde lid, onderdeel f.

Vierde lid

Het vierde lid, dat gaat over de rekentoets, is ontleend aan artikel 29, vijfde lid, WVO en artikel 72, vijfde lid, WVO BES. Het vervangt bovendien het eerste lid, onderdeel d, van de artikelen 11, 12, 13 en 22 tot en met 25 van het EB VO (het EB VO BES bevat (nog) geen uitvoeringsregels over de rekentoets). De eindexamens moeten ook een rekentoets omvatten. Bij het vaststellen van de opgaven van de rekentoets worden de referentieniveaus rekenen in acht genomen die voor Europees Nederland zijn vastgesteld op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Dat houdt verband met het feit dat er geen examenprogramma’s voor de rekentoets bestaan. In het EB VO zijn nadere regels over deze toets vastgesteld.

De makers van de rekentoets moeten de opgaven zo invullen dat ze inzicht geven in de beheersing van het referentieniveau. Omdat de beheersing van basisvaardigheden – vaardigheden die iedere leerling zou moeten beheersen, ongeacht de gekozen richting of het gekozen profiel – voorop staat, vormen de fundamentele niveaus uit het referentiekader de basis voor de rekentoets.

De rekentoets heeft ten opzichte van het wiskunde-examen een zelfstandige betekenis en functie, en is een zelfstandig onderdeel van het eindexamen. Het aantal examenvakken is daarvoor niet uitgebreid. Voor de eerste twee leerjaren van het voortgezet onderwijs zijn voor rekenen en wiskunde negen kerndoelen beschreven. Het referentieniveau rekenen voor het eind van het vmbo wordt in principe al bereikt aan het eind van het tweede leerjaar. Het gaat dus daarna om «onderhoud» van bestaande kennis. Dat onderhoud kan plaatsvinden binnen het vak wiskunde of binnen andere vakken (bijvoorbeeld de beroepsgerichte vakken). Ook voor het havo en vwo geldt dat leerlingen het niveau dat ze aan het eind van het derde leerjaar (onderbouw) bereiken, moeten «onderhouden» in de bovenbouw. Ook in het havo en vwo kunnen vakken als economie en biologie hiervoor worden benut.

Vijfde lid

Dit lid bevat grondslagen om bij amvb regels te stellen over de inhoud van het eindexamen.

Bij onderdeel b gaat het over de mogelijkheid voor de examenkandidaat om als vervanging van het vergelijkbare examenvak van de schoolsoort of leerweg van inschrijving examen te doen in vakken van een hogere schoolsoort of van een andere leerweg.

Bij regels over de onderdelen die het eindexamen bovendien kan omvatten (onderdeel d) – naast de vakken, het profielwerkstuk en de rekentoets – kan gedacht worden aan een stage als onderdeel van het eindexamen.

Het vijfde lid, onderdeel f, bevat de grondslag voor nadere regels over de rekentoets en het profielwerkstuk. Daarbij gaat het met name om regels over de afname, het aantal toetsmogelijkheden van de rekentoets, en de rekentoets ER. Op dit moment zijn deze regels opgenomen in de artikelen 46, 46a en 51a1 EB VO.

In onderdeel g is een grondslag opgenomen voor regels over de spreiding van het eindexamen in bijzondere gevallen, zoals bijvoorbeeld ziekte van de examenkandidaat.

Artikel 2.54. Examenprogramma’s

Dit artikel is mede ontleend aan artikel 7, eerste en tweede lid, EB VO, en artikel 6, eerste en tweede lid, EB VO BES.

Eerste lid

Het examenprogramma is de kern van het eindexamen. Hoewel het bevoegd gezag verantwoordelijk is voor het afnemen van het examen, blijft de overheid verantwoordelijk voor de kwaliteit van het examen. Daarom stelt de overheid het examenprogramma vast. Dat gebeurt bij ministeriële regeling. Het programma wordt specifiek per schoolsoort (vwo, havo) en per leerweg (vmbo) vastgesteld, en heeft betrekking op een vak of groep van vakken. De overheid mag geen examenprogramma vaststellen voor vakken die het bevoegd gezag zelf vaststelt en een onderdeel zijn van het eindexamen.

Tweede lid

Dit lid beschrijft de minimuminhoud van elk examenprogramma.

Derde lid

Het derde lid koppelt de vaststelling van examenprogramma’s Nederlands voor Europees Nederland aan de referentieniveaus van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Die referentieniveaus moeten in acht worden genomen.

Artikel 2.55. Schoolexamen

Eerste lid

Niet de overheid maar het bevoegd gezag zelf bepaalt op welk tijdstip het schoolexamen begint, zie artikel 32, eerste lid, EB VO en artikel 19, eerste lid, EB VO BES. Het schoolexamen is onderdeel van het eindexamen en is daarmee een afsluiting van de opleiding. Het bevoegd gezag bepaalt wanneer daarvan sprake is. Deze regels zijn bepalend voor het tijdsraam waarbinnen het schoolexamen plaatsvindt (moment van aanvang en afsluiting).

Tweede lid

Dit lid dwingt tot het afsluiten van het schoolexamen voordat het eerste tijdvak begint (als het gaat om een vak waarin zowel een schoolexamen als een centraal examen wordt afgelegd). Met afsluiten wordt bedoeld dat ook eventuele herkansingen van het schoolexamen hebben plaatsgevonden vóór het begin van het eerste tijdvak.

Derde lid

Op grond van artikel 2.56, derde lid, kan in bij amvb te bepalen gevallen worden afgeweken van de wettelijk bepaalde afnameperiodes voor het centraal examen. Te denken valt aan de situatie waarin het College voor toetsen en examens (CvTE) voor een toets van het centraal examen een afnameperiode heeft ingesteld waarbinnen het bevoegd gezag zelf de afnametijdstippen bepaalt. In dat geval zal ook bij amvb bepaald moeten worden wanneer het schoolexamen afgerond moet zijn. Zie artikel 32, tweede lid, tweede volzin, EB VO en artikel 19, tweede lid, tweede volzin, EB VO BES.

Vierde lid

Het bevoegd gezag mag ook bepalen dat een individuele kandidaat het schoolexamen op een ander tijdstip afsluit of kan afsluiten dan het tijdstip als bedoeld in het tweede lid. Het gaat hierbij om leerlingen die ziek waren of zijn of door een andere van hun wil onafhankelijke omstandigheid het schoolexamen in één of meer vakken niet tijdig konden afronden.

Vijfde lid

Bij amvb zal onder meer de beoordeling van het schoolexamen geregeld moeten worden.

Zesde lid

De mogelijkheid om bij algemene maatregels van bestuur regels te stellen over de herkansing van het schoolexamen is facultatief.

Artikel 2.56. Centraal examen

Eerste lid

De tijdvakken zijn momenteel benoemd in artikel 37 EB VO en in artikel 25 EB VO BES. Ze zijn sleutelbegrippen voor de examens. Ze hebben een ordenende functie, en er zijn rechten voor de examenkandidaten aan verbonden. De belangrijkste regels over tijdvakken zijn daarom opgenomen in dit wetsvoorstel.

Onder een tijdvak wordt verstaan: een afnameperiode. Het centraal examen wordt vaker dan één keer afgenomen: de wet kent drie mogelijke afnameperiodes. Die zijn benoemd als «tijdvak»: het eerste, tweede en derde tijdvak. Geregeld is dat het tweede en derde tijdvak kandidaten de gelegenheid bieden om een centraal examen dat zij in het eerste tijdvak niet konden voltooien, alsnog te voltooien, dan wel te herkansen. Bij amvb worden hierover regels gesteld.

Tweede lid

In het eerste tijdvak worden de centrale examens voor de eerste maal door de school afgenomen. In het tweede tijdvak vinden de herkansingen aan de school plaats. Het eerste en tweede tijdvak vallen nog in het schooljaar waarin het eindexamen wordt afgenomen. In het derde tijdvak kunnen de kandidaten die in het eerste en/of tweede tijdvak door een geldige reden verhinderd waren, of die het centraal examen in het tweede tijdvak niet konden voltooien, hun centraal examen voltooien bij het CvTE. Het derde tijdvak begint na afloop van het schooljaar waarin het eerste en tweede tijdvak vielen.

Derde lid

Op grond van dit lid kan worden afgeweken van de afnameperiodes. Het is aan het CvTE om hierover een besluit te nemen. Bij amvb worden hierover regels gesteld. In het huidige EB VO gaat het om artikel 37, zesde lid, (het CvTE kan bepalen dat een toets wordt afgenomen op een tijdstip dat is gelegen voor de aanvang van het eerste tijdvak) en artikel 37, zevende lid, (het CvTE kan voor een toets een afnameperiode instellen waarbinnen het bevoegd gezag zelf de afnametijdstippen bepaalt).

Vierde lid

Dit lid geeft ruimte voor het eerder afleggen van onderdelen van het centraal examen (niet het volledige eindexamen) dan in het laatste leerjaar. Het eerder mogen afleggen van het centraal examen in één of meer vakken dan in het laatste leerjaar is een afgeleide van de wettelijke regeling van de tijdvakken. Het bevoegd gezag kan individuele leerlingen daartoe al gelegenheid geven in het (voor)voorlaatste leerjaar. Bij amvb worden hierover regels gesteld. Zie daarover het huidige artikel 37a EB VO en artikel 26 EB VO BES.

Vijfde lid

In het eerste en tweede tijdvak wordt het eindexamen afgenomen door de rector of directeur en de examinatoren, zo is geregeld in artikel 2.51, derde lid. Voor het derde tijdvak van het centraal examen geldt op grond van artikel 2.56, vijfde lid, iets anders: het centraal examen wordt in het derde tijdvak afgenomen door het CvTE. Bovendien kan in bij amvb te bepalen gevallen ook het centraal examen in het tweede tijdvak worden afgenomen door het CvTE.

Zesde lid

Het examenwerk wordt in principe vaker dan één keer nagekeken: er is nog een tweede correctie, behalve voor examens of examenonderdelen waarvoor bij ministeriële regeling een uitzondering op die regel is geformuleerd. De regel dat het examenwerk in beginsel tweemaal wordt nagekeken, is van belang voor de juistheid en betrouwbaarheid van de examenuitslag en daarom in de wet opgenomen. Hoe de tweede correctie verloopt, wordt nader geregeld op grond van het achtste lid, onderdeel c. Het zal daarbij met name gaan om de regels die nu zijn opgenomen in artikel 41, tweede en derde lid, EB VO en in artikel 29, tweede en derde lid, EB VO BES. Een deel van die regels kan, net als het geval is op grond van artikel 41, vierde lid, EB VO en artikel 29, vierde lid, EB VO BES, worden opgenomen in een ministeriële regeling.

Zevende lid

In artikel 2.57, eerste lid, is geregeld dat de rector of directeur de eindcijfers van het eindexamen vaststelt. Op grond van artikel 2.56, zevende lid, stelt de directeur of rector ook het cijfer vast voor het centraal examen in een vak.

Achtste lid

Dit lid bevat de grondslag voor uitvoeringsregels over het centraal examen. De mogelijkheid van subdelegatie is hier in elk geval relevant omdat de aanwijzing van de gecommitteerden elementen kan omvatten van meer procedurele aard.

Onderdeel a omvat door zijn flexibele omschrijving (afnemen, beoordelen, waarderen, vaststellen van het cijfer, herkansing en gang van zaken) een veelheid aan onderwerpen, zoals:

  • opgave kandidaten voor het centraal examen (artikel 38 EB VO en artikel 27 EB VO BES);

  • mededelingen aan kandidaten van eerder behaalde cijfers (artikel 38 EB VO en artikel 27 EB VO BES);

  • afnameperiode/-tijdstippen (o.a. CvTE); zie artikel 37a, tweede lid, EB VO en artikel 26, tweede lid, EB VO BES;

  • verhindering (artikel 45 EB VO en artikel 34 EB VO BES);

  • toezicht (artikel 40 Eb VO en artikel 28 EB VO BES);

  • gang van zaken tijdens het examen, opgaven, geheimhouding (artikel 40 EB VO en artikel 28 EB VO BES);

  • beoordeling (artikelen 41 en 41a EB VO en 29 en 20 EB VO BES);

  • correctie (artikel 41 EB VO en artikel 29 EB VO BES);

  • score, cijferbepaling (artikel 42 Eb VO en artikel 31 EB VO BES);

  • herkansingsmogelijkheid (artikel 51 EB VO en artikel 51 EB VO BES);

  • toets voor eerste tijdvak (CvTE); zie artikel 32, tweede lid, EB VO en artikel 19, tweede lid, EB VO BES);

  • gegevenslevering aan inspectie (artikel 56 EB VO en artikel 44 EB VO BES);

  • bewaren van opgaven en examenwerk (artikel 57 EB VO en artikel 45 EB VO BES);

  • aangepaste wijze van examinering (artikel 55 EB VO en artikel 43 EB VO BES);

  • gespreide voltooiing (artikel 59 EB VO en artikel 47 EB VO BES), en

  • het op digitale wijze uitvoeren van examens (in brede zin); zie in artikel 1 EB VO het begrip «digitale examinering» en zie artikel 41 EB VO; ook zo in artikel 1 EB VO BES en artikel 29, vierde lid, EB VO BES.

Onderdeel b gaat onder over het afnemen van het centraal examen in het tweede of derde tijdvak door het CvTE. Zie daarover op dit moment nog artikel 37, vierde en vijfde lid, EB VO en artikel 25, vierde en vijfde lid, EB VO BES.

Onderdeel c betreft uitvoeringsregels die gaan over het aanwijzen van gecommitteerden, hun taak en werkwijze. Zie daarvoor nu nog artikel 29, tweede lid, WVO, alsmede artikel 36 EB VO en artikel 24 EB VO BES.

Artikel 2.57. Vaststelling uitslag eindexamen

De vaststelling van de eindcijfers voor en de uitslag van het eindexamens zijn hoofdelementen van de examinering en behoren derhalve op wetsniveau te worden geregeld. Het is aan de rector of de directeur om de eindcijfers vast te stellen, terwijl de uitslag wordt vastgesteld door de rector of de directeur en de secretaris gezamenlijk. Bij amvb worden regels gesteld over deze vaststellingen, net als over de toekenning van het judicium cum laude.

Artikel 2.58. Diploma’s, getuigschriften, certificaten en cijferlijsten

Eerste lid

De uitreiking van de cijferlijst door de rector of directeur geschiedt aan elke leerling. Dit is eveneens een hoofdelement van het eindexamen en daarom in het wetsvoorstel opgenomen.

Tweede lid

Diploma's geven onder voorwaarden toelating tot vervolgonderwijs. De toelatingseisen zijn te vinden in de artikelen 8.2.1 en 8.2.2 WEB (idem in de WEB BES) en in de artikelen 7.24 tot en met 7.26a WHW.

Onderdeel a

Leerlingen die het eindexamen vmbo, havo of vwo met goed gevolg hebben afgelegd, ontvangen uit handen van de rector of directeur een diploma.

Onderdeel b

Wie een leer-werktraject (zie artikel 2.103) met goed gevolg afsluit, ontvangt ook een diploma: het diploma basisberoepsgerichte leerweg/leer-werktraject.

Onderdelen c en d

Examenkandidaten die zijn afgewezen voor het eindexamen vmbo, maar wel een of meer vakken van dat eindexamen met goed gevolg hebben afgesloten, ontvangen een certificaat. Leerlingen aan een school voor vmbo, die een gedeelte van het examenprogramma in de basisberoepsgerichte leerweg (maar niet het volledige eindexamen) met goed gevolg hebben afgelegd, ontvangen daarvoor een getuigschrift vmbo.

Derde lid

Leerlingen in het praktijkonderwijs die naar oordeel van het bevoegd gezag het praktijkonderwijs hebben afgerond, kunnen een schooldiploma praktijkonderwijs ontvangen.

Vierde lid

Bij ministeriële regeling wordt het model van de cijferlijst, diploma’s, getuigschriften en certificaten vastgesteld. Alleen voor het schooldiploma praktijkonderwijs gebeurt dat niet, omdat de vormgeving van dat diploma aan de school zelf wordt overgelaten.

Vijfde lid

Dit lid bevat (onderdeel a) de grondslag voor nadere uitvoeringsregels over de uitreiking van diploma’s en certificaten en regels over cijferlijsten en hun uitreiking. Ook is (onderdeel b) een grondslag opgenomen voor het verstrekken van vervangende examendocumenten. Dit is nu geregeld in artikel 54 EB VO en in artikel 42 EB VO BES. Ten slotte kunnen op grond van dit lid (onderdeel c) regels worden gesteld over het uitreiken van het diploma atheneum in plaats van het diploma gymnasium. Deze regels zijn nu te vinden in artikel 52b EB VO en artikel 39b EB VO BES.

Artikel 2.59. Verklaring bij verlaten school en getuigschrift praktijkonderwijs

Eerste lid

In dit lid is de zogenaamde schoolverlatersverklaring geregeld. Het gaat hier om leerlingen in het vwo, havo, mavo en vbo.

Tweede lid

Artikel 2.58, derde lid, regelt dat leerlingen die het praktijkonderwijs verlaten een schooldiploma praktijkonderwijs kunnen ontvangen. Ze moeten daarvoor in aanmerking komen naar het oordeel van het bevoegd gezag. Het tweede lid van artikel 2.59 regelt dat aan de leerlingen die het praktijkonderwijs verlaten in ieder geval een getuigschrift praktijkonderwijs moet worden verstrekt.

Derde lid

In dit lid is bepaald dat het model van de verklaring en het getuigschrift wordt vastgesteld bij ministeriële regeling in plaats van, zoals de formulering nu luidt, bij besluit van de Minister. Desgewenst kan de school voor praktijkonderwijs in het getuigschrift zaken opnemen als de behaalde (branche)certificaten, de geleerde vaardigheden en competenties en eventueel een advies over doorstroom naar een vervolgopleiding.

Artikel 2.60. Examenreglement; programma van toetsing en afsluiting

Eerste lid

Het bevoegd gezag moet een examenreglement vaststellen. Dat reglement kan voor een aantal examenjaren gelden. Het examenreglement omvat alle procedurele en organisatorische regelingen die het bevoegd gezag moet treffen voor de uitvoering van het schoolexamen en het centraal examen. Daarnaast omvat het meer inhoudelijke bepalingen. Regels van algemene aard, die in het examenreglement terugkomen, gaan bijvoorbeeld over het toezicht tijdens het examen en de instelling van een commissie van beroep. Het eerste lid schrijft voor welke onderwerpen in elk geval in het examenreglement moeten worden opgenomen, waaronder de herkansingsmogelijkheden voor het schoolexamen.

Tweede lid

Het bevoegd moet gezag jaarlijks een programma voor toetsing en afsluiting (ook wel: PTA) vaststellen. Het PTA heeft zowel betrekking op het schoolexamen als op het centraal examen. Het bevat vooral de regels die per jaar verschillend kunnen zijn. Het bevoegd gezag geeft in het PTA onder meer aan op welke wijze de toetsen worden afgenomen (mondeling, schriftelijk, praktisch of een combinatie daarvan). Ook geeft het PTA aan hoe de cijfers van de verschillende toetsen van het schoolexamen worden gecombineerd tot het cijfer van het schoolexamen. Daarnaast worden over de afronding van de cijfers van het schoolexamen en over de wijze van herkansing (het examenreglement regelt de mogelijkheden tot herkansing) in het PTA regels gegeven. De plicht tot het stellen van regels over deze onderwerpen en de borging van de kenbaarheid (zie het derde lid) ervan worden gezien als hoofdelementen van het examenstelsel.

Derde lid

Zowel het examenreglement als het PTA moet worden uitgereikt aan de examenkandidaten en worden toegezonden aan de inspectie.

Vierde lid

Dit lid biedt een grondslag om nadere regels te stellen over de inhoud van het examenreglement. Zo bepaalt het huidige artikel 31, eerste lid, EB VO wat het examenreglement onder meer moet regelen op het punt van de herkansing (eerste lid, onderdeel c).

Artikel 2.61. Onregelmatigheden; onvoorziene omstandigheden; maatregelen

Dit artikel is ontleend aan de artikelen 5, 43 en 44 van het EB VO en de artikelen 5, 32 en 33 van het EB VO BES.

Eerste lid

Dit lid geeft de rector en directeur de bevoegdheid om tegenover de kandidaat maatregelen te nemen als de kandidaat zich schuldig maakt of heeft gemaakt aan een «onregelmatigheid» bij het eindexamen, of als het gaat om een aanspraak op ontheffing. Ook afwezigheid zonder geldige reden op het eindexamen kan een grond zijn om maatregelen te nemen. Omdat het hier gaat om maatregelen jegens de examenkandidaat, met mogelijk zeer ingrijpende gevolgen, is de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen nu op wetsniveau geregeld.

Tweede lid

Heeft het centraal examen volgens de inspectie niet op regelmatige wijze plaatsgevonden, dan kan de inspectie besluiten dat het examen of een deel ervan opnieuw moet worden afgenomen. Dat kan gelden voor een enkele kandidaat maar ook – afhankelijk van de onregelmatigheid – voor een groep van kandidaten. De inspectie moet het CvTE dan verzoeken om nieuwe examenopgaven vast te stellen. Het CvTE bepaalt ook hoe en door wie dat examen zal worden afgenomen. Omdat het hier gaat om maatregelen jegens de examenkandidaat, met mogelijk zeer ingrijpende gevolgen, is de mogelijkheid tot het treffen van deze maatregelen op wetsniveau geregeld.

Derde lid

Er kunnen onvoorziene omstandigheden zijn waardoor het centraal examen op één of meer scholen niet volgens de regels kan worden afgenomen. Te denken valt onder meer aan brand in de lokalen. In dergelijke gevallen beslist de Minister wat er moet gebeuren.

Vierde lid

Dit artikel bevat verschillende regels over onregelmatigheden en onvoorziene omstandigheden. Ook op besluitniveau kunnen hierover regels worden gesteld, op grond van het vierde lid. Te denken valt bijvoorbeeld aan de precisering van door de rector of directeur te nemen maatregelen als de eindexamenkandidaat bij een onderdeel van het eindexamen onregelmatig handelt of zonder geldige reden afwezig is. Deze regels zijn op dit moment te vinden in artikel 5 van het EB VO en EB VO BES.

Artikel 2.62. Intrekking examenbevoegdheid

Eerste lid

Zijn er gedurende een aantal jaren te grote gemiddelde verschillen tussen de cijfers voor de schoolexamens en de centrale examens, dan kan de Minister een school tijdelijk de examenbevoegdheid voor een schoolsoort of leerweg ontnemen. De waarde van het examen moet worden geborgd. Daarbij is het van essentieel belang voor de Nederlandse systematiek van examineren in het voortgezet onderwijs dat de basiskwaliteit en kennis voor de doorstroming naar het vervolgonderwijs verzekerd zijn en dat de examinering vertrouwen geniet in de samenleving. Een te groot verschil tussen de cijfers voor schoolexamens en die voor centrale examens zou tot rechtsongelijkheid en ondermijning van de betrouwbaarheid van de examensystematiek leiden.

In bepaalde gevallen is een verschil goed verklaarbaar, zeker bij individuele leerlingen of individuele vakken. In het schoolexamen wordt vaak andere stof getoetst dan in het centraal examen. Daarnaast verschillen de toets-condities. De inspectie baseert haar oordeel over het verschil tussen de resultaten van schoolexamen en centraal examen daarom op de cijfers van álle leerlingen en álle vakken die zowel een school- als een centraal examen kennen over de laatste drie leerjaren van een onderwijssoort. Daarmee zal het verschil zich uitmiddelen.

Als uiterste middel kan het zijn dat de school twee jaar lang geen examens in een schoolsoort of leerweg mag afnemen en dat het CvTE wordt ingeschakeld om staatsexamens af te nemen. Beslist de Minister inderdaad om de examenbevoegdheid tijdelijk aan de school te ontnemen, dan betalen niet de leerlingen, deelnemers of hun ouders de kosten van de staatsexamens, maar de school zelf.

Tweede lid

De Minister mag niet meteen overgaan tot opschorting van de examenbevoegdheid bij grote cijferverschillen. Hij moet het bevoegd gezag van de school ten minste drie jaar de gelegenheid hebben gegeven om het gemiddelde verschil tussen het schoolexamen en centraal examen terug te brengen tot maximaal een half punt.

Artikel 2.63. Administratief beroep bij besluiten inzake maatregelen

Dit artikel is deels ontleend aan artikel 5 EB VO en artikel 5 EB VO BES.

Eerste lid

In navolging van WEB en WHW kent de WVO 20xx op wetsniveau een commissie van beroep voor de eindexamens. Dit is als het gaat om een besluit in de zin van de Awb (en daarover gaat het eerste lid), een orgaan van administratief beroep, dat wil zeggen een orgaan dat de school zelf moet instellen. Het beroep wordt dus niet ingesteld bij de bestuursrechter. De rector of directeur van de school mag geen lid zijn van deze commissie.

Tweede en derde lid

Omdat bij beroep tegen examens snelheid geboden is (want anders staat de examenuitslag al vast, is geen diploma afgegeven, enz.), regelt het tweede lid een verkorte beroepstermijn en regelt het derde lid een verkorte beslistermijn in beroep.

Vierde lid

Dit lid bevat de grondslag om bij amvb regels te stellen over het besluit van de commissie. Dit kunnen zowel inhoudelijke voorschriften zijn (vergelijk het huidige artikel 5, vijfde lid, EB VO), als procedurele voorschriften (vergelijk het huidige artikel 5, derde lid, EB VO).

Artikel 2.64. Voorziening bij beslissingen inzake maatregelen

Dit artikel is deels ontleend aan artikel 5 EB VO en artikel 5 EB VO BES.

In navolging van WEB en WHW kent de WVO 20xx op wetsniveau een commissie van beroep voor de eindexamens. In dit artikel gaat het in principe om het bijzonder onderwijs. Daar neemt het bevoegd gezag geen besluiten in de zin van de Awb, maar beslissingen. Om die reden is er verder geen sprake van administratief beroep, maar van het vragen van een voorziening aan een commissie van beroep voor de eindexamens, in te stellen door het bevoegd gezag. Voor het overige is dit artikel conform het vorige artikel.

Artikel 2.65. Hardheidsclausule

In dit artikel, dat is ontleend aan artikel 60 EB VO en artikel 47a EB VO BES, is de «hardheidsclausule» voor de eindexamenvoorschriften opgenomen.

De hardheidsclausule stelt de Minister in staat om in uitzonderlijke gevallen af te wijken van voorschriften, of die buiten toepassing te laten. Daarvoor bestaat aanleiding, als de onverkorte toepassing van de eindexamenvoorschriften in een individueel en onvoorzien geval tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt. De hardheidsclausule betreft een discretionaire bevoegdheid: het is aan de Minister om te bepalen of een voorkomend geval een uitzondering op de voorschriften rechtvaardigt.

De Minister maakt terughoudend gebruik van deze bevoegdheid. Het uitgangspunt is dat de eindexamenvoorschriften worden toegepast. In de eerste plaats dienen de voorschriften de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. De voorschriften behartigen een zeker belang, waaraan de Minister een groot gewicht toekent. Dat geldt in het bijzonder voor de civiele waarde van het diploma. In de tweede plaats maakt de toepassing van de hardheidsclausule inbreuk op het primaat van de wetgever. In de wet is immers bepaald dat de eindexamenvoorschriften bij of krachtens amvb worden vastgesteld.

Ter voorbereiding op zijn besluit om de hardheidsclausule al dan niet toe te passen beoordeelt de Minister de situatie waarin de leerling verkeert en maakt hij een afweging met het belang van het relevante voorschrift. Wat betreft de situatie van de leerling, gaat de Minister na of er sprake is van een:

  • 1) onbillijkheid van overwegende aard die het gevolg is of zal zijn van de toepassing van een eindexamenvoorschrift;

  • 2) individueel geval, dat wil zeggen dat de situatie waarin de leerling verkeert, zich voldoende onderscheidt van die van anderen die in soortgelijke omstandigheden verkeren, of

  • 3) onvoorziene omstandigheid, dat wil zeggen dat niet op voorhand bekend was of behoorde te zijn dat de situatie zich zou voordoen.

Hoewel in het algemeen niet te zeggen is wanneer sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, is het niet voldoende dat een situatie uitsluitend ongewenst is. Naar het oordeel van de Minister moet zich een zekere mate van onrechtvaardigheid voordoen.

Ten slotte maakt de Minister een belangenafweging, waarbij hij in het bijzonder beoordeelt of het verzoek evenredig en subsidiair is. Het belang van de eindexamenvoorschriften weegt zwaar, al verschillen de voorschriften onderling in aard en gewicht. Naarmate het belang van een voorschrift zwaarder weegt, zal de Minister een verzoek eerder afwijzen. Omdat de hardheidsclausule een ultimum remedium betreft, zal de Minister in zijn oordeel voorts meewegen of er een minder ingrijpende maatregel voor handen staat of heeft gestaan.

Paragraaf 6. Aanwijzing als school met examenbevoegdheid

Artikel 2.66. Aanwijzing als school met examenbevoegdheid

Dit artikel maakt het mogelijk om niet bekostigde scholen aan te wijzen die net als de bekostigde scholen bevoegd zijn om een wettelijk geregeld diploma uit te reiken.

Eerste lid

Een bijzondere school voor vwo, havo, mavo of vbo die niet uit ’s Rijks kas wordt bekostigd, kan door de Minister worden aangewezen als bevoegd tot uitreiking van een wettelijk vo-diploma. Voorwaarde voor deze aanwijzing is dat de school wat de cursusduur, het schoolplan en de bevoegdheden van de leraren betreft, overeenkomt met een uit ’s Rijks kas bekostigde school. De wet bevat in deze paragraaf nog aanvullende eisen en voorwaarden.

Tweede lid

Ook bij aangewezen scholen dient het gemiddelde verschil tussen de cijfers van het centraal examen en het schoolexamen over een periode van drie jaren niet meer dan een half punt te bedragen. Er kan door de Minister besloten worden om het bevoegd gezag voor een periode van twee jaar niet langer in de gelegenheid te stellen om leerlingen het eindexamen af te leggen.

Derde lid

Ook voor de op grond van dit artikel aangewezen scholen gelden de regels bij of krachtens hoofdstuk 2, paragraaf 5, WVO 20xx over de verantwoordelijkheid voor het afnemen van het eindexamen, het toezicht door gecommitteerden, de eventuele aanwijzing van deskundigen, en de rekentoets.

Artikel 2.67. Aanvraag tot aanwijzing als school met examenbevoegdheid

Eerste lid

Een niet uit ’s Rijks kas bekostigde bijzondere school kan de Minister verzoeken te worden aangewezen als bevoegd tot het uitreiken van een wettelijk geregeld vo-diploma. Dit artikel bepaalt welke stukken het bestuur bij een verzoek tot aanwijzing van een school aan de Minister moet overleggen en wanneer de Minister uiterlijk beslist. Cursusduur, schoolplan en bevoegdheden van de leraren moeten overeenkomen met die van een bekostigde vo-school, zie het vorige artikel.

Tweede lid

Dit lid geeft de Minister zes maanden de tijd om te beslissen op een aanvraag om een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid. Op grond van artikel 4:14 Awb kan de Minister hiervan afwijken. Lukt het niet om binnen deze termijn te beslissen, dan meldt de Minister dat aan de aanvrager en geeft hij daarbij aan wanneer deze het besluit wel tegemoet kan zien. Omdat de Awb niet van toepassing is in Caribisch Nederland, is in hoofdstuk 11 (artikel 11.99, tweede lid) WVO 20xx, een met artikel 4:14 Awb overeenkomstige bepaling opgenomen over de toepassing van de War BES.

Artikel 2.68. Toepasselijke regels aangewezen school met examenbevoegdheid

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 deels anders geregeld.

In dit artikel zijn enkele aanvullende regels opgenomen die gelden voor niet uit ’s Rijks kas bekostigde scholen die zijn aangewezen als bevoegd om wettelijk geregelde vo-diploma’s uit te reiken. De inhoud van artikel 58, derde lid, WVO en artikel 114, derde lid, WVO BES is ondergebracht in hoofdstuk 9, zie artikel 9.3.

Eerste lid

Dit lid bepaalt dat het schoolplan van een aangewezen school ten minste moet voldoen aan de regels in de WVO 20xx over de onderwijstijd, uitvoerings- en inrichtingsregels over de profielen en leerwegen, en de regels over het schoolplan).

Tweede lid

Doel van dit voorschrift is om helderheid te bieden over het onderwijs dat de aangewezen school binnen haar aanwijzing verzorgt.

Derde lid

Door de gewone toelatingsvoorwaarden ook op te leggen aan een op grond van artikel 2.68 aangewezen school, is een extra kwaliteitswaarborg voor het niveau van het onderwijs ingebouwd.

Vierde lid

De minimumeisen voor goed onderwijs zijn ook van toepassing op niet door de overheid bekostigde scholen die bevoegd zijn eindexamens af te nemen. Als een school niet meer aan deze verplichting voldoet, kan artikel 59 die bevoegdheid worden ingetrokken.

Vijfde lid

De inspectie moet kunnen beoordelen of een aangewezen school blijft voldoen aan de eisen die zijn gesteld in het eerste lid. Daarom is voorgeschreven dat wijzigingen van het schoolplan worden gemeld aan de inspectie.

Artikel 2.69. Overige regels aangewezen school met examenbevoegdheid

In dit artikel zijn enkele bepalingen van de WVO 20xx die gelden voor bekostigd onderwijs en die gaan over het persoonsgebonden nummer en de regelgeving voor de regionale meld- en coördinatiefunctie (rmc) voortijdig schoolverlaten van overeenkomstige toepassing verklaard op niet bekostigde scholen met een examenbevoegdheid. Het doel daarvan is om ook in het niet-bekostigd onderwijs voortijdig schoolverlaten te bestrijden. Het gaat om bepalingen over:

  • Het verstrekken van gegevens bij inschrijving (waaronder het persoonsgebonden nummer);

  • De leerlingenadministratie;

  • Het gebruik van het persoonsgebonden nummer door het bevoegd gezag;

  • Het gebruik van het persoonsgebonden nummer door de gemeente;

  • De melding van relatief verzuim en van verwijdering van jongeren die onder de rmc-regelgeving vallen; en

  • De gemeentelijke rmc-functie.

De bevoegdheid van de Minister om een aanwijzing in te trekken (zie verder in deze paragraaf) geldt ook als de aangewezen school niet aan deze wettelijke bepalingen voldoet.

Artikel 2.70. Intrekking aanwijzing

In dit artikel is geregeld in welke gevallen de Minister de aanwijzing van de school als school met examenbevoegdheid kan intrekken. Intrekking kan als de school met onder meer het schoolplan, de voorwaarden van toelating en de bevoegdheden van het onderwijzend personeel niet meer voldoet aan de wettelijke regels die gelden voor de bekostigde scholen, of als misbruik is gemaakt van de aanwijzing. Ook strijd met artikel 5:20 Awb – de plicht om mee te werken aan het onderzoek door een toezichthouder (inspectie) – is een grond voor intrekking.

Artikel 2.71. Aanwijzing scholen voortgezet speciaal onderwijs met examenbevoegdheid

Eerste lid

Dit artikel maakt mogelijk dat een vso-school wordt aangewezen om zelf vo-examens af te nemen en het vo-diploma uit te reiken. De regels voor de aanwijzingsmogelijkheid van niet bekostigde scholen in de WVO 20xx zijn van toepassing verklaard op vso-scholen. Dit biedt vso-leerlingen de gelegenheid om binnen de eigen schoolomgeving, met de eigen leraren, het onderwijs te volgen en examen af te leggen.

Voor de vso-school zijn aan een dergelijke aanwijzing voorwaarden verbonden. Zo moet de school voor de duur van de cursus, het schoolplan en de bevoegdheden van de leraren overeenkomen met een bekostigde school voor voortgezet onderwijs. Het vereiste dat de statuten en het reglement worden overgelegd aan de Minister bij het verzoek tot aanwijzing geldt niet voor deze scholen, omdat de school in kwestie al op grond van een andere wet (de WEC) voor bekostiging in aanmerking is gebracht. De school moet de aanwijzing aanvragen en daarbij kiezen voor welke schoolsoort of schoolsoorten zij de aanvraag doet. De leraren moeten over een vo-bevoegdheid beschikken. De school verzorgt het onderwijsprogramma en de examinering geheel zelf.

De achtergrond van het artikel is dat vso-scholen, alleen al vanwege hun kleinschalige opzet, niet vanzelfsprekend beschikken over bevoegde leraren en passende voorzieningen om het onderwijs in een schoolsoort in het voortgezet onderwijs (vwo, havo, mavo of vbo), in de volle breedte te verzorgen. Vso-scholen zijn voor het aanbod dat zij verzorgen erg afhankelijk van symbiose met reguliere scholen voor voortgezet onderwijs. Bij symbiose volgen leerlingen van de vso-school op grond van artikel 24 WEC een deel van hun onderwijsprogramma op een reguliere school voor voortgezet onderwijs, waarbij het bevoegd gezag van de beide scholen samen een overeenkomst sluiten. Die gaat over het onderwijs, maar kan bijvoorbeeld ook over een financiële vergoeding gaan.

Leerlingen van de scholen die op grond van artikel 2.71 een examenbevoegdheid hebben, kunnen hun opleiding afsluiten met een examen en bij positief resultaat een vo-diploma behalen. Ze doen examen op hun eigen school. Leerlingen van andere vso-scholen doen staatsexamen, of zij doen examen als examenkandidaat op een reguliere school voor voortgezet onderwijs, dat wil zeggen als extraneus. Voor bepaalde vso-leerlingen kan het formele karakter van het staatsexamen een obstakel zijn door de aard van hun beperking of door de extra begeleiding die zij nodig hebben. Het kan voor hen beter zijn om het examen als examenkandidaat af te leggen via een reguliere school voor voortgezet onderwijs. Dit heeft als voordeel dat het examen dan wordt afgelegd met eerst een schoolexamen dat aansluit op de gebruikte lesmethoden en pas daarna het centraal examen.

Ook de regels over de maatschappelijke stage in het voortgezet onderwijs gelden voor de aangewezen vso-scholen.

Tweede lid, onderdeel b

Dit onderdeel regelt dat de aangewezen scholen die een basisberoepsgerichte leerweg verzorgen deze kunnen inrichten als een leer-werktraject of als een entreeopleiding volgens de regels die gelden voor het reguliere voortgezet onderwijs. Voor sommige vso-leerlingen die de basisberoepsgerichte leerweg in het vbo volgen, blijkt na twee jaar onderbouw dat zij toch geen vbo-diploma kunnen behalen, bijvoorbeeld omdat het onderwijs voor hen te theoretisch is. De school kan leerlingen van wie het bevoegd gezag inschat dat zij daarbij gebaat zijn, een entreeopleiding laten volgen. De regels over de entreeopleiding in het vso zijn gelijk aan de regels over de entreeopleidingen in het vmbo. Deze route voor vso-leerlingen vergroot de kans op het afsluiten van de vso-opleiding met een voor de arbeidsmarkt herkenbaar diploma. Bovendien geeft dit diploma het recht om door te stromen naar mbo niveau 2 aan een mbo-instelling.

De entreeopleiding in het vso is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van vso-school en mbo-instelling. Deze school en die instelling moeten een samenwerkingsovereenkomst sluiten waarin afspraken worden vastgelegd over programma-aanbod en rechtsbescherming. De leerling blijft ingeschreven bij de vso-school en valt dus onder de verantwoordelijkheid van díe school. De mbo-instelling is verantwoordelijk voor de examinering. Een vso-school kan alleen entreeopleidingen aanbieden die passen bij het aanbod aan beroepsgerichte programma’s van de eigen basisberoepsgerichte leerweg en die de betrokken mbo-instelling mag aanbieden. Ter illustratie: de vso-school moet, al dan niet via symbiose, de vbo-afdeling bouwtechniek verzorgen om samen met een mbo-instelling de opleiding assistent bouwplaats te mogen aanbieden. De school heeft de kennis en expertise nodig om leerlingen naar een specifieke mbo-opleiding te mogen opleiden. Als de vso-school de basisberoepsgerichte leerweg verzorgt op basis van symbiose met een school voor voortgezet onderwijs, moet een samenwerkingsafspraak met zowel een school voor voortgezet onderwijs als een mbo-instelling worden gemaakt.

Derde lid

De Minister kan de aanwijzing intrekken als aan de regels die van toepassing zijn verklaard in het tweede lid niet meer wordt voldaan.

Vierde lid

Net als in artikel 14a, tweede lid, onderdeel a, WEC is in het vierde lid van artikel 2.71 een grondslag opgenomen om afwijkende en aanvullende regels vast te stellen voor het vso ten opzichte van het reguliere voortgezet onderwijs. In het vso zal onder andere het uitstroomprofiel vervolgonderwijs worden verzorgd. Voor dat uitstroomprofiel gelden de kerndoelen van het reguliere voortgezet onderwijs. Die kerndoelen zijn geregeld in een amvb: het Besluit kerndoelen onderbouw VO. Voor het uitstroomprofiel vervolgonderwijs kan bij amvb van die kerndoelen worden afgeweken.

Vijfde lid

Voor de kerndoelen Friese taal en cultuur die voor het reguliere voortgezet onderwijs worden vastgesteld bij provinciale verordening, is er voor het uitstroomprofiel vervolgonderwijs een afwijkingsmogelijkheid: de provincie Fryslân kan bij provinciale verordening voorzien in een afwijking voor het uitstroomprofiel vervolgonderwijs. Voor die verordening gelden dezelfde voorwaarden als voor het gewone onderwijs, zoals de goedkeuring van de Minister voordat de verordening in werking kan treden.

Zesde lid

De vso-school die vbo verzorgt, is verplicht om in de aanvraag om aanwijzing specifiek aan te geven, in welke profielen dat onderwijs wordt verzorgd.

Paragraaf 7. Staatsexamens

Artikel 2.72. Staatsexamens en deelstaatsexamens

Eerste lid

Dit lid maakt het mogelijk om via het staatsexamen een diploma te verkrijgen dat overeenkomt met dat van een school voor voortgezet onderwijs. Het gaat dan om het staatsexamen vwo, het staatsexamen havo, het staatsexamen mavo en het staatsexamen vbo. Voor het vbo gaat het alleen om de algemene vakken binnen de beroepsgerichte leerwegen en de gemengde leerweg, dat wil zeggen dat geen staatsexamen kan worden gedaan in beroepsgerichte vakken. Op scholen voor vso en in penitentiaire inrichtingen verblijven leerlingen voor wie staatsexamens in deze leerwegen perspectief kunnen bieden. Voor deze leerlingen is met deze staatsexamens maatwerk mogelijk. Het staatsexamen kan zowel een volledig staatsexamen omvatten als een deelstaatsexamen. Voor het afleggen van staatsexamen is aanmelding vereist. Bij amvb kunnen regels worden gesteld over de toelating tot het staatsexamen (zie ook het negende lid). Zo zijn momenteel in artikel 2a van het SB VO regels opgenomen over de toelating van examenkandidaten tot de beroepsgerichte leerwegen en de gemengde leerweg vmbo.

De staatsexamens vormen verder een vangnet bij het toepassen van de bevoegdheid van de Minister om een school tijdelijk de examenbevoegdheid te ontnemen (zie artikel 2.62). Deze bevoegdheid geldt ook voor de beroepsgerichte leerwegen en de gemengde leerweg in het vmbo. Het CvTE kan staatsexamens afnemen in de algemeen vormende vakken van deze leerwegen. Staatsexamenkandidaten kunnen kiezen tussen het afleggen van een volledig staatsexamen en een examen afleggen in een of meer vakken (deelstaatsexamen). Wie aan een deelstaatsexamen deelneemt en daarvoor een voldoende cijfer haalt, ontvangt een certificaat. Door certificaten te overleggen voor vakken die samen een staatsexamen vormen, kan een diploma worden verkregen.

Tweede lid

In dit lid wordt omschreven op welke wijze het staatsexamen kan worden afgelegd. Dit is ofwel door het afleggen van een staatsexamen, dan wel door het overleggen van bewijsstukken, dan wel een combinatie hiervan. Dit wordt nu in het SB VO geregeld (zie onder meer artikel 25). Het is gewenst dit hoofdelement van het staatsexamen op wetsniveau te regelen.

Derde lid

Dit lid maakt het mogelijk om bij amvb andere staatsexamens aan te wijzen dan staatsexamens vwo, havo of vmbo. Het gaat dan bijvoorbeeld om het staatsexamen Nederlands als tweede taal (NT2), waarvoor nu regels zijn gesteld in het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal (en het Staatsexamenbesluit Nederlands als vreemde taal BES). Als zulke andere staatsexamens worden aangewezen, zullen er nadere regels nodig zijn, net als voor de reguliere staatexamens. Omdat het daarbij ook zal gaan om bijvoorbeeld regels over modellen voor diploma’s en getuigschriften is, in navolging van artikel 2.80, vierde lid, tevens voorzien in subdelegatie.

Vierde lid

Voor het staatsexamen is een eigen bijdrage verschuldigd, tenzij geregeld is dat dat niet het geval zo is. Voor subdelegatie is gekozen om, net als nu al het geval is, indexering van de bedragen bij ministeriële regeling mogelijk te maken. Zie hiervoor nu artikel 2 SB VO en artikel 2 SB VO BES.

Vijfde lid

Dit lid maakt het mogelijk om de rekening voor het staatsexamen te leggen bij het bevoegd gezag van een school als het gaat om een school die een te groot gemiddeld verschil heeft tussen de cijfers van het schoolexamen en de cijfers van het centraal examen en daardoor de examenbevoegdheid heeft verloren (zie artikel 2.62).

Zesde lid

De niet-schriftelijke onderdelen van het staatsexamen worden in het openbaar afgenomen. Het schriftelijk gedeelte van het staatsexamen wordt dus niet in het openbaar afgenomen.

Zevende lid

Dit lid voorkomt dat wie zakt voor het eindexamen aan een school, direct kan worden toegelaten tot het staatsexamen in datzelfde jaar.

Achtste lid

Dit lid biedt een grondslag voor nadere uitvoeringsregels over de toelating tot het (deel)staatsexamen. Het huidige artikel 2a SB VO en het huidige artikel 2a SB VO BES regelen de toelating tot het staatsexamen. De artikelen 3 SB VO en 3 SB VO BES regelen de aanmelding. In die laatste artikelen is het CvTE de opdracht gegeven een aanmeldprocedure te regelen en krijgt de Minister tot taak de aanmeldprocedure bekend te maken, uit te voeren en te bevestigen aan de examenkandidaat. In deze procedureel-administratieve omgeving is het wenselijk te kunnen beschikken over de mogelijkheid van subdelegatie. Ook is voorzien in een grondslag voor uitvoeringsregels over het verstrekken van informatie aan de inspectie van het onderwijs. Zie daarvoor onder meer wat nu nog is geregeld in artikel 4, zesde lid, SB VO en in artikel 4, zesde lid, SB VO BES.

Artikel 2.73. Identificatie bij staatsexamen

Ter voorkoming dat iemand zich bij het afleggen van het staatsexamen voor een ander voordoet, is identificatie bij het staatsexamen noodzakelijk. Dit is nu nog geregeld in artikel 2, zesde lid, SB VO. Aangezien dit een beperking van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer is (artikel 10 Grondwet), is regeling van deze identificatieplicht op het niveau van de wet aangewezen.

Artikel 2.74. Afnametaal bij toetsen en examens

Dit artikel regelt het uitgangspunt dat Nederlands de voertaal is bij het afnemen van toetsen en examens, behalve als er sprake is van één van de in dit artikel geregelde uitzonderingsgronden. Het CvTE mag een andere onderwijstaal gebruiken:

  • a. als het gaat om onderwijs over die andere taal, of

  • b. als bijzondere omstandigheden daartoe noodzaken (tweede lid, onderdelen b en c). Voor laatstbedoelde situaties moet het CvTE wel een gedragscode vaststellen.

Artikel 2.75. Inhoud staatsexamen en deelstaatsexamen

Eerste lid

Het eerste lid drukt de keuzevrijheid van de leerling bij het kiezen van examenvakken uit. Deze keuzevrijheid is begrensd doordat een aantal eindexamenvakken verplicht is. Welke vakken verplicht zijn, hangt af van de schoolsoort of het profiel waarin de leerling onderwijs volgt. Dit wordt nader uitgewerkt bij amvb. Zie daarvoor het zesde lid, onderdeel a.

Tweede lid

Uit dit lid blijkt dat het staatsexamen geen beroepsgerichte vakken omvat.

Derde lid

Het staatsexamen kan voor elk vak of ander programmaonderdeel bestaan uit een college-examen, uit een centraal examen of uit beide. Het college-examen is de evenknie van het schoolexamen. Naast het college-examen zal er voor veel vakken sprake zijn van een centraal examen. Welke vakken dit betreft, blijkt uit de vastgestelde examenprogramma’s.

Vierde lid

Dit lid verplicht ertoe om als onderdeel van het college-examen een profielwerkstuk te maken. De omschrijving van wat een profielwerkstuk voor het eindexamen is, is geregeld in artikel 2.59, derde lid. Diezelfde omschrijving is van toepassing verklaard op het staatsexamen.

Vijfde lid

De staatsexamens moeten ook een rekentoets omvatten. Bij het vaststellen van de opgaven van de rekentoets worden de referentieniveaus rekenen in acht genomen die voor Europees Nederland zijn vastgesteld op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Dat houdt verband met het feit dat er geen staatsexamenprogramma’s voor de rekentoets bestaan.

Het eindexamen wiskunde laat maar beperkte ruimte voor het toetsen van de basisvaardigheden rekenen. Daarom is er voor alle leerlingen die staatsexamen doen een rekentoets als onderdeel van het examen. Voor het vervolgonderwijs is dan duidelijk waar de leerlingen precies staan als het gaat om deze basisvaardigheden.

Zesde lid

Dit lid biedt een grondslag voor nadere uitvoeringsregels over de inhoud van het staatsexamen en deelstaatsexamen.

Onderdeel a

De in dit onderdeel bedoelde regels zijn momenteel te vinden in de artikelen 11 tot en met 13 en 22 tot en met 25 EB VO en de artikelen 11 tot en met 17 EB VO BES; die vakkenpakketten zijn van toepassing voor zover het betreft de vavo-pakketten voor vwo, havo, vmbo-tl en voor de algemene vakken van de overige vmbo-leerwegen. Dat laatste is op dit moment geregeld in artikel 8 SB VO en artikel 7 SB VO BES.

Onderdeel b

Vrijstellingen en ontheffingen zijn nu geregeld in de artikelen 10 tot en met 12 SB VO en in de artikelen 9 tot en met 11 SB VO BES.

Onderdeel c

Het SB VO (het SB VO BES niet) bevat een reeks specifieke regels over onder meer de rekentoets. Zie op dit moment de artikelen 23a, 23b en 27a van dat besluit, waar ook de rekentoets ER is geregeld. In die artikelen zijn ook uitvoeringsregels opgenomen, bijvoorbeeld over het uitvoeren van de correctie, voor zover de rekentoets bestaat uit open vragen. Het zesde lid bevat daarom een grondslag voor subdelegatie (nadere regels).

Ook voor het profielwerkstuk is voorzien in uitvoeringsregels. Zie daarvoor de toelichting bij artikel 2.53, vijfde lid.

Artikel 2.76. Examenprogramma’s

Eerste lid

Dit lid regelt dat de examenprogramma’s van de eindexamens ook de examenprogramma’s zijn voor de staatsexamens en deelstaatsexamens. Hiervoor geldt de pakketomvang van het vavo.

Tweede lid

Het tweede lid bevat bijzondere regels die het examenprogramma voor de eindexamens «vertalen» naar de specifieke situatie bij de staatsexamens: als het examenprogramma bepaalde keuzes bij de school neerlegt, komt daarvoor bij de staatsexamens het CvTE in de plaats.

Verder kan het zijn dat bepaalde regels over het schoolexamen in het examenprogramma voor de eindexamens niet uitvoerbaar zijn in het college-examen van de staatsexamens. Denk bijvoorbeeld aan een practicumopdracht in het schoolexamen. Een school beschikt over praktijkruimten. De staatsexamens worden in grote zalen afgenomen. Het college-examen wordt vaak mondeling afgenomen. In plaats van een practicumopdracht uit te voeren, vertelt de kandidaat dan hoe de praktijkopdracht wordt uitgevoerd, welke elementen hierbij van belang zijn en wat het resultaat wordt. Daarbij kan het CvTE afwijken van die regels. Wel moet het CvTE bewaken dat het college-examen zoveel mogelijk gelijkwaardig blijft aan het schoolexamen, want eindexamen en staatsexamen leiden inhoudelijk gezien tot dezelfde diploma’s.

Artikel 2.77. College-examen

Eerste lid

Uit dit lid volgt dat het college-examen wordt afgenomen door het CvTE en dat dit zowel mondeling als schriftelijk kan.

Tweede lid

Dit lid is de grondslag voor artikel 15 SB VO en artikel 13 SB VO BES. Het gaat hier om uitvoeringsregels over de beoordeling van het afgelegde college-examen.

Artikel 2.78. Centraal examen van staatsexamen

Eerste lid

De tijdvakken die nu zijn benoemd in het SB VO en in het SB VO BES, zijn sleutelbegrippen voor de staatsexamens en verdienen daarom een plaats in de WVO 20xx zelf. Toegevoegd is wat onder een tijdvak wordt verstaan: een afnameperiode. Het centraal examen wordt niet maar één keer afgenomen: de wet kent drie mogelijke afnameperiodes. Die zijn benoemd als «tijdvak»: het eerste, tweede en derde tijdvak. Dit lid biedt ook een grondslag voor nadere uitvoeringsregels over de tijdvakken. Niettegenstaande de tijdvakken, heeft het CvTE altijd de bevoegdheid te bepalen dat een centraal examen buiten de tijdvakken wordt afgenomen.

Tweede lid

Het nakijken van het centraal staatsexamen vindt in principe plaats door twee correctoren. Als het CvTE dat nodig acht, kan een derde corrector worden ingeschakeld.

Derde lid

Bij de op grond van dit lid, onderdeel a, vast te stellen uitvoeringsregels moet worden gedacht aan de artikelen 18 (Regels omtrent het centraal examen, deels), 19 (Correctie centraal examen), 20 (Vaststelling cijfer centraal examen), 24 tot en met 26a (eindcijfer, vaststelling uitslag), 27, 30a (cum laude), 31 en 33 SB VO en de overeenkomstige artikelen 14, 16, 17, 18, 22 tot en met 24a, 29 en 31 SB VO BES. Ook het op digitale wijze afnemen van staatsexamens en deelstaatsexamens valt onder deze grondslag voor uitvoeringsregels. Voor regels over de herkansing moet worden gedacht aan de artikelen 27, 28 en 29 SB VO en de artikelen 25, 26 en 27 SB VO BES. Voor regels over de gang van zaken met betrekking tot het centraal examen moet worden gedacht aan de artikelen 18 (Regels omtrent het centraal examen, deels), 23 (Verhindering centraal examen; voltooiing in tweede, derde of vierde tijdvak) SB VO en aan de overeenkomstige artikelen 16 en 21 SB VO BES. Dit lid is in de kern vergelijkbaar met artikel 2.56, achtste lid. Wel zijn er enkele verschillen. Bij het centraal examen, dat wordt afgenomen door het CvTE kan, in tegenstelling tot de centrale examens die worden afgenomen door de school, voor vakken vrijstelling worden verleend op basis van eerder behaalde resultaten. Ook kan het voorkomen dat centrale examens in het derde tijdvak worden vervangen door een mondeling examen.

Artikel 2.79. Vaststelling van de uitslag

Uit dit artikel komt naar voren dat het staatsexamen op verschillende manieren kan worden afgelegd. In het geval het staatsexamen volledig ten overstaan van het CvTE wordt afgelegd, stelt dit college de eindcijfers hiervoor vast en op basis hiervan de uitslag van het staatsexamen. Het staatsexamen kan echter ook worden afgelegd door het overleggen van bewijsstukken, dan wel een combinatie van het afleggen van examens en het overleggen van bewijsstukken. In dat geval zal het CvTE (mede) deze bewijsstukken als basis voor de vaststelling van de uitslag hanteren. Indien alleen één of meer deelexamens worden afgelegd, worden uitsluitend de eindcijfers vastgesteld. Bij amvb worden nadere regels gesteld over de vaststelling van de eindcijfers en de vaststelling van de uitslag.

Artikel 2.80. Diploma’s, certificaten en cijferlijsten

De inhoud van dit artikel is deels ontleend aan de artikelen 30 en 31 SB VO en deels aan de artikelen 28 en 29 SB VO BES.

Eerste en tweede lid

Dit artikel regelt het verstrekken van cijferlijsten door het CvTE. Dat college moet aan examenkandidaten die met goed gevolg het staatsexamen vwo, havo of vmbo hebben afgelegd, het desbetreffende diploma verstrekken. Heeft de kandidaat een of meer deelstaatsexamens afgelegd, dan ontvangt hij voor elk deelstaatsexamen een certificaat. Opgemerkt wordt nog dat cijferlijsten voor afgelegde examenonderdelen aan scholen en vavo-instellingen kunnen worden gecombineerd tot een pakket dat tot het staatsexamendiploma leidt.

Derde lid

Net als bij het reguliere examen worden er bij ministeriële regeling modellen vastgesteld voor de cijferlijsten, diploma’s en certificaten.

Vierde lid

Dit lid biedt een grondslag voor nadere uitvoeringsregels. Het uitreiken van diploma’s, certificaten en cijferlijsten is op dit moment geregeld in de artikelen 30 en 31 van het Staatsexamenbesluit VO. In dat besluit is ook een regeling opgenomen voor het verstrekken van vervangende opleidingsdocumenten (zie artikel 32). Hieronder dient tevens te worden verstaan de regeling van schriftelijke verklaringen in het geval een diploma, certificaat, cijferlijst of ontheffing in het ongerede is geraakt.

Artikel 2.81. Examenreglement; programma van toetsing en afsluiting

De inhoud van dit artikel is ontleend aan artikel 13 SB VO en aan artikel 12 SB VO BES.

Eerste lid

Het CvTE moet een examenreglement vaststellen. Dat kan voor een aantal examenjaren gelden. Het examenreglement omvat alle procedurele en organisatorische regelingen die het CvTE moet treffen voor de uitvoering van het college-examen en het centraal examen. Ook omvat het meer inhoudelijke bepalingen. Bij het examenreglement gaat het om regels van algemene aard, zoals over het toezicht tijdens het examen. Het eerste lid schrijft voor welke onderwerpen in elk geval in het examenreglement moeten worden opgenomen, waaronder de herkansingsmogelijkheden voor het college-examen. De plicht tot het vaststellen van het examenreglement over deze voor het examen uiterst belangrijke onderwerpen en de borging van de kenbaarheid ervan worden gezien als hoofdelementen van het staatsexamenstelsel.

Tweede lid

Bovendien moet het CvTE jaarlijks (dat is dus anders dan is geregeld voor het examenreglement) een programma voor toetsing en afsluiting vaststellen (ook wel: PTA). Het PTA heeft zowel betrekking op het college-examen als op het centraal examen. Het PTA bevat vooral de regels die per jaar verschillend kunnen zijn. Het CvTE geeft hierin onder meer de wijze aan waarop de toetsen worden afgenomen (mondeling, schriftelijk, praktisch of een combinatie daarvan). Ook over de afronding van de cijfers van het college-examen worden in het PTA regels gegeven, en over de wijze van herkansing (het examenreglement regelt de mogelijkheden tot herkansing).

Derde lid

Het examenreglement en het PTA dienen jaarlijks aan de inspectie te worden toegezonden. Verder dient elke eindexamenkandidaat een exemplaar van het examenreglement en het PTA te ontvangen.

Artikel 2.82. Onregelmatigheden; onvoorziene omstandigheden; maatregelen

De inhoud van dit artikel is ontleend aan de artikelen 6, eerste lid, 21 en 22 SB VO en aan de artikelen 5, eerste lid, 19 en 20 SB VO BES.

Eerste lid

Dit lid geeft het CvTE de bevoegdheid om maatregelen te nemen tegen de kandidaat als deze zich schuldig maakt of heeft gemaakt aan een «onregelmatigheid» bij het staatsexamen. Ook afwezigheid zonder geldige reden op het eindexamen kan een grond zijn voor maatregelen.

Tweede lid

Heeft het centraal examen volgens de inspectie niet op regelmatige wijze plaatsgevonden, dan kan de inspectie besluiten dat het examen of een deel ervan opnieuw moet worden afgenomen. Dat kan gelden voor een enkele kandidaat maar ook – afhankelijk van de onregelmatigheid – voor een groep van kandidaten. De inspectie moet dan het CvTE verzoeken om nieuwe examenopgaven vast te stellen. Het CvTE bepaalt vervolgens hoe en door wie dat examen zal worden afgenomen.

Derde lid

Er kunnen onvoorziene omstandigheden zijn waardoor het centraal examen niet volgens de regels kan worden afgenomen. Te denken valt onder meer aan brand. In dergelijke gevallen beslist het CvTE wat er moet gebeuren.

Vierde lid

Dit lid biedt een grondslag voor nadere uitvoeringsregels over de te nemen maatregelen bij onregelmatigheden. Op dit moment regelt het SB VO die maatregelen (artikel 6).

Artikel 2.83. Bezwaar bij College voor toetsen en examens

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 deels iets anders geregeld.

De functie van dit artikel is vergelijkbaar met die van artikel 2.63. Zie de toelichting bij dat artikel. Omdat het CvTE het staatsexamen afneemt en bestuursorgaan is, is de Awb van toepassing en is er dus ook de mogelijkheid van bezwaar en beroep. Daarom staat tegen een besluit waarbij een maatregel wordt genomen, bezwaar open bij het CvTE. Vervolgens kan beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter. Hier is dus geen administratief beroep aan de orde. Dit artikel regelt de termijn waarbinnen bezwaar kan worden gemaakt en binnen welke termijn(en) het CvTE moet beslissen. Bij amvb worden regels gesteld over de beslissing van het CvTE.

Artikel 2.84. Uitvoeringsregels over het staatsexamen

Bij of krachtens amvb worden diverse (nadere) regels gesteld over het staatsexamen. De wet somt in aanvulling op afzonderlijke opdrachten bij specifieke artikelen op, welke onderwerpen (nader) moeten worden geregeld.

Regels over het documenteren van het staatsexamen, waaronder in elk geval de regels over het examendossier (artikel 14 SB VO en artikel 13 SB VO BES) en de regels over gegevensverstrekking aan de Minister over de afgelegde staatsexamens en deelstaatsexamens, zijn op dit moment te vinden in artikel 34 SB VO en artikel 32 SB VO BES. Regels over het bewaren van het examenwerk zijn nu opgenomen in art. 35 SB VO en in artikel 33 SB VO BES.

Artikel 2.85. Hardheidsclausule

In dit artikel, dat is ontleend aan artikel 36 SB VO en aan artikel 34 SB VO BES, is de zogenaamde «hardheidsclausule» voor de staatsexamenvoorschriften opgenomen. De hardheidsclausule stelt het CvTE in staat om in uitzonderlijke gevallen af te wijken van de voorschriften, of ze buiten toepassing te laten. Daarvoor bestaat aanleiding als de onverkorte toepassing van de eindexamenvoorschriften in een individueel en onvoorzien geval tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt. De hardheidsclausule betreft een discretionaire bevoegdheid: het is aan het CvTE om te bepalen of een voorkomend geval een uitzondering op de voorschriften rechtvaardigt.

Het CvTE maakt terughoudend gebruik van deze bevoegdheid. Het uitgangspunt is dat de eindexamenvoorschriften worden toegepast. In de eerste plaats dienen de voorschriften de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. De voorschriften behartigen een zeker belang, waaraan de Minister een groot gewicht toekent. Dat geldt in het bijzonder voor de civiele waarde van het diploma. In de tweede plaats maakt de toepassing van de hardheidsclausule inbreuk op het primaat van de wetgever. In de wet is immers bepaald dat de eindexamenvoorschriften bij of krachtens amvb worden vastgesteld.

Het CvTE neemt een besluit om de hardheidsclausule al dan niet toe te passen op verzoek. Ter voorbereiding op zijn besluit beoordeelt het CvTE de situatie waarin de leerling verkeert en maakt hij een afweging met het belang van het relevante voorschrift. Wat betreft de situatie van de leerling, gaat het CvTE na of er sprake is van een:

  • 1) onbillijkheid van overwegende aard die het gevolg is of zal zijn van de toepassing van een eindexamenvoorschrift;

  • 2) individueel geval, dat wil zeggen dat de situatie waarin de leerling verkeert, zich voldoende onderscheidt van die van anderen die in soortgelijke omstandigheden verkeren;

  • 3) onvoorziene omstandigheid, dat wil zeggen dat niet op voorhand bekend was of behoorde te zijn dat de situatie zich zou voordoen.

Hoewel in het algemeen niet te zeggen is wanneer sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, is het niet voldoende dat een situatie uitsluitend ongewenst is. Naar het oordeel van de Minister moet zich een zekere mate van onrechtvaardigheid voordoen.

Ten slotte maakt het CvTE een belangenafweging, waarbij het college in het bijzonder beoordeelt of het verzoek evenredig en subsidiair is. Het belang van de eindexamenvoorschriften weegt zwaar, al verschillen de voorschriften onderling in aard en gewicht. Naarmate het belang van een voorschrift zwaarder weegt, zal het CvTE een verzoek eerder afwijzen. Omdat de hardheidsclausule een ultimum remedium betreft, zal het CvTE in zijn oordeel voorts meewegen of er een minder ingrijpende maatregel voor handen staat of heeft gestaan.

Paragraaf 8. Andere vormen van voortgezet onderwijs

Artikel 2.86. Instellingen voor voortgezet onderwijs

Dit artikel maakt het mogelijk om ander voortgezet onderwijs te verzorgen dan het onderwijs dat is geregeld in artikel 2.1, eerste lid. In Europees Nederland wordt van deze mogelijkheid op dit moment geen gebruik gemaakt, maar artikel 2.86 kan niet worden gemist als instrument. Voor Caribisch Nederland wordt wel gebruik gemaakt van artikel 2.1, tweede lid (op grond van artikel 117 WVO BES): de inrichting van het onderwijs en de examenstructuur zijn op basis van deze grondslag geregeld voor de Saba Comprehensive School en de Gwendoline van Puttenschool. In het kader van herziening van de regelgeving vanuit het perspectief van toedeling van regels aan het juiste niveau (wet, amvb, lagere regelgeving) zullen de regels over het Internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs, die nu zijn opgenomen in de Beleidsregel IGVO 2010, een basis krijgen in een amvb en eventuele uitvoeringsregels daarvan. Daarvoor zal dan artikel 2.86 worden gebruikt.

Als de in dit artikel bedoelde inrichtingen voor bekostiging in aanmerking moeten worden gebracht, zal dat gepaard gaan met het stellen van regels voor die instellingen over de inrichting van hun onderwijs, over examens, personeel en ook de wijze waarop ze worden bekostigd. Vaak zullen dat regels zijn die ook al voor de reguliere scholen zijn vastgesteld. Die regels zijn deels neergelegd in de WVO 20xx zelf, deels op amvb-niveau en deels ook bij ministeriële regeling (denk bijvoorbeeld aan de regels over de modellen van diploma’s op grond van artikel 2.80, derde lid). Daarnaast is een groot aantal bepalingen in de WVO 20xx niet van toepassing of slechts ten dele. In de lagere regelgeving kan meer recht worden gedaan aan de situatie per instelling of eiland. Daarom is geregeld dat voor instellingen voor voortgezet onderwijs een aantal paragrafen van de WVO 20xx niet van toepassing is, maar de hierin opgenomen bepalingen wel (geheel of gedeeltelijk) van toepassing kunnen worden verklaard bij of krachtens amvb. Daarnaast kunnen andere regels worden gesteld bij of krachtens amvb.

Paragraaf 9. Kwaliteitszorg en communicatie

Kwaliteit van het onderwijs

Het voortgezet onderwijs heeft een drieledige opdracht: kwalificatie, socialisatie en vorming van jongeren. De kwaliteit van het onderwijs op een school is primair af te meten aan de mate waarin scholen erin slagen aan deze opdracht te voldoen. De wettelijke opdracht wordt op elke school beleidsmatig vertaald in het eigen schoolplan, en uitgevoerd en in de praktijk gebracht door de leraren en het andere personeel van de school. De voornaamste aangrijpingspunten voor de wettelijke taak van het bevoegd gezag om zorg te dragen voor de kwaliteit van het onderwijs op de school (artikel 2.87) zijn dus het schoolplan en de uitvoering van het daarin beschreven beleid, en de kwaliteit van de leraren en het personeelsbeleid.

Schoolplan: uitwerking wettelijke én eigen opdracht

Met het schoolplan wordt in elk geval eens per vier jaar vastgesteld hoe de school invulling geeft aan de wettelijke opdracht aan het onderwijs én aan schooleigen beleidsvoornemens. Belangrijke elementen in het schoolplan zijn het door de school gehanteerde onderwijskundig beleid, personeelsbeleid en kwaliteitsbeleid. In het schoolplan beschrijft de school, op basis van haar eigen identiteit en visie op goed onderwijs, waartoe, wat, hoe, waar en wanneer op déze school door leerlingen geleerd wordt. Het eigenaarschap voor het in het schoolplan vastgelegde beleid, en dus ook de verantwoordelijkheid voor de uitvoering daarvan, ligt op schoolniveau: bij het schoolbestuur, de schoolleiding en het onderwijspersoneel. Ouders, leerlingen en het personeel van de school kunnen hierover via de medezeggenschapsraad meespreken.

Schoolgids: communicatie

Via de schoolgids wordt aan alle betrokkenen, in het bijzonder aan leerlingen en hun ouders, inzichtelijk gemaakt hoe het er op school aan toegaat en wat van de school en het daar geboden onderwijs verwacht mag worden. Ook kunnen leerlingen en ouders in de schoolgids lezen wat hun rechten en plichten zijn, en welke mogelijkheden er zijn als zij kritiek hebben op (of suggesties hebben voor) de kwaliteit van het onderwijs en het functioneren van de school. De wet noemt een aantal onderwerpen die in elk geval in de schoolgids aan de orde moeten komen, en gaat ervan uit dat het bevoegd het initiatief neemt om ouders en leerlingen hierover te informeren. Ouders en leerlingen hoeven er dus niet zelf naar op zoek te gaan. Het is van belang dat dat ouders op een heldere, transparante en toegankelijke wijze tijdig en compleet worden geïnformeerd.

Tekortschietende leerresultaten

Scholen moeten voldoen aan hun wettelijke opdracht. Als ze dat niet doen, waardoor onder meer de leerresultaten van leerlingen ernstig of langdurig tekortschieten, kan de inspectie een interventie plegen. Om te kunnen bepalen in hoeverre een school aan haar wettelijke opdracht voldoet, wordt in artikel 2.94 de wettelijke basis gegeven voor de wijze waarop leerresultaten worden gemeten. Als het oordeel van de inspectie is dat een school (zeer) zwak is, moet het bevoegd gezag de ouders daarover informeren.

Afspraak is afspraak

In het schoolplan legt de school periodiek vast hoe uitvoering gegeven wordt aan de wettelijke en schooleigen opdracht. Via de schoolgids wordt dit actief gecommuniceerd naar leerlingen en ouders. Leerlingen en ouders moeten ervan uit kunnen gaan dat de in schoolplan en schoolgids vaststelde beleidsvoornemens ook daadwerkelijk in de praktijk worden gebracht. Zij bepalen hun keuze voor de school immers mede op basis van deze informatie. Wanneer een school in gebreke blijft bij de uitvoering van het afgesproken beleid, kan het bevoegd gezag daarop aangesproken worden. Dit geldt ook andersom. Ouders en leerlingen kiezen voor een bepaalde school op basis van transparante en volledige informatie. Daarmee committeren zij zich ook aan de identiteit van de school, haar visie op goed onderwijs, het afgesproken schoolbeleid en de wederzijdse rechten en plichten of verantwoordelijkheden van zowel de school als van de leerling en diens ouders. Als de school het schoolplan wijzigt, moet dit dan ook onmiddellijk bekend worden gemaakt, in elk geval aan de medezeggenschapsraad.

Artikel 2.87. Kwaliteit onderwijs

Het bevoegd gezag is primair verantwoordelijk voor de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Het artikel volstaat met het uitgangspunt dat het bevoegd gezag de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften dient na te leven en het stelsel van kwaliteitszorg dient uit te voeren. Met de woorden «in elk geval» in de definitie van het zorgdragen voor de kwaliteit van het onderwijs, wordt benadrukt dat kwaliteit breder is dan de wettelijke voorschriften. In het spraakgebruik biedt kwaliteit een integraal perspectief. Het zinsdeel «in elk geval» leidt echter niet tot een uitbreiding van het bereik van het toezicht. Van wezenlijk belang blijft dat de inspectie geen oordeel kan geven over dit integrale kwaliteitsbegrip, aangezien daarvan naast wettelijke regels ook allerlei voorkeuren, visies en levensovertuigingen deel uitmaken. De inspectie kan in het stimulerende rapport wel aandacht besteden aan de mate waarin de in het schoolplan geformuleerde ambities worden uitgevoerd. Op die wijze kan zij een bijdrage leveren aan de horizontale verantwoording en het functioneren van de medezeggenschap.

Artikel 2.88. Schoolplan: typering

Eerste en tweede lid

Het schoolplan is een document waarin het bevoegd gezag van een school eens per vier jaar het beleid van de school beschrijft. Het vormt een belangrijk aangrijpingspunt als het gaat om de doordenking van de kwaliteit van het onderwijs. Het is belangrijk dat voor elke school een schoolplan wordt vastgesteld dat past bij de visie van de school en de zorg voor het onderwijs in de school. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat elke school een passend schoolplan heeft. Geregeld is wat in elk geval in een schoolplan moet worden beschreven: het gaat om zaken die de overheid minimaal noodzakelijk vindt om scholen ertoe te zetten op systematische wijze zorg aan kwaliteit te besteden.

Het toezicht richt zich enkel op de voorschriften waaraan het bevoegd in relatie tot de overheid dient te voldoen. Op grond van dit uitgangspunt kan de uitvoering van het schoolplan niet ten aanzien van alle onderdelen onder het toezicht vallen. In het onderwijskundig beleid en het personeelsbeleid staan eigen opdrachten, visies en voorkeuren van de school immers centraal. Van het bevoegd gezag mag bijvoorbeeld wel verwacht worden dat zij een dekkend aanbod heeft voor de kerndoelen en dat zij dit aanbod beschrijft in de schoolgids, maar de methode en invulling die zij kiest, is niet ter beoordeling van de overheid. Deze onderdelen zijn daarom uitgezonderd van het toezicht. De inspectie kan aan de horizontale verantwoording overigens wel een bijdrage leveren, met name door haar bevindingen in het inspectierapport op grond van haar stimulerende taak.

Derde lid

Het schoolplan moet vermelden wat het beleid van de school is ten aanzien van bijdragen die de school (anders dan als ouderbijdragen en dergelijke) ontvangt, en waartegenover bepaalde verplichtingen staan van de school tegenover de leerlingen. Bij zulke bijdragen kan het bijvoorbeeld gaan om legaten en sponsorgelden.

Vierde lid

Het vierde lid waarborgt dat de identiteitscommissie die is verbonden aan een samenwerkingsschool concreet invulling geeft aan het openbare karakter onderscheidenlijk de identiteit van een samenwerkingsschool.

Vijfde lid

Leerlingen en ouders moeten ervan uit kunnen gaan dat de in schoolplan vaststelde beleidsvoornemens daadwerkelijk in praktijk worden gebracht. Wanneer een school in gebreke blijft bij de uitvoering van het afgesproken beleid, kan het bevoegd gezag daarop aangesproken worden. Als de school het schoolplan wijzigt, moet dit dan ook onmiddellijk bekend worden gemaakt, in elk geval aan de medezeggenschapsraad.

Artikel 2.89. Schoolplan: onderwijskundig beleid

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 deels iets anders geregeld.

Eerste en tweede lid

In het onderwijskundig beleid werkt het bevoegd gezag de wettelijke opdrachten voor het onderwijs uit en de door het bevoegd gezag in het schoolplan opgenomen aanvullende opdrachten voor het onderwijs. Uit dit programma blijkt welke keuzes ten aanzien van de leerstof, de werkwijzen, methoden en ontwikkelingsmaterialen zijn gemaakt. Door het vermelden van de gehanteerde methoden en ontwikkelingsmaterialen wordt duidelijk gemaakt of het onderwijsprogramma in overeenstemming is met wat de kerndoelen en de eindtermen vragen. Waar geen methoden en ontwikkelingsmaterialen in gebruik zijn, zal op andere wijze moeten worden aangegeven dat het onderwijsprogramma in overeenstemming is met de kerndoelen en de eindtermen.

Uit de beschrijving van het onderwijskundig beleid blijkt ook hoe de school tegemoet komt aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Hierbij wordt gedacht aan voorzieningen voor leerlingen in achterstandssituaties, Nederlands als tweede taal en de opvang van leerlingen met leerproblemen, of lichamelijke of zintuiglijke handicaps, maar ook aan hoogbegaafde leerlingen. Bij de beschrijving van het onderwijskundig beleid dient dan ook het schoolondersteuningsprofiel te worden betrokken.

Artikel 2.90. Schoolplan: personeelsbeleid

Het schoolplan bevat een beschrijving van het personeelsbeleid. Om in staat te zijn permanent te werken aan kwaliteitsverbetering is het vakmanschap van leraren cruciaal. Bij de beschrijving van het personeelsbeleid geeft het bevoegd gezag in elk geval aan hoe aan de eisen voor bevoegdheid en voor onderhoud van bekwaamheid wordt voldaan. Ook wordt beschreven hoe de ontwikkeling van het onderwijs wordt ondersteund door initiatieven op het gebied van na- en bijscholing van het personeel. Het onderwijskundig beleid omvat verder ook het pedagogisch-didactisch handelen. Het document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding moet daarnaast bij het schoolplan zijn gevoegd. Tot slot is verankerd dat het schoolplan moet aangeven hoe rekening wordt gehouden met de inbreng van leerlingen bij het personeelsbeleid.

Artikel 2.91. Schoolplan: stelsel van kwaliteitszorg

Het schoolplan bevat een beschrijving van het stelsel van kwaliteitszorg. De kern van het kwaliteitsbeleid is het bewaken dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen en dat het onderwijs wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen. Ook wordt beschreven hoe het bevoegd gezag vaststelt welke maatregelen nodig zijn om tot verbetering van kwaliteit te komen. Die maatregelen kunnen een bijstelling van het schoolbeleid betekenen die wordt opgenomen in het volgende schoolplan of een wijziging daarvan.

Artikel 2.92. Schoolgids

Via de schoolgids wordt aan alle betrokkenen, in het bijzonder aan leerlingen en hun ouders, inzichtelijk gemaakt hoe het er op school aan toegaat en wat van de school en het daar geboden onderwijs verwacht mag worden. Ook kunnen leerlingen en ouders in de schoolgids lezen wat hun rechten en plichten zijn, en welke mogelijkheden er zijn als zij kritiek hebben op (of suggesties hebben voor) de kwaliteit van het onderwijs en het functioneren van de school. De wet noemt een aantal onderwerpen die in elk geval in de schoolgids aan de orde moeten komen, en gaat ervan uit dat het bevoegd gezag het initiatief neemt om ouders en leerlingen hierover te informeren. Ouders en leerlingen hoeven dus niet zelf op zoek te gaan.

Het is de bedoeling dat ouders via de schoolgids op een heldere, transparante en toegankelijke wijze tijdig en compleet worden geïnformeerd. In het tweede lid worden de onderwerpen opgesomd die in elk geval aan de orde moeten komen in de schoolgids. Ook worden regels gegeven aan de hand waarvan leerresultaten beoordeeld moeten worden.

Eerste lid

De schoolgids draagt bij aan vergroting van de kwaliteit van het onderwijs. De schoolgids is het document waarmee de school verantwoording aflegt aan haar primaire belanghebbenden: ouders en leerlingen. Naarmate de overheid minder gedetailleerd stuurt op het kwaliteitsbeleid van de school, is het van belang dat de primair belanghebbenden beter in stelling worden gebracht om het kwaliteitsbeleid van de school vanuit andere perspectieven van impulsen te voorzien. De schoolgids levert materiaal voor de dialoog die ouders en leerlingen met de school voeren over de kwaliteit van het onderwijs binnen de school. Overigens levert ook de rijksoverheid een bijdrage aan het zo goed mogelijk in stelling brengen van ouders en leerlingen: zij brengt de (landelijke) onderwijsgids uit. Dat document heeft een aantal verplichte onderdelen: informatie over de doelen van de school en de resultaten die met het onderwijsleerproces worden bereikt, de voorzieningen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, de manier waarop de verplichte onderwijstijd wordt benut, de rechten en plichten van de ouders, leerlingen en het bevoegd gezag, de informatie over de vrijwillige bijdrage van de ouders, enzovoorts. De school kiest zelf wat er verder nog wordt opgenomen.

Tweede lid

In dit tweede lid worden de onderwerpen opgesomd die in elk geval aan de orde moeten komen in de schoolgids.

Onderdeel a: resultaatgegevens

Artikel 2.95, tweede lid, bevat een opsomming van informatie die in ieder geval moet worden opgenomen in de schoolgids. Deze opsomming is niet limitatief; iedere school kan eigen accenten leggen. Bij resultaten kan het gaan om de mate waarin de school erin slaagt invulling te geven aan het concept «onderwijs op maat», de uitslagen van toetsen van de vorderingen op school of de resultaten van een andere aanpak van het reken- en taalonderwijs. Maar wat bij de resultaten nog belangrijker is, is de toegevoegde waarde voor de leerling; het antwoord op de vraag welke vooruitgang de leerling in zijn of haar ontwikkeling heeft geboekt. Welke accenten een school legt, zal onder meer afhangen van de eigen pedagogische oriëntatie en de wensen die de ouders in de dialoog over de kwaliteit naar voren brengen. In onderdeel a zijn twee onderdelen van het jaarverslag in aangepaste vorm opgenomen, te weten de gegevens over de doorstroom van leerlingen en de gegevens over examens. Deze gegevens zijn onmisbaar om ouders in kwantitatief opzicht een beeld te geven van de kwaliteit van het onderwijs. De school kan deze gegevens door een toelichting in een relevant perspectief plaatsen, bijvoorbeeld door achtergrondinformatie te geven.

Onderdeel b: ondersteuning van leerlingen

In het ondersteuningsprofiel geeft de school een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven. Hierbij gaat het zowel om de ondersteuning die de school zelf kan bieden als om de gespecialiseerde ondersteuning die zij met hulp van het samenwerkingsverband (artikel 2.47) kan verzorgen.

Onderdeel c: benutting beschikbare onderwijstijd

Scholen moeten ouders en leerlingen inzicht geven in de beschikbare onderwijstijd en de maatregelen voor een zo volledig mogelijke benutting van deze tijd, zodat duidelijk is wat van de school verwacht mag worden. De beschikbare onderwijstijd en het zo volledig mogelijk benutten van deze tijd zijn belangrijk voor de kwaliteit van het onderwijs. Het goed benutten van onderwijstijd is afhankelijk van een aantal factoren: de maatregelen die de school neemt om lesuitval te voorkomen of verzuim van leerlingen tegen te gaan (bijvoorbeeld een goede verzuimregistratie en het direct contact opnemen met ouders en leerlingen bij het vermoeden van onrechtmatig verzuim); een manier van organiseren van lessen die erop is gericht verlies van tijd (bijvoorbeeld door het wisselen van lessen) te voorkomen en de zelfstandigheid van leerlingen te vergroten; nascholingsinitiatieven gericht op een adequaat didactisch handelen; de manier waarop de onderwijsassistent wordt ingezet.

Bij de verplichting om aan te geven hoe de verplichte onderwijstijd wordt ingevuld, is aangegeven dat het daarbij zowel om de kwantitatieve als om de kwalitatieve invulling van het onderwijsprogramma moet gaan, waarbij:

  • a. «kwantitatief» betekent dat inzicht moet worden gegeven in de totale beschikbare onderwijstijd en in de maatregelen die het bevoegd gezag neemt om te komen tot een zo volledig mogelijke benutting van de onderwijstijd (daarom is geëxpliciteerd dat het bevoegd gezag ook moet aangeven hoe zal worden omgegaan met lesuitval en wat men doet om daar een goed alternatief voor te bieden); en

  • b. «kwalitatief» betekent dat duidelijk moet worden dat het onderwijs kwalitatief aan de maat is en dat sprake is overeenstemming over het soort onderwijsactiviteiten dat wordt ingepland en verzorgd als onderwijstijd.

Onderdeel d: inrichting onderwijsprogramma’s eerste twee leerjaren

In dit onderdeel is ook geregeld dat het bevoegd gezag in de schoolgids moet aangeven wanneer er geen onderwijs wordt verzorgd. Ook bevat de schoolgids de verantwoording vooraf aan ouders over de inrichting van het onderwijsprogramma in de eerste twee leerjaren (is er sprake van onderwijs in vakken of in vakoverstijgende programmaonderdelen zoals vakkencombinaties, leergebieden of projecten?) en de inzet van leraren daarbij (hoeveel leraren staan er voor de klas?). Willen ouders nog meer weten, dan kunnen zij aan de school vragen of ze het schoolplan mogen inzien.

Van het bevoegd gezag wordt verwacht dat zij een dekkend aanbod heeft voor de kerndoelen en dit aanbod beschrijft in de schoolgids. De methode en invulling die het bevoegd gezag kiest, is niet ter beoordeling van de overheid.

Onderdeel e: de maatschappelijke stage

In de WVO 20xx is geregeld dat de scholen een maatschappelijke stage als programmaonderdeel kunnen aanbieden. De invulling van de maatschappelijke stage, als de leerlingen deze moeten volgen, moet zichtbaar worden gemaakt in de schoolgids.

De schoolgids bevat de wijze waarop de school de maatschappelijke stage invult, bijvoorbeeld als één van de instrumenten waarmee ze invulling kunnen geven aan hun wettelijke burgerschapsopdracht. Als leerlingen een maatschappelijke stage volgen die aan bepaalde voorwaarden voldoet, wordt de gevolgde stage vermeld op de cijferlijst bij hun diploma.

Onderdeel f: de ouderbijdrage

De schoolgids geeft aan of er een ouderbijdrage wordt verlangd en waaraan deze bijdrage wordt besteed. Een ouderbijdrage is nooit verplicht. De schoolgids vermeldt dat de ouderbijdrage vrijwillig is en geeft aan hoe de school handelt indien ouders de bijdrage niet willen of kunnen betalen.

Onderdeel g: relatie tot leerlingenstatuut

In de schoolgids moet ook informatie worden opgenomen over rechten en plichten van ouders, leerlingen en het bevoegd gezag. Dit geldt ook voor de rechten en plichten die voortvloeien uit het examenreglement en het programma van toetsing en afsluiting. In de wet is al geregeld dat in scholen een leerlingenstatuut aanwezig moet zijn. Hierin worden de rechten en plichten van leerlingen opgesomd. In de schoolgids kan voor de rechten en plichten van de leerlingen worden volstaan met het verwijzen naar de inhoud van het leerlingenstatuut. Zo kunnen ook de ouders daarvan eenvoudig kennisnemen.

Onderdeel h: sponsoring

De schoolgids moet aangeven hoe de school omgaat met bijdragen die de school (anders dan bijvoorbeeld ouderbijdragen) ontvangt en waartegenover bepaalde verplichtingen staan. De inhoud van het sponsorbeleid mag het bevoegd gezag in beginsel zelf bepalen. Die vrijheid is wel beperkt door het instemmingsrecht van ouders en leerlingen in de medezeggenschapsraad.

Onderdeel i: veiligheidsbeleid

Scholen moeten in de schoolgids een paragraaf opnemen over het veiligheidsbeleid. Het gaat daarbij om beleid op het gebied van veiligheid dat met de betrokkenen (leraren, leerlingen, medezeggenschap) binnen de school wordt vormgegeven. Het betreft een samenhangende set van maatregelen zowel gericht op preventie als op het afhandelen van incidenten, ingebed in het pedagogisch beleid van de school. Doel daarvan is dat iedereen die betrokken is bij de school weet welk beleid die school heeft om onacceptabel gedrag te voorkomen en te bestrijden. De precieze vorm daarvoor bepaalt de school zelf, maar is er altijd op gericht een veilige leeromgeving te bieden waarin niemand bang hoeft te zijn voor fysieke en mentale agressie, pesten, bedreiging, (seksuele) intimidatie of andere vormen van onacceptabel gedrag.

Onderdeel j: leerlingenparticipatiebeleid

Dit onderdeel gaat over het leerlingenparticipatiebeleid. De schoolgids moet aangeven hoe leerlingen worden betrokken bij de beleidsvorming van de school en hoe die betrokkenheid mogelijk wordt gemaakt (facilitering, stimulering).

Onderdeel k: verzuimbeleid

Voor de kwaliteit van het onderwijs is van belang dat de beschikbare onderwijstijd zo volledig mogelijk wordt benut. Een factor die daar aan bijdraagt is een effectief verzuimbeleid. De wijze waarop het bevoegd gezag het verzuimbeleid inricht, is een verplicht onderdeel van de schoolgids. Voorbeelden van verzuimbeleid zijn een goede verzuimregistratie, en direct contact met ouders en leerlingen bij het vermoeden van onrechtmatig verzuim.

Onderdeel l: invulling openbaar karakter of identiteit in geval van een samenwerkingsschool

In artikel 3.23 is geregeld dat aan een samenwerkingsschool een identiteitscommissie verbonden is. Op grond van artikel 2.93, tweede lid, onderdeel l, moet in de schoolgids worden aangegeven hoe de identiteitscommissie het openbare karakter en de identiteit van de samenwerkingsschool invulling geeft.

Onderdeel m: aansluiting bij samenwerkingsverband(en)

De schoolgids moet vermelden bij welk samenwerkingsverband of welke samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs de school is aangesloten.

Onderdeel n: coördinator veiligheid

Elke school moet een duidelijk aanspreekpunt hebben voor alle zaken die gaan over de veiligheid binnen de school. In de schoolgids moet staan wie dit aanspreekpunt is.

Onderdeel o: stelsel van kwaliteitszorg

Horizontale verantwoording over de kwaliteit van het onderwijs is erg belangrijk voor alle belanghebbenden. Daarom is het van belang om in de schoolgids informatie op te nemen over het functioneren van het stelsel van kwaliteitszorg. Het gaat daarbij niet om een beschrijving van het stelsel op zich, want die is al te vinden in het schoolplan. De schoolgids moet informatie bevatten over de bevindingen die het bevoegd gezag op basis van het stelsel van kwaliteitszorg heeft opgedaan en de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn of worden getroffen.

Derde lid

Bij amvb kunnen regels worden opgesteld over de manier waarop de scholen hun gegevens publiceren in de schoolgids.

Vierde lid

De school moet de schoolgids beschikbaar stellen (dat kan ook digitaal) bij de inschrijving van een leerling en vervolgens jaarlijks na de vaststelling van de schoolgids.

Vijfde lid

Ten behoeve van het toezicht zendt het bevoegd gezag meteen na vaststelling de schoolgids aan de inspectie. Op dat moment wordt ook de medezeggenschapsraad geïnformeerd.

Artikel 2.93. Aanduiding onderwijsaanbod in maatschappelijk verkeer

Een school moet in haar externe communicatie helder zijn over het soort onderwijs dat zij verzorgt. Hiervoor worden in dit artikel regels gesteld.

Eerste en tweede lid

Elke school moet in haar naam laten zien tot welke schoolsoort zij behoort. De schoolsoort is van belang voor de vraag welke onderwijsregels (waaronder bekostigingsregels) van toepassing zijn. Bij verschil van mening tussen het bevoegd gezag en de Minister over de toepasselijke schoolsoort geeft de mening van de Minister de doorslag.

Derde lid

Om aan te geven dat een school of scholengemeenschap onderwijs in een of meer van de leerwegen aanbiedt, kan voor de school de aanduiding «vmbo» worden gebruikt.

Vierde lid

Scholen moeten helder zijn in de communicatie over hun schoolsoorten. Dit lid moet tegengaan dat scholen die op grond van de WVO 20xx gerechtigd zijn tot het verzorgen van bepaald onderwijs (en die dus gericht zijn op een bepaald diploma) onderwijs ook voor andere doeleinden aanbieden. Zulke activiteiten kunnen wel onder bepaalde voorwaarden als contractactiviteiten toelaatbaar zijn, maar ze mogen niet ten laste van 's Rijks kas komen. Het is verder van belang dat in het maatschappelijk verkeer ook duidelijk de godsdienstige of levensbeschouwelijke richting van de school wordt aangeven. Dat schrijft onderdeel b voor.

Artikel 2.94. Zeer zwak onderwijs en beoordeling leerresultaten

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

Eerste lid

Dit artikel geeft een definitie van het begrip «zeer zwak onderwijs». Er is sprake van een directe relatie tussen de algemene zorgplicht voor kwaliteit en het ernstig en langdurig tekortschieten van de leerresultaten. Om te kunnen spreken van zeer zwak onderwijs moeten de leerresultaten tekortschieten en moet in verband daarmee de naleving van ten minste één wettelijk voorschrift tekortschieten. Tekortkomingen in de naleving van wettelijke regels die geen verband houden met het tekortschieten van de leerresultaten blijven overigens wel een eigen grond voor sancties.

In het praktijkonderwijs ontbreken een normering en daarbij passende meetinstrumenten voor de leerresultaten. Dit maakt een geobjectiveerde onderbouwing van leerresultaten voor deze schoolsoort op dit moment niet mogelijk. Daarom is voor het praktijkonderwijs geen invulling gegeven aan een bekostigingsvoorwaarde voor minimum leerresultaten.

Tweede lid

Eindtermen op de verschillende niveaus, examenvoorschriften, centrale examinering, tweede correctie en inspectietoezicht zorgen samen voor een betrouwbaar beeld van de leerresultaten. De examenresultaten dienen als indicator voor het kwaliteitsaspect «leerresultaten» binnen het waarderingskader van de inspectie, in combinatie met het doorstroomrendement. Bij het beoordelen van dat rendement worden betrokken het schooladvies bij binnenkomst in het voortgezet onderwijs, de op- en afstroom tussen de verschillende schoolsoorten, de voortijdige uitval en de tussentijds opgelopen vertraging. Het tweede lid regelt dat de resultaatmeting en -beoordeling uitsluitend betrekking kunnen hebben op examenresultaten of doorstroomrendement. Voor een zorgvuldige beoordeling van de leerresultaten is vereist dat de leerresultaten gedurende drie jaar tekortschieten. Het tekortschieten moet dus niet alleen ernstig zijn, maar ook langdurig.

Derde lid

Op nieuwe of zeer kleine scholen kunnen de leerresultaten niet worden beoordeeld. Daarom is in dit lid een definitie van «zeer zwak onderwijs» opgenomen die is toegesneden op deze bijzondere situaties. Indien de leerresultaten niet kunnen worden aangetoond, kunnen deze scholen «zeer zwak» worden als het bevoegd gezag tekortschiet in de naleving van twee of meer wettelijke regels. Aanvullend vereiste is wel dat de school daardoor tekortschiet in de veiligheid van leerlingen dan wel het afstemmen van het onderwijs op de ontwikkeling van leerlingen of het mogelijk maken van een ononderbroken ontwikkeling. Anders zou het tekortschieten in de naleving van regels die niet direct verband houden met de kern van het onderwijs(leerproces) tot het oordeel «zeer zwak onderwijs» leiden.

Bij deze scholen is het op grond van het oordeel «zeer zwak onderwijs» niet mogelijk de bekostiging te beëindigen of de school te sluiten. Deze sanctie (zie artikel 2.95) is immers specifiek bedoeld voor de situatie waarin ten minste sprake is van tekortschietende leerresultaten. Wel is het in deze situaties mogelijk om de bekostiging op te schorten of in te houden (artikel 10.1). Het bevoegd gezag schiet immers tekort in de naleving van wettelijke regels. Indien een school waar de leerresultaten niet te beoordelen zijn zeer zwak wordt en verbetering binnen een redelijke termijn uitblijft, zal, gelet op de ernst van de situatie, streng worden gehandhaafd door middel van het opschorten dan wel inhouden van de bekostiging. De bekostiging kan in daartoe strekkende gevallen desnoods geheel worden ingehouden.

Vierde lid

De manier waarop de elementen die bepalend zijn voor de leerresultaten worden gemeten en het niveau dat moet zijn bereikt, worden geregeld bij of krachtens amvb. Zie daarvoor op dit moment de artikelen 37a en 37b van het Inrichtingsbesluit WVO. Die artikelen kennen subdelegatie. Op basis daarvan is de Regeling leerresultaten VO 2016 vastgesteld.

Artikel 2.95. Opheffing school of beëindiging bekostiging bij zeer zwak onderwijs

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

Eerste lid

Artikel 2.95regelt de mogelijkheid tot het beëindigen van de bekostiging of opheffing van een school. Het gaat hier om situaties waarin sprake is van «zeer zwak onderwijs» volgens de criteria van artikel 2.97. Het is in zo’n (uitzonderlijke) situatie in het belang van de leerlingen om deze vergaande stap te kunnen zetten. De leerlingen hebben recht op goed onderwijs. Als dat niet kan worden geboden op de school waarbij zij zijn ingeschreven, moet het onmogelijk worden gemaakt dat zij dat onderwijs blijven volgen. Daarom heeft de Minister de mogelijkheid een schoolsoort of leerweg op een school op te heffen of de bekostiging te beëindigen.

De beëindiging van de bekostiging heeft onvermijdelijk ingrijpende effecten voor leerlingen, ouders en personeel. De inspanning is er in de eerste plaats op gericht dat de negatieve effecten voor de leerlingen zo beperkt mogelijk blijven. De ingangsdatum van de beëindiging van de bekostiging dient op een zodanig tijdstip te worden vastgesteld dat het bevoegd gezag een redelijke termijn heeft om ervoor te zorgen dat andere scholen in de omgeving de bereidheid hebben om de leerlingen toe te laten, zodat de continuïteit van het onderwijs aan de leerlingen zo min mogelijk schade ondervindt. Het is aan de ouders zelf om te bepalen bij welke andere school zij hun kinderen aanmelden. Afhankelijk van de specifieke situatie kan het bevoegd gezag van de op te heffen school of het bevoegd gezag van de school die de kinderen van de opgeheven school overneemt hierin door derden, bijvoorbeeld het Ministerie van OCW of de gemeente, worden bijgestaan. Naast de genoemde zorg voor een alternatieve onderwijsvoorziening voor de leerlingen van de te sluiten school, spreekt het voor zich dat het betreffende bevoegd gezag vanuit het oogpunt van goed werkgeverschap zorgvuldig dient om te gaan met de belangen van het personeel dat aan de school is verbonden.

Tweede lid

In het uitzonderlijke geval dat door het opheffen van een schoolsoort of leerweg de school nog uitsluitend zou bestaan uit de eerste twee leerjaren, betreft de beëindiging van de bekostiging de hele school.

Derde lid

Het inspectieoordeel dat het onderwijs van een school «zeer zwak» is, leidt niet direct tot beëindiging van de bekostiging. Na het oordeel van de inspectie stelt de school zelf een plan van aanpak op dat de inspectie beoordeelt op wettelijke tekortkomingen. Er worden concrete prestatieafspraken met de school gemaakt. Als de school er niet in slaagt om binnen een jaar voldoende verbeteringen te realiseren stelt de inspectie dat vast in een rapport en wordt de school op grond van artikel 14 WOT bij de Minister gemeld. De melding gaat gepaard met een advies van de inspectie aan de Minister over de te nemen maatregelen. De melding op basis van artikel 14 WOT is een procedureel vereiste voor de Minister om te kunnen vaststellen dat de school de bekostigingsvoorwaarde voor minimumkwaliteit niet naleeft. De Minister kan dan in overleg met het bevoegd gezag verbeterafspraken maken, maar zo nodig ook eenzijdig maatregelen opleggen. De procedure hierbij biedt de scholen en besturen een waarborg dat de overheid niet lichtvaardig tot het oordeel komt dat de bekostigingsvoorwaarde niet wordt nageleefd.

Artikel 2.96. Informeren ouders bij zeer zwak onderwijs

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

Eerste lid

Dit artikel verplicht bevoegde gezagsorganen van «zeer zwakke» scholen ertoe de ouders te informeren over de typering «zeer zwak». Dat betekent dat het bevoegd gezag de publieksvriendelijke samenvatting van het oordeel van de inspectie over de school aan de ouders moet toezenden. Het bevoegd gezag moet de ouders binnen vier weken na vaststelling van het inspectierapport informeren.

Tweede lid

Als het bevoegd gezag de informatieverplichting in het eerste lid niet of niet tijdig nakomt, zendt de inspectie de informatie aan de ouders van de leerlingen. Dat gebeurt in de vijfde week na vaststelling van het inspectierapport. Deze procedure leidt ertoe dat de ouders de informatie hebben voordat de school op de lijst van zeer zwakke scholen van de inspectie wordt gepubliceerd.

Derde lid

Oordeelt de inspectie volgens de daarvoor voorgeschreven procedure dat sprake is van als «zeer zwak» te kwalificeren onderwijs, dan moet het bevoegd gezag de ouders van de leerlingen en de meerderjarige leerlingen betrekken bij de voorgenomen verbetermaatregelen. Hoe dat precies moet, is niet voorgeschreven. De school is daarin dus vrij.

Artikel 2.97. Rapportage vorderingen van leerlingen

Het artikel verplicht het bevoegd gezag van de school ertoe om ouders dan wel leerlingen op de hoogte te stellen van de vorderingen van de leerling.

Artikel 2.98. Leerlingenstatuut

Eerste en tweede lid

In het leerlingenstatuut, dat eens per twee jaar moet worden vastgesteld, staan de rechten en plichten van de leerlingen. De tweejaarstermijn waarborgt dat alle leerlingen betrokken kunnen zijn bij de vaststelling van het statuut. Bij een (aanzienlijk) langere termijn zou dat niet het geval zijn geweest.

Derde lid

Het handhaven van de goede gang van zaken binnen de school is in elk geval onderdeel van het leerlingenstatuut. Het voorschrift over de bescherming van gegevens uit de persoonlijke levenssfeer geeft een mogelijkheid om een zinvolle invulling te geven aan het recht op privacy, dat ook voor leerlingen geldt, en dwingt het bevoegd gezag ertoe om zich daarvan rekenschap te geven. Het gaat hierbij om de manier waarop de regels van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming worden uitgevoerd, niet om aanvullende verplichtingen. De rechten en plichten van het leerlingen statuut moeten zijn opgenomen in schoolgids. Daardoor kunnen ook de ouders er eenvoudig kennis van nemen. De klachtenregeling van de school kan ook betrekking hebben op het leerlingenstatuut, zoals klachten over de onjuiste toepassing ervan.

Vierde lid

Doel van de terinzagelegging van het leerlingenstatuut is een goede kenbaarheid ervan.

Paragraaf 10. Onderwijskundige verbanden en samenwerking

Artikel 2.99. Samenwerking tussen scholen onderling en met instellingen voor educatie en beroepsonderwijs voor doelmatig en doeltreffend onderwijs

Eerste lid

Het eerste lid van dit artikel bevat de kern: het bevoegd gezag kan een leerling van de school ook onderwijs laten volgen aan een andere school of aan een roc of aoc. Daarbij worden twee gevallen onderscheiden:

a. de uitbesteding van onderwijs aan een andere school of aan een mbo-instelling (onderdeel a);

en

b. de uitbesteding naar vavo (onderdeel b).

Het bevoegd gezag mag deze afwijking van de wettelijke systematiek alleen gebruiken om daarmee één of meer van de specifieke doelen te bereiken die het tweede lid noemt.

Tweede lid

Dit artikel maakt het mogelijk om de leerlingen in staat te stellen hun vo-opleiding af te maken in de minder schoolse omgeving van roc's en aoc’s. De leerlingen blijven vo-leerling en het bevoegd gezag van de school voor voortgezet onderwijs is, in samenwerking met het bevoegd gezag van de mbo-instelling, verantwoordelijk voor het gehele traject van de leerling binnen het voortgezet onderwijs.

Ook kan een vo-leerling tussentijds helemaal overstappen naar het vavo aan een roc, om in die andere omgeving zijn vo-diploma te behalen, en dus niet meer aan de school voor voortgezet onderwijs zelf. Vo-leerlingen krijgen naast het gewone onderwijsaanbod extra kansen voor het succesvol afronden van vervolgonderwijs, bijvoorbeeld door alvast bepaalde vakken van een andere school of andere onderwijssoort te mogen volgen.

Scholen en instellingen kunnen doelmatiger met onderwijsvoorzieningen omgaan, bijvoorbeeld door gezamenlijke klassen of vakkencombinaties in te richten, zoals bezemklassen. Ook kunnen bijvoorbeeld zogenoemde schakelklassen gemeenschappelijk worden aangeboden aan één school, voor een groep van scholen.

Artikel 2.100. Samenwerkingsovereenkomst

De samenwerking, bedoeld in artikel 2.99, moet in een samenwerkingsovereenkomst worden uitgewerkt. De onderwerpen die de overeenkomst in elk geval moet bevatten, worden bij amvb geregeld. De samenwerkingsovereenkomst moet handen en voeten geven aan artikel 2.99. Het hoofddoel waar de overeenkomst zich op heeft te richten, ligt vast in de wet: leerlingen in de gelegenheid stellen om in het kader van het onderwijs waarvoor zij aan de school zijn ingeschreven, ook ander onderwijs te ontvangen. De inhoud van de overeenkomst hoeft daarom niet nader te worden geregeld.

Artikel 2.101. Nadere regels samenwerkingsovereenkomst

Ten aanzien van de uitbesteding naar het vavo worden in dit artikel de opleidingsdoelen verrijking en verdieping van het onderwijs en het doelmatiger benutten van onderwijsvoorziening nader vormgegeven. Dit artikel biedt meerdere mogelijkheden. Het bakent niet heel precies de doelgroepen af waarvoor deze mogelijkheden gelden.

Eerste lid

Dit lid schrijft voor dat nadere regels worden vastgesteld voor toepassing van artikel 2.99, eerste lid. Dit zijn bijvoorbeeld regels over de doelgroepen voor de uitbesteding naar vavo.

Risicoleerlingen worden gedefinieerd als leerlingen die zonder gerichte ondersteuning een vergrote kans lopen om het onderwijs te verlaten zonder ten minste een startkwalificatie. Zij zijn een zeer diverse groep die door heel verschillende combinaties van leer-, gedrags-, motivatie- en sociale problemen dreigt, voortijdig uit te vallen.

Tweede-weg-deelnemers zijn leerlingen die op hoger niveau (ten minste mavo) er nu voor kiezen om zich te melden bij het vavo.

Leerlingen met behoefte aan extra kansen willen of kunnen juist wat meer dan de v(m)bo-school zelf «in huis» heeft.

Tweede lid

Dit lid maakt het mogelijk om leerlingen voor de toepassing van bepaalde regels aan te merken als deelnemers in de zin van de WEB.

Derde lid

Dit lid maakt maatwerk mogelijk bij de inrichting en de examinering van de opleidingen, op voorwaarde dat dit bijdraagt aan het bereiken van de specifieke opleidingsdoelen. Die doelen moeten de leerlingen in staat stellen om hun vo-opleiding af te maken in de minder schoolse omgeving van roc's en aoc’s. De leerlingen blijven vo-leerling en het bevoegd gezag van de school voor voortgezet onderwijs is, in samenwerking met het bevoegd gezag van de mbo-instelling, verantwoordelijk voor het gehele traject van de leerling binnen het voortgezet onderwijs.

Ook kan een vo-leerling tussentijds helemaal overstappen naar het vavo aan een roc, om in die andere omgeving zijn vo-diploma te behalen. Deze leerlingen krijgen naast het gewone onderwijsaanbod extra kansen om het vervolgonderwijs succesvol af te ronden, bijvoorbeeld het alvast volgen van bepaalde vakken van een andere school of andere onderwijssoort.

Artikel 2.102. Entreeopleiding volgen in plaats van basisberoepsgerichte leerweg vmbo

Eerste lid

Dit artikel maakt het mogelijk dat bepaalde leerlingen in het voortgezet onderwijs een entreeopleiding als bedoeld in de WEB volgen, die het onderwijs in de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo geheel of gedeeltelijk vervangt. Deze entreeopleiding is gelijk aan de entreeopleiding aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs. De regels van de WEB zijn van toepassing, met inachtneming van enkele bijzondere bepalingen.

De entreeopleiding in het vmbo is een pedagogisch-didactische variant van de basisberoepsgerichte leerweg. De leerling kan alleen specifieke opleidingen doorlopen die de WVO 20xx regelt, en in beginsel geen mengvormen van vo en mbo. Voor dit laatste is een expliciete wettelijke grondslag vereist, die in dit artikel is opgenomen.

Vo-leerlingen kunnen in leerjaar drie of aan het begin van leerjaar vier van het vmbo beginnen met de mbo-opleiding niveau 1: de entreeopleiding in het vmbo. Deze opleiding vervangt (een deel van) de periode van vmbo, die het derde en vierde leerjaar omvat. Tot die tijd volgen de leerlingen het reguliere onderbouwprogramma vmbo en – afhankelijk van het moment van instromen – het reguliere programma van de basisberoepsgerichte leerweg. Zodra de leerling instroomt in de entreeopleiding in het vmbo, maakt het vo-programma plaats voor een mbo-opleiding op niveau 1 die overeenstemt met het programma-aanbod van de beroepsgerichte programma’s van de basisberoepsgerichte leerweg die de school voor voortgezet onderwijs verzorgt. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de entreeopleidingen in het vmbo zo zijn ingericht dat de leerlingen de eindtermen binnen de vastgestelde studieduur kunnen bereiken. Hierbij gelden onder meer de inrichtingsregels van de WEB of de WEB BES.

De leerling blijft ingeschreven als vo-leerling. In overleg met de instelling voor educatie en beroepsonderwijs bepaalt de vmbo-school welke leerlingen voor dit traject in aanmerking komen. De leerling volgt het mbo-programma in een vmbo-omgeving: deels op de school voor voortgezet onderwijs, deels bij een erkend leerbedrijf, waarna de leerling onder verantwoordelijkheid van de instelling voor educatie en beroepsonderwijs geëxamineerd wordt.

Het onderwijs in de entreeopleiding wordt verzorgd onder verantwoordelijkheid van de school voor voortgezet onderwijs, die dit onderwijs moet laten geven door personeel dat voldoet aan de bekwaamheidseisen van de WEB of de WEB BES. De leerlingen die de entreeopleiding volgen in het vmbo, volgen een volledige mbo-1 opleiding. Het moment waarop ze de opleiding instromen staat echter niet vast. De woorden «geheel of gedeeltelijk» in het eerste lid slaan op het derde jaar van het vmbo. Leerlingen kunnen voor de entreeopleiding in het vmbo instromen in het de derde of vierde leerjaar van het mbo. Tot die tijd volgen de leerlingen het reguliere programma van de basisberoepsgerichte leerweg.

Tweede lid

Een vmbo-school mag alleen entreeopleidingen aanbieden die passen bij het aanbod van de beroepsgerichte programma's van de eigen basisberoepsgerichte leerweg in het vmbo.

Derde lid

Het bevoegd gezag van de school voor voortgezet onderwijs is niet verplicht om aan de leerlingen gelegenheid te bieden een eindexamen in de basisberoepsgerichte leerweg af te leggen, omdat de leerlingen in plaats daarvan het examen van de entreeopleiding afleggen (mbo). Is het traject succesvol afgerond, dan ontvangt de leerling een volwaardig mbo-diploma, met dezelfde doorstroomrechten als de deelnemers die een entreeopleiding volgen aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs.

Vierde lid

Leerlingen van een entreeopleiding in het vmbo worden behandeld als leerlingen van de basisberoepsgerichte leerweg waarvoor de entreeopleiding geheel of gedeeltelijk in de plaats treedt. Dat betekent dat zij voor de toepassing van bepalingen over inschrijving, bekostiging e.a. als reguliere vmbo-leerlingen worden beschouwd. De leerlingen blijven daardoor ook vallen onder de regels over medezeggenschap in de WMS die gelden voor het voortgezet onderwijs. Als het gaat om het vbo-groen in een aoc of om een vo-school die onderdeel is van een verticale scholengemeenschap, geldt wat betreft de medezeggenschap hoofdstuk 8a van de WEB.

Vijfde lid

De vmbo-school en de instelling voor educatie en beroepsonderwijs zijn samen verantwoordelijk voor het traject en voor de betrokken leerlingen. Een samenwerkingsovereenkomst, waarin onder meer het programma-aanbod, de examinering en diplomering, de rechtsbescherming en de doorstroming aan bod komen biedt hier de basis voor.

Zesde lid

Artikel 7.4.4a, derde lid, WEB en artikel 7.4.6, derde lid, WEB BES, regelen dat het bevoegd gezag van de instelling voor educatie en beroepsonderwijs de examinering van examendeelnemers die een entreeopleiding in het vmbo volgen, onder zijn verantwoordelijkheid kan laten uitvoeren door het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs.

Zevende lid

Dit lid regelt in onderdeel a de mogelijkheid om nadere voorwaarden te stellen voor het verzorgen van een entreeopleiding aan leerlingen die jonger zijn dan zestien jaar. Deze voorwaarden staan nu nog in de WVO zelf, maar gaan onderdeel uitmaken van een amvb. Deze amvb zal ook de minimumeisen aan de voorgeschreven samenwerkingsovereenkomst bevatten.

Artikel 2.103. Leer-werktraject als anders ingerichte basisberoepsgerichte leerweg vmbo

Voor Caribisch Nederland zijn in grote lijnen dezelfde bepalingen op de leer-werktrajecten van toepassing. In hoofdstuk 11 zijn wel enkele specifieke bepalingen opgenomen omdat in Caribisch Nederland de taken van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven worden uitgevoerd door de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt.

In artikel 2.103 en verder zijn verschillende zaken geregeld over de leer-werktrajecten, die een bijzondere leerroute zijn binnen de basisberoepsgerichte leerweg. In lijn met de filosofie van het technisch onderhoud van de WVO is ervoor gekozen om enkele uitvoeringsregels die nu nog onderdeel uitmaken van de wet, op een lager niveau te regelen (bij amvb). De grondslag daarvoor is opgenomen in artikel 2.106.

Eerste lid

Leer-werktrajecten zijn een bijzondere leerroute binnen de basisberoepsgerichte leerweg. Zij zijn een combinatie van onderwijs op school en praktijk buiten de school. Leer-werktrajecten moeten een vervolg krijgen in de basisberoepsopleiding van de WEB en de WEB BES. De leerling die een leer-werktraject met goed gevolg afsluit, krijgt een diploma basisberoepsgerichte leerweg/leer-werktraject. Zie daarvoor artikel 2.58, tweede lid.

Tweede tot en met vierde lid

Deze leden regelen waar het buitenschools praktijkgedeelte moet worden verzorgd, dat de schoolweek in de «bovenbouw» altijd ook onderwijs moet omvatten (en dus niet alleen uit een praktijkgedeelte mag bestaan) en welke vakken het leer-werktraject in elk geval moet omvatten. Aanvullende vakken zijn onder voorwaarden mogelijk.

Vijfde tot en met zevende lid

Deze leden bevatten nadere eisen aan het buitenschools praktijkgedeelte: de begeleiding moet goed zijn geborgd, er moet een leer-werkovereenkomst zijn, en er is rekening gehouden met mogelijke spanning in relatie tot het Burgerlijk Wetboek. Het zevende lid bevat daarvoor een «voorrangsregel». Artikel 7:610, tweede lid tweede volzin van het BW regelt:

«2. Indien een overeenkomst zowel aan de omschrijving van lid 1 voldoet als aan die van een andere door de wet geregelde bijzondere soort van overeenkomst, zijn de bepalingen van deze titel en de voor de andere soort van overeenkomst gegeven bepalingen naast elkaar van toepassing. In geval van strijd zijn de bepalingen van deze titel van toepassing.» Het zevende lid van artikel 2.103 regelt dat als er sprake is van «strijd», de bepalingen van de WVO en de regels voor de uitvoering daarvan van toepassing zijn, in afwijking van de regels van het BW waarmee zij strijdig zijn.

Achtste lid

In dit lid is als inrichtingseis geregeld dat het onderwijs aan de leerlingen voor wie het bevoegd gezag het volgen van een leer-werktraject het meest geschikt heeft geacht, in de eerste twee leerjaren wordt gegeven op basis van een samenstel van kerndoelen dat niet alle kerndoelen hoeft te omvatten. Voor de duidelijkheid wordt nog opgemerkt dat op deze leerlingen artikel 2.12 van toepassing blijft, zodat het onderwijs zo moet zijn ingericht dat met behoud van de keuzevrijheid van de leerlingen, de doorstroming van de leerlingen wordt bevorderd naar leerwegen en profielen. Scholen kiezen de kerndoelen dus zo dat de doorstroom naar een van de leerwegen en profielen niet belemmerd wordt. Verder blijft artikel 2.38, zesde lid, van kracht, waarin is geregeld dat in de eerste twee leerjaren samen ten minste 1425 klokuren onderwijs moet worden verzorgd.

Artikel 2.104. Samenwerkingsovereenkomst bij leer-werktraject vmbo

Leer-werktrajecten mogen alleen worden verzorgd op basis van een samenwerkingsovereenkomst tussen de school voor vbo en een roc of aoc. Die overeenkomst moet in elk geval inhouden dat een doorlopende leerweg wordt ingericht tot en met de basisberoepsopleiding van de WEB of WEB BES.

Het buitenschools praktijkgedeelte van die doorlopende leerweg moet als basis een leer-werkovereenkomst hebben tussen de school, de leerling en het leerbedrijf.

Artikel 2.105. Beoordeling kwaliteit en erkenning leerbedrijven bij leer-werktraject vmbo

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

Eerste lid

De zorg voor begeleiding van de leerling in het leerbedrijf ligt expliciet bij dat bedrijf of die organisatie zelf, en dus niet bij de school voor voortgezet onderwijs of de mbo-instelling.

Tweede lid

Een vaste kwaliteitsbeoordeling van de leerbedrijven aan de hand van de centraal vastgestelde kwaliteitseisen is belangrijk voor het waarborgen van de kwaliteit van het buitenschools praktijkgedeelte. Deze beoordeling is opgedragen aan de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, die ook in de WEB is vermeld (artikel 1.5.1) en daarin onder meer een taak heeft in het kader van de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming.

Derde tot en met achtste lid

In het derde tot en met achtste lid wordt de erkenning als leerbedrijf voor het buitenschools praktijkgedeelte geregeld op dezelfde wijze als dat voor leerbedrijven voor de beroepspraktijkvorming is gedaan in artikel 7.2.10 WEB en het overeenkomstige artikel 7.2.9 in de WEB BES.

De regels over subsidie voor taken van de leerbedrijven (het huidige artikel 10b5 WVO) zijn terug te vinden in hoofdstuk 5 (Bekostiging).

Artikel 2.106. Uitvoeringsregels leer-werktrajecten

Zie voor de manier waarop dit artikel in Caribisch Nederland gelezen moet worden hoofdstuk 11.

Dit artikel biedt de grondslag voor uitvoeringsregels over een aantal aspecten van leer-werktrajecten. Dat bij amvb regels worden gesteld over de buitenschoolse praktijkcomponent is nu nog geregeld in artikel 22, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de WVO. Voortaan wordt de waarborging en de bewaking van kwaliteit van het buitenschools praktijkgedeelte op het niveau van een amvb geregeld. Dat is nu nog geregeld in artikel 10b6 van de WVO. Hetzelfde geldt voor de onderwerpen van de leer-werkovereenkomst: wat thans in artikel 10b3, tweede lid, van de WVO is geregeld, wordt voortaan in een amvb bepaald.

Artikel 2.107. Vervangende voorziening voor praktijkplaats bij leer-werktraject vmbo

Zie voor de manier waarop dit artikel in Caribisch Nederland gelezen moet worden hoofdstuk 11.

Na het sluiten van de leer-werkovereenkomst wordt gecheckt of er voldoende voorzieningen beschikbaar zijn, en of de praktijkplaats daadwerkelijk beschikbaar is. In het geval er zich in de periode gelegen tussen de check en de daadwerkelijke aanvang van de leerwerkplek onverwachte situaties voordoen, waardoor de plek in de praktijk bijvoorbeeld toch niet beschikbaar is, moet het bevoegd gezag van de school ervoor zorgen dat er een toereikende voorziening komt. Dit vindt plaats na overleg met het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven. Het buitenschools praktijkgedeelte vormt namelijk een verplicht onderdeel van het leer-werktraject. Zonder het praktijkgedeelte kan de leer-werktrajectleerling geen diploma behalen. Het is daarom van belang dat de school van de betreffende leerling toeziet op de praktijkplaats en de begeleiding van de eigen leerling. Als deze niet voldoen aan de vooraf afgesloten leer-werkovereenkomst, dienen aanvullende maatregelen genomen te worden of moet in het uiterste geval zelfs een vervangend praktijkgedeelte gevonden worden.

Artikel 2.108. Onderwijs aan een andere school van hetzelfde bevoegd gezag

Dit artikel gaat over gevallen waarin een bevoegd gezag leerlingen die op één van zijn scholen zijn ingeschreven, ook onderwijs wil laten volgen dat een andere school van datzelfde bevoegd gezag verzorgt. Omdat een bevoegd gezag geen samenwerkingsovereenkomst met zichzelf kan sluiten, is geregeld dat de eis van zo'n overeenkomst niet van toepassing is en dat de overige voorwaarden van overeenkomstige toepassing zijn. De onderwerpen van de samenwerkingsovereenkomst moeten dan wel in een eigen regeling van het bevoegd gezag worden uitgewerkt.

Artikel 2.109. Samenwerking aangewezen school met onbekostigde vavo-instelling

Eerste lid

Dit artikel maakt de «uitbesteding» van leerlingen van een onbekostigde school naar het vavo mogelijk. Leerlingen die staan ingeschreven bij een school die bevoegd is vo-diploma’s uit te reiken op grond van de WVO 20xx kunnen op grond van dit artikel een deel van hun onderwijs volgen aan het vavo dat verzorgd wordt aan een instelling die op grond van de WEB het recht heeft om vo-diploma’s uit te reiken.

Tweede lid

Het doel moet zijn om op deze manier bepaalde leerlingen toch een vo-diploma te laten halen.

Derde lid

Net als ingevolge artikel 2.104 moet er een samenwerkingsovereenkomst zijn wanneer aangewezen scholen samenwerken met niet bekostigde vavo-instellingen.

Vierde lid

Dit lid schrijft voor dat een amvb regelt dat nadere regels worden vastgesteld voor toepassing van de samenwerkingsmogelijkheid die het eerste lid regelt en welke onderwerpen de samenwerkingsovereenkomst in elk geval omvat. Het hoofddoel waar de overeenkomst zich op heeft te richten, ligt vast in de wet.

Paragraaf 11. Beschikbaar stellen van lesmateriaal aan leerlingen

Artikel 2.110. Beschikbaarstelling lesmateriaal aan leerlingen

Uitgangspunt is dat de uit ’s Rijks kas bekostigde scholen de kosten dragen van schoolboeken in den brede zin van het woord. Dit artikel gebruikt de bredere term «lesmateriaal». Het gaat naast schoolboeken ook om andere verschijningsvormen van lesmateriaal (bijvoorbeeld digitaal). Het lesmateriaal moet specifiek zijn gericht op informatieoverdracht in onderwijsleersituaties en moet door het bevoegd gezag voor een bepaald leerjaar zijn voorgeschreven. Het is voor zowel scholen als ouders van belang om te weten wat er wel en wat er niet onder het begrip lesmateriaal valt (en wat dus wel of niet door de school betaald moet worden). Tegelijkertijd moet deze opsomming toekomstbestendig zijn. De hierna volgende opsomming van lesmateriaal is niet volledig. Onder de omschrijving van «lesmateriaal» vallen:

  • schoolboeken: leerboeken, werkboeken, project- en tabellenboeken, examentrainingen/bundels, eigen leermateriaal van de school, bijbehorende cd’s en/of dvd’s die een leerling in dat leerjaar nodig heeft,

  • de ontsluiting van digitaal leermateriaal (de kosten van licenties) dat een leerling in dat jaar nodig heeft.

De volgende categorieën van materialen en activiteiten vallen niet onder de definitie van lesmateriaal (ook deze opsomming is niet volledig).

Categorie A (materialen en gereedschap)1

Categorie B (vrijwillige ouderbijdrage)2

Atlas

Woordenboek

Agenda

Rekenmachine

Schriften, mappen, pennen, en dergelijke

Gereedschap

Sportkleding

Excursies

Introductiekamp

Buitenland reizen

Kerstviering, e.d.

Laptop/tablet (elektronische informatiedrager), en dergelijke3

X Noot
1

Als een ouder deze kosten van persoonsgebonden zaken of zaken die meerdere jaren meegaan, niet betaalt aan de school, dient de ouder de aanschaf zelf te doen.

X Noot
2

Als een ouder deze kosten niet betaalt aan de school, is de school verplicht een kosteloos alternatief aan te bieden. Voor een activiteit geldt deze bepaling als de activiteit deel uitmaakt van het voorgeschreven onderwijsprogramma.

X Noot
3

Een elektronische informatiedrager valt niet onder de definitie van lesmateriaal, omdat het de drager is van informatie, maar zelf geen informatie bevat, en niet voorgeschreven wordt voor een specifiek leerjaar.

Paragraaf 12. Beleidsinhoudelijke informatie

Artikel 2.111. Beleidsinhoudelijke informatie

Eerste lid

Op grond van dit lid moeten het bevoegd gezag en het samenwerkingsverband een goede administratie van beleidsinhoudelijke informatie bijhouden. Beleidsinhoudelijke informatie bestaat onder andere uit gegevens over het aantal zij-instromers, het geslacht van de personeelsleden op een school en de denominatie van de school. Dit soort gegevens kan worden opgevraagd voor beleidsgericht onderzoek.

Tweede lid

De bijzondere eisen aan het beschikbaar houden van geordende gegevens en aan het verstrekken daarvan, worden bij amvb of bij ministeriële regeling geregeld, afhankelijk van de aard van het voorschrift.

Derde lid

Uit dit lid volgt dat de nadere uitvoeringsregels die op grond van het tweede lid van dit artikel kunnen worden gesteld geen betrekking mogen hebben op het persoonsgebonden nummer van leerlingen of op andere gegevens waarmee een leerling wordt geïdentificeerd of identificeerbaar is.

HOOFDSTUK 3. BESTUUR

Paragraaf 1. Bestuur en intern toezicht

Artikel 3.1. Goed bestuur; scheiding bestuur en intern toezicht

Eerste lid

Artikel 2.87 verplicht het bevoegd gezag tot het zorgdragen voor de kwaliteit van het onderwijs op de school. Mede met het oog daarop draagt het eerste lid van artikel 3.1 het bevoegd gezag van de school op om ervoor te zorgen dat de school goed wordt bestuurd. Het bestuur en het beheer van de school moeten rechtmatig zijn. Daarnaast moet er een scheiding zijn tussen het bestuur en het interne toezicht. De formulering intern toezicht wordt gebruikt om duidelijk aan te geven dat het hier niet gaat om het externe toezicht door de inspectie. Door de grote bestuurlijke variëteit in het funderend onderwijs en de vrijheid van inrichting is het bevoegd gezag vrij in de manier waarop de functiescheiding wordt vormgegeven.

Tweede lid

De scheiding tussen bestuur en intern toezicht kan functioneel of organiek zijn. Bij een functionele scheiding is er één orgaan, maar worden de bestuursfunctie en de toezichtfunctie door verschillende personen uitgeoefend. Bij een organieke scheiding wordt de bestuursfunctie door een ander orgaan uitgeoefend dan de toezichtfunctie, bijvoorbeeld doordat voor de laatste een aparte raad van toezicht wordt ingesteld. Het is ook mogelijk dat de algemene ledenvergadering het interne toezichthoudend orgaan is. Het begrip «interne toezichthoudend orgaan» zoals dat in de wetstekst voorkomt, kan dus verschillende invullingen krijgen. Wanneer een bepaling in deze wet specifiek op een raad van toezicht betrekking heeft, wordt de raad van toezicht als zodanig genoemd.

Derde lid

Het interne toezicht moet gescheiden zijn van het bestuur, en moet onafhankelijk van het bestuur kunnen functioneren. Dit houdt in dat degenen die het intern toezicht uitoefenen, objectief en op eigen initiatief informatie kunnen verzamelen en inzien, zich een oordeel kunnen vormen en zo nodig kunnen interveniëren.

Vierde lid

De benoeming van bestuurders en interne toezichthouders gebeurt aan de hand van competentieprofielen die vooraf openbaar zijn gemaakt. Wat «vooraf» precies is en hoe de openbaarmaking moet verlopen, is niet (nader) geregeld: dat bepalen de scholen dus zelf. Evident is dat «vooraf» alleen maar kan zijn: tijdig voorafgaand aan de benoeming. De concrete invulling van de competentieprofielen wordt niet voorgeschreven, maar gedacht kan worden aan aspecten als bestuurlijke ervaring, kennis van maatschappelijke verbanden en financiële kennis. De competentieprofielen moeten aan de medezeggenschapsraad voor advies worden voorgelegd (artikel 11, onderdeel q, WMS).

Vijfde lid

Op grond van het vijfde lid gelden de plicht tot goed bestuur en de scheiding van bestuur en toezicht ook voor samenwerkingsverbanden. Bij een samenwerkingsverband is het niet de medezeggenschapsraad maar de ondersteuningsplanraad die een lid moet kunnen voordragen als een raad van toezicht wordt benoemd.

Artikel 3.2. Code en branchecode goed bestuur

Het bevoegd gezag moet voor de school een code goed bestuur hanteren. Artikel 3.2 gaat over die code, en bevat de plicht tot het hanteren ervan, de minimuminhoud en de bevoegdheid om bij amvb een branchecode aan te wijzen. Voor het voortgezet onderwijs is de Code Goed Onderwijsbestuur VO op dit moment van toepassing.24 De bepalingen over de code goed bestuur maken nu nog onderdeel uit van artikel 103 WVO, dat gaat over het jaarverslag. In de WVO 20xx zijn ze in een zelfstandig artikel opgenomen.

Eerste lid

Degelijk onderwijsbestuur is primair een taak van het bevoegd gezag. Een code goed bestuur is een instrument van en voor het onderwijsveld, waarmee de kwaliteit van het bestuur kan worden verbeterd door zelfregulering. De code geeft aan welke opvattingen de sector heeft over de principes van goed bestuur en hoe de sector die principes – gegeven het wettelijke kader – uitwerkt.

Elk bevoegd gezag moet in het jaarlijks vast te stellen bestuursverslag (zie artikel 5.46) aangeven welke code goed bestuur wordt gehanteerd. De inhoud van de code is vooral een zaak van het onderwijsveld zelf. De wet stelt daarom maar enkele inhoudelijke eisen, die moeten waarborgen dat de gehanteerde code in elk geval aandacht geeft aan:

  • de manier waarop de deskundigheid en verantwoordelijkheid van het personeel voor de kwaliteit van het onderwijs binnen de onderwijsorganisatie worden geborgd;

  • integer bestuur; en

  • de verantwoording aan de ouders en andere belanghebbenden binnen en buiten de school.

Tweede lid

Dit lid geeft de regering de mogelijkheid om, al dan niet op verzoek van het onderwijsveld, een branchecode voor goed bestuur aan te wijzen. De initiatieven tot zelfregie vanuit de sector kunnen daarmee worden ondersteund. Het voordeel van het aanwijzen van een code is dat het zowel in de sector als bij de overheid duidelijkheid maakt wat algemeen aanvaard is als een goede invulling van de basisprincipes voor goed bestuur. Het aanwijzen van een code betekent dat een bevoegd gezag die code moet gebruiken volgens het principe «pas toe of leg uit». Dit geeft het bestuur de mogelijkheid om beredeneerd af te wijken en biedt zo ruimte voor een dialoog over de redenen van eventuele afwijking van een code goed bestuur. Het hoe en waarom van de afwijkingen beschrijft het bevoegd gezag in het jaarverslag (zie artikel 5.46).

Derde lid

Dit lid regelt dat samenwerkingsverbanden, net als scholen, een code goed bestuur moeten hanteren. Verder kan voor samenwerkingsverbanden, evenals voor scholen, bij amvb een branchecode worden aangewezen.

Artikel 3.3. Inhoud intern toezicht

Eerste lid

Het eerste lid benoemt de kerntaken van de interne toezichthouder, dan wel het interne toezichthoudende orgaan. Het gaat daarbij zowel toezichthoudende als adviserende taken. De toezichthoudende taak strekt zich uit tot de manier waarop het bevoegd gezag zijn taken en bevoegdheden hanteert. De raadgevende taak is heel algemeen geformuleerd en kan dus een veelheid aan onderwerpen betreffen.

Tweede lid

Het tweede lid geeft als afgeleide van de principes in het eerste lid aan welke taken de interne toezichthouder minimaal heeft. De toezichthouder heeft instemmingsrecht ten aanzien van de begroting, het jaarverslag en – als het er is – het strategisch meerjarenplan (onderdeel a). Hij houdt ook toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften en de code goed bestuur en afwijkingen van die code (onderdeel b). Het toezien op de verwerving, bestemming en besteding van de middelen (onderdeel c) maakt de interne toezichthouder (mede) verantwoordelijk voor deze aspecten. De bepaling dat de toezichthouder de instellingsaccountant aanwijst en dat die rapport aan hem uitbrengt (onderdeel d) geeft de toezichthouder op financieel gebied een eigen positie tegenover het bestuur. De verantwoording over de uitvoering van deze taken en de uitoefening van deze bevoegdheden in een jaarverslag is het sluitstuk van deze regeling en biedt de basis voor horizontaal toezicht door stakeholders en voor verticaal toezicht door de Minister en de inspectie.

Derde lid

De taken en bevoegdheden van de toezichthouder of het toezichthoudend orgaan moeten zo zijn dat een deugdelijk en onafhankelijk toezicht is gewaarborgd. Hetzelfde geldt voor de samenstelling van het interne toezichthoudend orgaan of de combinatie van toezichthouders (als er sprake is van meer dan één toezichthouder). Dat betekent dat toezichthouders geen directe belangen bij de school mogen hebben, bijvoorbeeld als werknemer of opdrachtgever. Ook is het lidmaatschap van een raad van toezicht onverenigbaar met het lidmaatschap van het bestuur van diezelfde school.

Vierde lid

Als gekozen is voor een raad van toezicht, gelden voor deze raad de eerste drie artikelleden. Daarnaast heeft een raad van toezicht tot taak het benoemen, schorsen en ontslaan van de bestuursleden en het – binnen de kaders van de CAO – vaststellen van de beloning van de bestuursleden. De procedures voor benoeming, schorsing of ontslag van een bestuurslid zijn dan opgenomen in de statuten van de rechtspersoon. Leden van het bestuur die conform de statuten van de rechtspersoon zijn benoemd, kunnen tegelijkertijd benoemd zijn in een managementfunctie aan één van de scholen. In zulke gevallen is het bestuurslid ook personeelslid van de rechtspersoon waarvan de scholen uitgaan en ontvangt hij op basis van een arbeidsovereenkomst of ambtelijke aanstelling salaris voor zijn werkzaamheden. De raad van toezicht oefent dan de taken uit die het bevoegd gezag tegenover het personeel heeft, zoals de regeling van de rechtspositie en het voeren van overleg over aangelegenheden die van algemeen belang zijn voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel. De toepasselijkheid van de wettelijke bepalingen over personeel op leden van het bestuur die ook zijn benoemd in een functie bij het bevoegd gezag, betekent dat die bestuursleden ook onder de CAO VO vallen. Omdat de raad van toezicht in dit geval de arbeidsvoorwaarden regelt, zullen het decentraal georganiseerd overleg en het CAO-overleg ook door de raden van toezicht, c.q. een vertegenwoordiging van die raden, worden gevoerd.

Vijfde lid

Hier is voorgeschreven dat de interne toezichthouder of het internet toezichthoudend orgaan per jaar ten minste tweemaal moet overleggen met de medezeggenschapsraad van de school.

Zesde lid

Op grond van dit lid gelden de bepalingen in dit artikel over het intern toezicht ook voor samenwerkingsverbanden. Voor de overlegplicht geldt een aangepaste regel: in plaats van met de medezeggenschapsraad van de school, moet de interne toezichthouder of het interne toezichthoudende orgaan van het samenwerkingsverband per jaar ten minste tweemaal overleggen met de ondersteuningsplanraad.

Paragraaf 2. Openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs

Artikel 3.4. Instelling openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs

Voor Caribisch Nederland wordt de inhoud van het tweede lid in hoofdstuk 11 anders geregeld.

Eerste lid

Dit artikel regelt de mogelijkheid dat de gemeenteraad het bestuur over een of meer openbare scholen in handen geeft van een door hem zelf in te stellen openbare rechtspersoon. Het instellen van een openbare rechtspersoon gebeurt bij gemeentelijke verordening. De verordening moet in elk geval een aantal in artikel 3.5 voorgeschreven onderwerpen bevatten. De organen van de openbare rechtspersoon zijn bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a, Awb.

Tweede lid

Het is daarnaast mogelijk dat verschillende gemeenteraden samen overgaan tot het instellen van een openbare rechtspersoon. De gemeenteverordeningen moeten in dat geval gelijkluidend zijn voor de onderwerpen die artikel 3.5 noemt.

Derde en vierde lid

De gemeenteraad of gemeenteraden moeten een voornemen om over te gaan tot het instellen van een openbare rechtspersoon bekendmaken. Op dit voornemen is artikel 3:42 Awb van toepassing. In dat artikel is geregeld hoe bepaalde besluiten moeten worden bekendgemaakt. De bekendmaking gebeurt in een van overheidswege uitgegeven blad, in een dag- nieuws- of huis-aan-huisblad of op een andere geschikte wijze. Met de bekendmaking wordt voorkomen dat het bijzonder onderwijs plotseling geconfronteerd zou worden met het verzelfstandigen van het openbaar onderwijs in een gemeente. Vóór tot feitelijke verzelfstandiging wordt overgegaan, wordt het bijzonder onderwijs op de hoogte gebracht. Kiest een gemeenteraad voor verzelfstandiging van een of meer openbare scholen, dan wordt de instandhouding van die school of scholen overgedragen aan de nieuwe rechtspersoon. Hierbij worden de rechten die de gemeente heeft over gebouwen, terreinen en roerende zaken overgedragen aan het bevoegd gezag. Deze overdracht wordt in overeenstemming met artikel 3.33 uitgevoerd.

Artikel 3.5. Verordening openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs

Eerste lid

Het eerste lid duidt de onderwerpen aan die de verordening waarbij de openbare rechtspersoon wordt ingesteld in elk geval moet regelen. Regels over de «samenstelling van het bestuur» (onderdeel a) kunnen onder andere betrekking hebben op het aantal leden dat het bestuur heeft. Onder «werkwijze van het bestuur» kan bijvoorbeeld worden verstaan de frequentie waarmee het bestuur vergadert en de procedure voor het stemmen over voorgenomen beslissingen. Onder «inrichting van het bestuur» kan onder andere de aanwijzing van een voorzitter, secretaris en penningmeester van het bestuur worden begrepen. Regels over de wijze van benoeming, schorsing en ontslag (onderdeel b) kunnen bijvoorbeeld inhouden dat het bestuur voor aspirant-bestuursleden een profielschets opstelt. De duur van het bestuurslidmaatschap moet eveneens in de verordening worden bepaald (onderdeel c). Regels over de «vaststelling van de begroting en de jaarrekening» (onderdeel d) kunnen bijvoorbeeld gaan over het tijdstip waarop de begroting en jaarrekening voor instemming worden voorgelegd aan de gemeenteraad en het tijdstip waarop zij worden vastgesteld door het bestuur. Ook de wijze waarop de gemeenteraad toezicht uitoefent op het bestuur moet in de statuten worden geregeld (onderdeel e). Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het opdragen van bijzondere overlegverplichtingen of inlichtingenplichten over specifieke onderwerpen. In beginsel zijn de vergaderingen van het bestuur openbaar. Wanneer het bestuur beslist om een vergadering besloten te houden, kan dat alleen op gronden die in de verordening zijn vastgelegd (onderdeel f). Tot slot moet de verordening regelen voor welke periode de openbare rechtspersoon in het leven wordt geroepen. Deze periode mag niet korter dan vijf jaar zijn (onderdeel g).

Tweede lid

Het tweede lid bepaalt dat in de verordening een overheersende invloed van de gemeente in het bestuur is verzekerd. Een van de kenmerken van openbaar onderwijs is dat het van overheidswege wordt gegeven. Om te garanderen dat daarvan ook sprake is bij verzelfstandigd openbaar onderwijs, heeft de wetgever erin voorzien dat sprake moet zijn van overheersende invloed van de gemeente in het bestuur. Dit geldt zowel voor de openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs als voor de stichting. De voorschriften voor beide zijn zoveel mogelijk gelijk geformuleerd. Overheidsinvloed is in de wet reeds op diverse manieren verwezenlijkt, zoals door de instemming van de gemeenteraad met de begroting en de jaarrekening, de verslagverplichting aan de gemeenteraad en de taakverwaarlozingsregeling. Het is aan de gemeenteraad om te beoordelen of voldoende aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs wordt voldaan, en om bij de verzelfstandiging de wettelijk geregelde overheidsinvloed verder aan te scherpen door bijvoorbeeld bijzondere overlegverplichtingen of inlichtingenplichten.

Artikel 3.6. Taken en bevoegdheden openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs

Eerste lid

Het openbare karakter van het onderwijs dat onder bestuur van een openbare rechtspersoon wordt geplaatst, maakt het noodzakelijk dat jaarlijks inzicht wordt gegeven in de staat van het verzelfstandigde openbaar onderwijs. Daarom is bepaald dat het bestuur van de openbare rechtspersoon jaarlijks verslag uitbrengt aan de gemeenteraad en dat dit verslag ingaat op de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs, te weten: de algemene toegankelijkheid, de levensbeschouwelijke pluriformiteit en de non-discriminatie wat het personeel betreft. Het bestuur maakt het verslag openbaar. Het is aan het bestuur overgelaten om te bepalen hoe dat moet gebeuren.

Tweede lid

Het uitgangspunt is dat het bestuur van de openbare rechtspersoon in het openbaar vergadert. De verordening bevat de gronden waarop het bestuur kan beslissen om vergaderingen achter gesloten deuren te houden.

Artikel 3.7. Gemeentelijke taken en bevoegdheden openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs

Eerste lid

De gemeenteraad heeft een benoemingsrecht ten aanzien van de bestuursleden van de openbare rechtspersoon. Onder «bindende voordracht» wordt verstaan een voorstel van de ouders van de leerlingen dat door de gemeenteraad moet worden gehonoreerd. Het is aan de betrokken school of scholen zelf om te regelen hoe de bindende voordracht tot stand komt.

Tweede lid

De gemeenteraad heeft instemmingsrecht bij de vaststelling van de begroting en de jaarrekening. Hij kan instemming aan de begroting onthouden wegens strijd met het recht of met het algemeen belang, waarmee ook het financiële belang van de gemeente wordt bedoeld. De toetsingsgrond «strijd met het recht» is geregeld in artikel 10:27 Awb.

Derde lid

Als de begroting niet tijdig wordt vastgesteld door de gemeenteraad, kan dit tot gevolg hebben dat de continuïteit van het onderwijs in gevaar komt. In zo’n situatie moet de gemeenteraad de maatregelen treffen die hij noodzakelijk acht om het onderwijsproces ongestoord te laten doorgaan.

Vierde lid

Indien wordt gekozen voor een raad van toezicht om invulling te geven aan de scheiding tussen bestuur en intern toezicht, komt aan de gemeenteraad de bevoegdheid toe om de leden van de raad van toezicht te benoemen.

Vijfde lid

Alle wettelijke taken en bevoegdheden die aan het bevoegd gezag toekomen, komen na de verzelfstandiging toe aan het bestuur van de openbare rechtspersoon. De keuze voor een verzelfstandigde bestuursvorm houdt voor de gemeente in dat zij niet meer directe invloed uitoefent op de dagelijkse gang van zaken. Het bestuur van de openbare rechtspersoon oefent, zonder enige beperking, alle taken en bevoegdheden uit die eigen zijn aan het zijn van bevoegd gezag. De gemeente kan hierbij geen beperkingen aanbrengen. Eén onderwerp blijft op grond van het vijfde lid wel altijd voorbehouden aan de gemeente zelf: het is niet het bestuur van de openbare rechtspersoon dat tot de opheffing van een openbare school besluit, maar de gemeenteraad.

Artikel 3.8. Openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs met raad van toezicht

Eerste lid

Dit artikel bepaalt wat de verordening in elk geval moet regelen als er binnen de openbare rechtspersoon een raad van toezicht wordt ingesteld. In die situatie verschuift een aantal bevoegdheden van de gemeenteraad naar de raad van toezicht. De raad van toezicht wordt belast met het uitoefenen van toezicht op het bestuur, het benoemen van de bestuursleden en het instemmen met de begroting en de jaarrekening. De gemeenteraad benoemt de leden van de raad van toezicht. De ouders en leerlingen hebben een voordrachtrecht voor een aantal leden van de raad van toezicht.

Tweede lid

De gemeente blijft invloed van overwegende aard houden op het openbaar onderwijs, ook wanneer er een raad van toezicht is ingesteld.

Artikel 3.9. Taakverwaarlozing openbare rechtspersoon voor openbaar onderwijs

Hoewel het bestuur van (delen van) het openbaar onderwijs door de gemeenteraad kan worden opgedragen aan een openbare rechtspersoon, behoudt de gemeenteraad uiteindelijk de verantwoordelijkheid voor het openbaar onderwijs. Daarom bevat dit artikel een taakverwaarlozingsregeling: als het bestuur van de openbare rechtspersoon zijn taken als bevoegd gezag van openbare scholen ernstig verwaarloost of zelfs in strijd met de wet handelt, kan de gemeenteraad ingrijpen. Dit kan door het zelf treffen van voorzieningen of door ontbinding van de openbare rechtspersoon.

Paragraaf 3. Stichting voor openbaar onderwijs

De gemeente kan (delen van) het openbaar onderwijs verzelfstandigen door een publiekrechtelijke rechtspersoon (een openbare rechtspersoon) in te stellen of door een privaatrechtelijke rechtspersoon (een stichting) op te richten. De artikelen in paragraaf 3 regelen de stichting voor openbaar onderwijs.

Artikel 3.10. Oprichting stichting voor openbaar onderwijs

Voor Caribisch Nederland wordt de inhoud van het tweede lid in hoofdstuk 11 anders geregeld.

Eerste lid

In artikel 3.10 is de oprichting van de stichting voor openbaar onderwijs geregeld. Deze oprichting gebeurt bij notariële akte, die de statuten van de stichting bevat. Zie daarover verder artikel 3.11.

Tweede lid

Dit lid regelt wie de constituerende partijen zijn van deze stichting.

Derde lid

Hier is geregeld dat een stichting niet kan worden opgericht zonder dat de gemeente(n) eerst het voornemen daartoe heeft/hebben bekendgemaakt.

Vierde lid

Het vierde lid biedt een praktische wetstechnische oplossing voor gevallen waarin de stichting wordt opgericht door meer dan één gemeente.

Artikel 3.11. Statuten stichting voor openbaar onderwijs

Eerste lid

Artikel 3.10 regelt de oprichting van de stichting voor openbaar onderwijs. Deze oprichting vindt plaats bij notariële akte, die de statuten van de stichting bevat. Over die statuten gaat dit artikel. De woorden «onverminderd artikel 3.22» in het eerste lid zonderen de samenwerkingsschool uit van het beginsel dat het statutaire doel van de stichting die een of meer openbare scholen in stand houdt, uitsluitend het geven van openbaar onderwijs is. Daardoor is het mogelijk dat een samenwerkingsschool ook door een stichting voor openbaar onderwijs in stand wordt gehouden.

Tweede lid

Het tweede lid duidt de onderwerpen aan die de statuten van de stichting voor openbaar onderwijs in elk geval moeten regelen naast het doel van de stichting. Regels over de «samenstelling van het bestuur» (onderdeel a) kunnen onder andere betrekking hebben op het aantal leden dat het bestuur heeft. Onder «werkwijze van het bestuur» kan bijvoorbeeld worden verstaan de frequentie waarmee het bestuur vergadert en de procedure voor het stemmen over voorgenomen beslissingen. Onder «inrichting van het bestuur» kan onder andere de aanwijzing van een voorzitter, secretaris en penningmeester van het bestuur worden begrepen. Regels over de wijze van benoeming, schorsing en ontslag (onderdeel b) kunnen bijvoorbeeld inhouden dat het bestuur voor aspirant-bestuursleden een profielschets opstelt. De duur van het bestuurslidmaatschap moet eveneens in de verordening worden bepaald (onderdeel c). Regels over de «vaststelling van de begroting en de jaarrekening» (onderdeel d) kunnen bijvoorbeeld gaan over het tijdstip waarop de begroting en jaarrekening voor instemming worden voorgelegd aan de gemeenteraad en het tijdstip waarop zij worden vastgesteld door het bestuur. Ook de wijze waarop de gemeenteraad toezicht uitoefent op het bestuur moet in de statuten worden geregeld (onderdeel e). Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het opdragen van bijzondere overlegverplichtingen of inlichtingenplichten ten aanzien van specifieke onderwerpen. In beginsel zijn de vergaderingen van het bestuur openbaar. Wanneer het bestuur beslist om een vergadering besloten te houden, kan dat alleen op gronden die in de verordening zijn vastgelegd (onderdeel f). De statuten moeten regelen voor welke periode de stichting in het leven wordt geroepen. Deze periode mag niet korter dan vijf jaar zijn (onderdeel g).Tot slot moeten de statuten ook in de bevoegdheid tot ontbinding van de stichting voorzien (onderdeel h).

Derde lid

Het derde lid bepaalt dat in de statuten een overheersende invloed van de gemeente in het bestuur verzekerd moet zijn. Een van de kenmerken van openbaar onderwijs is dat het van overheidswege wordt gegeven. Om te garanderen dat daarvan ook sprake is bij verzelfstandigd openbaar onderwijs, moet er sprake zijn van overheersende invloed van de overheid in het bestuur. Overheidsinvloed is in de wet reeds op verschillende manieren verwezenlijkt, zoals door de verplichte instemming van de gemeenteraad met de begroting en de jaarrekening, de verslagverplichting aan de gemeenteraad en de taakverwaarlozingsregeling. Het is aan de gemeenteraad om te beoordelen of voldoende aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs wordt voldaan, en om bij de verzelfstandiging de wettelijk geregelde overheidsinvloed verder aan te scherpen door bijvoorbeeld bijzondere overlegverplichtingen of inlichtingenplichten.

Vierde lid

Wanneer de statuten worden gewijzigd dienen deze voor vaststelling bij notariële akte voor instemming te worden voorgelegd aan de gemeenteraad.

Artikel 3.12. Taken en bevoegdheden stichting voor openbaar onderwijs

Eerste lid

Het openbare karakter van het onderwijs dat onder bestuur van de stichting voor openbaar onderwijs wordt geplaatst, maakt het noodzakelijk dat jaarlijks inzicht wordt gegeven in de staat van het verzelfstandigde openbaar onderwijs. Daarom is bepaald dat het bestuur van de stichting jaarlijks verslag uitbrengt aan de gemeenteraad en dat dit verslag ingaat op de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs, te weten: de algemene toegankelijkheid, de levensbeschouwelijke pluriformiteit en de non-discriminatie wat het personeel betreft. Het bestuur maakt het verslag openbaar.

Tweede lid

Het uitgangspunt is dat het bestuur van de stichting in het openbaar vergadert. Het is aan het bestuur om te beslissen om vergaderingen achter gesloten deuren te houden.

Artikel 3.13. Gemeentelijke taken en bevoegdheden stichting voor openbaar onderwijs

Eerste lid

De gemeenteraad heeft een benoemingsrecht ten aanzien van de bestuursleden van de stichting. Onder «bindende voordracht» wordt verstaan een voorstel van de ouders van de leerlingen dat door de gemeenteraad moet worden gehonoreerd. Het is aan de betrokken school of scholen zelf om te regelen hoe de bindende voordracht tot stand komt.

Tweede lid

De gemeenteraad heeft instemmingsrecht bij de vaststelling van de begroting en de jaarrekening. De gemeenteraad kan instemming aan de begroting onthouden wegens strijd met het recht of met het algemeen belang. Daaronder wordt ook het financiële belang van de gemeente verstaan. Zie voor de toetsingsgrond «strijd met het recht» artikel 10:27 Awb.

Derde lid

Als de begroting niet tijdig wordt vastgesteld door de gemeenteraad, kan dit tot gevolg hebben dat de continuïteit van het onderwijs in gevaar komt. In zo’n situatie moet de gemeenteraad de maatregelen treffen die zij noodzakelijk acht om het onderwijsproces ongestoord te laten doorgaan.

Vierde lid

Indien wordt gekozen voor een raad van toezicht om invulling te geven aan de scheiding tussen bestuur en intern toezicht, komt aan de gemeenteraad de bevoegdheid toe om de leden van de raad van toezicht te benoemen.

Vijfde lid

Alle wettelijke taken en bevoegdheden die aan het bevoegd gezag toekomen, komen na de verzelfstandiging toe aan het bestuur van de stichting. De keuze voor een verzelfstandigde bestuursvorm houdt voor de gemeente in dat zij niet meer directe invloed uitoefent op de dagelijkse gang van zaken. Het bestuur van de stichting oefent, zonder enige beperking, alle taken en bevoegdheden uit die eigen zijn aan het zijn van bevoegd gezag. De gemeente kan hierbij geen beperkingen aanbrengen. Eén onderwerp blijft op grond van het vijfde lid wel altijd voorbehouden aan de gemeente zelf: het is niet het bestuur van de stichting dat tot de opheffing van een openbare school besluit, maar de gemeenteraad.

Artikel 3.14. Stichting voor openbaar onderwijs met raad van toezicht

Eerste lid

Dit artikel bepaalt wat de statuten in elk geval moeten regelen als er binnen de stichting een raad van toezicht wordt ingesteld. In die situatie verschuift een aantal bevoegdheden van de gemeenteraad naar de raad van toezicht. De raad van toezicht wordt dan onder meer belast met het uitoefenen van toezicht op het bestuur, het benoemen van de bestuursleden en het instemmen met de begroting en de jaarrekening.

Tweede lid

De overheid (de gemeente) blijft invloed van overwegende aard houden, ook wanneer er een raad van toezicht is ingesteld.

Artikel 3.15. Taakverwaarlozing stichting voor openbaar onderwijs

Hoewel het bestuur van (delen van) het openbaar onderwijs door de gemeenteraad kan worden opgedragen aan een stichting, behoudt de gemeenteraad uiteindelijk de verantwoordelijkheid voor het openbaar onderwijs. Daarom bevat dit artikel een taakverwaarlozingsregeling: als het bestuur van de stichting zijn taken als bevoegd gezag van openbare scholen ernstig verwaarloost of zelfs in strijd met de wet handelt, kan de gemeenteraad ingrijpen. Dit kan door het zelf treffen van voorzieningen of door ontbinding van de stichting.

Paragraaf 4. Stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs

Paragraaf 4 regelt de stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs, ook wel aangeduid als «samenwerkingsbestuur». Uitgangspunt is dat de voorschriften voor een stichting voor openbaar onderwijs ook gelden voor een stichting die een openbare én een bijzondere school in stand houdt. Enkele voorschriften kunnen echter niet zonder meer voor beide vormen van onderwijs gelden, omdat de stichting ook bijzonder onderwijs verzorgt. Dat leidt tot de volgende specifieke voorschriften:

  • het personeel van de stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs is niet werkzaam op basis van een aanstelling, maar op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht;

  • de gemeenteraad heeft bij de stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs geen benoemingsrecht voor de bestuursleden;

  • de gemeenteraad heeft bij de stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs geen instemmingsrecht ten aanzien van de begroting en de jaarrekening. Wel moet overleg worden gevoerd met de gemeenteraad over de begroting en jaarrekening;

  • de overheersende invloed van de overheid op het bestuur moet bij de stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs alleen voor het openbaar onderwijs worden verzekerd;

  • de gemeenteraad kan bij de stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs zijn instemming met wijziging van de statuten alleen maar onthouden als overheersende invloed van de overheid in het bestuur niet is verzekerd voor het openbaar onderwijs;

  • bij de stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs kan de gemeenteraad in geval van ernstige taakverwaarlozing of functioneren in strijd met de wet, alleen maatregelen nemen die nodig zijn voor de continuïteit van het openbaar onderwijs.

Artikel 3.16. Stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs

Eerste lid

Het eerste lid van artikel 3.16 maakt mogelijk dat door één stichting zowel openbare als bijzondere scholen in stand worden gehouden. De instandhouding van de openbare en bijzondere scholen wordt dan opgedragen aan een nieuwe of al bestaande stichting. Het eerste lid maakt verder duidelijk dat de gemeenteraad hierover beslist namens de gemeente.

Tweede lid

Op het moment dat binnen een samenwerkingsbestuur de laatste zelfstandige openbare school met de laatste zelfstandige bijzondere school institutioneel fuseren tot een samenwerkingsschool, hoeft de bestuursvorm niet gewijzigd te worden. Zo is geregeld dat – naast de stichting voor openbaar onderwijs en de stichting voor bijzonder onderwijs – ook het samenwerkingsbestuur samenwerkingsscholen in stand kan houden.

Derde lid

Dit lid regelt expliciet dat onder gemeenteraad in deze paragraaf wordt verstaan, de gemeenteraad van de gemeente waar de openbare school is gevestigd.

Artikel 3.17. Statuten stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs

Eerste lid

Dit lid schrijft voor dat in de statuten van de stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs in elk geval het geven van openbaar en bijzonder onderwijs in afzonderlijke openbare en bijzondere scholen moet worden aangeduid als (statutair) doel.

Tweede lid

Het tweede lid duidt de onderwerpen aan die de statuten waarbij de stichting wordt ingesteld in elk geval moet regelen. Regels over de «samenstelling van het bestuur» (onderdeel a) kunnen onder andere betrekking hebben op het aantal leden dat het bestuur heeft. Onder «werkwijze van het bestuur» kan bijvoorbeeld worden verstaan de frequentie waarmee het bestuur vergadert en de procedure voor het stemmen over voorgenomen beslissingen. Onder «inrichting van het bestuur» kan onder andere de aanwijzing van een voorzitter, secretaris en penningmeester van het bestuur worden begrepen. Regels over de wijze van benoeming, schorsing en ontslag (onderdeel b) kunnen bijvoorbeeld inhouden dat het bestuur voor aspirant-bestuursleden een profielschets opstelt. De duur van het bestuurslidmaatschap moet eveneens in de statuten worden bepaald (onderdeel c). Regels over de «vaststelling van de begroting en de jaarrekening» (onderdeel d) kunnen bijvoorbeeld gaan over het moment waarop de begroting en jaarrekening voor instemming worden voorgelegd aan de gemeenteraad en het moment waarop deze stukken vervolgens worden vastgesteld door het bestuur. Ook de wijze waarop de gemeenteraad toezicht uitoefent op het bestuur van de openbare school moet in de statuten worden geregeld (onderdeel e). Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het opdragen van bijzondere overlegverplichtingen of inlichtingenplichten ten aanzien van specifieke onderwerpen. In beginsel zijn de vergaderingen van het bestuur openbaar. Wanneer het bestuur beslist om een vergadering besloten te houden, kan dat alleen op gronden die in de statuten zijn vastgelegd (onderdeel f). Tot slot moeten de statuten regelen voor welke periode de stichting in het leven wordt geroepen. Deze periode mag niet korter dan vijf jaar zijn (onderdeel g). Tot slot regelen de statuten ook de bevoegdheid tot ontbinding van de stichting (onderdeel h).

Derde lid

Het derde lid bepaalt dat in de statuten een overheersende invloed van de gemeente in het bestuur is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs betreft. Een van de kenmerken van openbaar onderwijs is dat het van overheidswege wordt gegeven. Om te garanderen dat daarvan ook sprake is bij openbaar onderwijs binnen samenwerkingsscholen, heeft de wetgever erin voorzien dat sprake moet zijn van overheersende invloed van de overheid (de gemeente) in het bestuur, voor zover het gaat om het openbaar onderwijs binnen de stichting.

Vierde lid

De gemeenteraad moet vooraf instemming geven voor wijzigingen van de statuten. Alleen wanneer de overheersende invloed van de overheid in het bestuur voor het openbaar onderwijs niet is verzekerd kan de gemeenteraad zijn instemming voor wijziging van de statuten onthouden.

Artikel 3.18. Taken en bevoegdheden stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs

Eerste lid

Het deels openbare karakter van het onderwijs dat onder bestuur van een stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs wordt geplaatst, maakt het noodzakelijk dat jaarlijks inzicht wordt gegeven in de staat van dat openbare onderwijs. Daarom is bepaald dat het bestuur van de stichting jaarlijks verslag uitbrengt aan de gemeenteraad en dat dit verslag ingaat op de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs, te weten: de algemene toegankelijkheid, de levensbeschouwelijke pluriformiteit en de non-discriminatie wat het personeel betreft. Het bestuur maakt het verslag openbaar.

Tweede lid

Het uitgangspunt is dat het bestuur van de stichting in het openbaar vergadert. Het bestuur kan beslissen om vergaderingen achter gesloten deuren te houden. Die beslissing kan alleen worden genomen op gronden die in de statuten zijn geregeld (zie artikel 3.17, tweede lid, onderdeel f).

Artikel 3.19. Gemeentelijke bevoegdheid opheffing openbare school

Alle wettelijke taken en bevoegdheden die toekomen aan het bevoegd gezag van de scholen waarvan de instandhouding wordt overgedragen, komen na die overdracht toe aan het bestuur van de stichting. Het bestuur van de stichting oefent, zonder enige beperking, alle taken en bevoegdheden uit die eigen zijn aan het zijn van bevoegd gezag. De gemeente kan hierbij geen beperkingen aanbrengen. Eén onderwerp blijft op grond van dit artikel wel altijd voorbehouden aan de gemeente zelf: het is niet het bestuur van de stichting dat tot de opheffing van een openbare school besluit, maar de gemeenteraad.

Artikel 3.20. Overige regels stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs

Het personeel van de stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs is niet werkzaam op basis van een (publiekrechtelijke) aanstelling, maar op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

Artikel 3.21. Taakverwaarlozing stichting voor openbaar en bijzonder onderwijs

Hoewel het bestuur over (delen van) het openbaar onderwijs door de gemeenteraad ook kan worden opgedragen aan een stichting, behoudt de gemeenteraad uiteindelijk de verantwoordelijkheid voor het openbaar onderwijs. Daarom bevat dit artikel een taakverwaarlozingsregeling: als het bestuur van de stichting zijn taken als bevoegd gezag van openbare scholen ernstig verwaarloost of zelfs in strijd met de wet handelt, kan de gemeenteraad ingrijpen door zelf voorzieningen te treffen.

Paragraaf 5. Stichting voor instandhouding samenwerkingsschool

Deze paragraaf regelt de samenwerkingsschool: een school waarin zowel openbaar als bijzonder onderwijs (van een of meer richtingen) wordt gegeven. Uitgangspunt van de wettelijke regeling voor de samenwerkingsschool is dat het duale bestel van openbaar en bijzonder onderwijs niet mag worden uitgehold. Het gaat daarbij zowel om het waarborgen van het behoud van het aanbod en het karakter van het openbaar onderwijs, als om het waarborgen van de vrijheid van het bijzonder onderwijs. Diverse voorschriften zijn opgenomen om dit te waarborgen.

Artikel 3.22. Stichting voor instandhouding samenwerkingsschool

De inhoud van het tweede lid is voor Caribisch Nederland in hoofdstuk 11 anders geregeld.

Eerste lid

Dit lid regelt de samenwerkingsschool, als vorm van samenwerking tussen openbaar en bijzonder onderwijs op het niveau van de school. Het betreft een uitzonderingsvariant binnen het duale onderwijsbestel. In samenwerkingsscholen wordt zowel openbaar als bijzonder onderwijs aangeboden. Vooral in gebieden met leerlingendaling kan het vormen van een samenwerkingsschool een langetermijnperspectief bieden aan scholen, maar ook in dichtbevolkte gebieden kunnen samenwerkingsscholen worden gevormd. Door de vorming van de samenwerkingsschool blijft de keuze tussen openbaar en bijzonder onderwijs behouden. Het doel van de mogelijkheid tot het vormen van samenwerkingsscholen, is te komen tot een duurzaam bestuurlijk kader waarin zowel bijzondere als openbare scholen kunnen worden herschikt en wanneer nodig samengevoegd. Daardoor kunnen de kwaliteit, toegankelijkheid en diversiteit van het onderwijs worden gewaarborgd. Personele vraagstukken en samenwerkingsvraagstukken tussen scholen onderling zijn binnen het bestuur van een samenwerkingsschool bijvoorbeeld gemakkelijker op te lossen. Het gaat dus niet zozeer om het bieden van een oplossing voor een enkele met opheffing bedreigde school.

Op grond van het eerste lid kan een samenwerkingsschool uitsluitend ontstaan door een samenvoeging van een of meer bestaande openbare scholen en een of meer bestaande bijzondere scholen. Samenwerkingsscholen kunnen dus niet als zodanig worden gesticht. De samenwerkingsschool wordt uitsluitend in stand gehouden door:

  • een stichting die een bijzondere school in stand houdt (doordat het eerste lid in algemene zin spreekt van «een stichting», naast de twee andere typen stichtingen die een school in stand kunnen houden, gaat het daar per definitie om een dergelijke stichting);

  • een stichting die een of meer openbare en een of meer bijzondere scholen in stand houdt, of

  • een stichting die een openbare school in stand houdt.

Een stichting die een openbare school in stand houdt, zal ook een samenwerkingsschool in stand kunnen houden. Dit houdt verband met het feit dat de gelijkwaardigheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs niet op bestuursniveau is geregeld maar op het niveau van de school, in de vorm van een identiteitscommissie (zie artikel 3.24). Expliciet is voorgeschreven dat het statutaire doel van de in stand houdende stichting in elk geval moet zijn, het in stand houden van een samenwerkingsschool. De keuze wie het bevoegd gezag vormt van de samenwerkingsschool is overgelaten aan de betrokken schoolbesturen.

Tweede lid

Op de feitelijke bestuursoverdracht en de daarbij in acht te nemen eisen, is het artikel over de bestuursoverdracht van openbare en bijzondere scholen van overeenkomstige toepassing verklaard in dit lid. Dat betekent dat ook de instandhouding van een samenwerkingsschool kan worden overgedragen aan een andere rechtspersoon die tot deze instandhouding bevoegd is, onder soortgelijke voorwaarden als gelden voor de overdracht van afzonderlijke openbare en bijzondere scholen. Nevenvestigingen van de deelnemende scholen worden automatisch onderdeel van de samenwerkingsschool.

Derde lid

Een samenwerkingsschool kan alleen tot stand komen als daardoor de continuïteit van het openbaar of bijzonder onderwijs gehandhaafd kan blijven. Het derde lid preciseert in relatie tot het vierde lid wanneer daarvan sprake is. Verder geldt de eis dat de betrokken scholen en scholengemeenschappen alle leerjaren omvatten. Dit voorkomt dat men een openbare of bijzondere school kan stichten met als doel haar al binnen enkele jaren te doen fuseren tot een samenwerkingsschool met een andere bijzondere of openbare school.

Wanneer een school op 1 oktober van enig jaar aan het continuïteitscriterium van artikel 3.22, derde lid, onderdeel a (uitgewerkt in het vierde lid van dit artikel) voldoet, heeft de school tot 1 augustus van het tweede daarop volgende jaar de mogelijkheid om een samenwerkingsschool te vormen. Dit maakt het mogelijk om de fusie tot samenwerkingsschool door te zetten als de school door een schommeling in de leerlingaantallen in het daaropvolgende jaar weer iets boven de norm zit.

Vierde en vijfde lid

Dit lid regelt, met objectieve getalscriteria, aan welke voorwaarden scholen moeten voldoen om te kunnen vaststellen dat met de vorming van de samenwerkingsschool de continuïteit zal zijn gehandhaafd. Een samenwerkingsschool mag worden gevormd wanneer bij een categorale school één van de scholen minder leerlingen heeft dan 4/3 van de opheffingsnorm die voor de betreffende schoolsoort is gesteld in artikel 4.24. Bij een scholengemeenschap moet het aantal leerlingen voor praktijkonderwijs, mavo en havo minder bedragen dan 3/2 van de opheffingsnorm. Voor de overige schoolsoorten binnen een scholengemeenschap gelden vaste, van de opheffingsnormen afgeleide getalscriteria. Overigens geldt dat het getalscriterium voor een scholengemeenschap als geheel de optelsom vormt van de getalscriteria voor alle schoolsoorten in de betreffende scholengemeenschap. Dat geldt ook voor de opheffingsnorm voor een scholengemeenschap.

Artikel 3.23. Identiteitscommissie en statuten stichting voor instandhouding samenwerkingsschool

Eerste lid

De verplichting om een (statutair verankerde) identiteitscommissie in te stellen, waarborgt het duale stelsel op schoolniveau (dus niet op bestuursniveau). Het is niet het schoolbestuur, maar de gemeenschap van ouders en leerkrachten op de school zelf, die vormgeeft aan het openbare karakter en de identiteit van de school, door middel van de identiteitscommissie: de identiteit krijgt bij uitstek vorm op het niveau van de school.

Tweede lid

De identiteitscommissie heeft een rol in zaken die betrekking hebben op de manier waarop invulling wordt gegeven aan het openbare karakter en de identiteit van de samenwerkingsschool. Deze commissie kan zowel gevraagd als ongevraagd adviseren, over alle aangelegenheden die betrekking hebben op de manier waarop invulling wordt gegeven aan dit openbare karakter en deze identiteit. In het schoolplan en in de schoolgids moet worden aangegeven hoe de identiteitscommissie het openbare karakter en de identiteit uitwerkt. Het gaat dan bijvoorbeeld om aspecten van het personeelsbeleid, keuzen voor lesmethoden en vormgeving van vieringen en dagopeningen.

Derde lid

Dit lid bevat een specifieke bepaling over de statuten van een samenwerkingsschool, die bepaalde zaken moeten regelen die de identiteitscommissie betreffen. In de statuten wordt de samenstelling van de identiteitscommissie vastgelegd en worden de bevoegdheden van de commissie benoemd. Ook wordt in de statuten een voorziening vastgelegd voor het beslechten van geschillen tussen het bevoegd gezag en de identiteitscommissie. Beide partijen kunnen een geschil voorleggen. Daarnaast kunnen in de statuten bepaalde bevoegdheden van de commissie worden vastgelegd. Het bevoegd gezag blijft altijd eindverantwoordelijk voor de samenwerkingsschool. Wel zal het bestuur door de wettelijke en statutaire verankering van de identiteitscommissie het advies van deze commissie zwaar moeten laten meewegen.

Vierde lid

De gemeente houdt in geval van een stichting die de samenwerkingsschool in stand houdt, invloed op de statuten voor zover het de identiteitscommissie betreft. Wijzigingen van de statuten op dit punt hebben instemming nodig van de gemeente. De gemeente kan die instemming alleen onthouden indien overheersende invloed van de gemeente in de identiteitscommissie niet is verzekerd voor zover het gaat om het openbaar onderwijs binnen de samenwerkingsschool. De statuten moeten dus voorzien in een regeling die de gemeente op dit punt voldoende garanties geeft.

Artikel 3.24. Taken en bevoegdheden stichting voor instandhouding samenwerkingsschool; overdracht, opheffing of samenvoeging samenwerkingsschool

Eerste lid

Als een stichting voor bijzonder onderwijs een samenwerkingsschool in stand houdt, moet zij jaarlijks aan de gemeenteraad verslag uitbrengen over haar werkzaamheden (werkzaamheden zijn de werkzaamheden van de stichting, meer speciaal het verzorgen van openbaar onderwijs. Daarbij moet in elk geval aandacht worden geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Deze zijn in artikel 3.6 beschreven: de toegankelijkheid van de openbare school voor leerlingen zonder onderscheid naar godsdienst of levensovertuiging, de eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging bij het geven van het openbaar onderwijs; en de benoembaarheid op gelijke voet van het personeel.

Tweede lid

Samenwerkingsscholen kunnen worden overgedragen, opgeheven of samengevoegd. Daarvoor is wel instemming nodig van de gemeenteraad van de gemeente waar de samenwerkingsschool is gevestigd. De waarborgen in dit lid zijn ook nodig om het aanbod en het karakter van het openbaar onderwijs te waarborgen.

Artikel 3.25. Overige regels samenwerkingsschool

Eerste lid

Bij de toelating van leerlingen tot de samenwerkingsschool staat de algemene toegankelijkheid voorop. Misschien is een school groot genoeg om een scheiding aan te brengen in groepen voor openbaar en bijzonder onderwijs. In theorie geldt dan alleen voor de groep voor het openbaar onderwijs de algemene toegankelijkheid. Een leerling zal echter altijd tot de samenwerkingsschool toegelaten moeten worden, zonder onderscheid naar godsdienst of levensovertuiging. Het gaat om één school, waarbinnen tegelijkertijd zowel openbaar als bijzonder onderwijs wordt gegeven. Het is daarom niet goed mogelijk om de algemene toegankelijkheid alleen verplicht te stellen voor het openbare deel van het aangeboden onderwijs aan de school.

Tweede lid

Dit lid koppelt de regels voor bijzondere scholen in deze wet en in andere wetten die over het voortgezet onderwijs gaan, ook aan de samenwerkingsscholen. De hoofdregel is dat die regels van overeenkomstige toepassing zijn. Dat betekent dat zij op een wijze die is aangepast aan het feit dat het hier om samenwerkingsscholen gaat en niet om afzonderlijke scholen voor bijzonder onderwijs, ook gelden voor het bijzonder onderwijs in de samenwerkingsscholen, behalve als wet- en regelgeving anders bepaalt.

Artikel 3.26. Taakverwaarlozing stichting voor instandhouding samenwerkingsschool

Dit artikel bevat een regeling over taakverwaarlozing. Zo’n regeling is noodzakelijk in verband met de zorg voor voldoende openbaar onderwijs in de gemeente. Alleen bij ernstige taakverwaarlozing kan worden ingegrepen door de gemeenteraad van de gemeente waar de school is gevestigd. Dit ingrijpen betekent dat de school uiteindelijk zelfs kan worden gesloten. Dit is een zeer zwaar middel, dat pas zal worden ingezet nadat eerst andere maatregelen zijn genomen. Die maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden dat het bestuur wordt vervangen, dat een toezichthouder wordt aangesteld of dat in het onderwijsproces wordt ingegrepen.

Paragraaf 6. Niet bekostigd onderwijs

Artikel 3.27. Kennisgeving oprichting niet bekostigde school

Dit artikel is opgenomen met het oog op de mogelijkheid om toezicht te houden op niet bekostigde scholen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 3, LPW (hierna: B3-scholen). De inspectie moet beoordelen of een onderwijsvoorziening als een B3-school kan worden aangemerkt en moet de gemeente hierover adviseren. De leerplichtambtenaar moet dat advies overnemen en de school als B3-school aanmerken.25 Om toezicht te kunnen houden en de gemeente te kunnen adviseren, moet de inspectie op de hoogte zijn van het aanbod van dit type onderwijsvoorzieningen. De reikwijde van het artikel is beperkt tot de B3-scholen, en beslaat dus niet de scholen als bedoeld in artikel 2.66 (B2-scholen) of artikel 1, onderdeel b, onder 4, LPW (B4-scholen). Over de B2-scholen krijgt de Minister al informatie in het kader van de procedure waarbij de bevoegdheid wordt aangevraagd om VO-diploma’s te verstrekken. In die procedure moeten de statuten worden overgelegd (zie artikel 2.67). De B4-scholen vallen buiten de werking van deze wet, maar worden bekend bij de Minister via de aanvraag van de aanwijzing als school in de zin van de LPW (zie artikel 1a van de LPW). Voor het bekostigd onderwijs ontvangt de Minister informatie over nieuwe scholen in het kader van de voorzieningenplanning (hoofdstuk 4 van deze wet). Als de B3-school in stand wordt gehouden door een rechtspersoon moet deze de statuten en reglementen van de rechtspersoon overleggen. Als deze stukken worden gewijzigd of ingetrokken, moet de Minister daar binnen vier weken in kennis van worden gesteld.

Paragraaf 7. Fusies

Artikel 3.28. Bestuurlijke fusie

Dit artikel is in Caribisch Nederland niet van toepassing, zie hoofdstuk 11.

Een fusie kan op verschillende manieren plaatsvinden. In artikel 3.28 is de bestuurlijke fusie geregeld. Daarvan is sprake als een of meer rechtspersonen de instandhouding van een school overdragen aan een ander bestuur.

Eerste lid

Het eerste lid heeft betrekking op de bestuurlijke fusie waarbij de instandhouding van een openbare school van de ene rechtspersoon wordt overgedragen aan een andere rechtspersoon.

Tweede lid

Dit lid regelt de bestuurlijke fusie voor het bijzonder onderwijs de bestuurlijke fusie: het gaat dan om de overdracht van de instandhouding van een bijzondere school van de ene rechtspersoon aan een andere rechtspersoon wordt bedoeld.

Derde lid

In het derde lid zijn twee situaties benoemd, waarin geen sprake is van een bestuurlijke fusie als bedoeld in de WVO 20xx. In onderdeel a is een uitzondering geformuleerd ten aanzien van een bestuurlijke fusie die resulteert in verzelfstandiging van het openbaar onderwijs in die gemeente, waarbij de betrokken openbare school of scholen onder één openbare rechtspersoon of stichting worden gebracht. Indien hierbij slechts één gemeenteraad is betrokken – een zogenaamde één-op-één overdracht – neemt de bestuurlijke omvang niet toe. Er is dan geen sprake van een bestuurlijke fusie als bedoeld in het eerste lid. Voor de verzelfstandiging van het openbaar onderwijs door verschillende gemeenteraden, waarbij de betrokken scholen onder één stichting of openbare rechtspersoon worden gebracht, gelden de in deze wet aan bestuurlijke fusies gestelde voorwaarden wel, omdat de bestuurlijke omvang dan toeneemt.

Onderdeel b heeft betrekking op de overdracht van de instandhouding van een bijzondere school bij splitsing van de rechtspersoon die deze school in stand houdt. In de memorie van toelichting op de wet op de fusietoets in het onderwijs was al aangegeven dat splitsing van een rechtspersoon buiten het fusiebegrip valt.26

Artikel 3.29. Institutionele fusie

Dit artikel is in Caribisch Nederland niet van toepassing, zie hoofdstuk 11.

Naast de mogelijkheid tot een bestuurlijke fusie, die in het vorige artikel is geregeld, bestaat de mogelijkheid om institutioneel te fuseren. Een dergelijke fusie heeft een ander resultaat dan een bestuurlijke fusie: bij een institutionele fusie worden twee of meer scholen of scholengemeenschappen samengevoegd. Het wordt daarom ook wel een scholenfusie genoemd. Het hoeft niet te gaan om een volledige school of scholengemeenschap: ook een deel daarvan kan worden samengevoegd met een andere school, een andere scholengemeenschap, of een onderdeel daarvan.

Artikel 3.30. Instemming Minister

Dit artikel is in Caribisch Nederland niet van toepassing, zie hoofdstuk 11.

Eerste lid

In dit lid is geregeld op welke fusies de voorwaarden van toepassing zijn, die zijn gesteld in de artikelen 3.30 tot en met 3.33.

Tweede lid

Een fusie behoeft de instemming van de Minister, tenzij sprake is van een fusie als bedoeld in het zevende lid. In het voortgezet onderwijs is, anders dan in het primair onderwijs, geen sprake van een toetsdrempel.

Derde lid

De fusietoets draait om het begrip keuzevrijheid. Voor het voortgezet onderwijs is keuzevrijheid te duiden als variatie in het onderwijsaanbod, zowel naar richting (in de zin van denominatie) als naar pedagogische-didactische aanpak en schoolsoort. Het voedingsgebied hierbij is het gebied van de gemeenten waarin de leerlingen woonachtig zijn. Toetscriterium voor de Minister is dat de variatie van het onderwijsaanbod niet op significante wijze wordt belemmerd, waardoor de keuzevrijheid voor ouders, leerlingen en andere belanghebbenden, in het geding komt. Of er sprake is van een significante belemmering wordt per geval beoordeeld (zie onderdeel a). Ook als het aandeel leerlingen per schoolsoort van de bij de fusie betrokken scholen groter is dan een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage, kan aan de fusie goedkeuring onthouden worden (zie onderdeel b).

Vierde lid

Op grond van de artikelen 4.10 en 4.11 kan de Minister een school die door institutionele fusie (= samenvoeging) tot stand is gekomen, alleen voor bekostiging in aanmerking brengen als minstens een bepaald percentage van de leerlingen van de betrokken scholen afkomstig is uit dezelfde postcodegebieden (overlap in voedingsgebied). Het niet voldoen aan dit criterium is niet alleen een weigeringsgrond voor de bekostigingsbeslissing, maar ook een weigeringsgrond voor de beslissing over het verlenen van instemming met de fusie.

Vijfde lid

De Minister laat zich adviseren door een onafhankelijke adviescommissie bij de voorbereiding van de beslissing tot het al dan niet instemmen met een fusie. In artikel 3.30 is bepaald dat deze advisering plaatsvindt «tenzij de noodzaak daartoe ontbreekt» en dat bij ministeriële regeling wordt bepaald wanneer er geen sprake is van een noodzaak tot advisering. Op grond van de Regeling en beleidsregels fusietoets in het onderwijs, kan de voorzitter van de adviescommissie oordelen dat de noodzaak voor advisering ontbreekt, indien de fusie evident onvermijdelijk is. De voorzitter stelt de Minister daarvan in kennis.

Zesde lid

Een fusie kan pas plaatsvinden na goedkeuring van de Minister. De Minister is echter wel gebonden aan beleidsregels, waarin is geregeld hoe hij een voorgenomen fusie moet beoordelen. Deze beleidsregels zijn opgenomen in de Regeling en beleidsregels fusietoets in het onderwijs.

Zevende lid

De instemmingseis voor fusies geldt niet voor bestuurlijke en institutionele fusies die leiden tot de vorming van een samenwerkingsschool, en ook niet voor fusies voor zover daarbij scholen voor praktijkonderwijs zijn betrokken.

Het praktijkonderwijs is kleinschalig georganiseerd en heeft altijd slechts een beperkte invloed op de menselijke maat in het onderwijs. Daarom geldt het vereiste van instemming van de Minister met een fusie niet voor fusies waarbij een school voor praktijkonderwijs is betrokken. De uitzondering van de fusietoets betreft bestuurlijke fusies waarbij de instandhouding van één of meer categorale scholen voor praktijkonderwijs wordt overgedragen aan een ander bevoegd gezag dat een of meerdere scholen voor praktijkonderwijs in stand houdt. Ook als de instandhouding van één of meerdere scholen voor praktijkonderwijs wordt overgedragen aan een bevoegd gezag dat een school of scholengemeenschap met (eventueel naast praktijkonderwijs ook) andere scholen of schoolsoorten in stand houdt, is de fusie niet aan de fusietoets onderhevig.

De fusie is wel toetsplichtig als naast de instandhouding van één of meer scholen voor praktijkonderwijs ook de instandhouding van één of meer andere scholen of schoolsoorten of scholengemeenschappen wordt overgedragen aan een bevoegd gezag dat één of meer scholen of scholengemeenschappen in stand houdt. Het effect op de keuzevrijheid is dan groter, omdat er dan een bevoegd gezag is dat er niet alleen één of meerdere scholen voor praktijkonderwijs bij krijgt, maar ook andere scholen of schoolsoorten, die grootschaliger zijn georganiseerd. De aanvraag voor goedkeuring van de fusie ziet dan op de andere schoolsoorten dan het praktijkonderwijs: ook bij een dergelijke fusie worden de effecten voor praktijkonderwijs niet meegenomen in het advies van de adviescommissie en het besluit van de Minister.

Institutionele fusies waarbij een school voor praktijkonderwijs samengaat met een andere school voor praktijkonderwijs zijn ook niet aan de fusietoets onderhevig. Een institutionele fusie van een categorale school voor praktijkonderwijs met een andere school of scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs (vbo, mavo, havo en/of vwo) is ook niet toetsplichtig. Ook in dat geval wordt namelijk alleen praktijkonderwijs toegevoegd aan de school of scholengemeenschap.

Een institutionele fusie van een scholengemeenschap waarin een school met praktijkonderwijs is opgenomen met een andere brede scholengemeenschap, waarin een school met praktijkonderwijs is opgenomen, is wel toetsplichtig voor zover het de andere schoolsoorten dan praktijkonderwijs betreft.

De overdracht van de instandhouding van een school of scholengemeenschap voor vbo, mavo, havo en/of vwo aan een ander schoolbestuur met scholengemeenschappen waaraan een school voor praktijkonderwijs is verbonden, valt ook onder de fusietoetsplicht. Het zevende lid, aanhef en onder b, regelt alleen een uitzondering op het instemmingsvereiste voor zover het scholen voor praktijkonderwijs betreft.

Ook als de fusie niet toetsplichtig is, is het noodzakelijk om bij de totstandkoming van een samenwerkingsschool een fusie-effectrapportage (zie artikel 3.31) op te stellen. Instemming van de medezeggenschapsraden van de betrokken scholen is ook altijd vereist. De Minister toetst de aanvraag voor de totstandkoming van een samenwerkingsschool ook op deze elementen.

Artikel 3.31. Aanvraag en fusie-effectrapportage

Dit artikel is in Caribisch Nederland niet van toepassing, zie hoofdstuk 11.

Eerste lid

De aanvraag voor de instemming van de Minister met een fusie, is een aanvraag in de zin van de Awb. Artikel 4:2 Awb bepaalt dat een aanvraag wordt ondertekend en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, alsmede de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd, in dit geval de instemming van de Minister. Artikel 3.31 stelt verdere eisen aan de aanvraag. Zo moet bij de aanvraag een fusie-effectrapportage gevoegd worden. De fusie-effectrapportage is allereerst een instrument voor de belanghebbenden om inzicht te krijgen in motieven, doelen en effecten van de fusie, en om daarop invloed te kunnen uitoefenen. Voor het bestuur dient de fusie-effectrapportage om draagvlak onder de belanghebbenden te verwerven. Het is een vorm van transparantie waarmee het bestuur zich verantwoordt over de fusievoornemens. Ook is vereist dat de medezeggenschapsorganen verklaren in te stemmen met de voorgenomen fusie. Om hen in de gelegenheid te stellen een zorgvuldig besluit te nemen, moet de fusie-effectrapportage aan ze worden voorgelegd. Als er een geschil ontstaat tussen de medezeggenschap en het bestuur over een voornemen tot fusie, zal er geen sprake zijn van instemming door de medezeggenschapsraad. Dan kan het bestuur het geschil voorleggen aan de Landelijke Geschillencommissie WMS en vervolgens aan de Ondernemingskamer te Amsterdam. De bindende uitspraak van de geschillencommissie of van de Ondernemingskamer kan in dat geval in de plaats van de instemming van de medezeggenschapsraad bij de aanvraag worden gevoegd.

Tweede lid

De aanvraag voor instemming van de Minister met een fusie geldt ook als een aanvraag om de school of scholengemeenschap die door de fusie ontstaat, voor bekostiging in aanmerking te brengen.

Derde lid

Het derde lid gaat in op de inhoud van de fusie-effectrapportage. Aan alle onderdelen die in dit artikellid zijn beschreven, moet aandacht zijn besteed om een aanvraag in behandeling te kunnen nemen. Bij het ontbreken van een of meer onderdelen in de aanvraag, waaronder de inhoud van de fusie-effectrapportage, wordt de aanvrager conform artikel 4:5 Awb in de gelegenheid gesteld om de aanvraag binnen een termijn, die de Minister stelt, aan te vullen. Dit betekent dat de beslistermijn waarbinnen de Minister een beschikking moet afgeven wordt opgeschort voor de duur van het aanvullen van de aanvraag (artikel 4:15 Awb). De volgende elementen moeten in een fusie-effectrapportage aan de orde komen. Allereerst moeten de motieven (onderdeel a) en alternatieven (onderdeel b) voor de fusie worden geschetst: wat zijn de beweegredenen, is er bijvoorbeeld een noodzaak om te fuseren? Heeft het bestuur ook alternatieven voor de voorgestelde fusie onderzocht en bijvoorbeeld andere rechtsvormen overwogen? Vervolgens (onderdeel c) moet het tijdsbestek waarbinnen de fusie zal worden gerealiseerd worden geschetst: wanneer vindt het fusieproces plaats?

Vervolgens wordt aandacht gevraagd voor de doelen en effecten (onderdelen d en e) van de fusie: wat wil het bestuur met de fusie bereiken? Gaat het bijvoorbeeld om een hogere kwaliteit van onderwijs, of om meer keuzemogelijkheden voor leerlingen? Zijn de doelen gekwantificeerd? Het is van belang dat het bestuur laat zien welke effecten hij verwacht dat optreden als gevolg van de fusie, en ook welke onbedoelde neveneffecten kunnen optreden. Zijn er bijvoorbeeld gevolgen denkbaar voor het schoolklimaat, of op de betrokkenheid van leerlingen, ouders, en personeel? Zoals eerder al aangegeven, draait de fusietoets om keuzevrijheid. Onderdeel e gaat hier ook over: het bestuur moet aangeven wat de gevolgen zijn van de fusie voor de spreiding en omvang van onderwijsvoorzieningen in de regio. Het gaat dan onder meer om vragen als: wat is het effect van de fusie op bereikbaarheid en toegankelijkheid van de voorzieningen? Het bestuur moet daarnaast aangeven hoe het waarborgt dat er een gevarieerd onderwijsaanbod blijft bestaan in de regio, of dat de fusie leidt tot meer variëteit. Het gaat hierbij zowel om diversiteit op het niveau van onderwijsinstellingen, als om diversiteit in het niveau van opleidingen of vestigingen. Bij dat laatste gaat het om wat men zou kunnen noemen «interne keuzevrijheid»: de mogelijkheid om te kiezen uit een gevarieerd onderwijsaanbod binnen een bestuurlijke eenheid. Ook na de fusie moet er nog keuzevrijheid zijn. De betrokken besturen moeten daarom aangeven of leerlingen en hun ouders een reële keuze blijven houden uit onderwijsinstellingen van een bepaalde richting.

Naast de effecten van de fusie op het onderwijsaanbod in de regio, moet ook aangegeven worden wat de gevolgen van de fusie zijn voor de betrokken scholen (onderdeel f). Wat zijn de kosten en baten van de fusie binnen de school, zowel financieel als personeel? In de fusie-effectrapportage moet worden aangegeven niet-financiële kosten en baten er naar verwachting optreden. Daarnaast moet worden aangegeven welke gevolgen de fusie heeft voor leerlingen en hun ouders. Onderdeel f verplicht de betrokken scholen en besturen zich de vraag te stellen of de continuïteit voldoende is gewaarborgd en welke risico’s aan de fusie zijn verbonden. Wat is het gevolg van de fusie voor de voorzieningen, wat betekent de fusie voor de arbeidsvoorwaarden, het personeelsbeleid en de medezeggenschap? En wat zijn de gevolgen voor betrokkenheid van leerlingen, voor hun motivatie en mogelijkheden voor medezeggenschap? Wat zijn de gevolgen voor de betrokkenheid van ouders?

In aanvulling op de hierboven beschreven zaken, dient in de fusie-effectrapportage ingegaan te worden op de wijze waarop over de fusie wordt gecommuniceerd en de manier waarop deze zal worden geëvalueerd (de onderdelen h en i). Uit de fusie-effectrapportage moet blijken op welke manieren en via welke kanalen de belanghebbenden worden betrokken bij het fusieproces. De betrokkenheid en instemming van de medezeggenschapsorganen volstaat niet altijd. Het kan nodig zijn om naast medezeggenschap de belanghebbenden op andere manieren te betrekken bij het fusieproces. Verder moet worden aangegeven wanneer en hoe wordt geëvalueerd of de doelen zijn bereikt en welke effecten zijn opgetreden, vooral op de punten van spreiding, omvang, variëteit en keuzevrijheid.

Tot slot moet blijken hoe het college van burgemeester en wethouders denkt over de wenselijkheid van de fusie (onderdeel i).

Artikel 3.32. Beslistermijn; positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen

Dit artikel is in Caribisch Nederland niet van toepassing, zie hoofdstuk 11.

In afwijking van de termijnen die de Awb regelt, stelt dit artikel de beslistermijn voor een aanvraag voor instemming van de Minister met een fusie op dertien weken, tenzij de aanvraag niet volledig is, en de termijn om die reden wordt opgeschort. De termijn van dertien weken kan eenmalig met nog eens dertien weken worden verlengd. In deze periode moeten diverse stappen worden gezet: de aangeleverde documenten (waaronder de fusie-effectrapportage) worden op volledigheid gecontroleerd. Er moet onderzoek worden verricht (soms ook ter plaatse), en er wordt gesproken met belanghebbenden (waaronder het bestuur). Wordt gebruik gemaakt van de verlengingsmogelijkheid, dan wordt de aanvrager hierover geïnformeerd.

In het tweede lid is, voor de rechtszekerheid van de aanvrager, geregeld dat de gevraagde instemming met de fusie van rechtswege is gegeven, als het besluit niet binnen de gestelde termijn is genomen (lex silencio positivo). Is de rechtspersoon het niet eens met de beslissing van de Minister, dan kan zij, na eerst bezwaar te hebben gemaakt, in beroep gaan bij de bestuursrechter. Het rechtsbeschermingsregime van de Awb is van toepassing.

Artikel 3.33. Overdracht; splitsing

Dit artikel is in Caribisch Nederland niet van toepassing, zie hoofdstuk 11.

Eerste lid

Zoals in artikel 3.28 is geregeld, is er bij een bestuurlijke fusie sprake van overdracht van de instandhouding van een school of scholengemeenschap. Deze overdracht omvat de overgang van rechten en plichten op de verkrijgende rechtspersoon, samen met de verplichting om het personeel in gelijke betrekkingen aan te stellen. Dit lid schrijft de vorm van de overdracht voor: de bestuurlijke fusie moet altijd plaatsvinden bij notariële akte. De overdracht omvat ook de rechten ten aanzien van gebouwen, terreinen en roerende zaken, behalve als er een ontheffing is verleend op grond van het zesde lid. De notariële akte geldt ook als de akte van levering die is vereist voor de levering van onroerende zaken (artikel 89 van Boek 3 BW en artikel 89 van Boek 3 BW BES).

Tweede lid

In de akte moet altijd een verplichting zijn opgenomen voor de verkrijgende rechtspersoon om het meekomende personeel in gelijke betrekkingen aan te stellen (als het gaat om een openbare school) onderscheidenlijk te benoemen (als het gaat om een bijzondere school).

Derde lid

De verkrijgende rechtspersoon krijgt alle rechten en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger, voor zover deze rechten en plichten uit de wet voortvloeien. De aanduiding «de wet» omvat primair de WVO 20xx, maar daarnaast ook andere wettelijke regelingen. De woorden «onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist» maken duidelijk dat het burgerlijk recht zonder beperking van toepassing is op de overdracht van de rechten en verplichtingen.

Vierde lid

Dit lid maakt het voor het college van burgemeester en wethouders mogelijk om toe te staan dat in bijzondere omstandigheden de rechten ten aanzien van gebouwen, terreinen en roerende zaken niet overgaan op de verkrijgende rechtspersoon. Welke omstandigheden dat zijn, is ter beoordeling van het college zelf.

Vijfde lid

Het vijfde lid gaat over splitsing van een rechtspersoon die een bijzondere school in stand houdt. Splitsing is mogelijk in twee vormen: zuivere splitsing en afsplitsing. Bij zuivere splitsing draagt de splitsende rechtspersoon zijn hele vermogen over aan ten minste twee verkrijgende rechtspersonen. De oude rechtspersoon houdt daarmee op te bestaan. Bij afsplitsing wordt een deel van het vermogen overgedragen aan ten minste één verkrijgende rechtspersoon. De splitsende rechtspersoon blijft bestaan en behoudt het resterende gedeelte van het vermogen. In de akte van splitsing moet worden aangegeven of de splitsende rechtspersoon die blijft voortbestaan of een van de verkrijgende rechtspersonen de school in stand zal houden.

  • Zal een verkrijgende rechtspersoon de school in stand houden, dan zijn de genoemde bepalingen voor de bestuursoverdracht van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat in de splitsingsakte wordt bepaald dat de rechten en plichten over de roerende en onroerende zaken van de instelling overgaan op de verkrijgende rechtspersoon, dat deze rechtspersoon het personeel in gelijke betrekkingen moet benoemen en dat hij alle op de school betrekking hebbende rechten en plichten van zijn rechtsvoorganger krijgt.

  • Zal de voortbestaande splitsende rechtspersoon de school in stand houden, dan houden de personeelsleden hun betrekkingen en blijven alle rechten en plichten over de school, inclusief die over de roerende en onroerende zaken, bij deze rechtspersoon, omdat de instandhouding van de school deze zaken omvat.

Paragraaf 8. Centrale diensten

Artikel 3.34. Centrale dienst

Dit artikel is in Caribisch Nederland niet van toepassing, zie hoofdstuk 11.

Eerste lid

Dit artikel regelt de centrale dienst: een aan de school gerelateerde rechtspersoon, die aan bepaalde voorwaarden moet voldoen. Een of meer bevoegde gezagsorganen kunnen samen een centrale dienst instellen voor ondersteuning van de scholen onder hun gezag. Ze kunnen deze centrale dienst samen besturen. Dat is niet verplicht, maar kan bijvoorbeeld betekenis hebben voor de uitvoering van administratieve taken.

Onderdeel a

Andere bevoegde gezagsorganen dan hier bedoeld, kunnen geen deel uitmaken van het bestuur van de centrale dienst. Centrale diensten zijn te beschouwen als een verlengstuk van de aangesloten bevoegde gezagsorganen en mogen daarom alleen door deze bevoegde gezagsorganen (of een afvaardiging daarvan) worden bestuurd, niet door andere instanties.

Onderdeel b

Het doel van een centrale dienst moet blijken uit de statuten van de rechtspersoon of uit de gemeenschappelijke regeling, en mag op grond van dit artikel alleen het verrichten van werkzaamheden ter verzekering van de goede gang van zaken op de school zijn. Gedacht kan worden aan administratieve taken of schoonmaak.

Onderdeel d

De activiteiten van de centrale dienst worden gefinancierd uit de bijdragen van de bevoegde gezagsorganen die deelnemen. Ten minste 51% van de personeelskosten van de centrale dienst moet bestaan uit bijdragen die afkomstig zijn van de rijksoverheid, want alleen dan heeft personeel van de dienst het ABP-ambtenaarschap. Dit is expliciet voor centrale diensten geregeld in de Wet privatisering ABP, artikel 2, eerste lid, onderdeel d.

Onderdeel e

Destijds is deze bepaling opgenomen om te voorkomen dat de toenmalige centrale administraties die aan de criteria in het eerste lid, onderdelen a t/m d, voldeden, automatisch centrale diensten werden.

Tweede lid

Het is niet de bedoeling dat de centrale dienst wordt ingeschakeld voor andere activiteiten dan «werkzaamheden in het belang van de goede gang van zaken van het onderwijs», zoals aangegeven in onderdeel b van het eerste lid. De opsomming in dit lid geeft aan welke andere activiteiten in ieder geval worden bedoeld.

Derde lid

Om te zorgen dat de rechtspositie van het personeel dat in dienst is van een centrale dienst helder is, bepaalt dit lid dat het personeel dezelfde rechtspositie heeft als overeenkomstige werknemers in dienst van een onderwijsinstelling. Er moet dan wel sprake zijn van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die aan de voorwaarden voldoet die zijn gesteld in de onderdelen a tot en met e. Het derde regelt verder dat de regels bij of krachtens artikel 7.34 niet van toepassing zijn op personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld, zoals uitzendkrachten of zzp’ers. Deze beperking is in overeenstemming met de huidige begripsbepaling onder b van «personeel» in artikel 1.1. Zie ook de toelichting bij dat begrip.

Gezien het geringe aantal scholen in Caribisch Nederland, is het voor scholen aldaar niet mogelijk om zelfstandige centrale diensten op te richten. Dit artikel wordt om die reden buiten toepassing verklaard voor Caribisch Nederland in hoofdstuk 11.

Paragraaf 9. Klachten, maatregelen en aanwijzingen

Artikel 3.35. Indiening klacht; klachtenregeling

Eerste lid

Dit artikel gaat over de regeling van klachten. De eerste volzin van het eerste lid bevat de plicht voor het bevoegd gezag om een klachtenregeling vast te stellen waarin een klachtencommissie wordt ingesteld. Ouders, leerlingen en personeel kunnen bij die commissie terecht. De voorschriften in dat lid leiden er toe dat de klachtenregeling in het kader van de Awb (zie artikel 9:1 Awb en verder) niet van toepassing is.

De bepaling in artikel 24b, derde lid, WVO, dat de klachtenregeling niet strekt ter vervanging van een andere voorziening die op grond van een wettelijke regeling voor de klager openstaat of heeft opengestaan, is vervallen. Deze bepaling was oorspronkelijk opgenomen om duidelijk te maken dat de klachtenregeling niet afdoet aan bijvoorbeeld een bezwaar- of beroepsmogelijkheid op grond van de Awb. Omdat het niet nodig is om dit uitdrukkelijk te bepalen, maakt deze bepaling geen onderdeel meer uit van de WVO 20xx.

Tweede lid

De klachtenregeling moet regelen dat de klachten worden behandeld door een klachtencommissie van ten minste drie leden. Eén van die leden moet de voorzitter zijn. De voorzitter mag niet werkzaam zijn voor of bij het bevoegd gezag.

Derde lid

De klachtenregeling is bedoeld voor gedragingen of beslissingen die bepaalde ouders, leerlingen of personeelsleden direct aangaan. Daarnaast hebben ouders en leerlingen een klachtrecht over gedragingen en beslissingen die allereerst gaan over andere leerlingen en andere ouders. Ze kunnen met hun klacht gehoor vinden bij de klachtencommissie, ook als een direct betrokkene om wat voor reden dan ook geen klacht wil indienen. Verder is geregeld dat kan worden geklaagd over het nalaten van gedragingen of het niet nemen van beslissingen. Een klacht kan ook gaan over de al dan niet juiste toepassing van het leerlingenstatuut.

De wet regelt niet heel precies het soort klachten dat kan worden ingediend, omdat dat de mogelijkheden van de betrokkenen onnodig zou beperken. Bovendien zijn er verschillende aspecten denkbaar waarvoor het redelijk is dat klachten kunnen worden ingediend door anderen dan (de ouders van) de desbetreffende leerling. Denk aan handelingen en gedragingen tegenover één of enkele leerlingen die het (pedagogisch) klimaat in een groep negatief beïnvloeden en daarom ook negatieve effecten (kunnen) hebben op andere leerlingen of gedragingen met gevolgen voor meer dan één of enkele leerlingen. Daarbij moet ook worden bedacht dat de school een leef- en opvoedingsgemeenschap is waarbinnen ouders een bredere verantwoordelijkheid dragen dan alleen die voor hun eigen kind.

Binnen het onderwijs is in eerste instantie sprake van een groepsproces. Naast de relatie leerling-leerkracht is in de onderwijssituatie ook het pedagogisch klimaat binnen een groep of de schoolorganisatie van belang. Bepaalde gedragingen of besluiten treffen op het eerste gezicht alleen een individuele leerling, maar kunnen op termijn het pedagogisch klimaat zo negatief beïnvloeden dat ze gevolgen hebben voor alle leerlingen. Denk aan het niet ingrijpen bij pesten of in geval van racistische uitlatingen. Het onderwijs speelt zich af in een interactie tussen leerlingen, leerkrachten en ouders: het is een leef- en opvoedingsgemeenschap waarbij ouders niet alleen een direct belang hebben bij een goed pedagogisch klimaat/opvoedingsklimaat maar daartoe ook een eigen verantwoordelijkheid dragen. In deze situatie is het niet gewenst het klachtrecht te beperken.

Het doel van de klachtenregeling is verbetering van de kwaliteit van het onderwijs; klachten van ouders en leerlingen hebben daarbij een belangrijke signaalfunctie. De effectiviteit van de klachtenvoorziening is gebaat bij signalen vanuit de leerlingen, want zij hebben het meest direct te maken met de gang van zaken op school. Een klacht is niet gericht op rechtsgevolg maar op feitelijk gevolg, en kan dus ook ingediend worden door handelingsonbekwamen.

Vierde lid

De onderwerpen die in dit lid zijn genoemd moeten in elk geval zijn geregeld in de klachtenregeling, maar de verdere invulling ervan is een zaak van het bevoegd gezag. Het gaat in elk geval om de manier waarop de klachtencommissie haar werkzaamheden verricht, de termijn waarbinnen de klager een klacht kan indienen en de termijn waarbinnen het oordeel van de klachtencommissie wordt meegedeeld aan de klager en het bevoegd gezag.

Artikel 10, onderdeel g, WMS op scholen regelt instemmingsrecht voor de personeelsgeleding ten aanzien van de klachtenregeling. Ook artikel 8, tweede lid, onderdeel e, van die wet, is hier van belang.

Een bevoegd gezag zal beleid ontwikkelen naar aanleiding van klachten die op grond van hun frequentie of ernst noodzaken tot een structurele aanpak. Voorbeelden hiervan zijn pesten of het maken van racistische opmerkingen. Dit beleid krijgt een plaats in het schoolplan. De klacht kan ook gaan over een medeleerkracht of de directie. Als klachten tussen collega’s niet binnen het team kunnen worden opgelost, dan is ook voor een personeelslid het aanvullend instrument van het klachtrecht beschikbaar.

Voor seksuele intimidatie is er geen afzonderlijk klachtrecht in de WVO. De Arbeidsomstandighedenwet geeft het bevoegd gezag de algemene opdracht om ervoor te zorgen dat werknemers zoveel mogelijk worden beschermd tegen (onder andere) seksuele intimidatie. Een algemene klachtenregeling en klachtencommissie volstaan daarvoor. Ook artikel 3.39 WVO 20xx, dat gaat over zedenmisdrijven op scholen, gaat ervan uit dat er een algemene klachtencommissie is die de klachten behandelt. Wel voegt dat artikel onder meer een meldings- en aangifteplicht toe met het oog op een strafrechtelijke vervolging. Uitgangspunt van de klachtenregeling is dat over alle gedragingen geklaagd moet kunnen worden. De beste manier om dat resultaat te bereiken is het achterwege laten van elke vorm van opsomming.

De regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht niet wordt deelgenomen door iemand op wiens gedraging de klacht direct betrekking heeft. Verder is zo veel mogelijk overgelaten aan de beleidsvrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van de scholen. Wel is onafhankelijkheid van de voorzitter voorgeschreven. Er is geen maximum aantal leden voorgeschreven. Dat geeft scholen de mogelijkheid om de klachtencommissie uit te breiden met deskundigen op een specifiek terrein. Bij de samenstelling van de klachtencommissie moeten scholen zelf de pluriformiteit zoveel mogelijk garanderen.

Vertrouwenspersonen hebben een bredere taak dan alleen klachtondersteuning. Ook informatiebegeleiding, klachtondersteuning en signalering behoren tot hun takenpakket. De vertrouwenspersoon is zowel beschikbaar voor individuele personen als voor groepen. De vertrouwenspersonen kunnen geen alternatief zijn voor de klachtencommissie, maar hebben eerder een aanvullende rol. Daarom mag de school zelf beslissen of naast een klachtenregeling ook een vertrouwenspersoon zal functioneren.

Een klachtenregeling moet de instemming hebben van zowel de ouder- en leerlinggeleding als van de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad, zie artikel 10, onderdeel g, WMS. De school kan de leden van haar klachtencommissie een vergoeding geven.

Artikel 3.36. Klachtenbehandeling

Eerste lid

De klager en degene over wie wordt geklaagd, moeten beide de gelegenheid krijgen om tegenover de commissie hun zienswijze toe te lichten en zich te laten bijstaan als de klacht in de commissie wordt behandeld. De klachtencommissie beslist over de wijze waarop wordt toegelicht. Dat is onderdeel van het «gelegenheid bieden». De uitwerking hiervan kán onderdeel zijn van de klachtregeling. De WVO 20xx vermeldt in artikel 3.35 alleen de daarin minimaal te regelen onderwerpen.

Tweede lid

De klachtencommissie moet tot een oordeel komen over de gegrondheid van de klacht. Dit oordeel wordt schriftelijk medegedeeld aan de klager, degene over wie wordt geklaagd en het bevoegd gezag. Het oordeel kan vergezeld gaan van bepaalde aanbevelingen.

Derde lid

Het oordeel van de klachtencommissie wordt onder andere medegedeeld aan het bevoegd gezag, dat binnen vier weken na ontvangst schriftelijk moet mededelen of het de mening van de klachtencommissie deelt, of het maatregelen zal treffen en zo ja, welke maatregelen dat zullen zijn. De relatief korte reactietermijn voor het bevoegd gezag is in het belang van de klager, die snel wil weten waar hij aan toe is en of er maatregelen genomen zullen worden. Dit speelt vooral een rol als het gaat om het veranderen van een feitelijke situatie op school.

Vierde lid

De bepaling in het vierde lid is een gebruikelijke geheimhoudingsregel. Geheimhouding staat voorop als het gaat om vertrouwelijke kennis. Alleen als een wettelijk voorschrift dwingt tot mededeling van de betrokken informatie, kan de geheimhoudingsregel worden gepasseerd.

Vijfde lid

Ook de inhoud van het vijfde lid bevindt zich in de sfeer van de vertrouwelijkheid en geheimhouding. Gegevens over een klacht zullen vertrouwelijke kwesties betreffen. Daarom moeten die gegevens veilig worden bewaard, op een plaats waar alleen de klachtencommissie zelf en het bevoegd gezag hebben toegang toe hebben.

Artikel 3.37. Maatregelen

Eerste lid

Dit artikel regelt dat de Minister maatregelen kan treffen als het bevoegd gezag tekortschiet in haar zorg voor de kwaliteit van het onderwijs. Dit gebeurt op verzoek van het bevoegd gezag of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag.

Tweede lid

De maatregelen in dit artikel, hebben een stimulerend karakter, en zijn bedoeld om de kwaliteit van het onderwijs weer op orde te brengen. Er kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het toekennen van middelen voor het aanstellen van tijdelijke extra formatie of aan het aanschaffen van leermiddelen. De inspectie houdt toezicht op de wijze waarop het bevoegd gezag de toegekende middelen aanwendt en of dit inderdaad leidt tot de beoogde kwaliteitsverbetering. Ook kan het gaan om het aantrekken van een interim--manager ter versterking van het bestuur.

Derde lid

De maatregelen die op grond van dit artikel kunnen worden getroffen voor scholen, kunnen op grond van het derde lid ook worden getroffen voor samenwerkingsverbanden, wanneer het bestuur van een samenwerkingsverband tekortschiet in de kwaliteit van de uitoefening van haar taken.

Artikel 3.38. Aanwijzing

Eerste lid

De aanwijzing is een bijzondere maatregel die is gericht op het herstel van een misstand. De Minister kan één of meer concrete maatregelen opdragen als er sprake is van wanbeheer. Deze maatregelen zijn bewust niet in de wet verankerd, omdat vaak juist voorzieningen op maat zijn geboden. De verplichting om aan een aanwijzing te voldoen, heeft voor het bijzonder onderwijs geen verdergaande betekenis dan dat het een bekostigingsvoorwaarde is.

Tweede lid

Wat onder wanbeheer als grond voor een aanwijzing wordt verstaan is uitputtend omschreven in het tweede lid. Het moet bij een aanwijzing gaan om wezenlijke problemen, de bevoegdheid kan niet lichtvaardig worden gebruikt.

Derde lid

Dit lid dwingt de Minister tot een zorgvuldige onderbouwing van de aanwijzing (in hoeverre is sprake van wanbeheer?) en tot het vermelden van de te nemen maatregelen door het bevoegd gezag.

Vierde lid

Aan de aanwijzing moet gevolg worden gegeven binnen de termijn die de aanwijzing vermeldt.

Vijfde lid

Uit het vijfde lid volgt dat een aanwijzing ook in procedurele zin aan bepaalde eisen moet voldoen. Er moet een proces van hoor en wederhoor aan voorafgaan. Als gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot het geven van een aanwijzing, kunnen in het proces daarvoor verschillende stappen worden onderscheiden. De inspectie verricht een onderzoek en brengt daarover een rapport uit. Dat rapport wordt direct na vaststelling openbaar gemaakt. Wanneer het beeld compleet is, zal er bestuurlijk overleg plaatsvinden tussen de Minister en het desbetreffende bevoegd gezag met als oogmerk het (bestuurlijk) oplossen van de gesignaleerde problemen en het maken van concrete afspraken. Over het algemeen zal er na dit bestuurlijk overleg vertrouwen zijn dat de tekortkomingen op korte termijn zijn verholpen. Als dat niet het geval is, kan de Minister overwegen om de aanwijzingsbevoegdheid in te zetten. Dan moet er wel eerst een proces van hoor en wederhoor plaatsvinden: de Minister maakt zijn voornemen aan het bevoegd gezag bekend en het bevoegd gezag heeft op grond van het vijfde lid vier weken om op het voornemen te reageren. Is de Minister genoodzaakt om de aanwijzingsbevoegdheid echt te gebruiken, dan wordt dit besluit bekend gemaakt aan het bevoegd gezag. Dit kan pas na afloop van de genoemde vier weken. Tegen het besluit van de Minister staat bezwaar en daarna beroep bij de bestuursrechter open. De aanwijzing zal een termijn bevatten waarbinnen het bevoegd gezag de uitvoering in overeenstemming moet hebben gebracht met deze aanwijzing. Als het bevoegd gezag de aanwijzing niet naleeft, kan de Minister een bekostigingssanctie opleggen.

Zesde lid

Samenwerkingsverbanden krijgen vorm door het oprichten van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zonder winstoogmerk. Ook aan deze rechtspersoon kan op grond van het zesde lid van dit artikel een aanwijzing worden gegeven. Daarvoor gelden dezelfde voorwaarden als voor scholen: het artikel is van overeenkomstige toepassing verklaard op de samenwerkingsverbanden.

Paragraaf 10. Veiligheid

Artikel 3.39. Verplichting tot overleg en aangifte zedenmisdrijven

Bij de inspectie zijn vertrouwenspersonen werkzaam. Zij hebben (in aanvulling op algemene inspectietaken, die in artikel 3 van de WOT zijn geregeld) specifiek als taak om te fungeren als aanspreekpunt, te adviseren over eventueel te nemen stappen, het bijstaan bij het nemen van stappen gericht op het zoeken naar een oplossing, en het desgevraagd begeleiden bij het indienen van een klacht of het doen van aangifte. Op grond van artikel 3.39 WVO 20xx is het bevoegd gezag verplicht om met de vertrouwensinspecteur overleg te voeren als mogelijk een zedenmisdrijf is gepleegd tegenover een minderjarige leerling van de school. Ook regelt het de aangifteplicht van het bevoegd gezag bij een redelijk vermoeden dat een dergelijk misdrijf is gepleegd. Tot slot regelt het artikel een meldingsplicht voor het personeel.

Eerste en tweede lid

In deze leden is de plicht opgenomen tot overleg met de vertrouwensinspecteur (zie artikel 6 WOT) en om aangifte te doen als het gaat om plegers van zedenmisdrijven die horen tot de groep «ten behoeve van de school met taken belaste personen». Daarbij kan worden gedacht aan personen met een dienstverband of een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten, maar de formulering is zo breed dat ook als zonder een formele dienstverhouding sprake is van het verrichten van taken of werkzaamheden ten behoeve van de school, een verplichting bestaat tot overleg en het doen van aangifte. Voor een school zijn immers vele mensen werkzaam, die weer allemaal in een eigen verhouding staan tot het bevoegd gezag. Het kan bijvoorbeeld gaan om werknemers, dienstverleners als schoonmaakpersoneel en uitzendkrachten, maar ook om stagiaires van de PABO en andere personen die (onderwijsondersteunende) werkzaamheden verrichten voor de school en die geen dienstverhouding hebben met de school.

Omdat ook tijdens buitenschoolse activiteiten sprake is van «leerlingen van de school», geldt de overleg- en aangifteplicht van het bevoegd gezag ook als het bevoegd gezag hoort dat een persoon die ten behoeve van zijn school met taken is belast, een zedenmisdrijf heeft gepleegd buiten de gewone schooluren. In alle gevallen waarin het bevoegd gezag op welke wijze dan ook ervan op de hoogte raakt dat een persoon die ten behoeve van zijn school met taken is belast, zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een zedenmisdrijf jegens een leerling van de school, is het bevoegd gezag verplicht om daarover in overleg te treden met de vertrouwensinspecteur. Deze verplichting geldt ook bij twijfel – zelfs in het geval van grote twijfel – of er daadwerkelijk sprake is (geweest) van een strafbaar feit. Het overleg heeft juist tot doel een conclusie te bereiken over de vraag of er sprake is van een redelijk vermoeden van een strafbaar feit. In dit overleg zal de eventuele twijfel van het bevoegd gezag natuurlijk een aandachtspunt zijn, maar deze twijfel ontslaat het bevoegd gezag nooit van de plicht tot overleg.

Het bevoegd gezag is verplicht tot het doen van aangifte als uit het overleg blijkt dat er sprake is van redelijk vermoeden van een strafbaar feit. Dit is een geobjectiveerde norm. De vrijheid van handelen is voor het bevoegd gezag dus heel beperkt. Het is overigens niet de taak van het bevoegd gezag om een diepgaand onderzoek in te stellen; dat is een taak van het openbaar ministerie. Van een bevoegd gezag wordt verwacht dat het tijdig en zorgvuldig aangifte doet in dit soort gevallen. Het openbaar ministerie kan dan op grond van de aangifte beoordelen of voldoende grond aanwezig is voor een opsporingsonderzoek en vervolging.

Als gevolg van het verplichte overleg met de vertrouwensinspecteur en de verplichting de vertrouwensinspecteur na het doen van aangifte daarvan onmiddellijk in kennis te stellen, heeft deze zicht op de vraag of aan de aan het bevoegd gezag opgelegde aangifteplicht ook wordt voldaan. Overigens is de vertrouwensinspecteur dan ook op de hoogte als er nogmaals een zedenmisdrijf voorkomt.

Derde lid

Bij zedenmisdrijven met minderjarige leerlingen kan de situatie ontstaan dat een personeelslid wel van zo’n strafbaar feit op de hoogte is, maar er voor kiest om zich niet met de zaak te bemoeien en er dus ook geen melding van te maken bij het bevoegd gezag. Om dit te voorkomen, is voorgeschreven dat een personeelslid, zodra hij of zij op de hoogte raakt, het bevoegd gezag moet informeren. De mogelijke dilemma’s waartegen een personeelslid kan aanlopen in dit soort situaties, worden daarmee in geval van de in dit artikel bedoelde ernstige misdrijven doorbroken.

Uit het vijfde lid van artikel 1.3 volgt dat dit artikel ook van toepassing is op niet bekostigde (B2- en B3-) scholen.

Artikel 3.40. Zorgplicht veiligheid op school

In dit artikel is de verplichting voor het bevoegd gezag opgenomen om zorg te dragen voor een veilig schoolklimaat, waaronder ook het tegengaan van pesten wordt verstaan. Het artikel richt zich op de veiligheid van leerlingen. Deze veiligheid omvat sociale, psychische en fysieke veiligheid.

Het bevoegd gezag heeft de volgende verplichtingen:

Onderdeel a: Het moet beleid hebben en uitvoeren over de veiligheid op school. Het gaat dan om beleid op het gebied van veiligheid dat met de betrokkenen (leraren, leerlingen, medezeggenschap) binnen de school wordt gevormd. Het betreft een samenhangende set van maatregelen en de uitvoering daarvan, die zowel is gericht op preventie als op het optreden bij incidenten en op het afhandelen daarvan, ingebed in het pedagogisch beleid van de school. Het beleid moet stevig verankerd zijn in de dagelijkse praktijk van de school. Als blijkt dat de veiligheidsbeleving van leerlingen vraagt om verbetering van de situatie, neemt de school actie tot bijstelling van het beleid. De wet laat scholen vrij om in het kader van het tegengaan van pesten en het zorgdragen voor de veiligheid te kiezen voor één specifiek programma of om een goede combinatie te maken van (eigen) aanpakken, methoden en interventies die zich richten op een schoolbrede aanpak van de veiligheid en het tegengaan van pesten, die effectief is in de praktijk van de school.

Onderdeel b. Het bevoegd gezag moet de aantasting van de veiligheid, de beleving van de veiligheid en het welbevinden van leerlingen op school monitoren, en daarbij een instrument gebruiken dat daarvan een representatief en actueel beeld geeft. De monitor moet de school en de inspectie inzicht kunnen geven in hoe het is gesteld met de veiligheid van leerlingen op school. Het is belangrijk dat het beleid gericht op positief schoolklimaat en een sociale veilige school en tegen pesten in een school structureel wordt vormgegeven, wordt verinnerlijkt door alle leraren en wordt uitgedragen binnen de schoolgemeenschap. De monitoring biedt scholen inzicht in de daadwerkelijke veiligheid op de school. Op basis van dit veiligheidsbeeld kan de school haar beleid aanpassen om wanneer daar aanleiding toe is de situatie te verbeteren, zoals door pesten tegen te gaan en de veiligheid te bevorderen. Om dit te bereiken is van belang dat de school een instrument gebruikt dat aan verschillende eisen voldoet, zodanig dat de daarmee verzamelde gegevens valide zijn (meet het instrument wat wordt bedoeld?) en dat het op betrouwbare manier meet. Het instrument moet de school inzicht geven in een aantal zaken. Hoe ervaren leerlingen de sociale en fysieke veiligheid op school? Hebben leerlingen te maken met aantasting van de sociale en fysieke veiligheid (zoals door pesten (inclusief pesten via social media), geweld, discriminatie en dergelijke)? Hoe is het gesteld met het welbevinden van leerlingen op school? Om een goed beeld te kunnen geven van de situatie op de school is van belang dat een gestandaardiseerd instrument wordt gebruikt, dat ten minste eens per schooljaar onder een representatief deel van de leerlingen wordt afgenomen. De school draagt er zorg voor dat de monitorgegevens aan de inspectie beschikbaar worden gesteld, zodat ze voor de inspectie toegankelijk zijn. Hierdoor verkrijgt de inspectie inzicht in de daadwerkelijke beleving van de veiligheid en het welbevinden van leerlingen. Op grond van het derde lid kunnen nadere regels over het instrument kunnen worden gesteld, bij of krachtens amvb.

Onderdeel c. Het bevoegd gezag moet verschillende taken op het gebied van pesten bij één persoon beleggen. Deze persoon dient zowel het beleid in het kader van het tegengaan van pesten te coördineren, als te fungeren als aanspreekpunt in het kader van pesten. De persoon in kwestie kan vanuit opgebouwde kennis op het gebied van pesten bijvoorbeeld fungeren als klankbord voor leraren met vragen en adviseur zijn van de schoolleiding op het gebied van de structurele aanpak van pesten. Ook moet er een duidelijk aanspreekpunt zijn voor leerlingen die gepest worden, willen praten over een situatie of vragen hebben. Ouders kunnen hier eveneens terecht. Taken in relatie tot pesten kunnen bijvoorbeeld door een vertrouwenspersoon worden uitgevoerd, maar ook bij een andere medewerker in de school worden belegd. De schoolleiding maakt in de schoolgids duidelijk wie welke taken heeft.

Artikel 3.40 concentreert zich op de veiligheid van de leerlingen op school. Een school is veilig als de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen niet door handelingen van anderen wordt aangetast. Scholen hebben de inspanningsplicht om zorg te dragen voor de veiligheid van leerlingen en een veilig en positief schoolklimaat op hun scholen. Scholen worden aangesproken op de inspanning die ze plegen om al hun leerlingen een veilige leeromgeving te bieden en op de mate waarin die als toereikend kan worden gezien, zoals blijkt uit de veiligheidsbeleving van leerlingen. Een school kan pas goed beleid ten aanzien van veiligheid voeren als zij inzicht heeft in de feitelijke en ervaren veiligheid en het welbevinden van de leerlingen. Het bevoegd gezag monitort daartoe de veiligheid van leerlingen op school. De monitor moet de school en de inspectie inzicht kunnen geven in hoe het is gesteld met de veiligheid van leerlingen op school. De inspectie heeft daartoe toegang tot de monitorgegevens van de school, en ziet erop toe dat scholen op basis daarvan zo nodig vroegtijdig maatregelen tot verbetering treffen. Om de toezichtlast voor scholen en inspectie te beperken, sluit de inspectie waar mogelijk aan bij gegevens die scholen in het kader van hun veiligheidsbeleid verzamelen. Hoewel van scholen niet kan worden gevraagd te waarborgen dat zich geen incidenten voordoen, spelen bij beantwoording van de vraag of van een toereikende inspanning sprake is ook de bereikte resultaten (zoals het succesvol optreden tegen pesten, of voldoende aandacht voor de veiligheidsbeleving van leerlingen) een rol. Zo mag van scholen waar zich problemen voordoen zo nodig een extra inspanning worden gevraagd om binnen de mogelijkheden van een school de veiligheid maximaal te bevorderen.

Ook leraren en ander schoolpersoneel kunnen slachtoffer worden van agressief of intimiderend gedrag. Dit onwenselijke gedrag doet afbreuk aan het schoolklimaat en verdient daarom ook structurele aandacht. Hierin is voorzien in de Arbowetgeving, waarmee het valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag om voor het personeel een veilige werkomgeving te creëren.

Uit het vijfde lid van artikel 1.3 volgt dat dit artikel ook van toepassing is op niet bekostigde (B2- en B3-) scholen.

Artikel 3.41. Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

Dit artikel is in Caribisch Nederland niet van toepassing, zie hoofdstuk 11.

Eerste lid

Scholen krijgen soms signalen over huiselijk geweld of kindermishandeling. De professionals in het onderwijs zijn intensief betrokken bij hun leerlingen en hebben vaak jaren achtereen te maken met een leerling. Als sprake is van signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling, is het van belang dat zorgvuldig wordt gehandeld, zodat eventueel snel en adequaat ingegrepen kan worden. Het bevoegd gezag moet daarom een meldcode vaststellen, waaruit blijkt hoe binnen de school met signalen wordt omgegaan.

Tweede lid

Huiselijk geweld is een breed begrip en omvat geweld in allerlei vormen. Artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 definieert huiselijk geweld als «lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld of bedreiging daarmee door iemand uit de huiselijke kring». Bij de huiselijke kring van het slachtoffer kan het gaan om (ex-)partners, gezinsleden, familieleden en huisvrienden. Het begrip «huiselijk» heeft expliciet te maken met de relatie tussen pleger en slachtoffer en niet met de plaats van het geweld. Onder «geweld» wordt de aantasting van de persoonlijke integriteit verstaan. Het kan daarbij gaan om lichamelijk geweld (mishandeling), maar ook om psychisch of emotioneel geweld (uitschelden, treiteren, kleineren, bedreiging, stalking), of om ongewenste seksuele toenadering of seksueel misbruik. Behalve (ex-)partnergeweld vallen ook eergerelateerd geweld en ouderenmishandeling onder het brede begrip «huiselijk geweld».

Derde lid

Dit lid verwijst voor de definitie van kindermishandeling naar artikel 1.1 van de Jeugdwet. Kindermishandeling is daar als volgt gedefinieerd: elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel.

Vierde lid

Zowel op bekostigde als op niet bekostigde scholen moet het bevoegd gezag ervoor zorgen dat het personeel de meldcode kent en ook gebruikt.

Vijfde lid

De minimumelementen van de meldcode zijn geregeld in een amvb: het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.

Uit het vijfde lid van artikel 1.3 volgt dat dit artikel ook van toepassing is op niet bekostigde (B2- en B3-) scholen.

Paragraaf 11. Overige bepalingen

Artikel 3.42. Overleg onderwijsachterstandenbeleid

Dit artikel is in Caribisch Nederland niet van toepassing, zie hoofdstuk 11.

Eerste en tweede lid

Dit lid schrijft regelmatig (in ieder geval jaarlijks) overleg voor tussen de gemeente, scholen en aoc’s over de in het eerste lid genoemde zaken. Het overleg is gericht op het maken van afspraken met zo mogelijk meetbare doelen.

Derde, vierde en vijfde lid

Het college van burgemeester en wethouders kan de overleguitkomsten omzetten in bindende afspraken die aan alle partijen in concept worden voorgelegd. Bij het ontbreken van overeenstemming, wordt een geschillencommissie ingeschakeld, die een bindend advies uitbrengt. De Minister van OCW stelt deze geschillencommissie in. De leden van de commissie worden ook door de Minister benoemd, op voordracht van de gezamenlijke besturenorganisaties en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Zesde en zevende lid

Deze leden bevatten regels van procedurele aard over benoemingstermijnen, herbenoeming, ontslag en adviestermijn.

HOOFDSTUK 4. VOORZIENINGENPLANNING

Paragraaf 1. Aanspraak op bekostiging

Artikel 4.1. Bekostiging en voorzieningenplanning

Eerste lid

Hier wordt tot uitdrukking gebracht dat het Rijk verantwoordelijk is voor het beoordelen van aanvragen voor het voor bekostiging in aanmerking brengen van scholen en scholengemeenschappen, zowel openbaar als bijzonder. Naast school wordt ook scholengemeenschap genoemd, om expliciet aan te geven dat het niet alleen categorale scholen betreft. Indien de aangevraagde voorzieningen voldoen aan de bepalingen in deze paragraaf, komen zij in aanmerking voor bekostiging uit ’s Rijks kas. Lagere overheden mogen nieuwe scholen of scholengemeenschappen niet voor bekostiging in aanmerking brengen. Gemeenten hebben alleen een zorgplicht voor de huisvesting van nieuwe scholen (zie hiervoor artikel 4.6 en hoofdstuk 6).

Tweede lid

Voor bekostigde bijzondere scholen geldt dat zij in stand worden gehouden door een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid. Het geven van onderwijs hoeft niet de enige doelstelling te zijn van de rechtspersoon die een bijzondere school in stand houdt. Wel geldt de beperking dat er geen winstoogmerk mag zijn.

Derde lid

Op grond van artikel 4:32 Awb moet een subsidie in de vorm van een periodieke aanspraak op financiële middelen worden verleend voor een bepaald tijdvak, dat in de verleningsbeschikking moet worden vermeld. Omdat bekostiging van scholen en scholengemeenschappen in beginsel van rechtswege voor onbepaalde tijd doorloopt, is die bepaling hier uitdrukkelijk uitgesloten.

Artikel 4.2. Nieuwe school of scholengemeenschap

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

Eerste lid

Het voortgezet onderwijs kent de schoolsoorten vwo, havo, mavo, vbo en praktijkonderwijs. De regels voor stichting gelden zowel voor openbare als voor bijzondere scholen. In het eerste lid zijn voor de schoolsoorten in het voortgezet onderwijs getalsnormen opgenomen die in de praktijk meestal stichtingsnormen worden genoemd. Strikt genomen is dat een onjuiste term, omdat het niet gaat om het stichten (daar zijn geen normen voor, dat mag altijd), maar om getalsnormen waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor bekostiging uit ’s Rijks kas. Omdat de term stichtingsnorm zeer is ingeburgerd en bovendien kort is, wordt hij in deze toelichting toch gehanteerd. Als een bevoegd gezag met een aanvraag kan aantonen dat aan de stichtingsnorm wordt voldaan, brengt de Minister de school voor bekostiging in aanmerking. Zie hiervoor ook artikel 4.5.

De hoogte van de stichtingsnormen voor vwo, havo, mavo en vbo (met 1 profiel als bedoeld in artikel 2.26, tweede lid) is vastgesteld op basis van 65 leerlingen per leerjaar, zie de onderdelen a tot en met d, waarbij wordt gerekend met het totale aantal leerjaren per schoolsoort. In onderdeel e is vervolgens geregeld dat indien bij de aanvraag voor stichting aannemelijk kan worden gemaakt dat er voor 2 of meer profielen vbo (zie artikel 2.26) telkens een aantal van 160 leerlingen zal instromen, toestemming kan worden verkregen om met meer profielen vbo te starten.

Het praktijkonderwijs kent geen systeem met leerjaren. Bij het bepalen van de stichtingsnorm kan dan ook niet worden uitgegaan van dezelfde systematiek als bij de overige schoolsoorten. De stichtingsnorm voor deze kleinschalige onderwijssoort is in 2002 vastgesteld op 120 leerlingen.

De getalsnormen gelden zowel voor de stichting van bijzondere als voor de stichting van openbare scholen. Indien een gemeente uit eigen beweging een nieuwe openbare school wil stichten, gelden zodoende dezelfde getalsnormen als wanneer het om een bijzondere school zou gaan. Ter invulling van de garantiefunctie voor voldoende openbaar onderwijs is daarnaast artikel 4.4 opgenomen.

Tweede lid

In het tweede lid wordt geregeld aan welke getalsnormen moet worden voldaan bij een scholengemeenschap: voor elk van de samenstellende scholen moet worden voldaan aan 3/4 van de stichtingsnorm die voor een gelijksoortige categorale school in het eerste lid is geregeld.

Eerder stond in artikel 65, tweede lid, WVO, per abuis dat een scholengemeenschap in ieder geval voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht als aan 3/4 van de stichtingsnormen wordt voldaan. De discretionaire bevoegdheid die door de woorden in ieder geval wordt uitgedrukt om een aanvraag toch goed te keuren, ook al wordt niet voldaan aan de stichtingsnormen, is inmiddels geschrapt. De Minister brengt (net als dat bij de categorale scholen al sinds 2008 het geval is), een scholengemeenschap alleen voor bekostiging in aanmerking als aan de stichtingsnormen wordt voldaan. Overigens heeft de Minister nooit van de discretionaire bevoegdheid gebruik gemaakt.

Derde lid

Het derde lid regelt de mogelijkheid om een school of scholengemeenschap te bekostigen die ontstaat doordat een school of scholengemeenschap in twee of meer delen wordt gesplitst. Voorwaarde is dat op één van de nieuwe scholen of scholengemeenschappen de oorspronkelijke schoolsoorten volledig behouden blijven. Daarnaast ontstaan een school, scholen, een scholengemeenschap of scholengemeenschappen waarop onderwijs in een of meer van de oorspronkelijke schoolsoorten (en in het geval er vbo bij is betrokken ook in een of meer profielen vbo) wordt verzorgd. Een voorbeeld: vóór splitsing is er een scholengemeenschap vwo/havo/mavo en na splitsing een scholengemeenschap vwo/havo/mavo en een categorale havo. Of een scholengemeenschap vwo/havo/mavo en een scholengemeenschap havo/mavo.

Splitsen is iets anders dan afsplitsen, waarmee wordt bedoeld dat een schoolsoort uit een scholengemeenschap wordt gehaald en al dan niet zelfstandig verder gaat. Die schoolsoort blijft dan niet meer binnen de scholengemeenschap bestaan. Het afsplitsen van een schoolsoort kan op grond van artikel 4.20, eerste lid, onderdeel c, binnen een regionaal plan onderwijsvoorzieningen (RPO). Voor het afsplitsen van een school buiten een RPO bestaat geen procedure. Als het bevoegd gezag dit wil doen, moet het de school binnen de scholengemeenschap die het wil verzelfstandigen sluiten en vervolgens een nieuwe school stichten volgens de stichtingsprocedure.

Soms bestaat de behoefte om een school of scholengemeenschap in twee delen te splitsen, bijvoorbeeld vanuit het oogpunt van de «menselijke maat». Dit lid regelt een grondslag voor een splitsingsprocedure bij ministeriële regeling. Een bevoegd gezag kan een school of een scholengemeenschap – of een of meer scholen die deel uitmaken van een scholengemeenschap – splitsen wanneer is voldaan aan een aantal voorwaarden. Die voorwaarden hebben betrekking op het aantal leerlingen voor en na de splitsing en hangen ook af van de soort school of scholengemeenschap die wordt gesplitst, maar vooral van de situatie die na de splitsing ontstaat (een of meer scholen of scholengemeenschappen). Voor de situatie na splitsing wordt gekeken naar prognoses voor zowel de nieuwe als de achterblijvende scholen of scholengemeenschappen. De voorwaarden voor splitsing zijn nader uitgewerkt in een ministeriële regeling (de Regeling voorzieningenplanning VO).

Bij het aantal leerlingen voor splitsing moet het gaan om het leerlingenaantal op de teldatum (1 oktober, zie artikel 5.8) in het jaar voorafgaand aan de aanvraag. De reden hiervoor is dat de aanvraag moet worden ingediend voor 1 november. Op dat moment staat het leerlingenaantal voor dat jaar nog niet geheel vast.

Vierde lid

Deze bepaling geeft inhoud aan de garantiefunctie van het openbaar onderwijs. Op grond van het eerste lid kan de gemeente uit eigen beweging een openbare school of scholengemeenschap stichten. Indien ouders behoefte hebben aan openbaar onderwijs en de gemeente daar niet in voorziet, bezien gedeputeerde staten of er inderdaad behoefte bestaat aan nieuw openbaar onderwijs op provinciaal niveau. In dat kader kan de Minister openbare scholen voor bekostiging in aanmerking brengen die naar het oordeel van gedeputeerde staten noodzakelijk zijn om te voorzien in voldoende openbaar onderwijs (zie artikel 23, vierde lid, Grondwet). Het gaat hierbij om scholen waarvoor een gemeente ingevolge artikel 4.4, eerste lid, een aanvraag indient (zie ook de toelichting op dat artikel). Voor deze scholen (of scholengemeenschappen) hoeft niet te worden voldaan aan de stichtingsnormen zoals opgenomen in het eerste (of tweede) lid van artikel 4.2.

Vijfde lid

Een openbare school of scholengemeenschap waarvoor een gemeente op grond van artikel 4.4, tweede lid, in opdracht van de Minister een aanvraag indient, moet zonder meer door de Minister voor bekostiging in aanmerking worden gebracht. Ook dan hoeft niet te worden voldaan aan de stichtingsnormen die in artikel 4.2 zijn opgenomen.

Artikel 4.3. Toevoegen profiel vbo of school

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

In artikel 4.3 worden twee specifieke vormen van stichting geregeld, namelijk de toevoeging van een nieuwe school of van een profiel vbo aan een al bestaande school of scholengemeenschap.

Eerste lid

Het eerste lid regelt de toevoeging van een nieuw profiel vbo aan een bestaande vbo-school, die geen deel uitmaakt van een scholengemeenschap. Daarbij geldt globaal dezelfde systematiek als bij het stichten van een geheel nieuwe school, met dien verstande dat de stichtingsnorm voor een nieuw profiel aan een bestaande vbo-school lager is (zie onderdeel a) dan het stichten van een nieuwe school voor vbo met 1 profiel. De achtergrond daarvan is dat wanneer aan een bestaande school voor vbo met een of meer profielen een nieuw profiel wordt toegevoegd, er deels overlap zal zijn in het onderwijs dat wordt gegeven.

Onderdeel b regelt de situatie dat een profiel wordt toegevoegd aan een school voor vbo die deel uitmaakt van een scholengemeenschap. In die situatie zal nog meer overlap in het onderwijsaanbod zijn. De stichtingsnorm voor een dergelijk profiel is dan ook drie kwart van 160, te weten 120.

Tweede lid

In dit lid wordt expliciet tot uitdrukking gebracht dat wanneer een nieuwe schoolsoort wordt toegevoegd aan een bestaande scholengemeenschap, of wanneer een scholengemeenschap wordt gevormd door het toevoegen van een schoolsoort aan een al bestaande categorale school, ook een kleinere (3/4) stichtingsnorm geldt dan de norm die in artikel 4.2, eerste lid, is gesteld. De achtergrond daarvan is dat er naar verwachting overlap zal zijn in het onderwijs dat binnen de scholengemeenschap wordt aangeboden, waardoor de bekostiging in een scholengemeenschap efficiënter kan worden besteed dan in een categorale school.

Artikel 4.4. Voldoende openbaar onderwijs

In artikel 23, vierde lid, Grondwet is geregeld dat in elke gemeente in principe van overheidswege voldoende openbaar onderwijs wordt gegeven. Vanwege deze garantiefunctie regelt dit artikel expliciet dat:

  • a. gedeputeerde staten een zorgplicht hebben om te voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs in een voldoende aantal scholen in de provincie, en

  • b. een gemeente verplicht is een openbare school of scholengemeenschap te stichten, indien de Minister een (onherroepelijk) besluit tot bekostiging heeft genomen.

Bij het criterium «voldoende groot aantal leerlingen» voor stichting wordt aan het volgende gedacht. Als ouders openbaar onderwijs wensen en in het voedingsgebied een potentieel van 2/3 van de stichtingsnorm voor de school of scholengemeenschap kan worden aangetoond, is de gemeente waarin de meeste ouders die openbaar onderwijs wensen woonachtig zijn, verplicht om daarin te voorzien.

Eerste lid

Gedeputeerde staten komen pas in actie als een groep ouders bij een gemeente op een verzoek om een nieuwe openbare school of scholengemeenschap te starten, nul op het rekest heeft gekregen.

Tweede lid

Indien gedeputeerde staten ook geen gehoor geven aan een verzoek van een groep ouders, kunnen deze ouders zich tot de Minister wenden. De Minister zal dat verzoek dan beoordelen en indien nodig de gemeente opdracht geven om alsnog een aanvraag bij hem in te dienen om een openbare school of scholengemeenschap voor bekostiging in aanmerking te brengen.

Derde lid

Als een besluit van de Minister op grond van het tweede lid onherroepelijk is geworden, moet de gemeente overgaan tot stichting.

Artikel 4.5. Aanvraagprocedure nieuwe school, scholengemeenschap of profiel vbo

Dit artikel is in Caribisch Nederland niet geheel van toepassing, zie hoofdstuk 11.

Eerste lid

Het eerste lid komt overeen met het eerste lid van het huidige artikel 67. Een aanvraag om op grond van artikel 4.2 bekostigd te worden, moet voor 1 november worden ingediend.

Tweede en derde lid

In het tweede en derde lid is vastgelegd hoe het belangstellingspercentage wordt berekend. Dat gebeurt per schoolsoort. Verder moet bij stichting van een nieuwe school voor bijzonder onderwijs de «verlangde richting» worden vermeld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft over de betekenis van deze zinsnede op 21 augustus 2013 en op 20 september 2017 uitspraken gedaan.27 De uitspraken uit 2013 hielden in het kort in dat ook nieuwe scholen of scholengemeenschappen die uitgaan van meer dan één richting, voor bekostiging in aanmerking kunnen worden gebracht en dat leerlingpotentiëlen van die richtingen bij elkaar mogen worden opgeteld om aan de stichtingsnorm te voldoen. De uitspraak uit 2017 vormt hierop een aanvulling. De Afdeling oordeelde dat er nog een zekere beslissingsruimte voor de betrokken bewindspersoon resteert. Het oogmerk van de wettelijke regeling is dat slechts levensvatbare scholen worden gesticht. De eerdere uitspraken staan er niet aan in de weg dat in een concreet geval bij de beoordeling of is voldaan aan de stichtingsnormen, kan worden betrokken of het al dan niet realistisch is om uit te gaan van een te verwachten leerlingenaantal dat is bepaald door het zonder meer optellen van gegevens van de te combineren richtingen. In algemene zin mogen alleen de belangstellingspercentages van richtingen die min of meer in elkaars verlengde liggen, bij elkaar worden opgeteld.

Vierde lid

Voordat een aanvraag voor een school voor praktijkonderwijs wordt ingediend, moet overleg worden gevoerd met de gemeente. Dit overleg houdt verband met de instrumenten en contacten waarover de gemeente beschikt als het gaat om toeleiding naar de arbeidsmarkt van in het bijzonder de leerlingen van het praktijkonderwijs. Verder moet er op het moment dat de aanvraag wordt ingediend overeenstemming zijn bereikt met de bevoegde gezagsorganen die deelnemen aan het samenwerkingsverband waarvan de school deel zal gaan uitmaken.

Vijfde lid

De Minister heeft tussen 1 november (dan moet de aanvraag binnen zijn) en uiterlijk 1 mei daaropvolgend de gelegenheid om op de aanvraag te beslissen. Wel geeft artikel 4:14 Awb de Minister de mogelijkheid om een aanvrager te melden dat het besluit niet voor 1 mei kan worden genomen, waarbij moet worden aangegeven wanneer het besluit dan wel tegemoet kan worden gezien.

Zesde lid

Op grond van artikel 3:41 van de Awb gebeurt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Omliggende scholen kunnen weliswaar belanghebbend zijn bij besluiten als bedoeld in het vijfde lid, maar deze besluiten zijn niet tot hen gericht en hoeven dan ook niet aan hen te worden toegezonden of uitgereikt. Om deze scholen toch kennis te kunnen laten nemen van de genomen besluiten, ook vanwege de mogelijkheid van bezwaar en beroep, bepaalt het zesde lid dat de besluiten (ook) worden gepubliceerd in de Staatscourant.

Zevende lid

Omwille van de leesbaarheid van het artikel is niet in elk artikellid telkens de reeks school, scholengemeenschap en profiel vbo vermeld, maar is het beperkt tot school. In het zevende lid is aangegeven dat het artikel van overeenkomstige toepassing is bij een aanvraag voor een scholengemeenschap of voor een profiel vbo dan wel in geval van een splitsing van een school, een scholengemeenschap of een afdeling voor havo. Bij een scholengemeenschap gaat het niet om het vermelden van de schoolsoort, maar om de schoolsoorten en bij een profiel gaat het niet om een schoolsoort, maar om het juiste profiel.

Artikel 4.6. Huisvesting en aanvang bekostiging

Eerste lid

In het eerste lid is vastgelegd dat het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente huisvesting ter beschikking moet stellen. Het college van burgemeester en wethouders heeft geen discretionaire bevoegdheid als het gaat om het besluit om huisvesting voor een nieuwe school ter beschikking te stellen. Dit geldt voor alle openbare en bijzondere scholen op het grondgebied van de gemeente. Het college stelt de huisvesting uiterlijk ter beschikking in het zesde jaar na het besluit van de Minister om een school voor bekostiging in aanmerking te brengen. Dit besluit maakt zij wel minimaal een jaar eerder bekend, zodat het bevoegd gezag de tijd heeft om de school daadwerkelijk van start te laten gaan.

In het eerste lid is expliciet geregeld dat de beschikbaarstelling alleen hoeft plaats te vinden indien het bevoegd gezag er om vraagt. In het geval van stichting van een geheel nieuwe school zal dat waarschijnlijk altijd wel aan de orde zijn. Dit artikel heeft echter ook betrekking op de aanvraagprocedure voor bijvoorbeeld splitsing, een nieuw profiel vbo aan een bestaande school of het toevoegen van een school aan een bestaande school of scholengemeenschap. In een dergelijk geval hoeft niet altijd in nieuwe huisvesting te worden voorzien. Overigens kan het – indien gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van doordecentralisatie als bedoeld in artikel 6.21 – in alle gevallen ook gaan om een (jaarlijks) bedrag voor huisvestingskosten, waarmee het bevoegd gezag zelf in de huisvesting kan voorzien.

Tweede lid

Uit het tweede lid volgt dat het bevoegd gezag moet aantonen dat het college van burgemeester en wethouders huisvesting ter beschikking zal stellen. De bekostiging van de school vangt dan aan in het volgende kalenderjaar, op het moment dat de huisvesting ook daadwerkelijk beschikbaar is.

Derde lid

Bij een splitsing of voor het toevoegen van een school of profiel vbo aan een bestaande school of scholengemeenschap is in de regel geen huisvesting nodig. De bekostiging kan in dat geval al starten op 1 augustus volgend op het besluit van de Minister de nieuwe school of profiel vbo voor bekostiging in aanmerking te brengen. Op verzoek van het bevoegd gezag kan dit moment1 of 2 jaar worden uitgesteld.

Artikel 4.7. Vervallen aanspraak op bekostiging

Eerste lid

Als een school die voor bekostiging in aanmerking is gebracht, niet daadwerkelijk van start gaat, belemmert dat de mogelijkheid van stichting van nieuwe scholen. Bij het beoordelen van een nieuwe stichtingsaanvraag wordt rekening gehouden met het potentieel (en dus niet met het daadwerkelijk aantal leerlingen) van omliggende scholen, ook als ze nog niet van start zijn gegaan. Artikel 4.7 regelt dat de aanspraak op bekostiging van een nieuwe school of scholengemeenschap vervalt als er na aanvang van de bekostiging niet daadwerkelijk onderwijs wordt gegeven (zie onderdeel a). Voor een nieuwe school of scholengemeenschap, waarvoor de gemeente huisvesting beschikbaar moet stellen, geldt dat de bekostiging pas aanvangt nadat die huisvesting ter beschikking is gesteld. Op grond van artikel 4.6 moet de gemeente daar uiterlijk op 1 augustus van het zesde kalenderjaar na het besluit van de Minister voor zorgdragen (en dat bovendien minstens een jaar daarvoor aan het bevoegd gezag melden).

In onderdeel b is geregeld dat de aanspraak op bekostiging eveneens vervalt als het vestigingsadres hemelsbreed gemeten 3 kilometer of meer komt te liggen van het beoogde vestigingsadres zoals aangegeven bij de aanvraag voor bekostiging. Bij de berekeningen over de te verwachten leerlingenaantallen die voor de beoordeling van de aanvraag zijn uitgevoerd, wordt immers uitgegaan van dat beoogde vestigingsadres (of, als dat nog niet exact bekend is, van het centrum van de wijk). Indien het daadwerkelijke vestigingsadres daar te ver vandaan komt te liggen, kloppen de berekeningen niet meer. Een bevoegd gezag zal dan een nieuwe aanvraag moeten indienen, waarbij berekeningen zijn gevoegd over het leerlingpotentieel voor het nieuwe beoogde vestigingsadres.

Tweede lid

Het eerste lid gaat over een geheel nieuwe school of scholengemeenschap. In het tweede lid wordt geregeld dat ook indien aan een bestaande school een school wordt toegevoegd, de aanspraak op bekostiging van die toegevoegde school vervalt als er niet binnen 1 jaar daadwerkelijk onderwijs wordt verzorgd. Door deze aanspraak zou een nieuwe aanvraag voor bekostiging van een ander bevoegd gezag mogelijk niet kunnen worden toegewezen, omdat bij het beoordelen van de aanvraag rekening wordt gehouden met het potentieel van de omliggende scholen en niet met de daadwerkelijke leerlingenaantallen. Dus tellen ook de leerlingen mee die op de school hadden kunnen zitten, maar er in werkelijkheid niet zitten omdat het verzorgen van het onderwijs niet is gestart.

Derde lid

Het is altijd mogelijk dat om redenen die buiten de macht van een bevoegd gezag liggen, het onderwijs niet kan worden gestart binnen de termijnen die daarvoor in het eerste en tweede lid zijn aangegeven. Denk aan een calamiteit bij de beoogde huisvesting, of aan een beroepsprocedure over de aanspraak op bekostiging. Het bevoegd gezag kan in een dergelijk geval bij de Minister een aanvraag indienen om de aanspraak toch te kunnen behouden. Afhankelijk van de aangevoerde reden kan de Minister besluiten de aanspraak voor korte tijd te handhaven. Het gaat hier om bijzondere gevallen die niet op voorhand te voorzien zijn. Daarom wordt de termijn waarbinnen de aanspraak op bekostiging gehandhaafd kan worden, niet vastgelegd. In beginsel zal deze termijn beperkt zijn tot hooguit 1 of 2 jaar.

Artikel 4.8. Leerwegondersteunend onderwijs

Dit artikel is in Caribisch Nederland niet van toepassing, zie hoofdstuk 11.

Het merendeel van de scholen voor vbo of mavo biedt leerwegondersteunend onderwijs aan. Het bevoegd gezag van een school kan de Minister verzoeken om dat voor bekostiging in aanmerking te brengen. Met ingang van 1 januari 2016 is ook de mogelijkheid geïntroduceerd dat het samenwerkingsverband waar een bevoegd gezag bij aangesloten is, verzoekt om bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs aan een school. De overige bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband moeten instemmen met de aanvraag.

Artikel 4.9. Omzetting en uitbreiding met een richting

Eerste lid

In het eerste lid is geregeld dat er bij omzetting van een openbare school in een gelijksoortige bijzondere school een rol is weggelegd voor de Minister. Dat heeft te maken met het feit dat er op grond van artikel 23, vierde lid, Grondwet, voldoende openbaar onderwijs moet worden verzorgd. De omzetting is mogelijk gemaakt, zonder afbreuk te doen aan het beginsel dat er sprake is van een karakterverandering die een beslissing over de bekostiging van een nieuwe school nodig maakt. Dit artikellid geeft de basis voor een bekostigingsbesluit.

Tweede lid

Een omzetting van een bijzondere school naar een openbare gelijksoortige school of naar een bijzondere gelijksoortige school van een andere richting vergt geen besluit van de Minister. De mogelijkheid tot «van kleur verschieten» (omzetting) bestaat overigens niet voor het vbo-groen in een aoc. Dat maakt immers onverbrekelijk onderdeel uit van een instelling op grond van de WEB.

Derde lid

In dit artikellid is de mogelijkheid geëxpliciteerd dat het bevoegd gezag het onderwijs aan een school kan uitbreiden met onderwijs van een of meer andere richtingen binnen het bijzonder onderwijs. De school met bijzonder onderwijs in verschillende richtingen wordt dan voor bekostiging in aanmerking gebracht.

Vierde lid

Omzetting kan in alle gevallen enkel plaatsvinden met ingang van 1 augustus, het begin van een schooljaar.

Vijfde lid

In het vierde lid wordt geregeld dat omzetting en uitbreiding met een richting ook mogelijk zijn bij een scholengemeenschap.

Artikel 4.10. Samenvoeging scholen of scholengemeenschappen

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

Zowel artikel 4.10 als artikel 4.11 gaat over samenvoeging. Artikel 4.10 heeft betrekking op samenvoegingen van bestaande scholen of scholengemeenschappen in de zin van de WVO 20xx. Het volgende artikel gaat over samenvoegingen waarbij bestaande scholen of scholengemeenschappen en bestaande (verticale) scholengemeenschappen met een roc of een aoc zijn betrokken.

Eerste lid

In de aanhef van het eerste lid wordt tot uitdrukking gebracht dat de Minister de bepalingen over de fusietoets in acht neemt bij het besluit om een school of scholengemeenschap na samenvoeging te bekostigen. De voorwaarde van de zogenaamde overlap in voedingsgebieden tussen ten minste een vestiging van beide samen te voegen scholen of scholengemeenschappen voorkomt dat samenvoeging plaats vindt tussen scholen of scholengemeenschappen op grote afstand van elkaar. In dat geval kan van een inhoudelijke samenvoeging immers geen sprake zijn, of wordt deze op zijn minst ernstig bemoeilijkt.

Tweede lid

In het tweede lid wordt verduidelijkt welk onderwijs na samenvoeging mag worden gegeven op een vestiging. Op basis van het tweede lid kán hetzelfde onderwijs worden aangeboden als voor de samenvoeging op de betrokken vestiging. Dat hoeft echter niet: het bevoegd gezag kan er ook voor kiezen om na de samenvoeging een schoolsoort naar een andere vestiging te verplaatsen. Het bevoegd gezag is daarin overigens niet geheel vrij: er moet wel worden voldaan aan eventuele andere voorwaarden over verplaatsing van het toegestane onderwijsaanbod, zie hierover onder meer artikel 4.17.

Derde lid

Een samenvoeging kan, net als omzetting en uitbreiding met een richting, alleen maar plaatsvinden met ingang van 1 augustus, het begin van een schooljaar. Bij de invoering van de fusietoets in 2011 was de datum waarop een fusie zou kunnen ingaan vrijgegeven. Dat gold zowel voor de bestuurlijke als voor de institutionele fusies. Bij de samenvoeging (institutionele fusie) werkt dat in de praktijk niet goed uit. Er kunnen problemen ontstaan met de leerlingentelling en daarmee met de bekostiging. Samenvoegingen vinden dan ook feitelijk altijd plaats met ingang van 1 augustus. Met dit derde lid wordt dat gecodificeerd. De ingangsdatum voor bestuurlijke fusies blijft vrij, deze bepaling ziet alleen op de institutionele fusies (samenvoegingen).

Artikel 4.11. Verticale scholengemeenschappen

Dit artikel is in Caribisch Nederland niet van toepassing, zie hoofdstuk 11.

Het zogenaamde vbo-groen maakt – anders dan voortgezet onderwijs dat in een verticale scholengemeenschap met een roc wordt gegeven – onlosmakelijk deel uit van een aoc. In het algemeen geldt dat op het vbo-groen in een aoc de onderwijsinhoudelijke bepalingen uit de WVO van toepassing zijn en op zaken als stichting en opheffing, huisvesting en bestuurlijke aangelegenheden de betrokken bepalingen uit de WEB. In het Besluit vbo-groen in een AOC 2016 is expliciet vastgelegd welke bepalingen van beide wetten niet of niet geheel van toepassing zijn op het vbo-groen in een aoc.

Eerste lid, onderdeel a

Een scholengemeenschap die bestaat uit een roc en een school voor voortgezet onderwijs, of uit een aoc en een school voor mavo of een school voor praktijkonderwijs, wordt een verticale scholengemeenschap genoemd (zie artikel 1.1). In onderdeel a van het eerste lid van artikel 4.11 wordt uiteengezet onder welke voorwaarden een school of scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs wordt bekostigd, die wordt samengevoegd met een bestaande verticale scholengemeenschap met een roc. Na een samenvoeging van een school of scholengemeenschap met een verticale scholengemeenschap waar een roc onderdeel van uitmaakt, wordt alleen de school of scholengemeenschap voor voorgezet onderwijs binnen de verticale scholengemeenschap op grond van de WVO 20xx bekostigd.

Eerste lid, onderdeel b

In het voorgestelde onderdeel b wordt de mogelijkheid geboden om een school voor mavo of voor praktijkonderwijs samen te voegen met een bestaande verticale scholengemeenschap met een aoc. Hierbij is niet de mogelijkheid opgenomen om een school voor vbo samen te voegen met een verticale scholengemeenschap waar een aoc onderdeel van uitmaakt. Vbo kan binnen een aoc alleen in het profiel groen worden gegeven, of in het profiel dienstverlening en producten (zie daarvoor artikel 4.20, eerste lid, onderdeel h). Overig vbo kan niet binnen een aoc worden verzorgd en de mogelijkheid om een school voor vbo samen te voegen met een verticale scholengemeenschap waar een aoc in zit, is dan ook niet opgenomen.

Tweede lid

In het voorgestelde tweede lid wordt bepaald dat na een samenvoeging op de betrokken vestiging hetzelfde onderwijs kán worden aangeboden als daarvoor. Dat hoeft echter niet: het bevoegd gezag kan er bijvoorbeeld ook voor kiezen om na de samenvoeging een schoolsoort naar een andere vestiging te verplaatsen. Het bevoegd gezag is daarin overigens niet geheel vrij. Er moet wel worden voldaan aan eventuele andere voorwaarden over verplaatsing van het toegestane onderwijsaanbod, zie onder meer artikel 4.17.

Derde lid

Net als bij scholen en scholengemeenschappen (zie artikel 4.10) geldt ook bij verticale scholengemeenschappen dat een samenvoeging alleen kan plaatsvinden met ingang van 1 augustus, de aanvang van het schooljaar in het voortgezet onderwijs.

Paragraaf 2. Vestigingen

In paragraaf 2 worden alle bepalingen over vestigingen bij elkaar gezet.

Artikel 4.12. Vestigingen

Voor Caribisch Nederland wordt iets anders geregeld in hoofdstuk 11.

In dit artikel wordt geregeld dat aan een school of scholengemeenschap naast de hoofdvestiging (die ontstaat door stichting) ook een of meer nevenvestigingen (zie art. 4.14) en/of een of meer tijdelijke nevenvestigingen (zie art. 4.16) kunnen zijn verbonden. Een hoofd- en nevenvestiging hebben in beginsel een permanent karakter. Daarnaast kan er bij een hoofd- of nevenvestiging een huisvestingsbehoefte met een tijdelijk karakter ontstaan als het aantal leerlingen een tijdelijke piek vertoont (te denken valt aan een periode korter dan 15 jaar). Dan kan een tijdelijke nevenvestiging worden gevormd.

Artikel 4.13. Hoofdvestiging

Voor Caribisch Nederland wordt iets anders geregeld in hoofdstuk 11.

Eerste lid

In het eerste lid wordt geëxpliciteerd dat een hoofdvestiging ontstaat bij de stichting van een school of scholengemeenschap op grond van artikel 4.2.

Indien het gaat om een school die op grond van artikel 4.3 voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht (en dus wordt toegevoegd aan een bestaande school of scholengemeenschap) zal veelal geen extra huisvesting nodig zijn. Het bevoegd gezag zal dan aan de Minister moeten melden op welke vestiging (hoofdvestiging, nevenvestiging of tijdelijke nevenvestiging) het onderwijsaanbod van die nieuw toegevoegde school zal worden verzorgd. Deze melding is geregeld in de Regeling voorzieningenplanning VO op grond van artikel 4.29. Mocht voor een dergelijke school toch extra huisvesting nodig zijn, dan zal het bevoegd gezag daarvoor eerst binnen een RPO (zie paragraaf 3, artikel 4.18 en volgende) de instemming van de overige deelnemende bevoegde gezagsorganen moeten verkrijgen, en ook huisvesting via het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente.

Tweede lid

Op een hoofdvestiging kan niet alleen onderwijs worden gegeven in de schoolsoorten of profielen vbo die op grond van artikel 4.2 of 4.3 door middel van stichting voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, maar ook in de onderbouw van de schoolsoorten die op andere vestigingen van de betreffende scholengemeenschap worden bekostigd. Het is een zogenaamde kan-bepaling, dat wil zeggen dat het ook is toegestaan om op de hoofdvestiging in minder schoolsoorten of profielen vbo dan wel in minder leerjaren onderwijs te geven.

Artikel 4.14. Nevenvestiging

Voor Caribisch Nederland wordt iets anders geregeld in hoofdstuk 11.

Eerste lid

Een nevenvestiging kan op twee manieren tot stand komen, namelijk door samenvoeging van twee voormalige hoofdvestigingen (scholen of scholengemeenschappen), waardoor één vestiging nevenvestiging wordt, maar ook door vorming van een nieuwe nevenvestiging binnen een RPO.

Tweede en derde lid

Op een nevenvestiging kan in beginsel onderwijs worden verzorgd in de onderbouw van de schoolsoorten die in de school of scholengemeenschap worden verzorgd. Daarnaast kan op een nevenvestiging zogenaamd afsluitend onderwijs, vanaf het derde leerjaar vmbo of vanaf het vierde leerjaar havo of vwo, worden verzorgd. Op een nevenvestiging die is ontstaan door samenvoeging mag hetzelfde afsluitende onderwijs worden gegeven als voor de samenvoeging. Daarnaast kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van afsluitend onderwijs op een nevenvestiging. Uit artikel 4.20 volgt dat in dat geval de overige bevoegde gezagsorganen in het RPO wel moeten instemmen met de aanvraag, en dat moet zijn voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 4.20, eerste lid, onderdelen d tot en met h.

Vierde lid

Dit lid bevat een aparte bepaling over het toegestane onderwijsaanbod voor een nevenvestiging van een scholengemeenschap.

Artikel 4.15. Uitbreiding onderwijsaanbod vestigingen

Dit artikel regelt de bekostiging van de bovenbouw op een hoofdvestiging of een nevenvestiging. Niet elke uitbreiding van onderwijsaanbod op een vestiging met bovenbouw wordt aan goedkeuring in het RPO onderworpen. Deze goedkeuring is beperkt tot vestigingen die 3 kilometer of meer afliggen van een andere vestiging van dezelfde school waar de bewuste bovenbouw al aan is verbonden. Zie hiervoor artikel 4.20, eerste lid, onderdeel e.

Voor zover de vestiging waar de uitbreiding gewenst is, binnen 3 kilometer gelegen is van een vestiging van de school waaraan de bovenbouw al is verbonden, wordt de uitbreiding geacht geen wijziging in de bestaande leerlingstromen teweeg te brengen. Daarom is op grond van artikel 4.15 de uitbreiding van het onderwijsaanbod in die gevallen zonder meer toegestaan, vergelijkbaar met de situatie bij verplaatsing van een vestiging binnen 3 kilometer (zie hierna bij artikel 4.17). Er is geen goedkeuring in het RPO nodig en er hoeft ook geen aanvraag bij de Minister te worden ingediend. Een melding aan de Minister volstaat. Dit laatste is geregeld in de Regeling voorzieningenplanning VO op grond van artikel 4.29.

Artikel 4.16. Tijdelijke nevenvestiging

Voor Caribisch Nederland wordt iets anders geregeld in hoofdstuk 11.

Eerste lid

Indien bij een hoofd- of nevenvestiging van een school of scholengemeenschap tijdelijk (te denken valt aan een periode korter dan 15 jaar) ruimtegebrek ontstaat door een piek in het aantal leerlingen, kan een tijdelijke nevenvestiging worden gevormd. Voorwaarde is dat de tijdelijke nevenvestiging wordt gevestigd binnen een afstand van 3 kilometer van de hoofd- of nevenvestiging waar de tijdelijke huisvestingsbehoefte zich voordoet.

Tweede lid

De leerlingen die op de tijdelijke nevenvestiging onderwijs krijgen, worden meegeteld voor de bekostiging. Ze zullen apart worden geteld. Duidelijk moet zijn dat de gemeente de benodigde huisvesting ter beschikking zal stellen (met ingang van de datum waarop de bekostiging ingaat). Deze verplichting geldt niet voor scholen die deel uitmaken van een verticale scholengemeenschap of waarbij sprake is van doordecentralisatie. Een verticale scholengemeenschap valt wat betreft de huisvesting in zijn geheel onder de systematiek van de WEB (zie artikel 6.22). Een school waarbij sprake is van doordecentralisatie ontvangt van de gemeente jaarlijks een bedrag voor huisvestingskosten (zie artikel 6.21) en zal dus voor extra huisvesting geen aanvraag indienen bij het college van burgemeester en wethouders.

Derde lid

Aan de tijdelijke nevenvestiging mag hetzelfde onderwijs worden gegeven als op de hoofd- of nevenvestiging waar de tijdelijke huisvestingsbehoefte zich voordoet.

In de Regeling voorzieningenplanning VO (vastgesteld op grond van artikel 4.29) wordt geregeld dat bij een aanvraag voor een tijdelijke nevenvestiging moet worden aangegeven van welke hoofd- of nevenvestiging het huisvestingsprobleem wordt opgelost. Daaruit volgt welk onderwijsaanbod mag worden verzorgd op de tijdelijke nevenvestiging.

Artikel 4.17. Verplaatsing vestiging en gevolgen voor bekostigingsaanspraak

Voor Caribisch Nederland wordt iets anders geregeld in hoofdstuk 11.

Het bevoegd gezag heeft de volledige vrijheid om al dan niet te besluiten tot verplaatsing van een vestiging, of tot verplaatsing van een deel van het onderwijsaanbod op een vestiging naar een andere vestiging van een school of scholengemeenschap, zolang de vestiging waar naar toe wordt verplaatst hemelsbreed gemeten niet verder dan 3 kilometer van de oude vestigingsplaats is gelegen.

Indien het bevoegd gezag een vestiging over een grotere afstand wil verplaatsen, kan dat alleen binnen een RPO. Zie hiervoor artikel 4.20, eerste lid, onderdeel a.

Paragraaf 3. Regionale samenwerking voorzieningenplanning

Artikel 4.18. Regionale samenwerking

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland, zie hoofdstuk 11.

Eerste lid

Ten minste 2 bevoegde gezagsorganen in een regio kunnen samenwerken. Het doel van de samenwerking is het afstemmen van het onderwijsaanbod op de vraag van leerlingen, ouders en andere belanghebbenden in het gezamenlijke werkgebied. Dit wordt vastgesteld in een regionaal plan onderwijsvoorzieningen (zie daarvoor artikel 4.19).

Tweede lid

Een regio betreft het totale grondgebied van een of meer gemeenten. Een regio kan ook de provinciegrens overschrijden, en delen van twee of meer provincies omvatten. Bevoegde gezagsorganen kunnen voor verschillende scholen of scholengemeenschappen en ook voor verschillende vestigingen van één school of scholengemeenschap aan verschillende samenwerkingen deelnemen. Op de vestigingen van de samenwerkende scholen in een regio moet in elke gemeente die in de regio valt, samen minimaal 60% van alle leerlingen zitten die in die gemeente voortgezet onderwijs volgen (zie onderdeel a). Om het draagvlak voor de regionale samenwerking zo groot mogelijk te maken, moet daarnaast (zie onderdeel b) bij de samenwerking ook minimaal 65% van de bevoegde gezagsorganen in een gemeente binnen de regio zijn betrokken.

Artikel 4.19. Regionaal plan onderwijsvoorzieningen

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland, zie hoofdstuk 11.

Eerste en derde lid

Samenwerkende bevoegde gezagsorganen stellen samen voor een periode van 5 schooljaren een RPO op. Deze periode loopt altijd van 1 augustus tot 1 augustus. Deze periode is van belang met het oog op een bestendige samenwerking tussen de scholen, de vorming van een gezamenlijke visie op onderwijs en het daaruit voortvloeiende gewenste onderwijsaanbod. Na 5 jaar zullen weer nieuwe afspraken over het onderwijsaanbod nodig zijn. Daarbij ligt het voor de hand om de bestaande samenwerking voort te zetten.

Tweede lid

Het RPO moet aan een aantal vereisten voldoen, zodat duidelijk wordt welke bevoegde gezagsorganen samenwerken voor welke (vestigingen van) scholen of scholengemeenschappen, wat de afbakening is van de regio, welk onderwijsaanbod daar voorafgaand aan de periode van het RPO wordt verzorgd en welk onderwijsaanbod men daar gedurende de looptijd aan toe wil voegen. Daarnaast is van belang hoe het bestaande en het nieuwe onderwijsaanbod zich verhoudt tot het vervolgonderwijs en tot de arbeidsmarkt. Op grond van het vierde en vijfde lid moet voor de vaststelling van het RPO worden overlegd met diverse partijen. In het RPO moeten ook hun opvattingen over het bestaande en toekomstige onderwijsaanbod in relatie tot het vervolgonderwijs, de arbeidsmarkt en de onderwijshuisvesting worden vastgelegd.

Vierde lid

Over een concept van het RPO wordt in de eerste plaats overlegd met de bevoegde gezagsorganen van de (vestigingen van de) scholen en scholengemeenschappen die wel in de regio zijn gelegen, maar niet meedoen aan de samenwerking. De plannen voor nieuwe onderwijsvoorzieningen die in het concept staan, kunnen namelijk van invloed zijn op de mogelijkheden voor de niet-deelnemers.

Ook moet worden overlegd met vertegenwoordigers van de betrokken provincie(s). De provincie kan een procesrol spelen bij het tot stand komen van de regiovisie die leidt tot een RPO. Zo kan een provincie helpen een impasse te doorbreken. De provincie besteedt bij haar inbreng in het bijzonder aandacht aan de aspecten arbeidsmarkt, zorgstructuur, bereikbaarheid en doelmatigheid, wat belangrijke aandachtspunten zijn in de regiovisie.

De samenwerkende besturen van vmbo-scholen moeten ook overleggen met de besturen van mbo-instellingen (roc’s en aoc’s) over de afstemming van hun aanbod op dat van die instellingen.

Overleg met het bedrijfsleven over de relatie van het onderwijsaanbod met de arbeidsmarkt is van belang voor het vmbo voor het verkrijgen van stageplaatsen en van inzicht in het arbeidsmarktperspectief van de leerlingen.

Vijfde lid

Een gemeente heeft belang bij een RPO. Dit geldt vooral voor de doelmatigheid van het aanbod en de eventuele huisvestingseffecten, met name waar het gaat om eventuele verplaatsingen, de vorming van nevenvestigingen en te verwachten (belangrijke) verschuivingen van leerlingenaantallen, die niet binnen de beschikbare huisvesting kunnen worden opgevangen. De gemeente heeft een zorgplicht voor de huisvesting van scholen in het primair onderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs.

Het overleg met de gemeente moet op overeenstemming gericht zijn. Het college van burgemeester en wethouders en de samenwerkende bevoegde gezagsorganen stellen voor dit overleg een procedure vast. Indien tijdens het overleg een geschil rijst waardoor geen overeenstemming kan worden bereikt, zullen partijen dit geschil op een door hen zelf te bepalen wijze moeten beslechten.

Artikel 4.20. Aanvraag onderwijsvoorzieningen deelnemers RPO

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland, zie hoofdstuk 11.

Een bevoegd gezag dat deelneemt aan een RPO kan aanvragen indienen bij de Minister voor de bekostiging van een aantal nieuwe onderwijsvoorzieningen voor de onder dat gezag ressorterende (vestigingen van een) school of scholengemeenschap in de regio. De aanvragen zijn in principe terug te voeren op het toekomstig onderwijsaanbod dat in het RPO is opgenomen. Als alle andere deelnemende bevoegde gezagsorganen ermee instemmen, kan een deelnemend bevoegd gezag overigens ook een aantal onderwijsvoorzieningen aanvragen die niet in het RPO zijn opgenomen (zie het tweede lid).

Eerste lid

De Minister honoreert aanvragen van een bevoegd gezag voor een aantal met name genoemde onderwijsvoorzieningen, onder de daarbij genoemde voorwaarden. De enige weigeringsgrond die de Minister heeft, staat in artikel 4.21 en heeft te maken met de positie van (vestigingen van) scholen of scholengemeenschappen waarvoor niet aan de samenwerking wordt deelgenomen.

Er kunnen door een aan een RPO deelnemend bevoegd gezag aanvragen worden ingediend voor de volgende voorzieningen voor zover die in dat RPO zijn opgenomen:

  • verplaatsing van een vestiging (onderdeel a),

  • vorming van een nieuwe nevenvestiging binnen (onderdeel b) dan wel buiten (onderdeel c) de regio van het RPO,

  • afsplitsing van een of meer scholen van een scholengemeenschap (onderdeel d), bijvoorbeeld: voor afsplitsing is er een vwo/havo/mavo scholengemeenschap en erna een scholengemeenschap vwo/havo en een school voor mavo, of erna een school voor vwo, een school voor havo en een school voor mavo,

  • toevoeging van het afsluitend onderwijs aan het onderwijsaanbod van een hoofd- of nevenvestiging (onderdeel e),

  • toevoeging aan het onderwijsaanbod van onderwijs in de gemengde leerweg op een school (al dan niet binnen een scholengemeenschap) voor mavo of vbo, dan wel aan het vbo binnen een aoc (onderdeel f),

  • toevoeging van 1 of meer profielen vbo aan vbo-scholen (onderdeel g), en

  • toevoeging van het profiel dienstverlening en producten aan het vbo-groen op een aoc (onderdeel h).

Er hoeft bij de aanvragen tot toevoeging van profielen vbo naar aanleiding van een RPO niet te worden voldaan aan de stichtingsnormen. Als in het kader van een RPO wordt besloten tot een aanvraag tot afsplitsing, gelden evenmin getalsnormen.

Tweede lid

Het tweede lid regelt dat de Minister ook aanvragen van bevoegde gezagsorganen die deelnemen aan een RPO kan honoreren voor voorzieningen die niet in dat RPO zijn opgenomen. De verplaatsing en de vorming van een nieuwe nevenvestiging zijn hiervan uitgezonderd vanwege de huisvestingsconsequenties die daaraan zijn verbonden. Het volstaat als de aanvraag is voorzien van de handtekening van de overige bevoegde gezagsorganen die aan de samenwerking deelnemen.

Derde lid

In het eerste lid is geregeld dat aanvragen voor bekostiging op grond van artikel 4.20 moeten worden ingediend voor 1 november, net zoals dat het geval is bij de aanvragen voor stichting van een nieuwe school, scholengemeenschap of profiel vbo. In het derde lid is geregeld dat die uniformering ook betrekking heeft op de datum waarvoor de Minister een besluit moet hebben genomen, te weten voor 1 mei van het jaar na indiening van de aanvraag. In de Regeling voorzieningenplanning VO op grond van artikel 4.29 wordt de aanvraagprocedure nader uitgewerkt.

Vierde lid

Op grond van artikel 3:41 Awb vindt de bekendmaking van besluiten die tot 1 of meer belanghebbenden zijn gericht plaats «door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.» Omliggende scholen kunnen weliswaar belanghebbend zijn bij besluiten als bedoeld in het vijfde lid, maar deze besluiten zijn niet tot hen gericht en hoeven op grond van artikel 3:41 Awb dan ook niet aan hen te worden toegezonden of uitgereikt. Om deze scholen toch kennis te kunnen laten nemen van de genomen besluiten, ook vanwege de mogelijkheid van bezwaar en beroep, bepaalt het vierde lid van artikel 4.20 dat de besluiten (ook) worden gepubliceerd in de Staatscourant.

Artikel 4.21. Weigeringsgrond

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland, zie hoofdstuk 11.

De aanvraag om een nieuwe onderwijsvoorziening voor bekostiging in aanmerking te brengen wordt door de Minister afgewezen als de voorziening tot gevolg zou hebben dat bij een vestiging van een school of scholengemeenschap waarvoor niet wordt deelgenomen aan de samenwerking sprake zou zijn van een leerlingverlies van 10% of meer, tenzij het betrokken bevoegd gezag heeft aangegeven daarmee in te stemmen. Als een bevoegd gezag niet instemt, moet het zelf aantonen dat er sprake zal zijn van een leerlingverlies van die omvang.

Artikel 4.22. Huisvesting en aanvang bekostiging onderwijsvoorziening deelnemers RPO

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland, zie hoofdstuk 11.

Eerste lid

Analoog aan artikel 4.6 bij aanvragen voor stichting van nieuwe scholen, scholengemeenschappen en profielen vbo, is in het eerste lid van artikel 4.22 geregeld hoe het zit met de huisvesting indien sprake is van verplaatsing van een vestiging of van een nieuwe nevenvestiging (op grond van artikel 4.20, eerste lid, onderdelen a en b).

Tweede lid

Het tweede lid regelt de aanvang van de bekostiging, zowel voor gevallen waarin huisvesting is vereist als voor die gevallen waarin geen huisvesting is vereist. Daarmee wordt gedoeld op de andere onderwijsvoorzieningen die in het kader van een RPO kunnen worden aangevraagd: afsplitsing, licentie afsluitend onderwijs/bovenbouw (3 kilometer of meer gelegen van een andere vestiging met bovenbouw), licentie gemengde leerweg, extra profiel vbo.

Nadat de Minister heeft besloten dat een dergelijke onderwijsvoorziening voor bekostiging in aanmerking zal worden gebracht, vangt de bekostiging aan op 1 augustus van enig kalenderjaar. In de aanvraag voor een voorziening in het kader van een regionale samenwerking staat eigenlijk altijd een datum waarop het bevoegd gezag met de voorziening zou willen starten. Die volgt uit de afspraken die regionaal zijn gemaakt, en zijn dus ook afgestemd met de overige bevoegde gezagsorganen en ook met de gemeente (met het oog op de huisvesting). Vaak is dat 1 augustus direct volgend op het besluit van de Minister, maar soms is dat ook in een later kalenderjaar.

Artikel 4.23. Voorbereiding besluiten

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland, zie hoofdstuk 11.

Dit artikel regelt dat bij aanvragen op grond van een RPO de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Awb van toepassing is. Dat houdt in dat het ontwerpbesluit met de daarbij behorende stukken (aanvraag, RPO) gedurende 6 weken ter inzage worden gelegd (artikelen 3:11 en 3:16 Awb). Binnen die termijn kunnen belanghebbenden hun zienswijze naar voren brengen bij de Minister. Op deze wijze verkrijgt de Minister de informatie die nodig is voor de beoordeling van de aanvraag, zoals de gegevens over het leerlingverlies bij omliggende scholen. De terinzagelegging wordt aangekondigd in de Staatscourant (artikel 3:12, tweede lid, Awb). Belanghebbenden kunnen hun zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren brengen en de aanvrager wordt zo nodig in de gelegenheid gesteld op de zienswijzen te reageren (artikel 3:15 Awb).

Nadat de openbare voorbereidingsprocedure doorlopen is, neemt de Minister het besluit op de aanvraag. Op grond van artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onderdeel d, Awb volgt daarop geen bezwaarschriftprocedure, maar direct de beroepsprocedure bij de bestuursrechter, in dit geval de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijlage 2, hoofdstuk 2, artikel 2, Awb).

Artikel 3:18 Awb blijft buiten toepassing. Artikel 4.20, derde lid, bevat een bijzondere regeling voor de beslistermijn.

Paragraaf 4. Beëindiging van de bekostiging

Artikel 4.24. Opheffingsnormen

Voor Caribisch Nederland wordt in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

Eerste lid

In aanvulling op de stichtingsnormen per schoolsoort, die zijn geregeld in artikel 4.2, worden in dit artikellid de opheffingsnormen geregeld, eveneens per schoolsoort. Indien op een school 3 jaar achter elkaar op de teldatum minder leerlingen worden geteld dan voor de schoolsoort in dit artikel is vermeld, vervalt de aanspraak op bekostiging en wordt de bekostiging beëindigd.

Tweede lid

In het tweede lid is de opheffingsnorm geregeld voor een scholengemeenschap, die is gerelateerd aan de schoolsoorten binnen de scholengemeenschap. Als van de scholengemeenschap ook een school voor vbo deel uitmaakt, is de opheffingsnorm afhankelijk van het aantal profielen vbo dat aan de school wordt verzorgd.

Derde lid

In dit lid is geregeld dat de bekostiging van een school binnen een (horizontale) scholengemeenschap wordt beëindigd als er een aantal jaren achter elkaar geen leerlingen worden ingeschreven en geen onderwijs wordt gegeven. Een school die voor bekostiging in aanmerking is gebracht, maar waar geen onderwijs wordt gegeven, belemmert de stichting van een nieuwe school als er behoefte bestaat aan de betreffende schoolsoort en richting. Bovendien is de hoogte van de bekostiging van een scholengemeenschap afhankelijk van de schoolsoorten die worden aangeboden. Wanneer aan een schoolsoort binnen een scholengemeenschap drie jaren achtereen geen leerlingen staan ingeschreven, wordt de bekostiging ervan beëindigd. Bij het praktijkonderwijs wordt daarbij naar de gehele opleidingsduur gekeken, omdat het praktijkonderwijs geen leerjaren kent. Bij de andere schoolsoorten wordt alleen naar het aantal leerlingen in de hoogste twee leerjaren gekeken. De reden hiervoor is dat in de eerste leerjaren op een scholengemeenschap vaak sprake is van gemeenschappelijke leerjaren van verschillende schoolsoorten, waardoor het niet mogelijk is onderscheid te maken tussen leerlingen van de ene en de andere schoolsoort. Daardoor is het niet mogelijk te bepalen hoeveel leerlingen er gedurende de gehele opleidingsduur van een schoolsoort zijn ingeschreven.

Vierde lid

De bekostiging stopt op 1 augustus (dat wil zeggen aan het begin van het schooljaar) volgend op de 3 achtereenvolgende schooljaren waarin is geconstateerd dat het aantal leerlingen op de teldatum onder de opheffingsnorm ligt.

Vijfde lid

Met het vijfde lid wordt voorkomen dat er «onbenutte» licenties voor profielen bestaan. Indien een school gedurende 3 jaar lang helemaal geen leerlingen ingeschreven heeft op een bepaald profiel, vervalt het recht op bekostiging voor dat profiel. Als de school het betreffende profiel op een later moment toch weer wil gaan verzorgen, dan zal het eerst opnieuw voor bekostiging in aanmerking gebracht moeten worden. Daartoe kan de school een aanvraag doen op grond van artikel 4.3, eerste lid (uitbreiding met een nieuw profiel vbo aan een reeds bekostigde school). In dat geval zal voor het profiel voldoende leerlingpotentieel aangetoond moeten worden. Ook kan het profiel op grond van RPO-afspraken opnieuw voor bekostiging in aanmerking gebracht worden (artikel 4.20, eerste lid, onderdeel g).

Artikel 4.25. Grondslag, afbouw en uitzonderingsmogelijkheden

Eerste lid

Is er binnen een redelijke afstand van een school die op grond van artikel 4.24 wordt opgeheven, voor de leerlingen geen plaatsruimte aan een gelijksoortige school van dezelfde richting, dan kunnen de leerlingen hun opleiding afmaken aan de school die wordt opgeheven. Die school gaat afbouwen: zij neemt geen nieuwe leerlingen meer aan in het eerste jaar en wordt geleidelijk opgeheven.

Tweede lid

De opheffingsnorm geldt niet als de school nog wordt opgebouwd en daarom nog niet alle leerjaren heeft.

Derde lid

De Minister kan in bijzondere gevallen op verzoek van het bevoegd gezag voor een bepaalde periode besluiten dat een school bekostiging blijft ontvangen, ook al is het leerlingenaantal te laag en zou de school op grond van artikel 4.24 opgeheven moeten worden. De scholen waarvoor van deze uitzondering gebruik wordt gemaakt, zijn de zogenaamde uitzonderingsscholen. De Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag. Voor invulling van de beleidsvrijheid van de Minister wordt verwezen naar de Beleidsregel uitzonderingsscholen VO 2013. Daarnaast is in artikel 4 van het huidige Formatiebesluit WVO een tabel opgenomen met extra formatieplaatsen waar scholen die zijn aangewezen als uitzonderingsschool recht op hebben.

Vierde lid

In het kader van de grondwettelijke zorg voor voldoende openbaar onderwijs moeten gedeputeerde staten onderzoeken of er – als blijkt dat opheffing dreigt van een school voor openbaar onderwijs die door de gemeente in stand wordt gehouden – nog wel voldoende openbaar onderwijs wordt verzorgd. Is dat naar de mening van gedeputeerde staten niet het geval, dan geven zij aan het college van burgemeester en wethouders van die gemeente opdracht bij de Minister een verzoek neer te leggen om te worden aangemerkt als uitzonderingsschool.

Artikel 4.26. Beëindiging bekostiging bij einde looptijd regionaal plan onderwijsvoorzieningen

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland, zie hoofdstuk 11.

Eerste lid

Dit artikellid regelt dat de bekostiging voor profielen vbo bij het verstrijken van de looptijd van het RPO wordt beëindigd. Om te voorkomen dat een profiel moet worden afgebouwd omdat de looptijd van een nieuw RPO niet naadloos aansluit op het tijdstip waarop de looptijd van een oud RPO verstrijkt, is voorzien in een overgangsregeling. Daarin is – ook met het oog op het belang van de leerlingen die hun opleiding moeten kunnen afronden – bepaald dat de bekostiging van het derde leerjaar nog 1 jaar doorloopt en de bekostiging van het vierde leerjaar nog 2 jaar.

Tweede lid

Het eerste lid blijft buiten toepassing als een school na het verstrijken van het RPO opnieuw samenwerkt en binnen dat kader onmiddellijk opnieuw aan alle vereisten voor het geven van onderwijs in het betreffende profiel voldoet. Ook is het mogelijk dat het betrokken profiel vbo inmiddels voor bekostiging in aanmerking komt doordat inmiddels aan de stichtingsnorm voor dat profiel wordt voldaan. In die gevallen kan de bekostiging doorlopen.

Artikel 4.27. Beëindiging bekostiging afdelingen voor havo

In dit artikel wordt geregeld dat de bepalingen over het beëindigen van de bekostiging van scholen voor havo ook gelden voor afdelingen voor havo.

Paragraaf 5. Overige bepalingen

Artikel 4.28. Cursussen

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland, zie hoofdstuk 11.

Dit artikel biedt de grondslag om onder bepaalde voorwaarden cursussen voortgezet onderwijs te bekostigen. Op dit moment wordt de Europese School in Den Haag op grond van dit artikel bekostigd. Het betreft een instelling die niet tot de in artikel 2.1 genoemde schoolsoorten of leerwegen kan worden gerekend en ook geen instelling is in de zin van artikel 2.86.

In Nederland zijn twee typen Europese scholen. In Bergen staat een zogenoemde Europese School «type I». Dit type school maakt geen onderdeel uit van het nationale onderwijsstelsel en verzorgt onderwijs aan kinderen van het personeel van de Europese Unie, maar kan onder voorwaarden ook andere leerlingen kan toelaten. De Europese School in Den Haag is een type II school en laat ook andere leerlingen toe. Een type II school maakt deel uit van het nationale onderwijsbestel. Het bestaansrecht van deze scholen is verbonden aan de aanwezigheid van Europese instellingen in de nabijheid van de school. De bekostiging van deze school is de verantwoordelijkheid van de lidstaat van de betrokken school. Ook leerlingen die voldoen aan de criteria voor het internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs kunnen tot deze school worden toegelaten. Voor de leerlingen aan de Europese School te Den Haag wordt de bekostiging conform de bekostiging als bedoeld in artikel 2.86 verstrekt.

Artikel 4.29. Overige uitvoeringsregels voorzieningenplanning

In dit artikel wordt de grondslag gelegd voor een ministeriële regeling, waarin nadere regels worden gesteld voor onder meer allerlei aanvraagprocedures voor nieuwe onderwijsvoorzieningen, al dan niet in het kader van een RPO.

Voor de situatie buiten een RPO valt te denken aan het vaststellen van aanvraagformulieren en regels over te hanteren prognosesystematieken:

  • a. bij een aanvraag voor een nieuwe school, scholengemeenschap of een nieuw profiel aan een bestaande school voor vbo (zie artikel 4.2, eerste en tweede lid, juncto artikel 4.5);

  • b. voor het geval men een school of scholengemeenschap wil splitsen (zie artikel 4.2, derde lid, juncto artikel 4.5); of

  • c. bij een aanvraag voor het mogen verzorgen van leerwegondersteunend onderwijs (zie artikel 4.8).

Voor de situatie binnen een RPO gaat het om aanvraagformulieren en regels over te hanteren prognosesystematieken bij aanvragen voor voorzieningen als bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, onderdelen a t/m h.

Tevens worden op grond van dit artikel regels gesteld voor meldingen bij omzetting (= wijziging van de richting van een bijzondere school; zie artikel 4.9), uitbreiding met een richting (zie artikel 4.9), de opening van een tijdelijke nevenvestiging (zie artikel 4.16), of verplaatsing van een (deel van een vestiging van een) school binnen hemelsbreed gemeten een afstand van 3 kilometer (zie artikel 4.17). Deze wijzigingen kunnen scholen zonder tussenkomst van de Minister tot stand brengen. Het is echter wel voor de uitvoering van de regelgeving van belang dat de Minister hiervan op de hoogte is. Daarom is in de regeling voor die gevallen een melding geregeld.

Tot slot worden ook regels gesteld voor het geval een niet aan regionale samenwerking deelnemende school last krijgt van leerlingverlies als binnen een RPO afspraken worden gemaakt voor nieuwe onderwijsvoorzieningen (zie artikel 4.21). Het bevoegd gezag dat stelt last te hebben van leerlingverlies door de aanvraag, moet dit kunnen aantonen. In de regeling wordt daartoe een methodiek voor de berekening van dit leerlingverlies vastgesteld.

Op dit moment bestaat al de Regeling voorzieningenplanning VO op basis van artikel 76 WVO, die bovenstaande elementen bevat. In die regeling worden ook de percentages vastgesteld voor minimum aantallen leerlingen in geval van samenvoeging (grondslag in artikel 4.10, eerste lid) of een nieuwe nevenvestiging (grondslag in artikel 4.20, eerste lid, onderdeel b).

HOOFDSTUK 5. BEKOSTIGING EN VERANTWOORDING

Paragraaf 1. Algemene bepalingen bekostiging

Artikel 5.1. Algemeen

Dit artikel is niet geheel van toepassing in Caribisch Nederland, zie hoofdstuk 11.

Het Rijk bekostigt scholen die daarvoor op grond van hoofdstuk 4 in aanmerking komen. Dit laat onverlet dat ook gemeenten uitgaven doen voor het onderwijs.

Eerste lid

In het eerste lid wordt vastgesteld dat zowel openbare als bijzondere scholen voor voortgezet onderwijs voor bekostiging op grond van de WVO 20xx in aanmerking komen. De middelen die scholen uit ’s Rijks kas ontvangen, kunnen worden aangevuld door gemeenten.

Behalve de uitgaven die vallen onder de overschrijdingsregeling (zie de artikelen 5.25 tot en met 5.30), vindt ten aanzien van de uitgaven die de gemeente doet op grond van de artikelen 5.23 en 5.24 in het kader van eigen beleid over personele en materiële voorzieningen, echter geen aanvulling van rijkswege plaats. Deze uitgaven blijven dus ook ten laste van de gemeente. Eigen beleid over personele en materiële voorzieningen bekent dat gemeenten er zelfstandig voor kunnen kiezen om gemeentelijke middelen in te zetten voor het onderwijs. Deze uitgaven worden gedaan aan personeel of aan materiële zaken. Als gemeenten bijvoorbeeld zelf beleid maken dat inhoudt dat er nieuwe computers in elk klaslokaal moeten komen (een materiële voorziening) of dat iedere school een extra conciërge moet krijgen (een personele voorziening), is de gemeente daar zelf financieel verantwoordelijk voor. Zij krijgt daarvoor geen vergoeding van het Rijk.

Tweede lid

In het tweede lid is geregeld dat ook samenwerkingsverbanden worden bekostigd met inachtneming van de bepalingen in hoofdstuk 5.

Derde lid

In het derde lid wordt bepaald dat voor het onderwijs dat niet door de gemeenten in stand wordt gehouden, ten aanzien van de bekostiging dezelfde wettelijke regels gelden als voor het openbaar onderwijs dat wel door de gemeente stand wordt gehouden.

Artikel 5.2. Bekostiging van school, scholengemeenschap en cursussen

In artikel 5.2 is de mogelijkheid geregeld om bij of krachtens amvb regels te stellen over de bekostiging, verantwoording en informatievoorziening. Daardoor kunnen er bijvoorbeeld voor cursussen aan een school of scholengemeenschap bekostigingsregels worden gesteld. Bij amvb kunnen de hoofdelementen van de bekostiging worden geregeld, en bij ministeriële regeling zaken als jaarlijks wisselende bedragen of indexering.

Artikel 5.3. Toepassing hoofdstuk 5 op openbare scholen in stand gehouden door stichting of openbare rechtspersoon

Ook een openbare school die in stand wordt gehouden door een openbare rechtspersoon of een stichting, dus niet door de gemeente zelf, is een openbare school waarop de voorschriften die gelden voor het openbaar onderwijs van toepassing zijn. Uit artikel 5.3 volgt dat de regels over de bekostiging in hoofdstuk 5 die gelden voor bijzondere scholen, van overeenkomstige toepassing zijn op openbare scholen die in stand worden gehouden door een openbare rechtspersoon of een stichting, tenzij het tegendeel blijkt. In artikel 5.3 is namelijk geregeld dat een openbare school die in stand wordt gehouden door een openbare rechtspersoon of een stichting, voor de toepassing van hoofdstuk 5 als bijzondere school wordt aangemerkt. Deze openbare scholen worden wel aangemerkt als door de gemeente in stand gehouden openbare scholen als het gaat om de aanvang van de bekostiging, de toepassing van de overschrijdingsregeling en het einde van de bekostiging.

Paragraaf 2. Berekeningsgrondslagen bekostiging scholen; personeelskosten en exploitatiekosten

Artikel 5.4. Berekeningsgrondslag personeelsbekostiging

De bekostiging die scholen ontvangen, is opgebouwd uit twee delen: exploitatiebekostiging en personeelsbekostiging. De artikelen 5.4 tot en met en 5.6 regelen de hoofdlijnen van de personele bekostiging. Artikel 5.4 regelt dat de vergoeding van de kosten voor het personeel wordt vastgesteld door de formatie-omvang, die op grond van artikel 5.5 wordt berekend, te vermenigvuldigen met een gemiddelde personeelslast (GPL). Dit houdt in dat het aantal formatieplaatsen (fte's) dat wordt berekend op basis van (nu nog) het Formatiebesluit WVO per personeelscategorie wordt vermenigvuldigd met de GPL van die personeelscategorie, om op die manier de omvang van de personeelsbekostiging te verkrijgen. In het eerste lid is de GPL ook gedefinieerd, als het genormeerde bedrag van de personele middelen per formatieplaats voor elke personeelscategorie. Incidentele loonontwikkelingen en algemene salarismaatregelen kunnen onderdeel van de GPL zijn.

Onder de personele middelen moeten worden verstaan: de middelen voor de salarissen, toelagen, uitkeringen, overhevelingstoeslagen en vergoedingen voor personeel van de scholen, en de bijdragen voor hun pensioen en dat van hun nabestaanden. De woorden «vergoedingen voor personeel» omvatten ook het opslagpercentage voor vervanging en wachtgeld. De GPL kan per schoolsoort verschillen en wordt bij ministeriële regeling vastgesteld, op grond van het tweede lid.

Er vindt bij een gelijkblijvend leerlingaantal een aanpassing plaats van het niveau van de personele vergoedingen. Deze aanpassing kan worden gezien als een prijsindexering. Aanpassingen in verband met Algemene Salarismaatregelen hebben altijd een normatief karakter en kunnen op verschillende momenten plaatsvinden – soms zelfs met terugwerkende kracht -. Ze hebben geen vast ritme.

Artikel 5.5. Berekeningsgrondslag formatie-omvang voor personeelsbekostiging

Eerste lid

In het eerste lid is geregeld dat bij of krachtens amvb de grondslagen worden vastgesteld voor de omvang van de formatie van de drie personeelscategorieën: de directie, de leraren en het onderwijsondersteunend personeel. Deze amvb is nu nog het Formatiebesluit WVO. De formatie wordt uitgedrukt in een aantal fulltime-equivalenten (fte’s), dat wil zeggen, een aantal volledige formatieplaatsen. In het Formatiebesluit WVO is geregeld dat de vergoeding in verband met de kosten van het personeel wordt bepaald door het berekende aantal fte’s voor de afzonderlijke personeelscategorieën te vermenigvuldigen met de bijbehorende GPL en de uitkomsten daarvan bij elkaar op te tellen. De mogelijkheid van subdelegatie naar een ministeriële regeling kan relevant zijn bij een gelaagde bekostigingsmethodiek, waarbij concrete, veranderingsgevoelige (wellicht jaarlijks aan te passen) bedragen of parameters op het niveau van een ministeriële regeling behoren te worden vastgesteld.

Tweede lid

De berekende omvang van de formatie moet redelijkerwijs voldoende zijn voor het uitvoeren van de taken die de diverse personeelscategorieën binnen de school vervullen. Dit betekent dat de overheid bij het berekenen van de formatie uit moet gaan van een gemiddelde school, die aan deze middelen voldoende heeft om de wettelijke taken die in het tweede lid zijn beschreven uit te voeren.

Derde lid

Het aantal formatieplaatsen voor de categorieën personeel die in het eerste lid zijn benoemd, is voor een deel afhankelijk van het aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven. Het derde lid moet worden gelezen in samenhang met het vierde lid.

Vierde lid

In dit lid is geregeld dat de omvang van de formatie voor de personeelscategorie leraren bovendien (dus los van de grondslag in het derde lid) gevormd wordt door een vast aantal formatieplaatsen. Op dit moment is dat in het Formatiebesluit WVO nader uitgewerkt. Bij de vaststelling van het aantal formatieplaatsen wordt onderscheid gemaakt tussen de formatie voor de categorale scholen en die voor scholengemeenschappen. In beide gevallen is bepalend welke schoolsoort of schoolsoorten op de school worden aangeboden.

Vijfde lid

Als scholen bekostiging ontvangen voor leerwegondersteunend onderwijs, geldt een afzonderlijke grondslag voor de berekening van de omvang van de personele bekostiging voor leraren. Deze berekening is gebaseerd op het aantal leerlingen dat is aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs, of toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs.

Artikel 5.6. Berekeningsgrondslag bekostiging voor vervangingskosten personeel, uitkeringen gewezen personeel en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland, zie hoofdstuk 11.

Dit artikel regelt de grondslag voor het verstrekken van een tweetal opslagen op de personele bekostiging van de scholen. Het gaat hier om de zogenaamde vervangingsopslag en de wachtgeldopslag. Het artikel bepaalt dat de scholen bekostiging van het Rijk ontvangen, met het oog op de kosten die ze moeten maken voor de vervanging van ziek of door andere oorzaken afwezig personeel en voor werkloosheidsuitkeringen aan ontslagen personeel. De hoogte van de opslagen wordt jaarlijks in een ministeriële regeling geregeld, en is een percentage van de bekostiging van de salarissen. Ook is een grondslag opgenomen om de percentages tussentijds aan te passen en om af te bakenen welk deel van de bekostiging van de salarissen bij de berekening wordt betrokken.

Artikel 5.7. Berekeningsgrondslag exploitatiebekostiging

Eerste lid

Naast de bekostiging die scholen ontvangen voor hun personeel, ontvangen ze bekostiging voor de exploitatie van de school. Het eerste lid van artikel 5.7 regelt de componenten waarop de exploitatiebekostiging betrekking heeft.

Onderdeel a

De gemeente is in principe verantwoordelijk voor de huisvesting van de school, maar schoolbesturen zijn zelf verantwoordelijk voor aanpassingen aan de buitenzijde van het gebouw en het terrein en aanpassingen aan de binnenzijde van het gebouw. De schoolbesturen moeten deze voorzieningen betalen, maar krijgen hiervoor extra budget van OCW. Deze huisvestingsvoorzieningen worden aangemerkt als onderhoud: «onderhoud van het gebouw en het terrein». Nieuwbouw en uitbreiding van de school behoren niet tot deze categorie en worden door de gemeente betaald.

Onderdeel c

Het onderdeel «middelen» heeft zowel betrekking op leer- en hulpmiddelen als op inventaris en apparatuur.

Tweede lid

Het tweede lid waarborgt dat de bekostiging zodanig moet worden vastgesteld dat zij voldoet aan de redelijke behoefte van een in normale omstandigheden verkerende school. Dit lid regelt dus niet dat de bekostiging zodanig wordt vastgesteld dat deze per definitie toereikend zou zijn om de kosten die een school voor exploitatie maakt te dekken. De uitdrukking «redelijke behoeften» past bij het oogmerk om te voorzien in de behoeften van een in normale omstandigheden verkerende school. Daarmee wordt dus geaccepteerd dat het bekostigingssysteem relatief globaal is en voorziet in de behoefte van de gemiddelde school.

Derde lid

Het derde lid legt de structuur van de bekostiging voor de exploitatiekosten vast. Deze bekostiging bestaat uit:

  • a. een vast bedrag per school;

  • b. een bedrag dat afhankelijk is van de normatieve (dit wil zeggen: veronderstelde) ruimtebehoefte per leerling;

  • c. een bedrag dat afhankelijk is van het aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven, en

  • d. voor scholen met bekostigd leerwegondersteunend onderwijs, een bedrag dat afhankelijk is van het aantal leerlingen in dat onderwijs voor wie het samenwerkingsverband heeft bepaald dat zij op dat onderwijs zijn aangewezen of toelaatbaar zijn tot het praktijkonderwijs

Vierde lid

Het vierde lid maakt het mogelijk dat de in het derde lid, onderdelen a tot en met c, bedoelde bedragen kunnen verschillen per schoolsoort, of per groep van leerlingen. Het bedrag bedoeld in onderdeel d staat vast. Bij groepen van leerlingen kan onder meer worden gedacht aan leerlingen in het praktijkonderwijs. Met uitzondering van het vaste bedrag per school kan bovendien bij de vaststelling van de bekostigingsbedragen sprake zijn van verschillen tussen de eerste twee leerjaren van de school, en de overige leerjaren. Wat de verschillen in de overige leerjaren betreft, kan onderscheid worden gemaakt tussen het algemeen vormend onderwijs en het vbo. Daarnaast kan binnen het vbo onderscheid worden gemaakt tussen de beroepsgerichte profielen.

Vijfde lid

Op grond van het vijfde lid moeten bij ministeriële regeling jaarlijks voor 1 oktober de bedragen bedoeld in het derde lid worden vastgesteld. Verder worden bij ministeriële regeling nadere regels gegeven over de wijze waarop de bekostiging wordt berekend en vastgesteld. Door de vaststelling voor 1 oktober weten scholen ruim voor aanvang van het kalenderjaar hoe hoog de exploitatiebekostiging zal zijn.

Zesde lid

Eventuele loon- en prijsontwikkelingen worden verwerkt in de bedragen, bedoeld in het derde lid, onderdelen a tot en met c, op grond van dit zesde lid. Die verwerking wordt geregeld bij ministeriële regeling. De jaarlijkse uitkering kan op grond van die regeling enigszins fluctueren vanwege het verschil tussen de ontwikkeling van de prijzen enerzijds en de daadwerkelijk uitgekeerde prijscompensatie anderzijds. Over een langere periode gerekend (bijvoorbeeld vier of vijf jaar) zal de aansluiting bij lonen en prijzen echter aanwezig zijn, tenzij sprake is van uitzonderlijke situaties. Zulke situaties zijn in het zesde lid aangeduid met de woorden «tenzij de toestand van de rijksfinanciën zich daartegen verzet». De bijzondere situatie om tot een neerwaartse loonbijstelling of prijscompensatie te komen als de toestand van de rijksfinanciën dat noodzakelijk maakt, is opgenomen omdat het mogelijk moet blijven dat de regering in overleg met de medebegrotingswetgever rekening houdt met acute begrotingsproblemen.

Artikel 5.8. Teldatum en aantal leerlingen

In dit artikel, dat deels is ontleend aan het Bekostigingsbesluit WVO, is geregeld dat de Minister voor de vaststelling van de personele bekostiging en de exploitatiebekostiging van de scholen, in beginsel het aantal leerlingen in aanmerking neemt dat op 1 oktober van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft, als werkelijk schoolgaand aan de school stond ingeschreven. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ook andere leerlingen die niet werkelijk schoolgaand zijn, worden aangewezen die meetellen voor de bekostiging. Op dezelfde wijze kunnen leerlingen worden aangewezen die niet worden meegeteld voor de bekostiging. In bepaalde gevallen kan de Minister afwijken van de teldatum van 1 oktober, namelijk in geval van oprichting, verplaatsing op splitsing van een school. Bij ministeriële regeling kunnen hierover regels worden gesteld.

Artikel 5.9. Verstrekken aanvullende bekostiging bij bijzondere ontwikkelingen

Bij bijzondere ontwikkelingen (artikel 5.9) of bijzondere omstandigheden (artikel 5.10) kan aanvullende bekostiging worden toegekend voor personeelskosten, voor exploitatiekosten of voor beide soorten kosten. In praktijk zal het vrijwel altijd gaan om een combinatie van beide.

Eerste lid

Dit lid biedt de grondslag voor een ministeriële regeling over de toekenning van aanvullende bekostiging. Het verstrekken van aanvullende bekostiging moet te maken hebben met bijzondere ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs. Dit was bijvoorbeeld het geval toen eind 2013 als gevolg van het begrotingsakkoord extra incidenteel geld beschikbaar kwam voor de sector. De ministeriële regeling kan onder meer een beslistermijn regelen en voorschriften over de aanvraagprocedure.

Tweede lid

Artikel 4:26, eerste lid, van de Awb schrijft voor dat het vaststellen van verdeelregels gebeurt bij of krachtens wettelijk voorschrift. Daarom regelt het tweede lid expliciet dat als sprake is van een bekostigingsplafond, een ministeriële regeling verdeelregels zal vaststellen die bepalen hoe de middelen worden verdeeld indien het plafond wordt overschreden en hoe de bekostiging wordt verdeeld als het plafond niet wordt overschreden.

Artikel 5.10. Verstrekken aanvullende bekostiging bij bijzondere omstandigheden

Eerste en tweede lid

Het eerste lid van artikel 5.10 bepaalt dat de Minister ook in individuele gevallen op aanvraag van een bevoegd gezag aanvullende bekostiging kan verstrekken voor personeelskosten of voor exploitatiekosten. Aanvullende bekostiging kan alleen worden verstrekt als sprake is van bijzondere omstandigheden aan een school die het bevoegd gezag niet kon voorzien en waardoor de gewone bekostiging niet voldoende is.

De verstrekking van deze aanvullende bekostiging vindt altijd op individuele basis plaats en wordt van geval tot geval bezien. Naast de aard van de omstandigheden, kan ook de financiële situatie waarin de school verkeert worden meegenomen in de afweging (scholen moeten er in beginsel zelf zorg voor dragen dat de inkomsten en uitgaven meerjarig in balans zijn). Aan de verstrekking van aanvullende bekostiging kan de Minister verplichtingen verbinden.

Derde lid

De aanvraag door het bevoegd gezag moet worden ingediend in het kalenderjaar waarin de bijzondere omstandigheden zich voor het eerst voordoen. Een school kan geen aanvraag met terugwerkende kracht indienen voor eerdere jaren. De beslistermijn op dit soort aanvragen is vier maanden. Deze termijn is langer dan gebruikelijk (de Awb stelt een termijn van acht weken), en kan worden verlengd. In praktijk blijkt dat het onderzoek naar de aard van de bijzondere omstandigheden om te komen tot een zorgvuldige afweging van belangen meer tijd vergt dan de gewone Awb-termijn.

Vierde lid

Artikel 4:26, eerste lid, van de Awb schrijft voor dat het vaststellen van verdeelregels gebeurt bij of krachtens wettelijk voorschrift. Daarom regelt het vierde lid expliciet dat in geval sprake is van een bekostigingsplafond, een ministeriële regeling verdeelregels zal vaststellen die bepalen hoe de middelen worden verdeeld indien het plafond wordt overschreden en hoe de verdeling plaatsvindt als het plafond niet wordt overschreden.

Artikel 5.11. Verstrekken middelen in aanvulling op bekostiging

Dit artikel regelt de mogelijkheid om aanvullende middelen beschikbaar te stellen voor andere doelen dan bekostiging van het onderwijs. Dit geldt overigens niet voor het vbo-groen dat wordt verzorgd binnen een AOC, omdat dat volgens de regels van de WEB wordt bekostigd. De basis voor aanvullende bekostiging voor dat onderwijs is artikel 2.1.3 WEB. Artikel 5.11 (het huidige artikel 74 WVO) is een soort «vangnetbepaling» voor allerlei soorten aanvullende bekostiging (subsidie). Het ruime karakter van deze aanvullende bekostiging is wel begrensd, doordat de middelen die op grond van dit artikel worden verstrekt, direct of indirect dienstig moeten zijn voor de uitvoering van het onderwijs, of voor de verhoging van de mogelijkheid om aan het onderwijs deel te nemen. Voorbeelden van regelingen die op deze grondslag zijn gebaseerd, zijn de Regeling lente- en zomerscholen, de Regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo, de Subsidieregeling internationalisering po en vo en de Subsidieregeling LerarenOntwikkelFonds.

Artikel 5.12. Verstrekken subsidie godsdienstonderwijs en levensbeschouwelijk onderwijs op openbare scholen

Eerste lid

Kerkgenootschappen en plaatselijke kerken kunnen subsidie krijgen voor het verzorgen van godsdienstonderwijs aan leerlingen op openbare scholen. Genootschappen op geestelijke grondslag kunnen subsidie krijgen voor het verzorgen van levensbeschouwelijk vormingsonderwijs. Zie hierover ook artikel 2.35.

Tweede lid

Het tweede lid regelt dat indien een subsidie wordt verstrekt, dat alleen kan volgens de regels van een amvb. Die amvb is er (nog) niet. Komt zij er wel, dan zijn de uitgaven die zijn verbonden aan godsdienstig en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs aan openbare scholen (zie artikel 2.35), kosten van de school die ten laste komen van het Rijk. In dit artikel gaat het om subsidie en niet om onderwijsbekostiging, omdat kerkelijke gemeenten of plaatselijke kerken/genootschappen op geestelijke grondslag de ontvanger ervan zijn, in plaats van bekostigde scholen.

Paragraaf 3. Berekeningsgrondslagen bekostiging samenwerkingsverbanden: personeelskosten en kosten materiële instandhouding

Deze paragraaf regelt de bekostiging voor samenwerkingsverbanden. Elke school is voor al zijn vestigingen aangesloten bij eenzelfde samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband is verantwoordelijk voor de verdeling van de middelen voor de zware ondersteuning (waaronder de bekostiging voor leerlingen die deelnemen aan het vso) en voor lichte ondersteuning (waaronder de bekostiging voor leerlingen die deelnemen aan het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs). De bekostiging van de zware ondersteuning is onderverdeeld in een personele en een materiële component, net als het geval is bij het vso. Ook het betaalritme sluit aan bij dat van het vso. Het personele deel van de bekostiging voor zware ondersteuning wordt per schooljaar uitgekeerd en het materiële deel per kalenderjaar. De bekostiging voor lichte ondersteuning gebeurt, zoals gebruikelijk in het voortgezet onderwijs, per kalenderjaar.

Wat de opzet van paragraaf 3 betreft: de artikelen over de bekostigingsgrondslag voor personele en materiële kosten van samenwerkingsverbanden en die over vermindering van deze bekostiging bij uitputting daarvan zijn in de WVO opgenomen door een wet, waarmee tegelijkertijd vergelijkbare bepalingen zijn opgenomen in de WPO en (voor een deel) in de WEC.28 Artikel 5.13 is vergelijkbaar met artikel 132 WPO; artikel 5.14 met artikel 118b WPO en artikel 119 WEC. Artikel 5.17 is vergelijkbaar met artikel 125b WPO, en artikel 5.19 WVO met artikel 118b WPO en artikel 116a WEC. De regering wil deze uniformiteit niet doorkruisen door specifiek voor de WVO de artikelen aan te passen: een aanpassing moet op enig moment op geharmoniseerde wijze gebeuren voor de bepalingen over samenwerkingsverbanden in zowel de WVO, de WPO als de WEC. Zie hierover ook de toelichting op artikel 2.47 (samenwerkingsverbanden). Ook de regels in paragraaf 6 (Informatieverplichtingen) zijn verregaand identiek in het totaal van de onderwijssectorwetten (WPO, WEC, WVO, WEB en WHW). In de WVO zijn artikelen opgenomen over aanvullende personeelsbekostiging, over aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding en over vermindering van deze bekostiging bij uitputting daarvan.29 Die artikelen zijn niet ook in WPO en WEC opgenomen, maar ze volgen wel het stramien van de artikelen die in 2012 voor de samenwerkingsverbanden in WVO, WPO en WEC zijn opgenomen; wetgevingstechnisch gezien vormen deze regels één geheel. Daarom zijn ook de later toegevoegde artikelen over de bekostiging van de samenwerkingsverbanden, afgezien van noodzakelijke aanpassingen zoals artikelverwijzingen, nu niet aangepast. Het gaat om de artikelen 5.15, 5.16, 5.20 en 5.21. Verdere aanpassing is pas aan de orde in het verlengde van de bovengenoemde artikelen, opgenomen in WVO, WPO en WEC.

Artikel 5.13. Grondslag bekostiging personeel samenwerkingsverband

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland; zie hoofdstuk 11.

Eerste en tweede lid

Elk samenwerkingsverband krijgt middelen om zware ondersteuning te bieden aan leerlingen die dat nodig hebben. Vergelijkbaar met de opbouw van de bekostiging van scholen in het algemeen, is de bekostiging van samenwerkingsverbanden ook uit twee delen opgebouwd: personeelsbekostiging en bekostiging voor materiële instandhouding. De personeelsbekostiging wordt berekend door een bedrag per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen dat is ingeschreven op de vestigingen van de scholen die bij het samenwerkingsverband zijn aangesloten. De teldatum daarvoor is 1 oktober van het jaar dat aan het bekostigingsjaar vooraf gaat (t-1). Een ministeriële regeling regelt welk bedrag per leerling wordt gehanteerd.

Artikel 5.13 regelt de personeelsbekostiging die het samenwerkingsverband ontvangt voor zware ondersteuning. Artikel 5.15 betreft de grondslag en opbouw van de bekostiging voor de lichte ondersteuning. Deze budgetten worden op een iets andere manier toegekend. Uit artikel 5.40 (over de besteding van de bekostiging) volgt dat de middelen besteed moeten worden conform het doel waarvoor ze worden verstrekt. Daar staat niet specifiek genoemd dat middelen voor zware ondersteuning alleen aan zware ondersteuning mogen worden toegekend, en middelen voor lichte ondersteuning alleen aan lichte ondersteuning. Met andere woorden: het is lumpsum.

Derde en vierde lid

In het derde lid en vierde lid van de artikelen 5.13 en 5.18 is bepaald dat voor iedere leerling die wordt ingeschreven op een school voor vso of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs een bedrag wordt afgetrokken van de bekostiging van het samenwerkingsverband dat de leerling toelaatbaar heeft verklaard tot het vso. Het gaat alleen om leerlingen in de clusters 3 en 4. Dit bedrag wordt toegekend aan de school voor vso of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Deze systematiek geldt ook voor leerlingen die zijn opgenomen in residentiële instellingen. Leerlingen die onderwijs volgen op de (v)so-school waar de residentiële instelling een samenwerkingsovereenkomst mee heeft, hebben geen toelaatbaarheidsverklaring van het samenwerkingsverband nodig. De kosten voor deze leerlingen komen op grond van het vierde lid ten laste van het samenwerkingsverband behorende bij de school waar de leerling stond ingeschreven voorafgaand aan de plaatsing of door het samenwerkingsverband waar de leerling woont als de leerling voorafgaand aan de plaatsing nog niet stond ingeschreven op een school. Wanneer de leerling voorafgaand aan de huidige plaatsing eveneens was geplaatst op een residentiële instelling, blijft het samenwerkingsverband dat verantwoordelijk was voor de kosten van de voorgaande plaatsing ook verantwoordelijk voor de kosten van de daaropvolgende plaatsing.

De hoogte van het bedrag is afhankelijk van de extra ondersteuning die de leerling nodig heeft (keuze uit drie verschillende categorieën) zoals die is overeengekomen binnen het samenwerkingsverband. DUO kent het bedrag dat wordt toegekend aan de school voor vso of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs rechtstreeks toe aan de school waar de leerling is ingeschreven en brengt het in mindering op de bekostiging van het samenwerkingsverband. Dit gebeurt om de (administratieve) lasten voor het samenwerkingsverband zoveel mogelijk te beperken. DUO kent het budget dat resteert na deze vermindering toe aan het samenwerkingsverband, zodat het ingezet kan worden voor overige zware ondersteuning. Dat betekent dat de middelen voor overige ondersteuning – dus niet het (v)so – kunnen worden ingezet. Tot 2020 geldt een zogenoemde verevening, waarbij bekostigingsverschillen uit het verleden in vijf stappen worden weggewerkt. Zie daarvoor hoofdstuk 12 (Invoerings- en overgangsrecht).

Vijfde lid

De bedragen per leerling, bedoeld in het tweede lid, zijn de uitkomst van een bepaalde formatie-omvang per leerling, vermenigvuldigd met een bedrag. Bij amvb (nu nog: het Formatiebesluit WVO) wordt de formatie per leerling nader geregeld. Bij de vaststelling van de bedragen, bedoeld in het tweede lid, wordt in elk geval rekening gehouden met de ontwikkeling van de genormeerde GPL van de scholen voor speciaal onderwijs, voor vso en voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

Zesde lid

Dit lid verklaart de artikelen over het verstrekken van aanvullende personeelsbekostiging aan scholen wegens bijzondere ontwikkelingen/bijzondere omstandigheden van (overeenkomstige) toepassing op het samenwerkingsverband. Deze aanvullende bekostiging is dus ook bij samenwerkingsverbanden mogelijk.

Artikel 5.14. Vermindering bekostiging personeelskosten bij uitputting bekostiging personeelskosten samenwerkingsverband

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland; zie hoofdstuk 11.

Het kan voorkomen dat het samenwerkingsverband zoveel leerlingen verwijst naar het (voortgezet) speciaal onderwijs, dat de kosten die DUO in mindering moet brengen bij het samenwerkingsverband hoger zijn dan het beschikbare budget voor zware ondersteuning. In die situatie wordt de bekostiging van alle scholen in het samenwerkingsverband verminderd om het tekort aan te vullen. De bijdrage van de scholen is naar rato van hun leerlingenaantal. Dit artikel regelt dit voor het personele deel van het budget voor zware ondersteuning.

Artikel 5.15. Aanvullende bekostiging personeelskosten samenwerkingsverband

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland; zie hoofdstuk 11.

Eerste lid

Er is voor elk samenwerkingsverband een budget beschikbaar om lichte ondersteuning te kunnen bieden aan de leerlingen.

Tweede en derde lid

De bekostiging voor lichte ondersteuning kent een drietal componenten. De bekostiging ten bate van ondersteuning van leerlingen die zijn aangewezen op het leerwegondersteunend onderwijs (zie het tweede lid), de bekostiging ten bate van ondersteuning van leerlingen in het praktijkonderwijs (zie het derde lid) en de bekostiging voor overige ondersteuning (regionale ondersteuning; zie het vierde lid). De bekostiging voor leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt bepaald door een aantal leerlingen te vermenigvuldigen met een bedrag dat bij ministeriële regeling wordt bepaald. Omdat de bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs is gebudgetteerd, wordt het samenwerkingsverband niet bekostigd voor het daadwerkelijke aantal leerlingen dat dat jaar leerwegondersteunend onderwijs ontvangt of praktijkonderwijs volgt, maar wordt deze bekostiging voor een vast percentage van het aantal leerlingen in het samenwerkingsverband toegekend. Het gaat dan om het percentage leerlingen dat op 1 oktober 2012 leerwegondersteunend onderwijs ontving of praktijkonderwijs volgde (ten opzichte van het totaal aantal leerlingen in het samenwerkingsverband op dat moment). Dit percentage wordt jaarlijks vermenigvuldigd met het totaal aantal leerlingen in het samenwerkingsverband op 1 oktober van dat jaar. Dit aantal is het aantal leerlingen op basis waarvan de bekostiging berekend wordt (door het te vermenigvuldigen met een vast bedrag). De bekostiging voor regionale ondersteuning wordt vanaf 1 augustus 2014 berekend door een vast bedrag toe te kennen voor elke leerling op de scholen binnen het samenwerkingsverband.

Vierde lid

Het vierde lid regelt de wijze waarop het budget voor regionale ondersteuning (één van de onderdelen van de lichte ondersteuning) wordt berekend. Het vierde lid is de grondslag voor artikel 8a van het huidige Bekostigingsbesluit WVO. Een deel van dat artikel verwijst naar een overgangsbepaling, een deel regelt dat de bekostiging voor regionale ondersteuning wordt berekend door een jaarlijks bij ministeriële regeling te bepalen bedrag te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen dat staat ingeschreven op de vestigingen binnen het samenwerkingsverband.

Vijfde lid

Dit lid regelt hoe de bedragen ten bate van de ondersteuning van leerlingen die zijn aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs, of voor leerlingen met een toelaatbaarheidsverklaring voor het praktijkonderwijs, worden berekend: door een bepaalde formatie-omvang, die bij of krachtens amvb wordt bepaald, per leerling te vermenigvuldigen met een bepaald bedrag, dat bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.

Zesde en zevende lid

De aanvullende bekostiging wordt niet rechtstreeks aan het samenwerkingsverband uitgekeerd. Vooraf vindt er, net als bij de zware ondersteuning, verrekening plaats door DUO, op basis van het aantal leerlingen dat daadwerkelijk op de teldatum voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, is ingeschreven op het praktijkonderwijs of als leerling die leerwegondersteunend onderwijs ontvangt. De hiermee samenhangende ondersteuningsmiddelen worden direct uitgekeerd aan de scholen met een lwoo-licentie en de scholen voor praktijkonderwijs, en worden afgetrokken van het budget van het samenwerkingsverband. Het budget dat resteert, wordt toegekend aan het samenwerkingsverband voor het bieden van overige lichte ondersteuning.

Artikel 5.16. Vermindering bekostiging personeelskosten bij uitputting aanvullende bekostiging personeelskosten samenwerkingsverband

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland; zie hoofdstuk 11.

Het kan voorkomen dat het samenwerkingsverband zoveel leerlingen verwijst naar het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs, dat de kosten die DUO in mindering moet brengen bij het samenwerkingsverband hoger zijn dan het beschikbare budget voor lichte ondersteuning. In die situatie wordt de bekostiging van alle scholen in het samenwerkingsverband (zowel scholen voor voortgezet onderwijs als vso-scholen in het samenwerkingsverband) verminderd om het tekort aan te vullen. De bijdrage van de scholen is naar rato op basis van hun leerlingenaantal.

Artikel 5.17. Overdracht van bekostiging personeelskosten aan scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland; zie hoofdstuk 11.

Eerste lid

De bekostigingssystematiek is gebaseerd op het leerlingaantal op 1 oktober. Normaliter functioneert dit als een goed peilmoment, maar verwijzingen naar het vso vinden vaak in de loop van het schooljaar plaats. Dat betekent dat vso-scholen ook na de teldatum van 1 oktober nog geregeld extra leerlingen krijgen. Om te voorkomen dat hierdoor een structureel bekostigingsnadeel ontstaat, moeten samenwerkingsverbanden voorzien in een groeiregeling. De peildatum daarbij is 1 februari. Is sprake van een groei van het aantal leerlingen op het vso, dan draagt het samenwerkingsverband de bijbehorende kosten over, op grond van dit artikellid. Dit gebeurt dus niet automatisch door DUO. In het eerste lid is verder bepaald hoe het bedrag wordt bepaald.

Tweede lid

De bekostiging, bedoeld in het eerste lid, is bedoeld voor het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin de peildatum valt.

Derde lid

Als de personele bekostiging voor zware ondersteuning die het samenwerkingsverband ontvangt, niet voldoende is voor de extra bekostiging uit het eerste lid, moeten alle scholen met één of meer vestigingen in het gebied van het samenwerkingsverband gezamenlijk bijdragen aan het dichten van dat gat. Alle scholen voor voortgezet onderwijs en vso-scholen binnen een samenwerkingsverband moeten in dit geval een deel van het ontbrekende bekostigingsbedrag overdragen aan het samenwerkingsverband. Het aandeel van elke school in het totaalbedrag wordt bepaald volgens de regeling die daarvoor op grond van artikel 2.47, negende lid, onderdeel h, is opgenomen in het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband.

Artikel 5.18. Bekostiging samenwerkingsverband materiële instandhouding

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland; zie hoofdstuk 11.

Eerste en tweede lid

Elk samenwerkingsverband krijgt middelen om zware ondersteuning te bieden aan leerlingen die dat nodig hebben. Vergelijkbaar met de bekostiging van scholen in het algemeen, is de bekostiging van samenwerkingsverbanden ook uit twee delen opgebouwd: personeelsbekostiging en bekostiging voor materiële instandhouding. De bekostiging voor de materiële instandhouding wordt geen exploitatiebekostiging genoemd, omdat hij is bestemd voor scholen waarvoor regels zijn gesteld in de WEC. In die wet wordt niet over exploitatiebekostiging, maar over materiële bekostiging gesproken. Het bedrag dat het samenwerkingsverband ontvangt voor materiële instandhouding wordt berekend door een bedrag per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen op de vestigingen van scholen in het samenwerkingsverband. De teldatum daarvoor is 1 oktober van het jaar dat aan het bekostigingsjaar vooraf gaat (t-1). Een ministeriële regeling bepaalt welk bedrag per leerling wordt gehanteerd.

Derde en vierde lid

In het derde lid en vierde lid is bepaald dat voor iedere leerling die wordt ingeschreven op een school voor vso of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs een bedrag wordt afgetrokken van de bekostiging van het samenwerkingsverband dat de leerling toelaatbaar heeft verklaard tot het vso. Het gaat alleen om leerlingen in de clusters 3 en 4. Dit bedrag wordt toegekend aan de school voor vso of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Deze systematiek geldt op grond van het vierde lid ook voor leerlingen die zijn opgenomen in residentiële instellingen. Leerlingen die onderwijs volgen op de (v)so-school waar de residentiële instelling een samenwerkingsovereenkomst mee heeft, hebben geen toelaatbaarheidsverklaring van het samenwerkingsverband nodig. De kosten voor deze leerlingen komen op grond van het vierde lid ten laste van het samenwerkingsverband behorende bij de school waar de leerling stond ingeschreven voorafgaand aan de plaatsing, of van het samenwerkingsverband in het gebied waar de leerling woont, als de leerling voorafgaand aan de plaatsing nog niet stond ingeschreven op een school. Wanneer de leerling voorafgaand aan de huidige plaatsing eveneens was geplaatst op een residentiële instelling, blijft het samenwerkingsverband dat verantwoordelijk was voor de kosten van de voorgaande plaatsing ook verantwoordelijk voor de kosten van de daaropvolgende plaatsing.

De hoogte van het bedrag is afhankelijk van de extra ondersteuning die de leerling nodig heeft (keuze uit drie verschillende categorieën) zoals die is overeengekomen binnen het samenwerkingsverband. DUO kent het bedrag rechtstreeks toe aan de school voor vso of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs waar de leerling is ingeschreven en brengt het in mindering op de bekostiging van het samenwerkingsverband. Dit om de (administratieve) lasten voor het samenwerkingsverband zoveel mogelijk te beperken. DUO kent het budget dat resteert na deze vermindering toe aan het samenwerkingsverband zodat het ingezet kan worden voor overige vormen van zware ondersteuning. Tot 2020 geldt een zogenoemde verevening, waarbij bekostigingsverschillen uit het verleden in vijf stappen worden weggewerkt.

Vijfde lid

Dit lid verklaart de artikelen over het verstrekken van aanvullende bekostiging aan scholen wegens bijzondere ontwikkelingen/bijzondere omstandigheden van (overeenkomstige) toepassing op het samenwerkingsverband. Deze aanvullende bekostiging is dus ook bij samenwerkingsverbanden mogelijk.

Artikel 5.19. Vermindering bekostiging materiële instandhouding bij uitputting bekostiging materiële instandhouding samenwerkingsverband

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland; zie hoofdstuk 11.

In dit artikel zijn regels gesteld over de manier waarop de bekostiging wordt verminderd als het samenwerkingsverband zoveel leerlingen naar het vso verwijst dat de kosten die DUO in mindering moet brengen bij het samenwerkingsverband hoger zijn dan het budget waarover het samenwerkingsverband voor zware ondersteuning beschikt. Deze regels gelden voor het materiële deel van het budget voor zware ondersteuning. Er wordt in dit artikel gesproken over materiële instandhouding in plaats van over «exploitatie», omdat het gaat om scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4, die zijn geregeld in de WEC. In die wet wordt gesproken over materiële bekostiging.

Artikel 5.20. Aanvullende bekostiging materiële instandhouding samenwerkingsverband

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland; zie hoofdstuk 11.

Eerste lid

Elk samenwerkingsverband ontvangt in aanvulling op de bekostiging voor materiële instandhouding voor zware ondersteuning, een budget om lichte ondersteuning te kunnen bieden aan de leerlingen. Met lichte ondersteuning worden leerwegondersteunend onderwijs, praktijkonderwijs en regionale ondersteuning bedoeld.

Tweede en derde lid

De bekostiging voor lichte ondersteuning kent een drietal componenten. De bekostiging ten bate van ondersteuning van leerlingen die leerwegondersteunend onderwijs ontvangen (hierover gaat het tweede lid), de bekostiging ten bate van ondersteuning van leerlingen in het praktijkonderwijs (hierover gaat het derde lid) en de bekostiging voor overige ondersteuning (regionale ondersteuning; hierover gaat het vierde lid). De bekostiging voor leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt bepaald door een op grond van het tweede en derde lid bepaald aantal leerlingen te vermenigvuldigen met een bedrag, dat bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. Omdat de bekostiging van het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs is gebudgetteerd, is dit bedrag niet gebaseerd op het daadwerkelijke aantal leerlingen dat in een jaar leerwegondersteunend onderwijs ontvangt of praktijkonderwijs volgt, maar wordt het toegekend op basis van een vast percentage van het aantal leerlingen in het samenwerkingsverband. Het gaat dan om het percentage leerlingen dat op 1 oktober 2012 leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs volgde (ten opzichte van het totaal aantal leerlingen in het samenwerkingsverband op dat moment). Dit percentage wordt jaarlijks vermenigvuldigd met het totale aantal leerlingen dat is ingeschreven op scholen in het samenwerkingsverband op 1 oktober van dat jaar. Dit aantal is het aantal leerlingen op basis waarvan de bekostiging berekend wordt (door het te vermenigvuldigen met een vast bedrag).

Vierde lid

De bekostiging voor regionale ondersteuning wordt vanaf 1 augustus 2014 berekend door een vast bedrag toe te kennen voor elke leerling op de scholen binnen het samenwerkingsverband. Het vierde lid bevat ook een grondslag voor de bij en krachtens amvb geregelde overgangsregeling tot 1 januari 2017.

Vijfde en zesde lid

De aanvullende bekostiging wordt niet rechtstreeks aan het samenwerkingsverband uitgekeerd. Vooraf vindt er, net als bij de zware ondersteuning, verrekening plaats door DUO. De basis voor die verrekening is het aantal leerlingen dat op de teldatum voorafgaand aan het jaar waarover de bekostiging plaatsvindt, is ingeschreven op het praktijkonderwijs of dat is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs. De hiermee samenhangende ondersteuningsmiddelen worden direct uitgekeerd aan de scholen met een lwoo-licentie en de scholen voor praktijkonderwijs, en worden afgetrokken van het budget van het samenwerkingsverband. Het budget dat resteert, wordt toegekend aan het samenwerkingsverband voor het bieden van overige lichte ondersteuning.

Artikel 5.21. Vermindering bekostiging materiële instandhouding bij uitputting aanvullende bekostiging samenwerkingsverband

Dit artikel is niet van toepassing in Caribisch Nederland; zie hoofdstuk 11.

Het kan voorkomen dat het samenwerkingsverband zo veel leerlingen verwijst naar het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs, dat de kosten die DUO in mindering moet brengen bij het samenwerkingsverband hoger zijn dan het beschikbare budget voor lichte ondersteuning. In die situatie wordt de bekostiging van alle scholen in het samenwerkingsverband (zowel scholen voor voortgezet onderwijs als vso-scholen in het samenwerkingsverband) verminderd om het tekort aan te vullen. De bijdrage van de scholen is naar rato op basis van hun leerlingenaantal.

Paragraaf 4. Rol gemeente

Artikel 5.22. Verstrekken bedrag belastingen ter zake van onroerende zaken aan bijzondere school

Dit artikel schrijft voor dat de gemeente de onroerende zaakbelasting moet vergoeden van een niet door de gemeente in stand gehouden school. Daarom is de belasting op onroerende zaken expliciet uitgesloten van de exploitatiebekostiging door het Rijk in artikel 5.7, eerste lid, onderdeel g.

Artikel 5.23. Gemeentelijk beleid als gemeente zelf geen openbare scholen in stand houdt of als openbare scholen ontbreken

Eerste lid

Op grond van het eerste lid moet de gemeenteraad van een gemeente waar alle openbare scholen door een andere rechtspersoon dan de gemeente in stand worden gehouden bij verordening een regeling vaststellen voor de toekenning van extra middelen als de gemeente uitgaven voor openbaar of bijzonder voortgezet onderwijs wil doen die niet door het Rijk worden bekostigd. De overschrijdingsregeling – de formele financiële gelijkstelling – is in die situatie van extra middelen bovenop de bekostiging uit ’s Rijks kas niet van toepassing, want de overschrijdingsregeling gaat over uitgaven die de gemeente doet aan openbaar onderwijs dat de gemeente wél rechtstreeks zelf in stand houdt. Hetzelfde geldt voor gemeenten waar helemaal geen openbare scholen zijn. Er hoeft overigens geen regeling te komen als de gemeente geen extra middelen wil toekennen.

Tweede lid

De gemeentelijke verordening moet de gelijke behandeling van (verzelfstandigde) openbare en bijzondere scholen waarborgen. Daarbij moet zij ook regelen dat de extra middelen die de gemeente beschikbaar stelt voor alle scholen – zowel openbare als bijzondere – volgens dezelfde maatstaf worden berekend.

Derde lid

De gemeenteraad stelt de verordening vast. De rechtspersoon die het verzelfstandigd openbaar onderwijs in stand houdt, moet in de verordening op dezelfde manier worden behandeld als het bijzonder onderwijs, en dus niet afhankelijk zijn van het toedelen van middelen buiten de verordening om. Daarom bepaalt het derde lid dat zo’n «andere rechtspersoon» net als het bevoegd gezag van een bijzondere school aanvragen op basis van de regeling rechtstreeks tot de gemeente kan richten. De gemeentelijke regeling moet een uitwerking van de aanvraagprocedure bevatten.

Vierde lid

Om snel op nieuwe ontwikkelingen te kunnen inspelen, biedt het vierde lid de mogelijkheid dat de gemeenteraad besluit dat het college van burgemeester en wethouders het aantal voorzieningen dat kan worden aangevraagd tijdelijk uitbreidt. Het college van burgemeester en wethouders zal hier zorgvuldig mee moeten omgaan door ook in die gevallen objectieve criteria te hanteren en door geen voorzieningen te formuleren die specifiek op bepaalde scholen betrekking hebben.

De procedure voor het tijdelijk aanvullen van de middelen in de gemeentelijke verordening, is nauwkeurig omschreven. Alle scholen onder de reikwijdte van de verordening (zie het eerste lid), worden binnen één week van de aanvulling op de hoogte gesteld. Zo wordt bereikt dat de scholen zodra dat nodig is aanvragen kunnen indienen voor de aanvullende voorzieningen. Omdat het in beginsel de gemeenteraad is die een gemeentelijke verordening vaststelt en wijzigt, moet die raad de tijdelijke aanvullingen van het college van burgemeester en wethouders binnen twaalf weken bekrachtigen. Gebeurt dat pas later, dan worden de aanvullingen toch aangemerkt als te zijn bekrachtigd. Dit is in het belang van de rechtszekerheid van de betrokken scholen: hun aanvragen die zijn ingediend op basis van de (tijdelijke) aanvullingen, kunnen in overeenstemming met die aanvullingen worden afgehandeld.

Vijfde lid

Een nevenvestiging wordt voor de toepassing van dit artikel aangemerkt als een nevenvestiging in de gemeente van de hoofdvestiging. Een gemeente waarin alleen openbaar onderwijs wordt gegeven op een nevenvestiging van een school met de hoofdvestiging in een andere gemeente, geldt dus als een gemeente die zelf geen openbare scholen in stand houdt. Het betekent bijvoorbeeld ook dat voor een nevenvestiging van een bijzondere school in beginsel een aanvraag op grond van een gemeentelijke verordening kan worden gedaan in de gemeente waar de hoofdvestiging is gelegen.

De tweede volzin geeft de gemeente de bevoegdheid om in de verordening ook regelingen te treffen voor nevenvestigingen waarvan de hoofdvestiging in een andere gemeente ligt. Ook daarbij geldt de eis aan de verordening dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Uitgaven die met toepassing van deze bevoegdheid zijn gedaan, tellen niet mee voor de overschrijdingsregeling van de gemeente van de hoofdvestiging.

Zesde lid

Het college van burgemeester en wethouders moet de voorzieningen die op grond van de gemeentelijke regeling zijn toegekend, één keer per jaar algemeen bekend maken. Daarbij heeft het college de keuze uit een aantal manieren van bekendmaking. De formulering van het zesde lid is ontleend aan die van artikel 3:42 Awb.

Zevende lid

Dit lid regelt expliciet dat de overschrijdingsregels niet van toepassing zijn op artikel 5.23. Dat is ook logisch: artikel 5.23 gaat over gevallen waarin de gemeente zelf geen openbare scholen in stand houdt of als openbare scholen helemaal ontbreken. Dan is er geen plaats voor toepassing van de overschrijdingsregeling. De overschrijdingsregeling gaat juist over gevallen waarin de gemeente zelf openbare scholen in stand houdt, en bekostiging naar dezelfde maatstaf moet zijn gewaarborgd.

Artikel 5.24. Gemeentelijk beleid als gemeente zelf openbare scholen in stand houdt

Eerste lid

Ook als een gemeente zelf een of meer openbare scholen in stand houdt (het gaat hier dus om een andere situatie dan is geregeld in artikel 5.23), kan zij bij verordening een regeling vaststellen voor de toekenning van extra middelen aan het voortgezet onderwijs, in aanvulling op de bekostiging die scholen van de rijksoverheid ontvangen.

Tweede lid

De regeling in het eerste lid moet de gelijke behandeling van het openbaar en het bijzonder onderwijs waarborgen. Een niet door de gemeente in stand gehouden openbare school is voor de toepassing van de regeling bedoeld in dit artikel gelijkgesteld met een bijzondere school, net als bij de verordening op grond van artikel 5.23 het geval is. De regeling kan tijdelijk door het college van burgemeester en wethouders worden aangevuld, beroep is mogelijk bij de rechtbank en nevenvestigingen worden in beginsel aangemerkt als te zijn gelegen in de gemeente van de hoofdvestiging.

Uitgaven voor het openbaar onderwijs voor voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school op grond van de regeling een vergoeding kan aanvragen, vallen buiten de overschrijdingsregeling die is geregeld in de artikelen 5.25 tot en met 5.30. Is bijvoorbeeld sprake van een gemeente met een heel waterrijke wijk, dan zou zij de mogelijkheid kunnen openstellen om voor scholen in die wijk bij uit te voeren onderhoudswerkzaamheden aan het schoolterrein ook voorzieningen te laten treffen om de kinderen tegen water te beschermen tijdens de pauze op het schoolterrein. De meerkosten daarvan zouden dan voor bijzondere scholen in zo’n situatie op aanvraag door de gemeente worden vergoed. Zo kunnen de middelen gericht worden ingezet: ze komen, doordat aan een bepaald kenmerk moet worden voldaan (ligging in de desbetreffende wijk), terecht bij de scholen die de voorzieningen ook echt nodig hebben. Dit laatste zou niet het geval zijn als de vergoeding van de voorzieningen via de overschrijdingsregeling zou lopen: dan krijgen alle bijzondere scholen − ook de scholen die de voorzieningen helemaal niet nodig hebben − via de omslagregeling een bepaald vergoedingsbedrag uitgekeerd, terwijl dat bedrag voor de bijzondere scholen die de voorzieningen echt nodig hebben, te laag zou zijn. Met andere woorden: de middelen kunnen door de mogelijkheid van de specifieke toekenningsregeling zo gericht en effectief mogelijk worden ingezet.

Artikel 5.25. Vaststellen uitgaven en inkomsten personeels- en exploitatiekosten

Eerste lid

Naast de bekostiging die scholen ontvangen van het Rijk, ontvangen ze op grond van de zogenaamde «overschrijdingsregeling», die is uitgewerkt in de artikelen 5.25 t/m 5.30, soms ook extra bekostiging vanuit de gemeente. Op grond van de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs, die voortvloeit uit artikel 23 Grondwet, is de gemeente verplicht om extra uitgaven voor het openbaar onderwijs ook te doen voor het bijzonder onderwijs. Als de gemeente bijvoorbeeld vergoeding boven de vergoeding uit ’s Rijks kas beschikbaar stelt voor het openbaar onderwijs voor de aankoop van computers, moeten de bedragen die daarmee gemoeid zijn worden versleuteld naar een bedrag per leerling. Het bijzonder onderwijs in diezelfde gemeente heeft vervolgens recht op uitkering van eenzelfde bedrag per leerling. De overschrijdingsregeling werkt per schoolsoort en wordt iedere vijf jaar toegepast. Behalve de uitgaven die vallen onder de overschrijdingsregeling, vindt ten aanzien van de uitgaven die de gemeente doet op grond van de artikelen 5.23 en 5.24 in het kader van eigen beleid over personele en materiële voorzieningen, geen aanvulling van rijkswege plaats. Deze uitgaven blijven dus ook ten laste van de gemeente.

Als een gemeente zelf een of meer scholen in stand houdt, moeten voor die scholen bepaalde totaalbedragen jaarlijks worden vastgesteld: de uitgaven, de ontvangsten en de reserveringen. Reserveringen worden verrekend met de uitgaven en de ontvangsten. De uitgaven zijn allereerst de bedragen die als salariskosten voor personeel zijn uitgekeerd, inclusief werkgeverslasten en overige opslagen. Ook de bedragen voor de exploitatiekosten, exclusief de bedragen voor administratie, beheer en bestuur (ABB, zie het derde lid) zijn eronder begrepen. Hierbij gaat het ook om de bedragen die de gemeente heeft uitgegeven voor de instandhouding van een centrale dienst (zie artikel 3.34). Deze componenten zijn samen de uitgaven van de gemeente voor de scholen voor voortgezet onderwijs.

Behalve de uitgaven moeten ook de ontvangsten worden getotaliseerd. Het gaat hierbij om:

  • a. de bekostiging voor de personele kosten: het totaal van de salarissen, inclusief werkgeverslasten en overige opslagen;

  • b. de getotaliseerde bekostiging voor materiële exploitatie, exclusief de vergoeding voor ABB, en

  • c. de eventuele aanvullende vergoedingen voor exploitatiekosten, exclusief de eventuele aanvullende vergoeding voor ABB, en de aanvullende vergoedingen voor personeelskosten.

Deze bedragen vormen samen de inkomsten die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen voor de scholen die ze in stand houdt. Behalve de uitgaven en de ontvangsten moet de gemeente ook een staat van voorzieningen vaststellen. Daarmee worden de financiële reserveringen bedoeld die zijn gedaan voor het openbaar onderwijs.

Tweede lid

Dit lid bepaalt dat wanneer de gemeente een deel van de ontvangsten toevoegt aan een financiële reserve, dat deel wordt aangemerkt als een uitgave. Onttrekt de gemeente weer een bedrag aan een financiële reserve voor personeels- of exploitatiekosten, dan wordt dit bedrag aangemerkt als een ontvangst.

Derde lid

De uitgaven en ontvangsten voor ABB blijven buiten beschouwing bij het vaststellen van de volgende bedragen:

  • het totaal van de bedragen die in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven en ontvangen voor exploitatiekosten,

  • het totaal van de aanvullende bekostiging voor exploitatiekosten, bedoeld in de artikelen 5.9 en 5.10, die voor dat kalenderjaar is ontvangen, en

  • het totaal van de bedragen die de gemeente in het voorgaande kalenderjaar heeft uitgegeven voor de instandhouding van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.34.

Dat is van belang omdat deze uitgaven en ontvangsten niet goed te zijn onderscheiden van de uitgaven die de gemeente doet voor het ambtelijke apparaat en het bestuursapparaat als geheel.

Vierde lid

Worden uitgaven voor personeel of voor exploitatie gedekt door gelden van derden, dan blijven deze uitgaven buiten beschouwing bij de uitgaven voor personeel, of voor materiële exploitatie. Wordt bijvoorbeeld een openbare school gesponsord door een bedrijf, of verstrekken derden aan de school leermiddelen, dan hebben deze inkomsten geen invloed op de overschrijdingsregeling.

Ook is geregeld dat zolang op grond van een verordening bepaalde voorzieningen bij de gemeente kunnen worden aangevraagd, de uitgaven voor de openbare scholen die de gemeente in stand houdt voor die voorziening buiten de overschrijdingsregeling blijven.

Vijfde lid

Draagt de gemeente een deel van de bekostiging voor personeels- of exploitatiekosten over aan een ander bevoegd gezag, dan wordt dat bedrag aangemerkt als een uitgave voor personeel respectievelijk exploitatie. Draagt een ander bevoegd gezag een deel van de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten over aan de gemeente, dan wordt dit bedrag aangemerkt als een ontvangst.

Artikel 5.26. Vaststellen percentage voor niet door de gemeente in stand gehouden scholen

Eerste lid

De gemeente stelt de overschrijding die op grond van artikel 5.25 jaarlijks voorlopig wordt vastgesteld, eens per vijf jaar vast door over de vijf voorgaande jaren de eerdergenoemde totalen van de ontvangsten en de uitgaven bij elkaar op te tellen. Deze totalisering over vijf jaar is de grondslag voor het vaststellen van het overschrijdingspercentage, bedoeld in het vierde lid.

Tweede lid

Uitgangspunt bij de overschrijdingsregeling, is dat de gemeente (zelf) een of meer scholen in stand houdt. Eens per vijf jaar wordt in dat geval – zie de artikelen 5.28 en 5.29 – een overschrijdingsbedrag overgemaakt aan de overige scholen. Op het moment dat een gemeente zelf geen scholen meer in stand houdt, eindigt de overschrijdingsregeling. Dit lid schrijft voor dat de gemeente in dat geval zo spoedig mogelijk nadat ze geen bevoegd gezag meer is van een school, de voorlopige ontvangsten en uitgaven voor de scholen die zij in stand houdt, over het al verstreken deel van de vijfjaarlijkse periode van de overschrijdingsregeling vaststelt. Daaruit blijkt dan het eventuele bedrag van de overschrijding.

Derde lid

Nadat de accountant de gemeentelijke rekening heeft gecontroleerd en nadat die rekening is gesloten, stelt de gemeenteraad alle bedragen, bedoeld in het eerste lid, definitief vast.

Vierde lid

Is het totaal van de uitgaven in de voorafgaande vijf jaar hoger dan het totaal van de ontvangsten in diezelfde periode, dan stelt de gemeenteraad ook het verschil vast. Dit verschil vormt het bedrag van de overschrijding. Het overschrijdingsbedrag wordt eerst als voorlopig bedrag vastgesteld. Is sprake van een overschrijding, dan wordt deze uitgedrukt in een percentage van de ontvangsten. Het percentage wordt rekenkundig afgerond op twee decimalen.

Artikel 5.27. Vaststellen overschrijdingsbedrag voor niet door de gemeente in stand gehouden scholen

Eerste lid

De overschrijdingsbedragen en het overschrijdingspercentage worden eens per vijf jaar vastgesteld. Het bedrag waarop een niet door de gemeente in stand gehouden school in het kader van de overschrijdingsregeling aanspraak heeft, wordt vastgesteld in het jaar na de definitieve vaststelling van de overschrijdingsbedragen en het overschrijdingspercentage (dus aan het einde van die vijfjaarlijkse periode). De vaststelling gebeurt door het overschrijdingspercentage te vermenigvuldigen met het totaal van de ontvangsten van de school die niet door de gemeente in stand wordt gehouden over de periode van vijf jaar waarop het overschrijdingspercentage van toepassing is. Ontvangsten zijn de vergoeding voor personele kosten en de vergoeding voor materiële exploitatie. Bij het bepalen van het totaal van de ontvangsten blijft de vergoeding voor ABB buiten beschouwing.

Tweede lid

Als de gemeente niet langer een of meer scholen in stand houdt, wordt moet – zie artikel 5.26, tweede lid – het totaal van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten zo spoedig mogelijk worden vastgesteld. Het overschrijdingsbedrag wordt in dergelijke gevallen niet voor vijf jaar bepaald, maar berekend over het gedeelte van de periode dat de gemeente een of meer scholen in stand hield.

Artikel 5.28. Uitkeren overschrijdingsbedrag aan niet door de gemeente in stand gehouden scholen

Eerste lid

Na de voorlopige vaststelling van het overschrijdingsbedrag en het overschrijdingspercentage, moet de gemeente aan de scholen die de gemeente niet in stand houdt en die recht hebben op overschrijdingsuitkeringen, een voorschot betalen. Het voorschot is het bedrag dat is berekend op grond van artikel 5.27. De bevoegdheid tot voorschotverlening berust niet op de WVO 20xx, maar op artikel 4:95 Awb.

Tweede lid

De gemeente moet de scholen die zij niet in stand houdt informeren over de hoogte van de voorlopige en de definitieve overschrijdingsbedragen. Ook moet de gemeente een overzicht geven van het verloop van de reserveringen, toevoegingen en onttrekkingen aan de reserveringen per kalenderjaar. Het toezenden van deze informatie gaat volgens de regels van de Awb.

Artikel 5.29. Overschrijdingsregeling voor nevenvestigingen

Dit artikel regelt hoe de overschrijdingsregeling werkt bij nevenvestigingen. Geregeld is dat nevenvestigingen voor de toepassing van de overschrijdingsregeling worden aangemerkt als te zijn gelegen in de gemeente van de hoofdvestiging. Als meer dan een gemeente uitgaven doet voor een school of nevenvestiging, dan gelden deze uitgaven als uitgaven van de gemeente waar de hoofdvestiging is gelegen. Alle gemeentelijke uitgaven waarop de overschrijdingsregeling van toepassing is (ook die van andere gemeenten) tellen in dat geval mee voor toepassing van de overschrijdingsregeling door de gemeente waar de hoofdvestiging is gelegen.

Artikel 5.30. In overschrijdingsregeling buiten beschouwing laten van bepaalde gemeentelijke uitgaven voor eigen openbare scholen

Als de het college van B&W en het bevoegd gezag van een bijzondere school dat samen afspreken, hoeven bepaalde gemeentelijke uitgaven niet te worden betrokken bij het vaststellen van de uitgaven die meetellen in de overschrijdingsregels. Het gaat dan alleen om niet meetellen in relatie tot bepaalde bijzondere scholen van dat bevoegd gezag, niet om alle bijzondere scholen in de gemeente.

Paragraaf 5. Vaststellen, verstrekken en betalen

Artikel 5.31. Verstrekken bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten

De Minister verstrekt aan het bevoegd gezag de bedragen voor de bekostiging van personeels- en exploitatiekosten. Deze bedragen vormen samen een lumpsum: scholen mogen de personeels- en exploitatiebekostiging die ze ontvangen vrij aanwenden voor personeel en/of exploitatie.

Artikel 5.32. Vaststellen bekostiging kalenderjaar

De Minister stelt jaarlijks de hoogte van de bekostiging vast waarop het bevoegd gezag voor een school aanspraak heeft. Hoofdstuk 5 gaat over personeelskosten en exploitatiekosten. De bekostiging heeft dus betrekking op deze kostensoorten.

Artikel 5.33. Vermindering bekostiging voor kosten van wachtgelduitkeringen; gebruik burgerservicenummer door Minister

Eerste lid

De bekostiging wordt op grond van het eerste lid verminderd met een bedrag dat verband houdt met kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties wegens arbeidsongeschiktheid en kosten wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid (buiten de Ziektewet) van personeel dat niet meer in dienst is.

Tweede lid

Een amvb – momenteel het Bekostigingsbesluit WVO – moet hierover regels stellen. De regels voorzien in een collectieve omslag van kosten en in een individueel aandeel in de kosten.

Onder het Bekostigingsbesluit WVO hangt nog een ministeriële regeling: de Regeling nadere voorschriften met betrekking tot de verrekening van uitkeringskosten. Daarin staat de exacte verdeling tussen de collectief en de individueel te dragen lasten.

Wat onderdeel b betreft: het gaat hier om een beslissing van het Participatiefonds. Het eerste lid van het artikel (98b WVO), waarnaar artikel 5.33 verwijst, luidde:

«1. Het bevoegd gezag van een school is aangesloten bij een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het bestuur van een centrale dienst voor zover het betreft personeel dat is belast met het geven van leerwegondersteunend onderwijs dan wel het uitoefenen van taken en bevoegdheden als bedoeld in artikel 53b, eerste lid, tweede volzin. De in de eerste volzin bedoelde rechtspersoon wordt door Onze Minister aangewezen.»

Artikel 98b WVO verviel per 1 januari 2007.30 Daardoor verviel voor scholen de verplichting om zich aan te sluiten bij het Participatiefonds. Voor de wachtgelduitkeringen en suppleties en voor de verrekening met de scholen van de daaruit voortvloeiende kosten die voor 1 januari 2007 zijn ontstaan, blijft de oude systematiek nog van kracht.

Derde lid

Het bevoegd gezag van de school waar het ex-personeelslid werkzaam was, moet diens burgerservicenummer (hierna: BSN) aan de Minister verstrekken als de Minister daarom verzoekt.

Vierde lid

Dit lid regelt dat de Minister het BSN van «wachtgelders» mag gebruiken in contacten met het bevoegd gezag van de school waar dat ex-personeelslid werkzaam was, of in contacten met de uitkeringsinstantie, maar dan alleen voor de uitvoering van het eerste lid. Daarin ligt een duidelijke normering besloten: het BSN is hier alleen relevant en inzetbaar om de ontslagdatum (tweede lid, onderdeel a) en – in oude gevallen – de beslissing van het Participatiefonds (tweede lid, onderdeel b) te kunnen checken.

Artikel 5.34. Vermindering bekostiging

Eerste tot en met vierde lid

Dit artikel, dat op overeenkomstige wijze ook is opgenomen in de WPO (artikel 138, vijfde lid) en de WEC (artikel 132, vijfde lid), regelt een korting op de bekostiging indien personeel langdurig in tijdelijke dienst is. Het gaat hier om personeel dat is benoemd aan de school, niet om personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld (zie in dit verband ook de toelichting bij artikel 1.1 wat het begrip «personeel» betreft). Dit blijkt uit de aanhef van het eerste lid: «bijdragen waarop personeel aanspraak maakt dat benoemd is aan de school». Deze beperking is in overeenstemming met de huidige begripsbepaling onder b van «personeel» in artikel 1 WVO en artikel 1 WVO BES.

Ook regelt het artikel dat bij ministeriële regeling kan worden afgezien van vermindering. Verder kan de Minister projecten aanwijzen waarop het eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing is, dus waarbij personeel langer dan twee jaar in tijdelijke dienst is zonder dat dit een grond tot vermindering kan zijn.

Vijfde lid

Op de bekostigingsaanspraak moeten ook nog bepaalde andere middelen in mindering worden gebracht

ad a: Scholen die geacht worden schoolgeld te heffen voor hun leerlingen, hebben bij uitvoering van die heffing een eigen verantwoordelijkheid, omdat die heffing wordt ingehouden op de bekostiging.

ad c: Bij vervreemding wordt de waarde van de betrokken zaken, die door de Minister wordt bepaald, in mindering gebracht op de bekostiging.

ad d: Inkomsten uit werkstukken en diensten die op kosten van het Rijk zijn gemaakt of verricht, worden ook in mindering gebracht. Inkomsten uit contractactiviteiten vallen hier niet onder, omdat de kosten van de contractactiviteiten helemaal door de inkomsten moeten worden gedekt. Scholen die contractactiviteiten verrichten, moeten daarvan ook een aparte, inzichtelijke administratie bijhouden.

Artikel 5.35. Verstrekken en verrekenen voorschotten op bekostiging

Een amvb of ministeriële regeling ter uitvoering daarvan kan uitvoeringsvoorschriften geven over voorschotverlening op de bekostiging uit ’s Rijks kas, en over verrekening van voorschotten met de bekostiging. Deze bevoegdheid is tot nu toe niet toegepast. De Awb bevat in artikel 4:95 het principe van bevoorschotting en verrekening.

Artikel 5.36. Verrekenen van vorderingen

Het bevoegd gezag kan op grond van diverse wetten bekostiging ontvangen. Omdat de rijksoverheid een vaste bekostigingsrelatie heeft met de scholen, worden vorderingen van de rijksoverheid op het bevoegd gezag op grond van de WVO of WVO BES, in beginsel verrekend met vorderingen die het bevoegd gezag heeft op de rijksoverheid op grond van een andere wet. Ook kan sprake zijn van vorderingen van het bevoegd gezag op de rijksoverheid op grond van de WVO of de WVO BES. Ook daarvoor geldt dat verrekend kan worden met vorderingen van de rijksoverheid op het bevoegd gezag op grond van een andere wet. Op grond van artikel 4:93 Awb is voor zulke verrekeningen een wettelijk basis noodzakelijk. Artikel 5.36 voorziet in die basis.

Paragraaf 6. Overige voorschriften bekostiging

Artikel 5.37. Terugstorten exploitatie-overschot

Eerste lid

Dit lid bepaalt een aantal situaties, waarin het bevoegd gezag een exploitatie-overschot moet terugbetalen aan het Rijk:

a en b. als een openbare of bijzondere school wordt opgeheven omdat te weinig leerlingen de school hebben bezocht gedurende drie achtereenvolgende schooljaren, of

c. als de school ermee stopt door een besluit van het bevoegd gezag zelf en daadwerkelijk geen onderwijs meer geeft.

Tweede lid

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een afdeling havo die is verbonden aan een school voor mavo.

Derde lid

Een exploitatietekort bij een opheffing als bedoeld in het eerste of tweede lid, blijft voor rekening van het bevoegd gezag. Het Rijk zal in dergelijke situaties dus niet bijspringen.

Vierde lid

Nadere regels over de berekening van het exploitatie-overschot zijn momenteel opgenomen in het Bekostigingsbesluit WVO.

Artikel 5.38. Boekhouding

De boekhouding van bijzondere scholen en van openbare scholen die niet door een gemeente in stand worden gehouden, moet nauwkeurig zijn op het punt van inkomsten en uitgaven. Zie ook artikel 16 van het Bekostigingsbesluit WVO: «De boekhouding van een school is zodanig ingericht dat op doelmatige wijze informatie kan worden verkregen omtrent het gevoerde financiële beheer.»

Ook regelt dat artikel dat het bevoegd gezag op verzoek van de Minister nadere financiële informatie over de school moet verstrekken. De wijze waarop deze informatie wordt verstrekt, kan bij ministeriële regeling worden geregeld. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 5.38 geldt niet voor gemeenten die zelf openbare scholen in stand houden. In die gevallen zijn de gemeentelijke comptabiliteitsvoorschriften al van toepassing.

Artikel 5.39. Besteden bekostiging bevoegd gezag

Voor Caribisch Nederland is in hoofdstuk 11 iets vervangends geregeld (zie artikel 11.57).

Eerste lid

De verschillende vergoedingen moeten worden besteed op de manier die is geregeld in het tweede tot en met het vierde lid van dit artikel.

Tweede lid

De bekostiging voor huisvesting moet zo worden besteed dat een deugdelijk gebouw wordt gerealiseerd. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt dus bij het bevoegd gezag. Is er een overschot op de vergoeding voor voorzieningen in de huisvesting, dan mag dat worden aangewend voor personeels- of exploitatiekosten.

Derde lid

De school ontvangt een bedrag voor personeelskosten en voor exploitatiekosten. Het bevoegd gezag is vrij om de besteding van de bekostiging over deze kostensoorten te verdelen (het gaat om een lumpsum). Een eventueel overschot op de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten kan worden aangewend voor voorzieningen in de huisvesting.

Vierde lid

Beheert het bevoegd gezag verschillende scholen (niet alleen voor voortgezet onderwijs, maar ook voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs), dan kan de bekostiging voor personeelskosten en exploitatiekosten ook voor die andere scholen worden ingezet. Ook kan de bekostiging worden ingezet voor vo-scholen van een ander bevoegd gezag, want de wet heeft het in het vierde lid, onderdeel a, in algemene zin over «een andere school voor voortgezet onderwijs». Het gaat in alle gevallen om bekostigd onderwijs, dus niet om scholen die niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd.

Vijfde lid

De bekostiging die scholen hebben aangevraagd voor specifieke voorzieningen, genoemd in de gemeentelijke verordening op basis van artikel 5.23 of 5.24, moet worden ingezet voor die specifieke voorzieningen.

Zesde lid

Overschrijdingsbedragen (zie de artikelen 5.25–5.30) moeten worden aangewend voor het geheel van de vo-scholen van het bevoegd gezag, en dus niet specifiek voor één bepaalde school van dat bevoegd gezag.

Zevende lid

Het bevoegd gezag mag met het bevoegd gezag waarmee het een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.100 heeft gesloten afspreken om in het kader van die samenwerking een deel van de bekostiging over te dragen aan het andere bevoegd gezag (van een vo-school of WEB-instelling) waarmee het samenwerkt. Duidelijk moet zijn dat de samenwerking zelf leidt tot een bepaalde middelenomvang bij de overheveling van middelen. Inhouding van bekostiging is mogelijk als scholen zich niet aan de samenwerkingsvoorwaarden houden.

Artikel 5.40. Besteden bekostiging samenwerkingsverband

Dit artikel regelt dat het samenwerkingsverband het totaal van de personele en materiële bekostiging, bedoeld in artikel 5.13 en 5.18, en het totaal van de aanvullende bekostiging voor personeelskosten en materiële bekostiging, bedoeld in 5.15 en 5.20, alleen maar mag gebruiken voor ondersteuningsvoorzieningen. Samenwerkingsverbanden mogen de in totaal beschikbare middelen voor ondersteuning inzetten voor zowel lichte als zware ondersteuning. De middelen kunnen ook gaan naar een vestiging van een school die valt buiten het gebied van het samenwerkingsverband (bijvoorbeeld een betaling aan een (v)so-school die niet in het eigen gebied ligt).

Artikel 5.41. Besteden overeenkomstig bestemming

Artikel 5.41 bevat regels van technische aard, die bepalen dat contractactiviteiten niet mogen worden betaald uit de bekostiging die de school uit ’s Rijks kas ontvangt. Deze activiteiten moeten volledig in rekening worden gebracht bij de derden waarvoor ze worden verricht. Met contractactiviteiten worden niet door het Rijk bekostigde cursussen en werkzaamheden bedoeld. Scholen kunnen die cursussen en werkzaamheden voor derden voor eigen rekening verrichten.

Artikel 5.42. Overdracht bekostiging bij overstap leerling tijdens schooljaar

Artikel 5.42 regelt dat bekostiging kan worden overgedragen tussen scholen voor voortgezet onderwijs onderling en tussen die scholen en instellingen voor educatie en beroepsonderwijs zoals geregeld in de WEB. Die mogelijkheid bestaat als een vo-leerling in de loop van het schooljaar overstapt naar die andere school of naar die WEB-instelling. Verlaat een leerling in de loop van het schooljaar de school zonder dat hij de opleiding heeft afgemaakt, en wordt hij aansluitend ingeschreven als leerling aan een andere school voor voortgezet onderwijs of als deelnemer aan een WEB-instelling, dan kan het bevoegd gezag van de school afspreken met het bevoegd gezag van die andere school of van die WEB-instelling om een gedeelte van de bekostiging over te dragen aan dat andere bevoegd gezag omdat de leerling tussentijds is overgestapt. De hoogte van wat kan worden overgedragen ligt niet vast in de wet maar is een zaak van de school en de andere school of WEB-instelling. Een overeenkomst tussen hen beide moet daarvoor het kader bieden. Zie artikel 2.100. Oneigenlijk gebruik wordt tegengegaan door een bepaalde «marktwerking» (de overdragende school heeft belang bij een zo gering mogelijke overdracht, de ontvangende school of instelling bij een zo groot mogelijke) en doordat de overdracht inzichtelijk zal zijn op grond van de regels over de jaarrekening en door de controleprotocollen. Bovendien kan de onderwijsinspectie toezicht houden op de onderwijskundige motieven voor deze overdracht.

Artikel 5.43. Beleggen en belenen

Dit artikel bevat de grondslag voor een ministeriële regeling waarin regels kunnen worden gesteld voor het uitzetten van gelden, het aangaan van geldleningen en het aangaan van verbintenissen voor financiële derivaten door (onderwijs)instellingen die mede met publiek geld zijn gefinancierd. Die regeling is de Regeling beleggen, lenen en derivaten OCW 2016. Doel van de regels is te waarborgen dat publieke gelden worden ingezet voor de publieke zaak en dat de financiële continuïteit van scholen die bekostiging ontvangen, niet in gevaar wordt gebracht. Dit geeft uitdrukking aan het Beleidskader Derivaten, waarin de algemene uitgangspunten voor het gebruik van financiële derivaten in de (semi)publieke sector zijn neergelegd.31

In de wettelijke bepalingen over bekostiging worden onder meer regels gegeven over de besteding, de mogelijkheid tot inhouding et cetera. Op het niveau van een amvb worden bijvoorbeeld regels gesteld over het berekenen van de hoogte van de bekostiging. Artikel 5.43 sluit daarop aan en stelt de Minister, in lijn met het Beleidskader Derivaten, in staat om regels te stellen over de omgang met financiële producten door onderwijsinstellingen bij het besteden van publieke middelen. Gezien het onderwerp (de omgang met financiële producten) is gekozen voor delegatie naar het niveau van ministeriële regeling. In verband met de aard van het onderwerp moeten de voorschriften regelmatig worden gewijzigd. De snelheid van ontwikkelingen binnen de financiële markt vraagt om flexibele regelgeving. De aanbieders van financiële producten en constructies passen deze producten en constructies voortdurend aan. Derivaten vormen bij uitstek een voorbeeld van financiële producten die uiterst ingewikkeld blijken en continu aan verandering onderhevig zijn. Om mee te kunnen bewegen met veranderingen van de markt is het van belang om de regels snel af te kunnen stemmen op de actuele omstandigheden. De inspectie ziet toe op de naleving.

Artikel 5.44. Geen vergoeding na schade door schuld of nalatigheid; subrogatie wegens schade aan gebouwen van scholen

Eerste lid

Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de gebouwen, terreinen en inventaris waarvoor bekostiging wordt verstrekt. Zie ook artikel 6.16, eerste lid. Indien bij gebruik en onderhoud sprake is van schade en als schuld of nalatigheid aan de kant van de rechtspersoon die de school in stand houdt kan worden aangetoond, hoeft de gemeente de herstelkosten van schade niet te vergoeden aan de school.

Tweede lid

Als de schade in aanmerking komt voor vergoeding door de gemeente, dan neemt de gemeente de rechten over van het bevoegd gezag ten aanzien van de schade. Is schade ontstaan als gevolg van bijvoorbeeld een fout van een aannemer (dus niet van het bevoegd gezag), dan kan die schade (op termijn) worden verhaald op de aannemer, maar zal de gemeente toch alvast de schade vergoeden, zodat op de school zo snel mogelijk weer onderwijs kan worden gegeven. De gemeente kan de schade dan in plaats van het bevoegd gezag verhalen op de aannemer die voor de schade verantwoordelijk is.

Artikel 5.45. Subsidie voor taken leer-werktrajecten

Voor Caribisch Nederland is in hoofdstuk 11 iets anders geregeld.

Artikel 5.45 regelt de (aanspraak op) bekostiging van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven voor haar taken ten behoeve van de leer-werktrajecten (zie de artikelen 2.105 en 2.107).

Paragraaf 7. Verantwoording

Artikel 5.46. Jaarverslag

Het jaarverslag is voor Caribisch Nederland aanvullend geregeld in hoofdstuk 11.

Eerste lid

Een jaarverslag bestaat in elk geval uit een bestuursverslag, een jaarrekening en een aantal «overige gegevens», die in artikel 392 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn genoemd.

Het jaarverslag, bedoeld in artikel 391 Boek 2 Burgerlijk Wetboek, is in artikel 103 Boek 2 Burgerlijk Wetboek aangeduid met de term bestuursverslag. De jaarrekening bevat de balans, de staat van baten en lasten, het kasstroomoverzicht en alle toelichtingen daarop.

Voorgeschreven is dat bij de staat van baten en lasten ook de vergelijkende begrotingscijfers worden opgenomen en dat daarbij een toelichting wordt verstrekt. Het bestuursverslag moet ook de gehanteerde code voor goed bestuur vermelden en over eventuele afwijkingen daarvan verantwoording afleggen. De jaarverslagen zijn openbaar op grond van artikel 394 Boek 2 Burgerlijk Wetboek, en vallen ook onder de werking van de Wet openbaarheid van bestuur.

Tweede lid

Op termijn kan uitbreiding of vermindering van het aantal verplichte onderdelen van het jaarverslag gewenst zijn. Een amvb kan dan regelen wat het jaarverslag nog meer moet bevatten en welke extra bijlagen er moeten worden bijgevoegd, maar ook welke onderdelen komen te vervallen.

Derde lid

De basis voor de verslaggevingsvereisten is titel 9, boek 2, Burgerlijk Wetboek. Een nadere uitwerking daarvan wordt gegeven door de Raad voor de Jaarverslaggeving in zijn jaarlijkse publicatie (RJ-bundel). Behalve hoofdstukken over de inrichting van de jaarrekening bevat die bundel ook:

  • richtlijnen voor de opzet van het jaarverslag (RJ400),

  • aanvullende richtlijnen voor organisaties zonder winststreven (RJ640), en sectorspecifieke aanvullingen en afwijkende bepalingen. Voor onderwijs: RJ660.

In het Bekostigingsbesluit WVO wordt geregeld dat bij ministeriële regeling een model moet worden vastgesteld voor de inrichting van de jaarrekening. Over de inrichting van de jaarverslaggeving zijn regels gesteld in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs (RJO) en hoofdstuk RJ660 in de richtlijnenpublicatie van de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ). De RJO verklaart Titel 9 Boek 2 BW in grote lijnen van overeenkomstige toepassing op de jaarverslaggeving voor onderwijsinstellingen. Daarnaast bevat de RJO nadere aanwijzingen, en zijn ook afwijkingen van en aanvullingen op Boek 2 Burgerlijk Wetboek geregeld.

Onderdeel a:

De amvb van het derde lid kan onder meer een aantal onderwerpen preciseren die in het bestuursverslag moeten worden opgenomen (met «nader» wordt aangegeven dat een deel van de invulling al door de voorschriften van het Burgerlijk Wetboek is bepaald). Denk aan de kernactiviteiten die onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag of samenwerkingsverband plaatsvinden en de daarbij behorende kerngegevens, die in elk geval gaan over leerling-ontwikkelingen, personeelsontwikkelingen en financiën, voor zover die gegevens niet zijn opgenomen in de jaarrekening. Voor de bevoegde gezagsorganen en de centrale diensten kunnen met het oog op de verschillende taken en bevoegdheden afwijkende regels worden gesteld. Verder kan het bestuur elk onderwerp toevoegen dat het van belang vindt voor direct betrokkenen. Ouders, personeel en medezeggenschapsraad zullen daarbij andere wensen hebben dan gemeenten of de Minister van OCW.

Onderdelen b en c:

Met de aanduiding «de wijze waarop» in onderdeel b wordt aangegeven dat voor de aanlevering van de gegevens per onderdeel specifieke regels kunnen gelden. In onderdeel c is aangegeven dat de scholen en samenwerkingsverbanden verplicht zijn om de jaarrekening niet alleen via de conventionele weg maar ook elektronisch aan te leveren middels de methode XBRL: een digitaal programma waarmee gegevens voor de jaarverslaglegging worden aangeleverd door de school. Dit vanwege de verdere verwerking van de gegevens tot beleidsinformatie. De RJO is gebaseerd op deze elektronische aanlevering.

Onderdeel d:

Het Burgerlijk Wetboek schrijft voor dat de jaarrekening volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, een zodanig inzicht geeft dat er een verantwoord oordeel kan worden gevormd over het vermogen en het exploitatiesaldo, en – voor zover de aard van de jaarrekening dat toelaat – over de solvabiliteit en de liquiditeit van de rechtspersoon (artikel 363 Boek 2 Burgerlijk Wetboek). De elementen waaruit een jaarrekening wordt opgebouwd, zijn gebaseerd op titel 9 Boek 2 Burgerlijk Wetboek. Het waarderen van de activa en passiva, het bepalen van het exploitatiesaldo en het kasstroomoverzicht, enz. kunnen nader worden ingevuld. Zie hiervoor artikel 18, vijfde lid, van het Bekostigingsbesluit WVO en de RJO, die daarop is gebaseerd.

Vierde lid

Jaarlijks wordt de rechtmatigheid van de besteding van rijksgelden gecontroleerd en publiceert OCW de «accountantsleidraad». Deze leidraad noemt de formulieren die gebruikt moeten worden. Ook is daarin opgenomen waarop de accountant precies moet controleren. De rechtmatigheid wordt gecontroleerd aan de hand van een vast modeljaarverslag, dat DUO jaarlijks publiceert. Dit modeljaarverslag moet digitaal worden ingevuld en ingezonden, in het bovengenoemde elektronisch financieel jaarverslag. Zie verder ook artikel 21 Bekostigingsbesluit WVO voor eventuele correcties op de bekostiging naar aanleiding van de jaarverslaggeving of onderzoek door de Minister. Voor rechtspersonen die worden bekostigd op grond van de WVO 20xx is het accountantsprotocol een leidraad die op grond van de artikelen 14a, derde lid, en 18, zesde lid, Bekostigingsbesluit WVO in een ministeriële regeling is vastgesteld: de Regeling onderwijsaccountantsprotocol OCW, die jaarlijks wordt vastgesteld. OCW stuurt verder aan de instellingsaccountants een Handreiking voor de controle op de jaarstukken en het onderzoek naar de bekostigingsgegevens, gebaseerd op het Onderwijscontroleprotocol.

Vijfde lid

In het vijfde lid is geregeld dat artikel 5.46 van overeenkomstige toepassing is op het samenwerkingsverband. Dat betekent dat het samenwerkingsverband zich aan dezelfde verplichtingen op het gebied van de jaarverslaggeving moet houden.

Zesde lid

De regels die bij amvb kunnen worden gesteld over het jaarverslag, hebben geen betrekking op het persoonsgebonden nummer van een leerling of op andere gegevens waarmee een leerling wordt geïdentificeerd of identificeerbaar is.

Paragraaf 8. Overige uitvoeringsregels

Artikel 5.47. Overige uitvoeringsregels bekostiging

Eerste en tweede lid

In de eerste twee leden van artikel 5.47 is geregeld dat bij amvb regels worden gesteld over de uitvoering van dit hoofdstuk, en dat nadere regels worden gesteld over in elk geval de erkenning van godsdienstige of levensbeschouwelijke bezwaren tegen het sluiten van een verzekering. Op grond van de tweede grondslag (regels over de erkenning van godsdienstige of levensbeschouwelijke bezwaren tegen het sluiten van een verzekering) is er vooralsnog geen amvb tot stand gekomen.

Derde lid

Op grond van dit lid worden bij of krachtens amvb onder meer boekhoudkundige regels gesteld. In het Bekostigingsbesluit WVO en de Regeling jaarverslaggeving onderwijs zijn die regels opgenomen. Zij betreffen de boekhouding, verslaggeving, begroting, jaarrekening en accountantscontrole. De boekhouding moet zo zijn ingericht, dat doelmatig informatie kan worden verkregen over het financieel beheer.

Er wordt een boekhouding gemaakt per school. De boekhouding gaat over alle ontvangsten en uitgaven of baten en lasten, onderscheiden naar huisvesting en inventaris. Huisvestingskosten worden onderverdeeld naar huisvestingskosten op aanvraag, jaarlijkse huisvestingskosten en kosten voor herbestemming van gebouwen en medegebruik. Verder worden de kosten onderscheiden naar personeel en naar exploitatie. De inkomsten worden onderscheiden naar vergoeding uit ’s Rijks kas, gemeentelijke vergoedingen en eigen middelen. Uit de boekhouding moet blijken welke uitgaven ten laste van de bekostiging uit ’s Rijks kas zijn gedaan. Verder bevat de boekhouding een overzicht van vorderingen, schulden en reserves. Aan het eind van een boekjaar wordt een overzicht samengesteld van de inventaris in de school, waaruit in elk geval blijkt in welk jaar de inventarisartikelen zijn aangeschaft. Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Het bevoegd gezag moet jaarlijks tijdig voor het begin van het nieuwe boekjaar een begroting vaststellen. Uit de begroting moeten in elk geval de voorgenomen toevoegingen en onttrekkingen aan de verschillende reserves blijken.

De systematiek van de personele en materiële lumpsum is gekoppeld aan vaststelling van vergoedingsbedragen voorafgaand aan het kalenderjaar, met een jaarrekening die is gebaseerd op al vastgestelde vergoedingsbedragen die eventueel kunnen worden gecorrigeerd.

Artikel 5.48. Informatie over bekostiging

Eerste lid

Dit artikel gaat over het beschikbaar hebben en beschikbaar stellen van schoolgegevens die van belang zijn voor het berekenen van de hoogte van de bekostiging. De gegevens kunnen daarvoor worden opgevraagd. Daarbij kan het gaan om informatie die in de bestanden van de onderwijsinstellingen wel voorhanden is maar nog moet worden geordend om te kunnen worden gebruikt voor het ministerie.

Tweede lid

In dit lid is bepaald dat bij of krachtens amvb nadere regels over de bekostigingsgegevens (definiëring, wijze van ordening, beschikbaarstelling) kunnen worden gesteld. Het kan voorkomen dat incidenteel en in spoedeisende gevallen snel informatie beschikbaar moet zijn.

Derde lid

Dit lid regelt de bewaartermijn voor de gegevens waarover het eerste lid gaat, en van de boeken en bescheiden die daarop betrekking hebben. De termijn is overeenkomstig die in artikel 4:69 Awb wordt gehanteerd voor het bewaren van de administratie en de bescheiden.

Vierde lid

Net als in artikel 5.46, zesde lid, is in artikel 5.48, vierde lid uitgesloten dat de regels die bij of krachtens amvb kunnen worden gesteld over de definiëring, de wijze van ordening en de beschikbaarstelling van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, betrekking hebben op het persoonsgebonden nummer van een leerling of op andere gegevens waarmee een leerling wordt geïdentificeerd of identificeerbaar is.

HOOFDSTUK 6. HUISVESTING

Omdat de huisvestingsvoorschriften voor Caribisch Nederland dermate afwijken van hetgeen in dit hoofdstuk wordt geregeld, worden de regels over huisvesting apart in hoofdstuk 11 opgenomen en toegelicht. Zie aldaar paragraaf 6 (artikel 11.60 en volgende).

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 6.1. Huisvestingsvoorziening door de gemeente

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Eerste lid

Dit artikel bevat de kern van de bepalingen over de onderwijshuisvesting voor het voortgezet onderwijs: de gemeente draagt voor alle scholen op haar grondgebied zorg voor de huisvestingsvoorzieningen. In de WPO en de WEC zijn vergelijkbare bepalingen opgenomen. De gemeente moet ook één totaalbudget vaststellen voor de scholen in de betrokken onderwijssectoren gezamenlijk (zie artikel 6.3).

Het maakt overigens niet uit of het om bestaande of om nieuwe scholen gaat. Ook is het niet relevant of het bij een nieuwe school gaat om een school in een onderwijssector die voorheen nog niet aanwezig was binnen de gemeentegrenzen. De zorgplicht geldt in al deze gevallen.

De verplichting om het openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet te behandelen is in artikel 23 van de Grondwet al opgedragen aan het Rijk. In dit artikellid is deze verplichting ook opgelegd aan de gemeenten.

Tweede lid

De zorgplicht die in het eerste lid van dit artikel is geregeld, is van toepassing op gebouwen (en terreinen) van scholen op het grondgebied van de betrokken gemeente. Het hoeft niet te gaan om een hoofdvestiging, al dan niet met een of meer nevenvestigingen. Het kan ook gaan om een (tijdelijke) nevenvestiging van een school, waarvan de hoofdvestiging op het grondgebied van een andere gemeente staat. Die andere gemeente is dan verantwoordelijk voor de huisvesting van die hoofdvestiging. Dit geldt ook voor een openbare school waarvan het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is.

Artikel 6.2. Huisvestingsvoorzieningen

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Eerste lid

Artikel 6.2 heeft het karakter van een begripsbepaling. Het artikel regelt wat voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt begrepen onder voorzieningen in de huisvesting. Alle activiteiten die leiden tot een toename van het bruto vloeroppervlak (denk aan nieuwbouw, uitbreiding, verplaatsing) moeten via de gemeente worden aangevraagd. Daarnaast vallen onder voorzieningen in de huisvesting ook herstel van constructiefouten en herstel of vervanging bij bijzondere omstandigheden (denk bijvoorbeeld aan brand). Onderhoud komt overigens geheel voor rekening van het bevoegd gezag, dat daarvoor op grond van artikel 5.4, vierde lid, onderdeel a van het Rijk geld ontvangt.

Tweede lid

Bij amvb worden minimum bruto vloeroppervlakten per gelijktijdig aanwezige leerling vastgesteld, die per schoolsoort mogen verschillen. Op deze manier wordt een bodemniveau vastgelegd, waar gemeenten niet onder mogen gaan zitten. Deze opdracht is uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO.

Paragraaf 2. Bekostigingsplafond; programma huisvestingsvoorzieningen; overzicht

Artikel 6.3. Vaststelling door college van burgemeester en wethouders van bekostigingsplafond voor nieuwe voorzieningen in de huisvesting

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Eerste lid

Het college van burgemeester en wethouders moet elk jaar voor de onderwijssectoren basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs één totaalbudget vaststellen voor de onderwijsvoorzieningen voor (vestigingen van) scholen uit die verschillende onderwijssectoren op haar grondgebied. Het gaat daarbij om zowel openbaar als bijzonder onderwijs en om zowel bestaande als nieuwe scholen. Op deze manier is binnen de gemeente een integrale afweging mogelijk, over de betrokken onderwijssectoren heen.

Tweede lid

Het college van burgemeester en wethouders moet zich bij het vaststellen van het jaarlijkse budget (het bekostigingsplafond) in elk geval laten leiden door de afweging of met het vast te stellen budget redelijkerwijs kan worden voorzien in de benodigde huisvestingsvoorzieningen voor (vestigingen van) scholen voor basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs op haar grondgebied. Het gaat hier overigens alleen om het budget voor nieuwe voorzieningen, met andere woorden om het investeringsvolume. Daarnaast moet het college van burgemeester en wethouders ook bedragen reserveren voor lopende verplichtingen, waaronder verplichtingen in het kader van de doordecentralisatie (zie artikel 6.21).

Het budget wordt in de praktijk pas vastgesteld nadat door bevoegde gezagsorganen voor het bijzonder onderwijs ingediende aanvragen zijn geïnventariseerd en is gekeken wat daarnaast nog nodig zou zijn voor het openbaar onderwijs. Het is immers niet zo dat elk jaar alle aanvragen gehonoreerd zullen (kunnen) worden. Gemeenten kunnen hun regeling voor indiening en afhandeling van aanvragen afstemmen op de begrotingscyclus, zodat ze een idee hebben van wat er leeft aan wensen voordat ze het budget vaststellen.

De afweging die het college van burgemeester en wethouders kan maken tussen noodzakelijke voorzieningen over de verschillende onderwijssectoren heen, op basis van behoefte en beleidsvoornemens, doet geen afbreuk aan het recht op huisvesting. De voorzieningen waar men recht op heeft, worden immers in een gemeentelijke verordening vastgelegd. Het college van burgemeester en wethouders moet wel wettelijke normen in acht nemen: redelijke eisen, redelijke behoeften. Omdat het college van burgemeester en wethouders de voorzieningen uit de algemene middelen moet bekostigen, kan niet per definitie aan alle verzoeken van scholen worden voldaan. Daarom is in het wettelijk systeem voorzien in een budgettaire afwegingsmogelijkheid voor het college. Het college van burgemeester en wethouders moet in staat worden gesteld zelf maatregelen te nemen om zijn uitgaven beheersbaar te houden, zonder dat dit tot een absoluut verlies van rechten van bevoegde gezagsorganen van scholen op voorzieningen leidt.

Artikel 6.4. Indiening aanvraag

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Eerste lid

Het bevoegd gezag van een bijzondere school dat een huisvestingsvoorziening wil voor een (vestiging van een) school, moet daarvoor een aanvraag indienen bij het college van burgemeester en wethouders.

Tweede lid

Om een goede aanvraag te kunnen voorbereiden en indienen is tijd en geld nodig. Een bevoegd gezag kan daarom bij het college van burgemeester en wethouders vragen om bouwvoorbereidingskosten toe te kennen.

Derde lid

De aanvraagprocedure is in de wet summier geregeld. Het college van burgemeester en wethouders moet in elk geval vaststellen voor welk tijdstip de aanvraag moet worden ingediend en aan welke voorwaarden deze verder moet voldoen. In de gemeentelijke verordening op grond van artikel 6.12 zal de aanvraagprocedure moeten worden uitgewerkt.

Vierde lid

De vorige leden hadden allemaal betrekking op bijzondere scholen. In dit lid wordt geregeld dat ook voor openbare scholen wensen voor nieuwe voorzieningen tijdig en voldoende onderbouwd moeten worden aangeleverd.

Artikel 6.5. Programma huisvestingsvoorzieningen

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Eerste lid

Aan de hand van de ingediende aanvragen en de behoefte van door de gemeente in stand gehouden scholen stelt het college van burgemeester en wethouders jaarlijks een programma voor het eerstvolgende jaar op. Dat programma bevat de voor het bijzonder onderwijs voor bekostiging in aanmerking te brengen voorzieningen in de huisvesting en de voor het openbaar onderwijs noodzakelijke voorzieningen in de huisvesting. Het college van burgemeester en wethouders moet voordat het programma wordt vastgesteld, eerst overleg voeren met vertegenwoordigers van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen. Uit de terminologie «na overleg» volgt overigens dat dit overleg niet tot overeenstemming hoeft te leiden. Het programma huisvestingsvoorzieningen heeft betrekking op alle (vestigingen van) scholen op het grondgebied van de gemeente: openbare en bijzondere, bestaande en nieuwe, in zowel (speciaal) basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs als voortgezet onderwijs.

Tweede lid

Het programma huisvestingsvoorzieningen heeft betrekking op in het jaar ná de vaststelling van het programma voor bekostiging in aanmerking te brengen voorzieningen in de huisvesting voor openbare en bijzondere scholen op het grondgebied van de betrokken gemeente.

Derde lid

Op het programma huisvestingsvoorzieningen worden alleen voorzieningen opgenomen, als de verwachting is dat er in het jaar erna daadwerkelijk een begin mee kan worden gemaakt. Dat wil zeggen dat de voorziening dan kan worden uitgevoerd of dat in elk geval de aanbesteding kan plaatsvinden. Ook moet het gaan om voorzieningen waarbij niet een van de weigeringsgronden van artikel 6.10 van toepassing is. Het programma vormt een bundel beschikkingen waarin de rechten voor de afzonderlijke bevoegde gezagsorganen zijn vastgelegd.

Vierde lid

Als het bekostigingsplafond niet toereikend is om alle voorzieningen die voor het komende jaar zijn aangevraagd te bekostigen, wordt een prioriteitsvolgorde bepaald. Dit doet het college van burgemeester en wethouders, aan de hand van de urgentiecriteria die de gemeenteraad daarvoor op grond van artikel 6.12 heeft opgesteld en heeft vastgelegd in de gemeentelijke huisvestingsverordening. Vervolgens worden alleen die voorzieningen opgenomen met de hoogste aldus bepaalde scores, totdat het op grond van artikel 6.3 vastgestelde beschikbare budget op is.

Vijfde lid

De beschikking van het college van burgemeester en wethouders voor een specifiek bevoegd gezag kan een gedeelte van een gewenste voorziening omvatten, of zelfs een andere dan de gevraagde voorziening. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat een bevoegd gezag voor een vestiging van een school een nieuw gebouw aanvraagt, maar het college van burgemeester en wethouders bepaalt dat de vestiging in een bestaand gebouw moet trekken, als dat net beschikbaar is gekomen doordat een ander bevoegd gezag een (vestiging van een) school heeft opgeheven of verplaatst.

Zesde lid

Het college van burgemeester en wethouders mag eisen stellen aan het aanvragende bevoegd gezag wat betreft het in gebruik nemen of juist buiten gebruik stellen van gebouwen of lokalen. In het kader van ingebruikneming kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de voorwaarde dat de Minister de betreffende school ook voor bekostiging in aanmerking brengt. Zonder bekostiging mag een school een gebouw dan niet gebruiken. Ook kan gedacht worden aan voorwaarden omtrent het gebruik (beperkingen m.b.t. inpandige aanpassingen bij tijdelijk gebruik). In het kader van buitengebruikstelling kan gedacht worden aan voorwaarden/afspraken over de onderhoudsstaat van het gebouw bij de oplevering, of de beëindiging van het gebruik van het gebouw door de school.

Zevende lid

Niet alleen bij het bepalen van de prioriteitsvolgorde (zie het vierde lid), maar ook bij het bepalen of een aangevraagde voorziening in aanmerking komt om op het programma huisvestingsvoorzieningen te worden opgenomen, moet het college van burgemeester en wethouders de door de gemeenteraad op grond van artikel 6.12 vastgestelde urgentiecriteria in acht nemen.

Achtste lid

Is het programma eenmaal vastgesteld, dan moet de wijze van uitvoering worden bepaald. Het college van burgemeester en wethouders moet binnen vier weken na de vaststelling van het programma in overleg treden met een bevoegd gezag waarvan een aangevraagde voorziening op het programma is opgenomen, om te bepalen hoe die voorziening kan worden gerealiseerd. Komt men daarbij niet tot overeenstemming, dan meldt het college van burgemeester en wethouders aan het bevoegd gezag dat het niet kan instemmen met de manier waarop het bevoegd gezag het project wil gaan uitvoeren.

Negende lid

In de overlegfase die voorafgaat aan de vaststelling van het programma huisvestingsvoorzieningen kan het college op eigen initiatief advies vragen aan de Onderwijsraad. Als een bevoegd gezag een advies van de Onderwijsraad wil, moet het college van burgemeester en wethouders dat advies vragen. De Onderwijsraad brengt vervolgens binnen vier weken advies uit. Het college van burgemeester en wethouders maakt het advies en het programma huisvestingsvoorzieningen tegelijkertijd bekend. Het college van burgemeester en wethouders bepaalt het tijdstip waarop advies wordt gevraagd, dat wil zeggen op welk moment in de overlegfase. Op die manier kan onnodige vertraging bij de totstandkoming van het programma worden voorkomen. Advisering door de Onderwijsraad ligt voor de hand op die terreinen waarop de raad deskundig is, over zaken die de inhoud van het onderwijs raken. Het advies is daarom beperkt tot de aspecten van de vrijheid van richting en inrichting. Zie ook artikel 6.12, zesde lid, dat een vergelijkbaar voorschrift bevat bij de gemeentelijke huisvestingsverordening.

Artikel 6.6. Overzicht

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Aan de hand van de ingediende aanvragen en de behoefte van de door de gemeente in stand gehouden scholen stelt het college van burgemeester en wethouders jaarlijks een overzicht op van voorzieningen in de huisvesting, die niet zijn opgenomen op het op grond van artikel 6.5 vastgestelde programma huisvestingsvoorzieningen.

Het college van burgemeester en wethouders moet aangeven waarom de voorzieningen niet op het programma zijn opgenomen. Dat kan zijn omdat het budget onvoldoende hoog was en de voorziening niet hoog genoeg op de urgentielijst stond. Maar het kan bijvoorbeeld ook gaan om een voorziening die niet onder het begrip «huisvestingsvoorziening» valt zoals dat is opgenomen in artikel 6.2, en is uitgewerkt in de plaatselijke huisvestingsverordening op grond van artikel 6.12.

Artikel 6.7. Geen vaststelling van programma en overzicht

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Wanneer er in een bepaald jaar geen behoefte is aan huisvestingsvoorzieningen voor openbare scholen en er ook geen aanvragen voor bijzondere scholen zijn ingediend, is het niet nodig om een programma huisvestingsvoorzieningen of een overzicht op te stellen. Het gaat hierbij – gezien de integrale benadering voor deze onderwijssectoren – niet alleen om voorzieningen voor het voortgezet onderwijs, maar ook om voorzieningen voor het basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs.

Artikel 6.8. Aanvragen met een spoedeisend karakter

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Eerste lid

Het bevoegd gezag van een school die niet door de gemeente in stand wordt gehouden, dat een huisvestingsvoorziening wil voor een (vestiging van een) school die niet in het programma huisvestingsvoorzieningen is opgenomen, kan daarvoor toch een aanvraag indienen bij het college van burgemeester en wethouders, als dat noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs. Het zal dan doorgaans gaan om een calamiteit zoals een brand.

Tweede lid

Er zijn tamelijk stringente criteria vastgesteld waaraan een aanvraag voor een spoedvoorziening zal worden getoetst. Het college van burgemeester en wethouders kan een aanvraag afwijzen als het van mening is dat de voortgang van het onderwijs geen gevaar loopt en de voorziening dus kan wachten op het eerstvolgende programma huisvestingsvoorzieningen, of als een van de weigeringsgronden van artikel 6.10 van toepassing is. Daarbij is overigens één weigeringsgrond uitgezonderd, namelijk de financiële. In geval van calamiteiten ligt het immers niet in de rede de ontoereikendheid van de middelen als weigeringsgrond toe te passen.

Artikel 6.9. Tijdstip aanvang bekostiging; vervallen aanspraak op bekostiging

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Eerste lid

Als een voorziening op het programma huisvestingsvoorzieningen is opgenomen, maakt het bevoegd gezag daarmee aanspraak op bekostiging voor de huisvesting. Het college van burgemeester en wethouders bepaalt op grond van dit artikellid alleen het moment in het jaar waarop de huisvestingsbekostiging aanvangt. Het gaat hier dus niet om een nieuw besluit over de (hoogte van de) bekostiging.

Tweede lid

Om te voorkomen dat een verkregen aanspraak niet binnen afzienbare tijd wordt geëffectueerd en de gemeente daardoor na jaren met een slapende aanspraak wordt geconfronteerd, is bepaald dat de aanspraak vervalt als niet binnen een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening bepaalde termijn een bouwopdracht is gegeven of een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten.

Artikel 6.10. Weigeringsgronden

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Eerste lid

Dit artikellid bevat een aantal limitatieve weigeringsgronden, op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders mag weigeren een voorziening in de huisvesting in het programma huisvestingsvoorzieningen op te nemen. De aanvraag mag alleen op deze gronden kan worden geweigerd, als verder aan procedurele voorschriften is voldaan. Een gemeente mag daarbij alleen voorwaarden stellen die strikt gerelateerd zijn aan de huisvesting zelf, bijvoorbeeld over het gebruik of buiten gebruik stellen van een gebouw voor het onderwijs. Een gemeente mag dus niet op grond van dit artikel dwingende voorwaarden stellen over bijvoorbeeld het bestuur of de kwaliteit van het onderwijs. Dat zou in strijd zijn met de vrijheid van richting en van inrichting als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Grondwet.32

De gronden waarop een voorziening in de huisvesting geweigerd kan worden zijn:

a. De gewenste voorziening is geen voorziening als bedoeld in artikel 6.2.

Een bevoegd gezag kan alleen een huisvestingsvoorziening aanvragen die past binnen de omschrijving zoals gegeven in deze wet.

b. De gewenste voorziening is niet gerechtvaardigd op grond van de aard en de omvang van de voorzieningen waarover de school reeds beschikt, voor zover deze uit de openbare kas zijn bekostigd, gelet op de normen, bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, onderdeel b.

Deze weigeringsgrond is aan de orde als de (vestiging van de) school al beschikt over voldoende door de overheid bekostigde vierkante meters, op basis van de gemeenteraad in de huisvestingsverordening vastgestelde normen voor oppervlakte en indeling van schoolgebouwen.

c. De gewenste voorziening is niet gerechtvaardigd op grond van de te verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen of onderwijskundige ontwikkelingen, zulks met inachtneming van artikel 6.12, eerste lid, onderdelen c en d.

Deze weigeringsgrond is aan de orde als de behoefte aan de voorziening in feite niet of in elk geval naar de mening van het college van burgemeester en wethouders onvoldoende door het bevoegd gezag is aangetoond. Daarbij wordt gekeken naar de door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening vastgestelde prognose- en urgentiecriteria. Deze weigeringsgrond kan door een gemeente alleen worden toegepast bij bestaande scholen, die al beschikken over huisvesting. Bij nieuwe scholen heeft de Minister al eenduidig geoordeeld over de verwachte ontwikkeling van het aantal leerlingen en de school op grond daarvan voor bekostiging in aanmerking gebracht. Het is niet aan de gemeente om dan opnieuw een oordeel te geven over het leerlingenaantal.33

d. Op andere wijze dan is gewenst kan redelijkerwijs in de behoefte aan huisvesting worden voorzien, onder meer doordat binnen redelijke afstand van de gewenste plaats van de voorziening gebruik dan wel medegebruik mogelijk is, of een reeds voor bekostiging in aanmerking gebracht gebouw of deel daarvan beschikbaar komt.

Als er een redelijk alternatief beschikbaar is, bijvoorbeeld gebruik of medegebruik of het beschikbaar komen van een (deel van een) al bekostigd gebouw, bijvoorbeeld van een andere school, dan mag dit door het college van burgemeester en wethouders worden aangeboden in plaats van de gevraagde voorziening.

e. Het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 6.3, is niet toereikend voor de te verstrekken voorzieningen voor scholen als bedoeld in het eerste lid van dat artikel.

Als het budget dat het college van burgemeester en wethouders voor het komende jaar heeft vastgesteld, onvoldoende is voor alle voor het bijzonder onderwijs gevraagde en voor het openbaar onderwijs benodigde huisvestingsvoorzieningen in het (speciaal) basisonderwijs, (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs, mag het college van burgemeester en wethouders weigeren een voorziening in het programma op te nemen.

f. De gewenste voorziening is – anders dan op grond van de onderdelen b tot en met d – niet noodzakelijk.

Indien de «noodzaak» voor een aangevraagde voorziening om een andere reden ontbreekt, mag het college van burgemeester en wethouders eveneens weigeren deze op het programma huisvestingsvoorzieningen op te nemen. Deze restgrond dient alleen te worden gezien in relatie tot de overige weigeringsgronden en niet als zelfstandige bevoegdheid. Een gemeente mag op grond van dit onderdeel dus geen huisvesting weigeren op grond van zaken die niet aan huisvesting zijn gerelateerd.34

Tweede lid

Op grond van het tweede lid zijn er nog twee situaties waarin het college van burgemeester en wethouders mag weigeren een voorziening in het programma huisvestingsvoorzieningen op te nemen. In beide gevallen heeft het bevoegd gezag zelf schuld aan het feit dat een voorziening nodig is. Het kan zijn dat een huisvestingsvoorziening als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud in een slechte bouwkundige staat verkeert. Het bevoegd gezag is zelf verantwoordelijk voor het onderhoud van de huisvesting. De verwijtbaarheid zal per geval moeten worden afgewogen tegen het belang van de voortgang van het onderwijs. Ook kan er sprake zijn van schade aan een voorziening die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag.

Artikel 6.11. Toetsing in verband met wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Dit artikel stelt voorwaarden waaraan moet worden getoetst voordat voorzieningen die op het programma huisvestingsvoorzieningen zijn opgenomen, daadwerkelijk zullen worden bekostigd. Deze voorwaarden betreffen het voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde voorschriften (denk bijvoorbeeld aan bouwtechnische voorschriften) en de vaststelling dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.

Paragraaf 3. Verordening

Artikel 6.12. Gemeentelijke verordening

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Een van de wezenlijke elementen van het systeem van het beleggen van de verantwoordelijkheid voor de huisvesting van scholen voor (speciaal) basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs bij de gemeente betreft het vaststellen door de gemeenteraad van een verordening. Daarin moet onder meer worden uitgewerkt wat in de gemeente exact onder huisvestingsvoorzieningen wordt verstaan. Daarnaast moeten ook normen worden opgenomen voor de grootte en indeling van schoolgebouwen, prognose- en urgentiecriteria en ook diverse procedures, waaraan het college van burgemeester en wethouders zich bij de beoordeling van aanvragen moet houden.

Eerste lid

In dit artikellid is vastgelegd welke onderwerpen in de gemeentelijke verordening moeten worden uitgewerkt. Het betreft in de eerste plaats de uitwerking op gemeentelijk niveau van de voorzieningen die in artikel 6.2 globaal zijn aangegeven. Daarbij gaat het in feite om een soort programma's van eisen, maar dan op gemeentelijk niveau, toegesneden op de lokale situatie.

Het voorschrift dat de gemeenteraad verplicht tot het vaststellen van regels, heeft tot doel de gemeente te verplichten zijn huisvestingsbeleid te expliciteren. Die regels moeten worden gezien als uitvoeringsregels die een gelijke behandeling van de belanghebbenden waarborgen. Door de gemeenteraad te verplichten regels te stellen, is het ook mogelijk voor te schrijven dat men daarover overleg moet voeren met vertegenwoordigers van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen, zodat een behoorlijke belangenbehartiging is gewaarborgd. Dat overleg moet op overeenstemming zijn gericht, zie hierover het vijfde lid.

In de gemeentelijke regeling moeten in elk geval worden vastgelegd:

  • voor welke voorzieningen de scholen in het algemeen in aanmerking komen; dit kan verschillend zijn voor en zelfs binnen de diverse onderwijssectoren ((speciaal) basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs),

  • de prognose- en urgentiecriteria die het college van burgemeester en wethouders moet hanteren bij de afweging die wordt gemaakt om binnen het beschikbare budget te kunnen bekostigen,

  • de normen die worden gehanteerd bij het vaststellen van de bekostiging.

Materieel wordt de taak van de gemeente genormeerd door in de wet te bepalen dat:

  • openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet moeten worden behandeld (zie artikel 6.1),

  • het budget op een niveau moet worden vastgesteld waarbij redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvesting van scholen in de genoemde onderwijssectoren op het grondgebied van de gemeente (zie artikel 6.3, tweede lid),

  • de bovengenoemde regels zo worden vastgesteld dat kan worden voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de gemeente stelt (zie het tweede lid), en

  • de weigeringsgronden limitatief zijn aangegeven (zie artikel 6.10).

Derde lid

Bij de normen bedoeld in het derde lid hoeft niet per definitie te worden gedacht aan een normatieve benadering. Ook bijvoorbeeld het hanteren van een offerteprocedure valt eronder.

Vierde lid

Het college van burgemeester en wethouders moet voorafgaand aan de betaling vastleggen hoe het technisch / administratief omgaat met uit te betalen bedragen. Het gaat dus niet om nieuwe beslismomenten over de toekenningen.

Vijfde lid

Door de wijze waarop de verordening tot stand komt, hebben de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente de mogelijkheid om hun belangen effectief te behartigen. Het vijfde lid biedt ze expliciet de mogelijkheid tot inspraak.

Zesde lid

In de overlegfase die voorafgaat aan de vaststelling van (een wijziging van) de huisvestingsverordening kan de gemeenteraad op eigen initiatief advies vragen aan de Onderwijsraad. Als een bevoegd gezag een advies wil, moet de gemeenteraad dat advies vragen. De Onderwijsraad brengt vervolgens binnen vier weken advies uit. De gemeenteraad maakt het advies tegelijk met de verordening (of een wijziging daarvan) bekend. De gemeenteraad bepaalt het tijdstip waarop advies wordt gevraagd, dat wil zeggen op welk moment in de overlegfase. Op die manier kan onnodige vertraging bij de totstandkoming van de verordening worden voorkomen. Advisering door de Onderwijsraad is gekoppeld aan die terreinen waarop de raad deskundig is, over zaken die de inhoud van het onderwijs raken. Het advies is daarom beperkt tot de aspecten van de vrijheid van richting en inrichting. Zie ook artikel 6.5, negende lid, dat een vergelijkbaar voorschrift bevat over het programma huisvestingsvoorzieningen.

Paragraaf 4. Bouwen

Artikel 6.13. Bouwheerschap

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Eerste lid

Het bevoegd gezag van een bijzondere school geeft in principe zelf opdracht om de huisvestingsvoorziening tot stand te brengen, waarvoor het college van burgemeester en wethouders de middelen beschikbaar heeft gesteld. Maar het bevoegd gezag kan ook aan de gemeente vragen het realiseren van de voorziening op zich te nemen. Het gaat hier om een civielrechtelijke overeenkomst, daarom is de rechtspersoon (de gemeente) de actor, en niet het college van burgemeester en wethouders. Het bouwheerschap berust dus in principe bij het bevoegd gezag, maar kan ook bij de gemeente worden belegd.

Tweede lid

Als het bouwheerschap aan de gemeente is overgelaten, moet als hoofdregel uiteindelijk toch de juridische eigendom van het gebouw en omliggende terreinen aan het bevoegd gezag worden overgedragen. Maar ook hier geldt dat bevoegd gezag en de gemeente iets anders kunnen afspreken. In dat geval moeten gebouw en terrein op een andere manier ter beschikking van de school komen.

Derde lid

Het kan zijn dat een huisvestingsvoorziening niet voldoet aan de eisen voor eigendomsoverdracht zoals neergelegd in Boek 3, titel 4, afdeling 2 van het Burgerlijk Wetboek. Bijvoorbeeld omdat de situatie van het gebouw zich daartoe niet leent of wanneer alleen een tijdelijke huisvesting nodig is. In zo'n geval moet de gemeente de voorziening aan het bevoegd gezag in gebruik geven.

Artikel 6.14. Instemming met eigen bouwplannen voor een niet door de gemeente in stand gehouden school

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Hoofdregel is dat het bevoegd gezag van een bijzondere school zelf de huisvestingsvoorzieningen in stand houdt en de bouwplannen en daarop betrekking hebbende begrotingen ter instemming indient bij het college van burgemeester en wethouders. Is tussen bevoegd gezag en de gemeente op grond van artikel 6.13 overeengekomen dat de gemeente de voorziening tot stand brengt, dan geldt het vereiste van instemming niet.

Artikel 6.15. Totstandbrenging voorziening voor een niet door de gemeente in stand gehouden school

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Ook als niet het bevoegd gezag, maar de gemeente op grond van artikel 6.13 een voorziening tot stand brengt, moet het bevoegd gezag vanzelfsprekend wel worden betrokken bij de uitvoering. Er moet overeenstemming zijn tussen de partijen voordat de gemeente tot uitvoering kan overgaan. Komt die overeenstemming er niet, dan kan het bevoegd gezag ertoe overgaan om alsnog de voorziening zelf tot stand te brengen.

Paragraaf 5. Bijzondere bepalingen gebruik

Artikel 6.16. Onderhoudsplicht; verbod tot vervreemding en bezwaring

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Eerste lid

Het eerste lid legt het bevoegd gezag de verplichting op om het gebouw en terrein behoorlijk te gebruiken en te onderhouden. Deze verplichting geldt ook voor de roerende zaken waarvoor het bevoegd gezag bekostiging van de overheid heeft ontvangen. Als het bevoegd gezag niet voldoet aan de verplichting die in dit lid is geregeld, kan dat uiteindelijk leiden tot inhouding van de bekostiging.

Tweede lid

Zonder toestemming van het college van burgemeester en wethouders, mogen schoolgebouwen, terreinen en roerende zaken waarvoor de school bekostiging ontvangt, niet worden vervreemd, of worden bezwaard met een zakelijk recht. Vervreemding (oftewel eigendomsoverdracht door verkoop of schenking) door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school van gebouwen, terreinen en roerende zaken (voor zover daarvoor van overheidswege bekostiging is genoten) is nietig, tenzij het college van burgemeester en wethouders toestemming heeft gegeven. Het toestemmingsvereiste kan voor de gemeente van belang zijn, bijvoorbeeld als de gemeente een deel van het terrein dat bij een school ligt nodig heeft om bepaalde plannen te verwezenlijken.

Gelet op de systematiek bij de onderwijshuisvesting in het voortgezet onderwijs en op het publieke belang dat met artikel 6.20 wordt gediend, is ook een curator hieraan gebonden. Het staat een curator dan ook niet vrij een schoolgebouw te verkopen zonder toestemming van het college van burgemeester en wethouders, omdat dit artikel onverkort van toepassing is bij een faillissement.35

De vervreemding als gevolg van een bestuurlijke fusie, zoals geregeld in artikel 3.33, is buiten het bereik van het tweede lid gebracht.

Bezwaring met een zakelijk recht (beperking van het gebruik, denk bijvoorbeeld aan een hypotheek die op het pand rust) is eveneens nietig zonder toestemming van het college van burgemeester en wethouders.

Derde lid

Het verbod tot vervreemding en bezwaring is niet van toepassing voor zover het gaat om het recht van opstal als de gemeente een tijdelijke huisvestingsvoorziening wil plaatsen op grond die eigendom is van het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden school.

Artikel 6.17. Vorderingsrecht

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Scholen gebruiken hun gebouwen of terreinen niet altijd het hele jaar, of gedurende de hele dag. Dit artikel regelt de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders om gebouwen en terreinen op het moment dat zij niet voor de school in gebruik zijn een andere bestemming te geven. Die bestemming is wel ingekaderd.

Eerste lid

De eerste categorie die dit lid regelt, is die van het tijdelijk of gedeeltelijk niet nodig zijn voor de school. Het college van burgemeester en wethouders kan in dergelijke gevallen, gedurende die tijd het gebouw of terrein als huisvesting bestemmen voor:

  • 1. een andere school voor voortgezet onderwijs,

  • 2. ander bekostigd onderwijs dan voortgezet onderwijs ((speciaal) basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs, hoger onderwijs) en ook voor educatie, of voor

  • 3. andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.

Het voorgenomen gebruik moet zich wel verdragen met het onderwijs van de school die in het gebouw is gevestigd. Van een blijvende bestemmingswijziging is geen sprake, aangezien het enkel gaat om beschikbaarstelling gedurende de tijd waarop de gebouwen of terreinen niet nodig zijn voor de school.

De tweede categorie die dit lid regelt, heeft specifiek betrekking op bestemming voor het onderwijs in lichamelijke opvoeding of expressie-activiteiten.

De derde categorie die dit lid regelt, gaat specifiek over sportterreinen. Het gaat dan niet alleen om sportterreinen die gedurende langere tijd niet worden gebruikt, maar ook om gebruik tijdens avonden, weekeinden en vakanties. Wel is daarbij bepaald dat het gebruik zo dient te zijn dat het terrein direct weer bruikbaar is voor het onderwijs. Met andere woorden: het terrein mag niet worden gebruikt voor doeleinden die een te zware aanslag op het veld betekenen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan brandweeroefeningen met zwaar materieel of een popconcert met mogelijk vele duizenden bezoekers, podia en zware apparatuur.

Tweede lid

Voordat het college van burgemeester en wethouders een gedeelte van een gebouw of terrein een andere bestemming geeft, moet hij overleggen met het bevoegd gezag van een bijzondere school, en – voor zover van toepassing – ook met het bevoegd gezag van de andere school of nevenvestiging die (tijdelijk) gebruik zal maken van een deel van gebouw of terrein van de bijzondere school.

Artikel 6.18. Verhuur en medegebruik gebouw of terrein

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Eerste lid

Als de gemeente geen gebruik maakt van het vorderingsrecht op grond van artikel 6.17, heeft het bevoegd gezag de bevoegdheid om een deel van een gebouw of terrein in gebruik te geven voor ander bekostigd onderwijs of voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden (medegebruik).

Het bevoegd gezag mag ook een deel van een gebouw of terrein dat het zelf niet voor de daar gevestigde school nodig heeft, verhuren aan een derde. Voorwaarde daarbij is dat dit alleen mogelijk is als het gehuurde niet zal worden gebruikt als woon- of bedrijfsruimte. Als het gaat om een bijzondere school, is voorafgaand aan de verhuur toestemming van het college van burgemeester en wethouders nodig. Is deze toestemming niet gevraagd of niet verleend, dan is de huurovereenkomst nietig (zie ook het vijfde lid). Dat betekent dat de overeenkomst geacht wordt niet te zijn gesloten.

Tweede lid

Verhuur of medegebruik eindigt als de school het verhuurde of in gebruik gegeven deel weer zelf nodig heeft of als het college van burgemeester en wethouders alsnog gebruik wil maken van het vorderingsrecht op grond van artikel 6.17. De gemeente is hiervoor nooit schadeplichtig. Het bevoegd gezag moet hier bij de verhuur rekening mee houden.

Derde lid

Ter bescherming van het onderwijs is bepaald dat verhuur of medegebruik niet mogen plaatsvinden als het gebruik dat van het deel van het gebouw of terrein wordt gemaakt, zich niet zou verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school. Zie ook de toelichting bij artikel 6.17.

Vierde lid

Omdat de ingebruikneming en verhuur een eigen wettelijke regeling in deze wet hebben, wordt de toepassing van de bepalingen in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek over ingebruikgeving en verhuur uitdrukkelijk uitgesloten.

Vijfde lid

Zoals al is vermeld in de toelichting op het tweede lid, is een huurovereenkomst die wordt gesloten zonder voorafgaande toestemming van het college van burgemeester en wethouders, nietig. Dat geldt ook voor elk met dit artikel strijdig beding in een huurovereenkomst voor zover het een schoolgebouw betreft.

Artikel 6.19. Huisvestingsvoorziening niet ten laste van de gemeente

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Als een bevoegd gezag voorzieningen treft aan gebouwen of terreinen met het oog op verhuur, kunnen deze niet bij de gemeente in rekening worden gebracht.

Artikel 6.20. Einde gebruik gebouw of terrein door een niet door de gemeente in stand gehouden school

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Eerste lid

Het college van burgemeester en wethouders en een bevoegd gezag dat juridisch eigenaar is van een gebouw of terrein, kunnen samen bij akte verklaren dat het bevoegd gezag het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar deel daarvan structureel niet meer gebruikt of binnenkort structureel niet meer zal gebruiken voor de (vestiging van de) school.

Uit dit lid – in combinatie met het zesde lid – blijkt dat eigendomsoverdracht mogelijk is voordat feitelijke overbodigheid van het gebouw of terrein zich voordoet. Dit maakt een aansluitende herbestemming van het gebouw mogelijk, die op zijn beurt leegstand en vandalisme kan helpen voorkomen. Om een aansluitende herbestemming te bevorderen, is in het vijfde lid een meldingsplicht opgenomen voor het bevoegd gezag dat van plan is (een deel van) gebouwen of terreinen niet meer voor de school te gebruiken.

Tweede lid

Als over de toepassing van het eerste lid een geschil ontstaat tussen het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag, dan kan elk van beide de beslissing van gedeputeerde staten inroepen.

De eigendomsverkrijging via gedeputeerde staten (of uiteindelijk de bestuursrechter) is ook aan de orde als er sprake is van een faillissement, waardoor een bevoegd gezag niet meer bevoegd is over het schoolgebouw te beschikken. Deze beschikkingsbevoegdheid is geen vereiste bij de verkrijging van het schoolgebouw door de gemeente, omdat geen sprake is van een overdracht ex artikel 3:84 van het Burgerlijk Wetboek, maar ex artikel 3:80, derde lid, laatste zinsnede, van het Burgerlijk Wetboek. Daarin is sprake van verkrijging onder bijzondere titel «op overige in de wet voor iedere soort aangegeven wijzen van rechtsverkrijging».36 Zie hiervoor het zesde lid van dit artikel: Door de inschrijving verkrijgt de gemeente de eigendom.

Derde en vierde lid

Achterstallig onderhoud vormt een mogelijk probleem bij buitengebruikstelling. Het verdient aanbeveling dat gemeenten en bevoegde gezagsorganen van bijzondere scholen afspraken maken over de verrekening van achterstallig onderhoud. Het gaat dan om het in slechte staat verkeren van huisvestingsvoorzieningen als gevolg van verwijtbaar nagelaten noodzakelijk onderhoud door het bevoegd gezag. Op het moment dat een gebouw of terrein buiten gebruik wordt gesteld, komt de verantwoordelijkheid voor het onderhoud bij de gemeente te liggen.

In het derde lid is geregeld dat het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van de betrokken school samen vaststellen of voorzieningen in een slechte bouwkundige staat verkeren doordat het bevoegd gezag verwijtbaar nalatig is geweest bij het onderhoud. Als dat het geval is, vindt verrekening plaats van de kosten die de gemeente moet maken om het achterstallig onderhoud weg te werken.

In het vierde lid is geregeld dat gemeenteraad en bevoegde gezagsorganen van de bijzondere scholen op het grondgebied van de betrokken gemeente samen ter zake een geschillenregeling treffen.

Vijfde lid

Het bevoegd gezag van een bijzondere school moet het plan om een gebouw of terrein of een deel ervan, structureel niet meer voor de school te gebruiken, direct melden aan het college van burgemeester en wethouders. Zie verder de toelichting op het eerste lid.

Zesde lid

De akte van het eerste lid of (bij verschil van mening) het onherroepelijk geworden besluit van gedeputeerde staten op grond van het tweede lid of (in geval van een beroepszaak) de uitspraak van de rechter, wordt ingeschreven in de daartoe bestemde openbare registers. Door deze inschrijving verkrijgt de gemeente ook de juridische eigendom. Met andere woorden: hiervoor is geen nadere notariële akte vereist.

Een uitzondering is hierbij gemaakt voor gebouwen en terreinen als bedoeld in artikel 28 van de Overgangswet W.V.O. Het gaat hier om de zogenaamde oude eigendomsscholen, waarvoor door het bevoegd gezag van rijkswege alleen maar een rentevergoeding is ontvangen. Niet alleen de juridische eigendom maar ook de economische eigendom op deze gebouwen en terreinen berust bij het bevoegd gezag. De gemeente heeft bij deze scholen dus niet het economisch claimrecht op gebouwen en terreinen. Na buitengebruikstelling vervallen dergelijke gebouwen en terreinen dan ook niet aan de gemeente. Het bevoegd gezag moet in dergelijke gevallen kunnen aantonen dat het daadwerkelijk om een gebouw gaat waarop de term «oude eigendomsschool» van toepassing is.

Zevende lid

Als een deel van een gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht structureel niet meer voor de in het gebouw gevestigde bijzondere school zal worden gebruikt, kunnen het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van de school dat in een gezamenlijke akte verklaren. Dat maakt de weg vrij voor verhuur (zie hiervoor het negende lid).

Achtste lid

Het achtste lid bevat het equivalent van het tweede lid: als er een geschil ontstaat tussen het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag over de verklaring die is geregeld in het zevende lid, kan elk van beide een beslissing van gedeputeerde staten inroepen.

Negende lid

De in het zevende lid bedoelde akte, (bij verschil van mening) het onherroepelijk geworden besluit van gedeputeerde staten (zie het achtste lid) of (in geval van een beroepszaak) de uitspraak van de rechter, geeft het bevoegd gezag van de bijzondere school de bevoegdheid om het betrokken deel van het gebouw met toestemming van het college van burgemeester en wethouders te verhuren.

Tiende lid

De toestemming tot verhuur geldt steeds voor hooguit drie jaar, en is dus begrensd. Op verzoek van het bevoegd gezag kan deze periode telkens (meermaals dus) worden verlengd met een termijn van maximaal drie jaar.

Elfde lid

Omdat de verhuur een eigen wettelijke regeling in deze wet heeft, wordt de toepassing van de bepalingen in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek over verhuur uitdrukkelijk uitgesloten.

Paragraaf 6. Doordecentralisatie; verticale scholengemeenschappen; informatie

Artikel 6.21. Jaarlijks bedrag voor huisvestingskosten van een niet door de gemeente in stand gehouden school

De regels over huisvesting voor Caribisch Nederland zijn te vinden in paragraaf 6 van hoofdstuk 11.

Deze bepaling biedt aan een gemeente en het bevoegd gezag van een bijzondere school de mogelijkheid tot «doordecentralisatie». Dat wil zeggen dat het bevoegd gezag zelf geheel of gedeeltelijk verantwoordelijk wordt voor zaken rond de huisvesting, waarvoor het college van burgemeester en wethouders alleen nog jaarlijks financiële middelen verschaft.

Het besluit tot doordecentralisatie kan al dan niet op aanvraag van een bevoegd gezag worden genomen. Het initi