Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201533037 nr. 136

33 037 Mestbeleid

Nr. 136 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 november 2014

Bij brief van 30 januari 2014 (Kamerstuk 33 037, nr. 85) bent u geïnformeerd over de aanpak van fraude met mest. Bij deze informeer ik over de voortgang van genoemde maatregelen.

Fraude met mest acht ik onaanvaardbaar. Ondernemers die zich inlaten met fraude duperen behalve het milieu ook hun directe collega’s. Dat maakt mijn inzet om fraude tegen te gaan onveranderd groot.

AGR/GPS-apparatuur

Over de introductie van de AGR-maatregel bent u geïnformeerd op 24 juni 2014 (Kamerstuk 33 037, nr. 128). Met deze maatregel wordt fraude bij transport van vaste mest door gebruik van AGR/GPS-apparatuur in losse koffers ondervangen omdat verplicht wordt gesteld dat laad- en lossignalen één op één gekoppeld zijn aan de lading. Bij drijfmest is dit al sinds 2006 verplicht.

Europese notificatie heeft geen wijzigingen opgeleverd in de voorgenomen regelgeving, zodat de door marktpartijen ontwikkelde AGR/GPS-apparatuur op deze eisen getoetst kan worden. Voor een introductie van deze verplichting per 1 januari 2015 blijkt de transportsector nog niet gereed. Ik geef de sector maximaal drie maanden extra om aan de regels te voldoen.

Alle transportmiddelen van vaste mest moeten vanaf 1 april 2015 voorzien zijn van goedgekeurde en vast opgebouwde AGR/GPS-apparatuur. Voor transportmiddelen die geen luchtvering hebben geldt een overgangsperiode.

Onafhankelijke monsterneming

Ten behoeve van de introductie van onafhankelijke monsterneming van vaste mest zijn belangrijke stappen gezet.

Ten eerste verbetert met de introductie van onafhankelijke monsterneming de objectiviteit doordat een onafhankelijke persoon, in plaats van de vervoerder, het mestmonster neemt. De onafhankelijke monsternemer zal een persoon zijn die werkt voor een geaccrediteerde organisatie.

De huidige mestregelgeving kent accreditaties reeds. Nu al mogen mestmonsters alleen worden geanalyseerd door geaccrediteerde organisaties. Deze werkwijze wordt verbreed naar monsterneming. Accreditatie is in Europese wetgeving het hoogste niveau van kwaliteitsborging en wordt buiten concurrentie en zonder winstoogmerk bedreven. De kosten van de Raad voor Accreditatie (RvA) worden gedekt door de marktpartijen die geaccrediteerd zijn. De normen worden opgesteld door de overheid.

Naast geaccrediteerd, moeten monsternemende organisaties door mij worden erkend. Daartoe zal ik erkenningscriteria in regelgeving vastleggen. Aanvullend op accreditatie biedt erkenning een instrument om bestuursrechtelijk in te grijpen bij constateren van fraude. Erkenning van de monsternemende organisaties geeft beperkte extra administratieve lasten en nalevingslasten.

Om marktwerking te bevorderen is ervoor gekozen om niet alleen laboratoria maar ook andere monsternemende organisaties in aanmerking te laten komen voor accreditatie door de RvA plus erkenning door de overheid.

Om naast de objectiviteit van de monsterneming ook de representativiteit van een monster te verbeteren, wordt in de nieuwe systematiek partijbemonstering mogelijk. Omdat een partij beter toegankelijk is voor een monsternemer en de bemonsterwijze beschreven is, heeft de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) geoordeeld dat uit een partij een representatiever monster genomen wordt dan met de huidige werkwijze.

Om zeker te zijn dat de afgevoerde mest daadwerkelijk afkomstig is van de bemonsterde partij is borging nodig. Dit is bijvoorbeeld het geval als er op een bedrijfslocatie één partij vaste mest aanwezig is, die binnen afzienbare tijd afgevoerd wordt. Op een bedrijfslocatie met meerdere partijen vaste mest zal de ondernemer aan de overheid moeten aantonen dat hij de tracering geborgd heeft. Als hij dat niet kan, zal hij iedere afzonderlijke vracht moeten laten bemonsteren door de onafhankelijke persoon.

Om praktische redenen wordt deze systeemwijziging gefaseerd ingevoerd, te beginnen met dikke fractie. Daarna wordt de nieuwe werkwijze ook voor andere mestsoorten toegepast. Uitzonderingen zijn alleen mogelijk als private systemen voldoende waarborg bieden.

Het streven is om deze maatregel rond de zomer 2015 gereed te hebben voor introductie. Dit zal van alle betrokkenen, maar zeker van de monsternemende organisaties en de Raad voor Accreditatie forse inspanningen vergen.

Stikstofverantwoording

Het bijhouden van een stikstofadministratie is tot nu toe alleen verplicht voor primaire ondernemers. Bij intermediairen is deze verplichting niet ingevoerd vanwege de stikstofverliezen die optreden bij opslag, be- en verwerking van mest. De mogelijkheden om hierop te handhaven zijn in onderzoek. Verantwoording op stikstof lijkt slechts ten dele perspectiefvol, omdat onvermijdelijke vervluchtiging tijdens opslag in combinatie met variabele verliezen gerelateerd aan vaste mest en mestbewerking een relatief een grote onzekerheidsmarge oplevert of niet zichtbaar zijn in de balans van intermediairen.

De voorlopige conclusie is dat een verantwoording op massa betere aanknopingspunten geeft dan een stikstofverantwoording. Ik kom op dit punt in 2015 met een voorstel. Extreme concentraties zijn en blijven in de toekomst een signaal voor extra controleaandacht van NVWA en RVO.

Gegevensuitwisseling

Verder worden dit jaar afspraken ondertekend met de Vlaamse overheid om mesttransportgegevens uit te wisselen. Met de Duitse deelstaten wordt een soortgelijke vorm van gegevensuitwisseling uitgewerkt. Ten behoeve van de inspecties biedt gegevensuitwisseling inzicht of de partijen daadwerkelijk aankomen op de plaats van bestemming. Het bredere inzicht in de transporten die de grens over gaan, vergroot de effectiviteit van handhaving.

Mestopslagen en uitzonderingen

In 2015 zal er gewerkt worden aan het verbeteren van de registratie van mestopslagen en zal ik uw Kamer een voorstel doen toekomen met betrekking tot de vele uitzonderingen op de mesttransportregelgeving.

Eén uitzondering wordt met de herziening van de forfaits ingetrokken per 1 januari 2015; forfaitaire waarden kunnen dan niet langer gebruikt worden bij transport van mestscheidingsproducten. Te hoge forfaits zijn niet gewenst, omdat mineralen op papier afgevoerd kunnen worden, terwijl die feitelijk op het bedrijf achterblijven met overbemesting en milieurisico’s tot gevolg. Daarbij kan men met mestscheiding een preciezere samenstelling verkrijgen van de mineralen in de dunne en dikke fractie. Vanuit dit perspectief ligt het niet voor de hand om forfaits te gebruiken, maar bemonstering van de transporteren mest verplicht te stellen.

Certificering en erkenning

Verder zullen in overleg met respectievelijk de sector en NVWA, de mogelijkheden voor certificering van exporteurs en erkenning van intermediairen worden onderzocht. Certificering biedt ondernemers de mogelijkheid om zich positief te onderscheiden. Erkenning daarentegen is een extra borging bij toetreding tot de mestmarkt. De ervaringen met het kader dat de wet Bibob biedt, worden hierbij betrokken, evenals het in rekening brengen van de kosten bij de aanvrager.

Pilot met infrarood

Ten slotte zal in 2015 een pilot starten met Nabij Infrarood-techniek (NIRS) voor drijfmest. De CDM zal met deze pilot onderzoeken of NIRS als meetinstrument gelijkwaardige resultaten levert aan de huidige methode van bemonsteren en analyseren.

Ik zal dit soort processen waar mogelijk faciliteren, en wanneer nieuwe technieken zich bewijzen, zorgen voor tijdig actualiseren van regelgeving zodat toepassing in de praktijk mogelijk wordt.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma