34 819 Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot het geleidelijk uitfaseren van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

Nr. 8 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET NADER VERSLAG

Ontvangen 21 november 2017

Inhoudsopgave

1.

Inleiding

1

2.

Algemeen

1

3.

Budgettaire aspecten

13

4.

Uitvoeringskosten Belastingdienst

14

5.

Overig

15

1. Inleiding

Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de VVD, de PVV, het CDA, D66, GroenLinks, de SP, de PvdA, 50PLUS en DENK.

Hierna wordt bij de beantwoording van de vragen zo veel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden, met dien verstande dat gelijkluidende of in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijn beantwoord.

De aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld wordt in het spraakgebruik ook wel aangeduid als de regeling Hillen of de Hillen-aftrek. Waar hierna wordt gesproken over regeling Hillen of de Hillen-aftrek wordt daarmee bedoeld de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld.

2. Algemeen

De leden van de fractie van de VVD vragen het kabinet nog eenmaal in te gaan op de effecten op de koopkracht van huizenbezitters, ook gegeven de verlaging van het eigenwoningforfait (EWF) en de verlaging van de inkomstenbelasting. Deze leden vragen voorts hoeveel procent van de huizenbezitters er per saldo op vooruitgaat en met hoeveel. Ten slotte vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat deze wet disproportionele effecten heeft op de inkomens van huizenbezitters. De leden van de fractie van de SP vragen welke mogelijkheden het kabinet ziet om huishoudens die kopje-onder gaan door het verlies van de aftrek te compenseren. Woningeigenaren als groep hebben evenveel voordeel van het regeerakkoord als de totale groep huishoudens. Dat komt onder andere doordat de opbrengst van de versnelde afbouw van de hypotheekrenteaftrek volledig ten goede komt aan woningeigenaren via een verlaging van het EWF. Tegenover de geleidelijke afbouw van de regeling Hillen staan diverse grote lastenverlichtingen zoals lagere tarieven in de inkomstenbelasting, een hogere algemene heffingskorting en een hogere ouderenkorting. De mediane koopkracht van de groep woningeigenaren stijgt deze kabinetsperiode met gemiddeld 1,4% per jaar. Voor 77% van de woningeigenaren stijgt de koopkracht met maximaal 2% per jaar. Voor 18% van de woningeigenaren stijgt de koopkracht gemiddeld tussen 2% en 5% per jaar. Voor 4% van de woningeigenaren daalt de koopkracht met maximaal 2% per jaar. Een negatief inkomenseffect groter dan 2% komt bij 0% van de huishoudens voor.

Daarmee is het kabinet van oordeel dat deze wet geen disproportioneel effect heeft op de inkomens van woningeigenaren. Tegenover de inkomenseffecten van dit voorstel staan andere maatregelen in het pakket van lastenverlichtingen.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de technische mogelijkheden om de uitfasering van de regeling Hillen zodanig te beperken dat «bestaande gevallen» niet meer worden geraakt, welke opties er zijn in technische zin en welke parameters voor de hand liggen. De problematiek start met de definitie van een bestaand geval. Die is diffuus. Bij de groep van bestaande gevallen zullen isselingen in partnerschappen plaatsvinden zoals scheidingen, samenwonen en overlijden. Ook zal het regelmatig voorkomen dat belastingplichtigen uit deze groep hun hypotheek verhogen, of verhuizen en wellicht duurder gaan wonen met deels een nieuwe hypotheek die vervolgens weer wordt afgelost. Van al deze wijzigingen moet worden gedefinieerd wat voor invloed dit heeft op het (deel van) de eigenwoningschuld en wat voor invloed dit heeft op het recht op de Hillen-aftrek. Over een lange periode is als gevolg van deze mogelijke mutaties niet meer vast te stellen wie een bestaand geval was. Ook voor de meerderheid van de belastingplichtigen is dit niet te begrijpen en te volgen. De conclusie is dan ook dat het uitzonderen van bestaande gevallen niet uitvoerbaar is.

De vraag van de leden van de fractie van 50PLUS of is overwogen om de uitfasering van de regeling Hillen voor bestaande gevallen of voor lage WOZ-waarden te temperen moet ontkennend worden beantwoord. In het vorige antwoord ben ik, net als tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen 20181, al ingegaan op de principiële en praktische bezwaren die aan een uitzondering voor bestaande gevallen in de weg staan. Nog los van de vraag waar de grens zou moeten worden gelegd, geldt ook voor lage WOZ-waarden dat de voornaamste oorspronkelijke doelstelling van de regeling Hillen is achterhaald voor eigenwoningschulden die na 31 december 2012 zijn aangegaan. Voor die categorie geldt immers de aflossingseis waardoor een extra stimulans tot aflossing niet langer noodzakelijk is. Het kabinet heeft niet gekozen voor overgangsrecht voor bestaande gevallen mede vanwege de complexe uitvoering die hiermee zou samenhangen zoals in het antwoord op de vraag hiervoor is aangegeven. In plaats daarvan heeft het kabinet gekozen voor een uitfasering van de regeling in kleine stappen die toegepast kan worden door alle belastingplichtigen die gebruikmaken van de Hillen-aftrek. Hiermee worden de aan de beëindiging van de regeling verbonden gevolgen – waarbij ook het deel van het EWF waar geen daarop drukkende aftrekbare kosten tegenover staan tot het belastbare inkomen wordt gerekend – gemitigeerd. De gekozen afbouwperiode van 30 jaar stelt belastingplichtigen in de gelegenheid om zich in te stellen op de inkomenseffecten die per jaar iets zullen toenemen (ten opzichte van de huidige situatie).

De leden van verschillende fracties hebben nadere vragen gesteld over de effecten van de uitfasering van de regeling Hillen. De leden van de fractie van de PVV vragen hoeveel huishoudens negatieve consequenties van de afschaffing van de regeling Hillen ondervinden. Deze leden vragen daarbij net als de leden van de fractie van de SP en de leden van de fractie van DENK naar verschillende typen huishoudens (alleenverdiener, paar met kinderen, et cetera) en in het bijzonder gespecificeerd naar (ouderen met) verschillende inkomens- en vermogensniveaus. De leden van de fractie van D66 stellen een vergelijkbare vraag. Voorts vragen de leden van de fractie van de PVV naar de effecten op toeslagen en kortingen en de effecten voor mensen met schulden. De leden van de fractie van de SP vragen naar langetermijneffecten voor de verschillende situaties van degenen die de aftrek verliezen. De leden van de fractie van de PvdA vragen naar inkomenseffecten in 2047 voor onder andere verschillende huishoudsituaties en de gevolgen bij overlijden of bij scheiding. Ook de leden van de fractie van de PVV vragen naar de effecten in geval van scheiding. In de memorie van toelichting van het onderhavige wetsvoorstel2 heeft het kabinet in de eerst opgenomen tabel aangegeven wat in 2021 het effect is van de uitfasering van de regeling Hillen, onderscheiden naar verschillende WOZ-waarden en onderscheiden naar de verschillende marginale tarieven die voor 2021 voorzien zijn ingevolge het regeerakkoord. In de nota naar aanleiding van het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel3 zijn die gegevens ook nog verstrekt voor de jaren 2025, 2030, 2035 en 2048. In diezelfde nota zijn deze effecten ook beschreven bij verschillende EWF-percentages en zijn voor AOW-gerechtigden bij verschillende niveaus van het aanvullende pensioen de gemiddelde inkomenseffecten gegeven. Voorts zijn de inkomenseffecten van de uitfasering van de regeling Hillen weergegeven voor de inkomens die vallen in het voorziene afbouwtraject van de ouderenkorting. Ook is ingegaan op de gevolgen van de uitfasering van de regeling Hillen op de toeslagen en de ouderenkorting. Daarmee is naar de mening van het kabinet maximaal tegemoetgekomen aan de overigens terechte wens van de leden om de effecten te schetsen van de uitfasering van de regeling Hillen. Naar mijn mening zullen deze effecten niet wezenlijk anders zijn, in ieder geval niet qua ordegrootte, als een nadere uitsplitsing wordt gemaakt voor alleenstaanden of paren al dan niet met kinderen, wel of geen partner met al dan niet een aanvullend pensioen, dan wel voor mensen met schulden. De inkomens- en vermogensniveaus hebben invloed op het marginale tarief, maar die effecten zijn zoals gezegd al in de eerdere stukken geschetst. Ook de langetermijneffecten tot en met 2048 zijn in voornoemde nota aan de orde gekomen. In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van het CDA is elders in deze nota nog een aantal voorbeelden uitgewerkt van de effecten van de uitfasering van de regeling Hillen in combinatie met de overige maatregelen uit het regeerakkoord. Daarnaast is elders in de nota nog een aantal vragen beantwoord van de leden van de fracties van het CDA en de PvdA waardoor onder meer inzichtelijk wordt bij welke inkomensgroepen de effecten neerslaan. Naar de mening van het kabinet is het beeld omtrent de effecten daarmee voldoende duidelijk.

De leden van de fractie van de PVV vragen wat de gevolgen zijn als de aflossingsverplichting voor hypotheken niet langer geldt voor 100% maar voor 70%. Deze leden vragen in hoeverre hierdoor de gevolgen van de uitfasering van de regeling Hillen worden gecompenseerd. Het kabinet heeft er niet voor gekozen om de aflossingseis voor eigenwoningschulden, om in aanmerking te komen voor aftrek van aftrekbare kosten eigen woning, te beperken. De aflossingseis draagt op lange termijn sterk bij aan een reductie van de totale uitstaande (hypotheek)schuld. De verplichte aflossingseis zorgt ervoor dat op termijn iedere belastingplichtige diens eigenwoningschuld afbouwt, terwijl de regeling Hillen alleen een stimulans vormt om het laatste gedeelte van de eigenwoningschuld af te lossen. Ook resteert na 30 jaar bij een lagere aflossingseis nog een niet-aftrekbare hypotheekschuld, waardoor de toekomstige maandlasten in het algemeen aanzienlijk hoger zullen zijn, dan het voordeel dat de belastingplichtigen zouden ontvangen door de regeling Hillen. Tot slot zorgt een beperking van de aflossingseis voor een behoorlijke budgettaire derving aangaande de aftrekbare kosten eigen woning.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de effecten van het onderhavige wetsvoorstel en de effecten van de overige maatregelen in het regeerakkoord op het besteedbare inkomen van een aantal voorbeeldhuishoudens. De voorbeeldhuishoudens zijn:

  • 1. Echtpaar met AOW + € 10.000 en AOW zonder aanvullend pensioen en een «afgeloste woning» van € 250.000.

  • 2. Echtpaar met AOW + € 30.000 en AOW + € 10.000 en een «afgeloste woning» van € 500.000.

  • 3. Alleenstaande AOW’er zonder aanvullend pensioen met een «afgeloste woning» van € 250.000.

  • 4. Alleenstaande AOW’er met een pensioen van € 10.000 met een «afgeloste woning» van € 250.000.

De partiële inkomenseffecten worden weergegeven in tabel 1. Bij de inkomenseffecten na de regeerperiode is de onzekerheid groter, onder andere doordat de raming voor het EWF-percentage meer onzeker is. Om een goede vergelijking te kunnen maken op basis van de voorgelegde casussen, zijn bedragen (zoals AOW-bedrag, schijfgrenzen en heffingskortingen) niet geïndexeerd na 2021. In deze berekening zijn de maatregelen in de inkomstenbelasting uit het regeerakkoord meegenomen (met als structureel EWF-percentage 0,5%). Toeslagen zijn in deze berekening dus niet meegenomen.

Tabel 1: partiële inkomenseffecten afschaffen Hillen en overige inkomstenbelastingmaatregelen RA
   

2019

2021

2028

2048

Casus 1

Effect Hillen

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

Effect overige maatregelen IB

€ 384

€ 678

€ 678

€ 678

Totaal effect

€ 384

€ 678

€ 678

€ 678

Casus 2

Effect Hillen

€ -30

€ -82

€ -274

€ -821

Effect overige maatregelen IB

€ 1.851

€ 2.437

€ 2.506

€ 2.687

Totaal effect

€ 1.821

€ 2.355

€ 2.233

€ 1.866

Casus 3

Effect Hillen

€ 0

€ 0

€ 0

€ -156

Effect overige maatregelen IB

€ 171

€ 423

€ 423

€ 579

Totaal effect

€ 171

€ 423

€ 423

€ 423

Casus 4

Effect Hillen

€ -15

€ -41

€ -137

€ -411

Effect overige maatregelen IB

€ 465

€ 780

€ 814

€ 905

Totaal effect

€ 451

€ 739

€ 678

€ 494

In tabel 1 is te zien dat voor casus 1 en casus 3 de uitfasering van de regeling Hillen geen inkomenseffect heeft (behalve bij casus 3 in 2048). Dit wordt veroorzaakt doordat het inkomen in deze voorbeelden zodanig laag is, dat geen inkomstenbelasting betaald wordt door de (minstverdienende) partner en niet alle heffingskortingen verzilverd kunnen worden. De uitfasering van de regeling Hillen leidt er bij deze belastingplichtigen alleen toe dat zij meer heffingskorting kunnen verzilveren. Bij partners is het EWF toegerekend aan de minstverdienende partner; dan werken de maatregelen het gunstigst uit.

De leden van de fractie van het CDA verzoeken het kabinet een evaluatiebepaling aan het voorliggende wetsvoorstel toe te voegen, zodat vier jaar na inwerkingtreding de uitfasering van de Hillen-aftrek geëvalueerd wordt. Dit verzoek roept de vraag op wat met een dergelijke evaluatie zou moeten worden beoogd. De achtergrond van de in het wetsvoorstel voorziene uitfasering van de regeling Hillen is enerzijds het sterk oplopende budgettaire belang van de regeling en anderzijds dat de voornaamste oorspronkelijke doelstelling van de regeling Hillen – het bevorderen van de aflossing van de eigenwoningschuld – nu wordt bereikt door de per 1 januari 2013 ingevoerde aflossingseis. Voor eigenwoningschulden van vóór die datum waarvoor de aflossingseis niet aan de orde is, geldt zoals ook al is betoogd in de nota naar aanleiding van het verslag, dat het in verreweg de meeste gevallen voordeliger is om af te lossen, zeker in relatie tot de lage rente op spaartegoeden van dit moment. Het is dus niet waarschijnlijk dat als gevolg van de uitfasering van de regeling Hillen minder zal worden afgelost dan nu met de regeling Hillen het geval is. Naar de mening van het kabinet is een evaluatiebepaling dan ook niet nodig. De regeling Hillen als zodanig wordt wel meegenomen in de elders in deze nota genoemde evaluatie van de eigenwoningregeling in 2020.

De leden van de fractie van de SP vragen om een toelichting op de historie van de aftrek Hillen, hoe de werking ervan geëvalueerd is en om een bevestiging dat de aftrek om twee redenen werd geïntroduceerd, te weten ter tegemoetkoming voor mensen met een (bijna) «afgelost huis» en als stimulans voor mensen om hun hypotheek af te lossen. Ook vragen deze leden of destijds bij het treffen van de regeling Hillen nog andere beleidsmaatregelen zijn overwogen om de met de regeling beoogde doelen te bereiken. In oktober 2001 heeft het toenmalige Tweede Kamerlid Hillen een initiatiefwetsvoorstel ingediend waarmee bewerkstelligd zou worden dat het EWF nooit meer bedraagt dan de rente van schulden voor zover aangegaan ter verwerving, verbetering en onderhoud van de eigen woning.4 Dit voorstel is vrij kort daarna overgenomen in het regeerakkoord van het kabinet Balkenende I.5 Dit lijkt erop te wijzen dat er destijds geen andere beleidsmaatregelen zijn overwogen om de met de regeling Hillen beoogde doelen te bereiken. Hoewel het oorspronkelijke voorstel erop gericht was om in gevallen waar de in een jaar verschuldigde aftrekbare rente lager was dan het EWF in dat jaar het EWF op nihil te stellen voor zover dit het bedrag van de rente oversteeg, is de uiteindelijke maatregel anders vormgegeven omdat de aanvankelijke beoogde vormgeving naar het oordeel van genoemd kabinet niet paste in de systematiek van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het toenmalige kabinet heeft met ingang van 1 januari 2005 de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld geïntroduceerd6 die is vormgegeven als een afzonderlijke aftrek ter grootte van het positieve saldo van het EWF en de aftrekbare kosten eigen woning. Zoals al eerder aangegeven in het kader van de beantwoording van vragen uit uw Kamer op het rapport «Zicht op belastingverlichtende maatregelen» van de Algemene Rekenkamer7, is er geen zelfstandige evaluatie van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld beschikbaar.

Hoewel het oogmerk van de maatregel vooral zag op de bevordering van de aflossing van de eigenwoningschuld was de doelstelling inderdaad tweeledig: bevordering van aflossing op de eigenwoningschuld en lastenverlichting voor eigenaar-bewoners met geen of een lage eigenwoningschuld. Dit tweede element was bedoeld voor alle belastingplichtigen met een financiering van hun eigen woning – al dan niet via aflossing van de eigenwoningschuld – met eigen middelen.8 In tegenstelling tot wat de leden van de fractie van de SP stellen was hiermee dus niet beoogd specifiek eigenwoningbezitters met een geringe draagkracht door een klein of geen pensioen en weinig tot geen vermogen tegemoet te komen.

De leden van de fractie van de SP vragen naar de maatregelen die de afgelopen acht jaar financiële gevolgen hebben gehad voor ouderen en of daarbij een onderscheid kan worden gemaakt in fiscale wijzigingen en wijzigingen in ander beleid, zoals de decentralisatie van taken naar gemeenten of het verhogen van het verplichte eigen risico voor de zorgverzekering. Hoewel, zoals ook in de nota naar aanleiding van het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel is aangegeven, de uitfasering van de regeling Hillen bij aanvang voor ongeveer 58% eigenwoningbezitters treft die (bijna) de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, is de maatregel niet gericht op ouderen. De maatregel wordt onder meer voorgesteld omdat het als gevolg van de met ingang van 1 januari 2013 geïntroduceerde aflossingseis niet meer nodig is om het aflossen van de eigenwoningschuld extra te stimuleren. Door die aflossingseis zullen naar verloop van tijd relatief steeds meer belastingplichtigen met een lagere leeftijd in aanmerking komen voor de Hillen-aftrek. Het aantal belastingplichtigen zal vanaf 1 januari 2031 nog verder toenemen omdat per 2001 de renteaftrektermijn is gemaximeerd op 30 jaar. Er is naar de mening van het kabinet dan ook geen reden om naar aanleiding van de uitfasering van de Hillen-aftrek een relatie te leggen met de maatregelen die, in welke vorm dan ook, in de afgelopen acht jaar gevolgen hebben gehad voor ouderen. In de afgelopen acht jaar is een veelvoud van maatregelen getroffen om de overheidsfinanciën weer op orde te krijgen dat alle groepen in de samenleving heeft geraakt.

De leden van de fractie van de SP vragen een reactie op de uitspraak van de heer De Jong (gedaan tijdens het rondetafelgesprek op 16 november 2017) die zich afvraagt waarom wel duidelijk is wat de macro-economische opbrengsten zijn van de uitfasering van de aftrek, maar dat niet duidelijk is hoe dit micro-economisch neerslaat in de huishoudens die te maken krijgen met de uitfasering.

De heer De Jong gaf aan dat hij naast het macro-economische bedrag van structureel € 1,1 miljard wel de koopkrachteffecten heeft vernomen van de maatregel in 2021, maar dat hij niet kon inschatten wat het effect zou zijn voor 2048. Ik verwijs in dit verband naar het elders in deze nota opgenomen antwoord op de vraag van de leden van de fractie van het CDA naar de uitwerking van de effecten van de uitfasering van de regeling Hillen in combinatie met de overige inkomstenbelastingmaatregelen uit het regeerakkoord op een aantal specifieke casussen.

De leden van de fractie van de SP vragen te reageren op de stelling dat de overheid onbetrouwbaar zou zijn door voor te stellen de regeling Hillen uit te faseren. Deze leden verzoeken om een uitgebreid antwoord. Dat deze leden op dit punt uitgebreid met mij van gedachten willen wisselen, waardeer ik. De vraag naar wat een betrouwbare overheid is, raakt aan de kerntaak van regering en parlement die gezamenlijk wetgeving tot stand brengen. De wetgever mag wetten wijzigen. De wetgevingsprocedure in Nederland borgt dat wij gezamenlijk bij wetswijziging een zorgvuldige afweging van belangen maken. Dat het noodzakelijk is om wetgeving in de loop van de tijd aan te passen, is inherent aan het feit dat onze samenleving wijzigt. Een overheid die op deze veranderingen durft te handelen en rekenschap geeft van de belangenafweging die daarbij noodzakelijk is, is een betrouwbare overheid.

Bij de onderhavige wetswijziging maakt het kabinet gelet op het vorenstaande de volgende afweging. Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven, heeft de regeling Hillen tot gevolg dat de inkomsten uit de eigen woning de facto op nihil worden gesteld. Daarmee wordt bewust afgeweken van het feit dat de eigen woning in de inkomstenbelasting een bron van inkomen vormt. Als gevolg van de per 2013 ingevoerde aflossingseis voor eigenwoningschulden is een extra stimulering voor een versnelde aflossing door de regeling Hillen niet meer noodzakelijk. Door de aflossingseis komen belastingplichtigen bovendien veel eerder in aanmerking voor toepassing van die regeling. Hierdoor is de regeling op termijn financieel onhoudbaar. De geraamde kosten van de regeling Hillen bedroegen in 2015 in totaal € 556 miljoen. Vooral door de met ingang van 1 januari 2013 ingevoerde aflossingseis neemt het budgettaire belang sterk toe, tot € 1,1 miljard in 2042. Daarbij komt dat het kabinet het niet langer noodzakelijk acht om eigenwoningbezitters met geen of een beperkte eigenwoningschuld, extra lastenverlichting te geven. Het voorgaande is reden om deze regeling af te schaffen.

Het kabinet is van mening dat overgangsrecht wenselijk is om recht te doen aan de belangen van individuele belastingplichtigen die met het oog op het gebruik van de belastingfaciliteit in het verleden, wellicht versneld, hun eigenwoningschuld hebben afgelost. Daarom is gekozen voor een geleidelijke uitfasering gedurende een periode van 30 jaar.

De leden van de fractie van de SP vragen in te gaan op de snelheid waarmee deze maatregel moet worden behandeld en de lange voorbereidingstijd die de Belastingdienst nodig heeft. De leden van de fractie van DENK stellen dat er een discrepantie bestaat tussen de korte tijd die uw Kamer heeft voor de behandeling van het wetsvoorstel en de tijd die het kabinet zich gunt voor de implementatie. Naar de mening van het kabinet gaat een vergelijking van de benodigde behandeltijd in de Tweede Kamer – en daaropvolgend de Eerste Kamer – met de tijd die de Belastingdienst nodig heeft om deze structuuraanpassing in de systemen aan te brengen niet op. Zoals eerder in het kader van het wetgevingsoverleg en in de nota naar aanleiding van het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel is aangegeven en uitgebreid is toegelicht heeft de Belastingdienst 15,5 maanden nodig om de maatregel op 1 januari 2019 toe te kunnen passen. Ik verwijs daarvoor graag naar de betreffende stukken en verslagen zoals de zogenoemde parameterbrief.9 Het kabinet erkent dat de behandeltijd korter is dan gebruikelijk voor de behandeling van bijvoorbeeld een Belastingplan. Het kabinet heeft echter alles in het werk gesteld om uw Kamer zo goed en zo snel als mogelijk te antwoorden op de gestelde vragen zodat uw Kamer in staat zou moeten zijn de door u terecht betrachte zorgvuldigheid in acht te nemen en een weloverwogen besluit te nemen.

De leden van de fractie van de SP vragen welke visie op de woningmarkt schuilgaat achter de uitfasering van de regeling Hillen en waarom het de remedie zal zijn voor de overspannen woningmarkt en de hoge hypotheekschuld van Nederlandse huishoudens. De uitfasering van de regeling Hillen is niet bedoeld als remedie tegen een overspannen woningmarkt of tegen hoge hypotheekschulden van Nederlandse huishoudens. Tijdens de afgelopen kabinetsperiode zijn de hypotheekregels aangepast om de risico’s op de balansen van huishoudens te beperken en de hypotheekschulden te verlagen. Voor dit kabinet is daarnaast meer woningbouw een belangrijke prioriteit. Het kabinet wil meer woningen van goede kwaliteit, passend bij de financiële mogelijkheden en hedendaagse wensen van mensen. Zoals al eerder aangegeven en zoals ook in deze nota is toegelicht, draagt de regeling als gevolg van de per 2013 ingevoerde aflossingseis, steeds minder bij aan het oorspronkelijke voornaamste doel van de regeling, namelijk het bevorderen van het aflossen op hypotheken. Dit, in combinatie met het sterk oplopende budgettaire belang van de regeling Hillen, maakt dat het kabinet heeft besloten om deze regeling uit te faseren.

De leden van de fractie van de SP vragen of door het uitfaseren van de regeling Hillen, het aflossen van de hypotheek minder aantrekkelijk wordt en daarmee een tegenovergesteld effect kan hebben. Zoals al is aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel zal het voor huiseigenaren ook met het uitfaseren van de regeling Hillen doorgaans gunstiger zijn om te blijven aflossen dan om daarmee te stoppen. Het is dus niet waarschijnlijk dat als gevolg van de uitfasering van de regeling Hillen minder zal worden afgelost dan nu met de regeling Hillen het geval is.

De leden van de fractie van de SP vragen welke garanties er zijn dat de Belastingdienst de uitfasering van een Hillen tot een goed einde kan brengen. De Belastingdienst kan de geleidelijke uitfasering van de regeling Hillen uitvoeren. Er wordt een afbouwpercentage ingebouwd in de systemen, dat vervolgens jaarlijks bijgesteld wordt. De Belastingdienst heeft deze maatregel in de uitvoeringstoets onder andere getoetst op de bijdrage aan complexiteitsreductie, de uitvoeringskosten, het risico op procesverstoringen en de maakbaarheid in de systemen. Uit de toets volgt dat het inbouwen van het afbouwpercentage een structuuraanpassing is die op korte termijn beperkt complexiteitsverhogend is. Het definitief beëindigen van de maatregel is een beperkte vereenvoudiging in de systemen. Zoals ook bij andere structuuraanpassingen, zijn de incidentele kosten voor de automatisering opgenomen in de uitvoeringstoets. De incidentele kosten voor het verwerken van het afbouwpercentage in de systemen bedragen € 170.000. Het risico op procesverstoringen is, zoals vermeld in de toets, klein. De benodigde systeemaanpassingen kunnen tijdig in de voorlopige en definitieve aanslagregeling 2019 verwerkt worden. De Belastingdienst heeft echter aangegeven dat om deze maatregel ook tijdig in de voorlopige aanslagregeling 2019 te kunnen verwerken, het noodzakelijk is dat de vormgeving van deze maatregel uiterlijk 23 november 2017 vaststaat. Het eindoordeel is dat de geleidelijke uitfasering van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld uitvoerbaar is. Ik heb vertrouwen in het oordeel van de Belastingdienst over de uitvoerbaarheid van de maatregel.

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar het besteedbare inkomen in 2047 van een (alleenstaande) AOW-gerechtigde die een «afbetaald huis» heeft van € 200.000, een aanvullend pensioen van € 5.000 en die € 190 per maand alimentatie betaalt. Deze casus is vergelijkbaar met de casussen 3 en 4 waarvoor de leden van de fractie van het CDA een uitwerking hebben gevraagd. Ik verwijs daarom graag naar de voor die casussen gegeven uitwerking elders in deze nota. Wel geldt dat de partneralimentatie tot een verlaging van het belastbare inkomen in box 1 leidt (op jaarbasis € 2.280), waarmee ook het verzamelinkomen lager wordt en uitkomt op circa € 19.000. De volledige uitfasering van de regeling Hillen leidt tot een verhoging van het verzamelinkomen van € 1.000. Het verzamelinkomen van deze belastingplichtige is, zowel met als zonder uitfasering van de regeling Hillen, hoog genoeg om (net) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen te betalen, maar zodanig laag dat er geen verschil is voor de heffingskortingen en toeslagen.

Daarnaast vragen de leden van de fractie van de PvdA om het effect van de voorliggende wetsvoorstel op het verzamelinkomen en toeslagen, generiek en specifiek voor een AOW-gerechtigde zonder aanvullend pensioen met een «afbetaald huis» van € 200.000. Het klopt dat door het voorliggende wetsvoorstel het verzamelinkomen beïnvloed wordt en daarmee ook de toeslagen. Voor het effect op toeslagen verwijs ik naar de nota naar aanleiding van het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel. Een alleenstaande AOW-gerechtigde zonder aanvullend pensioen heeft met een volledige AOW-uitkering van ruim € 16.000 recht op zorgtoeslag. Omdat de zorgtoeslag afgebouwd wordt vanaf een inkomen van circa € 20.000 en het EWF leidt tot een verhoging van het verzamelinkomen van € 1.000 bij volledige uitfasering van de regeling Hillen, heeft de volledige uitfasering voor deze belastingplichtige geen invloed op de hoogte van deze toeslag.

De leden van de fractie van de PvdA vragen om een reactie op de position papers die zijn ingediend bij de hoorzitting over het onderhavige wetsvoorstel. Op 16 november 2017 heeft een interessant(e) hoorzitting/rondetafelgesprek over de voorgestelde geleidelijke uitfasering van de regeling Hillen plaatsgevonden. Het kabinet is de genodigden dan ook erkentelijk voor hun inbreng en voor de door een aantal van hen ingebrachte position papers. Naar de mening van het kabinet zijn de aan het wetsvoorstel verbonden aspecten ruimschoots aan de orde gekomen. Tegelijkertijd moet worden geconstateerd dat de hoorzitting eigenlijk geen echt nieuwe gezichtspunten heeft opgeleverd. Door de ouderenbonden (KBO-PCBO en KBO Brabant) werd aandacht gevraagd voor de koopkrachtgevolgen voor ouderen. Het kabinet heeft eerder aangegeven dat de uitfasering van de regeling Hillen bij aanvang voor ongeveer 58% de eigenwoningbezitters raakt die (bijna) de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt (zie de nota naar aanleiding van het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel). Het kabinet heeft daarbij ook gewezen op de maatregelen uit het regeerakkoord die (mede) ertoe bijdragen dat de inkomenspositie van deze AOW-gerechtigden verbetert. In de nota van wijziging op het Belastingplan 201810 is bijvoorbeeld voorzien in een verhoging van de ouderenkorting en een geleidelijke inkomensafhankelijke afbouw van de ouderenkorting. Daarnaast zal de AOW stijgen als gevolg van de verhoging van de algemene heffingskorting. Deze wijziging zal worden opgenomen in het wetgevingspakket ter uitvoering van de fiscale maatregelen uit het regeerakkoord dat in 2018 bij uw Kamer zal worden ingediend. Zeker voor de lagere inkomens compenseren deze wijzigingen ruimschoots de effecten van de uitfasering van de regeling Hillen. Verschillende sprekers, met name de vertegenwoordigers van het Register Belastingadviseurs, de ouderenbonden KBO-PCBO en KBO Brabant, Vereniging Eigen Huis en de heer Wiegel, spraken over een onbetrouwbare overheid in verband met de wijzigingen van de (fiscale) behandeling van de eigen woning. Op het vraagstuk van de al dan niet betrouwbare overheid wordt eerder in deze nota, naar aanleiding van een vraag van onder meer de leden van de fractie van de SP, uitgebreid ingegaan.

Tijdens het rondetafelgesprek waren er ook sprekers die zich duidelijk uitspraken voor de gefaseerde afschaffing van de regeling Hillen. De vertegenwoordigers van het CPB, De Nederlandsche Bank (DNB), de heer De Jong en de heer Conijn (Amsterdam School of Real Estate) wezen op het subsidiekarakter van de regeling en het feit dat een dergelijke subsidie verstorend werkt op het functioneren van de woningmarkt. In dat licht werd aangegeven dat de regeling vooral zou bijdragen aan het aflossen van het laatste stuk van de eigenwoningschuld en dat het maar zeer de vraag is of de regeling een aanmoedigende werking op aflossing heeft als de schuld (nog) hoog is. Daarbij werd erop gewezen dat de schuldenproblematiek niet wordt veroorzaakt door bijvoorbeeld de laatste 30% van de (hypotheek)schuld en dat een aanmoediging tot aflossen van dat laatste deel van de schuld niet efficiënt is. Ook werd er door de heer Stevens en de vertegenwoordiger van DNB op gewezen dat de regeling Hillen een generieke regeling is die een voordeel biedt voor alle inkomensgroepen die hun schuld hebben afgelost terwijl deze subsidie voor de hogere inkomens niet nodig is. De heer Stevens, de heer Conijn en de vertegenwoordigers van het CPB en DNB gaven aan dat zij een eindplaatje missen voor de fiscale behandeling van de eigen woning. Daarbij gaan de gedachten uit naar het op termijn plaatsen van de eigen woning in box 3 of het volledig defiscaliseren van de eigen woning. Ik kreeg wel de indruk dat deze sprekers de uitfasering van de regeling Hillen als een logische stap zien.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of er een tabel/overzicht gegeven kan worden van de gebruikers van de regeling Hillen volgens tabel 1 uit de nota naar aanleiding van het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel, gerangschikt naar inkomenscategorie met cohorten van 5000 vanaf het sociaal minimum tot en met de categorie >100.000. Ook de leden van de fractie van Denk vragen naar een inkomensverdeling van deze groep. Tabel 2 geeft een overzicht naar box1-inkomen, met cohorten van 5000 vanaf € 15.000 tot € 100.000.

Tabel 2: Verdeling Hillen-aftrek naar box1-inkomen, belastingjaar 2015

box1-inkomen

N (x 1.000)

% aantal

< 15.000

232

23,7%

15.000–20.000

125

12,7%

20.000–25.000

108

11,1%

25.000–30.000

100

10,2%

30.000–35.000

90

9,2%

35.000–40.000

73

7,5%

40.000–45.000

56

5,7%

45.000–50.000

43

4,4%

50.000–55.000

33

3,4%

55.000–60.000

25

2,6%

60.000–65.000

17

1,8%

65.000–70.000

14

1,4%

70.000–75.000

10

1,1%

75.000–80.000

8

0,8%

80.000–85.000

6

0,7%

85.000–90.000

5

0,5%

90.000–95.000

4

0,4%

95.000–100.000

3

0,3%

> 100.000

24

2,5%

totaal

978

100,0%

De leden van de fractie van D66 vragen of de regering voor de inkomensdecielen kan aangeven wat daarvan het gemiddelde inkomen is, welk marginaal tarief dit inkomensdeciel gaat betalen onder het nieuwe tweeschijvenstelsel en wat in die categorie het genoten voordeel van de regeling Hillen is. Deze gegevens zijn niet beschikbaar omdat het voorziene tweeschijvenstelsel nog niet is ingevoerd. Ook is het niet mogelijk om daarbij aan te geven hoe groot het totale aandeel per inkomensdeciel is in het totale belastingvoordeel door de regeling Hillen, zoals deze leden vragen.

50PLUS 42 José

Tevens vragen de leden van de fractie van 50PLUS naar een tabel/overzicht, conform tabel 2 uit de Nota naar aanleiding van het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel, maar dan uitsluitend op basis van de ongeveer 1 miljoen gebruikers van de regeling Hillen. In de tabel 3 is de oorspronkelijke tabel 2 uit de nota naar aanleiding van het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel aangevuld met de aantallen voor de gebruikers van de regeling Hillen.

Tabel 3: Verdeling WOZ-waarden box1-woningen op basis van eigenwoningforfait

WOZ-waarde (€)

Totaal aantal

x 1.000

Waarvan

Hillen-gevallen

x 1.000

< 100.000

261

38

100.000–200.000

1.760

298

200.000–300.000

1.368

335

300.000–400.000

522

167

400.000–500.000

214

74

500.000–600.000

90

31

600.000–700.000

42

15

700.000–800.000

21

7

800.000–900.000

12

4

900.000–1.050.000

9

3

> 1.050.000

12

5

totaal

4.309

977

De leden van de fractie van DENK vragen of het klopt dat de uitfasering van de regeling Hillen ongeveer 1 miljoen mensen raakt, die zullen worden aangeslagen voor € 1,1 miljard. Zoals eerder vermeld, loopt het budgettaire belang van de regeling Hillen structureel sterk op, vooral door de verplichte aflossingseis. In de nota naar aanleiding van het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel is aangegeven dat in samenwerking met het CPB is berekend dat het budgettair belang van de regeling Hillen door de beleidsmaatregelen structureel circa 44% oploopt. Het aantal mensen zal dus aanzienlijk groter zijn dan 1 miljoen, met gemiddeld een lager bedrag aan Hillen-aftrek dan het door de leden van de fractie van DENK genoemde bedrag van € 1.000.

De leden van de fractie van DENK vragen naar een vermogensverdeling in decielen van de groep die getroffen gaat worden door de uitfasering van de regeling Hillen. Het vermogen van deze groep is niet bekend. Uit de aangiften is alleen het box 3-vermogen bekend, dat wil zeggen het vermogen van belastingplichtigen waarvan het vermogen boven het heffingvrij vermogen uitkomt. Bij ongeveer 63% van de huishoudens die gebruik maken van de Hillen-aftrek is sprake van box 3-vemogen. Voor de totale populatie bedraagt dit percentage ongeveer 25%.

De leden van de fractie van DENK vragen of het klopt dat de uitfasering van de regeling Hillen leidt tot een denivellering op het gebied van inkomen, en nivellering op het gebied van vermogen. Deze leden vragen tevens hoe hoog het effect op de Gini-coëfficiënt voor inkomen en op de Gini-coëfficiënt voor vermogen is. In de notitie van het CPB van 4 oktober 2017 «Analyse economische en budgettaire effecten van de financiële bijlage van het regeerakkoord» geeft het CPB aan dat het geleidelijk afschaffen van de regeling Hillen een licht gini-verhogend effect heeft op de inkomensverdeling. Dit komt doordat ouderen een relatief lager inkomen hebben. Zoals ook is toegelicht in de nota naar aanleiding van het nader verslag bij het wetsvoorstel Belastingplan 201811, zijn over de effecten van beleid op de vermogensverdeling geen berekeningen beschikbaar. Wel hebben de belastingplichtigen die gebruikmaken van de regeling Hillen gemiddeld genomen veel vaker een belastbaar box 3-vermogen dan andere woningeigenaren. Zie het antwoord op de vorige vraag van de leden van de fractie van DENK. In algemene zin kan wel worden gesteld dat als gevolg van het uitfaseren van de regeling Hillen, het voordeel uit eigenwoningbezit meer wordt belast.

De leden van de fractie van DENK vragen of het klopt dat het wetsvoorstel tot uitfasering van de regeling Hillen referendabel is. Deze leden vragen ook of het klopt dat in artikel 5 van de Wet raadgevend referendum belastingwetgeving niet wordt genoemd als een van de onderwerpen die niet in een referendum aan de bevolking voorgelegd kunnen worden. Zoals ook geantwoord in de nota naar aanleiding van het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel kunnen fiscale wetsvoorstellen inderdaad niet tot de begrotingswetten worden gerekend die op grond van artikel 5, onderdeel c, van de Wet raadgevend referendum zijn uitgezonderd. Het onderhavige wetsvoorstel is wel referendabel. Omdat de bekendmaking en inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel echter niet kan wachten op het tijdstip waarop komt vast te staan dat er geen referendum zal worden gehouden of op de uitslag van een eventueel referendum en de daaraan verbonden gevolgen, is een beroep gedaan op artikel 12 van de Wet raadgevend referendum. Daarmee valt het wetsvoorstel tijdelijk buiten het bereik van de algemeen geldende regeling van de inwerkingtreding voor referendabele wetten.

De leden van de fractie van DENK vragen waarom het inbouwen van de uitfasering van de regeling Hillen 15,5 maand doorlooptijd heeft, aangezien dit naar hun mening simpel is en deze leden vragen voorts om in te gaan op de tijdsduur van de implementatie van de systeemwijzigingen. In de nota naar aanleiding van het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel ben ik uitgebreid ingegaan op de doorlooptijd die de Belastingdienst nodig heeft om de uitfasering van de regeling Hillen in de systemen te kunnen verwerken. Ik wil de leden van de fractie van DENK dan ook verwijzen naar pagina 6 en 7 van die nota.

De leden van de fractie van DENK vragen of het kabinet kan garanderen dat de uitfasering (voorzien in 30 jaar) niet op enig moment zal worden versneld. Deze leden wijzen in dit kader op de beperking van het tarief van de aftrekbare kosten eigen woning die oorspronkelijk in 28 jaar zou worden afgebouwd maar als gevolg van het regeerakkoord zal worden afgebouwd in 9 jaar. Dit kabinet zal de termijn van 30 jaar voor de uitfasering van de regeling Hillen niet beperken. De versnelling van de beperking van het tarief van de aftrekbare kosten eigen woning maakt deel uit van het pakket aan maatregelen om de lasten op inkomen te verlagen. Bovendien wordt de opbrengst van de versnelde afbouw van het aftrektarief voor de aftrekbare kosten eigen woning volledig gebruikt om de eigenwoningbezitters te compenseren door een verlaging van het EWF. Het kabinet deelt dan ook niet de mening van deze leden dat de versnelling van deze beperking de geloofwaardigheid van de politiek aantast, juist omdat deze wijziging past in de maatregelen die ertoe bijdragen dat de lasten voor de burger met ten minste € 6 miljard worden verlaagd.

3. Budgettaire aspecten

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de tijdreeksen van de afgelopen tien jaar en de voorspelling van de komende jaren van het budgettaire belang van de regeling Hillen, het totaal aan afgetrokken hypotheekrente en het budgettaire belang. Ook de leden van de fractie van DENK vragen naar het totaal aan aftrekbare hypotheekrente. De hierna opgenomen tabel 4 toont het budgettaire belang van zowel de regeling Hillen en als van de hypotheekrenteaftrek, inclusief de laatst gepubliceerde ramingen van de jaren 2016, 2017 en 2018. Het totaal in 2015 afgetrokken bedrag aan hypotheekrente bedroeg circa € 30 miljard. In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van DENK bedroeg de totale belastbare WOZ-waarde in 2015 € 1.029 miljard, gemiddeld ongeveer € 239.000.

Tabel 4: Budgettair belang regeling en hypotheekrenteaftrek

Jaar

Budgettair belang regeling Hillen

€ x mln

Budgettair belang hypotheekrenteaftrek, € x mln

2005

284

11.399

2006

288

11.840

2007

287

12.075

2008

315

12.406

2009

345

12.751

2010

377

13.427

2011

360

13.854

2012

398

13.920

2013

412

13.818

20141

513

13.492

20151

556

12.989

20162

585

11.944

20172

631

10.648

20182

649

10.121

X Noot
1

Diverse aangiften nog niet definitief

X Noot
2

Raming

De leden van de fractie van 50 PLUS hebben nog een aantal vragen gesteld over de relatie tussen een stijging van de WOZ-waarden en de gevolgen daarvan op het budgettaire belang van het uitfaseren van de regeling Hillen. In de nota naar aanleiding van het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel is op pagina 12 de systematiek voor de jaarlijkse indexatie van het EWF-percentage uiteengezet. Daaruit kan worden geconcludeerd dat hogere WOZ-waarden automatisch leiden tot lagere EWF-percentages. Dat brengt met zich mee dat voor een structurele doorrekening van het budgettaire belang van de regeling Hillen de ontwikkeling van de WOZ-mutatie niet of slechts beperkt van belang is. Ter informatie wordt nog opgemerkt dat op basis van de middellangetermijnverkenning van het CPB WOZ-waardestijgingen worden verwacht van ongeveer 5% per jaar. Zie daarvoor de hierna opgenomen tabel 5.

Tabel 5: verwachte stijging WOZ-waarde

Jaar

2017

2018

2019

2020

2021

WOZ-waarde

3,3%

5,9%

7,1%

6,3%

4,8%

Er is al rekening gehouden met de aanpassing van het EWF-percentage hierop. Het EWF-percentage zou – zonder het beleid uit het regeerakkoord – al dalen van 0,75% in 2017 naar 0,65% in 2021.

De leden van de fractie van DENK vragen hoe de berekening kan kloppen die ertoe leidt dat de versnelde verlaging van het aftrekpercentage van de hypotheekrente in 2021 ongeveer eenzelfde budgettair effect heeft als de verlaging van het EWF-percentage. De grondslag van het EWF is de WOZ-waarde van de woning. De grondslag waarop het (verlaagde) aftrekpercentage voor aftrekbare kosten eigen woning van toepassing is, is de rente op de eigenwoningschuld. En dus niet de hypotheekschuld zelf, waar de leden van de fractie van DENK in hun vergelijking van uit lijken te gaan.

De leden van de fractie van DENK vragen naar de verlaging van het belastingtarief in de 2e en 3e schijf naar 36,95% en 49,5%, en in hoeverre hier sprake is van nieuw beleid. Inderdaad zouden, als gevolg van eerdere maatregelen op de woningmarkt, de tarieven in de inkomstenbelasting tot 2042 geleidelijk worden verlaagd. Het nieuwe kabinet zorgt dus voor een veel snellere daling van de tarieven dan anders het geval zou zijn geweest.

De leden van de fractie van DENK vragen naar de lastenverlichting in 2018–2021 met € 6,5 miljard, en hoe deze zich verhoudt tot een lastenverzwaring van € 3,4 miljard. Zoals de Minister van Financiën in zijn brief van 9 november 2017 naar aanleiding van de Algemene Financiële Beschouwingen heeft aangegeven, leiden de maatregelen in het regeerakkoord, zoals geboekt onder het inkomstenkader, tot een lastenverlichting van € 6,5 miljard. Tegelijkertijd leiden reeds getroffen maatregelen uit het basispad tot € 9 miljard hogere lasten, onder meer door een verdere groei van de zorgkosten. Uiteindelijk leidt dat tot een lastenverzwaring van € 3,4 miljard in 2021. Het regeerakkoord zorgt dus voor een forse lastenverlichting ten opzichte van het basispad.

De leden van de fractie van DENK vragen of het kabinet-Rutte III staatsrechtelijk geheel verantwoordelijk is voor de doorwerking van maatregelen van het vorige kabinet, alsmede voor het laten doorstijgen van de zorgkosten. Het staatsrechtelijke leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid brengt met zich mee dat een Minister ook kan worden aangesproken op het handelen of nalaten van zijn ambtsvoorganger(s).

4. Uitvoeringskosten Belastingdienst

De leden van de fractie van het CDA vragen of de administratie van de Belastingdienst goed genoeg is om alle regels van de hypotheekrenteaftrek bij belastingplichtigen te controleren. Ook vragen deze leden een brief over de uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid van alle onderdelen van de fiscale behandeling van de eigen woning en aanvullende mogelijkheden tot vereenvoudiging voor zowel de Belastingdienst als de burger. Net als mijn ambtsvoorganger ben ik van mening dat, zoals eerder aangegeven in de lijst met complex uitvoerbare regelingen12, de eigenwoningregeling een complexe regeling is voor zowel de burger als voor de Belastingdienst. De Belastingdienst beschikt over gegevens met betrekking tot de eigen woning zoals de WOZ-waarde, eigenwoningrente en de eigenwoningschuld. Deze gegevens worden voor de belastingplichtige vooringevuld in zijn aangifte. Belastingplichtigen moeten deze gegevens vervolgens controleren en aanvullen indien hier onjuistheden in staan of indien deze gegevens ten onrechte niet (volledig) zijn ingevuld. In de aangifte wordt nog aanvullende informatie uitgevraagd over life-events, zoals verhuizingen en einde samenwonen. De Belastingdienst houdt met behulp van bovenstaande gegevens risicogericht toezicht op de eigenwoningregeling binnen de beschikbare capaciteit. Indien dit voor het toezicht nodig is, wordt individueel contact gezocht met de belastingplichtige. Het is dan aan de belastingplichtige om zelf aannemelijk te maken bij de Belastingdienst dat hij zijn kosten voor de eigen woning mag aftrekken. Gezien de complexiteit van de eigenwoningregeling, en de vele wijzigingen die (gedurende 30 jaar) kunnen plaatsvinden, is het te houden toezicht op de eigenwoningregeling echter complex en arbeidsintensief. In 2020 vindt een evaluatie van de eigenwoningregeling plaats, met inbegrip van de regeling Hillen,. In deze evaluatie zal ook de uitvoerbaarheid voor de Belastingdienst aan bod komen. Voor het antwoord op de vraag naar vereenvoudigingsmogelijkheden wordt ook verwezen naar het antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de VVD op pagina 4 van de nota naar aanleiding van het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel.

5. Overig

De leden van de fractie van GroenLinks vragen in hoeverre de coalitiepartijen de uitfasering van de regeling Hillen in hun verkiezingsprogramma hadden staan. Van de vier coalitiepartijen had D66 in haar verkiezingsprogramma de uitfasering van de regeling Hillen in twintig jaar opgenomen.13 Overigens hadden ook de PvdA en de SP de uitfasering van de regeling Hillen in hun verkiezingsprogramma opgenomen, met respectievelijk een afschaffing in tien jaar en een volledige afschaffing met ingang van 2019.

De leden van de fractie SP hebben tijdens de eerder genoemde hoorzitting gevraagd om de koopkrachteffecten van het volledig afschaffen van de regeling Hillen. In het regeerakkoord wordt de regeling Hillen vanaf 2019 geleidelijk uitgefaseerd in 30 jaar. Woningeigenaren betalen dan in 2021 over 1/10 van hun EWF belasting. Bij volledige afschaffing betalen zij over hun volledige EWF belasting. In tabel 6 is de frequentietabel gegeven van het regeerakkoord. Onderdeel hiervan is dat de regeling Hillen geleidelijk wordt uitgefaseerd. In tabel 7 is de geleidelijke uitfasering gewijzigd in volledige afschaffing van de regeling Hillen per 2021.

Doordat de groep huishoudens die te maken heeft met de regeling Hillen relatief beperkt is, is er geen effect van het volledig afschaffen van de regeling Hillen op de mediaan per groep. Wel zijn er bij het volledig afschaffen van de regeling Hillen meer huishoudens met een negatieve gemiddelde jaarlijkse koopkracht. Het aandeel huishoudens met een koopkrachtmutatie tussen -2% en 0% stijgt over alle huishoudens van 5% naar 7%, over werkenden van 1% naar 2% en over gepensioneerden van 12% naar 15%. Het aandeel huishoudens dat er meer dan 2% op achteruitgaat blijft echter 0%. De koopkracht verslechtert dus voor een beperkte groep indien de regeling Hillen niet geleidelijk maar volledig zou worden afgeschaft per 2021, maar de negatieve koopkrachtmutatie blijft beperkt.

Tabel 6 Frequentietabel regeerakkoord, cumulatieve koopkracht per jaar, 2018–2021
 

<-5%

-5 tot -2%

-2 tot 0%

0 tot 2%

2 tot 5%

>5%

Totaal

Mediaan

Aantal (x1.000)

Inkomenshoogte

                 

<=175% wml

0%

0%

6%

86%

6%

0%

100%

0,8%

2.730

175–350% wml

0%

0%

6%

79%

15%

0%

100%

1,3%

2.690

350–500% wml

0%

0%

4%

86%

10%

0%

100%

1,4%

1.050

>500% wml

0%

0%

4%

79%

17%

1%

100%

1,4%

770

                   

Inkomensbron

                 

Werkenden

0%

0%

1%

83%

15%

0%

100%

1,4%

4.560

Uitkeringsontvangers

0%

0%

9%

85%

5%

0%

100%

0,6%

650

Gepensioneerden

0%

0%

12%

83%

4%

1%

100%

0,7%

1.860

                   

Kinderen

                 

met kinderen

0%

0%

3%

78%

18%

0%

100%

1,5%

1.800

zonder kinderen

0%

0%

3%

85%

11%

0%

100%

1,3%

3.570

                   

Alle huishoudens

0%

0%

5%

83%

11%

0%

100%

1,1%

7.230

Tabel 7 Frequentietabel Regeerakkoord bij afschaffen regeling Hillen in een keer, cumulatieve koopkracht per jaar, 2018–2021
 

<-5%

-5 tot -2%

-2 tot 0%

0 tot 2%

2 tot 5%

>5%

Totaal

Mediaan

Aantal (x1.000)

Inkomenshoogte

                 

<=175% wml

0%

0%

8%

86%

6%

0%

100%

0,8%

2.730

175–350% wml

0%

0%

7%

78%

15%

0%

100%

1,3%

2.690

350–500% wml

0%

0%

4%

86%

10%

0%

100%

1,4%

1.050

>500% wml

0%

0%

4%

79%

16%

1%

100%

1,4%

770

                   

Inkomensbron

                 

Werkenden

0%

0%

2%

83%

15%

0%

100%

1,4%

4.560

Uitkeringsontvangers

0%

0%

9%

85%

5%

0%

100%

0,6%

650

Gepensioneerden

0%

0%

15%

80%

4%

1%

100%

0,7%

1.860

                   

Kinderen

                 

met kinderen

0%

0%

4%

79%

17%

0%

100%

1,5%

1.800

zonder kinderen

0%

0%

4%

85%

11%

0%

100%

1,2%

3.570

                   

Alle huishoudens

0%

0%

7%

82%

11%

0%

100%

1,1%

7.230

De leden van de fractie van de PVV vragen te verklaren dat er in 2018 € 458 miljoen is gemoeid met de aanpassingen van box 3, terwijl het in 2019 € 261 miljoen is, in 2020 € 159 miljoen en in 2021 slechts € 26 miljoen betreft. Zoals in de nota naar aanleiding van het nader verslag bij het wetsvoorstel Belastingplan 201814 en in de ramingstoelichting bij de nota van wijziging15 is aangegeven, is de raming gebaseerd op de raming van het renteverloop volgens de prognose van het Centraal Planbureau (CPB). De basis van de raming wordt gevormd door de integrale aangiften inkomstenbelasting voor het jaar 2014. Deze aangiften lagen tevens ten grondslag aan de raming in het «Keuzedocument box 3»16. Het gaat om het meest recente bestand waarin vrijwel 100% van de aangiften beschikbaar is. Voor de raming is verondersteld dat het box 3-vermogen tot en met 2017 niet is gewijzigd. De daaruit volgende reeks voor de maatregel is opgenomen in de budgettaire tabel bij het regeerakkoord (prijzen 2017). Voor de nota van wijziging (prijzen 2018) is de reeks geactualiseerd aan het verwachte prijspeil 2018. In 2021 is de hogere opbrengst van het hanteren van een gemiddelde spaarrente van juli

t-2 tot en met juni t-1, hoger dan de derving als gevolg van de verhoging van het heffingvrije vermogen. Per saldo resteert er voor de belastinginkomsten in 2021 een opbrengst van € 35 miljoen. De doorwerking op toeslagen bedraagt € 29 miljoen.

De Staatssecretaris van Financiën, M. Snel


X Noot
2

Kamerstukken II 2017/18, 34 819, nr. 3.

X Noot
3

Kamerstukken II 2017/18, 34 819, nr. 6.

X Noot
4

Kamerstukken II 2001/02, 28 056, nrs. 1–3.

X Noot
5

Kamerstukken II 2001/02, 28 375, nr. 5.

X Noot
6

Kamerstukken II 2003/04, 29 209, nrs. 1–3.

X Noot
7

Kamerstukken II 2016/17, 32 140, nr. 32.

X Noot
8

Kamerstukken II 2003/04, 29 209, nr. 7, blz. 3.

X Noot
9

Bijlage bij Kamerstukken II 2016/17, 31 066, nr. 352.

X Noot
10

Kamerstukken II 2017/18, 34 785, nr. 8.

X Noot
11

Kamerstukken II 2017/18, 34 785, nr. 18.

X Noot
12

Bijlage bij Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 5.

X Noot
13

Zie hiervoor ook Keuzes in Kaart 2018–2021.

X Noot
14

Kamerstukken II 2017/18, 34 785, nr. 18.

X Noot
15

Bijlage bij Kamerstukken II 2017/18, 34 785, nr. 8.

X Noot
16

Bijlage bij Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 83.

Naar boven