Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201834675 nr. 7

34 675 Wijziging van de Wet milieubeheer (verwijdering asbest en asbesthoudende producten)

Nr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 1 juni 2018

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag dat de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat over het wetsvoorstel heeft uitgebracht. Ik dank de onderscheidene fracties voor de aandacht die zij aan het wetsvoorstel hebben besteed. In het navolgende ga ik in op de vragen die in dit verslag zijn gesteld, waarbij ik zoveel mogelijk de indeling van het verslag aanhoud. Maar voorafgaand daaraan sta ik stil bij de aanleiding en het proces dat uiteindelijk heeft geleid tot het voorliggende wetsvoorstel.

Bronbeleid

In Nederland wordt sinds de jaren zeventig actief bronbeleid gevoerd om de gevaren van asbest voor mens en leefomgeving te beperken. In 1978 is begonnen met het uitfaseren van het gebruik van asbest in remvoeringen. Daarna was het bronbeleid gericht op het saneren van asbestwegen en op het stimuleren van het vrijwillig verwijderen van asbestdaken.

In 2010 heeft de Gezondheidsraad het advies Asbest: Risico’s van milieu en beroepsmatige blootstelling 1 uitgebracht waaruit bleek dat asbest gevaarlijker was dan tot dan toe werd aangenomen. Naar aanleiding van dit advies is er vervolgens in overleg met uw Kamer2 voor gekozen om het reeds ingezette bronbeleid te versterken, teneinde de concentratie van asbestvezels in de leefomgeving verder te beperken. In vervolg op het advies van de Gezondheidsraad hebben TNO en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu3 (RIVM) onderzoek gedaan naar de praktische consequenties van het advies van de Gezondheidsraad. Uit dat onderzoek bleek dat asbestdaken (na asbestwegen) de grootste bron van vezelemissie naar de leefomgeving zijn. De emissie van vezels treedt op als het asbestdak door weersinvloeden verweert. Uit onderzoeken van TNO4 blijkt dat verwering van asbestdaken al optreedt bij asbestdaken van 15 tot 20 jaar oud. Een andere belangrijke aanleiding voor het verbod zijn de incidenten met asbestdaken. Bij een brand komen asbestvezels vrij die ook neerkomen buiten het terrein van de eigenaar van het betreffende gebouw, waardoor decentrale overheden en onschuldige omwonenden met kosten en risico’s worden geconfronteerd.

Asbestdakenverbod

In 2011 is in overleg met uw Kamer5 besloten om een asbestdakenverbod vanaf 2024 te beoordelen op haalbaarheid met een maatschappelijke kosten baten analyse (hierna: MKBA). Tegelijkertijd is begonnen met het financieel stimuleren van het verwijderen van asbestdaken in de agrarische sector door middel van een Green Deal6 en fiscale maatregelen. In 2013 is in goed overleg met de agrarische sector de subsidieregeling «Asbest eraf, zon erop» gestart. In 2012 heeft mijn ambtsvoorganger u de MKBA7 gestuurd. In deze MKBA zijn drie alternatieve ingangsdata voor een asbestdakenverbod onderzocht: 2020, 2024 en 2028. Op basis van het advies van de Gezondheidsraad, de MKBA en het overleg met uw Kamer heeft het kabinet8 de keuze gemaakt voor een asbestdakenverbod vanaf 2024. In 2024 zijn alle asbestdaken tenminste 30 jaar oud; de meeste zijn veel ouder. Deze ingangsdatum zorgt voor een versnelling van de verwijdering van asbestdaken tegen aanvaardbare kosten, en voor de noodzakelijke duidelijkheid voor eigenaren en bevoegd gezag. In 2015 heeft u een ontwerpbesluit toegestuurd gekregen, waarin het asbestdakenverbod per 2024 werd vastgelegd. Na een Schriftelijk Overleg heeft uw Kamer het ontwerpbesluit en de antwoorden op vragen over het ontwerpbesluit voor kennisgeving aangenomen.9 Bij de beantwoording van de vragen over het ontwerpbesluit heeft u ook de geactualiseerde MKBA toegestuurd gekregen10 waaruit blijkt dat de totale kosten voor het asbestdakenverbod in 2024 € 882 mln bedragen ten opzichte van autonome sanering.

Daarna is het ontwerpbesluit voorgelegd aan de Raad van State voor advies. Op basis van het advies van de Raad van State11 is besloten om de wettelijke grondslag voor het asbestdakenverbod te verduidelijken, voordat het ontwerpbesluit definitief wordt vastgesteld. De wettelijke grondslag is opgenomen in dit wetsvoorstel.

Woningwet

Volgens artikel 1a van de Woningwet is de eigenaar van een bouwwerk verplicht om een woning zodanig te onderhouden dat deze geen gevaar voor de gezondheid oplevert. Er is sprake van een gevaar voor de gezondheid als een dak door verwering zodanige concentraties asbestvezels afgeeft aan de leefomgeving dat gezondheidsrisico’s kunnen optreden. Zoals hierboven staat beschreven, zijn alle asbestdaken in 2024 tenminste 30 jaar oud en komen van die daken vezels vrij in de leefomgeving. Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente is bevoegd om artikel 1a van de Woningwet te handhaven. Per gebouw vaststellen dat een asbestdak een risico vormt, is niet uitvoerbaar in de praktijk en stelt bevoegd gezag voor hoge kosten. Een dergelijke aanpak kent bovendien een risico van willekeur, omdat in verschillende gemeentes op een verschillende manier invulling kan worden gegeven aan de verplichting van artikel 1a van de Woningwet. Het vaststellen van een eenduidige en op onderzoek gebaseerde datum waarop alle asbestdaken verwijderd moeten zijn, geeft de gewenste duidelijkheid aan eigenaren en bevoegd gezag en zorgt voor gelijke voorwaarden binnen Nederland voor eigenaren van asbestdaken.

No regret maatregel

Uit deze totstandkomingsgeschiedenis en de door u gestelde vragen leid ik af dat er in beginsel nog steeds steun bestaat voor een verbod op asbestdaken. De vragen hebben vooral betrekking op de fasering van het verbod en de ondersteuning die de overheid biedt aan eigenaren van asbestdaken. Hierbij vind ik het van belang om op te merken dat met dit wetsvoorstel op zichzelf het asbestdakenverbod nog geen feit is. De voorliggende wijziging van de Wet milieubeheer biedt slechts de grondslag voor een dergelijk verbod. Daarnaast biedt het wetsvoorstel een grondslag om ook andere asbesthoudende producten te verbieden (bijvoorbeeld gevelpanelen) en om een verwijderingsplicht op te kunnen leggen voor gedumpt asbestafval. Gelet op het maatschappelijk probleem dat asbest nog steeds vormt voor de samenleving zie ik het voorliggende wetsvoorstel dan ook als een «no regret» maatregel. Er worden met deze grondslag geen concrete verplichtingen opgelegd, maar juridische mogelijkheden gecreëerd.

Zoals hierboven aangegeven, is de algemene maatregel van bestuur (amvb) om het asbestdakenverbod te effectueren reeds met uw Kamer besproken. Hoewel voorhang van het ontwerpbesluit formeel niet meer vereist is, zal ik het ontwerpbesluit opnieuw aan uw Kamer toezenden. Ik zal in het ontwerpbesluit rekening houden met de in dit verslag opgenomen, door uw Kamer geuite zorgen met betrekking tot de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van het verbod.

Algemeen

De leden van de VVD-fractie lezen dat wanneer het verbod op 1 januari 2024 wettelijk verankerd wordt, dit betekent dat de komende zes jaar ongeveer 95 miljoen vierkante meter aan asbestdaken in de agrarische sector vervangen moet worden. Deze leden vragen hoe dit praktisch haalbaar is.

In 2012 was er nog ca. 120 mln vierkante meter asbestdak in Nederland aanwezig. Tot 2012 was de saneringssnelheid bij benadering 4,5 mln vierkante meter per jaar. Vanaf 2015, na de aankondiging van het asbestdakenverbod vanaf 2024, is een versnelling zichtbaar. In de onderstaande tabel staat weergegeven hoeveel vierkante meter asbestdak is verwijderd sinds 2014.

Asbestdaken

(in *mln m2)

Totaal

2014

6

2015

7

2016

10

2017

11

Er resteert nu dus nog 80–90 mln vierkante meter asbestdak. In mijn brief van 21 december 201712 staat welke initiatieven zijn ontplooid om het saneren van asbestdaken verder te versnellen. In 2017 is 11 mln vierkante meter asbestdak gesaneerd. Als het tempo van saneren van 2017 wordt vastgehouden, zijn alle asbestdaken omstreeks 2026 gesaneerd. Met de aankondiging van een verbod, de subsidieregeling en de programmatische aanpak is reeds een forse versnelling gerealiseerd. Ik zie nog mogelijkheden om de reeds ingezette versnelling verder op te voeren. Bij de programmatische aanpak zijn inmiddels veel partijen betrokken, waaronder decentrale overheden, brancheorganisaties (bijvoorbeeld Bouwend Nederland) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Onder leiding van het programmabureau (opgezet door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) ontplooien deze partijen verschillende initiatieven, waaronder het geven van voorbeelden voor het vormen van collectieven en renteloze leningen. Gezien deze initiatieven en de reeds ingezette versnelling acht ik een asbestdakenverbod vanaf 2024, op grond van de huidige stand van zaken, haalbaar. De amvb met de ingangsdatum van het verbod zal ik aan uw Kamer voorleggen.

De leden van de CDA-fractie vragen of er alternatieven zijn voor een asbestdakenverbod en of hiervoor internationaal voorbeelden zijn.

In de MKBA asbesthoudende (golfplaten) daken en gevelpanelen (2012) zijn vier alternatieven onderzocht: het nul-alternatief (geen verbod, autonome vervanging asbestdaken en gevelpanelen) en een asbestdakenverbod in 2020, in 2024 dan wel in 2028. Van de autonome vervanging van asbestdaken werd destijds gesteld dat dit uiteindelijk pas in 2044 leidt tot een totale vervanging van alle asbestdaken. Het versneld saneren van asbestdaken brengt extra kosten met zich mee, waarbij de hoogte afhankelijk is van de ingangsdatum van het verbod. De kosten zijn het hoogste bij een verbod ingaande in 2020, lager bij een verbod dat ingaat in 2024 en het laagste bij een verbod ingaande in 2028. Daartegenover staan vermeden kosten, zoals bijvoorbeeld bij calamiteiten (zoals een asbestbrand) en vermeden gezondheidskosten voor de samenleving. Deze vermeden kosten zijn bij een verbod dat ingaat in 2020 hoger (positiever, vanwege mindere kosten bij calamiteiten en mindere gezondheidskosten) dan bij een verbod dat ingaat in 2028.

Er zijn op dit ogenblik geen Europese landen die een asbestdakenverbod hebben. Wel zijn er, net als in Nederland, ontwikkelingen. Zo ontwikkelt Polen initiatieven voor actieve asbestverwijdering. In België werkt het Vlaamse gewest aan plannen om Vlaanderen in 2040 asbestveilig te krijgen, met behulp van versneld asbestafbouwbeleid.

De leden van de CDA-fractie vragen of de voortgang van de sanering van asbestdaken afwijkt van het overzicht in de begroting voor 2018.

In de begroting is ervan uitgegaan dat in 2012 nog 120 mln vierkante meter gesaneerd moest worden. Tot en met 2012 werd er jaarlijks circa 4,5 mln vierkante meter gesaneerd. Vanaf 2014 is op basis van de startmeldingen die gedaan worden door saneerders bij de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW) bijgehouden hoeveel vierkante meter asbestdak is gesaneerd. Ik verwijs ook naar de tabel bij de beantwoording van vragen van de leden van de VVD-fractie hierboven. Ten behoeve van de begroting voor 2018 is een inschatting gemaakt van hoeveel mln vierkante meter gesaneerd zou kunnen worden in 2017 en 2018. Dit staat ook zo vermeld in de begroting. In 2017 is in totaal 11 mln vierkante meter gesaneerd. Nu resteert er nog 80–90 mln vierkante meter.

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat er ten behoeve van een verbod per 1 januari 2024 een adequaat asbestsaneringsprogramma en een adequate subsidieregeling moeten zijn en dat er voldoende bewustzijn moet zijn over de gevaren van asbestdaken. Zij stellen dat er nog onvoldoende terecht is gekomen van de programmatische aanpak asbestdaken.

Bij mijn brief van 21 december zat een overzicht van acties die ondernomen worden in het kader van de programmatische aanpak. In de brief die de asbestambassadeurs op 6 december aan uw Kamer stuurden, staat dat de ambassadeurs vinden dat de aanpak reeds veel bereikt heeft. Het tempo van saneren van asbestdaken is ook toegenomen, zoals blijkt uit de tabel bij antwoorden op vragen van de VVD-fractie. De huidige subsidieregeling verwijderen asbestdaken is bedoeld om het saneren van asbestdaken snel op gang te brengen. Aanvankelijk was voor 2018 € 11,3 mln beschikbaar. Op 3 april jl. heb ik het subsidieplafond verhoogd tot € 17,5 mln om zo een verdere versnelling te genereren13. Op dit moment wordt in het kader van de programmatische aanpak bovendien bezien welke aanvullende financiële regelingen mogelijk zijn. Te voorzien is dat de in totaal voor deze subsidieregeling beschikbaar te stellen € 75 mln in de loop van 2019 uitgeput zal raken. Het is belangrijk dat andere financieringsmechanismen daar dan voor in de plaats treden. Binnen de programmatische aanpak werken decentrale overheden en marktpartijen samen aan pilots voor collectieve sanering, worden initiatieven uit de markt gedeeld en worden gemeenten ondersteund bij de ontwikkeling van hun rol. Ook is samen met betrokkenen en de Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse Gemeenten (SVN) geïnventariseerd wat mogelijke aanvullende financieringsopties zijn. Hierbij wordt nadrukkelijk ook gekeken naar de koppeling met bijvoorbeeld verduurzaming en vrijkomende agrarische bebouwing. Organisaties als Milieu Centraal, maar ook provincies, gemeenten en de VNG dragen allemaal dezelfde kernboodschap uit om het bewustzijn van de gevaren van asbestdaken onder de aandacht te brengen. Verzekeraars en makelaars zijn inmiddels betrokken en ook zij doen veel aan voorlichting.

De leden van de CDA-fractie vragen welke voortgang er geboekt is met de vereenvoudiging van de asbestsaneringsregels en of er voldoende samenwerking is tussen de betrokken ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Voorts vragen zij welke voortgang is er bij de uitvoering van de motie Von Martels/Remco Dijkstra, de motie Bisschop c.s. en de motie Laçin14 en hoe aan deze moties navolging zal worden gegeven.

De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werken nauw samen, ieder vanuit hun eigen verantwoordelijkheid. De motie Von Martels/Remco Dijkstra verzoekt de regering met de asbestsaneringssector in gesprek te gaan om te bekijken hoe in het werkplan en de bijbehorende werkmethoden binnensanering van asbest eenvoudiger meegenomen kan worden onder het buitensaneringsregime. De motie Bisschop c.s. vraagt het mogelijk te maken dat hijskranen met open werkbakken ingezet kunnen worden bij het saneren van grote en moeilijk bereikbare dakoppervlakten. Deze moties zien op het beleidsterrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft tijdens de begrotingsbehandeling15 aangegeven hoe wordt omgegaan met de moties Von Martels/Remco Dijkstra16 en Bisschop c.s.17 Naar aanleiding van de motie Bisschop c.s. zal er in overleg met de sector door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een voorstel worden gemaakt om onderzoek te doen naar de problematiek. De verwachting is dat uw Kamer in de eerste helft van 2018 over de uitkomsten hiervan zal worden geïnformeerd. Daarnaast wordt op basis van overleg met de sector een aanpassing van het certificatieschema voorbereid met als doel te expliciteren dat bij de sanering van een asbestdak het direct daaronder gelegen hechtgebonden asbest eenvoudiger kan worden meegenomen in één saneringsproject. In mijn brief van 19 december 201718 heb ik aangegeven hoe invulling is gegeven aan de motie Laçin.19

De leden van de CDA-fractie vragen in dit kader hoe de regering gevolg geeft aan de aandachtspunten van de ambassadeurs Versnellingsaanpak Asbestdakensanering.

De brief van de ambassadeurs van 6 december 2017 begint met een oproep om nu duidelijkheid te bieden over de inwerkingtreding van een asbestdakenverbod. Op basis van dit wetsvoorstel kan ik een ontwerp amvb, met daarin een verwijderingsplicht voor asbestdaken, aan uw Kamer voorleggen. Daarmee kan ik de gewenste duidelijkheid bieden.

Daarnaast geven de ambassadeurs aan een landelijke communicatiecampagne van belang te vinden. Net als de ambassadeurs hecht ik aan gedegen communicatie over de risico’s van asbest en over het aankomende asbestdakenverbod. Vorig jaar heeft het programmabureau versnelling asbestdaken een communicatietoolkit ontwikkeld. Ik zal in overleg met de ambassadeurs bezien hoe deze toolkit aangevuld en beter verspreid kan worden zodat deze zoveel mogelijk aansluit bij de wens van de ambassadeurs.

Over de aandacht die de ambassadeurs vragen voor een nationaal fonds merk ik op dat verschillende decentrale overheden inmiddels een financieel stimuleringsfonds ten behoeve van het saneren van asbestdaken hebben. Op basis van de opgedane ervaringen heeft het programmabureau een handreiking opgesteld met best practices voor financiële fondsen. Ik wil onderzoeken hoe deze regionale fondsen landelijk ondersteund kunnen worden, waarbij de mogelijkheid blijft bestaan om regionale beleidsprioriteiten te ondersteunen. Ik zal in het samenwerkingsverband onderzoeken waar de decentrale overheden behoefte aan hebben.

Vervolgens vragen de ambassadeurs aandacht voor de koppelingen aan andere initiatieven en het oppakken van knelpunten in beleid en regelgeving. Ik onderzoek samen met andere ministeries de mogelijkheden om het saneren van asbestdaken te koppelen aan andere landelijke programma’s, bijvoorbeeld de warme sanering van de varkenssector. Daarnaast start TNO in overleg met verschillende betrokkenen dit jaar met een onderzoek naar de blootstellingsrisico’s bij het saneren van asbestdaken. Op basis van de risico’s kan vervolgens worden vastgesteld wat verantwoorde werkmethodes zijn en welke innovaties en vereenvoudigingen mogelijk zijn. Met deze initiatieven geef ik invulling aan dit verzoek van de ambassadeurs.

Over de aandacht die de ambassadeurs vragen voor de handhaving vanaf 2024, kan ik aangeven dat gemeenten en provincies tot taak krijgen om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het asbestdakenverbod voor bouwwerken. Deze taaktoedeling vloeit logisch voort uit de gemeentelijke taak tot handhaving van de regels voor sloopwerkzaamheden op grond van de Woningwet en het Bouwbesluit 2012. De handhavingslasten voor gemeenten en provincies als gevolg van het asbestdakenverbod zullen naar verwachting laag blijven, aangezien wordt ingezet op het verwijderen van alle asbestdaken vóór de beoogde ingangsdatum. In de brief van 3 maart 201520 staat beschreven hoe toezicht en handhaving verder zijn vormgegeven. Vanwege de sterke samenhang van de regels in het Asbestverwijderingsbesluit met de sloopregels in het Bouwbesluit 2012 is het in verband met een efficiënte en gecoördineerde handhaving van belang om de bestuursrechtelijke handhaving in één hand te hebben, in dit geval bij de gemeente als bevoegd gezag. Asbestverwijdering, op- en overslag van asbest en asbesthoudende producten en ketenhandhaving zitten in het zogenaamde basistakenpakket, waardoor dit aan een Omgevingsdienst moet worden opgedragen. Het is aan de gemeenten om te bepalen of zij de handhaving van het verbod ook laten uitvoeren door Omgevingsdiensten.

Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie of er voldoende bewustzijn is van de risico’s van asbest en dan met name bij asbestdaken zonder dakgoten en of hieraan extra aandacht kan worden besteed. Naar aanleiding van de motie Smaling21 is het instrument «advies op maat» uitgebreid met advies over asbesttoepassingen in en rondom de eigen woning. Daarnaast worden er nieuwe filmpjes voorzien waarin ook aandacht zal worden besteed aan asbestdaken zonder dakgoten.

De leden van de CDA-fractie vragen wat de overwegingen waren om het asbestdakenverbod per 2024 en niet per 2028 in te voeren.

In 2012 heeft mijn ambtsvoorganger u de MKBA gestuurd. In deze MKBA zijn drie ingangsdata onderzocht voor een asbestdakenverbod, te weten 2020, 2024 en 2028. Op basis van het advies van de Gezondheidsraad, de MKBA en het overleg met uw Kamer heeft het kabinet de keuze gemaakt voor een asbestdakenverbod vanaf 2024. In 2024 zijn asbestdaken tenminste 30 jaar oud; de meeste zijn zelfs veel ouder. De gezondheidsrisico’s en de kosten voor verwijdering nemen toe naarmate de asbestdaken ouder worden. Het in 2028 invoeren van het verbod in plaats van 2024 betekent ook dat er vier jaar langer een kans bestaat op incidenten met asbestdaken. Op dit moment worden er veel initiatieven ontplooid, zoals een opleidingscentrum in Limburg en een regionaal fonds in de provincie Drenthe. Het uitstellen van het asbestdakenverbod zou een verkeerd signaal geven aan de betrokken partijen in het samenwerkingsverband, zie ook mijn antwoord op de eerste vragen van de leden van de VVD-fractie onder het kopje «Algemeen». Wanneer het tempo van saneren hetzelfde blijft als in 2017, waarin 11 mln vierkante meter is gesaneerd, zijn alle asbestdaken omstreeks 2026 gesaneerd. Zelfs als er geen verdere versnelling plaatsvindt, is uitstel naar 2028 derhalve niet nodig. Ik verwacht echter dat er de komende jaren nog een verdere versnelling mogelijk is en dat de beoogde datum, op grond van de huidige stand van zaken, haalbaar is. Met uw Kamer is afgesproken dat u regelmatig geïnformeerd wordt over de voortgang van de sanering van de asbestdaken22.

De leden van de GroenLinks-fractie dringen aan op een zo spoedig mogelijke uitfasering van asbest en asbesthoudende producten.

Het voorliggende wetsvoorstel bevat de wettelijke grondslag die nodig is om een verwijderingsplicht voor asbestdaken vanaf de beoogde einddatum te kunnen opleggen. Ik zal de amvb met daarin de verwijderingsplicht zo snel mogelijk na de behandeling van dit wetsvoorstel opnieuw aan uw Kamer voorleggen.

Achtergrond

De leden van de VVD-fractie vragen hoe blootstelling aan asbest gedefinieerd wordt. Zij vragen of de aanwezigheid van een asbestdak als blootstelling geldt of dat dit alleen geldt als men heeft gewerkt aan de productie en installatie van asbestdaken.

De Gezondheidsraad onderscheidt in het rapport van 2010 blootstelling in de werkomgeving en blootstelling in de leefomgeving door onder andere verbouwingen en de aanwezigheid van asbest in het milieu. TNO concludeert vervolgens dat asbestemissies nu vooral afkomstig zijn vanuit verweerde asbestcementproducten en door incidenten in of met gebouwen die asbest bevatten.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe andere Europese landen hun samenleving asbestvrij maken en op welke termijn.

In de ons omringende landen is de asbestproblematiek niet zondermeer vergelijkbaar met die in Nederland vanwege de vele toepassingen van asbest in Nederland in het verleden. Sinds 1 juli 1993 is er een Europees verbod op de productie en het gebruik van asbest en gelden Europese richtlijnen en verordeningen voor het omgaan met asbest(toepassingen). Voor alle Europese landen geldt de zorgplicht om werknemers te beschermen tegen risico’s van blootstelling aan asbest en moet verontreiniging van het milieu door asbest zoveel mogelijk worden voorkomen of beperkt. Landen als Duitsland en België hebben deze zorgplicht omgezet in vergelijkbare strenge asbestregels als Nederland. Uitvoering, handhaving en toezicht kunnen echter per land sterk verschillen. Nederland kent strenge eisen, maar ook een fors stimuleringsbeleid om risico’s op asbestblootstelling steeds meer uit te bannen. In België wordt een actieplan opgesteld om Vlaanderen in 2040 asbestveilig te hebben. Het plan zal waarschijnlijk ook bestaan uit financiële stimuleringsmaatregelen. In het Verenigd Koninkrijk ligt de focus op de risico’s van asbest in scholen. Vele Europese landen richten zich op informatievoorziening over en bewustwording van de risico’s van asbest.

Ook vragen de leden van de VVD-fractie of er onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende functies van woningen (vakantiehuisjes, schuren en stallen) en de risico’s.

Zoals hierboven staat beschreven, zijn alle asbestdaken inmiddels ouder dan 20 jaar en aan het verweren. Het ligt dan ook niet in de rede om onderscheid te maken tussen functies en risico’s. Het asbestdakenverbod biedt duidelijkheid aan alle eigenaren van asbestdaken per wanneer de asbestdaken vervangen moeten zijn, onafhankelijk van de functie van het gebouw.

De leden van de fractie van de VVD vragen ook of de regering zich bewust is dat verschillende asbesttoepassingen een verschillend risicoprofiel kennen.

Asbesttoepassingen die bloot staan aan weer en wind kennen inderdaad een ander risicoprofiel dan asbesttoepassingen die ingekapseld zijn. Alle asbestdaken worden blootgesteld aan weer en wind en hebben daardoor een hoger risicoprofiel dan bijvoorbeeld asbesttoepassingen binnenshuis.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe realistisch een verbod per 1 januari 2024 is, omdat het bij het huidige tempo van verwijdering van asbestdaken nog tientallen jaren zal duren voordat de asbestdaken zijn verdwenen.

Op dit moment is er nog 80–90 mln vierkante meter asbestdak. Als het tempo van saneren van 2017 (11 mln vierkante meter) wordt gecontinueerd, zouden de asbestdaken zijn verwijderd omstreeks 2026. Ik verwacht dat met de huidige programmatische aanpak er nog een verdere versnelling mogelijk is en de beoogde einddatum haalbaar is. Ik verwijs volledigheidshalve nog naar mijn antwoord op vragen van de leden van uw fractie en van de CDA-fractie naar de haalbaarheid van een verbod per 2024 onder het kopje «Algemeen».

Ook vragen de leden van de VVD-fractie of er niet een toename van dumping van asbestafval zal plaatsvinden als er een verwijderingsverplichting wordt ingesteld.

Als gezegd, het tempo van het saneren van asbestdaken is inmiddels toegenomen en ik heb geen aanwijzingen dat het dumpen van asbestafval meer voorkomt dan voorheen.

De leden van de PVV-fractie vragen waarom eerdere kabinetten geen werk hebben gemaakt van het invoeren van een verplichting om asbestdaken (die al bijna 25 jaar niet meer gebouwd mogen worden) te verwijderen.

Eerdere kabinetten hebben remvoeringen en frictiematerialen en asbestwegen uitgefaseerd. Deze toepassingen van asbest brachten veel asbestvezels in de leefomgeving en zijn daarom als eerste aangepakt. Het onderzoek van de Gezondheidsraad uit 2010 leidde tot de conclusie dat het bronbeleid moet worden doorgezet. Omdat asbestdaken de laatste grote bron zijn van vezelemissie naar de leefomgeving, hebben opeenvolgende kabinetten vanaf 2011 voorbereidingen getroffen voor een asbestdakenverbod.

De leden van de PVV-fractie constateren dat de concentraties asbest in de buitenlucht aanzienlijk zijn afgenomen sinds het verbod in 1993. Zij vragen in hoeverre nu wordt voldaan aan de huidige normen en hoe de concentratie asbest in de buitenlucht zich verhoudt tot de ons omringende landen.

Uit recent onderzoek naar concentraties asbest in de buitenlucht23 blijkt inderdaad dat de concentraties asbestvezels in de buitenlucht zijn afgenomen (met een factor 80 ten opzichte van de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw). Uit het TNO-onderzoek blijkt dat de concentraties asbestvezels in de buitenlucht in België tijdens het laatste onderzoek (2006) zodanig laag zijn, dat deze onder de bepalingsgrens lagen. Deze bepalingsgrens lag echter een factor tien hoger dan de op dit moment gehanteerde bepalingsgrenzen. Er zijn geen recente gegevens over concentraties asbestvezels in de lucht van andere ons omringende landen bekend.

De leden van de PVV-fractie vragen om een inschatting van het aantal woningeigenaren met een asbestdak en het aantal individuele woningeigenaren in het bijzonder. Ook vraagt de PVV-fractie naar de gemiddelde levensduur van een asbestdak.

Uit het onderzoek van Search24 bleek dat het in 2012 ging om ca. 578.000 woningen. Zoals eerder aangegeven, heeft onderzoek van TNO uitgewezen dat bij asbestdaken na 20 jaar asbestvezels vrijkomen als gevolg van verwering.

De leden van de D66-fractie vragen hoe de regering het verbod wil uitvoeren omdat het bij het huidige tempo van verwijdering van asbestdaken nog tientallen jaren zal duren voordat alle asbestdaken zijn verdwenen.

In het huidige tempo zijn de asbestdaken omstreeks 2026 gesaneerd, zoals blijkt uit antwoorden op vragen van de fractie van de VVD. En zoals ik hierboven reeds aangaf, verwacht ik dat de amvb duidelijkheid biedt over de ingangsdatum van het asbestdakenverbod, en dat met de subsidieregelingen en met de programmatische aanpak asbestdaken het saneren van asbestdaken verder versneld kan worden. Om een verdere versnelling te generen, heb ik het subsidieplafond verhoogd.

De leden van de SGP-fractie hebben vragen over de mate waarin asbesthoudende daken gezondheidsrisico’s veroorzaken.

Ik heb hierboven gemeld dat TNO en het RIVM in eerder aangehaalde rapporten hebben aangegeven dat asbesthoudende daken de belangrijkste bron zijn van asbestvezels in de buitenlucht. In mijn inleidende opmerkingen heb ik al aangegeven dat incidenten met gebouwen met asbestdaken, en de kosten en risico’s die daarvan een gevolg zijn, een van de redenen is voor het verbod.

De leden van de SGP-fractie vragen voorts naar het risico voor de volksgezondheid van de huidige achtergrondconcentraties en naar de meetgegevens met betrekking tot de achtergrondconcentraties. De concentraties asbest in de lucht liggen tussen de 20–40 vezels/m3 en dus onder het niveau van het Verwaarloosbaar Risico. Zoals bij de beantwoording van de vragen van de PVV-fractie hierboven over de concentraties asbestvezels in de buitenlucht is aangegeven, zijn deze concentraties laag en liggen deze een factor 80 lager dan de in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw gemeten concentraties. In de afgelopen decennia heeft uitvoering van bronbeleid gezorgd voor daling van de concentraties asbestvezels in de buitenlucht. De laatste grote bron van verspreiding van asbestvezels naar het buitenmilieu zijn de asbestdaken. Deze zijn bij het van kracht worden van het voorgenomen asbestdakenverbod ten minste 30 jaren oud. De meeste daken zijn een stuk ouder. TNO heeft naar aanleiding van eerder onderzoek aangegeven dat het overgrote deel van de asbestdaken matig tot ernstig verweerd is. Verdere verwering van de asbestdaken kan aanleiding zijn tot verspreiding van asbestvezels naar de buitenlucht en dus toekomstige verhoging van de concentraties asbestvezels in de buitenlucht, waardoor er toch weer sprake zou kunnen zijn van een stijging van de achtergrondconcentratie. Verder blijven incidenten (zoals branden) met gebouwen met asbestdaken risico’s met zich meebrengen voor achtergrondconcentraties.

De leden van de SGP-fractie vragen of het humanitair risico als gevolg van asbestdaken zonder dakgoot beperkt is, omdat dit leidt tot asbestverontreiniging van de toplaag van de bodem over stroken van ongeveer een meter breed.

Hoewel de stroken niet zo groot zijn, kunnen er door de afwezigheid van dakgoten toch hoge concentraties respirabele asbestvezels in de toplaag aanwezig zijn. Onderzoek ter plekke zal moeten uitwijzen in welke mate er in het specifieke geval sprake is van risico’s. Om de risico’s op efficiënte wijze uit te sluiten, kan de eigenaar ervoor kiezen de betreffende toplaag af te laten voeren, tegelijk met de vervanging van de asbestdaken. Momenteel wordt samen met de betrokkenen de minst belastende procedure voor deze verwijdering ontworpen.

Verder vragen de leden van de SGP-fractie naar een weging tussen de risico’s van asbestdaken en de risico’s van asbestdumping en onverantwoord verwijderen.

Er is nog ongeveer 80–90 mln vierkante meter asbestdak aanwezig. Zoals ik hierboven heb aangegeven, verweren de asbestdaken na 20 jaar en geven de daken vezels af aan de leefomgeving. Bovendien zijn er met een zekere regelmaat incidenten met gebouwen met asbestdaken die gezondheidsrisco’s opleveren voor omwonenden en die (forse) kosten met zich brengen voor decentrale overheden en omwonenden. Verreweg de meeste daken worden op verantwoorde wijze verwijderd. Er zijn op dit moment geen signalen dat het ondeskundig verwijderen dan wel het dumpen van asbest toeneemt. Het risico van onveilige verwijdering en het dumpen van asbestafval schat ik daarom lager in dan de risico’s die de asbestdaken nu vormen.

De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering niet heeft gekozen voor een aanpak die meer recht doet aan de bestaande diversiteit en daadwerkelijke risico’s, dat wil zeggen meer rekening houdt met de grote verschillen in risico’s tussen verschillende soorten asbesthoudende daken (gecoate asbesthoudende leien en asbesthoudende golfplaten) en afhankelijk van de plaats waar het gebouw zich bevindt (dorp en stad).

Zoals ik hierboven aangaf, heb ik gekozen voor één einddatum om zo duidelijkheid te creëren voor eigenaren, bevoegd gezag en handhaving. Bij de beantwoording van vragen van de leden van de fractie van de VVD heb ik al aangegeven dat alle asbestdaken ouder zijn dan 20 jaar en verweerd en dat daarom onderscheid in risicoprofielen niet aan de orde is. Het uitvoeren van een risico-inventarisatie vooraf legt bovendien een groot beslag op de asbestsaneringsbranche, terwijl het doel, het uitfaseren van asbestdaken, niet dichterbij komt. Het bevoegd gezag kan nu al handhavend optreden in gevallen waar het asbestdak vanwege de staat van verwering een gevaar voor de volksgezondheid oplevert als bedoeld in artikel 1a van de Woningwet. Sanering van ernstig verweerde daken hoeft dus niet te wachten tot een asbestdakenverbod van kracht is.

Ten slotte vragen de leden van de SGP-fractie hoe in België en Duitsland omgegaan wordt met asbesthoudende daken.

Duitsland en België hebben nog geen concrete plannen voor een vergelijkbaar verbod op asbestdaken. Hierboven staat bij het antwoord op een vraag van de CDA-fractie hoe het gewest Vlaanderen toewerkt naar een asbestveilig Vlaanderen in 2040.

Juridische aspecten

De leden van de VVD-fractie vragen naar een uitgebreider risicoprofiel van welke daken wel vervangen moeten worden en welke niet. Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of het redelijk is dat het Rijk bepaalt dat het eigendom van een burger aan vervanging toe is, terwijl de eigenlijke staat ervan daartoe in het geheel geen aanleiding geeft.

Omdat het niet goed mogelijk is voor het bevoegd gezag om een risicobeoordeling uit te voeren en er op grond van de levensduur vanuit kan worden gegaan dat in toenemende mate verwering zal optreden, leidt het uitvoeren van risicobeoordelingen voor alle daken alleen maar tot extra kosten en vertraging. Bovendien is er geen reden om in de tijd te differentiëren, omdat alle daken inmiddels aan het verweren zijn en omdat de precieze staat van het dak voor de gevolgen van eventuele incidenten (branden) niet uitmaakt. Het saneren van ernstig verweerde daken hoeft bovendien, zoals in antwoord op vragen van de SGP-fractie aangegeven, niet op het asbestdakenverbod te wachten. Ik verwijs hier verder kortheidshalve naar mijn antwoord op vragen van de leden van uw fractie onder het kopje «Achtergrond».

Over de vraag of het niet onredelijk is dat het Rijk bepaalt dat het eigendom van een burger aan vervanging toe is, het volgende. In de memorie van toelichting is aangegeven dat de verplichting uit de Woningwet van toepassing is op situaties waarin de aanwezigheid van asbest of asbesthoudende producten een concreet en direct gevaar voor de gezondheid van de mens kan opleveren. In de huidige situatie kan dus alleen zo een situatie leiden tot een verplichting om het asbest of de asbesthoudende producten te verwijderen. Het wetsvoorstel dient ertoe om een rechtsgrondslag te bieden voor een amvb met regelgeving die erop is gericht te voorkomen dat zich concrete en direct gevaarlijke situaties voordoen (preventiebeginsel) en daarbij te kiezen voor aanpakken bij de bron. Dit zijn twee belangrijke uitgangspunten van het milieubeleid. Aan die uitgangspunten dragen dit wetsvoorstel en de daarop gebaseerde amvb bij. Daar komt bij dat het gaat om kosten die een eigenaar van tijd tot tijd normaalgesproken moet maken. Het komt vaker voor dat eisen aan processen, marktomstandigheden of gebouwen tot investeringen nopen, zelfs als de afschrijvingsduur of de technische levensduur nog niet is verstreken. In 2024 zijn de asbestdaken meer dan 30 jaar oud. Hoewel er dan waarschijnlijk nog veel daken zijn die in bouwtechnische zin nog steeds hun functie kunnen vervullen, worden zij door verwering een zodanig gevaar voor de gezondheid van de mens en voor het milieu, dat op enig moment ook onder de vigerende regelgeving voor de eigenaar van het dak een verwijderingsplicht op eigen kosten geldt. Daar komt de voorzienbaarheid van de kosten van de verwijderingsplicht bij. Ik ben dan ook van mening dat niet nodeloos in de eigendomsrechten van burgers wordt ingegrepen met dit wetsvoorstel of met de amvb waar dit wetsvoorstel de grondslag voor biedt.

De leden van de PVV-fractie vragen of het niet onredelijk is dat de overheid van eigenaren van asbestdaken verlangt om op eigen kosten een gevaarlijke situatie te beëindigen, omdat het verbod op asbestdaken in veel gevallen betrekking heeft op schuren, stallen, bijgebouwen en vakantiehuisjes, waarbij de risico’s voor de eigenaar dan kleiner zijn.

Ik heb hierboven de voorgeschiedenis van dit wetsvoorstel geschetst. Bovendien heb ik op vragen van de leden van de VVD-fractie geantwoord dat het hier mijns inziens gaat om kosten die toch primair de verantwoordelijkheid van de eigenaar zijn en die ze toch een keer zullen moeten maken.

De leden van de PVV-fractie vragen voorts hoe de regering met de deadline van 1 januari 2024 omgaat nu bij het rondetafelgesprek van 4 oktober 2017 over de sanering van asbestdaken duidelijk is geworden dat er onvoldoende gekwalificeerde asbestverwijderaars beschikbaar zijn in Nederland om de beoogde deadline te halen. Ze vragen of de deadline in verband hiermee verschoven wordt, hoe er dan wordt omgegaan met mensen die hun asbest wel willen verwijderen, maar er niet in slagen om voor de deadline geschikte asbestverwijderaars in te huren en of zij dan een boete krijgen opgelegd. Ten slotte vragen de leden van de PVV-fractie wat er gebeurt als mensen weigeren om het asbest te verwijderen.

De asbestsaneringsbranche heeft tijdens het rondetafelgesprek aangegeven dat de beoogde deadline in 2024 gehaald kan worden als er tijdig wordt begonnen met saneren. Om de noodzakelijke versnelling op gang te brengen, is in 2016 de Subsidieregeling verwijderen asbestdaken opengesteld. Er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat er een tekort is aan asbestsaneerders. Over juridische consequenties van handelen in strijd met regelgeving kan ik kort zijn. In zulke gevallen zal het bevoegd gezag handhavend optreden.

De leden van de PVV-fractie vragen voorts of een meer risicogerichte benadering gehanteerd zou kunnen worden en wat de juridische consequenties zijn als mensen zelf asbest verwijderen, terwijl ze daar niet toe bevoegd zijn.

Kortheidshalve verwijs ik naar mijn antwoorden op vragen over een meer risicogerichte benadering van de leden van de SGP-fractie en van de VVD-fractie onder het kopje «Achtergrond» en van de leden van de VVD-fractie hierboven. Hierboven gaf ik al aan dat handhavend zal worden opgetreden, indien in strijd met regelgeving wordt gehandeld.

Verder vragen de leden van de PVV-fractie hoe in andere landen wordt omgegaan met asbestverwijdering. Hanteert men daar dezelfde termijn, zijn de kosten ook voor rekening van de eigenaar of worden deze vergoed door de overheid?

Hierboven bij de beantwoording van de vragen van de VVD-fractie ben ik nader ingegaan op hoe andere landen omgaan met asbestverwijdering. Ik beschik niet over meer specifieke informatie om de andere vragen te kunnen beantwoorden.

De leden van de CDA-fractie vragen wat deze regering gaat doen om te voorkomen dat terreineigenaren, die geen rol hebben bij de dumping van asbest of ander (drugs)afval, alleen moeten opdraaien voor de kosten van het opruimen.

De door de CDA-fractie aangestipte kwestie houdt geen verband met dit wetsvoorstel voor zover het gaat om het dumpen van ander (drugs)afval. Voor asbest geldt dat de eigenaar van een bouwwerk de verplichting heeft om asbest op te ruimen, dat op het terrein daaromheen is terechtgekomen. Die verplichting vloeit voort uit de Woningwet.

De leden van de D66-fractie vragen hoe gemeenten ertegenover staan dat zij het bevoegd gezag voor het verbod op asbestdaken zijn.

Decentrale overheden zijn actief betrokken bij de programmatische aanpak. Naar verwachting zullen de meeste decentrale overheden vanaf de beoogde einddatum toegerust zijn op hun handhavingstaak. Er is nog vijf jaar voorbereidingstijd voor de gemeenten.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen naar het aantal illegale dumpingen in de laatste vijf jaar en op welke manier de regering dit, samen met de lokale overheden, gaat aanpakken.

In mijn antwoord op vragen van de leden van de VVD-fractie onder het kopje «Achtergrond» heb ik al aangegeven dat ik geen aanwijzingen heb dat het dumpen van asbestafval toeneemt. De regelgeving waarvoor ik verantwoordelijk ben, is toereikend. Het dumpen van afval is verboden. De oplossing van het illegaal dumpen van asbest moet worden gezocht in het verscherpen van het toezicht op asbestsaneringen en dan met name door te monitoren waar het asbestafval, dat wordt afgevoerd, blijft. Mede om daar meer zicht op te krijgen, is het landelijk asbestvolgsysteem (LAVS) opgezet, waarin in alle fasen van een asbestsanering relevante informatie wordt geregistreerd. Met het oog daarop wordt momenteel gewerkt aan een amvb ter uitvoering van de Wet van 5 juli 2017 tot wijziging van de Wet milieubeheer en van de Woningwet in verband met het invoeren van het landelijk asbestvolgsysteem (LAVS) (Stb. 2017, 337). Via het LAVS krijgen de toezichthouders meer zicht op de stand van zaken en kunnen zij gerichter toezicht houden. Mocht blijken dat deze maatregelen onvoldoende soelaas bieden, dan bestaat op grond van het voorliggende wetsvoorstel wel de mogelijkheid om bij amvb regels te stellen over het opruimen van gedumpt asbestafval. Hoewel daarover op dit ogenblik geen uitgekristalliseerde ideeën bestaan, vind ik het wel verstandig om de mogelijkheid te hebben om maatregelen te nemen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om een nadere toelichting over hoe de consequenties van het verplicht opruimen van asbestafval worden afgewogen in gevallen waarin de terreineigenaar geen betrokkenheid heeft bij het achterlaten van het asbestafval, en hoe dumping tegengegaan kan worden. Ook vragen de leden van de ChristenUnie aan welke begeleidende maatregelen de regering denkt en wanneer de regelgeving verwacht kan worden.

Bij mijn beantwoording van vragen van de CDA-fractie en hierboven van de GroenLinks-fractie heb ik aangegeven geen aanwijzingen te hebben voor een toename van asbestdumping. Ik heb ook aangegeven dat wordt verwacht dat met de invoering van het LAVS gerichter toezicht gehouden kan worden. In verband hiermee is er in ieder geval op dit moment geen aanleiding om nadere maatregelen te treffen dan wel regelgeving voor te bereiden. Mocht die aanleiding er na verloop van tijd toch blijken zijn, dan biedt dit wetsvoorstel wel een grondslag om in regelgeving te voorzien.

De leden van de SGP-fractie vragen waarom er niet voor is gekozen om een horizonbepaling in het voorliggende wetsvoorstel op te nemen.

Het voorliggende wetsvoorstel biedt een rechtsgrondslag om bij amvb een verbod op asbestdaken op een in die maatregel bepaalde datum te laten ingaan. Een horizonbepaling in dit wetsvoorstel zou ertoe leiden dat de grondslag voor de amvb vervalt op het tijdstip genoemd in die horizonbepaling met als gevolg dat het verbod vervalt. Dat acht ik op dit moment onwenselijk. Mocht het zo zijn dat volledige zekerheid bestaat over het feit dat er in Nederland geen asbestdaken meer zijn, dan kan de regelgeving daaraan desgewenst aangepast worden.

De leden van de SGP-fractie vragen nog waarom de regering kiest voor een verbod per 1 januari 2024 en niet voor een langere termijn.

Ik heb hierboven bij mijn antwoorden op vragen van de leden van de VVD-fractie en van de leden van de CDA-fractie onder het kopje «Algemeen» aangegeven dat ik een verbod in 2024, op grond van de huidige stand van zaken, haalbaar acht.

De leden van de SGP-fractie vragen hoe eigenaren kunnen weten of er asbest in daken aanwezig is. Asbest is vanaf 1 juli 1993 verboden. Alle huizen van voor 1994 kunnen dus asbest bevatten. Dat is een feit van algemene bekendheid. Makelaars zijn hier bovendien attent op. Daarnaast moeten eigenaren voordat een huis verbouwd, gerenoveerd of gesloopt wordt, eerst een asbestinventarisatie laten uitvoeren. Een asbestinventarisatie biedt uitsluitsel over de aanwezigheid van asbest. Voor particulieren is bovendien informatie beschikbaar over het herkennen van asbest in de eigen woning bij bijvoorbeeld Milieu Centraal.

Ook vraagt de SGP wat wordt verwacht van bevoegd gezag.

Zoals bij antwoorden op vragen van de CDA-fractie staat, heeft het programmabureau een communicatietoolkit ontwikkeld die beschikbaar is via onder meer VNG.

Financiële aspecten

De leden van de VVD-fractie vragen of gesproken kan worden van goed bestuur door de verantwoordelijkheid voor het verwijderen van asbestdaken bij de eigenaren te leggen, terwijl de asbestdaken destijds rechtmatig zijn aangebracht.

Asbest is sinds 1 juli 1993 verboden. Vanaf het begin van de jaren zeventig werd steeds duidelijker hoe schadelijk asbest is voor de gezondheid. De overheid heeft sindsdien verschillende maatregelen genomen, waaronder het uitfaseren van het gebruik van rem- en frictiematerialen. Hierbij zijn bijvoorbeeld remvoeringen vervangen die wellicht ook nog niet aan vervanging toe waren. Sinds 2000 zijn asbestwegen verboden. Ook hiervoor geldt dat deze gesaneerd moesten worden, terwijl de mate van slijtage en het eigenaarschap geen rol speelden. Daarnaast is vastgesteld door TNO dat asbestdaken beginnen te verweren na 20 jaar. Dat geldt inmiddels voor alle asbestdaken. Asbestdaken vormen derhalve, mede door incidenten, een toenemend gevaar voor mens en leefomgeving. Het bevoegd gezag kan nu al handhaven als een bouwwerk een gevaar vormt voor de gezondheid. De beoogde einddatum biedt duidelijkheid aan eigenaren en bevoegd gezag en geeft eigenaren tijd om het saneren van het dak voor te bereiden. Ik heb in mijn antwoord op de vraag van de VVD-fractie onder «Algemeen» al aangegeven dat ik via de programmatische aanpak en subsidieregelingen dakeigenaren ondersteun. Ik zie de kosten die de dakeigenaren moeten maken als normale kosten die de eigenaar van een bouwwerk van tijd tot tijd moet maken, omdat een dak niet het eeuwige leven heeft. Daar komt bij dat het nu eenmaal voorkomt dat aan gebouwen door verandering van processen, marktomstandigheden of regelgeving voortdurend nieuwe eisen gesteld worden, waardoor onderdelen vaak al aan vervanging toe zijn voordat de afschrijvingsduur of technische levensduur verstreken is. Voor asbestdaken geldt dat de afschrijvingsduur is verstreken. Het kan zijn dat ze bouwtechnisch nog hun functie vervullen, maar door verwering is het mogelijk dat zij een zodanig gevaar voor de gezondheid van de mens en het milieu vormen, dat zij op enig moment ook onder de geldende regelgeving verwijderd zullen moeten worden. Ik wil dat voor zijn. Ik zie dit als goed bestuur.

De leden van de VVD-fractie vragen of er wel genoeg capaciteit is bij bedrijven die asbestdaken verwijderen en of de beschikbaar gestelde 75 miljoen euro «aanjaagsubsidie» voldoende is.

Hierboven gaf ik al aan dat tijdens de hoorzitting van 4 oktober 2017 de asbestsaneringssector heeft aangegeven dat er voldoende capaciteit is als tijdig wordt begonnen met saneren en er snel duidelijkheid komt over de datum waarop het asbestdakenverbod ingaat. De «aanjaagsubsidie» is bedoeld om het proces nu snel op gang te brengen. Het bedrag van € 75 mln lijkt daarvoor voldoende als je kijkt naar de toename van het jaarlijks verwijderde aantal vierkante meters asbestdak. Ik verwijs kortheidshalve naar de tabel in het antwoord op de eerste vragen van de leden van uw fractie. Voor de goede orde: de subsidie is nooit bedoeld geweest om de kosten van het saneren van alle asbestdaken te dekken.

De leden van de VVD-fractie vragen tenslotte of de kosten van een asbestvrije samenleving in verhouding staan tot de gezondheidsrisico’s.

Uit de geactualiseerde MKBA25 blijkt dat de totale kosten € 882 mln bedragen inclusief de vervangingskosten. De meeste asbestdaken zijn aan het einde van hun economische levensduur en toe aan vervanging. Uit de MKBA blijkt dat het zonder verbod tot 2044 zou duren voordat alle asbestdaken vervangen zouden zijn. Door verwering van het asbesthoudend materiaal waarvan daken zijn gemaakt, vindt dan in toenemende mate verspreiding plaats van asbestvezels naar het milieu. Dit brengt gezondheidsrisico’s met zich mee over een periode van 20 jaar extra, waarbij ook rekening gehouden moet blijven worden met incidenten (branden) met gebouwen met asbestdaken. Door te verplichten de asbestdaken uiterlijk vanaf de beoogde einddatum 2024 te saneren, wordt die periode van blootstelling en risico’s voor mens en milieu aanmerkelijk verkort. De gezondheidsrisico’s staan in mijn ogen dan ook verhouding tot de kosten voor sanering.

De leden van de PVV-fractie vragen om een mooi overzichtelijke tabel met daarin een indicatie van de kosten per type gebouw, de waarde van een type gebouw en de hoogte van een eventuele overheidsbijdrage.

De gegevens waar de fractie van de PVV om vraagt, zijn niet voorhanden. Uit de geactualiseerde MKBA waaraan ik hierboven refereerde, blijkt dat de totale kosten van een asbestdakenverbod ingaande op 2024 € 882 mln bedragen. De in specifieke gevallen te maken kosten van asbestsanering zijn onder andere afhankelijk van de locatie, de mate van verwering en het te saneren oppervlak. Naarmate een dak ernstiger is verweerd, nemen de kosten van saneren toe, omdat er meer voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden.

De leden van de PVV-fractie vragen te verduidelijken wat er met nadeelcompensatie wordt bedoeld, of die per persoon kan verschillen en op basis van welke criteria onderscheid wordt gemaakt.

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt aangegeven dat op dit ogenblik de regeling in de artikelen 15.21 juncto 15.20 Wet milieubeheer geldt. Die regeling is een uitwerking van het stelsel van nadeelcompensatie waarvoor artikel 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht de algemene grondslag vormt. Een en ander is uitgewerkt in de Circulaire schadevergoedingen.26 De criteria zijn samengevat: er moet een causaal verband zijn tussen de kosten of schade en het overheidsbesluit, deze schade of kosten behoren redelijkerwijs niet uitsluitend ten laste van de betrokkene te blijven, er kan niet op een andere wijze in een redelijke vergoeding worden voorzien en de schadevergoeding wordt naar billijkheid bepaald, waarbij 20% van de kosten in ieder geval tot het gewone ondernemersrisico wordt gerekend. Tot nadeelcompensatie wordt door het bevoegd gezag besloten. Dat maakt een afweging en besluit aan de hand van de circulaire. Echter, zoals ik in het nader rapport heb aangegeven, ga ik ervan uit dat slechts bij hoge uitzondering nadeelcompensatie aan de orde zal zijn. Samengevat komt het erop neer dat de financiële gevolgen voor eigenaren van asbestdaken bij het invoeren van de verplichting tot het verwijderen van de asbestdaken zijn meegenomen. Bij het bepalen van de evenredigheid van de verplichting is betrokken: de (relatief) lage kosten van de aanleg destijds, het feit dat goedkope alternatieven voorhanden zijn, het feit dat asbestproducten al sinds 1993 zijn verboden, het feit dat de afschrijvingstermijn voor de investeringen ten behoeve van asbestdaken reeds lang is verstreken en dat de verplichting tot verwijdering al geruime tijd bekend is. Daar komt bij dat de eigenaren tot de beoogde einddatum de tijd hebben om de financiële gevolgen op te vangen en de verwijdering kunnen combineren met andere werkzaamheden. Ten slotte kan een verwachte afnemende verkoopbaarheid met waardevermindering als gevolg van een veranderde maatschappelijke waardering van asbestdaken worden «terugverdiend» met sanering. Voor particulieren geldt dat het doorgaans zal gaan om daken op kleinere bouwwerken met een geringere oppervlakte, zodat de kosten van verwijdering en vervanging doorgaans beperkt zijn. Volgens artikel 4, derde lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 mogen particulieren in bepaalde gevallen asbestdaken met een oppervlakte van ten hoogste 35 vierkante meter zelf verwijderen, waardoor de kosten nog kunnen worden beperkt. Voor asbestdaken in de agrarische sector (het merendeel van het totaal) geldt dat het om omvangrijke oppervlakten zal gaan. Het behoort echter tot de normale ondernemerskosten dat bedrijfsgebouwen van tijd tot tijd moeten worden aangepast aan de nieuwe eisen die daaraan worden gesteld, niet alleen door de overheid maar ook door verandering van bedrijfsprocessen en de eisen die aan bedrijfsgebouwen worden gesteld. Voor een deel van de agrarische bedrijven zullen de kosten van sanering van asbestdaken ongelegen komen, omdat zij in een slechte financiële situatie verkeren, maar dat is geen reden voor de toekenning van een vergoeding. De kosten zijn dan namelijk op zichzelf niet onevenredig in vergelijking met de kosten die andere bedrijven moeten dragen, zodat de toekenning van een vergoeding tot een willekeurige verstoring van concurrentieverhoudingen kan leiden. Er kunnen ook andere aanleidingen zijn die dergelijke financieel kwetsbare bedrijven in financiële problemen brengen, zoals de ontwikkeling op de markt van de prijzen van producten of van de kosten van de afzet van mestoverschotten. Een slechte financiële situatie is dus in algemene zin niet het gevolg van de saneringsmaatregelen die moeten worden genomen, maar wordt hierdoor alleen verder verslechterd.

Verder vragen de leden van de CDA-fractie of er een aparte regeling komt voor particulieren die weinig middelen hebben voor het saneren van het dak.

Om te beginnen wil ik wijzen op de mogelijkheid voor particulieren met een dakoppervlak van minder dan 35 vierkante meter om de werkzaamheden zelf uit te voeren. Op dit moment is naast de subsidieregeling geen aparte regeling voor minderdraagkrachtigen voorzien. Wel wordt gewerkt aan verschillende maatregelen om particuliere eigenaren te ontzorgen en financieel bij te staan, bijvoorbeeld door collectief saneren te ondersteunen, door standaardisering en vereenvoudiging van werkzaamheden en door het stimuleren van samenwerking. Verschillende decentrale overheden hebben financiële stimulansen, bijvoorbeeld de subsidieregeling van de gemeente Lelystad en het fonds van de provincie Drenthe. Ik bezie nu bij welke programma’s kan worden aangesloten om het saneren van asbestdaken te ondersteunen, bijvoorbeeld bij het programma warme sanering varkenshouderijen.

De leden van de D66-fractie vragen naar de verhouding tussen de beschikbare hoeveelheid aanjaagsubsidie vanuit het Rijk, de bestaande subsidieregelingen van lagere overheden en de reële saneringskosten.

Vanuit het Rijk wordt in totaal € 75 mln ter beschikking gesteld om de sanering in de jaren ruim voor het verbod goed op gang te krijgen. Naar het zich laat aanzien, zal dit budget in de loop van 2019 uitgeput raken, omdat de sanering inderdaad goed op gang is gekomen. Er zijn verschillende subsidieregelingen van decentrale overheden. De verschillende regelingen hebben verschillende doelstellingen en sluiten aan bij regionale behoeften. Bijvoorbeeld: de gemeente Haarlemmermeer heeft een stimuleringsregeling voor het verwijderen van asbestdaken, de gemeente Lelystad verstrekt renteloze leningen en de provincie Drenthe heeft een revolverend fonds opgericht ten behoeve van het verwijderen van asbestdaken. Al deze initiatieven dragen bij aan het versnellen van het saneren van asbestdaken en ondersteunen eigenaren van asbestdaken. De (landelijke) programmatische aanpak ondersteunt decentrale overheden, geeft een overzicht van alle regionale initiatieven en bundelt de ervaringen. Wat de verhouding is tussen de reële saneringskosten en de bestaande subsidieregelingen is niet aan te geven. De saneringskosten zijn onder meer afhankelijk van de locatie, de mate van verwering en het te saneren oppervlak. De hoogte van een mogelijk subsidiebedrag is afhankelijk van de lokale voorwaarden van de regeling. De landelijke subsidieregeling is overigens een aanjaagsubsidie die nooit bedoeld is geweest om de kosten van het saneren van alle asbestdaken te dekken. Ik heb wel het subsidieplafond voor dit jaar verhoogd om het op gang komen van de sanering verder te versnellen.

Verder vragen de leden van de D66-fractie naar de afweging van voor- en nadelen en consequenties van de invoering van een verplichting voor terreineigenaren om het achtergelaten asbestafval op te ruimen, waar hiervoor de verantwoordelijkheid ligt en wie dit oordeel zal afwegen.

Op dit ogenblik zie ik geen aanleiding om een verplichting in te voeren voor terreineigenaren om het achtergelaten asbestafval op te ruimen. Ik heb geen aanwijzingen dat er (meer) asbestafval wordt gedumpt. Met het LAVS wordt het achterlaten van asbestafval vooralsnog voldoende voorkomen. Ik verwijs voor een meer uitgebreide toelichting naar mijn antwoord op vragen van de leden van de fractie van GroenLinks onder het kopje «Juridische aspecten».

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering bereid is om de huidige subsidieregeling voor het verwijderen van asbestdaken uit te breiden en te verlengen tot minimaal 2024.

Ik bezie de mogelijkheden om na de besteding van het voor de subsidieregeling uitgetrokken bedrag van € 75 mln andere financiële stimulansen te benutten, bijvoorbeeld het stimuleren van regionale fondsen.

Daarnaast vragen de leden van de fractie van GroenLinks hoeveel vierkante meter aan asbestdaken nog gesaneerd kan worden met de huidige subsidieregeling.

Vanaf 2016 was er € 75 mln beschikbaar voor de subsidieregeling. In 2016 is er € 15 mln uitgegeven en in 2017 € 26,2 mln. In totaal is dat € 41,2 mln. Er is derhalve nog € 33,8 mln beschikbaar voor 2018 en 2019. Hiermee kan naar schatting nog 7,5 mln vierkante meter worden gesaneerd.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen wanneer ook daken met een oppervlakte van minder dan 35 vierkante meter onder de subsidieregeling vallen.

De betreffende wijziging van de regeling is per 19 juli 2017 in werking getreden.27 De subsidie kan uitsluitend worden toegekend indien het asbestdak professioneel is gesaneerd.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen tevens op welke wijze wordt gemonitord of mensen die zelf hun asbest (onder de 35 vierkante meter) verwijderen, voldoende voorzorgsmaatregelen nemen.

Particulieren moeten bij het verwijderen van asbest, ongeacht de hoeveelheid, een sloopmelding doen. Het bevoegd gezag houdt toezicht op de naleving van de voorschriften. Milieu Centraal heeft informatieve filmpjes gemaakt voor particulieren met daarin een verantwoorde werkwijze.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de regering een overzicht kan geven van het aantal misstanden dat het afgelopen jaar is gesignaleerd bij verbouwingen waarbij aannemers bij het aantreffen van asbest niet volgens de vigerende wet- en regelgeving hebben gehandeld.

Op de website van de ISZW staat een overzicht van bedrijven die sinds 15 augustus 2014 zware of ernstige asbestovertredingen hebben begaan, en die daarvoor een boete hebben gekregen.28

De leden van de SP-fractie vragen of de huidige subsidiemaatregelen afdoende zullen zijn om alle daken in 2024 asbestvrij te krijgen.

In mijn brief van 21 december jl.29 heb ik aangegeven welke additionele maatregelen ik nog wil treffen. Kortheidshalve verwijs ik naar de inhoud van die brief. In antwoord op vragen van leden van andere fracties heb ik aangegeven dat de huidige landelijke subsidieregeling een «aanjaagsubsidie» is, die nooit bedoeld is geweest om alle kosten te dekken.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering mogelijkheden ziet om asbestverwijderingscapaciteit centraal in te kopen.

Op lokaal niveau kan dat zinvol zijn en gebeurt dit ook al. Daar wordt een collectieve aanpak door buurtbewoners gestimuleerd. De regio Achterhoek heeft een pilot uitgevoerd ten behoeve van collectief saneren. Op basis van deze pilot is een stappenplan ontwikkeld voor het collectief saneren van asbestdaken. Dit stappenplan wordt in het kader van de landelijke programmatische aanpak verder ontwikkeld en gecommuniceerd.

Daarnaast vragen de leden van de fractie van de SP of het mogelijk is om asbestsaneerders in overheidsdienst op te leiden en vervolgens ook binnen dat verband aan het werk te laten gaan.

Ik acht het opleiden van asbestsaneerders in overheidsdienst op dit moment niet nodig of wenselijk. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid doet onderzoek naar het functioneren van het huidige certificatiestelsel. Hierover is uw Kamer geïnformeerd op 26 oktober 201730 en op 28 november 2017.31

Om dumping van asbesthoudend afval te voorkomen, dringen leden van de SP-fractie aan op verruiming van de capaciteit van de veiligheids- en inspectiediensten en op verruiming van subsidieregelingen en praktische ondersteuning aan bewoners en bedrijven.

Er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat het dumpen van asbesthoudend afval nadere ondersteuning nodig heeft.

De leden van de SP-fractie vragen de regering om de in gang gezette Versnellingsaanpak Asbestdakensanering met volle kracht voort te blijven zetten.

Ik heb hierboven aangegeven dat te doen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de regering het haalbaar acht om binnen zeven jaar 90 miljoen vierkante meter asbest op agrarische bebouwing te verwijderen.

In de begroting 2018 van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat staat dat er in 2016 nog ca. 92,8 mln vierkante meter resteerde. In 2017 is 11 mln vierkante meter gesaneerd. Er resteert nu dus nog 80–90 mln vierkante meter. Een groot deel hiervan is inderdaad aanwezig op agrarische bebouwing. Als het huidige tempo van saneren gehandhaafd blijft (ca. 11 mln vierkante meter jaarlijks), zijn alle asbestdaken omstreeks 2026 gesaneerd. Om 2024 te halen, is dus een versnelling nodig. Ik acht dat op dit moment haalbaar. Ik verwijs volledigheidshalve nog naar mijn antwoorden op vragen van de leden van de fracties van de VVD en van het CDA onder het kopje «Algemeen».

Ook vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie of de regering erkent dat het een grote last op de agrarische sector legt om in deze korte tijd zoveel asbest te verwijderen.

Ik ben mij ervan bewust dat er inderdaad veel asbestdaken aanwezig zijn op (voormalig) agrarische bebouwing. Zoals hierboven staat aangegeven, is in 2012 gestart met het stimuleren van het verwijderen van asbestdaken voor agrariërs met de subsidieregeling Asbest eraf, Zon erop. De rijksoverheid heeft daarvoor toen € 20 mln beschikbaar gesteld. Ook zijn er van 2012 tot en met 2015 fiscale tegemoetkomingen geweest.

Vervolgens vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie naar de belemmerende effecten voor de agrarische sector van de aanscherping van regelgeving voor asbestsanering (zoals het verbod op het gebruik van een open werkbak die hangt aan een hijskraan) en de hoge kosten voor de afvoer van asbest.

De regels voor het gebruik van hijskranen met werkbakken bij de inzet ten behoeve van asbestsanering zijn niet aangescherpt. Wel handhaaft de ISZW momenteel het verbod op het gebruik van open werkbakken aan een hijskraan. Het is in principe verboden om personen te verplaatsen met machines die niet voor dat doel zijn bedoeld en ontworpen. Dit verbod, dat beoogt werknemers te beschermen, geldt sinds 2006; zie hiervoor ook de beantwoording van vragen van de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu over de inzet van hijskranen met open werkbakken.32 Door de ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Infrastructuur en Waterstaat wordt overleg gevoerd met de sector om te bespreken hoe om te gaan met het verbod op het gebruik van hijskranen bij het saneren van asbestdaken. Er zal onderzoek worden gedaan om na te gaan in welke situaties op dit moment problemen ontstaan bij de inzet van bestaande toegestane werkmethoden en welke veilige oplossingen voor deze problemen mogelijk zijn.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen nog of mogelijkheden benut gaan worden om de opgave van asbestverwijdering te combineren met de verduurzamingsopgave en met doelen als een leefbaar en vitaal platteland.

In mijn brief van 21 december jl.33 geef ik aan dat ik voornemens ben dat te doen, en dat ik zal onderzoeken bij welke andere (regionale) programma’s voor het saneren van de asbestdaken aangehaakt kan worden.

Daarnaast vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie of ik bereid ben om de huidige werkwijze tegen het licht te houden vanuit het perspectief dat de protocollen voor asbestverwijdering mogelijk belemmerend werken en onvoldoende ruimte beiden voor innovaties.

In overleg met verschillende betrokkenen begint TNO dit jaar met een onderzoek naar de blootstellingsrisico’s bij het saneren van asbestdaken. Op basis van de risico’s kan vervolgens worden vastgesteld wat verantwoorde werkmethodes zijn en welke innovaties mogelijk zijn. Daar waar voor het saneren van asbest verbetermogelijkheden bestaan, is de inzet om deze waar mogelijk door te voeren. Naar verwachting kan hierover in het kader van de beleidsreactie na het onderzoeksrapport over het functioneren van het stelsel meer worden gemeld door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hierboven ben ik daar bij antwoorden op vragen van de fractie van de SP nader op ingegaan.

Tevens vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie waarom in de financiële overweging om het asbestdakenverbod in te voeren niet de kosten voor verwijdering en afvoer van het asbest zijn meegenomen.

In de MKBA uit 2012 zijn de kosten voor verwijdering en transport en opslag wel degelijk meegenomen.34

Bovendien vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie om een reactie op de bewering dat niet het plaatsen van een nieuw dak het financiële probleem is, maar het verwijderen van het oude dak.

Ik herken deze bewering niet. In het position paper 35 van de brancheverenigingen staat dat het plaatsen van een nieuw dak hogere kosten met zich meebrengt dan het saneren van het asbestdak.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om een toelichting op de wijze waarop (buur)landen omgaan met bestaande asbestdaken en of de invoering van een asbestdakenverbod en de financiële gevolgen daarvan het gelijke speelveld tussen de verschillende Europese agrariërs niet in gevaar brengt.

Op de vraag hoe in (buur)landen wordt omgegaan met asbestdaken ben ik al ingegaan bij de beantwoording van vragen van de CDA-fractie onder het kopje «Algemeen» en vragen van de leden van de VVD-fractie en de SGP-fractie onder het kopje «Achtergrond». Onderhoud van agrarische stallen en dergelijke behoort bij de normale bedrijfsstrategie. Dat de asbestdaken van stallen en dergelijke in Nederland nu verplicht moeten worden gesaneerd, zal het speelveld niet verstoren, mede omdat er ondersteunende en faciliterende maatregelen zijn en worden genomen.

Ook vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie of in de memorie van toelichting terecht wordt gesteld dat de saneringskosten worden terugverdiend met een waardestijging of betere verkoopbaarheid van het gebouw.

De memorie van toelichting stelt dat naar verwachting de maatschappelijke waardering voor asbestdaken ertoe kan leiden dat gebouwen in waarde verminderen dan wel moeilijker verkoopbaar worden. Kopers willen natuurlijk gezondheidsrisico’s en de kosten van sanering vermijden. Die verwachte waardevermindering is er niet na sanering.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of er mogelijkheden zijn om de aanjaagsubsidie die loopt tot 2020 te verlengen.

Zoals ik in antwoord op vragen van de leden van de fracties van D66 en GroenLinks al heb aangegeven, bezie ik momenteel wat de mogelijkheden zijn om, na de besteding van het budget van € 75 mln middels de subsidieregeling, andere financiële stimulansen te benutten.

De leden van de SGP-fractie stellen dat de directe kosten bijna een miljard euro bedragen en dat daarnaast ook geïnvesteerd moet worden in nieuwe daken, waardoor de kosten meer dan verdubbelen. Zij vragen in verband hiermee of de verhouding tussen het doel en het verbod nog wel evenredig is.

In de MKBA van 2012 en ook in de actualisatie van de MKBA is rekening gehouden met vervangingskosten. Het bedrag van € 882 mln is derhalve inclusief het plaatsen van een nieuw dak. Van een verdubbeling is dan ook geen sprake. In mijn antwoord op vragen van de leden van de VVD-fractie onder het kopje «Financiële aspecten» heb ik aangegeven waarom ik van mening ben dat een asbestdakenverbod evenredig is. Kortheidshalve verwijs ik daarnaar.

Vervolgens vragen de leden van de SGP-fractie hoe de regering gaat voorkomen dat huishoudens met lagere inkomens in de problemen gaan komen.

Op dit moment is geen aparte regeling voor minderdraagkrachtigen voorzien naast de huidige subsidieregeling. Wel wordt gewerkt aan verschillende maatregelen om particuliere eigenaren te ontzorgen en financieel bij te staan. Verschillende decentrale overheden hebben financiële stimulansen ingericht en ook wordt nu landelijk bezien bij welke programma’s kan worden aangesloten om het saneren van asbestdaken te vergemakkelijken, bijvoorbeeld door middel van renteloze leningen. Ik verwijs hier nog naar mijn antwoord op een vergelijkbare vraag van de leden van de CDA-fractie onder het kopje «Financiële aspecten».

De leden van de fractie van de SGP vragen nog om een nadere duiding bij de stelling dat de kosten niet onevenredig zijn in vergelijking met de kosten die andere bedrijven moeten dragen.

In de memorie van toelichting wordt beaamd dat voor een deel van de (agrarische) bedrijven de kosten ongelegen zullen komen, omdat deze bedrijven in een slechte financiële situatie verkeren. Dat is echter, conform bestaand beleid, geen aanleiding om een vergoeding toe te kennen. De kosten van het saneren van een asbestdak zelf zijn niet onevenredig in vergelijking met de kosten die andere bedrijven moeten maken.

Voorts vragen de leden van de SGP-fractie of de veronderstelling juist is dat de beschikbare saneringscapaciteit niet zomaar uitgebreid kan worden en of een schaarse capaciteit kan leiden tot het oplopen van de saneringskosten.

Tijdens de hoorzitting van 4 oktober 2017 hebben vertegenwoordigers van de asbestsaneringsbranche aangegeven dat het asbestdakenverbod per 2024 haalbaar is, als tijdig wordt gestart met de sanering en er duidelijkheid komt over de ingangsdatum van het asbestdakenverbod. Daarnaast zijn in het kader van de programmatische aanpak verschillende provincies gestart met opleidingsinitiatieven. Ik heb op dit moment geen aanwijzingen dat de kosten toenemen.

Naleving, handhaving, administratieve lasten en andere gevolgen

De leden van de VVD-fractie vragen hoe bekend wordt hoeveel asbestdaken er zijn en hoe er bijgehouden wordt of deze allemaal verwijderd zijn.

Op basis van het startmeldingenbestand van de ISZW wordt per kwartaal bijgehouden hoeveel vierkante meter asbestdak er is verwijderd. Dit biedt landelijk overzicht. Verschillende decentrale overheden, bijvoorbeeld de provincies Gelderland, Overijssel en Utrecht, hebben in beeld gebracht waar de asbestdaken zich bevinden. Het programmabureau houdt deze inventarisaties bij om een landelijk beeld te creëren.

Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie wat de consequenties zijn van het niet verwijderen van een asbestdak.

Vanaf de beoogde einddatum zal het bevoegd gezag het asbestdakenverbod gaan handhaven. Het bevoegd gezag kan uiteindelijk bijvoorbeeld een boete opleggen of overgaan tot het verwijderen van het dak op kosten van de eigenaar.

De leden van de VVD-fractie vragen in welke overige producten asbest zit, of er een lijst beschikbaar is, en hoe de consument weet in welke producten wel of geen asbest zit. Ook vraagt de fractie van de VVD of deze producten ook verboden worden vanaf 2024, om hoeveel producten het gaat, wat ermee gedaan moet worden, en welke kosten hier te verwachten zijn.

Wereldwijd zijn er meer dan 3.500 toepassingen van asbest bekend en 18.000 producten waarin asbest is verwerkt. Er is geen lijst, omdat er nog steeds asbestproducerende landen zijn, waardoor er nog steeds asbesthoudende producten op de wereldmarkt kunnen komen. Deze producten zijn echter in de EU verboden, zodat alleen asbesthoudende producten van vóór 1994 legaal aanwezig kunnen zijn. Deze producten mogen niet verhandeld worden. Nieuwe producten moeten asbestvrij zijn. Het voorgenomen asbestdakenverbod heeft alleen betrekking op asbesthoudende dakbedekking (bijvoorbeeld asbestcement golfplaten en asbesthoudende leien/dakpannen). Voor andere asbesthoudende producten geldt geen verplichte verwijdering, dus hiervoor zijn geen (extra) kosten te verwachten.

De leden van de PVV-fractie vragen wat de regering precies bedoelt met de constatering dat de verwijderingsplicht geen doelmatige regeling is.

In de memorie van toelichting staat: «In het geval van een verwijderingsverplichting voor asbestdaken is dit echter geen doelmatige regeling.» In deze zin verwijst «dit» naar de vorige alinea. Het is niet doelmatig dat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat zorgdraagt voor de bestuursrechtelijke handhaving. Daarmee wordt niet bedoeld dat de verwijderingsplicht niet doelmatig zou zijn.

Verder vragen de leden van de PVV-fractie welke rol en mogelijkheden de regering heeft om het lokale bevoegde gezag te stimuleren mee te werken aan het verbod op asbestdaken.

Het saneren van asbestdaken is een grote uitdaging en daarom is er een samenwerkingsverband opgezet waaraan verschillende partijen, waaronder decentrale overheden, deelnemen. Zoals hierboven al opgemerkt, hebben verschillende decentrale overheden een stimuleringsfonds opgericht, werken decentrale overheden aan het in kaart brengen van de plaatsen waar asbestdaken zich bevinden en worden er opleidingsinitiatieven genomen. Bij mijn brief van 21 december 201736 is de stand van zaken en voortgang van de versnellingsaanpak gevoegd.

Ook vragen de leden van de PVV-fractie of lokale overheden de ruimte kan worden geboden om termijnen los te laten in specifieke gevallen.

Er zijn omstandigheden denkbaar waarin het lokaal bevoegd gezag tijdelijk niet handhaaft. Als bijvoorbeeld de sloop van een gebouw gepland staat voor 2025 dan lijkt het per 2024 handhaven van het asbestdakenverbod niet opportuun. Ik ben echter niet voornemens om in de amvb een mogelijkheid op te nemen om af te wijken van het algemene verbod. Dan zou ik afbreuk doen aan de gewenste duidelijkheid.

De leden van de SGP-fractie vragen op welke wijze de verwijderingsplicht voor asbestdaken gehandhaafd wordt.

Het zal aan het bevoegd gezag zijn te bepalen hoe omgegaan wordt met specifieke gevallen. Op dit moment werken decentrale overheden er hard aan om op de beoogde ingangsdatum van het verbod geen asbestdaken meer te hebben.

Daarnaast vragen de leden van de SGP-fractie of gemeenten voldoende zijn toegerust op uitvoering van deze handhaving, inclusief bijbehorende expertise en budget.

Decentrale overheden zijn actief betrokken bij de programmatische aanpak. Daarom verwacht ik dat de decentrale overheden op de beoogde ingangsdatum toegerust zijn op hun handhavingstaak.

Verder vragen de leden van de SGP-fractie naar een reactie op de aandachtspunten benoemd door de Ambassadeurs Versnellingsaanpak Asbestdakensanering.

Voor een antwoord op deze vraag verwijs ik kortheidshalve naar mijn antwoord op een vergelijkbare vraag van de CDA-fractie onder het kopje «Algemeen».

De leden van de SGP-fractie vragen naar de uitvoering van de door de Kamer in oktober jongstleden aangenomen motie Bisschop c.s.,37 waarin de regering wordt verzocht om er in overleg met de sector voor te zorgen dat veilig gebruik van werkbakken aan hijskranen bij sanering van grote en moeilijk bereikbare dakoppervlakten mogelijk wordt en, indien nodig, vrijstelling te geven dan wel de regelgeving aan te passen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft tijdens de begrotingsbehandeling38 aangegeven dat naar aanleiding van de motie Bisschop c.s. in overleg met de sector door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een voorstel zal worden gemaakt om onderzoek te doen naar het gebruik van werkbakken aan hijskranen bij sanering. De verwachting is vooralsnog dat uw Kamer in de eerste helft van 2018 over de uitkomsten hiervan zal worden geïnformeerd.

Overig

De leden van de CDA-fractie vragen of bij de evaluatie van de afvalstoffenbelasting in 2018 overwogen wordt om deze heffing voor asbest te schrappen.

In het VSO Externe Veiligheid van 16 maart 201639 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu in reactie op een motie van het lid Geurts40 aangegeven dat deze heffing niet geschrapt wordt, omdat dit mogelijk leidt tot het opzettelijk mengen van asbest met niet-asbesthoudend afval. Dit is zeer onwenselijk, en daarom is het schrappen van deze heffing niet aan de orde.

Vervolgens vragen de leden van de CDA-fractie naar de prijsontwikkeling van asbestsanering.

De prijzen voor asbestsanering zijn afhankelijk van onder meer de staat van het dak, de bereikbaarheid, en of er collectief gesaneerd kan worden. Op dit moment heb ik geen aanwijzingen dat er grote prijswijzigingen zijn. Wel is het zo dat collectief saneren voordelen oplevert. Vandaar ook dat er vanuit de programmatische aanpak ingezet wordt op collectief saneren.

De leden van de CDA-fractie vragen ook om een brief over de stand van zaken van het functioneren van het Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS).

In mijn beantwoording van vragen van uw fractie41 en van vragen van de leden van uw fractie onder het kopje «Juridische aspecten» heb ik de stand van zaken van het functioneren van het LAVS gegeven. In aanvulling hierop kan ik aangeven dat de beheerder maatregelen treft om het functioneren verder te optimaliseren. De meeste gebruikers beoordelen het systeem positief en geven ook aan waar er nog ruimte voor verbetering is. Wanneer ik u de ontwerp amvb voor het LAVS voorleg, informeer ik u nader over de stand van zaken van het functioneren van het LAVS.

De leden van de CDA-fractie vragen of het nog mogelijk en wenselijk zal zijn om na 2024 gebouwen met asbestdaken te verzekeren.

Het is mogelijk dat verzekeraars asbestdaken niet meer verzekeren vanaf de beoogde ingangsdatum van het verbod. Dat is aan de individuele maatschappijen om te besluiten. Het is voorstelbaar dat bij een wettelijk verbod op het hebben van asbestdaken er ook geen verzekeringsdekking voor die daken meer is. Vanuit mededingingsoogpunt mogen verzekeraars hierover echter geen onderlinge afspraken maken. Naast verzekeraars die wel dekking bieden, zijn er verzekeraars die nu al aangeven asbestdaken niet langer te verzekeren. Andere verzekeraars bouwen de dekking af en weer andere stellen bijvoorbeeld als voorwaarde dat er een asbestsaneringsplan moet worden opgesteld.

De leden van de D66-fractie vragen in het verlengde van de advisering door de Raad van State waarom niet wordt ingegaan op de wijze waarop wordt voorkomen dat de op de grondslag vast te stellen amvb’s onevenredige gevolgen voor individuele belanghebbenden met zich brengen.

In het nader rapport heb ik aangegeven waarom ik vind dat de amvb geen onevenredige gevolgen voor individuele belanghebbenden heeft. Dit vloeit enerzijds voort uit de verantwoordelijkheid van de dakeigenaar en anderzijds uit de maatregelen die genomen zijn om de saneringsoperatie te faciliteren. Ik acht de maatregelen evenredig. Voor een nadere toelichting verwijs ik naar mijn meer uitgebreide antwoord op vragen van de leden van de VVD-fractie onder het kopje «Juridische aspecten».

De leden van de D66-fractie vragen de regering nader in te gaan op de betekenis van de bestaande algemene regeling van vergoeding van kosten en schade in de Wet milieubeheer.

Ik ben van mening dat er slechts in zeer uitzonderlijke gevallen sprake zal zijn van een situatie waarin nadeelcompensatie aan de orde zal zijn. Ik verwijs naar mijn antwoord op vragen van de leden van de PVV-fractie onder het kopje «Financiële aspecten».

De leden van de GroenLinks-fractie geven aan veel kansen te zien om bij de sanering van asbestdaken direct te verduurzamen. Zij vragen hoe dit momenteel wordt gestimuleerd. Ook vragen de leden van de fractie van GroenLinks welke belemmeringen daarin worden ervaren, en of subsidies gekoppeld kunnen worden.

In het kader van de programmatische aanpak worden verschillende initiatieven gedeeld om asbestdaken te vervangen door nieuwe daken met zonnepanelen. Er wordt bezien onder welke voorwaarden dit landelijk vormgegeven kan worden. Een aantal provincies legt een koppeling met verduurzaming, andere provincies koppelen het saneren van asbestdaken bijvoorbeeld aan het tegengaan van agrarische leegstand. Specifieke belemmeringen bij het koppelen van verduurzaming aan het saneren van asbestdaken zijn mij niet bekend. Daar waar de koppeling wenselijk is, wordt deze gelegd.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer


X Noot
1

Kamerstukken II 2010/11, 25 834, nr. 58.

X Noot
2

Kamerstukken II 2010/11, 25 834, nr. 66.

X Noot
3

Praktische consequenties van het advies van de Gezondheidsraad inzake asbest 2010: Een gezamenlijk rapport van TNO en RIVM. Kamerstukken II 2010/11, 25 834, nr. 57.

X Noot
4

Bijlage bij Kamerstukken II 2007/08, 22 343, nr. 189.

X Noot
5

Kamerstukken II 2010/11, 25 834, nr. 66.

X Noot
6

Kamerstukken II 2011/12, 25 834, nr. 71.

X Noot
7

Bijlage bij Kamerstukken II, 2012/13, 25 834, nr. 76.

X Noot
8

Kamerstukken II 2012/13, 25 834, nr. 76.

X Noot
9

Kamerstukken II 2015/16, 25 834, nr. 98 en procedurevergadering 20 mei 2015.

X Noot
10

Bijlage bij Kamerstukken II 2015/16, 25 834, nr. 98.

X Noot
11

Kamerstukken II 2015/16, 25 834, nr. 104.

X Noot
12

Kamerstukken II 2017/18, 25 834, nr. 135.

X Noot
14

Kamerstukken II 2017/18, 25 883, respectievelijk nr. 307, nr. 308 en nr. 311.

X Noot
15

Kamerstukken II 2017/18, 34 775-XV, nr. 88.

X Noot
16

Kamerstukken II 2017/18, 25 883, nr. 307.

X Noot
17

Kamerstukken II 2017/18, 25 883, nr. 308.

X Noot
18

Kamerstukken II 2017/18, 25 834, nr. 134.

X Noot
19

Kamerstukken II 2017/18, 25 883, nrs. 310 en 311.

X Noot
20

Kamerstukken II 2014/15, 25 834, nr. 93.

X Noot
21

Kamerstukken II 2016/17, 25 834, nr. 121.

X Noot
22

Handelingen II 2016/17, 25 834, nr. 42/4.

X Noot
23

TNO 2016 R11562 «Asbest en andere minerale vezels in de Nederlandse buitenlucht – meetperiode mei – september 2016».

X Noot
24

Bijlage bij Kamerstukken II 2012/13, 25 834, nr. 76.

X Noot
25

Kamerstukken II 2014/15, 25 834, nr. 98.

X Noot
27

Stcrt. 2017, nr. 39947. De subsidie kan uitsluitend worden toegekend indien het asbestdak professioneel is gesaneerd.

X Noot
29

Kamerstukken II 2017/18, 25 834, nr. 135.

X Noot
30

Kamerstukken II 2017/18, 25 834, nr. 130.

X Noot
31

Kamerstukken II 2017/18, 25 834, nr. 132.

X Noot
32

Kamerstukken II 2017/18, 25 883, nr. 298.

X Noot
33

Kamerstukken II 2017/18, 25 834, nr. 135.

X Noot
34

Bijlage bij Kamerstukken II, 2012/13, 25 834, nr. 76, p. 28.

X Noot
36

Kamerstukken II 2017/18, 25 834, nr. 135.

X Noot
37

Kamerstukken II 2017/18, 25 883, nr. 308.

X Noot
38

Kamerstukken II 2017/18, 34 775-XV, nr. 88.

X Noot
39

Handelingen II 2015/16, 25 834, nr. 65–11.

X Noot
40

Kamerstukken II 2015/16, 25 834, nr. 109.

X Noot
41

Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 2633.