Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201633979 nr. 100

33 979 Regels ten behoeve van een verantwoorde groei van de melkveehouderij (Wet verantwoorde groei melkveehouderij)

Nr. 100 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 6 oktober 2015

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Economische Zaken over de situatie in de melkveehouderij.

De vragen en opmerkingen zijn op 14 september 2015 aan de Staatssecretaris van Economische Zaken voorgelegd. Bij brief van 5 oktober 2015 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Vermeij

Adjunct-griffier van de commissie, Haveman-Schüssel

Inhoudsopgave

I.

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

II.

Antwoord / Reactie van de Staatssecretaris

22

III.

Volledige agenda

76

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie ontvangen graag een meerjarig overzicht van de ontwikkeling van de fosfaatruimte (gebruiksnormen). De leden van de VVD-fractie ontvangen graag een tabel waarin vanaf de invoering van het fosfaatplafond de fosfaatproductie is opgenomen per sector. In hetzelfde overzicht ook graag een overzicht van de hoeveelheid mest (fosfaat) wat via (verplichte) mestverwerking is afgevoerd.

De leden van de VVD-fractie willen de Staatssecretaris vragen wat in het verleden de reden is geweest om een fosfaatplafond in te stellen. Waarom is in overleg met de Europese Commissie toen voor een dergelijk systeem gekozen? En kan de Staatssecretaris aangeven waarom bij het maken van de afspraken met de Europese Commissie is gekozen voor het jaar 2002 als referentiejaar? Bestaan er ook afspraken met de Europese Commissie om de gemaakte afspraken te evalueren? Zo ja, wanneer zal dit plaatsvinden? Zo nee, heeft de Staatssecretaris hiervoor gepleit? En zo nee, waarom niet?

Op basis van welke gronden is destijds het fosfaatplafond vastgesteld? Op basis van welke gronden is de sector tot een verdeling van het fosfaatplafond gekomen?

De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd wat het doel is van het instellen van het nieuwe fosfaatbeleid, de introductie van fosfaatrechten. Welk doel wil de Staatssecretaris hiermee halen en welk uitgangspunt ligt hier aan ten grondslag? Is het feitelijke doel dat door de Europese Commissie middels de derogatiebeschikking aan Nederland is opgelegd het terugdringen van de waterverontreiniging door agrarische activiteiten? In Artikel 1 uit Richtlijn 91/676/EEG geeft de Europese Commissie aan dat het haar doel is de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten uit agrarische bronnen te verminderen, en verdere verontreiniging van dien aard te voorkomen. Kan de Staatssecretaris hierop reageren in het licht van de introductie van fosfaatrechten? De leden van de VVD-fractie vrezen dat het instellen van fosfaatrechten een oneigenlijk middel is om het doel zoals omschreven in Artikel 1 uit Richtlijn 91/676/EEG te bereiken. Kan de Staatssecretaris uitgebreid ingaan waarom zij dit anders ziet?

Gezien het voorgaande willen de leden van de VVD-fractie aan de Staatssecretaris vragen of zij bereid is nauwkeurig te omschrijven op welke wijze met de instelling van fosfaatrechten, het doel zoals eerder genoemd en opgenomen in Artikel 1 uit Richtlijn 91/676/EEG zal worden gehaald. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe er hierbij rekening wordt gehouden met het feit dat de hoeveelheden stikstof en fosfaat die per hectare mogen worden aangewend, op basis van andere bepalingen in de regelgeving zijn begrensd (o.a. gebruiksnormen, evenwichtsbemesting)?

Over 2014 heeft Nederland voldaan aan de voorwaarden van de Europese Commissie voor het verlenen van de derogatie. In de prognose van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zal Nederland onder het fosfaatplafond blijven van 172,9 miljoen kilogram zoals afgesproken met de Europese Commissie. Toch heeft de Staatssecretaris besloten de invoering van fosfaatrechten door middel van een aanpassing van de mestwetgeving in te willen voeren. Waarom kiest de Staatssecretaris nu al voor deze rigoureuze maatregel? Welke aanwijzingen heeft de Staatssecretaris dat Nederland door het plafond zal gaan, zeker gezien het buitengewoon hoge nutriëntengehalte in het ruwvoer (4,3 miljoen kilo fosfaat) door uitzonderlijk gunstige weeromstandigheden over 2014? Zal dit geen corrigerende factor zijn naar de toekomst toe? Zo nee, op basis waarvan is de Staatssecretaris deze mening toegedaan? Kan de Staatssecretaris aangeven hoe er in de derogatiebeschikking en het afgesproken plafond rekening wordt gehouden met dergelijke jaarlijkse fluctuaties? Wordt hier in de berekening rekening mee gehouden?

In de huidige systematiek wordt er jaar op jaar gekeken naar de ontwikkeling van de fosfaatproductie. De leden van de VVD- fractie vragen zich of een langjaargemiddelde niet beter op zijn plaats is, om zo jaarlijkse uitschieters meer te middelen? Kan de Staatssecretaris nader op de suggestie van de VVD-fractie ingaan om bijvoorbeeld uit te gaan van een driejaarsgemiddelde? Dit geeft op dit moment ook iets meer ruimte zodat welke maatregelen ook geïntroduceerd gaan worden meer onderbouwd en voorbereid zijn.

Wat is de reden dat de Staatssecretaris vooruitlopend op definitieve cijfers zinspeelt op maatregelen om de productie te beperken? Het afgelopen jaar was een goed groeiseizoen waardoor de fosfaatproductie is gestegen. Dit jaar is een ander jaar. Zijn deze vooruitzichten betrokken bij de afweging van de Staatssecretaris?

De introductie van fosfaatrechten komt naast het stelsel van grondgebonden groei melkveehouderij. Kan de Staatssecretaris een bespiegeling geven op de stapeling van maatregelen en de bijbehorende kosten die dit voor de sector teweeg brengt?

De Wet verantwoorde groei melkveehouderij is geïntroduceerd met als een van de argumenten dat deze wet noodzakelijk zou zijn om binnen het fosfaatplafond te blijven. Kan de Staatssecretaris aangeven waarom dit niet gelukt is, welk effect zij verwacht heeft en of zij bereid is deze wet en de bijbehorende kosten te schrappen als zij volhardt in de introductie van fosfaatrechten?

Bij de introductie van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij zijn er veel knelgevallen. Boeren die hun groei over enkele jaren wilden spreiden, begonnen zijn met de bouw van een nieuwe stal, om vervolgens het aantal dieren per jaar gestaag te laten groeien. Een keuze enerzijds vanuit financieel economisch perspectief vormgegeven, anderzijds vanuit diergezondheid (aanwas eigen vee). Deze ondernemers zijn geraakt door de introductie van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij, omdat zij nogmaals geconfronteerd werden met aanvullende kosten (grond/verplichte mestverwerking). Hoe kijkt de Staatssecretaris aan tegen de situatie dat deze bedrijven wederom geconfronteerd zullen worden met aanvullende wetgeving die wederom zal leiden tot kosten?

In de afgelopen jaren is er veel geïnvesteerd in innovatie rondom de verwerking van mest. De verschillende sectoren zijn in staat om mineralenconcentraat te maken vanuit de mest, door fosfaat te onttrekken uit mest. Kan de Staatssecretaris aangeven waarom deze innovaties nog steeds gefrustreerd worden door de Brusselse wetgeving? Kan de Staatssecretaris aangeven waarom de leden van de VVD-fractie lezen dat zij zich onlangs sterk heeft gemaakt voor wederom een pilot? Klopt het dat de Staatssecretaris nog niet heeft gepleit voor een ontheffing van de voorwaarden die gesteld zijn? Waarom niet?

Kan de Staatssecretaris een overzicht geven per provincie waar het grondwater niet aan de norm van <50 mg nitraat per liter voldoet? En kan in ieder voorkomend geval aangegeven worden of de oorzaak van de overschrijding in de landbouw of elders ligt? Heeft de Staatssecretaris overwogen om specifiek beleid te formuleren voor die gebieden waar de grondwaterkwaliteit nog niet op orde is? In hoeverre is er samenhang in het beleid voor andere vervuilers (bijv. de invoer via de rivieren)? Kan de Staatssecretaris dat onderbouwen? Zo nee, waarom niet?

Hoe kijkt de Staatssecretaris aan tegen de concurrentiepositie van de Nederlandse veehouderij?

Kan de Staatssecretaris reflecteren op de gesprekken met de sector naar aanleiding van haar voorgenomen besluit? Welke andere opties zijn serieus besproken en hoe staat de sector tegenover de introductie van fosfaatrechten? Heeft de Staatssecretaris de sector zelf gevraagd om maatregelen te treffen? Zo nee, waarom niet?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de fractie van de PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorstellen van de Staatssecretaris om onder het fosfaatplafond te blijven. Zij hebben hier nog wel enkele vragen en opmerkingen over.

In de brief van 2 juli 2015 (Kamerstuk 33 979, nr. 98) lezen de leden van de PvdA-fractie het volgende: «Ik onderzoek de mogelijkheden om bij afroming zodanig te differentiëren dat bedrijven naar rato van hun bijdrage aan overschrijding van het plafond bijdragen aan de afroming. De voorwaarden waaronder afroming kan worden toegepast behoeven nog nadere uitwerking». Deze leden vragen de Staatssecretaris of zij al tot een nadere uitwerking is gekomen. Zo nee, wanneer verwacht de Staatssecretaris met deze nadere uitwerking te komen? De leden van de PvdA-fractie dringen er op aan dat deze voorwaarden extensieve boeren ontzien. De boeren die voldoende grond hebben om hun fosfaatproductie zelf uit te kunnen rijden zouden wat de PvdA-fractie betreft een andere, meer preferentiële positie moeten hebben ten opzichte van de intensieve boeren. Zo stimuleren we de ontwikkeling van de grondgebonden melkveehouderij.

De leden van de PvdA-fractie zouden graag zien dat we een ontwikkeling richting meer grondgebondenheid, meer weidegang en dierenwelzijn inzetten en dat we niet met een systeem eenzelfde ontwikkeling krijgen zoals we ook gezien hebben bij dierrechten in bijvoorbeeld de varkenshouderij: dierrechten hebben daar juist tot een intensivering geleid. Deelt de Staatssecretaris deze visie? Zo ja, welke mogelijkheden heeft ze binnen het aanpakken van het fosfaatprobleem in de melkveehouderij om deze ontwikkeling mogelijk te maken?

De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd naar de mogelijkheden om een «fosfaatbank» in te stellen. Hierbij zien de leden van de PvdA-fractie een systeem van niet verhandelbare fosfaatrechten voor zich, die terugkeren naar deze fosfaatbank. Deze rechten kunnen vervolgens worden uitgekeerd aan grondgebonden extensieve bedrijven. Deze leden horen graag de reactie van de Staatssecretaris op dit idee.

De leden van de fractie van de PvdA maken zich zorgen om de toegenomen hoeveelheid mest die de sterke groei in de melkveesector heeft veroorzaakt. De mestkelders op veel varkensbedrijven zitten vol. Vanwege het grote aanbod van rundveemest is er een sterk afgenomen vraag naar varkensmest en moeten de varkensboeren hoge kosten maken om de mest af te kunnen voeren. Die kosten drukken op de toch al slechte financiële positie van de varkenshouders. De leden van de PvdA-fractie maken zich zorgen om fraude met varkensmest. Kan de Staatsecretaris aangeven of, en zo ja op welke wijze, het toezicht op het uitrijden en verhandelen van mest de komende tijd wordt georganiseerd en eventueel wordt geïntensiveerd?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie zijn ontstemd over het hele wetgevingstraject rondom de melkveehouderij. De Staatssecretaris heeft aangekondigd een stelsel van fosfaatrechten in te willen voeren: de Kamer mag dus binnenkort het derde wetsvoorstel binnen één jaar bespreken. De leden van de SP-fractie zijn van mening dat er sprake is van bestuurlijke chaos, een opeenstapeling van wetgeving en onbehoorlijk bestuur. Kan de Staatssecretaris reflecteren op het proces? Is zij er zelf tevreden mee?

Kan de Staatssecretaris aangeven hoe lang het bestaan van het fosfaatplafond al bekend was op het departement? Waarom is er niks gedaan om te voorkomen dat dit overschreden werd? In hoeverre waren de problemen betreffende het overschrijden van het fosfaatplafond, de sterk gestegen melkproductie en het inzakken van de melkprijs te voorzien naar de mening van de Staatssecretaris? Erkent de Staatssecretaris dat als zij van het begin af aan gestuurd had op echte grondgebonden groei, de problemen voorkomen waren? Kan de Staatssecretaris heel exact aangeven welke gegevens over de overschrijding van het fosfaatplafond bekend waren op 24-4-2015? De leden van de SP-fractie vragen de Staatssecretaris of zij bereid is de algemene maatregel van bestuur grondgebonden groei melkveehouderijof de wet Verantwoorde groei melkveehouderij te wijzigen en alsnog volledige grondgebonden groei conform het verworpen amendement Smaling (Kamerstuk 33 979, nr. 55) te verplichten of tenminste de mate van grondgebondenheid aan te scherpen.

Kan de Staatssecretaris reageren op het artikel in de Boerderij «Nederland overschrijdt ammoniakplafond» (zie http://www.boerderij.nl/Home/Nieuws/2015/7/Nederland-overschrijdt-ammoniakplafond-2656272W/)? Kan de Staatssecretaris uitleggen hoe het zit met het ammoniakplafond? Klopt het dat dit overschreden is en hoe is de verdeling tussen varkens, koeien en kippen in deze?

De leden van de SP-fractie willen graag weten wat de planning is voor het verdere verloop van het traject betreffende de invoer van fosfaatrechten. Wanneer moet het systeem van fosfaatrechten ingaan en wanneer moet het in de Eerste danwel de Tweede Kamer behandeld zijn?

De leden van de SP-fractie zien dat er enkele maanden na het loslaten van de melkquotering sprake is van lage melkprijzen, gestegen productie, een half miljard extra steungeld, een overschreden fosfaatplafond en een roep om het verslechteren van milieu en dierenwelzijnsstandaarden. Daarbij worden ook nog eens de grondgebonden boeren gedupeerd in de plannen voor fosfaatrechten van de Staatssecretaris. De leden van de SP-fractie vragen zich af of dit de zegeningen zijn van de geliberaliseerde melkmarkt. De leden van de SP-fractie concluderen: de liberalisering van de melkveesector is, minder dan een half jaar na de afschaffing van de melkquotering, mislukt en kent voornamelijk verliezers. De leden van de SP-fractie zijn van mening dat het loslaten van de melkquotering een historische vergissing was. Kan de Staatssecretaris reflecteren op het loslaten van de melkquotering? Welke winst- en verliespunten ziet zij? De leden van de SP-fractie krijgen graag een helder overzicht over het verloop van de melkprijzen voor de Nederlandse boer voor de afgelopen 12 maanden en voor de afgelopen 10 jaar.

De leden van de SP-fractie vragen of de Staatssecretaris in gesprek is met het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM), de biologische boeren, Vereniging tot Behoud van Boer en Milieu en Natuur & Milieu. Al deze organisaties maken zich zorgen over de invoering van het fosfaatrechtensysteem en specifiek over de benadeling van extensieve grondgebonden boeren. Ook de Noordelijke en de Groene Hart provincies zijn kritisch. Is de Staatssecretaris in gesprek met deze groepen en is zij in gesprek met de kritische provincies?

De leden van de SP-fractie constateren eveneens dat extensieve melkveehouders worden benadeeld door de voorstellen voor fosfaatproductierechten. Extensieve boeren worden op kosten gejaagd. Een boer die genoeg land heeft om meer koeien te kunnen houden moet straks fosfaatrechten kopen. De Staatssecretaris heeft de Kamer eerder voorgespiegeld dat extensieve boeren niet gedupeerd zouden raken door de snelle groeiers. Nu gebeurt dat wel. De Staatssecretaris had dit kunnen voorkomen door de verworpen motie van de leden Dik-Faber en Smaling (Kamerstuk 33 979, nr. 87) uit te voeren die vraagt om ruimte te reserveren onder het sectorale fosfaatplafond voor extensieve grondgebonden bedrijven. Waarom koos de Staatssecretaris voor de intensieve boeren? Waarom liet zij het fosfaatplafond overschrijden zonder een reserve marge aan te houden voor extensieve boeren? Erkent de Staatssecretaris dat melkveehouders die genoeg grond hebben nu op kosten gejaagd worden als ze extra koeien bijkopen, zelfs als ze daar genoeg grond voor hebben? De leden van de SP-fractie vinden dit onrechtvaardig en vragen de Staatssecretaris of ze dit wil herstellen.

Hoe gaat de Staatssecretaris voorkomen dat de melkproductie per koe zo ver wordt opgevoerd dat dit schadelijk is voor de gezondheid of levensduur van de koe? Waarom is niet gekozen voor een aantal liters per hectare? Is de Staatssecretaris bereid alsnog fosfaatrechten te koppelen aan een maximum aantal liters per hectare? Zo nee, hoe gaat ze voorkomen dat de melkproductie per koe onverantwoord wordt opgestuwd? Erkent ze dat het voorliggende systeem van productierechten stuwt naar opvoering van melkproductie per koe? Is ze bereid met de sector een maximum af te spreken?

De leden van de SP-fractie vinden het een goede stap dat de Staatssecretaris een ambitie voor weidegang heeft neergezet van 80% weidegang in 2020. Hoe gaat de Staatssecretaris behoud danwel toename van weidegang garanderen? Wat gaat zij doen mocht het percentage weidegang onverhoopt dalen? Begrijpen de leden van de SP-fractie goed dat het hier gaat om het percentage weidegang van het aantal koeien (dus niet het aantal bedrijven)? Onderschrijft de Staatssecretaris de definitie van de Nederlandse Zuivel Organisatie van weidegang waarbij onder weidegang wordt verstaan dat het melkvee in de periode van 1 april tot 1 oktober ten minste 120 dagen, minimaal zes uren per dag buiten in de wei is? Streeft de Staatssecretaris er ook naar om het gemiddelde aantal uren dat een koe per dag in de wei is niet te laten dalen? Is het percentage weidegang over 2014 al bekend? Zo nee, wanneer wordt dit bekend?

Kan de Staatssecretaris onderstaande gegevens bevestigen?

Bedrijven met beweiding van melkkoeien naar aantal dagen met beweiding
 

Melkkoeien (geweid)

Aantal

% van totaal

dagen met beweiding

minder dan 120 dagen

83445

7,8%

120 tot 150 dagen

296280

27,8%

150 tot 180 dagen

249376

23,4%

180 tot 210 dagen

307775

28,9%

210 dagen en meer

127848

12,0%

Total

1064724

100,0%

Centraal Planbureau, 19-3-2015

Kan de Staatssecretaris een vergelijkbare tabel met de stand van zaken d.d. 14-9-2015 geven?

De leden van de SP-fractie constateren dat de Staatssecretaris heeft gekozen voor een systeem van fosfaatrechten. Waarom wordt niet gekozen voor een vergunningstelsel? Is het immers niet zo dat bij het uitgeven van een recht, de overheid vaak de portemonnee moet trekken indien zij later minder rechten in de markt wil hebben? Kan de Staatssecretaris aangeven hoeveel het zou kosten om bijvoorbeeld 10% van de uit te geven fosfaatrechten uit de markt te kopen voor de prijzen die nu genoemd worden (2000–5.000 euro per koe, andere gaan zelfs uit van 16.000 euro), of die haar reëel lijken? Klopt het dat met de fosfaatrechten die de Staatssecretaris volgens de door haar beschreven systematiek wil uitgeven, er feitelijk meer fosfaat wordt uitgegeven dan het sector productieplafond van de melkveehouderij? Voor hoeveel fosfaatproductie worden er rechten uitgegeven volgens de systematiek van de Staatssecretaris? Is de Staatssecretaris van plan om een generieke korting door te voeren op de uitgegeven fosfaatrechten, indien blijkt dat het (sectorale) fosfaatplafond is overschreden? Hoe zou een generieke korting in zijn werk gaan? Kan zij uitleggen hoe de generieke korting bij de melkquota indertijd ging? Als een generieke korting van melkquota of fosfaatrechten juridisch mogelijk is, is dan ook een generieke korting op varkensrechten of pluimveerechten mogelijk? Zo nee, waarin zit dan het verschil? Is de Staatssecretaris bereid om – indien een korting noodzakelijk blijkt – intensieve bedrijven meer te korten dan extensieve bedrijven? Welke mogelijkheden en moeilijkheden ziet ze hierbij? Is de Staatssecretaris bereid grondgebonden bedrijven bij een eventuele korting geheel te ontzien?

Een ander voordeel van het uitgeven van vergunningen in plaats van rechten is volgens de leden van de SP-fractie dat bij vergunningen gemakkelijk voorwaarden gesteld kunnen worden betreffende bijvoorbeeld duurzaamheid of dierenwelzijn. Is de Staatssecretaris van plan om uitgifte van fosfaatrechten voorwaardelijk te maken aan bijvoorbeeld weidegang of mate van grondgebondenheid? Welke mogelijkheden zijn er om voorwaarden aan fosfaatrechten te verbinden? Zijn er mogelijkheden om alsnog duurzaamheidsvoorwaarden te verbinden aan dierrechten?

Hoe ziet Staatssecretaris verhandelbaarheid? Wil ze de mogelijkheid om voorwaarden te stellen bij productierechten bij voorbaat uitsluiten? De leden van de SP-fractie krijgen graag een inhoudelijke reactie op het CLM-plan voor een fosfaatbank. Onderschrijft de Staatssecretaris dat bij een systeem van niet verhandelbare rechten, de Staatssecretaris veel gemakkelijker kan sturen, door rechten preferentieel uit te geven, bijvoorbeeld aan boeren met weidegang en boeren die grondgebonden werken? Welke mogelijkheden zijn er om de verhandelbaarheid van varkensrechten te stoppen?

De leden van de SP-fractie krijgen ook graag een reactie op de mogelijkheid om naast het CLM-systeem van onverhandelbare fosfaatrechten, een eenmalige opkoop door melkveehouders van varkensrechten mogelijk te maken, waarbij de overgekochte varkensrechten worden omgezet in niet verhandelbare fosfaatrechten.

De leden van de SP-fractie krijgen graag een nadere uitleg over de twee referentiedata die de Staatssecretaris in haar brief noemt, want het is hen niet helder. Wanneer wordt gerekend met de een en wanneer met de ander? De leden van de SP-fractie zien het liefst een referentiedatum verder terug omdat de snelle groeiers en de intensiverende bedrijven beloond worden met het beleid van de Staatssecretaris voor hun groeispurt vanaf 2013. Welke juridische mogelijkheden en onmogelijkheden ziet de Staatssecretaris voor een eerdere referentiedatum voor de uitgifte van fosfaatrechten? Welke juridische mogelijkheden en onmogelijkheden ziet de Staatssecretaris voor het gebruiken van een eerdere referentiedatum voor het doorvoeren van een generieke korting indien dit aan de orde is? Wat zijn de mogelijkheden van het koppelen van de uitgifte van fosfaatrechten aan grond (de mate van grondgebondenheid)?

Wat is de visie van de Staatssecretaris op het overhevelen van productierechten vanuit de varkenssector naar de melkveehouderij? Kan ze de voor- en nadelen schetsen? Kan zij daarbij ingaan op het scenario waarbij de melkveehouders rechten opkopen uit de varkenshouderij en op het scenario waarbij de overheid dit doet? Onderschrijft de Staatssecretaris dat er een noodzaak is voor sanering van de varkenshouderij? Zo ja, welk percentage krimp (in aantal bedrijven of varkens) zou voor de sector wenselijk zijn volgens de Staatssecretaris? Hoeveel bedrijven zouden naar schatting bereid zijn mee te doen aan een regeling? Hoeveel verouderde stallen zijn er? Welk percentage bedrijven doet mee aan de Regeling ontheffing productierechten Meststoffenwet (POR-regeling)? Hoeveel varkens- en pluimveerechten zijn er nu in de markt, en hoeveel inclusief de POR-regeling? Geeft de POR-regeling ook recht op een volwaardig pluimvee- of varkensrecht die – als de overheid deze uit de markt wil nemen – teruggekocht moet worden? Wat is de actuele waarde van respectievelijk een pluimveerecht en een varkensrecht? Kan de Staatssecretaris aangeven hoe de prijsontwikkeling van de rechten de afgelopen jaren is verlopen? Wat is volgens de Staatssecretaris een reële inschatting van de prijs van een melkveefosfaatrecht? Wat zou de Staatssecretaris een wenselijke bandbreedte vinden voor de prijs van melkveefosfaatrechten? Hoeveel varkenshouders doen mee aan stoppersregeling uit de Wet ammoniak en veehouderij en om hoeveel varkens gaat het? Voor hoeveel procent van de ammoniak- en fosfaatuitstoot zijn de deelnemers uit de stoppersregeling verantwoordelijk? De Staatssecretaris heeft eerder gezegd dat het niet eenvoudig is om de stoppersregeling nog sneller af te bouwen. Kan de Staatssecretaris aangeven waar zij de problemen in ziet? Zijn er kosten gemoeid met stoppen met de stoppersregeling? Zo ja, hoeveel en hoe zit dit juridisch? Hoeveel zou het kosten om van alle deelnemers aan de stoppersregeling de varkensrechten terug te kopen? Hoeveel zou het kosten om de varkenshouderij met bijvoorbeeld 10% te saneren?

Stel er wordt besloten de varkenshouderij gedeeltelijk te saneren – door uitkoop vanuit de overheid danwel door melkveehouders rechten te laten opkopen – met welke mededingingsregels en richtlijnen moet dan rekening gehouden worden? Welke voorbeelden zijn er uit het verleden in deze? Welke precedenten zijn er voor de uitkoop van dierrechten? Wat kostte ons dit en hoe was dit geregeld? Is dit voorgelegd aan de Europese Commissie en wat was de reactie?

Als tot een overheveling van varkensrechten naar melkveefosfaatrechten besloten zou worden, hoe zou dan voorkomen moeten worden dat de varkenssector weer opnieuw naar de huidige proporties terug groeit? Ziet de Staatssecretaris het als een mogelijkheid om van de overhevelende/stoppende varkenshouders te eisen dat ze hun vergunningen inleveren? Ziet de Staatssecretaris het als een mogelijkheid om van de overhevelende/stoppende varkenshouders te eisen dat de stallen worden gesloopt?

Kan de Staatssecretaris in een meerjaren tabel aangeven hoe de kosten voor mestafvoer zich voor een gemiddeld varkensbedrijf hebben ontwikkeld (dus graag zowel de kosten per eenheid af te voeren mest als de hoeveelheid mestproductie op een gemiddeld bedrijf)? Erkent de Staatssecretaris dat varkensbedrijven duizenden tot tienduizenden euro’s meer per jaar kwijt zijn door de gestegen kosten van mestafvoer ten opzichte van vorig jaar? Hoeveel varkensbedrijven zouden wel boven de streep uitgekomen zijn als ze de gestegen kosten van mestafvoer niet hadden hoeven ophoesten? Kan de Staatssecretaris aangeven in hoeverre een gemiddeld varkensbedrijf de afgelopen 10 jaar winst of verlies heeft gedraaid? Welk deel van de prijs van varkensvlees komt bij de boer terecht? Welke recente onderzoeken zijn hierover?

Kan de Staatssecretaris nogmaals onderschrijven dat verlaging van milieustandaarden of dierenwelzijn niet aan de orde zal zijn als reactie op de boerenprotesten?

De leden van de SP-fractie vragen met hoeveel kilo de fosfaatproductie van de melkveehouderij wordt verminderd door de verlaging van het fosfaatgehalte in mengvoer, zoals onlangs afgesproken door de zuivelsector en de mengvoerfabrikanten? Is een verdere verlaging haalbaar (ook met oogpunt op diergezondheid) en te verwachten?

Kan de Staatssecretaris aangeven hoe groot de fosfaatproductie van grondgebonden melkveebedrijven is en hoe groot die kan zijn gezien de fosfaatgebruiksruimte op deze bedrijven? Wat is de niet gebruikte fosfaatruimte van deze bedrijven in de diverse provincies?

De leden van de SP-fractie vragen of de Staatssecretaris kan aangeven in welke provincies of regio’s de totale fosfaatruimte op melkveebedrijven niet toereikend is voor de mest van de melkveehouderijen? Is de Staatssecretaris bereid van ad-hoc beleid te gaan naar een langjarige, heldere en maatschappelijk breed gedeelde visie op de melkveesector?

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de productie begrenzende maatregelen in de melkveehouderij van het kabinet.

De leden van de CDA-fractie concluderen dat de toegevoegde waarde van het totale agrocomplex 48 miljard euro bedroeg in 2013. Het enorme economische belang van het agrocomplex voor Nederland mag daarmee duidelijk zijn. Binnen het totale agrocomplex is het grondgebonden-veehouderijcomplex het grootst in termen van toegevoegde waarde en werkgelegenheid. Daarbij hangt ongeveer 70% van de werkgelegenheid in het agrocomplex samen met de export. Deze leden constateren dat het belang van de export op het moment licht afneemt. Dat zou verdere gevolgen kunnen hebben voor de Nederlandse werkgelegenheid. De leden vragen welke concrete acties dit kabinet onderneemt om de werkgelegenheid te verbeteren in het agrocomplex.

De onderhandelingen over de actieprogramma’s ten behoeve van de Nitraatrichtlijn met de Europese Commissie zijn achter gesloten deuren en daarom kunnen Kamerleden onmogelijk het kabinet voldoende controleren over zijn inzet en de voorwaarden die door de Europese Commissie worden gevraagd. Het zou het ten goede komen van het vertrouwen in de democratie van Nederland en de Europese Unie als deze onderhandelingen transparanter zouden worden. De leden van de CDA-fractie verzoeken daarom de Staatssecretaris om bij de Europese Commissie aan te dringen op een transparanter proces en maatregelen daartoe te nemen. Is de Staatssecretaris daartoe bereid? Daarnaast verzoeken deze leden de Staatssecretaris om openheid te geven over de onderhandelingen door de correspondentie met de Europese Commissie en het Nitraatcomité te delen met de Kamer. Is de Staatssecretaris hiertoe ook bereid?

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de kwaliteit van het water in Nederland in positieve mate toeneemt, en dat het aantal overschrijdingen van fosfaat- en stikstofwaarden in het oppervlaktewater afnemen. Hoe bekijkt de Staatssecretaris het door haar voorgestelde middel van fosfaatrechten dat iedere melkveehouder sterk zal raken in zijn bedrijfsstructuur, met het oog op het doel van de Nitraatrichtlijn te weten de waterkwaliteit onderwijl er in het overgrote deel van het land geen overschrijdingen van fosfaatnormen in het oppervlaktewater zijn? Deelt de Staatssecretaris de mening van de leden van de CDA-fractie dat dit middel disproportioneel is? Deelt de Staatssecretaris de mening van deze leden dat de Brusselse bureaucratie met de huidige toepassing van de Nitraatrichtlijn totaal uit de bocht vliegt? Ziet de Staatssecretaris in dat de volledig niet transparante totstandkoming van het middel, te weten het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn en het gebrek aan een directe relatie tussen het middel en het doel te weten het fosfaatplafond en de waterkwaliteit, ervoor zorgen dat er geen draagvlak is bij melkveehouders voor de door de Staatssecretaris voorgestelde maatregel van fosfaatrechten?

De leden van de CDA-fractie vragen of bij de onderhandelingen over het vijfde actieprogramma er gesproken is over de achterhaaldheid van het fosfaatplafond. Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat ten algemene de verwerking van mest leidt tot minder druk op de Nederlandse mestmarkt? Zo nee, waarom niet? Is de Staatssecretaris het met de leden van de CDA-fractie eens dat het fosfaatplafond in bepaalde mate zou moeten worden gecorrigeerd aan de hand van de in Nederland verplichte mestverwerking?

Voor de leden van de CDA-fractie was het behouden van de productierechten in de pluimvee- en de varkenshouderij, tegen de afspraken met de sector in, één van de redenen om het door de Staatssecretaris onderhandelde actieprogramma Nitraatrichtlijn 2014–2017 onvoldoende te vinden. De leden van de CDA-fractie willen graag dergelijke uitkomsten vermijden bij het volgende actieprogramma. De leden van de CDA-fractie vragen daarom de Staatssecretaris om uiteen te zetten hoe de voorbereidingen voor de onderhandelingen voor het volgende actieprogramma vorm worden gegeven. Is zij daartoe bereid? Hoe denkt de Staatssecretaris daarbij aan het wijzigen van het actieprogramma in verschillende delen van het land zoals in andere lidstaten veelal het geval is? De leden van de CDA-fractie achten dat op weg naar het volgende actieprogramma verandering van koers nodig is en dat daarbij voorbereiding komt kijken. Is de Staatssecretaris dit eens met deze leden? Zo nee, waarom niet?

Vooropgesteld, de leden van de CDA-fractie zijn nog onvoldoende overtuigd van de noodzaak en proportionaliteit van de invoering van fosfaatrechten in de melkveehouderij. In haar brief van 2 juli jl. geeft de Staatssecretaris aan dat het fosfaatplafond wordt overschreden en dat zij daarom fosfaatrechten invoert. Wat is de definitieve fosfaatproductie in 2014 geweest? Kan de Staatssecretaris onderbouwen in welke mate het fosfaatplafond in 2015 wordt overschreden, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Kan de Staatssecretaris dit afzetten tegen het langjarige gemiddelde? Neemt de stijging van het aantal koeien af sinds de brief van de Staatssecretaris van 2 juli jl.? In 2009 overschreed Nederland het fosfaatplafond, maar toen was er geen sprake van dat er onmiddellijk vergaande voorstellen aan de Europese Commissie gedaan dienden te worden. In hoeverre geeft de Europese Commissie Nederland de ruimte om adequaat te anticiperen op het daadwerkelijk overschrijden van het fosfaatplafond?

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de familiebedrijven in de Nederlandse melkveehouderij op dit moment te kampen hebben met slechte melkprijzen en dat ondertussen dit kabinet komt met nieuwe lastenverzwaringen door het invoeren van een systeem van fosfaatrechten. Is de Staatssecretaris het eens met de leden van de CDA-fractie dat fosfaatrechten een kostenverhoging met zich meebrengen voor melkveehouders, waardoor geen geld over is voor investeringen in verdere duurzaamheid en dierenwelzijn? Heeft de Staatssecretaris een analyse laten maken van de economische gevolgen van het voornemen tot invoering van fosfaatrechten? Zo nee, waarom niet? Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat bij het bepalen van het Nederlandse fosfaatplafond met de geplaatste productie in Nederland gerekend moet worden? En dat het fosfaat dat buiten de Nederlandse landbouw wordt geplaatst van het fosfaatplafond dient afgetrokken te worden? Zo nee, waarom niet? Kan de Staatssecretaris verduidelijken wat de daadwerkelijke fosfaatbelasting is van de melkveehouderij?

De leden van de CDA-fractie vragen de Staatssecretaris wat dit kabinet eigenlijk beoogt met de mogelijke invoering van fosfaatrechten. Kan de Staatssecretaris aangeven welke artikelen uit de derogatiebeschikking of andere Europese richtlijnen Nederland hiertoe verplichten? Kan de Staatssecretaris aangeven waarom Nederland indertijd een productieplafond heeft afgesproken? Kan de Staatssecretaris toelichten waarom er destijds gekozen is voor 2002 als referentiejaar? Kan de Staatssecretaris precies aangeven welk doel met het introduceren van fosfaatrechten gehaald gaat worden? Nederland heeft toch al bepalingen en regelgeving rondom gebruiksnormen, evenwichtsbemesting etc.? De leden van de CDA-fractie hebben in het verleden geopperd om een langjarig gemiddelde (bijvoorbeeld drie c.q. vijf jaar) te gebruiken bij het beoordelen van het overschrijden van het fosfaatplafond. In 2014 zijn bijvoorbeeld de omstandigheden met betrekking tot onttrekking van fosfaat uit de bodem anders dan in andere jaren geweest.

Vindt de Staatssecretaris het te rechtvaardigen dat na het opleggen van mestverwerking in 2013 met de wijziging van de Meststoffenwet en het opleggen van grondgebonden groei begin 2015 met de Wet verantwoorde groei melkveehouderij, de Staatssecretaris nu weer nieuwe eisen wil opleggen aan de melkveehouderij? Hoe is een stapeling van regels, zoals verplichte mestverwerking en grondgebondenheid te rijmen met de invoering van fosfaatrechten? Als fosfaatrechten ingevoerd zouden worden, wat is dan nog het belang van verplichte mestverwerking voor de melkveehouderij? Hoe kijkt de Staatssecretaris naar haar eigen verantwoordelijkheid als betrouwbaar bestuurder in deze? Deelt de Staatssecretaris de mening van de leden van de CDA-fractie dat dit kabinet de afgelopen jaren duidelijk heeft gemaakt dat bedrijven zich mogen ontwikkelen mits ze voldoende grond hebben of de mest verwerken? Zo nee, waarom niet? Behoort een aanpassing van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij ook nog tot de mogelijkheden in plaats van een nieuwe wet met fosfaatrechten? Zo nee, waarom niet?

In het verslag van een schriftelijk overleg (Kamerstuk 33 979 nr. 93) over de algemene maatregel van bestuur grondgebonden groei melkveehouderij gaf de Staatssecretaris op vragen van de leden van de CDA-fractie aan dat «ondernemers konden vanaf 2013 weten dat van ongebreidelde groei geen sprake kon zijn». Kan de Staatsecretaris aangeven wat deze opmerking in de praktijk voor de melkveehouderij voor gevolgen heeft? Kan de Staatssecretaris ook jurisprudentie overleggen die haar beweringen juridisch ondersteunen? Kan de Staatssecretaris aangeven wat de samenhang wordt met betrekking tot de melkveefosfaatreferentie en haar voornemen tot het invoeren van fosfaatrechten? Hoe gaat het opeenstapelen van wetgeving in de praktijk uitwerken, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Tijdens de behandeling van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij heeft de Staatssecretaris aangegeven dat voorkomen moet worden dat de melkveefosfaatreferentie vrij verhandelbaar wordt. Door het kabinet werd gesproken over voorkomen dat het marktwaarde krijgt en het kabinet niet beticht wilde worden van het geven van ongerechtvaardigde staatssteun. Kan de Staatssecretaris hier nog eens op reflecteren in het licht van mogelijke invoering fosfaatrechten? Over het aangenomen amendement Geurts c.s. (Kamerstuk 33 979 nr. 59) met betrekking tot overdracht aan een bloed- of aanverwant is ook discussie geweest over mogelijke staatssteun. Hoe verhoudt deze mening van de Staatssecretaris zich met het voorstel van de Staatssecretaris om fosfaatrechten in te voeren?

Wat is de reactie van de Staatssecretaris als de leden van de CDA-fractie haar de stelling voorleggen dat het onterecht is dat extensieve bedrijven in moeten leveren voor de intensieve bedrijven? Hoe valt het te rechtvaardigen dat melkveehouders met voldoende grond voor hun eigen mestafzet fosfaatrechten zouden moeten aanschaffen om te mogen uitbreiden? Als de Staatssecretaris haar plan voor fosfaatrechten doorzet, is zij dan voornemens om extensieve bedrijven en relatief kleine familiebedrijven te ontzien? Zo nee, waarom niet? Het aantal koeien en het aantal hectaren in eigendom of in gebruik zijn toch de norm en bepalen toch of er sprake is van een fosfaattekort of -overschot, zo vragen deze leden?

De leden van de CDA-fractie hebben contact gehad met vele en diverse familiebedrijven die onevenredig getroffen zouden worden door de invoering van fosfaatrechten. Deze leden hoorden regelmatig dat deze families het gevoel hebben dat ze «een huis mochten bouwen en daarvoor alle vergunningen hadden maar dat ze tijdens de bouw te horen kregen dat ze er niet in mogen gaan wonen». Wat is de Staatssecretaris voornemens te gaan doen voor bedrijven die in het bezit zijn van alle benodigde vergunningen, zoals de Natuurbeschermingswetvergunning, milieu en bouwvergunningen, en gefinancierd zijn maar nog niet een volle bezetting hebben gehad van hun stal? Deze families hebben reeds een stal gebouwd voor de toekomst, volgens de Maatlat Duurzame Veehouderij, maar hebben op dit moment een bezettingsgraad lager dan 80 procent. Zij willen c.q. moeten de komende twee jaren groeien naar 100 procent bezettingsgraad. Deze families hebben geen financiële ruimte om naast de mestverwerking en grondverwerving ook nog fosfaatrechten te kopen. Is de Staatsecretaris bereid voor die groep bedrijven die alle vergunningen, financiering en reeds gebouwd hebben een minimale bezetting van 90 procent mogelijk te maken, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Indien de Staatssecretaris besluit tot korten op fosfaatrechten, zijn de leden van de CDA-fractie benieuwd op welke gronden dat zou gaan plaats vinden. Gaat de Staatssecretaris bijvoorbeeld bedrijven waarvan het fosfaatoverschot ten opzichte van referentiejaar 2013 niet is toegenomen ontzien? Gaat de Staatssecretaris bezien of gestaffelde korting bij overschot bedrijven ten opzichte van referentiejaar 2013 mogelijk is? Wordt overdracht van fosfaatrechten mogelijk? Zo ja, op welke wijze? Behoort het instellen van een fosfaatbank ook tot de mogelijkheden? Worden te verkopen fosfaatrechten bij overdracht afgeroomd met een bepaald percentage? Zo ja, met welk percentage? Zo nee, waarom niet? Worden fosfaatrechten vrij verhandelbaar en fiscaal afschrijfbaar? Zijn fosfaatrechten te verhuren? Zo ja, te verhuren met of zonder grond? Hoe worden de fosfaatrechten bepaald als op een bedrijf ook rosé kalveren, zoogkoeien en vleesstieren voorkomen? Bestudeert de Staatssecretaris ook de mogelijkheid om ondernemers met gemengde bedrijven de mogelijkheid te bieden varkens- en pluimvee productierechten om te wisselen naar fosfaatrechten? Zo nee, waarom niet? Fosfaat is toch fosfaat of het nu van een rund, varken of kip is? De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat bij een eventuele invoering van fosfaatrechten het direct korten van bedrijven voorkomen moeten worden. Dit geldt temeer voor extensieve bedrijven en bedrijven met latente ruimte. Deze bedrijven zouden volgens de plannen van dit kabinet fosfaatrechten moeten aankopen om nog niet gebruikte mestplaatsingsruimte te mogen benutten.

Zou de Staatssecretaris kunnen reageren op het artikel «fosfaatbeleid staat haaks op metingen in milieu» in V-focus, zo vragen de leden van de CDA-fractie (zie: http://www.v-focus.nl/2015/09/fosfaatbeleid-staat-haaks-op-metingen-in-milieu/)? Is de Staatssecretaris het eens met de conclusies van het onderzoek van V-focus? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat de Staatssecretaris haar beleid hier op aanpassen? Zou de Staatssecretaris ook kunnen ingaan op het artikel «Fosfaatrechten – waar doen we het eigenlijk voor?» (zie http://www.mestportaal.nl/2015/fosfaatrechten-waar-doen-we-het-eigenlijk-voor/)?

Hoe draagt het invoeren van fosfaatrechten bij aan de stimuleren c.q. behouden van weidegang, agrarisch natuurbeheer en verantwoord bodembeheer, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Heeft de Staatssecretaris wel eens gesproken met de voerleveranciers in Nederland over de mineralenproblematiek in de landbouw en is er wel eens gesproken over het retour nemen van mineralen en fosfaat door voerleveranciers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de uitkomsten van deze gesprekken?

De leden van de CDA-fractie willen de Staatssecretaris de volgende casus voorleggen:

Een landgoed met pachtboerderijen heeft de afgelopen jaren een toekomstvisie gemaakt.

De toekomstvisie is mede gemaakt naar aanleiding van de ligging in en nabij Natura 2000-gebieden. Voor pachtboerderij A is op basis van deze toekomstvisie besloten de rosé kalveren om te zetten naar een grondgebonden extensieve melkveehouderij. Ondertussen zijn sinds september 2014 de milieuvergunning en de Natuurbeschermingswetvergunning beide omgezet naar melkvee. De Wet verantwoorde groei melkveehouderij geeft waarschijnlijk geen onoverkomelijke problemen voor deze pachtboerderij A. Echter invoeren van fosfaatrechten duidelijk wel. Wat biedt de Staatssecretaris dit bedrijf voor toekomstsperspectief, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Zou dit bedrijf weer moeten omschakelen naar rosé kalveren? Zou latente ruimte mogen worden benut bij de voorgenomen invoering van fosfaatrechten, zo vragen deze leden. Welk advies heeft de Staatssecretaris voor dit bedrijf?

Daarnaast nog enkele vragen van de leden van de CDA-fractie in relatie tot de mestwetgeving. Hoe gaat de Staatssecretaris om met de kringloopwijzer, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Is het de Staatssecretaris bekend dat extensieve bedrijven, die hun eigen voer telen, in de kringloopwijzer benadeeld lijken te worden? Hoe wil de Staatssecretaris dit voorkomen, zo vragen deze leden.

De leden van de CDA-fractie vragen welke inzet het kabinet heeft met betrekking tot de mestverwerkingspercentages 2016. Verder verhogen van de percentages betekent lastenverzwaring en dat is in het huidige economische klimaat niet voor de hand liggend. Kan er inzicht gegeven worden in de verwachte verwerkingscapaciteit in de gebieden Oost, Zuid en Overig? Op dit moment zet de sector in op export van de dikke fosfaatrijke fractie uit gescheiden mest. In de praktijk blijkt dan dat de dunne stikstofrijke fractie, voor de Nederlandse markt beschikbaar is. Derogatie voor mineralenconcentraat kan volgens de leden van de CDA-fractie hiervoor een oplossing bieden. Wat is de inzet van het kabinet op deze punten? Is de Staatssecretaris bereid flexibele uitrijtijden te betrekken bij haar voornemen tot invoering van fosfaatrechten? Is de Staatssecretaris bereid, gezien de verouderde cijfers die zijn gebruikt bij de onderhandelingen van het vorige actieprogramma, een verhoging van de aanwendnorm te betrekken bij de invoering van fosfaatrechten? Zo nee, waarom niet?

In Nederland zijn er diverse pensioengerechtigde ondernemers die uit fiscaal oogpunt actief ondernemer willen blijven en daarom hun land niet willen verpachten. Wel wordt er op deze grond dierlijke mest aangevoerd en gras c.q. mais verbouwd wat weer wordt verkocht c.q. teruggeleverd aan veehouders. De huidige meststoffenwetgeving voorziet niet in deze situatie als voorwaarde voor grondgebondenheid. De leden van de CDA-fractie hebben al eerder een pleidooi gehouden om deze zogenaamde «mest-voercontracten» en bijbehorende hectares mee te laten tellen als mogelijke verantwoording ten behoeve van grondgebondenheid. Is de Staatssecretaris nu ook bereid hier serieus naar te kijken, zo vragen deze leden.

Is de Staatssecretaris bereid het Vlaamse model (zie http://www.vcm-mestverwerking.be/) ook in Nederland in te voeren? Volgens de leden van de CDA-fractie zouden kennis en vergunningverlening hiermee verbeterd en versneld kunnen worden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over de ontwikkelingen in de melkveehouderij sinds het opheffen van het melkquotum. Zij willen benadrukken dat eventuele steunmaatregelen moeten toewerken naar een duurzame hervorming van de sector die zorgt voor toekomstbestendigheid. Het opnieuw instellen van melkquota, het verhogen van interventieprijzen en maatregelen die geen rem zetten op verdere schaalvergroting doen dat geen van allen.

De leden van de D66-fractie vragen in hoeverre de Wet verantwoorde groei melkveehouderij, en onderliggende algemene maatregel van bestuur, daadwerkelijk tot verantwoorde groei heeft geleid. Zij verkrijgen daarop graag een reactie van de Staatssecretaris. Het feit dat de Staatssecretaris wegens groei van de melkveehouderij nu moet ingrijpen om de fosfaatproductie te beperken omwille van dreigende overschrijding van het met de Europese Commissie afgesproken fosfaatplafond doet de aan het woord zijnde leden anders vermoeden. Welke consistentie ziet zij hierin? Welke lessen voor toekomstig beleid trekt zij hieruit?

De leden van de D66-fractie vragen of de Staatssecretaris met cijfers van CBS of met het early warning systeem al preciezer dan in haar brief van 2 juli jl. kan aangeven hoeveel de fosfaatproductie in 2015 al is gestegen en, zonder aanvullend beleid, naar verwachting gaat stijgen tot 2020? Wat zijn de jongste prognoses?

De leden van de D66-fractie vragen in het kader van de fosfaatrechten, die de Staatssecretaris zich voorneemt in te voeren, hoe een nitraatrichtlijn een grondslag voor een fosfaatplafond kan zijn. In haar brieven stelt de Staatsecretaris immers dat het fosfaatplafond voortkomt uit die richtlijn, het vijfde actieprogramma en de derogatiebeschikking. De aan het woord zijnde leden vernemen graag precies hoe beide zich tot elkaar verhouden. In het bijzonder zijn zij benieuwd hoe uit de genoemde documenten de rechtsgrond van het fosfaatplafond volgt, op welke wijze de hoogte van het plafond is vastgesteld, van wiens zijde op welk moment in welk gremium voorgesteld is een fosfaatplafond in te voeren met welke hoogte en, indien dit in het kader van onderhandelingen was, wat de reden voor dit voorstel was. Voorts zijn zij benieuwd met welke andere lidstaten de Europese Commissie een fosfaatplafond heeft afgesproken en op welke grondslag dat gebeurd is?

De leden van de D66-fractie vragen welke ruimte om te groeien melkveebedrijven voor zichzelf kunnen creëren indien zij effectief sturen op fosfaatefficiëntie. Kan de Staatssecretaris daartoe een overzicht geven van enkele veelvoorkomende of innovatieve manieren om fosfaatproductie te verminderen? En kan zij daarbij toelichten hoeveel procent reductie elk van die maatregelen gemiddeld tot gevolg heeft of kan hebben?

De leden van de D66-fractie vragen om een analyse van de Staatssecretaris hoe de verscheidene ten behoeve van de bescherming van natuur en milieu opgestelde stelsels, zoals het Programma Aanpak Stikstof en fosfaatrechten, zich tot elkaar verhouden. In hoeverre worden en zijn stelsels voor stikstof, fosfaatproductie en -afzet goed op elkaar af te stemmen voor melkveebedrijven? Wat wordt eraan gedaan deze systemen zo goed mogelijk in elkaars verlengde te leggen?

De leden van de D66-fractie krijgen berichten van bezorgde boeren die vrezen dat ondanks dat in hun regio nog ontwikkelruimte zou zijn, zij straks beperkt worden omwille van intensievere melkveehouderij elders in het land. Zij vragen zich daarom af in welke mate bij de ontwikkeling van een stelsel van fosfaatrechten de Staatssecretaris voornemens is met regionale verschillen rekening te houden. De aan het woord zijnde leden kunnen zich voorstellen dat gedifferentieerd wordt naar gelang de dichtheid aan melkveebedrijven in een gebied en de aanwezigheid van kwetsbare natuur. Hoe ziet de Staatssecretaris dit?

De leden van de D66-fractie vragen of de invoering van fosfaatrechten tot ongewenst neveneffect kan hebben dat melkveebedrijven jongvee afstoten en deze uit andere landen gaan importeren. Jongvee stoot immers wel fosfaat uit, maar levert nog geen melk op. Nadelig aan een dergelijke omslag zou zijn dat diertransporten over langere afstand toenemen, evenals het risico op dierziektes. Hoe wil de Staatssecretaris dit scenario ondervangen in haar voorgenomen fosfaatrechtenstelsel?

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief vooruitlopend op een wetsvoorstel tot wijziging van de Meststoffenwet ter introductie van een productiebegrenzing in de melkveehouderij in de vorm van fosfaatrechten.

Er is sprake van een moeilijke situatie in de melkveehouderij, als gevolg van lagere export naar landen als China en Rusland en hoge investeringen in extra dieren/productiecapaciteit, anticiperend op het tijdperk na de melkquotering. Vanwege de lage melkprijs is de situatie voor steeds meer melkveehouders nijpend, zeker voor hen die anticiperend op de afschaffing van de melkquotering flink hebben geïnvesteerd.

Tegelijkertijd dreigt nu een overschrijding van het nationale fosfaatproductieplafond over 2014 en 2015, waar de melkveehouderij een grote bijdrage aan levert. De dreigende overschrijding van het plafond baart de leden van de ChristenUnie-fractie zorgen, niet alleen vanwege de milieuproblematiek die daarmee gepaard gaat en de derogatie die op het spel staat, maar ook vanwege het feit dat de solidariteit binnen de sector ver te zoeken lijkt. Grote intensieve bedrijven met weinig grond komen nu in de problemen, maar tegelijkertijd dreigen de groeimogelijkheden voor de grondgebonden extensieve bedrijven ook in de knel te komen.

De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat de Staatssecretaris kiest voor een nadere regulering van de fosfaatproductie in de melkveehouderij. Deze leden hebben, gelet op de balans tussen voor- en nadelen, begrip voor het feit dat het kabinet daarbij kiest voor het instrument van fosfaatrechten. Wel hebben deze leden behoefte aan een goede argumentatie bij deze keuze, zodat de visie van het kabinet op een duurzame melkveehouderij en de uitgangspunten bij de toepassing van dit instrument helder worden. Zij vragen het kabinet dan ook de keuze voor fosfaatrechten nader te onderbouwen.

De leden van de ChristenUnie-fractie willen de Staatssecretaris een aantal aandachtspunten meegeven bij het opstellen van het wetsvoorstel. De introductie van het fosfaatrechtensysteem zou slecht kunnen uitpakken voor relatief extensieve grondgebonden bedrijven. Het is volgens deze leden dan ook van belang dat er een billijk systeem komt, waarbij recht wordt gedaan aan bedrijven die nu reeds een gezonde balans tussen grond, vee en omgeving realiseren. Deze leden vragen dan ook aan de Staatssecretaris op welke wijze grondgebonden bedrijven worden «beloond» bij de introductie van fosfaatrechten. Is zij bereid om specifieke ruimte te reserveren voor grondgebonden bedrijven die nog groeiruimte op het eigen bedrijf hebben? Is de Staatssecretaris ook bereid om te bekijken hoe een systeem van fosfaatrechten grondgebonden en extensieve groei mogelijk maakt en stimuleert?

De Staatsecretaris wil rechten toekennen op basis van het aantal gehouden stuks melkvee en jongvee. Waarom heeft de Staatssecretaris er niet voor gekozen een koppeling te leggen met de op een bedrijf aanwezige fosfaatruimte, dus met grond? Hoe komt de Staatssecretaris de extensieve bedrijven tegemoet die al hebben geïnvesteerd in groeiruimte maar deze nog niet hebben verzilverd door koeien aan te schaffen?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom is gekozen om zowel met een peildatum (2 juli 2015) als een referentiejaar (2014) te werken. Levert dit niet veel verwarring en onduidelijkheid op? Wat is de waarde van het referentiejaar 2014 als er een peildatum is van 2 juli 2015? Is er dan niet alsnog sprake van het belonen van anticiperend gedrag, aangezien melkveehouders hadden kunnen weten dat er een nadere productiebegrenzing zou komen?

Op welke wijze wil de Staatssecretaris (extensieve) grondgebonden bedrijven ontzien, indien onverhoopt tot afroming van fosfaatrechten moet worden overgegaan teneinde het sectorplafond niet te overschrijden, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben een aantal specifieke vragen aan de Staatssecretaris over het fosfaatoverschot. Ten eerste, kan de Staatssecretaris aangeven hoe groot het fosfaatoverschot is dat wordt geproduceerd op melkveebedrijven die nu volgens de definitie (grondgebonden = grond in eigendom of gebruik bij het bedrijf) niet grondgebonden zijn? En kan de Staatssecretaris hierbij aangeven wat de provinciale fosfaatoverschotten zijn?

Ten tweede, kan de Staatssecretaris aangeven hoe groot de fosfaatproductie van grondgebonden melkveebedrijven is en hoe groot die kan zijn gezien de fosfaatgebruiksruimte op deze bedrijven? Wat is de niet gebruikte fosfaatruimte van deze bedrijven in de diverse provincies?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Staatssecretaris te reageren op de brief van Veelzijdig Boerenland d.d. 26 augustus jl. aan haar, die in afschrift aan de Kamer is gezonden, waarin deze organisatie aangeeft dat een extensieve grondgebonden melkveehouderij een belangrijke bijdrage levert aan natuur en landschap. Is de Staatssecretaris bereid de grondgebonden melkveehouderij te stimuleren om meer aan natuur en landschap te doen? Wat vindt de Staatssecretaris in dat licht van het pleidooi dat Veelzijdig Boerenland houdt voor grondgebonden fosfaatrechten? Genoemde leden vragen de Staatssecretaris een reactie op de vier voorstellen die Veelzijdig Boerenland in de brief doet.

Voorts vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of de voorgenomen verhandelbaarheid van fosfaatrechten gelet op de visie van het kabinet op een sterke en duurzame melkveehouderij een verstandig voornemen is. Leidt verhandelbaarheid niet tot vergelijkbare taferelen als ten tijde van de melkquotering, waardoor de kostprijs voor de melkveehouder stijgt en er veel geld uit de sector verdwijnt naar stoppende bedrijven? Welke alternatieven ziet het kabinet of aan welke nadere voorwaarden (bijvoorbeeld koppeling aan grond) denkt zij, zo vragen deze leden. Heeft zij ook overwogen om een fosfaatbank in te stellen als alternatief voor de onderlinge verhandelbaarheid van fosfaatrechten?

Waarom kiest de Staatssecretaris ervoor de toegekende fosfaatrechten niet (eenmalig) uitwisselbaar te laten zijn met de productierechten voor varkens en pluimvee? Wat zijn de voor- en nadelen van schotten tussen de sectoren, mede gelet op de moeilijke situatie in de varkenshouderij?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Staatssecretaris naar de stand van zaken van het overleg in de regiegroep. Wanneer verwacht de Staatssecretaris een wetsvoorstel naar de Kamer te kunnen sturen?

Kan de Staatssecretaris aangeven wat de stand van zaken is rond de private afspraken over het voerspoor en de Kringloopwijze?. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de effectiviteit van deze maatregelen tot dusverre?

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie hebben kennisgenomen van de brieven van de Staatssecretaris over de situatie in de melkveehouderij. Deze leden betreuren het dat de sector het fosfaatplafond overschrijdt, maar stellen ook dat het beleid en specifieker de wet Verantwoorde groei van de melkveehouderij daaraan mede heeft bijgedragen. Deze leden zien daarom aanleiding tot het stellen van vragen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe de Staatssecretaris nu terugkijkt op het wetsvoorstel, nu enkele maanden na ingang van de wet de eerste problemen zich voordoen. Is zij het met de leden van de GroenLinks-fractie eens dat er teveel vertrouwen is gegeven aan de sector?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen aan de Staatssecretaris een overzicht met welke maatschappelijke partijen gesproken is bij de uitwerking van de opties voor het reguleren van de fosfaatproductie in de melkveehouderij.

De leden van de GroenLinks-fractie zijn van mening dat de veestapel in de intensieve veehouderij moet inkrimpen en dat er tegelijkertijd meer ruimte moet komen voor extensieve en grondgebonden boeren. Deze leden vragen aan de Staatssecretaris of zij met de uitwerking van het fosfaatrechtenstelsel een onderscheid gaat maken tussen de intensieve melkveehouderij en extensieve, grondgebonden melkveehouderij.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen aan de Staatssecretaris wat de gevolgen zijn van een fosfaatrechtenstelsel op het aantal boeren dat aan weidevogelbeheer doet. Kan de Staatssecretaris reageren op de analyse van de directeur van het CLM die stelt dat een fosfaatrechtenstelsel melkveebedrijven stimuleert om te streven naar maximale fosfaatefficiëntie, wat onherroepelijk zal leiden tot intensivering en het opzeggen van beheersovereenkomsten?

De leden van de GroenLinks-fractie zijn van mening dat weidegang wettelijk zou moeten worden verankerd. Deze leden zien de weidegang jaarlijks teruglopen en zouden liever vandaag dan morgen deze trend willen keren. Voorts vragen de leden aan de Staatssecretaris of zij bereid is weidegang als criterium voor de uitgifte van fosfaatrechten op te nemen?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen aan de Staatssecretaris nader in te gaan op de gevolgen van een fosfaatrechtenstelsel op de weidegang, op de emissie van ammoniak en broeikasgassen.

Is de Staatssecretaris het met de leden van de GroenLinks-fractie eens dat herstel van grondgebondenheid uitgangspunt zou moeten zijn voor het beleid inzake de dierhouderij, en dat derhalve bij de uitwerking van het fosfaatenrechtenstelsel gestuurd zou moeten worden op aspecten van grondgebondenheid?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende brieven. Zij hebben enkele kritische vragen over de voorgestelde invoering van fosfaatrechten.

De leden van de SGP-fractie hebben enkele procedurele vragen. Kan de Staatssecretaris aangeven wanneer het wetsvoorstel ongeveer naar de Kamer gestuurd zal worden? Wanneer zou het wetsvoorstel van kracht moeten worden? De leden van de SGP-fractie willen voorkomen dat melkveehouders lang in onzekerheid blijven over de nadere invulling van het door de Staatssecretaris gewenste fosfaatrechtensysteem. Kan de Staatssecretaris op korte termijn, zo nodig nog voor ommekomst van het wetsvoorstel, nader duiden hoe zij om wil gaan met bijvoorbeeld het afromen van fosfaatrechten en de positie van grondgebonden melkveehouders?

De voorgestelde invoering van fosfaatrechten wordt opgehangen aan het fosfaatplafond dat met de Europese Commissie in het kader van de derogatie is afgesproken. De leden van de SGP-fractie hebben enkele kritische vragen over de inhoudelijke motivering van deze afspraak. In de derogatiebeschikking staat dat productiebegrenzing en mestverwerking nodig zijn om ervoor te zorgen dat toepassing van de huidige derogatie niet leidt tot verdere intensivering. Op welke vorm van intensivering wordt hier gedoeld?

De leden van de SGP-fractie constateren dat problemen met nitraatconcentraties in grondwater zich vooral voordoen in de zuidelijke zand- en lössgebieden. In deze gebieden ligt de stikstof- en fosfaatproductie van in ieder geval de melkveehouderij ten opzichte van 2002 significant lager. Welk verband ziet de Staatssecretaris tussen het invoeren van fosfaatrechten en het aanpakken van de zuidelijke nitraatproblemen?

Ten opzichte van 2002 wordt veel meer mest verwerkt c.q. buiten de Nederlandse landbouw afgezet. In 2013 was dat ongeveer 19 miljoen kilogram fosfaat meer dan in 2002. Daarbij komt dat de komende jaren ook meer mest verplicht verwerkt zal moeten worden. Sterker nog: de Wet verantwoorde groei melkveehouderij bepaalt dat melkveebedrijven alle extra mest die ze niet op eigen grond af kunnen zetten moeten verwerken en dus buiten de Nederlandse landbouw af moeten zetten. Deze extra mineralen als gevolg van de productiegroei in de melkveehouderij komen dus niet op Nederlandse landbouwgrond terect en dragen derhalve niet bij aan de af- en uitspoelingsproblematiek. Vindt de Staatssecretaris met de leden van de SGP-fractie dat hier in het kader van de derogatie en het fosfaatplafond meer rekening mee gehouden moet worden?

Daarnaast wijzen de leden van de SGP-fractie op de forse afname van de stikstof- en fosfaatoverschotten op de Bodembalans van het CBS. In 2002 was het stikstofoverschot op de bodem ruim 400 kilogram, in 2014 ongeveer 260 kilogram. In 2002 was het fosfaatoverschot ongeveer 70–80 kilogram, in 2014 slechts 7 kilogram. Wat betekent dit voor de noodzaak om de mestproductie te begrenzen?

Kan de Staatssecretaris aangeven op welke wijze de invoering van fosfaatrechten bijdraagt aan het aanpakken van lokale overschrijding van de nitraatnorm van 50 mg per liter?

De leden van de SGP-fractie constateren dat in de Kamerbrief niet wordt aangegeven wat de verwachte ontwikkeling van de fosfaatproductie (melkveehouderij en algemeen) de komende jaren zou zijn zonder een systeem van fosfaatrechten. In eerdere prognoses, onder meer van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), werd aangegeven dat de veehouderij tot 2020 ook zonder productierechten onder het fosfaatplafond zou kunnen blijven. Verder was vorig jaar sprake van uitzonderlijk hoge fosfaatgehaltes in het ruwvoer. Ook moet rekening gehouden worden met ontwikkelingen in andere sectoren. Het is bijvoorbeeld de vraag hoe, gelet op het wegvallen van toeslagen en het ongelijke Europese speelveld, de fosfaatproductie van de kalverhouderij zich de komende jaren zal ontwikkelen. Verder willen de leden van de SGP-fractie wijzen op de remmende werking van de toenemende concurrentie om ruwvoer (PBL, 2013), op de recente afspraken over benutting van het voerspoor, op de invloed van de melkprijsontwikkeling en op de stijging van de grondprijs in de afgelopen jaren. De Staatssecretaris zou in aanvulling daarop nog kunnen kiezen voor verplichtende maatregelen met betrekking tot het voerspoor. Wil de Staatssecretaris, indien nodig op een later moment, nog met een inhoudelijke, cijfermatige analyse en inschatting van de ontwikkeling van de fosfaatproductie (melkveehouderij en algemeen) en de noodzaak om de fosfaatproductie via fosfaatrechten te reguleren, komen?

De Staatssecretaris neemt het melkveefosfaatplafond als uitgangspunt. Waarom heeft zij hiervoor gekozen? Met de Europese Commissie zijn alleen afspraken gemaakt over het totale fosfaatplafond. Waarom kijkt de Staatssecretaris niet of gelet op de ontwikkeling van de fosfaatproductie in andere sectoren en het totale fosfaatplafond een hoger fosfaatplafond mogelijk is?

Kan de Staatssecretaris een inschatting geven van de latente stalruimte en de latente plaatsingsruimte?

In de melkveehouderij zijn verschillende soorten bedrijven. Bedrijven met latente plaatsingsruimte en bedrijven met een (hoog) overschot. Bedrijven die extra grond hebben verworven alvorens extra koeien aan te houden/kopen en bedrijven die eerst extra koeien hebben aangehouden/gekocht. Bedrijven met weidegang en bedrijven zonder weidegang. Bedrijven die afgelopen jaren (flink) zijn gegroeid en bedrijven die gewacht hebben op de afschaffing van het melkquotum. Bedrijven met latente nieuwe, zwaar gefinancierde, stalruimte en bedrijven die geen stalruimte bij hebben gebouwd. Iedere ondernemer heeft vanuit zijn eigen perspectief vaak begrijpelijke keuzes gemaakt. Daarbij zijn door de overheid en sectororganisaties bepaalde verwachtingen gewekt, zoals ruimte voor grondgebonden groei. Omdat bij de voorgestelde invoering van het fosfaatrechtensysteem keuzes gemaakt moeten worden omtrent toekenning en eventuele afroming van rechten, horen de leden van de SGP-fractie graag hoe het kabinet vanuit het oogpunt van rechtvaardigheid en duurzaamheid wil omgaan met de verschillende soorten bedrijven. Hoe kijkt zij bijvoorbeeld aan tegen de positie van bedrijven die latente plaatsingsruimte hebben en door een fosfaatrechtensysteem beperkt worden in hun ontwikkelmogelijkheden?

De Staatssecretaris kiest vooralsnog niet voor mogelijke uitwisseling van productierechten tussen de varkenshouderij en de melkveehouderij. De leden van de SGP-fractie willen wijzen op de voordelen voor de varkenshouderij (een betere marktpositie voor varkensbedrijven) en de melkveehouderij (meer speelruimte bij invoering van het fosfaatrechtensysteem). Gaat de Staatssecretaris bezien of deze voordelen niet zwaarder wegen dan mogelijke nadelen?

In 2017/2018 staan ook de productierechten voor de varkens- en pluimveehouderij weer ter discussie. Dit staat niet los van de wijze waarop met fosfaatrechten voor de melkveehouderij omgegaan wordt. Welke koers wil de Staatssecretaris varen ten aanzien van de productierechten voor de varkens- en pluimveehouderij?

In het kader van het debat over de Wet verantwoorde groei melkveehouderij heeft de Staatssecretaris toegezegd dat zij met de sector in overleg gaat over regionale kringlopen en het «meetellen» van lokale kringlopen (afzet mest in ruil voor ruwvoer) voor grondgebondenheid. De leden van de SGP-fractie horen graag wat de stand van zaken is en welke stappen gezet gaan worden.

Het fosfaatrechtensysteem zou bovenop de (nieuwe) verplichtingen van de afgelopen jaren komen, de gewone en aanvullende verwerkingsplicht en de algemene maatregel van bestuur grondgebonden groei melkveehouderij. Gaat de Staatssecretaris ook bezien of deze (bestaande) verplichtingen nog voldoende toegevoegde waarde hebben?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van de brief over het stelsel van fosfaatrechten. Zij constateren dat de Staatssecretaris de melkveehouderij geen strobreed in de weg legt om nog verder te groeien, zich om te vormen tot een nieuwe vorm van bio-industrie en het toch al gigantische mestoverschot nog verder te laten groeien. Zij willen hierover graag vragen voorleggen aan de Staatssecretaris.

De leden van de PvdD-fractie zijn verbaasd dat de Staatssecretaris steeds meer de weg van de industrialisering en schaalvergroting inslaat ondanks haar eigen uitspraak dat verdere industrialisering in de veehouderij onwenselijk is (zie http://drimble.nl/economie/25483722/dijksma-tegen-verdere-industrialisatie-intensieve-veehouderij.html). Het huidige plan tot invoering van fosfaatrechten past volgens de leden van de PvdD-fractie in een beleid waarin nog steeds gekozen wordt voor groot, groter, grootst. Melkveehouders met de grootste ellebogen komen als winnaar uit de bus, ondanks alle toezeggingen van de Staatssecretaris dat anticiperend gedrag van grote groeiers niet beloond zou worden. Waarom? De Staatssecretaris heeft dovemansoren gehad voor waarschuwingen vanuit wetenschappelijke instituten zoals het PBL en het CLM. De Staatssecretaris heeft het herhaaldelijk oproepen tot ingrijpen genegeerd en het gevolg is dat we nu door het fosfaatplafond van de melkveehouders zijn. En nu zitten we met schadelijke gevolgen voor het milieu, de dieren maar ook voor de melkveehouders die nu in financiële problemen zitten. Dit had allemaal voorkomen kunnen worden als de Staatssecretaris eerder een actief en sturend beleid had gevoerd. Kan de Staatssecretaris ook bevestigen dat we door het gehele fosfaatplafond heen zijn geschoten?

Door de gekozen peildata worden megabedrijven beloond en worden de melkveehouders die zich aan de regels gehouden hebben gedupeerd. Met de komst van fosfaatrechten worden extensievere melkveehouders benadeeld, ten opzichte van de grote groeiers.

Alleen de introductie van systematiek op basis van graasdiereenheden, waarbij weidegang, grondgebondenheid, gesloten kringlopen en een stop aan verdere opvoering van melkproductie per koe, zal de sector toekomstbestendig houden en borgt het welzijn van zowel dier als mens. De leden van de PvdD-fractie pleiten daarom nogmaals voor invoering van dit systeem. Nu de Staatssecretaris moet ingrijpen omdat alle beloften van de sector om zelf de groei van de melkveehouderij in Nederland tegen te gaan, zijn geschonden, is de tijd meer dan rijp voor invoering van dit systeem. Graag een reactie.

Zorgelijk vinden de leden van de PvdD-fractie de trend dat boeren op dit moment bezig zijn met het afstoten van jongvee. Veel melkveehouders hebben grote aantallen kalfjes met de gedachte dat deze op termijn bij zouden dragen aan een toenemende melkproductie. Deze kalfjes zijn op dit moment «economisch niet rendabel». Boeren zitten financieel in de knel en zijn onzeker over de toekomst. Het afstoten van massale aantallen kalfjes zorgt voor een enorme toename aan diertransporten en is slecht voor het dierenwelzijn. Daarbij sluit het aan op de eerdere constatering van de heer Jan Douwe van der Ploeg in Zembla (d.d. 27-05-2015) dat koeien wegwerpartikelen zijn geworden. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de ontwikkeling rondom de kalfjes in de melkveehouderij en kan zij alsnog bevestigen dat koeien en kalfjes inderdaad gedegenereerd zijn tot wegwerpartikelen? Wat gaat zij concreet hieraan doen?

Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de geplande embryofabriek in Wichmond? Honderden koeien zullen hier kunstmatig bevrucht worden. De ongeboren embryo’s zullen hierna uit de moederkoe gehaald worden om vervolgens getransporteerd te worden naar een gigafabriek in Brazilië. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris dit onnatuurlijke geknutsel aan dieren en diens zwangerschappen? De leden van PvdD-fractie vinden het zorgwekkend dat de Staatssecretaris met haar beleid dit soort onethische en ongewilde ontwikkelingen toestaat. Burgers, politiek, overheden maar ook de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) hebben deze ontwikkeling negatief en onwenselijk genoemd en toch weigert de Staatssecretaris om zich actief in te zetten voor een oplossing die daadwerkelijk werkt. Een norm stellen aan dieraantallen door bijvoorbeeld graasdiereenheden is de enige oplossing die negatieve gevolgen van de vee-industrie voor dierenwelzijn, natuur en milieu kan indammen. Een wet dieraantallen of een fosfaatrechtenstelsel zijn niet meer dan een groen sausje over een onzalig beleid voor een ziekmakend systeem. Graag een reactie

De Staatssecretaris geeft in haar brief aan dat zij niet gekozen heeft voor een systematiek op basis van diereenheden. Zij beargumenteert dat deze systematiek schadelijk kan zijn voor het dierenwelzijn aangezien boeren dan individuele koeien zullen uitmelken om zo tot een maximale economische omzet te komen. De leden van de PvdD-fractie constateren dat dit uitmelken van koeien al de orde van de dag is en dat dit binnen een stelsel van fosfaatrechten niet anders zal zijn. Melkveehouders zijn gericht op een zo hoog mogelijke productie en zullen binnen elke systematiek zoveel mogelijk melk uit hun koeien proberen te halen. Koeien worden hier immers ook al selectief op gefokt. Volgens het wetenschappelijk panel van de European Food and Safety Authority (EFSA), is het selectief fokken voor een hoge melkgift zelfs de belangrijkste oorzaak van gezondheidsproblemen. De wetenschappers melden een verhoogde kans op kreupelheid, op uierontsteking, op onvruchtbaarheid en op stofwisselingsstoornissen en melkziekte. De Gezondheidsdienst voor Dieren meldt zorgwekkende berichten over ischemische speennecrose. Deelt de Staatssecretaris de mening van de leden van de PvdD-fractie dat deze wijze van omgang met dieren niet past binnen een robuuste en duurzame veehouderij? Is de Staatssecretaris bereid om extra maatregelen te treffen zodat een koe niet langer meer gezien wordt als een melkmachine? Graag een reactie.

De leden van de fractie van de PvdD hebben kennisgenomen dat Friesland Campina in de eerste 6 maanden van 2015 een winst behaalde van 192 miljoen euro; 85% meer dan het jaar ervoor. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe deze forse winst zich verhoudt tot de financiële crisis waar de melkveehouders zich nu in bevinden? In hoeverre is het, binnen deze context, gerechtvaardigd dat grootgrutters als Friesland Campina miljoenen winst boeken terwijl de belastingbetaler moet opdraaien voor de onverzadigde uitbreidingsdrang van boeren? Graag een reactie.

II. Antwoord / Reactie van de Staatssecretaris

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie ontvangen graag een meerjarig overzicht van de ontwikkeling van de fosfaatruimte (gebruiksnormen). De leden van de VVD-fractie ontvangen graag een tabel waarin vanaf de invoering van het fosfaatplafond de fosfaatproductie is opgenomen per sector. In hetzelfde overzicht ook graag een overzicht van de hoeveelheid mest (fosfaat) wat via (verplichte) mestverwerking is afgevoerd.

In onderstaande tabellen zijn de door de leden van de fractie van de VVD gevraagde gegevens opgenomen.

Tabel 1: Fosfaatproductie veehouderij en uitgesplitst naar varkenshouderij, pluimveehouderij, melkveehouderij en overig voor de periode 2002–2014 (bron: CBS Statline)

fosfaatproductie in miljoen kilogram

Jaar

veehouderij totaal

varkens

pluimvee

melkvee

overig

2002

172,9

39,7

27,4

84,9

20,9

2003

165,9

38,6

20,6

85,8

20,9

2004

161,8

37,1

23,9

80,9

19,9

2005

169,7

41,5

26,8

80,5

20,9

2006

169,2

42,8

26,9

78,8

20,7

2007

169,4

42,7

27,0

78,5

21,2

2008

175,9

45,1

27,9

83,0

19,9

2009

174,8

46,5

28,8

80,2

19,3

2010

178,9

45,5

29,1

84,2

20,1

2011

169,7

42,7

28,1

78,7

20,2

2012

160,6

39,2

26,0

76,2

19,2

2013

165,6

39,6

27,2

80,6

18,2

2014

171,7

38,8

27,7

85,6

19,6

Tabel 2: Fosfaatruimte en hoeveelheid verwerkte mest voor de periode 2002-2014 (bron: CBS Statline (2002-2013) en RVO.nl (2014))

Jaar

Fosfaatruimte in mln. kg.

Mestverwerking in mln. kg. fosfaat1

Export in mln. kg. fosfaat

Mestverwerking conform Meststoffenwet, in mln. kg. fosfaat2

2002

194

2,5

16,5

2003

178

2,0

9,4

2004

180

2,9

12,6

2005

170

2,7

14,3

2006

184

0,3

16,1

2007

179

0,1

27,5

2008

175

3,2

29,3

2009

172

7,2

27,6

2010

154

9,4

24,7

2011

152

9,2

25,2

2012

141

9,8

27,0

2013

135

10,0

26,1

2014

137

44,3

X Noot
1

Voor de jaren 2002–2013 zijn de gegevens gebaseerd op de definitie van mestverwerken volgens CBS: «Verwerkingsprocessen waarbij het eindproduct niet langer als dierlijke mest wordt aangemerkt zoals de asresten bij mestverbranding. Ook de stikstof die door kalvergierzuivering in luchtemissies wordt omgezet, valt hieronder. Verwerkingsprocessen en de netto export verklaren voor een groot deel het verschil tussen mestafvoer en mestaanvoer door landbouwbedrijven».

X Noot
2

Vanaf 2014 is dierlijke meststoffen verwerken (mestverwerking) gedefinieerd in de Meststoffenwet (artikel 1, eerste lid, onderdeel dd): «behandelen van dierlijke meststoffen tot een eindproduct dat voldoet aan de bij regeling van Onze Minister vast te stellen specificaties, of exporteren van dierlijke meststoffen».

De leden van de VVD-fractie willen de Staatssecretaris vragen wat in het verleden de reden is geweest om een fosfaatplafond in te stellen. Waarom is in overleg met de Europese Commissie toen voor een dergelijk systeem gekozen? En kan de Staatssecretaris aangeven waarom bij het maken van de afspraken met de Europese Commissie is gekozen voor het jaar 2002 als referentiejaar? Bestaan er ook afspraken met de Europese Commissie om de gemaakte afspraken te evalueren? Zo ja, wanneer zal dit plaatsvinden? Zo nee, heeft de Staatssecretaris hiervoor gepleit? En zo nee, waarom niet? Op basis van welke gronden is destijds het fosfaatplafond vastgesteld? Op basis van welke gronden is de sector tot een verdeling van het fosfaatplafond gekomen?

Nederland heeft voor de periode van het derde actieprogramma Nitraatrichtlijn (2006–2009) bij de Europese Commissie een verzoek tot derogatie ingediend om af te wijken van de gebruiksnorm voor dierlijke mest van 170 kilogram stikstof per hectare. De door Nederland aangeleverde wetenschappelijke onderbouwing van het derogatieverzoek heeft de Europese Commissie tot het oordeel gebracht dat de «voorgestelde hoeveelheid mest geen afbreuk doet aan het bereiken van de doelstellingen van Richtlijn 91/676/EEG, mits aan bepaalde strenge voorwaarden wordt voldaan»(overweging 10 uit de Beschikking van de Commissie van 8 december 2005 tot verlening van een door Nederland gevraagde derogatie op grond van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen; 2005/880/EG). Eén van deze Europese voorwaarden betrof maatregelen om te borgen dat «de mestproductie zowel wat stikstof als wat fosfaat betreft, het niveau van het jaar 2002 niet overschrijdt» (artikel 7 derogatiebeschikking). De overweging van de Europese Commissie hierbij was: «Teneinde te vermijden dat door de toepassing van de gevraagde derogatie intensivering optreedt, dienen de bevoegde instanties ervoor te zorgen, dat de mestproductie, zowel wat stikstof als fosfaat betreft, het niveau van het jaar 2002 niet overschrijdt, overeenkomstig het door Nederland uit te voeren actieprogramma». Met andere woorden, de Europese Commissie wilde voorkomen dat door de ruimere bemestingsnorm (250 kilogram stikstof per hectare uit dierlijke mest) de veehouderij in Nederland verder zou intensiveren. Nederland heeft daarbij het voorstel gedaan om het jaar 2002 als referentiejaar te hanteren omdat de fosfaatproductie in de jaren 2003 en 2004 sterk beïnvloed waren (fors lager waren) door de uitbraak van Aviaire Influenza in Nederland in 2003. Het staat lidstaten vrij om bij een hernieuwd verzoek tot derogatie met de Europese Commissie in gesprek te gaan over de inhoud van en de voorwaarden verbonden aan die derogatie.

Zoals per brief van 3 oktober 2014 aan uw Kamer gemeld (Kamerstuk 33 979, nr. 6) heeft de veehouderij zichzelf tot doel gesteld de fosfaatproductie per deelsector niet tot boven het niveau van 2002 te laten toenemen. Dit betekent voor de melkveehouderij dat de jaarlijkse fosfaatproductie niet boven 84,9 miljoen kilogram fosfaat mag uitkomen.

De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd wat het doel is van het instellen van het nieuwe fosfaatbeleid, de introductie van fosfaatrechten. Welk doel wil de Staatssecretaris hiermee halen en welk uitgangspunt ligt hier aan ten grondslag? Is het feitelijke doel dat door de Europese Commissie middels de derogatiebeschikking aan Nederland is opgelegd het terugdringen van de waterverontreiniging door agrarische activiteiten? In Artikel 1 uit Richtlijn 91/676/EEG geeft de Europese Commissie aan dat het haar doel is de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten uit agrarische bronnen te verminderen, en verdere verontreiniging van dien aard te voorkomen. Kan de Staatssecretaris hierop reageren in het licht van de introductie van fosfaatrechten? De leden van de VVD-fractie vrezen dat het instellen van fosfaatrechten een oneigenlijk middel is om het doel zoals omschreven in Artikel 1 uit Richtlijn 91/676/EEG te bereiken. Kan de Staatssecretaris uitgebreid ingaan waarom zij dit anders ziet?

Per brief van 2 juli jongstleden (Kamerstuk 33 979, nr. 98) heb ik uw Kamer geïnformeerd over het doel van het stelsel van fosfaatrechten: «Doel van productiebegrenzende maatregelen in de melkveehouderij is het zodanig reguleren van de fosfaatproductie dat geborgd wordt dat deze binnen het sectorplafond van 84,9 miljoen kilogram blijft, nodig om het nationale fosfaatproductieplafond te garanderen». Een overschrijding van het aan de derogatie verbonden fosfaatproductieplafond is de basis om de derogatie te verliezen en betekent het risico van een ingebrekestelling op de uitvoering van de Nitraatrichtlijn.

Directe aanleiding voor het invoeren van fosfaatrechten is de dreigende overschrijding van het fosfaatproductieplafond. Hoofddoel is dan ook te borgen dat de nationale fosfaatproductie binnen het plafond blijft en daarmee voldaan wordt aan de derogatievoorwaarden en de Nitraatrichtlijn. Beperking van de fosfaatproductie draagt vanzelfsprekend ook bij aan de doelen van de Nitraatrichtlijn en garandeert dat de fosfaatproductie niet verder in onbalans raakt met de beschikbare plaatsingsruimte op landbouwgrond.

De Nitraatrichtlijn heeft tot doel de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt door stikstof en fosfaat uit agrarische bronnen te verminderen en verdere verontreiniging te voorkomen. De Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten codes voor goede landbouwpraktijken en vierjaarlijkse actieprogramma’s vast te stellen, met het oog op de realisatie van de doelen. Een belangrijk onderdeel van de verplichte invulling van de actieprogramma’s zijn de gebruiksnormen: de bepalingen inzake de hoeveelheid totaalstikstof, totaalfosfaat en stikstof uit dierlijke meststoffen die per jaar op een hectare landbouwgrond mag worden gebruikt. Andere maatregelen die lidstaten treffen, moeten zien op de beperking van de periodes waarin meststoffen mogen worden uitgereden, de capaciteit van mestopslagen, de methoden om mest op of in de bodem aan te brengen en de omstandigheden waarmee daarbij rekening moet worden gehouden. Dit betreft de zogenaamde gebruiksvoorschriften.

Als deze maatregelen niet volstaan om het doel van de Nitraatrichtlijn te realiseren, zullen lidstaten op grond van artikel 5, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn aanvullende of verscherpte maatregelen moeten treffen. De aanvullende voorschriften die volgen uit het stelsel van verplichte mestverwerking, het stelsel van varkens- en pluimveerechten, het stelsel verantwoorde groei melkveehouderij en het aangekondigde stelsel van fosfaatrechten dienen ter ondersteuning van de gebruiksnormen. Door de omvang van de mestproductie te beheersen en een verantwoorde afzet buiten de Nederlandse landbouw te borgen, neemt de (fraude)druk op de nationale markt voor dierlijke meststoffen af en is het risico kleiner dat ondernemers, ter vermijding van de mestafzetkosten, onregelmatigheden plegen, waarvan per saldo het effect is dat de gebruiksnormen worden overschreden en er aldus overbemesting plaatsvindt. De productie van dierlijke mest in Nederland is immers van een zodanige omvang dat dierlijke mest veelal een negatieve waarde vertegenwoordigt. Het is kostentechnisch aantrekkelijk dierlijke mest boven de maximaal toegestane mestgift per hectare af te zetten, met negatieve effecten op de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater. Het stelsel van gebruiksnormen en gebruiksvoorschriften stuurt rechtstreeks op het gebruik van meststoffen en daarmee op het terugdringen van de belasting van het grond- en oppervlaktewater met fosfaat en stikstof, de voorschriften die volgen uit de aanvullende maatregelen zijn noodzakelijke en effectieve aanvullende maatregelen, als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de Nitraatrichtlijn. De vrees van de leden van de fractie van de VVD dat het instellen van fosfaatrechten een oneigenlijk middel is om het doel, zoals omschreven in Artikel 1 uit Richtlijn 91/676/EEG, te bereiken, is dan ook ongegrond.

Gezien het voorgaande willen de leden van de VVD-fractie aan de Staatssecretaris vragen of zij bereid is nauwkeurig te omschrijven op welke wijze met de instelling van fosfaatrechten, het doel zoals eerder genoemd en opgenomen in Artikel 1 uit Richtlijn 91/676/EEG zal worden gehaald. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe er hierbij rekening wordt gehouden met het feit dat de hoeveelheden stikstof en fosfaat die per hectare mogen worden aangewend, op basis van andere bepalingen in de regelgeving zijn begrensd (o.a. gebruiksnormen, evenwichtsbemesting)?

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op voorgaande vraag van de leden van de fractie van de VVD.

Over 2014 heeft Nederland voldaan aan de voorwaarden van de Europese Commissie voor het verlenen van de derogatie. In de prognose van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zal Nederland onder het fosfaatplafond blijven van 172,9 miljoen kilogram zoals afgesproken met de Europese Commissie. Toch heeft de Staatssecretaris besloten de invoering van fosfaatrechten door middel van een aanpassing van de mestwetgeving in te willen voeren. Waarom kiest de Staatssecretaris nu al voor deze rigoureuze maatregel? Welke aanwijzingen heeft de Staatssecretaris dat Nederland door het plafond zal gaan, zeker gezien het buitengewoon hoge nutriëntengehalte in het ruwvoer (4,3 miljoen kilo fosfaat) door uitzonderlijk gunstige weeromstandigheden over 2014? Zal dit geen corrigerende factor zijn naar de toekomst toe? Zo nee, op basis waarvan is de Staatssecretaris deze mening toegedaan? Kan de Staatssecretaris aangeven hoe er in de derogatiebeschikking en het afgesproken plafond rekening wordt gehouden met dergelijke jaarlijkse fluctuaties? Wordt hier in de berekening rekening mee gehouden?

Voor het antwoord op de vraag naar de reden van mijn ingrijpen verwijs ik de leden van de fractie van de VVD naar mijn brief van 2 juli jongstleden waarin ik uw Kamer mijn overwegingen om productiebegrenzende maatregelen te nemen in de melkveehouderij uiteen heb gezet.

Op 30 september jongstleden heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) de definitieve mestproductiecijfers over het jaar 2014 gepubliceerd. De definitieve fosfaatproductie van de gehele Nederlandse veehouderij komt voor het jaar 2014 uit op 171,7 miljoen kilogram, 1,2 miljoen kilogram onder het nationale fosfaatproductieplafond en 0,6 miljoen kilogram lager dan de tweede prognose van het CBS, zoals gemeld aan uw Kamer per brief van 1 juni jongstleden (Kamerstuk 33 979, nr. 96). De definitieve fosfaatproductie van de melkveehouderij komt uit op 85,6 miljoen kilogram, 0,7 miljoen kilogram boven het sectorplafond en 0,5 miljoen lager dan de tweede prognose van het CBS.

In genoemde brief aan uw Kamer heb ik aangegeven dat de verwachting is dat de piek in de fosfaatproductie in de melkveehouderij nog niet is bereikt aangezien het aantal dieren in de melkveehouderij dit jaar nog een verdere stijging vertoont. Het «early warning» systeem dat de sector heeft opgezet laat zien dat het aantal dieren in de melkveehouderij in de eerste helft van 2015 is gestegen ten opzichte van 2014. Dat wordt bevestigd door gegevens uit de Identificatie & Registratie (I&R) van runderen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Die gegevens laten zien dat het aantal melkkoeien tussen 31 december 2014 en 1 september 2015 is gestegen met 10,3%. Het (voorlopig) gemiddelde aantal melkkoeien over 2015 (1 januari – 1 september) ligt 6% hoger dan het gemiddelde over heel 2014. Daarnaast is een relevant gegeven dat het groeizame weer in 2014 ook zijn effect heeft op 2015. Een deel van het ruwvoer dat in 2014 is geoogst wordt immers in 2015 in de vorm van kuilvoer aan het melkvee gevoederd.

Alhoewel de definitieve cijfers een fractie lager uitvallen dan de tweede prognose van het CBS is er, gezien de geconstateerde groei van het aantal melkkoeien tot op heden in 2015, geen aanleiding om te verwachten dat de nationale fosfaatproductie in 2015 onder het fosfaatproductieplafond uit zal komen.

In een gezamenlijk persbericht hebben LTO Nederland-vakgroep Melkveehouderij, de Nederlandse Zuivel Organisatie (NZO), de Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV) en het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) op 2 juli jongstleden uitgesproken dat «de introductie van een systeem van fosfaatrechten onvermijdelijk» en «onderdeel van verantwoorde ontwikkeling van de sector» is.

De door de Europese Commissie aan de derogatie verbonden voorwaarden ziet op de jaarlijkse productie aan stikstof en fosfaat, niet op een gemiddelde over meerdere jaren.

In de huidige systematiek wordt er jaar op jaar gekeken naar de ontwikkeling van de fosfaatproductie. De leden van de VVD- fractie vragen zich of een langjaargemiddelde niet beter op zijn plaats is, om zo jaarlijkse uitschieters meer te middelen? Kan de Staatssecretaris nader op de suggestie van de VVD-fractie ingaan om bijvoorbeeld uit te gaan van een driejaarsgemiddelde? Dit geeft op dit moment ook iets meer ruimte zodat welke maatregelen ook geïntroduceerd gaan worden meer onderbouwd en voorbereid zijn.

Wat is de reden dat de Staatssecretaris vooruitlopend op definitieve cijfers zinspeelt op maatregelen om de productie te beperken? Het afgelopen jaar was een goed groeiseizoen waardoor de fosfaatproductie is gestegen. Dit jaar is een ander jaar. Zijn deze vooruitzichten betrokken bij de afweging van de Staatssecretaris?

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op voorgaande vraag van de leden van de fractie van de VVD.

De introductie van fosfaatrechten komt naast het stelsel van grondgebonden groei melkveehouderij. Kan de Staatssecretaris een bespiegeling geven op de stapeling van maatregelen en de bijbehorende kosten die dit voor de sector teweeg brengt?

De Wet verantwoorde groei melkveehouderij is geïntroduceerd met als een van de argumenten dat deze wet noodzakelijk zou zijn om binnen het fosfaatplafond te blijven. Kan de Staatssecretaris aangeven waarom dit niet gelukt is, welk effect zij verwacht heeft en of zij bereid is deze wet en de bijbehorende kosten te schrappen als zij volhardt in de introductie van fosfaatrechten?

Per brief van 12 december 2013 heb ik uw Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, het mestbeleid voor de periode vanaf 2015 geschetst (Kamerstuk 33 037, nr. 80). Deze brief was de basis voor het stelsel van verantwoorde groei melkveehouderij, zoals dit per 1 januari 2015 van kracht is geworden.

Uitgangspunt voor het stelsel van verantwoorde groei melkveehouderij is dat groei van de melkveehouderij uitsluitend kan plaatsvinden binnen de milieurandvoorwaarden die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn. Hoofddoel van het stelsel van verantwoorde groei melkveehouderij is om groei van individuele melkveehouderijen mogelijk te maken, op voorwaarde dat het bedrijf voldoende grond in gebruik heeft om de extra fosfaatproductie die het gevolg is van uitbreiding in zijn geheel te kunnen plaatsen dan wel dat de extra fosfaatproductie in zijn geheel wordt verwerkt. Hierdoor neemt, ondanks een mogelijke stijging van de fosfaatproductie op bedrijfsniveau, de druk op de mestmarkt en op het stelsel van gebruiksnormen en gebruiksvoorschriften niet toe.

In genoemde brief heb ik uw Kamer alsook de sector nadrukkelijk een winstwaarschuwing gegeven: «Wanneer uit de monitoring van de mestmarkt blijkt dat de feitelijke fosfaatproductie in enig jaar het plafond van 2002 overschrijdt, zijn nadere productiebegrenzende maatregelen aan de orde». De sector was zich zeer bewust van deze absolute grens. Om die reden kondigden de Nederlandse Zuivelorganisatie (NZO) en LTO Nederland op 12 december 2013 gezamenlijk een aantal private maatregelen aan om zeker te stellen dat, na het vervallen van de melkquotering, de productie binnen de milieurandvoorwaarden zou blijven plaatsvinden:

  • Een early warning-systeem om te voorkomen dat het fosfaatplafond wordt overschreden;

  • Een verdere aanscherping van voermaatregelen; en

  • Bij een dreigende overschrijding van het fosfaatplafond, wordt het gebruik van de Kringloopwijzer als managementinstrument verplicht gesteld aan alle melkveebedrijven.

De cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over de voorlopige fosfaatproductie in het jaar 2014 zien dat de door de zuivelketen eind 2013 aangekondigde maatregelen onvoldoende effectief zijn gebleken.

Zoals aangegeven in mijn brief van 2 juli jongstleden zal ik in de komende periode in nauw overleg met LTO Nederland, de Nederlandse Zuivel Organisatie (NZO), de Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV), het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) en Stichting Natuur & Milieu (SNM) werken aan de nadere uitwerking van het stelsel. Het Netwerk Grondig is toegevoegd aan deze groep organisaties, waarmee ik uitvoering geef aan de aangenomen motie Smaling (TK 21 501-32, nr. 854). Bij die uitwerking zal ook aandacht besteed worden aan de relatie met en de stapeling van andere stelsels binnen het mestbeleid. Ik zal uw Kamer informeren zodra er meer duidelijkheid bestaat over de wijze waarop invulling gegeven wordt aan het stelsel van fosfaatrechten. Ik acht het niet opportuun om, vooruitlopend op de uitkomst van het overleg met betrokken partijen, nu uitspraken te doen over de wijze waarop het stelsel van fosfaatrechten nader ingevuld zal worden en wat dit betekent voor bestaande stelsels binnen het mestbeleid.

Bij de introductie van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij zijn er veel knelgevallen. Boeren die hun groei over enkele jaren wilden spreiden, begonnen zijn met de bouw van een nieuwe stal, om vervolgens het aantal dieren per jaar gestaag te laten groeien. Een keuze enerzijds vanuit financieel economisch perspectief vormgegeven, anderzijds vanuit diergezondheid (aanwas eigen vee). Deze ondernemers zijn geraakt door de introductie van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij, omdat zij nogmaals geconfronteerd werden met aanvullende kosten (grond/verplichte mestverwerking). Hoe kijkt de Staatssecretaris aan tegen de situatie dat deze bedrijven wederom geconfronteerd zullen worden met aanvullende wetgeving die wederom zal leiden tot kosten?

Zoals eerder aangegeven is het doel van het stelsel van verantwoorde groei melkveehouderij om groei van melkveehouderijbedrijven mogelijk te maken, binnen milieurandvoorwaarden. Bedrijven met melkvee zijn hierbij verplicht de groei van het fosfaatoverschot op hun bedrijf ten opzichte van het referentiejaar 2013 te verantwoorden met grond, mestverwerking of een combinatie van beide. Het borgen van afzetruimte voor de extra geproduceerde hoeveelheid fosfaat moet voorkomen dat de druk op de nationale mestmarkt verder toeneemt. Gevolg voor bedrijven met melkvee die groei willen realiseren is dat zij kosten moeten maken voor een schaars goed, namelijk afzetruimte (grond, mestverwerking of beide) voor de hoeveelheid fosfaat die zij extra produceren bovenop het fosfaatoverschot in het referentiejaar. Als gevolg van het sterk toegenomen aantal stuks melkvee en de forse groei van de mestproductie zijn productiebeperkende maatregelen – en daarmee potentieel extra kosten voor bedrijven die willen groeien – onvermijdelijk om blijvend aan de derogatievoorwaarde te kunnen voldoen.

Zoals aangegeven in mijn brief van 2 juli jongstleden zal het stelsel van fosfaatrechten voorzien in een nader uit te werken knelgevallenvoorziening om ondernemers te compenseren die onevenredig benadeeld worden door de toepassing van het referentiejaar en de peildatum.

In de afgelopen jaren is er veel geïnvesteerd in innovatie rondom de verwerking van mest. De verschillende sectoren zijn in staat om mineralenconcentraat te maken vanuit de mest, door fosfaat te onttrekken uit mest. Kan de Staatssecretaris aangeven waarom deze innovaties nog steeds gefrustreerd worden door de Brusselse wetgeving? Kan de Staatssecretaris aangeven waarom de leden van de VVD-fractie lezen dat zij zich onlangs sterk heeft gemaakt voor wederom een pilot? Klopt het dat de Staatssecretaris nog niet heeft gepleit voor een ontheffing van de voorwaarden die gesteld zijn? Waarom niet?

De Nitraatrichtlijn definieert dierlijke mest als «excrementen van vee of een mengsel van strooisel en excrementen van vee, alsook producten daarvan». Hiermee is een product als mineralenconcentraat nog steeds dierlijke mest en kan dus niet bovenop de maximale stikstofgebruiksnorm voor dierlijke mest van 170 kilogram stikstof per hectare gebruikt worden. De Nitraatrichtlijn wordt momenteel niet herzien. Ook is er momenteel niet voorzien in een evaluatie van de richtlijn. Dat is dan ook de reden dat het kabinet de Europese Commissie gevraagd heeft om de pilot mineralenconcentraat te vergroten van 10 naar 30 bedrijven, zoals eerder ook toegezegd aan uw Kamer (ah-tk-20142015–1986). Een vergroting van de pilot biedt de mogelijkheid om deze innovatieve techniek verder te stimuleren en ervaring op te doen, die kan worden meegenomen in de onderhandelingen met de Europese Commissie over het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn voor de periode 2018–2021. Het pleidooi voor een permanente oplossing voor brede toepassing van mineralenconcentraat is meegenomen in de inzet van het kabinet voor de Europese strategie voor een circulaire economie.

Kan de Staatssecretaris een overzicht geven per provincie waar het grondwater niet aan de norm van <50 mg nitraat per liter voldoet? En kan in ieder voorkomend geval aangegeven worden of de oorzaak van de overschrijding in de landbouw of elders ligt? Heeft de Staatssecretaris overwogen om specifiek beleid te formuleren voor die gebieden waar de grondwaterkwaliteit nog niet op orde is? In hoeverre is er samenhang in het beleid voor andere vervuilers (bijv. de invoer via de rivieren)? Kan de Staatssecretaris dat onderbouwen? Zo nee, waarom niet?

De kwaliteit van het grondwater wordt sinds 1992 gemonitord in het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). In dit meetnet wordt op circa 450 landbouwbedrijven een relatie gelegd tussen het handelen van de ondernemer – het mineralenmanagement – en het effect op de kwaliteit van het grondwater. Omdat de metingen rechtstreeks plaatsvinden op de percelen van de in het meetnet opgenomen landbouwbedrijven en er gemeten wordt in de bovenste laag van het grondwater worden invloeden van andere bronnen uitgesloten en wordt geborgd dat er een directe relatie gelegd kan worden tussen het handelen van de ondernemer en het effect hiervan op de kwaliteit van het grondwater.

Binnen het LMM vinden de metingen en rapportages plaats op het niveau van de grondsoorten zoals deze onderscheiden worden in de Meststoffenwet (zie figuur 1).

Figuur 1: Nederland met de vier grondsoortregio’s, waarbij de zandregio is onderverdeeld in de zandgebieden Noord, Midden en Zuid (bron: www.rivm.nl).

Figuur 1: Nederland met de vier grondsoortregio’s, waarbij de zandregio is onderverdeeld in de zandgebieden Noord, Midden en Zuid (bron: www.rivm.nl).

De Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten vierjaarlijks te rapporteren over de doeltreffendheid van de actieprogramma’s Nitraatrichtlijn. De laatste Nitraatrichtlijnrapportage is in 2012 aan de Europese Commissie aangebonden. De eerstvolgende rapportage staat gepland voor 2016. De Nitraatrichtlijnrapportage vormt voor de Europese Commissie het startpunt voor de onderhandelingen over een volgend actieprogramma. De Nitraatrichtlijnrapportage van 2012 vormde daarmee het startpunt voor de onderhandelingen over het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn. In die rapportage zijn de resultaten uit de metingen in het LMM gepresenteerd voor de vier hoofdgrondsoortenregio’s (figuur 2) en de drie onderscheiden zandregio’s (figuur 3).

Figuur 2: Gemiddelde nitraatconcentraties in het grondwater op landbouwbedrijven uit het LMM per regio in de periode 1992–2011 (bron: Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland, periode 1992–2010. RIVM Rapport 680716007/2012).

Figuur 2: Gemiddelde nitraatconcentraties in het grondwater op landbouwbedrijven uit het LMM per regio in de periode 1992–2011 (bron: Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland, periode 1992–2010. RIVM Rapport 680716007/2012).

Figuur 3: Gemiddelde nitraatconcentraties in het grondwater op landbouwbedrijven uit het LMM in de gebieden zand Noord, zand Midden en zand Zuid in de periode 1992–2011 (bron: Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland, periode 1992–2010. RIVM Rapport 680716007/2012)..

Figuur 3: Gemiddelde nitraatconcentraties in het grondwater op landbouwbedrijven uit het LMM in de gebieden zand Noord, zand Midden en zand Zuid in de periode 1992–2011 (bron: Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland, periode 1992–2010. RIVM Rapport 680716007/2012)..

Verder wijs ik er op dat uit de toestand-analyse van het Meetnet Nutriënten Landbouw Specifiek Oppervlaktewater (MNLSO) over de periode 2011 t/m 2013 blijkt dat voor N-totaal tussen de 48 en 64% van de meetpunten niet voldoet aan de door de waterschappen gestelde normen.

Voor P-totaal voldoet in deze periode tussen de 41 tot 54% niet.

Op basis van de resultaten van de metingen uit het LMM is voor de periode van het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn specifiek beleid ingevoerd voor het Zuidelijk zandgebied en de lössregio.

In de evaluatie van de Meststoffenwet 2012 is onder meer onderzoek verricht naar de respectievelijke bijdragen van rioolwaterzuiveringen, industrie en landbouw aan de belasting van het regionale oppervlaktewateren met fosfor en stikstof. Vanaf 1990 heeft er een flinke daling plaatsgevonden van de belasting van het regionale oppervlaktewater met fosfor (40 procent) en stikstof (70%). Dit is echter vooral te danken aan succesvolle maatregelen bij industrie, huishoudens en rioolwaterzuiveringsinstallaties. In 2008 was de landbouw verantwoordelijk voor 75% van de stikstof- en 65% van de fosforbelasting van het regionale oppervlaktewater. Op basis van de in de evaluatie van 2012 uitgevoerde doorrekening van beleidsvarianten zal de bijdrage van de landbouw met enkele procenten dalen. In de evaluatie van de Meststoffenwet 2016 zullen de gegevens over de respectievelijke bijdragen van verschillende bronnen wederom in kaart worden gebracht. De buitenlandse belasting is hoger dan de nationale belasting. Van de totale belasting komt voor fosfor 65% en voor stikstof 81% via Lobith het land binnen (gegevens 2013). Het overgrote deel van die belasting gaat van de grens naar de zee zonder effect te hebben op regionale waterlichamen. De belasting beïnvloedt vooral de Rijn, het IJsselmeer en de kustwateren. De belasting van Nederlands grondgebied is per vierkante kilometer hoger dan in het buitenland en het water dat bij Lobith ons land binnenkomt, werkt vooral verdunnend ten opzichte van het water van Nederlands grondgebied.

Hoe kijkt de Staatssecretaris aan tegen de concurrentiepositie van de Nederlandse veehouderij?

Het bedrijfsinkomen van de Nederlandse veehouders behoort structureel tot de betere inkomens binnen de Europese Unie. Onder meer vanwege de intensievere productiewijze in Nederland, de hoge veebezetting en de daarmee gepaard gaande relatief hogere milieubelasting zijn de inkomensverschillen in de afgelopen jaren kleiner geworden door hogere milieukosten.

Varkenshouders worden al geruime tijd geconfronteerd met lage opbrengstprijzen en toenemende kosten. Voor de melkveehouders, die in het verleden te maken hadden met door het EU landbouwbeleid gestabiliseerde prijzen, is de gedaalde melkprijs een relatief nieuwe situatie.

De veehouderijketens werken volop aan het versterken van de concurrentiekracht door innovatie en verduurzaming van productiesystemen en verbetering van kwaliteit en technische resultaten.

Kan de Staatssecretaris reflecteren op de gesprekken met de sector naar aanleiding van haar voorgenomen besluit? Welke andere opties zijn serieus besproken en hoe staat de sector tegenover de introductie van fosfaatrechten? Heeft de Staatssecretaris de sector zelf gevraagd om maatregelen te treffen? Zo nee, waarom niet?

De gesprekken met LTO Nederland (LTO), de Nederlandse Zuivelorganisatie (NZO), de Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV), het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) en Stichting Natuur en Milieu (SNM) waren constructief. Alle partijen waren overtuigd van het feit dat ingrijpen door de overheid noodzakelijk was en dat productiebegrenzende maatregelen onvermijdelijk zijn. Ik heb mij in het overleg met partijen op de invulling van die maatregelen gericht. Zoals ik ook in mijn brief van 2 juli jongstleden heb aangegeven is met de sectororganisaties overeenstemming bereikt over de hoofdlijnen van het nieuwe instrumentarium. SNM heeft in het overleg benadrukt in te zetten op grondgebondenheid en ruimte voor extensieve bedrijven en heeft aangegeven bereid te zijn om deel te nemen aan de regiegroep. In het overleg met genoemde partijen is serieus naar alternatieven gekeken. Uw Kamer had mij middels de motie-Dik-Faber c.s. (Kamerstuk 33 979, nr. 95) ook opgeroepen «alle andere reële opties om de fosfaatproductie door de melkveehouderij te reguleren uit te werken» en de Kamer hierover te informeren. Met voornoemde brief heb ik uitvoering gegeven aan die motie.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de fractie van de PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorstellen van de Staatssecretaris om onder het fosfaatplafond te blijven. Zij hebben hier nog wel enkele vragen en opmerkingen over.

In de brief van 2 juli 2015 (Kamerstuk 33 979, nr. 98) lezen de leden van de PvdA-fractie het volgende: «Ik onderzoek de mogelijkheden om bij afroming zodanig te differentiëren dat bedrijven naar rato van hun bijdrage aan overschrijding van het plafond bijdragen aan de afroming. De voorwaarden waaronder afroming kan worden toegepast behoeven nog nadere uitwerking». Deze leden vragen de Staatssecretaris of zij al tot een nadere uitwerking is gekomen. Zo nee, wanneer verwacht de Staatssecretaris met deze nadere uitwerking te komen? De leden van de PvdA-fractie dringen er op aan dat deze voorwaarden extensieve boeren ontzien. De boeren die voldoende grond hebben om hun fosfaatproductie zelf uit te kunnen rijden zouden wat de PvdA-fractie betreft een andere, meer preferentiële positie moeten hebben ten opzichte van de intensieve boeren. Zo stimuleren we de ontwikkeling van de grondgebonden melkveehouderij.

Deze vraag loopt vooruit op de nadere uitwerking van het stelsel van fosfaatrechten en het overleg dat ik hierover nog voer met betrokken organisaties. Voor het antwoord wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag dienaangaande van de leden van de fractie van de VVD.

De leden van de PvdA-fractie zouden graag zien dat we een ontwikkeling richting meer grondgebondenheid, meer weidegang en dierenwelzijn inzetten en dat we niet met een systeem eenzelfde ontwikkeling krijgen zoals we ook gezien hebben bij dierrechten in bijvoorbeeld de varkenshouderij: dierrechten hebben daar juist tot een intensivering geleid. Deelt de Staatssecretaris deze visie? Zo ja, welke mogelijkheden heeft ze binnen het aanpakken van het fosfaatprobleem in de melkveehouderij om deze ontwikkeling mogelijk te maken?

Over mijn inzet op de grondgebondenheid van de melkveehouderij kan ik het volgende aangeven. Met de AMvB grondgebonden groei melkveehouderij en het wetsvoorstel grondgebonden groei melkveehouderij wordt vanaf 1 januari 2016 geborgd dat een deel van de verantwoording van een groei van de fosfaatproductie op melkveehouderijen verantwoord moet worden met extra grond. Dit om het grondgebonden karakter van de melkveehouderij verder te versterken. Ik heb toegezegd de ambitie voor weidegang te verhogen naar 80% in 2020. Ik wil hiertoe de afspraken die gemaakt zijn in het kader van het Convenant Weidegang herzien. Over het welzijn van melkkoeien heb ik uw Kamer per brief van 14 juli jongstleden geïnformeerd (Kamerstuk 33 979, nr. 99)

De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd naar de mogelijkheden om een «fosfaatbank» in te stellen. Hierbij zien de leden van de PvdA-fractie een systeem van niet verhandelbare fosfaatrechten voor zich, die terugkeren naar deze fosfaatbank. Deze rechten kunnen vervolgens worden uitgekeerd aan grondgebonden extensieve bedrijven. Deze leden horen graag de reactie van de Staatssecretaris op dit idee.

Deze vraag loopt vooruit op de nadere uitwerking van het stelsel van fosfaatrechten en het overleg dat ik hierover nog voer met betrokken organisaties. Voor het antwoord wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag dienaangaande van de leden van de fractie van de VVD.

De leden van de fractie van de PvdA maken zich zorgen om de toegenomen hoeveelheid mest die de sterke groei in de melkveesector heeft veroorzaakt. De mestkelders op veel varkensbedrijven zitten vol. Vanwege het grote aanbod van rundveemest is er een sterk afgenomen vraag naar varkensmest en moeten de varkensboeren hoge kosten maken om de mest af te kunnen voeren. Die kosten drukken op de toch al slechte financiële positie van de varkenshouders. De leden van de PvdA-fractie maken zich zorgen om fraude met varkensmest. Kan de Staatsecretaris aangeven of, en zo ja op welke wijze, het toezicht op het uitrijden en verhandelen van mest de komende tijd wordt georganiseerd en eventueel wordt geïntensiveerd?

Controle en handhaving van de meststoffenwet is in handen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Toezicht op het uitrijden is onderdeel van de controle op het Besluit Gebruik Meststoffen waarin wordt geregeld wanneer en op welke wijze mest mag worden aangewend. Deze controles worden uitgevoerd door de NVWA, maar ook de politie en andere handhavers kunnen optreden tegen geconstateerde overtredingen. De handel in meststoffen heeft nadrukkelijk aandacht, zoals ook geschetst in mijn brieven aan uw Kamer van 30 januari 2014 (Kamerstuk 33 037, nr. 85) en 20 november 2014 (Kamerstuk 33 037, nr. 136). Uw kamer ontvangt binnenkort een actueel beeld van de fraudeaanpak meststoffen.

Overigens moet er op gewezen worden dat de toename van de hoeveelheid rundermest op de mestmarkt maar voor een klein deel is toe te schrijven aan een groei van de fosfaatproductie in de melkveehouderij. De fosfaatproductie is tussen de jaren 2002 (het referentiejaar voor het productieplafond) en 2014 slechts met 1,4% gestegen. In dezelfde periode is de plaatsingsruimte voor dierlijke mest op melkveehouderijbedrijven als gevolg van de aangescherpte fosfaatgebruiksnormen met 20% gedaald. In 2002 beschikte de melkveehouderij over 6,6 miljoen kilogram meer fosfaatplaatsingsruimte dan de eigen fosfaatproductie, in 2014 was er juist sprake van een fosfaatoverschot van 15,6 miljoen kilogram.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie zijn ontstemd over het hele wetgevingstraject rondom de melkveehouderij. De Staatssecretaris heeft aangekondigd een stelsel van fosfaatrechten in te willen voeren: de Kamer mag dus binnenkort het derde wetsvoorstel binnen één jaar bespreken. De leden van de SP-fractie zijn van mening dat er sprake is van bestuurlijke chaos, een opeenstapeling van wetgeving en onbehoorlijk bestuur. Kan de Staatssecretaris reflecteren op het proces? Is zij er zelf tevreden mee?

Per brief van 9 september jongstleden (ah-tk-20142015–3359) heb ik, in reactie op schriftelijke vragen van het lid Smaling (SP), gereflecteerd op het proces rond de besluitvorming over maatregelen die betrekking hebben op de melkveehouderij. Reeds per – eerder genoemde – brief van 12 december 2013 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de omstandigheden die voor het kabinet tot een onvermijdelijk besluit zouden leiden om productiebegrenzende maatregelen te treffen. Deze omstandigheden hebben zich eerder aangediend dan verwacht en gewenst. Dat doet echter niets af aan het gegeven dat ik volstrekt helder ben geweest over het proces.

Kan de Staatssecretaris aangeven hoe lang het bestaan van het fosfaatplafond al bekend was op het departement? Waarom is er niks gedaan om te voorkomen dat dit overschreden werd? In hoeverre waren de problemen betreffende het overschrijden van het fosfaatplafond, de sterk gestegen melkproductie en het inzakken van de melkprijs te voorzien naar de mening van de Staatssecretaris? Erkent de Staatssecretaris dat als zij van het begin af aan gestuurd had op echte grondgebonden groei, de problemen voorkomen waren? Kan de Staatssecretaris heel exact aangeven welke gegevens over de overschrijding van het fosfaatplafond bekend waren op 24-4-2015? De leden van de SP-fractie vragen de Staatssecretaris of zij bereid is de algemene maatregel van bestuur grondgebonden groei melkveehouderij of de wet Verantwoorde groei melkveehouderij te wijzigen en alsnog volledige grondgebonden groei conform het verworpen amendement Smaling (Kamerstuk 33 979, nr. 55 ) te verplichten of tenminste de mate van grondgebondenheid aan te scherpen.

De Europese Commissie heeft tijdens de onderhandelingen met Nederland over het derde actieprogramma Nitraatrichtlijn (2006–2009) aan Nederland medegedeeld het productieplafond als voorwaarde te verbinden aan de derogatie. Uw Kamer is hierover geïnformeerd met de aanbieding op 27 augustus 2004 van het derde actieprogramma Nitraatrichtlijn door de toenmalig Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (Kamerstuk 28 385, nr. 40).

Het mestproductieplafond ziet op de fosfaat- en stikstofproductie van de totale Nederlandse veehouderij. In de periode tussen 2006 en 1 april 2015 was de Nederlandse mestproductie voor circa 90% begrensd door enerzijds het nationale stelsel van varkens- en pluimveerechten en anderzijds de Europese melkquotering. Aanvullende maatregelen om te voorkomen dat het mestproductieplafond werd overschreden waren uitsluitend nodig in de jaren 2008, 2009 en 2010, de jaren dat de nationale fosfaatproductie boven het plafond van 2002 steeg. In die jaren is met de sector afgesproken dat gerichter gestuurd diende te worden op de input van nutriënten via het voer, met name het krachtvoer. Dit heeft geresulteerd in het voerconvenant en een onderschrijding van het fosfaatproductieplafond vanaf het jaar 2011.

In voorbereiding op het moment van afschaffen van de melkquotering per 1 april 2015 is in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur & Milieu en van het Ministerie van Economische Zaken een tweetal ex-ante studies uitgevoerd door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) respectievelijk het Landbouw Economisch Instituut (LEI). Beide instituten kwamen tot de conclusie dat de melkproductie in Nederland tot 2020 met circa 20% zou kunnen stijgen (t.o.v. 2011). Deze toename van de melkproductie zou, door de voortschrijdende autonome groei van de melkproductie per koe, gerealiseerd kunnen worden met 9% meer melkkoeien en een gelijkblijvende fosfaatproductie. Daarbij is door beide instituten wel nadrukkelijk gewezen op de noodzaak om maximaal in te zetten op voermaatregelen. Uit de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over de fosfaatproductie in het jaar 2014 is gebleken dat de benodigde voermaatregelen niet zijn gerealiseerd.

Genoemde cijfers van het CBS zien op de fosfaatproductie over het jaar 2014, het jaar voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij en het jaar voorafgaande aan het jaar waarin de Europese melkquotering ten einde is gekomen. Uit de cijfers in tabel 1, zoals opgenomen in het antwoord op een eerdere vraag van de leden van de fractie van de VVD, blijkt dat de fosfaatproductie in de melkveehouderij tussen 2012 en 2014 met 9,9 miljoen kilogram is gestegen. Hieruit blijkt dat de melkveehouderij al vooruitlopend op het vervallen van de melkquotering een groeispurt heeft ingezet. Een inzet op volledige grondgebondenheid bij de implementatie van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij per 1 januari 2015 had deze groeispurt niet kunnen voorkomen. In dat kader wijs ik de leden van de fractie van de SP er op dat een meerderheid van uw Kamer heeft ingestemd met de wijze waarop grondgebonden groei per 1 januari 2016 zal worden gereguleerd middels de AmvB grondgebonden groei melkveehouderij. De AmvB zal binnenkort worden gepubliceerd in het Staatsblad. Het wetsvoorstel grondgebonden groei melkveehouderij zal, voorzien van advies van de Raad van State en van een nader rapport, binnenkort aan uw Kamer aangeboden worden.

Op 22 april van dit jaar zijn de conceptcijfers over de tweede prognose van het CBS voor de fosfaatproductie over 2014 voor de eerste maal besproken in Werkgroep Uniformering berekening Mest- en mineralencijfers (WUM). De WUM is sinds het begin van de jaren negentig verantwoordelijk voor het jaarlijks vaststellen van de standaardfactoren voor de mestproductie en mineralenuitscheiding per diercategorie. De WUM is samengesteld uit vertegenwoordigers van het CBS, het Ministerie van Economische Zaken, het Landbouw Economisch Instituut (LEI), het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en Wageningen UR Livestock Research. De werkgroep stelt jaarlijks de mineralenuitscheiding per diersoort vast. Op basis van het aantal dieren in de landbouwtelling en de standaardcijfers per dier wordt de landelijke mineralenuitscheiding berekend.

Op 11 mei van dit jaar zijn de conceptcijfers over de tweede prognose van het CBS besproken met vertegenwoordigers uit het landbouwbedrijfsleven. Op 21 mei heeft het CBS de tweede prognose gepubliceerd.

Kan de Staatssecretaris reageren op het artikel in de Boerderij «Nederland overschrijdt ammoniakplafond» (zie http://www.boerderij.nl/Home/Nieuws/2015/7/Nederland-overschrijdt-ammoniakplafond-2656272W/)? Kan de Staatssecretaris uitleggen hoe het zit met het ammoniakplafond? Klopt het dat dit overschreden is en hoe is de verdeling tussen varkens, koeien en kippen in deze?

Het Nationaal Emissieplafond (NEC) Ammoniak ligt sinds 2010 op 128 kiloton per jaar (kton/jr). Volgens voorlopige berekeningen van Emissie Registratie (ER) ligt de totale uitstoot in 2014 op 138,1 kton/jr. De overschrijding kan deels worden verklaard door de groei van de melkveestapel. Ook was 2014 een goed ruwvoerjaar waarbij hoge gehaltes fosfaat en eiwit in het gras zaten wat heeft geleid tot een hogere excretie bij koeien. Daarnaast is een deel van de overschrijding ook te verklaren doordat de berekeningen van sommige bronnen (stalemissies en aanwendingsemissies) sinds 2013 zijn veranderd. Ook zijn toen een aantal nieuwe emissiebronnen toegevoegd (o.a. gewasafrijping en gewasresten). Bij het vaststellen van het plafond werd nog op de oude manier gerekend. De EU erkent dit en er zijn meer landen die door herberekeningen boven het emissieplafond uit zijn gekomen. In de voorlopige cijfers over 2014 waren de ammoniakemissies van melkvee 62 kton/jr (stijging), van varkens 22 kton/jr (daling) en van kippen 12 kton/jr (gelijk).

De leden van de SP-fractie willen graag weten wat de planning is voor het verdere verloop van het traject betreffende de invoer van fosfaatrechten. Wanneer moet het systeem van fosfaatrechten ingaan en wanneer moet het in de Eerste dan wel de Tweede Kamer behandeld zijn?

Nederland is gebonden aan het fosfaatplafond zoals dat is opgenomen in de derogatiebeschikking. Op dit moment is onvoldoende geborgd dat het fosfaatplafond niet kan worden overschreden. Om de derogatie te kunnen naleven en behouden is in de brief van 2 juli jongstleden dan ook aangegeven dat een voorstel wordt voorbereid voor het invoeren van fosfaatrechten. In het belang van de derogatie is het wenselijk dat dit voorstel voortvarend wordt behandeld. Bezien vanuit de structuur van de Meststoffenwet en met het oog op een effectieve uitvoering en handhaving hoeft het voorstel niet op een specifieke datum in werking te treden. Het is dus mogelijk in de loop van het jaar 2016 een wet in werking te laten treden die bepaalt dat na afloop van dat kalenderjaar voldoende fosfaatrechten beschikbaar dienen te zijn om de in dat kalenderjaar geproduceerde fosfaat mee te verantwoorden.

De leden van de SP-fractie zien dat er enkele maanden na het loslaten van de melkquotering sprake is van lage melkprijzen, gestegen productie, een half miljard extra steungeld, een overschreden fosfaatplafond en een roep om het verslechteren van milieu en dierenwelzijnsstandaarden. Daarbij worden ook nog eens de grondgebonden boeren gedupeerd in de plannen voor fosfaatrechten van de Staatssecretaris. De leden van de SP-fractie vragen zich af of dit de zegeningen zijn van de geliberaliseerde melkmarkt. De leden van de SP-fractie concluderen: de liberalisering van de melkveesector is, minder dan een half jaar na de afschaffing van de melkquotering, mislukt en kent voornamelijk verliezers. De leden van de SP-fractie zijn van mening dat het loslaten van de melkquotering een historische vergissing was. Kan de Staatssecretaris reflecteren op het loslaten van de melkquotering? Welke winst- en verliespunten ziet zij? De leden van de SP-fractie krijgen graag een helder overzicht over het verloop van de melkprijzen voor de Nederlandse boer voor de afgelopen 12 maanden en voor de afgelopen 10 jaar.

De prijsondersteuning van het Europese landbouwbeleid heeft decennia lang gezorgd voor een stabiele melkprijs voor de veehouders van circa 30 eurocent per kg. Daar stonden echter overproductie en sterk stijgende uitgaven voor exportrestituties voor de EU tegenover. De overproductie is met de instelling van quota ingedamd, maar de Europese melkprijs bleef boven het niveau van de wereldmarkt en maakte tariefbescherming en exportrestituties noodzakelijk. De belangrijkste krachten achter afschaffing van de melkquotering zijn internationale druk op de Europese Unie om marktverstorende instrumenten af te bouwen en afnemende steun binnen Europa voor het landbouwbudget. Daarom is in 2000 door de Europese Ministers van Landbouw besloten het zuivelbeleid te hervormen. De noodzaak om in WTO-verband tot een nieuw landbouwakkoord te komen speelde daarbij duidelijk een rol.

Nadat in 2007 de exportsubsidies op zuivel werden afgeschaft, is de markt voor melk en zuivelproducten in de EU gewijzigd in een internationale markt. De prijsvolatiliteit is toegenomen. Desondanks hebben melkveehouders structureel goede melkprijzen ontvangen. Nederlandse melkveehouders hebben hun melkproductie uitgebreid. De EU-melkproductie zal in 2015 ongeveer 1% hoger zijn dan in 2014. De beëindiging van de EU-melkquotering is dan ook van beperkte invloed op de prijsval die zich thans wereldwijd voordoet. Tijdelijke vraaguitval in onder andere Azië en een toename van de melkproductie in andere werelddelen zijn belangrijke oorzaken.

De Nederlandse melkveehouderij heeft op de wereldmarkt een zeer sterke positie als het gaat om het produceren van hoogwaardige zuivelproducten. De vrije wereldmarkt vormt een uitdaging, maar tevens een kans om te innoveren en nieuwe markten aan te boren. Markten die duurzaamheid, voedselveiligheid en kwaliteit hoog achten. De kracht van de Nederlandse zuivelketen.

Dat neemt niet weg dat blijvend geborgd moet worden dat de sector binnen de gestelde kaders blijft opereren. De individuele drang om zich, na drie decennia productiebeperking, economisch verder te ontwikkelen moet niet ten kostte gaan van de collectieve grenzen van de sector.

In de navolgende figuren is de ontwikkeling van de Nederlandse melkprijs sinds medio 2005 weergegeven.

Figuur 4: Ontwikkeling van de melkprijs sinds medio 2005

Figuur 4: Ontwikkeling van de melkprijs sinds medio 2005

De leden van de SP-fractie vragen of de Staatssecretaris in gesprek is met het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM), de biologische boeren, Vereniging tot Behoud van Boer en Milieu en Natuur & Milieu. Al deze organisaties maken zich zorgen over de invoering van het fosfaatrechtensysteem en specifiek over de benadeling van extensieve grondgebonden boeren. Ook de Noordelijke en de Groene Hart provincies zijn kritisch. Is de Staatssecretaris in gesprek met deze groepen en is zij in gesprek met de kritische provincies?

Ik ben met alle door de leden van de fractie van de SP genoemde organisaties in gesprek.

De leden van de SP-fractie constateren eveneens dat extensieve melkveehouders worden benadeeld door de voorstellen voor fosfaatproductierechten. Extensieve boeren worden op kosten gejaagd. Een boer die genoeg land heeft om meer koeien te kunnen houden moet straks fosfaatrechten kopen. De Staatssecretaris heeft de Kamer eerder voorgespiegeld dat extensieve boeren niet gedupeerd zouden raken door de snelle groeiers. Nu gebeurt dat wel. De Staatssecretaris had dit kunnen voorkomen door de verworpen motie van de leden Dik-Faber en Smaling (Kamerstuk 33 979, nr. 87 ) uit te voeren die vraagt om ruimte te reserveren onder het sectorale fosfaatplafond voor extensieve grondgebonden bedrijven. Waarom koos de Staatssecretaris voor de intensieve boeren? Waarom liet zij het fosfaatplafond overschrijden zonder een reserve marge aan te houden voor extensieve boeren? Erkent de Staatssecretaris dat melkveehouders die genoeg grond hebben nu op kosten gejaagd worden als ze extra koeien bijkopen, zelfs als ze daar genoeg grond voor hebben? De leden van de SP-fractie vinden dit onrechtvaardig en vragen de Staatssecretaris of ze dit wil herstellen.

In eerder genoemde brief van 12 december 2013 heb ik aangegeven dat ik voor de melkveehouderij als sector kansen zie «om na beëindiging van de melkquotering te groeien. Die groei moet in lijn zijn met duurzaamheidsdoelen voor de sector». Kortom, groei kan, mits binnen de geldende randvoorwaarden. Het vraagstuk van de toekomst van de melkveehouderij is niet louter een keuze tussen intensief en extensief, tussen groot en klein en tussen grondgebonden en niet-grondgebonden. Daarmee zou geen recht gedaan worden aan de diversiteit in de sector. Er is niet één objectief juiste manier om een melkveehouderij in te richten en te managen, net zomin als dat er maar één soort basisschool of één vorm van duurzame energieopwekking de juiste is. De toekomstige ontwikkeling van de melkveehouderij gaat over de vraag hoe je een toekomstbestendige, duurzame en economisch gezonde melkveehouderij in Nederland kan behouden, binnen gestelde milieukaders. Het is mijn overtuiging dat er daarbij ruimte is voor meerdere naast elkaar bestaande bedrijfsstrategieën.

De leden van de fractie van de SP vragen mij waarom ik het fosfaatplafond liet overschrijden zonder een reserve marge aan te houden voor de extensieve boeren. Dit is juridisch niet mogelijk. De Meststoffenwet kent geen instrumentarium om fosfaatproductieruimte te reserveren.

Voor het antwoord op de overige vragen van de leden van de fractie van de SP wordt verwezen naar het antwoord op soortgelijke vragen van de leden van de fractie van de VVD.

Hoe gaat de Staatssecretaris voorkomen dat de melkproductie per koe zo ver wordt opgevoerd dat dit schadelijk is voor de gezondheid of levensduur van de koe? Waarom is niet gekozen voor een aantal liters per hectare? Is de Staatssecretaris bereid alsnog fosfaatrechten te koppelen aan een maximum aantal liters per hectare? Zo nee, hoe gaat ze voorkomen dat de melkproductie per koe onverantwoord wordt opgestuwd? Erkent ze dat het voorliggende systeem van productierechten stuwt naar opvoering van melkproductie per koe? Is ze bereid met de sector een maximum af te spreken?

Er is niet gekozen voor een aantal liters melk per hectare omdat het aantal hectares landbouwgrond in Nederland, dat kan worden gebruikt voor de melkveehouderij, niet is begrensd en derhalve onvoldoende stuurt op een maximum fosfaatproductie. Daarnaast heeft het forse gevolgen voor melkveebedrijven die al intensiever zijn dan een dergelijke norm. Het is daarom ook niet opportuun de fosfaatrechten alsnog te koppelen aan een maximum aantal liters melk per hectare.

Het systeem van fosfaatrechten stuwt niet naar het maximaal opvoeren van de melkproductie per koe, in ieder geval veel minder dan bijvoorbeeld met een stelsel van dierrechten valt te verwachten. De reden hiervoor is dat bij een stelsel van fosfaatrechten bij een toename van de melkproductie per dier de fosfaatproductie per dier ook toeneemt. Er geldt dan een hogere forfaitaire fosfaatproductienorm, waardoor binnen het voor dat bedrijf vastgestelde fosfaatrecht minder dieren gehouden kunnen worden.

Voor het antwoord op de overige vragen verwijs ik u naar mijn brief aan uw Kamer (Kamerstuk 33 979, nr. 99) waarin wordt ingegaan op het intensiever worden van de melkveehouderij en de gevolgen daarvan voor het dierenwelzijn.

De leden van de SP-fractie vinden het een goede stap dat de Staatssecretaris een ambitie voor weidegang heeft neergezet van 80% weidegang in 2020. Hoe gaat de Staatssecretaris behoud danwel toename van weidegang garanderen? Wat gaat zij doen mocht het percentage weidegang onverhoopt dalen? Begrijpen de leden van de SP-fractie goed dat het hier gaat om het percentage weidegang van het aantal koeien (dus niet het aantal bedrijven)? Onderschrijft de Staatssecretaris de definitie van de Nederlandse Zuivel Organisatie van weidegang waarbij onder weidegang wordt verstaan dat het melkvee in de periode van 1 april tot 1 oktober ten minste 120 dagen, minimaal zes uren per dag buiten in de wei is? Streeft de Staatssecretaris er ook naar om het gemiddelde aantal uren dat een koe per dag in de wei is niet te laten dalen? Is het percentage weidegang over 2014 al bekend? Zo nee, wanneer wordt dit bekend?

Kan de Staatssecretaris onderstaande gegevens bevestigen?

Bedrijven met beweiding van melkkoeien naar aantal dagen met beweiding
 

Melkkoeien (geweid)

Aantal

% van totaal

dagen met beweiding

minder dan 120 dagen

83445

7,8%

120 tot 150 dagen

296280

27,8%

150 tot 180 dagen

249376

23,4%

180 tot 210 dagen

307775

28,9%

210 dagen en meer

127848

12,0%

Total

1064724

100,0%

Centraal Planbureau, 19-3-2015

Kan de Staatssecretaris een vergelijkbare tabel met de stand van zaken d.d. 14-9-2015 geven?

In mijn antwoord van 17 april 2015 aan uw Kamer (Kamerstuk 33 979, nr. 93), op vragen van de leden van de fractie van de SP over weidegang, heb ik aangegeven dat en waarom ik het ambitieniveau voor weidegang wil verhogen naar 80% in 2020. Ik ben over het ambitieniveau in overleg met de partijen die het Convenant Weidegang hebben ondertekend. Ik wil niet vooruitlopen op de mogelijke situatie dat het percentage weidegang onverhoopt daalt. Het gaat hier om het percentage koeien dat in de weideperiode tenminste 120 dagen, minimaal 6 uur per dag weidegang geniet. Het CBS publiceert jaarlijks omstreeks 1 oktober de weideganggegevens over het voorafgaande jaar. Het percentage weidegang over 2014 is nu nog niet bekend. Ik kan de gegevens in de tabel niet bevestigen. Het CBS publiceert omstreeks 1 oktober 2016 de gegevens over 2015.

De leden van de SP-fractie constateren dat de Staatssecretaris heeft gekozen voor een systeem van fosfaatrechten. Waarom wordt niet gekozen voor een vergunningstelsel? Is het immers niet zo dat bij het uitgeven van een recht, de overheid vaak de portemonnee moet trekken indien zij later minder rechten in de markt wil hebben? Kan de Staatssecretaris aangeven hoeveel het zou kosten om bijvoorbeeld 10% van de uit te geven fosfaatrechten uit de markt te kopen voor de prijzen die nu genoemd worden (2000–5.000 euro per koe, andere gaan zelfs uit van 16.000 euro), of die haar reëel lijken? Klopt het dat met de fosfaatrechten die de Staatssecretaris volgens de door haar beschreven systematiek wil uitgeven, er feitelijk meer fosfaat wordt uitgegeven dan het sector productieplafond van de melkveehouderij? Voor hoeveel fosfaatproductie worden er rechten uitgegeven volgens de systematiek van de Staatssecretaris? Is de Staatssecretaris van plan om een generieke korting door te voeren op de uitgegeven fosfaatrechten, indien blijkt dat het (sectorale) fosfaatplafond is overschreden? Hoe zou een generieke korting in zijn werk gaan? Kan zij uitleggen hoe de generieke korting bij de melkquota indertijd ging? Als een generieke korting van melkquota of fosfaatrechten juridisch mogelijk is, is dan ook een generieke korting op varkensrechten of pluimveerechten mogelijk? Zo nee, waarin zit dan het verschil? Is de Staatssecretaris bereid om – indien een korting noodzakelijk blijkt – intensieve bedrijven meer te korten dan extensieve bedrijven? Welke mogelijkheden en moeilijkheden ziet ze hierbij? Is de Staatssecretaris bereid grondgebonden bedrijven bij een eventuele korting geheel te ontzien?

In mijn brief van 2 juli heb ik aangegeven dat met verhandelbare fosfaatrechten de ontwikkeling van individuele bedrijven beter wordt gefaciliteerd dan met een vergunningstelsel. Op de te verstrekken fosfaatrechten rusten geen eigendomsrechten zoals op 16 november 2001 bevestigd door de Hoge Raad (NJ 2002, 469) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Lohuis e.a. (37265/10, 30 april 2013)).

Het afromen van rechten dient wettelijk te worden geregeld. Indien tot de mogelijkheid tot het afromen van rechten wordt besloten zal daarbij moeten worden geborgd dat hiervan enkel sprake is bij een door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voorgeschreven «fair balance» tussen het algemene belang dat bij het afromen van rechten is gemoeid en de impact die een dergelijk besluit heeft op belanghebbenden. Het geven van een redelijke termijn aan bedrijven om in te spelen op het besluit rechten uit de markt te halen kan bijdragen aan deze «fair balance». Er is daarbij geen verschil tussen fosfaat-, varkens- of pluimveerechten.

De vragen van de leden van de fractie van de SP die zien op de nadere uitwerking van het stelsel van fosfaatrechten lopen vooruit op het overleg dat ik hierover nog voer met betrokken organisaties. Voor het antwoord wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag dienaangaande van de leden van de fractie van de VVD.

Lidstaten moesten voor de per 1 april 1984 ingevoerde melkquotering uitgaan van de in 1981 dan wel de in 1982 en 1983 door de producent geproduceerde hoeveelheid melk. Lidstaten die opteerden voor 1982 en 1983 dienden een kortingspercentage toe te passen om binnen de totale aan de lidstaat toegewezen heffingsvrije hoeveelheid melk te blijven die door de EU was gebaseerd op de productie in het kalenderjaar 1981. Het in Nederland toegepaste kortingspercentage was 8,65%. Dit varieerde per lidstaat afhankelijk van de productietoename ten opzichte van 1981.

Een ander voordeel van het uitgeven van vergunningen in plaats van rechten is volgens de leden van de SP-fractie dat bij vergunningen gemakkelijk voorwaarden gesteld kunnen worden betreffende bijvoorbeeld duurzaamheid of dierenwelzijn. Is de Staatssecretaris van plan om uitgifte van fosfaatrechten voorwaardelijk te maken aan bijvoorbeeld weidegang of mate van grondgebondenheid? Welke mogelijkheden zijn er om voorwaarden aan fosfaatrechten te verbinden? Zijn er mogelijkheden om alsnog duurzaamheidsvoorwaarden te verbinden aan dierrechten?

Differentiëren tussen bedrijven bij de toewijzing van fosfaatrechten is niet mogelijk. De introductie van een rechtenstelsel raakt het recht op eigendom. Het recht op eigendom is onder meer neergelegd in het EVRM. In dit verdrag wordt een belangrijk onderscheid gemaakt tussen de regulering van eigendom en de ontneming van eigendom. Regulering van eigendom mag (als uitgangspunt) zonder dat de staat schadeplichtig is, ontneming van eigendom leidt tot een compensatieplicht. Het doel is om de melkveehouderij te reguleren, niet om eigendomsrechten te ontnemen. Dit wordt bewerkstelligd door eigendom (meer in het bijzonder melkvee) dat fysiek aanwezig was voor het uitbrengen van de brief van 2 juli jongstleden te respecteren. Voor melkvee dat werd aangehouden voor het uitbrengen van de brief worden dan ook fosfaatrechten afgegeven. Het voorgaande maakt ook duidelijk waarom het niet mogelijk is bij de toekenning van fosfaatrechten te differentiëren. Als differentiatie leidt tot de situatie dat een bedrijf minder rechten toegewezen krijgt dan noodzakelijk is om melkvee dat reeds op 2 juli 2015 fysiek aanwezig was aan te houden, staat dit op gespannen voet met het uitgangspunt dat als gevolg van de komst van fosfaatrechten geen eigendom zal worden ontnomen.

Over de mogelijkheden bij afroming en verhandelbaarheid wordt het volgende opgemerkt. Het primaire doel voor de introductie van de fosfaatrechten is het borgen van het fosfaatproductieplafond zoals dat is opgenomen in de derogatie. Geredeneerd vanuit dat doel ligt niet voor de hand te differentiëren al naar gelang een bedrijf over bepaalde eigenschappen beschikt. Als het nationale fosfaatplafond moet worden geborgd dan is elke geproduceerde kilo even problematisch en is er geen aanleiding bij afroming en overdracht van fosfaatrechten de ene kilo anders te behandelen dan de andere. Differentiatie bij afroming en overdracht kan echter ingegeven worden door andere beleidsdoelen, bijvoorbeeld het borgen van grondgebondenheid. Het is mogelijk bij de afroming en overdracht van fosfaatrechten andere beleidsdoelen na te streven.

Hoe ziet Staatssecretaris verhandelbaarheid? Wil ze de mogelijkheid om voorwaarden te stellen bij productierechten bij voorbaat uitsluiten? De leden van de SP-fractie krijgen graag een inhoudelijke reactie op het CLM-plan voor een fosfaatbank. Onderschrijft de Staatssecretaris dat bij een systeem van niet verhandelbare rechten, de Staatssecretaris veel gemakkelijker kan sturen, door rechten preferentieel uit te geven, bijvoorbeeld aan boeren met weidegang en boeren die grondgebonden werken? Welke mogelijkheden zijn er om de verhandelbaarheid van varkensrechten te stoppen?

De leden van de SP-fractie krijgen ook graag een reactie op de mogelijkheid om naast het CLM-systeem van onverhandelbare fosfaatrechten, een eenmalige opkoop door melkveehouders van varkensrechten mogelijk te maken, waarbij de overgekochte varkensrechten worden omgezet in niet verhandelbare fosfaatrechten.

Voor het antwoord op de vraag over verhandelbaarheid wordt verwezen naar het antwoord op de voorgaande vraag van de leden van de fractie van de SP.

Zoals ik in het overleg met het landbouwbedrijfsleven heb afgesproken zullen fosfaatrechten voor melkvee niet inwisselbaar worden met productierechten voor varkens en pluimvee. Elke veehouderijsector dient zijn mest- en milieuprobleem zelf op te lossen. Bij een overheveling van varkensrechten naar de melkveehouderij wordt het milieuprobleem verschoven naar de melkveehouderij. Het gaat daarbij niet alleen om mineralen uit mest maar ook om andere milieuemissies zoals ammoniak en broeikasgassen. Ook voor deze thema’s heeft de melkveesector nog een forse opgave. Mijn voorstel tot het invoeren van productiebegrenzende maatregelen in de melkveehouderij in de vorm van fosfaatrechten voor melkvee is ingegeven vanwege een dreigende overschrijding van het fosfaatproductieplafond. Met het mogelijk maken van overheveling van varkensrechten naar fosfaatrechten melkvee zou dit fosfaatproductieplafond verder onder druk komen te staan.

De vragen van de leden van de fractie van de SP die zien op de nadere uitwerking van het stelsel van fosfaatrechten lopen vooruit op het overleg dat ik hierover nog voer met betrokken organisaties. Voor het antwoord wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag dienaangaande van de leden van de fractie van de VVD.

De leden van de SP-fractie krijgen graag een nadere uitleg over de twee referentiedata die de Staatssecretaris in haar brief noemt, want het is hen niet helder. Wanneer wordt gerekend met de een en wanneer met de ander? De leden van de SP-fractie zien het liefst een referentiedatum verder terug omdat de snelle groeiers en de intensiverende bedrijven beloond worden met het beleid van de Staatssecretaris voor hun groeispurt vanaf 2013. Welke juridische mogelijkheden en onmogelijkheden ziet de Staatssecretaris voor een eerdere referentiedatum voor de uitgifte van fosfaatrechten? Welke juridische mogelijkheden en onmogelijkheden ziet de Staatssecretaris voor het gebruiken van een eerdere referentiedatum voor het doorvoeren van een generieke korting indien dit aan de orde is? Wat zijn de mogelijkheden van het koppelen van de uitgifte van fosfaatrechten aan grond (de mate van grondgebondenheid)?

Uitgangspunt bij de toekenning van het aantal fosfaatrechten is het gemiddeld aantal gehouden stuks melkvee in het referentiejaar 2014 en de op de gemiddelde melkproductie per koe gebaseerde forfaitaire fosfaatexcretie zoals deze volgt uit de Meststoffenwet (bijlage D bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet). Wijzigingen die tussen 2014 en 2 juli 2015 – de datum van deze brief en daarmee het moment van aankondiging van het nieuwe instrumentarium – hebben plaatsgevonden, die bij RVO.nl zijn geregistreerd en die van invloed zijn op het gemiddelde aantal op het bedrijf gehouden stuks melkvee of op de forfaitaire fosfaatexcretie, kunnen meegenomen worden in de bepaling van de toe te kennen fosfaatrechten. Concreet betekent dit dat groei van bedrijven die tot 2 juli 2015 heeft plaatsgevonden kan worden meegenomen bij de toekenning van fosfaatrechten.

Ten aanzien van een referentiedatum het volgende. De peildatum van 2 juli 2015 is de datum van de brief waarin kenbaar werd dat het kabinet voornemens is fosfaatrechten te introduceren. Destijds is de peildatum van 2 juli 2015 voorgesteld om anticiperend gedrag te voorkomen. Als op dat moment als peildatum voor bijvoorbeeld 2 augustus 2015 was gekozen, dan zouden bedrijven nog een maand gelegenheid hebben gehad extra melkvee te registreren ten einde op termijn meer fosfaatrechten toegewezen te krijgen. Dat is onwenselijk geacht. Een peildatum verder in het verleden is niet mogelijk. Zoals in antwoord op een eerdere vraag van de leden van de fractie van de SP is opgemerkt raakt de introductie van fosfaatrechten het recht op eigendom. Eigendom dat fysiek aanwezig was voor het uitbrengen van de brief van 2 juli 2015, het moment waarop voorzienbaar werd welke nieuwe voorwaarden zouden gaan gelden voor het houden van melkvee, wordt gerespecteerd ten einde te voorkomen dat de staat wordt beticht van onteigening.

Zoals ook op een eerdere vraag van de leden van de fractie van de SP is geantwoord, is het bij een eventuele afroming en overdracht van rechten, naast het borgen van het productieplafond, ook mogelijk andere beleidsdoelen zoals grondgebondenheid na te streven.

Wat is de visie van de Staatssecretaris op het overhevelen van productierechten vanuit de varkenssector naar de melkveehouderij? Kan ze de voor- en nadelen schetsen? Kan zij daarbij ingaan op het scenario waarbij de melkveehouders rechten opkopen uit de varkenshouderij en op het scenario waarbij de overheid dit doet? Onderschrijft de Staatssecretaris dat er een noodzaak is voor sanering van de varkenshouderij? Zo ja, welk percentage krimp (in aantal bedrijven of varkens) zou voor de sector wenselijk zijn volgens de Staatssecretaris? Hoeveel bedrijven zouden naar schatting bereid zijn mee te doen aan een regeling? Hoeveel verouderde stallen zijn er? Welk percentage bedrijven doet mee aan de Regeling ontheffing productierechten Meststoffenwet (POR-regeling)? Hoeveel varkens- en pluimveerechten zijn er nu in de markt, en hoeveel inclusief de POR-regeling? Geeft de POR-regeling ook recht op een volwaardig pluimvee- of varkensrecht die – als de overheid deze uit de markt wil nemen – teruggekocht moet worden? Wat is de actuele waarde van respectievelijk een pluimveerecht en een varkensrecht? Kan de Staatssecretaris aangeven hoe de prijsontwikkeling van de rechten de afgelopen jaren is verlopen?

Voor het antwoord op de vraag over het overhevelen van productierechten vanuit de varkenssector naar de melkveehouderij wordt verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de SP.

De slechte marktsituatie in de varkenshouderij onderstreept de noodzaak om te komen tot een versnelde vitalisering van de sector. Onderdelen daarvan zijn het richten van de productie op kwaliteit, verbetering van de marktoriëntatie en exportpositie, samenwerking in de keten en herstructurering van de sector. De Regiegroep vitale varkenshouderij onder leiding van de heer

U. Rosenthal zal binnenkort met concrete voorstellen komen. Tegen deze achtergrond is een eventuele uitwisselingsmogelijkheid van varkensrechten naar fosfaatrechten geen mogelijkheid om op korte termijn de cashflow en financiële situatie van varkensbedrijven te verbeteren zo lang er geen wettelijk stelsel voor fosfaatrechten melkvee in werking is getreden. Tevens merk ik op dat voor de toekomstgerichte varkensbedrijven een afname van het aantal varkensrechten gepaard gaat met hogere prijzen voor de varkensrechten en een kostprijs- en concurrentienadeel bij bedrijfsontwikkeling en investeringen in verduurzamingsmaatregelen. Voor de vitalisering van de varkensketen vind ik dit geen gewenste ontwikkeling.

Per brief van 10 april 2015 (Kamerstuk 33 037, nr. 150) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de Regeling ontheffing productierechten voor varkens en pluimvee, de zogenaamde POR-regeling. In totaal is aan 86 varkenshouderijbedrijven en aan 86 pluimveehouderijbedrijven een ontheffing verleend. In 2014 waren er 5.108 bedrijven waar varkens werden gehouden en 2.067 bedrijven waar pluimvee werd gehouden (bron: CBS Statline). Dit betekent dat circa 1,7% van de bedrijven met varkens en circa 4,2% van de bedrijven met pluimvee gebruik hebben gemaakt van de POR-regeling.

In 2014 waren er 8.771.000 varkenseenheden en 64.907.000 pluimvee-eenheden in de markt (bron: CBS Statline). Dit aantal is niet gewijzigd door de POR-regeling. Met de POR-regeling ontvingen deelnemende bedrijven namelijk geen extra varkens- dan wel pluimvee-eenheden, maar werden zij ontheven van de verplichting uit de Meststoffenwet om, voor een deel van het aantal op het bedrijf gehouden dieren, rechten te hebben. De POR-regeling geeft ondernemers dus geen extra rechten. In het geval de overheid rechten uit de markt wil ontnemen is er daarom geen sprake van het terugkopen van rechten.

Voor de actuele waarde en prijsontwikkeling van een varkens- respectievelijk pluimveerecht verwijs ik u naar www.varkensrecht.nu respectievelijk www.pluimveerecht.nu.

Wat is volgens de Staatssecretaris een reële inschatting van de prijs van een melkveefosfaatrecht? Wat zou de Staatssecretaris een wenselijke bandbreedte vinden voor de prijs van melkveefosfaatrechten?

Op het moment dat een stelsel van fosfaatrechten van kracht is en deze rechten vrij verhandelbaar zijn is het aan de markt om te bepalen wat de prijs van een melkveefosfaatrecht wordt. Ik wil en kan niet speculeren over de mogelijke prijs van een melkveefosfaatrecht.

Hoeveel varkenshouders doen mee aan stoppersregeling uit de Wet ammoniak en veehouderij en om hoeveel varkens gaat het? Voor hoeveel procent van de ammoniak- en fosfaatuitstoot zijn de deelnemers uit de stoppersregeling verantwoordelijk? De Staatssecretaris heeft eerder gezegd dat het niet eenvoudig is om de stoppersregeling nog sneller af te bouwen. Kan de Staatssecretaris aangeven waar zij de problemen in ziet? Zijn er kosten gemoeid met stoppen met de stoppersregeling? Zo ja, hoeveel en hoe zit dit juridisch? Hoeveel zou het kosten om van alle deelnemers aan de stoppersregeling de varkensrechten terug te kopen? Hoeveel zou het kosten om de varkenshouderij met bijvoorbeeld 10% te saneren?

Uitgangspunt van de stoppersregeling is dat het bevoegd gezag, de gemeente, de feitelijke overtreding van het Besluit huisvesting gedoogt. De deelname van varkensbedrijven aan de stoppersregeling wordt niet geregistreerd door het rijk. Begin 2014 heeft de werkgroep Actieplan ammoniak, waarin Rijk, IPO en VNG zitting hebben, een enquête uitgezet bij gemeenten. Uit deze representatieve steekproef blijkt dat tweederde van de varkens- en pluimveebedrijven die niet voldeden aan de maximale emissiewaarden uit het Besluit Huisvesting, te kennen hadden gegeven gebruik te maken van de stoppersregeling, vooral door gebruik te maken van de maatregel «minder dieren houden».

Uitgaande van gegevens over de vergunde rechten van veehouderijen in de provincies Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg (samen goed voor meer dan 70% van het aantal varkensbedrijven in Nederland), voldoet circa een kwart van de locaties met een vergunning of met een melding voor het houden van vee, op het niveau van de inrichting niet aan de maximale emissiewaarden voor ammoniak uit het Besluit Huisvesting (nu Besluit emissiearme huisvesting). Samen is de vergunde emissie (zonder correctie voor de grenswaarden) op deze locaties goed voor 30% van de vergunde ammoniakemissie uit stallen van alle veehouderijen. Voor de varkensbedrijven bedraagt dit aandeel 45% van de vergunde emissie van varkensbedrijven. Locaties die op inrichtingsniveau niet voldoen aan de emissiegrenswaarden vertegenwoordigen samen 18% van de economische omvang van deze veehouderijen (uitgaande van het aantal vergunde of gemelde dierplaatsen). Voor varkensbedrijven is dat percentage 24%.

In 2014 produceerde de varkenshouderij 39,0 miljoen kilogram fosfaat. Het aandeel van de bedrijven dat niet voldoet aan de emissiegrenswaarden is circa 2,1 miljoen varkensrechten (24% van 8,7 miljoen) Uitgaande van een deelnamepercentage van 66,7% (resultaten enquête 2014) vertegenwoordigen de deelnemers aan de stoppersregeling circa 1,4 miljoen varkensrechten.

Tot mei 2015 kostten de varkensrechten circa € 50,– per eenheid. Daarna is de prijs opgelopen vanwege een hogere vraag vanuit de melkveehouderij. Uitgaande van een gemiddelde prijs van € 50,– per eenheid kost het opkopen van 1,4 miljoen varkensrechten € 70 miljoen. De kosten van een sanering van 10% van de varkenshouderij (gemeten in het aantal varkensbedrijven in 2014 gaat het om circa 500 varkensbedrijven; gemeten in het aantal locaties met varkens gaat het om meer dan 650 locaties) zullen daar een veelvoud van zijn.

Het Actieplan Ammoniak Veehouderij bevat gedoogbeleid dat is geaccordeerd door de Kamer en opgesteld door I&M, EZ, IPO en VNG in nauw overleg met de veehouderijsector. Het gedoogbeleid is bedoeld om de kleinere bedrijven die dure stalaanpassingen vanwege de emissie-eisen niet kunnen betalen, te ontzien, op voorwaarde dat ze via goedkopere, alternatieve maatregelen een zelfde hoeveelheid emissiereductie realiseren als wanneer ze zouden voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting. Het gedoogbeleid zou oorspronkelijk per 1 januari 2016 aflopen, maar is op uitdrukkelijk verzoek van uw Kamer verlengd tot 2020.

De gemeente is het bevoegd gezag die het gedoogbeleid uitvoert en daarbij toetst of de varkens- en pluimveebedrijven aan de voorwaarden voldoen. Gemeenten hebben bij het stellen van de voorwaarden beleidsruimte, mits consistent en goed gemotiveerd. Voor een wijziging van het gedoogbeleid is derhalve de medewerking van de gemeenten nodig. Bij het afwijken van het gedoogbeleid kunnen schadeclaims worden ingediend (nadeelcompensatie) en is niet uit te sluiten dat schadeloosstelling reëel is.

Stel er wordt besloten de varkenshouderij gedeeltelijk te saneren – door uitkoop vanuit de overheid dan wel door melkveehouders rechten te laten opkopen – met welke mededingingsregels en richtlijnen moet dan rekening gehouden worden? Welke voorbeelden zijn er uit het verleden in deze? Welke precedenten zijn er voor de uitkoop van dierrechten? Wat kostte ons dit en hoe was dit geregeld? Is dit voorgelegd aan de Europese Commissie en wat was de reactie?

Bij het opkopen van productierechten gaat het om staatssteun die wordt gemeld aan de Europese Commissie en die moet voldoen aan de Europese steunkaders.

In de afgelopen decennia is een aantal regelingen opengesteld geweest gericht op het opkopen van productierechten in de varkenshouderij. In 1998 betrof het de Beëindigingsregeling varkensbedrijven (BEVAR) in de Ecologische Hoofdstructuur en de Opkoopregeling varkensrechten (ORV). Beide regelingen maakten onderdeel uit van het flankerend beleid van de Wet herstructurering varkenshouderij. De BEVAR was gericht op varkensbedrijven gelegen in of in de nabijheid van de Ecologische Hoofdstructuur (nu Natuurnetwerk Nederland). Hiervoor was € 16 miljoen beschikbaar. Voor de ORV was € 83 miljoen beschikbaar. In 2000 en 2001 werd de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) opengesteld voor de varkens-, pluimvee- en vleeskalverhouderij als onderdeel van het flankerend beleid van het tweede Actieprogramma van de Nitraatrichtlijn. In totaal was voor de RBV € 254 miljoen beschikbaar. De RBV was gekoppeld aan een sloopregeling voor stallen die geheel door een aantal provincies is gefinancierd.

Als tot een overheveling van varkensrechten naar melkveefosfaatrechten besloten zou worden, hoe zou dan voorkomen moeten worden dat de varkenssector weer opnieuw naar de huidige proporties terug groeit? Ziet de Staatssecretaris het als een mogelijkheid om van de overhevelende/stoppende varkenshouders te eisen dat ze hun vergunningen inleveren? Ziet de Staatssecretaris het als een mogelijkheid om van de overhevelende/stoppende varkenshouders te eisen dat de stallen worden gesloopt?

Een overheveling van varkensrechten naar fosfaatrechten melkvee is niet aan de orde.

Kan de Staatssecretaris in een meerjaren tabel aangeven hoe de kosten voor mestafvoer zich voor een gemiddeld varkensbedrijf hebben ontwikkeld (dus graag zowel de kosten per eenheid af te voeren mest als de hoeveelheid mestproductie op een gemiddeld bedrijf)? Erkent de Staatssecretaris dat varkensbedrijven duizenden tot tienduizenden euro’s meer per jaar kwijt zijn door de gestegen kosten van mestafvoer ten opzichte van vorig jaar? Hoeveel varkensbedrijven zouden wel boven de streep uitgekomen zijn als ze de gestegen kosten van mestafvoer niet hadden hoeven ophoesten? Kan de Staatssecretaris aangeven in hoeverre een gemiddeld varkensbedrijf de afgelopen 10 jaar winst of verlies heeft gedraaid? Welk deel van de prijs van varkensvlees komt bij de boer terecht? Welke recente onderzoeken zijn hierover?

De mestafzetprijs per ton varkensmest is tussen 2001 en 2013 gestegen van gemiddeld 12 naar bijna 14 euro per ton. De gemiddelde mestafzetkosten voor een gemiddeld varkensbedrijf zijn gestegen van 17.000 euro in 2001 naar 31.000 euro in 2013 (2.300 ton mest). Het betreft betaalde mestafzetkosten voor transport op korte en langere afstand. Dit verschilt van bedrijf tot bedrijf. De spreiding in mestafzetkosten tussen bedrijven is groot.

Figuur 5: Ontwikkeling mestafzetprijzen varkens- en pluimveemest voor de periode 2011–2013 (bron: LEI-Bedrijveninformatienet).

Figuur 5: Ontwikkeling mestafzetprijzen varkens- en pluimveemest voor de periode 2011–2013 (bron: LEI-Bedrijveninformatienet).

Figuur 6: Gemiddelde kosten voor mestafzet per jaar op varkens- en pluimveebedrijven voor de periode 2011–2013 (bron: LEI-Bedrijveninformatienet)

Figuur 6: Gemiddelde kosten voor mestafzet per jaar op varkens- en pluimveebedrijven voor de periode 2011–2013 (bron: LEI-Bedrijveninformatienet)

Het aandeel van de mestafzetkosten in de totale bedrijfskosten van een gemiddeld varkensbedrijf is tussen 2005 en 2013 bijna 1% gestegen als gevolg van de stijging van de mestafzetprijzen per ton mest en door de toename van de bedrijfsomvang. De spreiding tussen bedrijven is groot. Ik verwijs u verder naar de LEI-publicatie «Afvoerkosten van mest voor de intensieve veehouderij» in Agrimonitor 2014.

Dit jaar zijn de mestafzetkosten per ton varkensmest voor transport over langere afstand met circa 4 euro per ton gestegen tot circa 23 euro per ton (mondelinge mededeling LEI). Voor een gemiddeld varkensbedrijf nemen de mestafzetkosten in 2015 toe met 9.200 euro op jaarbasis. Voor een gemiddeld zeugenbedrijf bepalen de lage biggenprijzen de huidige slechte financiële resultaten. Voor het gemiddelde vleesvarkensbedrijf wegen naast de lage vleesopbrengstprijzen de toegenomen mestafzetkosten sterk door op de financiële resultaten. De spreiding tussen varkensbedrijven is groot.

Voor de winst- en verliessituatie op de varkensbedrijven is de inkomensontwikkeling een maatstaf of het goed of slecht gaat met een bedrijf. Uit het hieronder weergegeven meerjarige overzicht van de inkomensontwikkeling voor het gemiddelde varkensbedrijf blijken grote jaarlijkse fluctuaties in de financiële resultaten (figuur 7). De spreiding in inkomen tussen varkensbedrijven is groot.

Figuur 7: Inkomensontwikkeling voor het gemiddelde varkensbedrijf 2001–2014 (bron: www.agrimatie.nl).

Figuur 7: Inkomensontwikkeling voor het gemiddelde varkensbedrijf 2001–2014 (bron: www.agrimatie.nl).

Een andere maatstaf voor de huidige financiële situatie is de liquiditeitspositie van varkensbedrijven (figuur 8). In 2014 had bijna 30% van de varkensbedrijven een positieve kasstroom (liquiditeit), 30% had een negatieve kasstroom die op te vangen is uit andere liquiditeiten en halvering van de aflossingen, de overige 40% had een zodanige negatieve kasstroom dat grote aanpassingen nodig zijn (stoppen met aflossen, bijfinancieren). De situatie in 2014 was voor zeugenbedrijven gunstiger dan voor vleesvarkensbedrijven. In de eerste helft van 2015 is het beeld voor de zeugenbedrijven fors verslechterd door de lagere biggenprijzen.

De huidige liquiditeitspositie past min of meer in het algemene beeld in de afgelopen jaren. Het leidt ertoe dat het aantal varkensbedrijven eens in de 10 jaar halveert, waarbij de vrijkomende productiecapaciteit wordt overgenomen door economisch goed renderende bedrijven. Deze ontwikkeling wordt versneld door wettelijke maatregelen op het terrein van dierenwelzijn en milieu.

Figuur 8: Liquiditeitspositie Nederlandse varkenshouders in 2014.

Figuur 8: Liquiditeitspositie Nederlandse varkenshouders in 2014.

Kan de Staatssecretaris nogmaals onderschrijven dat verlaging van milieustandaarden of dierenwelzijn niet aan de orde zal zijn als reactie op de boerenprotesten?

Het versoepelen van wettelijke milieu of dierenwelzijnsnormen is geen oplossing.

De leden van de SP-fractie vragen met hoeveel kilo de fosfaatproductie van de melkveehouderij wordt verminderd door de verlaging van het fosfaatgehalte in mengvoer, zoals onlangs afgesproken door de zuivelsector en de mengvoerfabrikanten? Is een verdere verlaging haalbaar (ook met oogpunt op diergezondheid) en te verwachten?

De effectiviteit van het voerspoor is niet alleen afhankelijk van de gehaltes fosfaat in het mengvoer, maar ook bijvoorbeeld de gehaltes in het ruwvoer en van het aantal dieren. Dieren krijgen over het algemeen ruim voldoende fosfaat via het voer, vandaar dat het sturen op efficiëntie mogelijk is. De zuivelsector geeft, in nauw overleg met veevoederindustrie, invulling aan het voerspoor. Ik verwacht van de zuivelsector een maximale inspanning om, door middel van gerichte voermaatregelen, de fosfaatproductie in de melkveehouderij terug te dringen.

Kan de Staatssecretaris aangeven hoe groot de fosfaatproductie van grondgebonden melkveebedrijven is en hoe groot die kan zijn gezien de fosfaatgebruiksruimte op deze bedrijven? Wat is de niet gebruikte fosfaatruimte van deze bedrijven in de diverse provincies?

De leden van de SP-fractie vragen of de Staatssecretaris kan aangeven in welke provincies of regio’s de totale fosfaatruimte op melkveebedrijven niet toereikend is voor de mest van de melkveehouderijen? Is de Staatssecretaris bereid van ad-hoc beleid te gaan naar een langjarige, heldere en maatschappelijk breed gedeelde visie op de melkveesector?

In 2014 had 22% van de Nederlandse melkveebedrijven op bedrijfsniveau geen fosfaatoverschot. De resterende plaatsingsruimte op deze bedrijven bedroeg in dat jaar 3,6 miljoen kilogram fosfaat. Dit betekent dat 78% van de melkveebedrijven op bedrijfsniveau een fosfaatoverschot had. Het totale fosfaatoverschot op die bedrijven bedroeg 19,2 miljoen kilogram. In onderstaande tabel zijn deze gegevens uitgesplitst naar provincie.

   

Melkveehouderijbedrijven zonder overschot

Melkveehouderijbedrijven met een overschot

Regio

Plaatsingsruimte fosfaat op melkveehouderij-bedrijven (x 1.000 kg)

Percentage bedrijven zonder een overschot

Resterende plaatsingsruimte voor fosfaat (x 1.000 kg)

Percentage bedrijven met een overschot

Fosfaatoverschot (x 1.000 kg)

Nederland

70.700

22

3.600

78

19.200

           

Groningen

5.100

21

230

79

1.230

Friesland

15.060

24

650

76

2.730

Drenthe

5.330

45

500

55

720

Overijssel

10.920

22

540

78

2.770

Flevoland

1.080

12

30

88

480

Gelderland

10.470

28

720

72

2.330

Utrecht

3.880

16

120

84

1.170

N-Holland

4.450

34

320

66

730

Z-Holland

4.820

18

170

82

1.210

Zeeland

810

23

40

77

310

N-Brabant

7.000

8

140

92

4.670

Limburg

1.770

15

80

85

820

Is de Staatssecretaris bereid van ad-hoc beleid te gaan naar een langjarige, heldere en maatschappelijk breed gedeelde visie op de melkveesector?

Ik heb uw Kamer die visie onder meer gegeven met mijn brief van 12 december 2013: een economisch gezonde melkveehouderij, met ruimte voor economische ontwikkeling, binnen milieurandvoorwaarden en met oog voor maatschappelijke waarden als weidegang en inpassing in het cultuurlandschap. Mijn beleid is er op gericht te borgen dat de melkveehouderij binnen de milieurandvoorwaarden blijft produceren, te borgen dat de fosfaatproductie binnen het met de Europese Commissie afgesproken plafond blijft en de kaders te stellen waarbinnen de melkveehouderij zich kan ontwikkelen. Ik heb daarbij ook steeds benadrukt dat er ook een grote verantwoordelijkheid ligt bij de zuivelketen. Maatschappelijke acceptatie is een voorwaarde voor de sector om nu en op termijn te kunnen blijven ondernemen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de productie begrenzende maatregelen in de melkveehouderij van het kabinet.

De leden van de CDA-fractie concluderen dat de toegevoegde waarde van het totale agrocomplex 48 miljard euro bedroeg in 2013. Het enorme economische belang van het agrocomplex voor Nederland mag daarmee duidelijk zijn. Binnen het totale agrocomplex is het grondgebonden-veehouderijcomplex het grootst in termen van toegevoegde waarde en werkgelegenheid. Daarbij hangt ongeveer 70% van de werkgelegenheid in het agrocomplex samen met de export. Deze leden constateren dat het belang van de export op het moment licht afneemt. Dat zou verdere gevolgen kunnen hebben voor de Nederlandse werkgelegenheid. De leden vragen welke concrete acties dit kabinet onderneemt om de werkgelegenheid te verbeteren in het agrocomplex.

De werkgelegenheid in het agrocomplex wordt vooral bevorderd door innovatie en de investeringen in nieuwe technologie. Het kabinet zet met het topsectorenbeleid voor Agro & Food en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen volop in op vernieuwing van het agrocomplex. Ook stimuleren fiscale maatregelen (VAMIL, MIA en EIA) de introductie van nieuwe technologieën in het veehouderijcomplex en dat levert veel werk op. Tot slot zorgt het agrarisch onderwijs voor een goed opgeleid arbeidsaanbod in de agrofoodsector.

De onderhandelingen over de actieprogramma’s ten behoeve van de Nitraatrichtlijn met de Europese Commissie zijn achter gesloten deuren en daarom kunnen Kamerleden onmogelijk het kabinet voldoende controleren over zijn inzet en de voorwaarden die door de Europese Commissie worden gevraagd. Het zou het ten goede komen van het vertrouwen in de democratie van Nederland en de Europese Unie als deze onderhandelingen transparanter zouden worden. De leden van de CDA-fractie verzoeken daarom de Staatssecretaris om bij de Europese Commissie aan te dringen op een transparanter proces en maatregelen daartoe te nemen. Is de Staatssecretaris daartoe bereid? Daarnaast verzoeken deze leden de Staatssecretaris om openheid te geven over de onderhandelingen door de correspondentie met de Europese Commissie en het Nitraatcomité te delen met de Kamer. Is de Staatssecretaris hiertoe ook bereid?

Met betrekking tot de onderhandelingen met de Europese Commissie over het vijfde actieprogramma heeft het kabinet uw Kamer zoveel mogelijk transparantie geboden. Dat is gedaan door ten eerste de basis van de onderhandelingen, te weten de resultaten van de vierjaarlijkse evaluatie van de Meststoffenwet (Kamerstuk 33 037, nr. 21) en de eveneens vierjaarlijkse Nitraatrichtlijnrapportage, met uw Kamer te delen (Kamerstuk 28 385, nr. 114). Vervolgens heb ik de inzet van het kabinet in de onderhandelingen met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 33 037, nr. 63), alsmede de voortgang in de onderhandelingen (zie bijvoorbeeld Kamerstukken 33 037, nrs. 67, 74 en 87). De Nederlandse inzet voor een derogatie wordt besproken in het Nitraatcomité. De stukken voor het Nitraatcomité zijn openbaar1. Al met al zie ik geen aanleiding de Commissie te verzoeken om alle correspondentie over de onderhandelingen openbaar te maken.

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de kwaliteit van het water in Nederland in positieve mate toeneemt, en dat het aantal overschrijdingen van fosfaat- en stikstofwaarden in het oppervlaktewater afnemen. Hoe bekijkt de Staatssecretaris het door haar voorgestelde middel van fosfaatrechten dat iedere melkveehouder sterk zal raken in zijn bedrijfsstructuur, met het oog op het doel van de Nitraatrichtlijn te weten de waterkwaliteit onderwijl er in het overgrote deel van het land geen overschrijdingen van fosfaatnormen in het oppervlaktewater zijn? Deelt de Staatssecretaris de mening van de leden van de CDA-fractie dat dit middel disproportioneel is? Deelt de Staatssecretaris de mening van deze leden dat de Brusselse bureaucratie met de huidige toepassing van de Nitraatrichtlijn totaal uit de bocht vliegt? Ziet de Staatssecretaris in dat de volledig niet transparante totstandkoming van het middel, te weten het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn en het gebrek aan een directe relatie tussen het middel en het doel te weten het fosfaatplafond en de waterkwaliteit, ervoor zorgen dat er geen draagvlak is bij melkveehouders voor de door de Staatssecretaris voorgestelde maatregel van fosfaatrechten?

Voor het antwoord op het eerste deel van deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de VVD.

Ik constateer dat er zowel in de sector als maatschappelijk steun is voor maatregelen waarmee wordt geborgd dat de melkveehouderij binnen de milieurandvoorwaarden produceert, zowel nu als in de toekomst. Het overgrote deel van de sector is zich er van bewust dat maatschappelijke acceptatie van de melkveehouderij staat of valt met de wijze waarop invulling gegeven wordt aan milieudoelen en maatschappelijke wensen zoals weidegang, diergezondheid, dierenwelzijn en landschappelijke inpassing. Dat neemt niet weg – en daar ben ik mij terdege van bewust – dat ondernemers onzeker zijn over wat de productiebegrenzende maatregelen betekenen voor hun eigen onderneming.

De leden van de CDA-fractie vragen of bij de onderhandelingen over het vijfde actieprogramma er gesproken is over de achterhaaldheid van het fosfaatplafond. Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat ten algemene de verwerking van mest leidt tot minder druk op de Nederlandse mestmarkt? Zo nee, waarom niet? Is de Staatssecretaris het met de leden van de CDA-fractie eens dat het fosfaatplafond in bepaalde mate zou moeten worden gecorrigeerd aan de hand van de in Nederland verplichte mestverwerking?

De Europese Commissie heeft in de onderhandelingen over de derogatie voor de periode van het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn in een vroeg stadium duidelijk gemaakt dat, mocht de Commissie besluiten aan Nederland een derogatie toe te kennen, het mestproductieplafond gehandhaafd zou worden.

De Commissie heeft het fosfaatproductieplafond als voorwaarde aan de derogatie verbonden «teneinde te vermijden dat door de toepassing van de gevraagde derogatie intensivering optreedt». Met andere woorden, de Commissie wil voorkomen dat door de derogatie er ruimte zou ontstaan voor een grotere mestproductie. Gezien het feit dat de voorwaarde van de Commissie ziet op het begrenzen van de fosfaatproductie van de gehele Nederlandse veehouderij is het corrigeren van het plafond met (een deel van) de gerealiseerde mestverwerking geen optie.

Voor de leden van de CDA-fractie was het behouden van de productierechten in de pluimvee- en de varkenshouderij, tegen de afspraken met de sector in, één van de redenen om het door de Staatssecretaris onderhandelde actieprogramma Nitraatrichtlijn 2014–2017 onvoldoende te vinden. De leden van de CDA-fractie willen graag dergelijke uitkomsten vermijden bij het volgende actieprogramma. De leden van de CDA-fractie vragen daarom de Staatssecretaris om uiteen te zetten hoe de voorbereidingen voor de onderhandelingen voor het volgende actieprogramma vorm worden gegeven. Is zij daartoe bereid? Hoe denkt de Staatssecretaris daarbij aan het wijzigen van het actieprogramma in verschillende delen van het land zoals in andere lidstaten veelal het geval is? De leden van de CDA-fractie achten dat op weg naar het volgende actieprogramma verandering van koers nodig is en dat daarbij voorbereiding komt kijken. Is de Staatssecretaris dit eens met deze leden? Zo nee, waarom niet?

De onderhandelingen over het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn zullen lopen volgens de procedure zoals geschetst in het antwoord op een eerdere vraag van de leden van de fractie van het CDA.

Het stelsel van gebruiksnormen kent al sinds de invoering in 2006 een differentiatie naar verschillende gebieden. Deze differentiatie is gebaseerd op de in Nederland voorkomende hoofdgrondsoorten zand, klei, veen en löss. Met de inwerkingtreding van de maatregelen uit het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn per 1 januari 2014 is er een verdere differentiatie doorgevoerd in het zandgebied, namelijk in de gebieden zand Noord, zand Zuid en zand Midden.

De door de leden van de fractie van het CDA gevraagd voorbereiding voor het volgende actieprogramma zijn al in gang gezet. De Nitraatrichtlijnrapportage en de lopende evaluatie van de Meststoffenwet – beide voorzien voor 2016 – moeten inzicht geven in de realisatie van de milieu en waterdoelen uit de Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de milieuopgave die er nog rest. Op basis van de uitkomst van de evaluatie en de Nitraatrichtlijnrapportage zullen de onderhandelingen met de Europese Commissie gestart worden en zal het kabinet zijn inzet formuleren. Deze inzet zal ik met uw Kamer delen.

Vooropgesteld, de leden van de CDA-fractie zijn nog onvoldoende overtuigd van de noodzaak en proportionaliteit van de invoering van fosfaatrechten in de melkveehouderij. In haar brief van 2 juli jl. geeft de Staatssecretaris aan dat het fosfaatplafond wordt overschreden en dat zij daarom fosfaatrechten invoert. Wat is de definitieve fosfaatproductie in 2014 geweest? Kan de Staatssecretaris onderbouwen in welke mate het fosfaatplafond in 2015 wordt overschreden, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Kan de Staatssecretaris dit afzetten tegen het langjarige gemiddelde? Neemt de stijging van het aantal koeien af sinds de brief van de Staatssecretaris van 2 juli jl.? In 2009 overschreed Nederland het fosfaatplafond, maar toen was er geen sprake van dat er onmiddellijk vergaande voorstellen aan de Europese Commissie gedaan dienden te worden. In hoeverre geeft de Europese Commissie Nederland de ruimte om adequaat te anticiperen op het daadwerkelijk overschrijden van het fosfaatplafond?

Voor het antwoord op de vraag over de definitieve fosfaatproductie in 2014 wordt verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de VVD.

In december 2015 zal er naar verwachting een voorlopige schatting worden gepubliceerd van de fosfaatproductie in 2015. Deze schatting kan gemaakt worden als de gegevens over het aantal dieren uit de Gecombineerde Opgave zijn verwerkt. Bij deze schatting zullen de gegevens over het voergebruik in 2014 worden gebruikt. Definitieve cijfers over 2015 komen beschikbaar in de loop van 2016, wanneer ook de gegevens over het voergebruik in 2015 beschikbaar zijn. Het is, in het licht van de door de Europese Commissie aan de derogatie verbonden voorwaarde, niet zinvol om de fosfaatproductie in één kalenderjaar af te zetten tegen een langjarig gemiddelde. Immers, de voorwaarde van de Commissie ziet op ieder afzonderlijk kalenderjaar binnen de periode waarvoor de derogatiebeschikking is afgegeven.

Voor het antwoord op de vraag over de ontwikkeling van het aantal melkkoeien sinds 2 juli wordt verwezen naar de gegevens over het aantal melkkoeien in 2015 die zijn gepresenteerd in het antwoord op een eerdere vraag van de leden van de fractie van de VVD.

De overschrijding van het fosfaatproductieplafond in de jaren 2008, 2009 en 2010 heeft van de Nederlandse overheid wel degelijk een stevige inzet richting de Europese Commissie gevraagd. Mijn voorganger heeft uw Kamer hierover per brief van 14 december 2010 uitvoerig geïnformeerd (Kamerstuk 28 385, nr. 197). De Europese Commissie verlangde van Nederland concrete maatregelen die moesten garanderen dat de mestproductie weer tot onder het niveau van 2002 zou dalen. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in het Convenant Voerspoor waarin LTO Nederland en de Nederlandse Vereniging Diervoederindustrie (Nevedi) overeenkwamen de input van fosfaat via het voer met minimaal 10 miljoen kilogram te reduceren teneinde de mestproductie onder het niveau van 2002 te krijgen en aanvullende maatregelen – waaronder afroming van varkens- en pluimveerechten – te voorkomen.

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de familiebedrijven in de Nederlandse melkveehouderij op dit moment te kampen hebben met slechte melkprijzen en dat ondertussen dit kabinet komt met nieuwe lastenverzwaringen door het invoeren van een systeem van fosfaatrechten. Is de Staatssecretaris het eens met de leden van de CDA-fractie dat fosfaatrechten een kostenverhoging met zich meebrengen voor melkveehouders, waardoor geen geld over is voor investeringen in verdere duurzaamheid en dierenwelzijn? Heeft de Staatssecretaris een analyse laten maken van de economische gevolgen van het voornemen tot invoering van fosfaatrechten? Zo nee, waarom niet? Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat bij het bepalen van het Nederlandse fosfaatplafond met de geplaatste productie in Nederland gerekend moet worden? En dat het fosfaat dat buiten de Nederlandse landbouw wordt geplaatst van het fosfaatplafond dient afgetrokken te worden? Zo nee, waarom niet? Kan de Staatssecretaris verduidelijken wat de daadwerkelijke fosfaatbelasting is van de melkveehouderij?

Of er sprake is van een kostenverhoging is afhankelijk van de wijze waarop nader invulling gegeven wordt aan het stelsel van fosfaatrechten. Deze vraag loopt daarmee vooruit op de nadere uitwerking van het stelsel van fosfaatrechten en het overleg dat ik hierover nog voer met betrokken organisaties. Voor het antwoord wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag dienaangaande van de leden van de fractie van de VVD.

Voor het antwoord op de vraag of bij het bepalen van het fosfaatplafond met de geplaatste productie in Nederland gerekend moet worden en dat het fosfaat dat buiten de Nederlandse landbouw wordt geplaatst van het fosfaatplafond dient afgetrokken te worden wordt verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van het CDA.

Voor het antwoord op de vraag naar de daadwerkelijke fosfaatbelasting van de melkveehouderij wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag van de leden van de fractie van de SP en de bij dat antwoord gepresenteerde cijfers in tabel 3.

De leden van de CDA-fractie vragen de Staatssecretaris wat dit kabinet eigenlijk beoogt met de mogelijke invoering van fosfaatrechten. Kan de Staatssecretaris aangeven welke artikelen uit de derogatiebeschikking of andere Europese richtlijnen Nederland hiertoe verplichten? Kan de Staatssecretaris aangeven waarom Nederland indertijd een productieplafond heeft afgesproken? Kan de Staatssecretaris toelichten waarom er destijds gekozen is voor 2002 als referentiejaar? Kan de Staatssecretaris precies aangeven welk doel met het introduceren van fosfaatrechten gehaald gaat worden? Nederland heeft toch al bepalingen en regelgeving rondom gebruiksnormen, evenwichtsbemesting etc.? De leden van de CDA-fractie hebben in het verleden geopperd om een langjarig gemiddelde (bijvoorbeeld drie c.q. vijf jaar) te gebruiken bij het beoordelen van het overschrijden van het fosfaatplafond. In 2014 zijn bijvoorbeeld de omstandigheden met betrekking tot onttrekking van fosfaat uit de bodem anders dan in andere jaren geweest.

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de VVD.

Vindt de Staatssecretaris het te rechtvaardigen dat na het opleggen van mestverwerking in 2013 met de wijziging van de Meststoffenwet en het opleggen van grondgebonden groei begin 2015 met de Wet verantwoorde groei melkveehouderij, de Staatssecretaris nu weer nieuwe eisen wil opleggen aan de melkveehouderij? Hoe is een stapeling van regels, zoals verplichte mestverwerking en grondgebondenheid te rijmen met de invoering van fosfaatrechten? Als fosfaatrechten ingevoerd zouden worden, wat is dan nog het belang van verplichte mestverwerking voor de melkveehouderij? Hoe kijkt de Staatssecretaris naar haar eigen verantwoordelijkheid als betrouwbaar bestuurder in deze? Deelt de Staatssecretaris de mening van de leden van de CDA-fractie dat dit kabinet de afgelopen jaren duidelijk heeft gemaakt dat bedrijven zich mogen ontwikkelen mits ze voldoende grond hebben of de mest verwerken? Zo nee, waarom niet? Behoort een aanpassing van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij ook nog tot de mogelijkheden in plaats van een nieuwe wet met fosfaatrechten? Zo nee, waarom niet?

De rechtvaardiging voor het aankondigen van een stelsel van fosfaatrechten voor melkvee heb ik uitvoerig geschetst in mijn brief van 2 juli jongstleden. Ik verwijs de leden van de fractie van het CDA voor het antwoord op dat deel van hun vraag naar die brief.

Het belang van verplichte mestverwerking is er in gelegen dat geborgd wordt dat het nationale fosfaatoverschot buiten de Nederlandse landbouw wordt gebracht en niet langer drukt op de nationale mestmarkt. De verplichte mestverwerking ziet daarmee op een verantwoorde afzet van dierlijke mest, door een collectieve verplichting voor alle veehouders met een fosfaatoverschot op hun bedrijf. Om evenwicht op de mestmarkt te realiseren wordt jaarlijks het percentage verplichte mestverwerking aangescherpt.

Het stelsel van fosfaatrechten stuurt op de productie van fosfaat op bedrijven met melkvee. Het belang van dit stelsel is te waarborgen dat de nationale fosfaatproductie niet boven het met de Europese Commissie afgesproken plafond komt en het nationale mestoverschot niet toeneemt in een situatie dat de benodigde capaciteit aan mestverwerking nog onvoldoende is om het nationale mestoverschot adequaat te verwerken.

Het klopt dat dit kabinet de afgelopen jaren heeft uitgedragen dat bedrijven zich mogen ontwikkelen, mits ze voldoende grond hebben of de mest verwerken. Maar daarbij ben ik steeds helder geweest over een belangrijke randvoorwaarde: «Wanneer uit de monitoring van de mestmarkt blijkt dat de feitelijke fosfaatproductie in enig jaar het plafond van 2002 overschrijdt, zijn nadere productiebegrenzende maatregelen aan de orde» (Kamerstuk 33 037, nr. 80).

Een aanpassing van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij behoort niet tot de mogelijkheden. Die wet biedt immers niet de mogelijkheden om direct te sturen op de totale fosfaatproductie in de melkveehouderij.

In het verslag van een schriftelijk overleg (Kamerstuk 33 979 nr. 93 ) over de algemene maatregel van bestuur grondgebonden groei melkveehouderij gaf de Staatssecretaris op vragen van de leden van de CDA-fractie aan dat «ondernemers konden vanaf 2013 weten dat van ongebreidelde groei geen sprake kon zijn». Kan de Staatsecretaris aangeven wat deze opmerking in de praktijk voor de melkveehouderij voor gevolgen heeft? Kan de Staatssecretaris ook jurisprudentie overleggen die haar beweringen juridisch ondersteunen? Kan de Staatssecretaris aangeven wat de samenhang wordt met betrekking tot de melkveefosfaatreferentie en haar voornemen tot het invoeren van fosfaatrechten? Hoe gaat het opeenstapelen van wetgeving in de praktijk uitwerken, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Tijdens de behandeling van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij heeft de Staatssecretaris aangegeven dat voorkomen moet worden dat de melkveefosfaatreferentie vrij verhandelbaar wordt. Door het kabinet werd gesproken over voorkomen dat het marktwaarde krijgt en het kabinet niet beticht wilde worden van het geven van ongerechtvaardigde staatssteun. Kan de Staatssecretaris hier nog eens op reflecteren in het licht van mogelijke invoering fosfaatrechten? Over het aangenomen amendement Geurts c.s. (Kamerstuk 33 979 nr. 59 ) met betrekking tot overdracht aan een bloed- of aanverwant is ook discussie geweest over mogelijke staatssteun. Hoe verhoudt deze mening van de Staatssecretaris zich met het voorstel van de Staatssecretaris om fosfaatrechten in te voeren?

De door de leden van de CDA-fractie aangehaalde zinsnede is een antwoord op de zorgen die werden geuit over knelgevallen als gevolg van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij en de daarbij behorende normen voor grondgebonden groei van de melkveehouderij. In de praktijk zijn voor de melkveehouderij de normen die krachtens deze wet worden geïntroduceerd van belang. Er is op dit moment geen aanleiding om te veronderstellen dat de aangehaalde zinsnede een specifieke juridische betekenis toekomt.

In de brief van 2 juli jongstleden is opgemerkt dat de fosfaatrechten naast het stelsel van de verantwoorde groei melkveehouderij zal worden gepositioneerd. Over de concrete uitwerking wordt momenteel nog overleg gevoerd.

De leden van de fractie van het CDA merken terecht op dat staatssteun een aandachtspunt is. Bij de introductie van de fosfaatrechten zal worden geborgd dat van staatssteun geen sprake is of dat het zal gaan om geoorloofde steun.

Wat is de reactie van de Staatssecretaris als de leden van de CDA-fractie haar de stelling voorleggen dat het onterecht is dat extensieve bedrijven in moeten leveren voor de intensieve bedrijven? Hoe valt het te rechtvaardigen dat melkveehouders met voldoende grond voor hun eigen mestafzet fosfaatrechten zouden moeten aanschaffen om te mogen uitbreiden? Als de Staatssecretaris haar plan voor fosfaatrechten doorzet, is zij dan voornemens om extensieve bedrijven en relatief kleine familiebedrijven te ontzien? Zo nee, waarom niet? Het aantal koeien en het aantal hectaren in eigendom of in gebruik zijn toch de norm en bepalen toch of er sprake is van een fosfaattekort of -overschot, zo vragen deze leden?

Deze vraag loopt vooruit op de nadere uitwerking van het stelsel van fosfaatrechten en het overleg dat ik hierover nog voer met betrokken organisaties. Voor het antwoord wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag dienaangaande van de leden van de fractie van de VVD.

De leden van de CDA-fractie hebben contact gehad met vele en diverse familiebedrijven die onevenredig getroffen zouden worden door de invoering van fosfaatrechten. Deze leden hoorden regelmatig dat deze families het gevoel hebben dat ze «een huis mochten bouwen en daarvoor alle vergunningen hadden maar dat ze tijdens de bouw te horen kregen dat ze er niet in mogen gaan wonen». Wat is de Staatssecretaris voornemens te gaan doen voor bedrijven die in het bezit zijn van alle benodigde vergunningen, zoals de Natuurbeschermingswetvergunning, milieu en bouwvergunningen, en gefinancierd zijn maar nog niet een volle bezetting hebben gehad van hun stal? Deze families hebben reeds een stal gebouwd voor de toekomst, volgens de Maatlat Duurzame Veehouderij, maar hebben op dit moment een bezettingsgraad lager dan 80 procent. Zij willen c.q. moeten de komende twee jaren groeien naar 100 procent bezettingsgraad. Deze families hebben geen financiële ruimte om naast de mestverwerking en grondverwerving ook nog fosfaatrechten te kopen. Is de Staatsecretaris bereid voor die groep bedrijven die alle vergunningen, financiering en reeds gebouwd hebben een minimale bezetting van 90 procent mogelijk te maken, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Deze vraag loopt vooruit op de nadere uitwerking van het stelsel van fosfaatrechten en het overleg dat ik hierover nog voer met betrokken organisaties. Voor het antwoord wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag dienaangaande van de leden van de fractie van de VVD.

Indien de Staatssecretaris besluit tot korten op fosfaatrechten, zijn de leden van de CDA-fractie benieuwd op welke gronden dat zou gaan plaats vinden. Gaat de Staatssecretaris bijvoorbeeld bedrijven waarvan het fosfaatoverschot ten opzichte van referentiejaar 2013 niet is toegenomen ontzien? Gaat de Staatssecretaris bezien of gestaffelde korting bij overschot bedrijven ten opzichte van referentiejaar 2013 mogelijk is? Wordt overdracht van fosfaatrechten mogelijk? Zo ja, op welke wijze? Behoort het instellen van een fosfaatbank ook tot de mogelijkheden? Worden te verkopen fosfaatrechten bij overdracht afgeroomd met een bepaald percentage? Zo ja, met welk percentage? Zo nee, waarom niet? Worden fosfaatrechten vrij verhandelbaar en fiscaal afschrijfbaar? Zijn fosfaatrechten te verhuren? Zo ja, te verhuren met of zonder grond? Hoe worden de fosfaatrechten bepaald als op een bedrijf ook rosé kalveren, zoogkoeien en vleesstieren voorkomen? Bestudeert de Staatssecretaris ook de mogelijkheid om ondernemers met gemengde bedrijven de mogelijkheid te bieden varkens- en pluimvee productierechten om te wisselen naar fosfaatrechten? Zo nee, waarom niet? Fosfaat is toch fosfaat of het nu van een rund, varken of kip is? De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat bij een eventuele invoering van fosfaatrechten het direct korten van bedrijven voorkomen moeten worden. Dit geldt temeer voor extensieve bedrijven en bedrijven met latente ruimte. Deze bedrijven zouden volgens de plannen van dit kabinet fosfaatrechten moeten aankopen om nog niet gebruikte mestplaatsingsruimte te mogen benutten.

De vragen van de leden van de fractie van het CDA over de invulling van het stelsel van fosfaatrechten lopen vooruit op de nadere uitwerking van het stelsel van fosfaatrechten en het overleg dat ik hierover nog voer met betrokken organisaties. Voor het antwoord wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag dienaangaande van de leden van de fractie van de VVD.

Voor het antwoord op de vraag over het wisselen van varkens- en pluimveerechten naar fosfaatrechten wordt verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de SP.

Zou de Staatssecretaris kunnen reageren op het artikel «fosfaatbeleid staat haaks op metingen in milieu» in V-focus, zo vragen de leden van de CDA-fractie (zie: http://www.v-focus.nl/2015/09/fosfaatbeleid-staat-haaks-op-metingen-in-milieu/ )? Is de Staatssecretaris het eens met de conclusies van het onderzoek van V-focus? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat de Staatssecretaris haar beleid hier op aanpassen? Zou de Staatssecretaris ook kunnen ingaan op het artikel «Fosfaatrechten – waar doen we het eigenlijk voor?» (zie http://www.mestportaal.nl/2015/fosfaatrechten-waar-doen-we-het-eigenlijk-voor/ )?

In de door de leden van de fractie van het CDA aangehaalde artikelen worden een aantal conclusies getrokken over het fosfaatbeleid. In het artikel in V-focus wordt aangegeven dat een uitgebreid onderzoeksverslag in een later nummer zal verschijnen. Het ontbreken van de onderliggende onderbouwing die heeft geleid tot de conclusies van V-focus maakt een inhoudelijke reactie niet mogelijk. Ik zeg uw Kamer toe dat ik deze reactie op een later moment zal geven, zodra duidelijk is hoe V-focus de conclusies in het artikel heeft onderbouwd.

In het artikel op mestportaal.nl wordt de vraag gesteld welk milieudoel de fosfaatrechten dienen. Voor het antwoord op die vraag wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag van de leden van de fractie van de VVD.

Hoe draagt het invoeren van fosfaatrechten bij aan de stimuleren c.q. behouden van weidegang, agrarisch natuurbeheer en verantwoord bodembeheer, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag van de leden van de fractie van de SP.

Heeft de Staatssecretaris wel eens gesproken met de voerleveranciers in Nederland over de mineralenproblematiek in de landbouw en is er wel eens gesproken over het retour nemen van mineralen en fosfaat door voerleveranciers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de uitkomsten van deze gesprekken?

In het kader van het voerspoor is gesproken met de Nevedi, maar niet over het retour nemen van mineralen en fosfaat. De veehouderij is verantwoordelijk voor de productie en verantwoorde afzet van dierlijke mest, niet de veevoederindustrie. De veehouderij betrekt ook een belangrijk deel van het veevoer van eigen land of rechtstreeks van andere landbouwbedrijven.

De leden van de CDA-fractie willen de Staatssecretaris de volgende casus voorleggen:

Een landgoed met pachtboerderijen heeft de afgelopen jaren een toekomstvisie gemaakt.

De toekomstvisie is mede gemaakt naar aanleiding van de ligging in en nabij Natura 2000-gebieden. Voor pachtboerderij A is op basis van deze toekomstvisie besloten de rosé kalveren om te zetten naar een grondgebonden extensieve melkveehouderij. Ondertussen zijn sinds september 2014 de milieuvergunning en de Natuurbeschermingswetvergunning beide omgezet naar melkvee. De Wet verantwoorde groei melkveehouderij geeft waarschijnlijk geen onoverkomelijke problemen voor deze pachtboerderij A. Echter invoeren van fosfaatrechten duidelijk wel. Wat biedt de Staatssecretaris dit bedrijf voor toekomstsperspectief, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Zou dit bedrijf weer moeten omschakelen naar rosé kalveren? Zou latente ruimte mogen worden benut bij de voorgenomen invoering van fosfaatrechten, zo vragen deze leden. Welk advies heeft de Staatssecretaris voor dit bedrijf?

Deze vraag loopt vooruit op de nadere uitwerking van het stelsel van fosfaatrechten en het overleg dat ik hierover nog voer met betrokken organisaties. Voor het antwoord wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag dienaangaande van de leden van de fractie van de VVD.

Daarnaast nog enkele vragen van de leden van de CDA-fractie in relatie tot de mestwetgeving. Hoe gaat de Staatssecretaris om met de kringloopwijzer, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Is het de Staatssecretaris bekend dat extensieve bedrijven, die hun eigen voer telen, in de kringloopwijzer benadeeld lijken te worden? Hoe wil de Staatssecretaris dit voorkomen, zo vragen deze leden.

Zoals ik uw Kamer in mijn brief van 2 juli jongstleden heb gemeld heeft de zuivelketen aangekondigd de Kringloopwijzer per 1 januari 2016 verplicht te zullen stellen voor alle melkveehouderijbedrijven en zorg te willen dragen voor een geborgde centrale database Kringloopwijzer. De precieze wijze waarop de Kringloopwijzer zal worden geborgd en gehandhaafd wordt in de komende periode, in nauw overleg met de sector, nader uitgewerkt. Eén van de aspecten die hierbij aandacht verdient is de wetenschappelijke onderbouwing van de KringloopWijzer, mede in relatie tot de verschillende type melkveehouderijbedrijven in Nederland. Met andere woorden, de zuivelketen zal aan moeten tonen voor welke type bedrijven de KringloopWijzer als verantwoording kan dienen. Ik zal de KringloopWijzer uitsluitend als bedrijfsspecifieke verantwoording accepteren als de wetenschappelijke onderbouwing onafhankelijk is getoetst, de centrale database adequaat is geborgd en er geen onduidelijkheden meer bestaan over de type melkveehouderijbedrijven waarvoor de KringloopWijzer een geschikt instrument is. Tot die tijd zullen bedrijven verantwoording af moeten leggen op basis van de wettelijke excretieforfaits.

De leden van de CDA-fractie vragen welke inzet het kabinet heeft met betrekking tot de mestverwerkingspercentages 2016. Verder verhogen van de percentages betekent lastenverzwaring en dat is in het huidige economische klimaat niet voor de hand liggend. Kan er inzicht gegeven worden in de verwachte verwerkingscapaciteit in de gebieden Oost, Zuid en Overig? Op dit moment zet de sector in op export van de dikke fosfaatrijke fractie uit gescheiden mest. In de praktijk blijkt dan dat de dunne stikstofrijke fractie, voor de Nederlandse markt beschikbaar is. Derogatie voor mineralenconcentraat kan volgens de leden van de CDA-fractie hiervoor een oplossing bieden. Wat is de inzet van het kabinet op deze punten?

Voor het antwoord op de vraag wordt verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de VVD.

Is de Staatssecretaris bereid flexibele uitrijtijden te betrekken bij haar voornemen tot invoering van fosfaatrechten? Is de Staatssecretaris bereid, gezien de verouderde cijfers die zijn gebruikt bij de onderhandelingen van het vorige actieprogramma, een verhoging van de aanwendnorm te betrekken bij de invoering van fosfaatrechten? Zo nee, waarom niet?

De uitrijtijden hebben tot doel de uit- en afspoeling van stikstof en fosfaat te beperken door ondernemers te verplichten uitsluitend meststoffen toe te dienen aan de bodem op die momenten dat het gewas deze meststoffen ook op kan nemen. Het aangekondigde stelsel van fosfaatrechten heeft tot doel te borgen dat de fosfaatproductie in de melkveehouderij niet boven het fosfaatproductieplafond groeit.

De leden van de fractie van het CDA hebben in het verslag van een schriftelijk overleg over de brief van 3 juli 2015 over de Landbouw- en Visserijraad op 13 juli 2015 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 848) gevraagd naar wat ik ga doen met de uitkomst van het WUR-rapport nr. 486608 «Meststofgebruiksruimte in relatie tot opbrengstniveaus, mestsoort en rijenbemesting: Verkenning van equivalente maatregelen met het WOG 2.0 rekenmodel». Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord dat ik per brief van 10 juli jongstleden heb gegeven op die vraag (Kamerstuk 21 501-32, nr. 849).

In Nederland zijn er diverse pensioengerechtigde ondernemers die uit fiscaal oogpunt actief ondernemer willen blijven en daarom hun land niet willen verpachten. Wel wordt er op deze grond dierlijke mest aangevoerd en gras c.q. mais verbouwd wat weer wordt verkocht c.q. teruggeleverd aan veehouders. De huidige meststoffenwetgeving voorziet niet in deze situatie als voorwaarde voor grondgebondenheid. De leden van de CDA-fractie hebben al eerder een pleidooi gehouden om deze zogenaamde «mest-voercontracten» en bijbehorende hectares mee te laten tellen als mogelijke verantwoording ten behoeve van grondgebondenheid. Is de Staatssecretaris nu ook bereid hier serieus naar te kijken, zo vragen deze leden.

Zoals in de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit grondgebonden groei melkveehouderij (Kamerstuk 33 979, nr. 73) uitvoerig is beschreven zijn met de inwerkingtreding van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij per 1 januari 2015 en worden met de voorziene inwerkingtreding van het ontwerpbesluit per 1 januari 2016 de al bestaande wettelijke bepalingen in de Meststoffenwet over de grond die in het kader van een normale bedrijfsvoering bij een bedrijf in gebruik is, niet gewijzigd. Dit betekent dat bepalend is en blijft dat er sprake moet zijn van een geldige juridische titel en dat de ondernemer ook feitelijk – in de praktijk – de beschikkingsmacht over de grond moet uitoefenen. Van belang is immers dat één ondernemer aanspreekbaar is voor de verplichtingen die volgen uit het stelsel van gebruiksnormen die zien op de maximale bemesting met stikstof en fosfaat uit meststoffen. Vanuit oogpunt van handhaving van de verplichtingen die volgen uit de Meststoffenwet, maar ook die volgen uit stelsel van inkomenstoeslagen in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, kan landbouwgrond niet in gebruik zijn bij meer dan één ondernemer

Vanzelfsprekend is een melkveehouder vrij om afspraken te maken met een akkerbouwer over de teelt van ruwvoer ten behoeve van zijn onderneming. Deze afspraken kunnen ook zien op de levering van dierlijke mest van de melkveehouder aan de akkerbouwer. De betreffende percelen landbouwgrond waarop het ruwvoer door de akkerbouwer wordt geteeld zijn echter in het kader van de Meststoffenwet in gebruik bij de akkerbouwer en kunnen als zodanig dus niet door de melkveehouder opgevoerd worden ter verantwoording van de verplichtingen uit het ontwerpbesluit.

Is de Staatssecretaris bereid het Vlaamse model (zie http://www.vcm-mestverwerking.be/ ) ook in Nederland in te voeren? Volgens de leden van de CDA-fractie zouden kennis en vergunningverlening hiermee verbeterd en versneld kunnen worden.

Het kabinet bespreekt met betrokken partijen de mogelijkheden om vervolg te geven aan de werkgroep versnelling vergunningverlening mestverwerking. Het bedrijfsleven heeft het Vlaams Coördinatiecentrum Mestverwerking (VCM) als een voorbeeld gegeven als een vruchtbare publiek-private samenwerking op het gebied van mestverwerking. Eind september heeft er een werkbezoek plaatsgevonden aan het VCM om dit verder te verkennen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over de ontwikkelingen in de melkveehouderij sinds het opheffen van het melkquotum. Zij willen benadrukken dat eventuele steunmaatregelen moeten toewerken naar een duurzame hervorming van de sector die zorgt voor toekomstbestendigheid. Het opnieuw instellen van melkquota, het verhogen van interventieprijzen en maatregelen die geen rem zetten op verdere schaalvergroting doen dat geen van allen.

De leden van de D66-fractie vragen in hoeverre de Wet verantwoorde groei melkveehouderij, en onderliggende algemene maatregel van bestuur, daadwerkelijk tot verantwoorde groei heeft geleid. Zij verkrijgen daarop graag een reactie van de Staatssecretaris. Het feit dat de Staatssecretaris wegens groei van de melkveehouderij nu moet ingrijpen om de fosfaatproductie te beperken omwille van dreigende overschrijding van het met de Europese Commissie afgesproken fosfaatplafond doet de aan het woord zijnde leden anders vermoeden. Welke consistentie ziet zij hierin? Welke lessen voor toekomstig beleid trekt zij hieruit?

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de VVD.

De leden van de D66-fractie vragen of de Staatssecretaris met cijfers van CBS of met het early warning systeem al preciezer dan in haar brief van 2 juli jl. kan aangeven hoeveel de fosfaatproductie in 2015 al is gestegen en, zonder aanvullend beleid, naar verwachting gaat stijgen tot 2020? Wat zijn de jongste prognoses?

Voor het antwoord op de vraag over de fosfaatproductie in 2015 wordt verwezen naar een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de VVD. Ik beschik niet over prognoses over de ontwikkeling van de fosfaatproductie richting 2020.

De leden van de D66-fractie vragen in het kader van de fosfaatrechten, die de Staatssecretaris zich voorneemt in te voeren, hoe een Nitraatrichtlijn een grondslag voor een fosfaatplafond kan zijn. In haar brieven stelt de Staatsecretaris immers dat het fosfaatplafond voortkomt uit die richtlijn, het vijfde actieprogramma en de derogatiebeschikking. De aan het woord zijnde leden vernemen graag precies hoe beide zich tot elkaar verhouden. In het bijzonder zijn zij benieuwd hoe uit de genoemde documenten de rechtsgrond van het fosfaatplafond volgt, op welke wijze de hoogte van het plafond is vastgesteld, van wiens zijde op welk moment in welk gremium voorgesteld is een fosfaatplafond in te voeren met welke hoogte en, indien dit in het kader van onderhandelingen was, wat de reden voor dit voorstel was. Voorts zijn zij benieuwd met welke andere lidstaten de Europese Commissie een fosfaatplafond heeft afgesproken en op welke grondslag dat gebeurd is?

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de VVD. Nederland is de enige lidstaat waar een fosfaatproductieplafond als voorwaarde is verbonden aan de derogatie.

De leden van de D66-fractie vragen welke ruimte om te groeien melkveebedrijven voor zichzelf kunnen creëren indien zij effectief sturen op fosfaatefficiëntie. Kan de Staatssecretaris daartoe een overzicht geven van enkele veelvoorkomende of innovatieve manieren om fosfaatproductie te verminderen? En kan zij daarbij toelichten hoeveel procent reductie elk van die maatregelen gemiddeld tot gevolg heeft of kan hebben?

Er zijn verschillende maatregelen om de fosfaatefficiëntie van de melkveestapel te verbeteren en zo te groeien in melkproductie, waaronder het verlagen van de fosforopname via het rantsoen. De lagere fosforopname met het rantsoen is te managen door voedermiddelen te kiezen met een lager fosforgehalte. Hierbij kan gedacht worden aan voedermiddelen als maïs, fosforarm krachtvoer, bijproducten met een laag fosforgehalte (bijvoorbeeld perspulp), maar ook gras of graskuil, dat geoogst is als een zware snede.

Het effect van de verschillende maatregelen op de fosfaatefficiëntie is erg afhankelijk van de situatie en de invulling van de specifieke maatregel. Uit onderzoek van Wageningen UR op de 16 bedrijven uit het project Koeien en Kansen blijkt dat er met het gebruik van de KringloopWijzer een gemiddelde verhoging van de fosfaatefficiëntie gerealiseerd werd van ruim 7% in 2014. Sommige bedrijven realiseerden zelfs een 20% hogere fosfaatefficiëntie (zie het artikel van Koeien & Kansen: http://www.koeienenkansen.nl/nl/koeien-kansen-1/show-1/Ruimte-voor-extra-melk-ondanks-fosfaatrechten.htm).

De leden van de D66-fractie vragen om een analyse van de Staatssecretaris hoe de verscheidene ten behoeve van de bescherming van natuur en milieu opgestelde stelsels, zoals het Programma Aanpak Stikstof en fosfaatrechten, zich tot elkaar verhouden. In hoeverre worden en zijn stelsels voor stikstof, fosfaatproductie en -afzet goed op elkaar af te stemmen voor melkveebedrijven? Wat wordt eraan gedaan deze systemen zo goed mogelijk in elkaars verlengde te leggen?

De Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) is ingevoerd om de vergunningverlening rond voor stikstof gevoelige Natura 2000 gebieden vlot te trekken en tegelijk de natuurkwaliteit te behouden en te verbeteren. Met rekeninstrument AERIUS wordt berekend hoeveel ontwikkelingsruimte er voor bedrijven in de buurt van een Natura 2000 gebied beschikbaar is. Melkveebedrijven die wensen uit te breiden kunnen dit uitsluitend doen als daarvoor voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar is en wordt toegewezen door het bevoegd gezag.

Op het moment van inwerkingtreding van het stelsel van fosfaatrechten moeten melkveehouders hun fosfaatproductie in een kalenderjaar kunnen verantwoorden met fosfaatrechten. Ondernemers die wensen uit te breiden dienen hiervoor fosfaatrechten te verwerven.

De PAS en het stelsel van fosfaatrechten hebben een verschillend doel en zijn in die zin niet met elkaar verbonden. Het zijn twee naast elkaar staande instrumenten. Beide stelsels stimuleren ondernemers wel tot het nemen van voermaatregelen, wat gunstig is voor zowel de uitstoot van ammoniak als de productie van fosfaat.

De leden van de D66-fractie krijgen berichten van bezorgde boeren die vrezen dat ondanks dat in hun regio nog ontwikkelruimte zou zijn, zij straks beperkt worden omwille van intensievere melkveehouderij elders in het land. Zij vragen zich daarom af in welke mate bij de ontwikkeling van een stelsel van fosfaatrechten de Staatssecretaris voornemens is met regionale verschillen rekening te houden. De aan het woord zijnde leden kunnen zich voorstellen dat gedifferentieerd wordt naar gelang de dichtheid aan melkveebedrijven in een gebied en de aanwezigheid van kwetsbare natuur. Hoe ziet de Staatssecretaris dit?

Het aangekondigde stelsel van fosfaatrechten heeft tot doel te borgen dat de fosfaatproductie in de melkveehouderij niet boven het nationale fosfaatproductieplafond groeit. Het stelsel van fosfaatrechten stuurt op nationaal niveau de maximale omvang van de fosfaatproductie in de melkveehouderij en zal niet worden gedifferentieerd naar regio.

De leden van de D66-fractie vragen of de invoering van fosfaatrechten tot ongewenst neveneffect kan hebben dat melkveebedrijven jongvee afstoten en deze uit andere landen gaan importeren. Jongvee stoot immers wel fosfaat uit, maar levert nog geen melk op. Nadelig aan een dergelijke omslag zou zijn dat diertransporten over langere afstand toenemen, evenals het risico op dierziektes. Hoe wil de Staatssecretaris dit scenario ondervangen in haar voorgenomen fosfaatrechtenstelsel?

Het overgrote deel van de Nederlandse melkveebedrijven fokt het jongvee zelf op het eigen bedrijf op, een beperkt deel kiest voor opfok elders op een gespecialiseerd melkveebedrijf. Zowel uit een oogpunt van dierziekterisico als de wens van de melkveehouder om te kunnen beschikken over zelf gefokte dieren, is het weinig aannemelijk dat melkveehouders zullen kiezen voor het importeren van jongvee uit het buitenland.

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief vooruitlopend op een wetsvoorstel tot wijziging van de Meststoffenwet ter introductie van een productiebegrenzing in de melkveehouderij in de vorm van fosfaatrechten.

Er is sprake van een moeilijke situatie in de melkveehouderij, als gevolg van lagere export naar landen als China en Rusland en hoge investeringen in extra dieren/productiecapaciteit, anticiperend op het tijdperk na de melkquotering. Vanwege de lage melkprijs is de situatie voor steeds meer melkveehouders nijpend, zeker voor hen die anticiperend op de afschaffing van de melkquotering flink hebben geïnvesteerd.

Tegelijkertijd dreigt nu een overschrijding van het nationale fosfaatproductieplafond over 2014 en 2015, waar de melkveehouderij een grote bijdrage aan levert. De dreigende overschrijding van het plafond baart de leden van de ChristenUnie-fractie zorgen, niet alleen vanwege de milieuproblematiek die daarmee gepaard gaat en de derogatie die op het spel staat, maar ook vanwege het feit dat de solidariteit binnen de sector ver te zoeken lijkt. Grote intensieve bedrijven met weinig grond komen nu in de problemen, maar tegelijkertijd dreigen de groeimogelijkheden voor de grondgebonden extensieve bedrijven ook in de knel te komen.

De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat de Staatssecretaris kiest voor een nadere regulering van de fosfaatproductie in de melkveehouderij. Deze leden hebben, gelet op de balans tussen voor- en nadelen, begrip voor het feit dat het kabinet daarbij kiest voor het instrument van fosfaatrechten. Wel hebben deze leden behoefte aan een goede argumentatie bij deze keuze, zodat de visie van het kabinet op een duurzame melkveehouderij en de uitgangspunten bij de toepassing van dit instrument helder worden. Zij vragen het kabinet dan ook de keuze voor fosfaatrechten nader te onderbouwen.

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de VVD.

De leden van de ChristenUnie-fractie willen de Staatssecretaris een aantal aandachtspunten meegeven bij het opstellen van het wetsvoorstel. De introductie van het fosfaatrechtensysteem zou slecht kunnen uitpakken voor relatief extensieve grondgebonden bedrijven. Het is volgens deze leden dan ook van belang dat er een billijk systeem komt, waarbij recht wordt gedaan aan bedrijven die nu reeds een gezonde balans tussen grond, vee en omgeving realiseren. Deze leden vragen dan ook aan de Staatssecretaris op welke wijze grondgebonden bedrijven worden «beloond» bij de introductie van fosfaatrechten. Is zij bereid om specifieke ruimte te reserveren voor grondgebonden bedrijven die nog groeiruimte op het eigen bedrijf hebben? Is de Staatssecretaris ook bereid om te bekijken hoe een systeem van fosfaatrechten grondgebonden en extensieve groei mogelijk maakt en stimuleert?

Voor het antwoord op het eerste deel van de vraag wordt verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de SP.

Het laatste deel van de vraag loopt vooruit op de nadere uitwerking van het stelsel van fosfaatrechten en het overleg dat ik hierover nog voer met betrokken organisaties. Voor het antwoord wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag dienaangaande van de leden van de fractie van de VVD.

De Staatsecretaris wil rechten toekennen op basis van het aantal gehouden stuks melkvee en jongvee. Waarom heeft de Staatssecretaris er niet voor gekozen een koppeling te leggen met de op een bedrijf aanwezige fosfaatruimte, dus met grond? Hoe komt de Staatssecretaris de extensieve bedrijven tegemoet die al hebben geïnvesteerd in groeiruimte maar deze nog niet hebben verzilverd door koeien aan te schaffen?

Voor het antwoord op de vraag wordt verwezen naar het antwoord op soortgelijke vragen van de leden van de fractie van de SP.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom is gekozen om zowel met een peildatum (2 juli 2015) als een referentiejaar (2014) te werken. Levert dit niet veel verwarring en onduidelijkheid op? Wat is de waarde van het referentiejaar 2014 als er een peildatum is van 2 juli 2015? Is er dan niet alsnog sprake van het belonen van anticiperend gedrag, aangezien melkveehouders hadden kunnen weten dat er een nadere productiebegrenzing zou komen?

Bedrijven krijgen inderdaad de keuze tussen twee momenten, het jaar 2014 of de peildatum van 2 juli 2015. De verwachting is niet dat dit veel verwarring oplevert. Zodra de omvang van de fosfaatrechten is vastgesteld speelt de wijze waarop ze zijn vastgesteld ook niet langer een rol. Van anticiperend gedrag is tot 2 juli 2015 geen sprake. Op 1 juni 2015 kon weliswaar kennisgenomen worden van de opvatting dat het naar aanleiding van de 2e CBS-prognoses in de rede lag in te grijpen, echter op dat moment was niet duidelijk op welke wijze dat zou worden gedaan (Kamerstukken 33 979, nr. 96). In de brief stond immers ook dat de Kamer voor het zomerreces zou worden geïnformeerd over de invulling van productiebegrenzing via de Meststoffenwet «in het geval onvoldoende garanties zijn dat de zuivelketen er in zal slagen de fosfaatproductie te verminderen». Op 2 juli 2015 hebben bedrijven voor het eerst kennis kunnen nemen van de opvatting van het kabinet dat de productiecijfers aanleiding geven tot de introductie van productiebeperkende maatregelen in de vorm van fosfaatrechten.

Op welke wijze wil de Staatssecretaris (extensieve) grondgebonden bedrijven ontzien, indien onverhoopt tot afroming van fosfaatrechten moet worden overgegaan teneinde het sectorplafond niet te overschrijden, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.

De vraag van de leden van de fractie van de ChristenUnie loopt vooruit op de nadere uitwerking van het stelsel van fosfaatrechten en het overleg dat ik hierover nog voer met betrokken organisaties. Voor het antwoord wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag dienaangaande van de leden van de fractie van de VVD.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben een aantal specifieke vragen aan de Staatssecretaris over het fosfaatoverschot. Ten eerste, kan de Staatssecretaris aangeven hoe groot het fosfaatoverschot is dat wordt geproduceerd op melkveebedrijven die nu volgens de definitie (grondgebonden = grond in eigendom of gebruik bij het bedrijf) niet grondgebonden zijn? En kan de Staatssecretaris hierbij aangeven wat de provinciale fosfaatoverschotten zijn?

Ten tweede, kan de Staatssecretaris aangeven hoe groot de fosfaatproductie van grondgebonden melkveebedrijven is en hoe groot die kan zijn gezien de fosfaatgebruiksruimte op deze bedrijven? Wat is de niet gebruikte fosfaatruimte van deze bedrijven in de diverse provincies?

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de SP en de bij dat antwoord gepresenteerde tabel 3.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Staatssecretaris te reageren op de brief van Veelzijdig Boerenland d.d. 26 augustus jl. aan haar, die in afschrift aan de Kamer is gezonden, waarin deze organisatie aangeeft dat een extensieve grondgebonden melkveehouderij een belangrijke bijdrage levert aan natuur en landschap. Is de Staatssecretaris bereid de grondgebonden melkveehouderij te stimuleren om meer aan natuur en landschap te doen? Wat vindt de Staatssecretaris in dat licht van het pleidooi dat Veelzijdig Boerenland houdt voor grondgebonden fosfaatrechten? Genoemde leden vragen de Staatssecretaris een reactie op de vier voorstellen die Veelzijdig Boerenland in de brief doet.

In nauw overleg met uw Kamer is de AMvB grondgebonden groei melkveehouderij tot stand gekomen. Doel van de AMvB is het grondgebonden karakter van de melkveehouderij te behouden door melkveehouders te verplichten een deel van de uitbreiding van de fosfaatproductie op hun bedrijf te verantwoorden door extra grond in gebruik te nemen. De AMvB zal op korte termijn worden gepubliceerd in het Staatsblad. Inwerkingtreding is voorzien voor 1 januari 2016.

De vraag van de leden van de fractie van de ChristenUnie over de voorstellen van Veelzijdig Boerenland loopt vooruit op de nadere uitwerking van het stelsel van fosfaatrechten en het overleg dat ik hierover nog voer met betrokken organisaties. Voor het antwoord wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag dienaangaande van de leden van de fractie van de VVD.

Voorts vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of de voorgenomen verhandelbaarheid van fosfaatrechten gelet op de visie van het kabinet op een sterke en duurzame melkveehouderij een verstandig voornemen is. Leidt verhandelbaarheid niet tot vergelijkbare taferelen als ten tijde van de melkquotering, waardoor de kostprijs voor de melkveehouder stijgt en er veel geld uit de sector verdwijnt naar stoppende bedrijven? Welke alternatieven ziet het kabinet of aan welke nadere voorwaarden (bijvoorbeeld koppeling aan grond) denkt zij, zo vragen deze leden. Heeft zij ook overwogen om een fosfaatbank in te stellen als alternatief voor de onderlinge verhandelbaarheid van fosfaatrechten?

De vragen van de leden van de fractie van de ChristenUnie lopen vooruit op de nadere uitwerking van het stelsel van fosfaatrechten en het overleg dat ik hierover nog voer met betrokken organisaties. Voor het antwoord wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag dienaangaande van de leden van de fractie van de VVD.

Waarom kiest de Staatssecretaris ervoor de toegekende fosfaatrechten niet (eenmalig) uitwisselbaar te laten zijn met de productierechten voor varkens en pluimvee? Wat zijn de voor- en nadelen van schotten tussen de sectoren, mede gelet op de moeilijke situatie in de varkenshouderij?

Voor het antwoord op het eerste deel van de vraag verwijs ik naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de SP.

In het bestaande stelsel van dierrechten is geen uitwisseling mogelijk tussen varkens en pluimvee. Elke sector staat zelf aan de lat om zijn mestoverschotprobleem op te lossen. Verder wordt met een schot tussen varkens- en pluimveerechten voorkomen dat een deel van de pluimveehouderij overschakelt naar de varkenshouderij. Gevolg hiervan zou namelijk zijn dat kwalitatief goede pluimveemest – die relatief makkelijk te verwerken en te exporteren is – omgezet zou worden in varkensmest, dat vanwege het hoge watergehalte moeilijker en tegen hogere kosten verwerkt en geëxporteerd moet worden. Het realiseren van evenwicht op de Nederlandse mestmarkt zou hierdoor worden bemoeilijkt en de opgave voor de varkenssector voor het realiseren van voldoende structurele mestverwerkingscapaciteit zou hiermee verder worden vergroot.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Staatssecretaris naar de stand van zaken van het overleg in de regiegroep. Wanneer verwacht de Staatssecretaris een wetsvoorstel naar de Kamer te kunnen sturen?

Momenteel wordt met betrokken partijen technisch overleg gevoerd over de nadere uitwerking van het stelsel van fosfaatrechten. Ik streef ernaar op korte termijn voorstellen te bespreken in de regiegroep en nog dit jaar een wetsvoorstel in de ministerraad te behandelen en voor advies aan te bieden aan de afdeling advisering van de Raad van State. Uitgaande van een termijn voor advies van maximaal drie maanden betekent dit dat een wetsvoorstel aan einde van het eerste kwartaal van 2016 aan uw Kamer zou kunnen worden aangeboden.

Kan de Staatssecretaris aangeven wat de stand van zaken is rond de private afspraken over het voerspoor en de Kringloopwijzer?. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de effectiviteit van deze maatregelen tot dusverre?

Het voerspoor heeft er van 2011 tot en met 2014 voor gezorgd dat het fosfaatproductieplafond niet is overschreden, waar dit in de jaren daarvoor tot drie keer toe wel het geval was. Daarmee is het een effectieve maatregel gebleken. Het early warning systeem dat de sector heeft opgezet laat zien dat het aantal dieren in de melkveehouderij in de eerste helft van 2015 is gestegen ten opzichte van 2014. De definitieve cijfers over de fosfaatproductie laten zien dat in 2014 het plafond van 172,9 miljoen kilo dicht is genaderd. Het is niet mijn verwachting dat het voerspoor de groei van de melkveehouderij in 2015 heeft kunnen bijhouden. Naar verwachting zullen in december 2015 de eerste voorlopige cijfers over de fosfaatproductie in 2015 door het CBS gepubliceerd worden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie hebben kennisgenomen van de brieven van de Staatssecretaris over de situatie in de melkveehouderij. Deze leden betreuren het dat de sector het fosfaatplafond overschrijdt, maar stellen ook dat het beleid en specifieker de wet Verantwoorde groei van de melkveehouderij daaraan mede heeft bijgedragen. Deze leden zien daarom aanleiding tot het stellen van vragen.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe de Staatssecretaris nu terugkijkt op het wetsvoorstel, nu enkele maanden na ingang van de wet de eerste problemen zich voordoen. Is zij het met de leden van de GroenLinks-fractie eens dat er teveel vertrouwen is gegeven aan de sector?

In antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de VVD is geschetst welke rol er voor de overheid en welke voor de sector was weggelegd voor het moment dat de melkquotering kwam te vervallen. De wet verantwoorde groei melkveehouderij heeft tot doel te borgen dat groei van de fosfaatproductie op melkveehouderijbedrijven niet leidt tot extra druk op de mestmarkt. Met deze wet wordt niet gestuurd op een maximale fosfaatproductie in de melkveehouderij. De door de NZO en LTO op 12 december 2013 aangekondigde private maatregelen moesten borgen dat de fosfaatproductie in de melkveehouderij beneden het door de zuivelketen aan zichzelf opgelegde sectorplafond van 84,9 miljoen kilogram fosfaat zou blijven. De door het Planbureau voor de Leefomgeving en Wageningen-UR uitgevoerde «ex-ante evaluatie mestbeleid 2013» (Kamerstuk 33 037, nr. 80) liet zien dat met gerichte voermaatregelen de melkveehouderij onder het sectorplafond en de veehouderij als geheel onder het nationale fosfaatproductieplafond kon produceren in de jaren tot 2020.

Zoals ik in mijn brief van 2 juli jongstleden heb geconcludeerd zijn «private maatregelen van de zuivelketen […] vooralsnog ontoereikend gebleken om individuele melkveehouders te binden aan het collectieve doel». Directe sturing door de zuivelketen op het gedrag en het handelen van individuele melkveehouders is weerbarstig gebleken. Productiebegrenzende maatregelen zijn daarmee onvermijdelijk gebleken.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen aan de Staatssecretaris een overzicht met welke maatschappelijke partijen gesproken is bij de uitwerking van de opties voor het reguleren van de fosfaatproductie in de melkveehouderij.

Er is met LTO Nederland, de Nederlandse Zuivel Organisatie (NZO), de Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV), het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) en Stichting Natuur & Milieu (SNM) gesproken over de uitwerking van de opties.

De leden van de GroenLinks-fractie zijn van mening dat de veestapel in de intensieve veehouderij moet inkrimpen en dat er tegelijkertijd meer ruimte moet komen voor extensieve en grondgebonden boeren. Deze leden vragen aan de Staatssecretaris of zij met de uitwerking van het fosfaatrechtenstelsel een onderscheid gaat maken tussen de intensieve melkveehouderij en extensieve, grondgebonden melkveehouderij.

Deze vraag loopt vooruit op de nadere uitwerking van het stelsel van fosfaatrechten en het overleg dat ik hierover nog voer met betrokken organisaties. Voor het antwoord wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag dienaangaande van de leden van de fractie van de VVD.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen aan de Staatssecretaris wat de gevolgen zijn van een fosfaatrechtenstelsel op het aantal boeren dat aan weidevogelbeheer doet. Kan de Staatssecretaris reageren op de analyse van de directeur van het CLM die stelt dat een fosfaatrechtenstelsel melkveebedrijven stimuleert om te streven naar maximale fosfaatefficiëntie, wat onherroepelijk zal leiden tot intensivering en het opzeggen van beheersovereenkomsten?

De introductie van een stelsel van fosfaatrechten heeft naar verwachting geen invloed op het aantal beheersovereenkomsten.

De leden van de GroenLinks-fractie zijn van mening dat weidegang wettelijk zou moeten worden verankerd. Deze leden zien de weidegang jaarlijks teruglopen en zouden liever vandaag dan morgen deze trend willen keren. Voorts vragen de leden aan de Staatssecretaris of zij bereid is weidegang als criterium voor de uitgifte van fosfaatrechten op te nemen?

Voor het antwoord op het eerste deel van deze vraag verwijs naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de SP. Ik zal weidegang niet als criterium opnemen bij de toekenning van fosfaatrechten.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen aan de Staatssecretaris nader in te gaan op de gevolgen van een fosfaatrechtenstelsel op de weidegang, op de emissie van ammoniak en broeikasgassen.

De introductie van een fosfaatrechtenstelsel leidt tot een stabilisatie van de omvang van de melkveehouderij, uitgedrukt in fosfaateenheden. Ondernemers die sturen op een hogere fosfaatefficiëntie kunnen slechts binnen de toe te kennen fosfaatrechten ontwikkelruimte verdienen. Voorts is de keuze voor weiden of opstallen neutraler bij een stelsel van fosfaatrechten dan bij een stelsel van dierrechten. Bij een stelsel van dierrechten streeft de melkveehouder naar een zo hoog mogelijke melkproductie per koe. Door de dieren op te stallen kan de melkproductie per koe makkelijker verder worden verhoogd. Bij een stelsel van fosfaatrechten treden deze effecten in geringere mate op. Bij een toename van de melkproductie per dier neemt de fosfaatproductie per dier toe. Er geldt dan een hogere forfaitaire fosfaatproductienorm, waardoor binnen het vastgestelde fosfaatrecht minder dieren gehouden kunnen worden.

Doordat de melkveestapel in overeenstemming wordt gebracht met het sectorplafond heeft het stelsel van fosfaatrechten een dempend effect op de uitstoot van ammoniak en broeikasgassen.

Is de Staatssecretaris het met de leden van de GroenLinks-fractie eens dat herstel van grondgebondenheid uitgangspunt zou moeten zijn voor het beleid inzake de dierhouderij, en dat derhalve bij de uitwerking van het fosfaatenrechtenstelsel gestuurd zou moeten worden op aspecten van grondgebondenheid?

Deze vraag loopt vooruit op de nadere uitwerking van het stelsel van fosfaatrechten en het overleg dat ik hierover nog voer met betrokken organisaties. Voor het antwoord wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag dienaangaande van de leden van de fractie van de VVD.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende brieven. Zij hebben enkele kritische vragen over de voorgestelde invoering van fosfaatrechten.

De leden van de SGP-fractie hebben enkele procedurele vragen. Kan de Staatssecretaris aangeven wanneer het wetsvoorstel ongeveer naar de Kamer gestuurd zal worden? Wanneer zou het wetsvoorstel van kracht moeten worden?

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de SP.

De leden van de SGP-fractie willen voorkomen dat melkveehouders lang in onzekerheid blijven over de nadere invulling van het door de Staatssecretaris gewenste fosfaatrechtensysteem. Kan de Staatssecretaris op korte termijn, zo nodig nog voor ommekomst van het wetsvoorstel, nader duiden hoe zij om wil gaan met bijvoorbeeld het afromen van fosfaatrechten en de positie van grondgebonden melkveehouders?

Deze vraag loopt vooruit op de nadere uitwerking van het stelsel van fosfaatrechten en het overleg dat ik hierover nog voer met betrokken organisaties. Voor het antwoord wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag dienaangaande van de leden van de fractie van de VVD.

De voorgestelde invoering van fosfaatrechten wordt opgehangen aan het fosfaatplafond dat met de Europese Commissie in het kader van de derogatie is afgesproken. De leden van de SGP-fractie hebben enkele kritische vragen over de inhoudelijke motivering van deze afspraak. In de derogatiebeschikking staat dat productiebegrenzing en mestverwerking nodig zijn om ervoor te zorgen dat toepassing van de huidige derogatie niet leidt tot verdere intensivering. Op welke vorm van intensivering wordt hier gedoeld?

De Europese Commissie doelt op een intensivering van de melkveehouderij, ofwel een uitbreiding van het aantal dieren en daarmee van de fosfaatproductie.

De leden van de SGP-fractie constateren dat problemen met nitraatconcentraties in grondwater zich vooral voordoen in de zuidelijke zand- en lössgebieden. In deze gebieden ligt de stikstof- en fosfaatproductie van in ieder geval de melkveehouderij ten opzichte van 2002 significant lager. Welk verband ziet de Staatssecretaris tussen het invoeren van fosfaatrechten en het aanpakken van de zuidelijke nitraatproblemen?

De leden van de fractie van de SGP merken terecht op dat de nitraatproblematiek het grootst is in het grondwater in de zuidelijke zand- en lössgebieden. De aangescherpte maatregelen die volgen uit het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn richten zich om die reden vooral op deze gebieden. Deze maatregelen zien op de hoogte van de gebruiksnormen en de invulling van de gebruiksvoorschriften. Doel van deze maatregelen is ervoor te zorgen dat de toegediende meststoffen maximaal ten goede komen aan de groei van het gewas en uit- en afspoeling naar het grond- en oppervlaktewater worden voorkomen.

De leden van de fractie van de SGP merken op dat de stikstof- en fosfaatproductie van in ieder geval de melkveehouderij ten opzichte van 2002 in deze gebieden significant lager is. Het Centraal Bureau voor de Statistiek maakt geen onderscheidt naar de in het vijfde actieprogramma onderscheiden grondsoortenregio’s. Als echter gekeken wordt naar de fosfaat- en stikstofproductie in de melkveehouderij in de provincies Noord-Brabant en Limburg in de jaren 2002 en 2014 – de provincies die het sterkste overlap hebben met het zuidelijk zand- en lössgebied – dan is inderdaad een daling zichtbaar. Echter, in de periode tussen 2002 en 2014 is de plaatsingsruimte voor stikstof en fosfaat in beide provincies gedaald. In 2002 was er in de provincie Noord-Brabant sprake van een fosfaatoverschot van ruim 0,9 miljoen kilogram, in 2014 was dit gestegen tot ruim 4,5 miljoen kilogram. In de provincie Limburg was er in 2002 sprake van een surplus aan plaatsingsruimte voor fosfaat van 0,16 miljoen kilogram, in 2014 was er echter sprake van een fosfaatoverschot van ruim 0,7 miljoen kilogram.

Voor het antwoord op de vraag over de relatie tussen fosfaatrechten en de nitraatdoelstelling wordt verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de VVD.

Ten opzichte van 2002 wordt veel meer mest verwerkt c.q. buiten de Nederlandse landbouw afgezet. In 2013 was dat ongeveer 19 miljoen kilogram fosfaat meer dan in 2002. Daarbij komt dat de komende jaren ook meer mest verplicht verwerkt zal moeten worden. Sterker nog: de Wet verantwoorde groei melkveehouderij bepaalt dat melkveebedrijven alle extra mest die ze niet op eigen grond af kunnen zetten moeten verwerken en dus buiten de Nederlandse landbouw af moeten zetten. Deze extra mineralen als gevolg van de productiegroei in de melkveehouderij komen dus niet op Nederlandse landbouwgrond terecht en dragen derhalve niet bij aan de af- en uitspoelingsproblematiek. Vindt de Staatssecretaris met de leden van de SGP-fractie dat hier in het kader van de derogatie en het fosfaatplafond meer rekening mee gehouden moet worden?

Daarnaast wijzen de leden van de SGP-fractie op de forse afname van de stikstof- en fosfaatoverschotten op de Bodembalans van het CBS. In 2002 was het stikstofoverschot op de bodem ruim 400 kilogram, in 2014 ongeveer 260 kilogram. In 2002 was het fosfaatoverschot ongeveer 70–80 kilogram, in 2014 slechts 7 kilogram. Wat betekent dit voor de noodzaak om de mestproductie te begrenzen?

Kan de Staatssecretaris aangeven op welke wijze de invoering van fosfaatrechten bijdraagt aan het aanpakken van lokale overschrijding van de nitraatnorm van 50 mg per liter?

De leden van de fractie van de SGP merken terecht op dat in 2013 veel meer mest buiten de Nederlandse landbouw werd afgezet dan in 2002. De leden vergeten hier echter bij te vermelden dat de noodzaak om dierlijke mest buiten de Nederlandse landbouw af te zetten tussen 2002 en 2013 ook fors is toegenomen. In 2002 bedroeg de fosfaatproductie van de gehele Nederlandse veehouderij 172,9 miljoen kilogram. Op basis van de toen geldende bemestingsnormen was er een plaatsingsruimte op Nederlandse landbouwgronden van 193,9 miljoen kilogram2. In theorie dus een surplus aan plaatsingsruimte van 21 miljoen kilogram fosfaat. In 2013 bedroeg de fosfaatproductie 165,6 miljoen kilogram bij een plaatsingsruimte van 134,9 miljoen kilogram, resulterend in een fosfaatoverschot van 33,3 miljoen kilogram.

De Europese Commissie heeft aan de derogatie de voorwaarde verbonden «dat de mestproductie, zowel wat stikstof als fosfaat betreft, het niveau van het jaar 2002 niet overschrijdt». Deze bepaling uit de derogatiebeschikking biedt niet de ruimte om afzet van dierlijke mest buiten de Nederlandse landbouw in mindering te brengen op het productieplafond, net zo min als dat alle dierlijke mest die binnen de geldende gebruiksnormen op Nederlandse landbouwgronden wordt afgezet in mindering kan worden gebracht op het plafond.

De door de leden van de fractie van de SGP aangehaalde daling van de bodemoverschotten aan stikstof en fosfaat toont aan dat met het mestbeleid grote stappen voorwaarts zijn gezet. Het bodemoverschot is een maat voor de hoeveelheid mineralen die niet door het gewas worden opgenomen en een indicatie voor de hoeveelheid mineralen die potentieel uit kan spoelen naar het grond- en oppervlaktewater (stikstof, fosfaat) dan wel in de bodem vastgelegd kan worden (fosfaat). De daling van het bodemoverschot is gerealiseerd door aanscherping van gebruiksnormen en gebruiksvoorschriften in de achtereenvolgende actieprogramma’s Nitraatrichtlijn. Door aanscherping van (met name) de fosfaatgebruiksnormen is de plaatsingsruimte voor dierlijke mest op Nederlandse landbouwgronden fors afgenomen en het nationale fosfaatoverschot toegenomen. Om blijvend te voldoen aan de voorwaarde uit de derogatiebeschikking, is begrenzing van de mestproductie noodzakelijk.

Voor het antwoord op de vraag op welke wijze fosfaatrechten bijdragen aan de realisatie van de doelen van de Nitraatrichtlijn wordt verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de VVD.

De leden van de SGP-fractie constateren dat in de Kamerbrief niet wordt aangegeven wat de verwachte ontwikkeling van de fosfaatproductie (melkveehouderij en algemeen) de komende jaren zou zijn zonder een systeem van fosfaatrechten. In eerdere prognoses, onder meer van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), werd aangegeven dat de veehouderij tot 2020 ook zonder productierechten onder het fosfaatplafond zou kunnen blijven. Verder was vorig jaar sprake van uitzonderlijk hoge fosfaatgehaltes in het ruwvoer. Ook moet rekening gehouden worden met ontwikkelingen in andere sectoren. Het is bijvoorbeeld de vraag hoe, gelet op het wegvallen van toeslagen en het ongelijke Europese speelveld, de fosfaatproductie van de kalverhouderij zich de komende jaren zal ontwikkelen. Verder willen de leden van de SGP-fractie wijzen op de remmende werking van de toenemende concurrentie om ruwvoer (PBL, 2013), op de recente afspraken over benutting van het voerspoor, op de invloed van de melkprijsontwikkeling en op de stijging van de grondprijs in de afgelopen jaren. De Staatssecretaris zou in aanvulling daarop nog kunnen kiezen voor verplichtende maatregelen met betrekking tot het voerspoor. Wil de Staatssecretaris, indien nodig op een later moment, nog met een inhoudelijke, cijfermatige analyse en inschatting van de ontwikkeling van de fosfaatproductie (melkveehouderij en algemeen) en de noodzaak om de fosfaatproductie via fosfaatrechten te reguleren, komen?

In mijn brief van 2 juli jongstleden heb ik uw Kamer de noodzaak van productiebegrenzende maatregelen geschetst en uiteengezet welke overweging ten grondslag liggen aan de keuze voor een stelsel van fosfaatrechten.

De Staatssecretaris neemt het melkveefosfaatplafond als uitgangspunt. Waarom heeft zij hiervoor gekozen? Met de Europese Commissie zijn alleen afspraken gemaakt over het totale fosfaatplafond. Waarom kijkt de Staatssecretaris niet of gelet op de ontwikkeling van de fosfaatproductie in andere sectoren en het totale fosfaatplafond een hoger fosfaatplafond mogelijk is?

De sector heeft uitgesproken zich te willen committeren aan de onderscheiden sectorplafonds. Dit betekent dat de melkveehouderij gehouden wordt aan het sectorplafond van 84,9 miljoen kilogram fosfaat.

Kan de Staatssecretaris een inschatting geven van de latente stalruimte en de latente plaatsingsruimte?

Latente stalruimte wordt door de rijksoverheid niet geregistreerd.

In 2014 hadden grondgebonden melkveehouderijbedrijven, op basis van voorlopige cijfers van het CBS, nog 3,6 miljoen kilogram aan «latente» fosfaatplaatsingsruimte beschikbaar (zie tabel 3 bij het antwoord op een eerdere vraag van de leden van de fractie van de SP).

In de melkveehouderij zijn verschillende soorten bedrijven. Bedrijven met latente plaatsingsruimte en bedrijven met een (hoog) overschot. Bedrijven die extra grond hebben verworven alvorens extra koeien aan te houden/kopen en bedrijven die eerst extra koeien hebben aangehouden/gekocht. Bedrijven met weidegang en bedrijven zonder weidegang. Bedrijven die afgelopen jaren (flink) zijn gegroeid en bedrijven die gewacht hebben op de afschaffing van het melkquotum. Bedrijven met latente nieuwe, zwaar gefinancierde, stalruimte en bedrijven die geen stalruimte bij hebben gebouwd. Iedere ondernemer heeft vanuit zijn eigen perspectief vaak begrijpelijke keuzes gemaakt. Daarbij zijn door de overheid en sectororganisaties bepaalde verwachtingen gewekt, zoals ruimte voor grondgebonden groei. Omdat bij de voorgestelde invoering van het fosfaatrechtensysteem keuzes gemaakt moeten worden omtrent toekenning en eventuele afroming van rechten, horen de leden van de SGP-fractie graag hoe het kabinet vanuit het oogpunt van rechtvaardigheid en duurzaamheid wil omgaan met de verschillende soorten bedrijven. Hoe kijkt zij bijvoorbeeld aan tegen de positie van bedrijven die latente plaatsingsruimte hebben en door een fosfaatrechtensysteem beperkt worden in hun ontwikkelmogelijkheden?

De fosfaatrechten worden voorgesteld ten einde het fosfaatplafond te borgen en daarmee de derogatie te kunnen behouden. Het fosfaatplafond ziet op de productie van fosfaat, ongeacht de specifieke kenmerken van het bedrijf dat de fosfaat produceert. Het is mogelijk bij de afroming en overdracht van fosfaatrechten te differentiëren naar eigenschappen van het bedrijf dat over fosfaatrechten beschikt of fosfaatrechten wil overnemen, zie hiervoor ook het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de SP.

De Staatssecretaris kiest vooralsnog niet voor mogelijke uitwisseling van productierechten tussen de varkenshouderij en de melkveehouderij. De leden van de SGP-fractie willen wijzen op de voordelen voor de varkenshouderij (een betere marktpositie voor varkensbedrijven) en de melkveehouderij (meer speelruimte bij invoering van het fosfaatrechtensysteem). Gaat de Staatssecretaris bezien of deze voordelen niet zwaarder wegen dan mogelijke nadelen?

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de SP.

In 2017/2018 staan ook de productierechten voor de varkens- en pluimveehouderij weer ter discussie. Dit staat niet los van de wijze waarop met fosfaatrechten voor de melkveehouderij omgegaan wordt. Welke koers wil de Staatssecretaris varen ten aanzien van de productierechten voor de varkens- en pluimveehouderij?

Zoals diverse malen met uw Kamer gewisseld is, wat de regering betreft, het stelsel van productierechten voor varkens en pluimvee niet meer nodig als vaststaat dat de mestverwerkingsplicht een voldoende sturend instrument is om de milieudoelen te realiseren.

In 2016 vindt de volgende evaluatie van de Meststoffenwet plaats. Dan kan opnieuw worden bezien of er aanleiding is de voortzetting van dierrechten te heroverwegen.

In het kader van het debat over de Wet verantwoorde groei melkveehouderij heeft de Staatssecretaris toegezegd dat zij met de sector in overleg gaat over regionale kringlopen en het «meetellen» van lokale kringlopen (afzet mest in ruil voor ruwvoer) voor grondgebondenheid. De leden van de SGP-fractie horen graag wat de stand van zaken is en welke stappen gezet gaan worden.

Zoals ik tijdens het Algemeen Overleg mestbeleid van 1 juli jongstleden heb toegezegd zal ik proberen om uw Kamer daar voor de Kerst een voorstel voor te doen.

Het fosfaatrechtensysteem zou bovenop de (nieuwe) verplichtingen van de afgelopen jaren komen, de gewone en aanvullende verwerkingsplicht en de algemene maatregel van bestuur grondgebonden groei melkveehouderij. Gaat de Staatssecretaris ook bezien of deze (bestaande) verplichtingen nog voldoende toegevoegde waarde hebben?

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de VVD.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van de brief over het stelsel van fosfaatrechten. Zij constateren dat de Staatssecretaris de melkveehouderij geen strobreed in de weg legt om nog verder te groeien, zich om te vormen tot een nieuwe vorm van bio-industrie en het toch al gigantische mestoverschot nog verder te laten groeien. Zij willen hierover graag vragen voorleggen aan de Staatssecretaris.

De leden van de PvdD-fractie zijn verbaasd dat de Staatssecretaris steeds meer de weg van de industrialisering en schaalvergroting inslaat ondanks haar eigen uitspraak dat verdere industrialisering in de veehouderij onwenselijk is (zie http://drimble.nl/economie/25483722/dijksma-tegen-verdere-industrialisatie-intensieve-veehouderij.html ). Het huidige plan tot invoering van fosfaatrechten past volgens de leden van de PvdD-fractie in een beleid waarin nog steeds gekozen wordt voor groot, groter, grootst. Melkveehouders met de grootste ellebogen komen als winnaar uit de bus, ondanks alle toezeggingen van de Staatssecretaris dat anticiperend gedrag van grote groeiers niet beloond zou worden. Waarom? De Staatssecretaris heeft dovemansoren gehad voor waarschuwingen vanuit wetenschappelijke instituten zoals het PBL en het CLM. De Staatssecretaris heeft het herhaaldelijk oproepen tot ingrijpen genegeerd en het gevolg is dat we nu door het fosfaatplafond van de melkveehouders zijn. En nu zitten we met schadelijke gevolgen voor het milieu, de dieren maar ook voor de melkveehouders die nu in financiële problemen zitten. Dit had allemaal voorkomen kunnen worden als de Staatssecretaris eerder een actief en sturend beleid had gevoerd. Kan de Staatssecretaris ook bevestigen dat we door het gehele fosfaatplafond heen zijn geschoten?

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de VVD.

Door de gekozen peildata worden megabedrijven beloond en worden de melkveehouders die zich aan de regels gehouden hebben gedupeerd. Met de komst van fosfaatrechten worden extensievere melkveehouders benadeeld, ten opzichte van de grote groeiers.

Alleen de introductie van systematiek op basis van graasdiereenheden, waarbij weidegang, grondgebondenheid, gesloten kringlopen en een stop aan verdere opvoering van melkproductie per koe, zal de sector toekomstbestendig houden en borgt het welzijn van zowel dier als mens. De leden van de PvdD-fractie pleiten daarom nogmaals voor invoering van dit systeem. Nu de Staatssecretaris moet ingrijpen omdat alle beloften van de sector om zelf de groei van de melkveehouderij in Nederland tegen te gaan, zijn geschonden, is de tijd meer dan rijp voor invoering van dit systeem. Graag een reactie.

In mijn brief van 2 juli jongstleden heb ik uiteengezet waarom ik heb gekozen voor een stelsel van fosfaatrechten. Ik verwijs de leden van de fractie van de PvdD voor de volledigheid naar die brief. Voor het overige lopen de vragen vooruit op de nadere uitwerking van het stelsel van fosfaatrechten en het overleg dat ik hierover nog voer met betrokken organisaties. Voor het antwoord wordt verwezen naar het antwoord op een eerdere vraag dienaangaande van de leden van de fractie van de VVD.

Zorgelijk vinden de leden van de PvdD-fractie de trend dat boeren op dit moment bezig zijn met het afstoten van jongvee. Veel melkveehouders hebben grote aantallen kalfjes met de gedachte dat deze op termijn bij zouden dragen aan een toenemende melkproductie. Deze kalfjes zijn op dit moment «economisch niet rendabel». Boeren zitten financieel in de knel en zijn onzeker over de toekomst. Het afstoten van massale aantallen kalfjes zorgt voor een enorme toename aan diertransporten en is slecht voor het dierenwelzijn. Daarbij sluit het aan op de eerdere constatering van de heer Jan Douwe van der Ploeg in Zembla (d.d. 27-05-2015) dat koeien wegwerpartikelen zijn geworden. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de ontwikkeling rondom de kalfjes in de melkveehouderij en kan zij alsnog bevestigen dat koeien en kalfjes inderdaad gedegenereerd zijn tot wegwerpartikelen? Wat gaat zij concreet hieraan doen?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief aan uw Kamer (Kamerstuk 33 979, nr. 99) waarin wordt ingegaan op het intensiever worden van de melkveehouderij en de gevolgen daarvan voor het dierenwelzijn.

Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de geplande embryofabriek in Wichmond? Honderden koeien zullen hier kunstmatig bevrucht worden. De ongeboren embryo’s zullen hierna uit de moederkoe gehaald worden om vervolgens getransporteerd te worden naar een gigafabriek in Brazilië. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris dit onnatuurlijke geknutsel aan dieren en diens zwangerschappen? De leden van PvdD-fractie vinden het zorgwekkend dat de Staatssecretaris met haar beleid dit soort onethische en ongewilde ontwikkelingen toestaat. Burgers, politiek, overheden maar ook de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) hebben deze ontwikkeling negatief en onwenselijk genoemd en toch weigert de Staatssecretaris om zich actief in te zetten voor een oplossing die daadwerkelijk werkt. Een norm stellen aan dieraantallen door bijvoorbeeld graasdiereenheden is de enige oplossing die negatieve gevolgen van de vee-industrie voor dierenwelzijn, natuur en milieu kan indammen. Een wet dieraantallen of een fosfaatrechtenstelsel zijn niet meer dan een groen sausje over een onzalig beleid voor een ziekmakend systeem. Graag een reactie

De initiatiefnemer wil het bedrijf in Wichmond gefaseerd ontwikkelen. De gemeente Bronckhorst heeft vergunning verleend voor de bouw van een stal voor circa 100 stuks rundvee. De provincie Gelderland heeft op 3 juni jongsleden een ontwerpbesluit genomen tot het verlenen van een Nb-vergunning voor 1455 stuks rundvee. Naast de Nb-vergunning is voor uiteindelijke realisatie ook een omgevingsvergunning nodig. Provincie en gemeente zijn verantwoordelijk voor het omgevingsbeleid en kunnen op basis van de Wet ruimtelijke ordening bijvoorbeeld via het bouwblok een maximum stellen aan de stalgrootte en beperkingen opleggen aan de vestiging of uitbreiding van veehouderijbedrijven.

De initiatiefnemer wil de koeien houden voor de melkproductie en tevens voor het produceren van embryo’s. De daarvoor benodigde handelingen aan de dieren zijn voorbehouden aan dierenartsen en aan embryotransplanteurs/-winners waarvoor registratie in het diergeneeskunderegister vereist is. Registratie is alleen mogelijk voor personen die over de juiste kwalificaties beschikken. Het toedienen van vruchtbaarheidshormonen, het kunstmatig insemineren om de dieren drachtig te laten worden en het nemen van embryo’s is in Europa toegestaan. Ik kan het derhalve niet verbieden. Vanuit maatschappelijke acceptatie en ethisch oogpunt moet een dergelijke ontwikkeling nader worden bezien. Dergelijke vraagstukken moeten ook voor de sector een belangrijk aandachtspunt zijn bij de verdere verduurzaming van de sector.

De Staatssecretaris geeft in haar brief aan dat zij niet gekozen heeft voor een systematiek op basis van diereenheden. Zij beargumenteert dat deze systematiek schadelijk kan zijn voor het dierenwelzijn aangezien boeren dan individuele koeien zullen uitmelken om zo tot een maximale economische omzet te komen. De leden van de PvdD-fractie constateren dat dit uitmelken van koeien al de orde van de dag is en dat dit binnen een stelsel van fosfaatrechten niet anders zal zijn. Melkveehouders zijn gericht op een zo hoog mogelijke productie en zullen binnen elke systematiek zoveel mogelijk melk uit hun koeien proberen te halen. Koeien worden hier immers ook al selectief op gefokt. Volgens het wetenschappelijk panel van de European Food and Safety Authority (EFSA), is het selectief fokken voor een hoge melkgift zelfs de belangrijkste oorzaak van gezondheidsproblemen. De wetenschappers melden een verhoogde kans op kreupelheid, op uierontsteking, op onvruchtbaarheid en op stofwisselingsstoornissen en melkziekte. De Gezondheidsdienst voor Dieren meldt zorgwekkende berichten over ischemische speennecrose. Deelt de Staatssecretaris de mening van de leden van de PvdD-fractie dat deze wijze van omgang met dieren niet past binnen een robuuste en duurzame veehouderij? Is de Staatssecretaris bereid om extra maatregelen te treffen zodat een koe niet langer meer gezien wordt als een melkmachine? Graag een reactie.

Bij de beoordeling van de drie varianten om de fosfaatproductie te reguleren heb ik aangegeven dat dierrechten in vergelijking met de andere opties meer sturen op een hoge melkproductie per koe. Mede om deze reden heb ik gekozen voor een stelsel van fosfaatrechten. Mijn opvatting over de wijze van omgaan met de dieren in de melkveehouderij heb ik weergegeven in mijn brief aan uw Kamer van 14 juli jongstleden (Kamerstuk 33 979, nr. 99) waarin wordt ingegaan op het intensiever worden van de melkveehouderij en de gevolgen daarvan voor het dierenwelzijn. Over de zorgwekkende berichten over speennecrose verwijs ik u naar de antwoorden die ik uw Kamer heb gegeven op 18 mei jongstleden (ah-tk-2014/2015–2255).

De leden van de fractie van de PvdD hebben kennisgenomen dat Friesland Campina in de eerste 6 maanden van 2015 een winst behaalde van 192 miljoen euro; 85% meer dan het jaar ervoor. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe deze forse winst zich verhoudt tot de financiële crisis waar de melkveehouders zich nu in bevinden? In hoeverre is het, binnen deze context, gerechtvaardigd dat grootgrutters als Friesland Campina miljoenen winst boeken terwijl de belastingbetaler moet opdraaien voor de onverzadigde uitbreidingsdrang van boeren? Graag een reactie.

Leden-melkveehouders van FrieslandCampina ontvangen via de maandelijkse melkgeldafrekening een voorschotbetaling die is gebaseerd op de maandelijks vast te stellen garantieprijs. Maandelijks wordt de garantieprijs ingeschat aan de hand van de ontwikkeling van de gepubliceerde melkprijzen van een aantal referentiebedrijven in Nederland, België, Duitsland en Denemarken. Door de verkoop van meer producten met hogere toegevoegde waarde en positieve valuta-effecten was er een ruime winst over het eerste halfjaar 2015 van € 192 mln. Hiervan wordt € 152 mln. aan de aandeelhouder van de vennootschap (de coöperatie) uitgekeerd. De leden ontvangen dit als nabetaling. Het resterende deel van het resultaat wordt toegevoegd aan de reserve van de onderneming die eigendom is van de leden van de coöperatie.

III. Volledige agenda

Productiebegrenzende maatregelen in de melkveehouderij, brief regering d.d. 02-07-2015, Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma, Kamerstuk 33 979, nr. 98

De gevolgen van de stijging van de Nederlandse melkproductie, brief regering d.d. 14-07-2015, Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma, Kamerstuk 33 979, nr. 99

Aanbieding van de negende derogatierapportage zoals die naar de Europese Commissie is verzonden, brief regering d.d. 14-07-2015, Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma, Kamerstuk 33 037, nr. 157

Tweede prognose van het CBS van de fosfaatproductie van de Nederlandse veehouderij over het jaar 2014, brief regering d.d. 01-06-2015, Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma, Kamerstuk 33 979, nr. 96


X Noot
2

Bij de berekening van de maximale plaatsingsruimte in Nederland wordt uitgegaan van 100% benutting van de bemestingsruimte voor dierlijke mest. In de praktijk wordt niet de volle 100% van de theoretische bemestingsruimte benut. Om uiteenlopende redenen kunnen ondernemers er voor kiezen niet de volledige ruimte voor dierlijke mest te benutten.