Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201533979 nr. 96

33 979 Regels ten behoeve van een verantwoorde groei van de melkveehouderij (Wet verantwoorde groei melkveehouderij)

Nr. 96 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juni 2015

Tijdens de plenaire behandeling van de algemene maatregel van bestuur grondgebonden groei melkveehouderij op 23 april jongstleden (Handelingen II 2013/14, nr. 80, item 4 en item 7) heb ik toegezegd uw Kamer te informeren over de tweede prognose van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over de fosfaatproductie in Nederland in 2014.

Op basis van de Nitraatrichtlijn, het vijfde Actieprogramma en de derogatiebeschikking van de Europese Commissie, is Nederland gehouden aan een nationaal fosfaatproductieplafond van 172,9 miljoen kilogram (het feitelijke niveau van productie in 2002). Als de mestproductie dit plafond in enig jaar overschrijdt, voldoet Nederland niet langer aan de Nitraatrichtlijn en de voorwaarden voor derogatie. Dat zou tot gevolg kunnen hebben dat de Europese Commissie de derogatiebeschikking intrekt.

Tegen deze achtergrond heb ik uw Kamer bij meerdere gelegenheden aangegeven dat, mocht uit monitoringgegevens van het CBS blijken dat door de groei van de melkveehouderij het nationale fosfaatproductieplafond wordt overschreden, productiebegrenzende maatregelen voor de melkveehouderij aan de orde zijn en dat daarbij de introductie van een stelsel van dierrechten voor die sector het meest voor de hand ligt (Kamerstuk 33 979, nrs. 6 en 10, Handelingen II 2014/15, nr. 23).

Op 21 mei heeft het CBS de tweede prognose over de fosfaatproductie in Nederland gepresenteerd. Hierin is de totale fosfaatproductie over 2014 geprognotiseerd op 172,3 miljoen kilogram. Dit cijfer is gebaseerd op de definitieve dieraantallen in 2014 en de voorlopige voercijfers 2014.

Het CBS zal de definitieve berekening van de fosfaatproductie over 2014 in het najaar van 2015 publiceren. Het CBS schat dat de onzekerheid van de voorlopige cijfers ten opzichte van de definitieve cijfers in op plus of min 1 miljoen kilogram fosfaat.

Het CBS verwacht, op basis van de tweede prognose, dat de totale fosfaatproductie in 2014 6,7 miljoen kilogram hoger was dan de fosfaatproductie in 2013. Die bedroeg 165,6 miljoen kilogram fosfaat. Van de nu geprognotiseerde stijging wordt 2,4 miljoen kilogram fosfaat verklaard door een toename van het aantal dieren en 4,3 miljoen kilogram fosfaat door buitengewoon hoge nutriëntengehaltes in het ruwvoer als gevolg van het feit dat 2014 een uitzonderlijk groeizaam jaar was (de weersomstandigheden waren gunstig voor de groei van gras en daarmee voor de opname van fosfor uit de bodem door het gras). De gehaltes van fosfor in het melkveekrachtvoer in 2014 zijn ten opzichte van 2013 stabiel gebleven.

De stijging van de totale fosfaatproductie kan ook naar sectoren worden uitgesplitst. In 2013 produceerde de melkveehouderij 80,6 miljoen kilogram fosfaat. De tweede prognose 2014 indiceert een fosfaatproductie van 86,1 miljoen kilogram. In dat geval zou de melkveehouderij het aan zichzelf opgelegde plafond van 84,9 miljoen kilogram (niveau 2002) met 1,2 miljoen kilogram hebben overschreden.

De fosfaatproductie van de varkenshouderij bleef min of meer constant, te weten 39,0 miljoen kilogram fosfaat. Hiermee blijft deze sector 0,7 miljoen kilogram onder het niveau van 2002. De fosfaatproductie van pluimvee steeg licht naar 27,7 miljoen kilogram. Dat is 0,3 miljoen kilogram boven het niveau van 2002. Tenslotte stijgt de fosfaatproductie in de overige sectoren ook enigszins, maar blijven deze sectoren gezamenlijk 1,5 miljoen kilogram onder hun totale plafond van 20,9 miljoen kilogram fosfaat.

De overschrijding van het sectorplafond door de melkveehouderij, die blijkt uit de tweede prognose 2014, moet voor de melkveesector aanleiding zijn om op korte termijn nadere concrete maatregelen te nemen om de fosfaatproductie onder het niveau van 2002 te brengen. Hiervoor ligt een grote verantwoordelijkheid bij de verschillende partijen in de zuivelketen. Ik heb de sector reeds aangesproken op de noodzaak om die verantwoordelijkheid in te vullen door in ketenverband extra maatregelen te nemen om erop te sturen dat de fosfaatproductie weer onder het niveau van 2002 komt.

Tegelijk geeft de CBS-prognose aan dat het in de rede ligt om in te grijpen. Daarom bereid ik op dit moment een voorstel voor om ingrijpen in de fosfaatproductie in de melkveehouderij via regelgeving mogelijk te maken door de invoering van productiebegrenzende maatregelen in de Meststoffenwet. Uw Kamer heeft mij, in de motie-Dik-Faber (Kamerstuk 33 979, nr. 95), gevraagd alle reële opties, naast dierrechten, om de fosfaatproductie door de melkveehouderij te reguleren uit te werken. Daarom ben ik in overleg met betrokken partijen over de wijze waarop de fosfaatproductie in de melkveehouderij op de meest efficiënte wijze begrensd kan worden. Ik werk in nauw overleg met het bedrijfsleven drie systemen uit, namelijk een systeem van dierrechten, fosfaatrechten per bedrijf of een begrenzing via melkproductie per dier of per bedrijf.

Ik zal uw Kamer voor het zomerreces informeren over de invulling van productiebegrenzing via de Meststoffenwet in het geval onvoldoende garanties zijn dat de zuivelketen er in zal slagen de fosfaatproductie te verminderen. Administratieve lasten, uitvoeringslasten en handhaafbaarheid zijn daarbij belangrijke criteria. En zoals ik eerder heb aangegeven zal ik anticiperend gedrag zoveel mogelijk voorkomen.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma