33 750 XV Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2014

Nr. 10 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 26 november 2013

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 21 oktober 2013 voorgelegd. Bij brief van 25 november 2013 zijn ze door de Minister en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Van der Burg

Adjunct-griffier van de commissie, Smits

Vraag 1

Kan de regering toelichten waarom de beleidsdoorlichtingen van de artikelen 2, 3, 5 en 7 zijn doorgeschoven naar latere jaren?

Antwoord 1

Met de meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen worden de beleidsdoorlichtingen per artikel over een tijdspanne van zeven jaar weergegeven. Met het doorschuiven van de artikelen 2,3,5 en 7 sluit de meerjarenplanning beter aan bij nieuwe omstandigheden. Voor artikel 2 is er in 2018 een tussentijdse evaluatie van de Participatiewet beschikbaar op basis waarvan een beeld gegeven kan worden van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de bijstand en de Wsw. Bij artikel 3 wordt in 2014 de WAO doorgelicht en in 2017 de WIA. Met het doorschuiven van artikel 5 kunnen de voorgenomen WW-wijzigingen in 2016 worden meegenomen in de beleidsdoorlichting. Bij artikel 7 speelt dat er in 2015 ook een wettelijke evaluatie is die nu gecombineerd wordt met de beleidsdoorlichting.

Vraag 2

Is de regering bereid per beleidsdoorlichting de Kamer te informeren over de opzet en inhoud ervan, voordat de doorlichting van start gaat?

Antwoord 2

Bij de begrotingsbehandeling 2013 heeft de Minister toegezegd de Tweede Kamer voorafgaand op hoofdlijnen in de begroting te informeren over de opzet en inhoud van beleidsdoorlichtingen van SZW. De opzet van de beleidsdoorlichting wordt toegelicht in de begroting van het jaar waarin de beleidsdoorlichting plaatsvindt. In de begroting 2014 is dat gedaan voor de beleidsdoorlichting die start in 2014. Dit betreft artikel 3 (arbeidsongeschiktheid), zie voetnoot 2 op blz. 31. Dit zal de Minister ook in volgende begrotingen op deze wijze doen.

Vraag 3

Kan de regering toelichten of, en zo ja, welke streefwaarden er worden gehanteerd ten aanzien van fraude en handhaving? Het betreft onder artikel 2: de Wet werk en bijstand (WWB), de Toeslagenwet (TW) en de Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO), onder artikel 4: de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong), onder artikel 5: de Werkloosheidswet (WW), onder artikel 6: de Ziektewet (ZW), onder artikel 8: de Algemene Ouderdomswet (AOW), onder artikel 9: de Algemene nabestaandenwet (Anw), en onder artikel 10: de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

Antwoord 3

Vanaf de begroting 2013 wordt de systematiek van Verantwoord Begroten gevolgd, met als doel een duidelijker beschrijving van de rol en verantwoordelijkheid van de bewindspersonen, een beter inzicht in de financiële instrumenten, en een duidelijke splitsing tussen programma- en apparaatsuitgaven. Bovendien moet Verantwoord Begroten leiden tot minder omvangrijke begrotingen en jaarverslagen. Bij de kerncijfers worden slechts streefcijfers opgenomen indien de bewindspersonen van SZW daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen op de realisatiewaarde van deze kerncijfers. Bij de meeste van de in de begroting gepresenteerde kerncijfers is dit niet het geval, doordat externe factoren – zoals de ontwikkeling van de conjunctuur – een dominante rol vervullen.

Op het terrein van de handhaving is – zoals toegelicht in de leeswijzer van de begroting, blz. 4 en 5 – gekozen voor een thematische verantwoording, waarbij kerncijfers voor zowel de preventie, de opsporing als de terugvordering worden bezien. Hiermee wordt ook de vergelijking tussen kerncijfers over meerdere regelingen mogelijk gemaakt.

Vraag 4

Gegeven dat het Nederlands belang is gediend bij efficiënt lobbyen in Brussel en bij politieke aanspreekbaarheid op de kwaliteit van dat lobbyen, hoeveel geld is er gereserveerd voor missies naar Brussel? Hoeveel missies zijn dat per jaar? Hoeveel missies zijn ter beleidsbeïnvloeding en/of ter stimulering van de Commissie tot het komen met nieuwe wetgeving? Hoeveel missies zijn ter beleidsuitvoering (o.a. in de verschillende comités)? Voor hoeveel missies wordt het mandaat of de instructie goedgekeurd beneden het niveau van directeur? Op welk niveau wordt het effect van de missie geëvalueerd?

Antwoord 4

Veel van het beleidsterrein van SZW is onderwerp van Europese wet- en regelgeving. Instructieverlening over Europese dossiers in het sociale domein is integraal onderdeel van het beleidsproces van het ministerie. Besluiten over instructies worden genomen waar dat op dat moment nodig en passend is. Er zijn geen afzonderlijke begrotingsmiddelen gemarkeerd voor missies en er wordt geen afzonderlijke administratie bijgehouden van het aantal deelnames per jaar ingedeeld in de gevraagde categorieën. Aantallen zeggen in dit verband bovendien weinig. Op complexe dossiers wordt soms vlot resultaat behaald terwijl een ogenschijnlijk eenvoudig onderwerp onverwacht op weerstand kan stuiten, waardoor het vaker op de agenda terugkeert.

Bij de instructie voor de Nederlandse politieke deelname aan alle soorten Europese overleggen wordt uw Kamer nauw betrokken via geannoteerde agenda's, verslagen en Kamerdebatten over bijeenkomsten van de Raad van Ministers. Voor alle nieuwe wetgeving die de Commissie voorstelt, wordt uw Kamer geconsulteerd over de Nederlandse inzet door een BNC-fiche.

Vraag 5

Kan de regering aangeven hoe de bezuiniging op het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), zoals afgesproken in het begrotingsakkoord voor 2014, ingevuld gaat worden? Op welke wijze wordt het niet uitkeren van de loon- en prijsbijstelling opgevangen binnen de begroting? Wordt er een kaasschaaf toegepast over de uitgaven van alle beleidsartikelen of worden de uitgaven van één of enkele beleidsartikelen gekort?

Antwoord 5

De bezuiniging op het Ministerie van SZW zelf vloeit voort uit de in de begrotingsafspraken 2014 opgenomen ombuigingsmaatregel om de prijsbijstelling tranche 2014 te korten. Deze maatregel raakt met name de apparaatsuitgaven en dan vooral de materiële budgetten van het departement. Dit betekent dat er minder geld beschikbaar komt om in 2014 het effect van de prijsstijgingen op de desbetreffende budgetten op te vangen. Op voorhand vindt als gevolg van deze korting echter geen herschikking tussen budgetten plaats. Dat draagt het karakter van een kaasschaafmethode, maar dat is inherent aan de systematiek van de toekenning van de prijsbijstelling. Mochten hierdoor budgettaire knelpunten optreden dan zal in het voorjaar van 2014 bezien worden of een reallocatie binnen de begroting noodzakelijk is.

De loonbijstelling 2014 wordt in het geheel niet uitgekeerd. Dit vloeit voort uit het aanvullend beleidspakket van € 6 miljard, waartoe het kabinet afgelopen zomer heeft besloten. Eventueel hierdoor optredende knelpunten worden opgevangen door een nadere prioriteitstelling in de uitvoering van het takenpakket van het kerndepartement SZW.

Voor de in de begrotingsafspraken 2014 opgenomen ombuigingsmaatregel om de loon/prijsbijstelling 2014 voor UWV/SVB (premiedeel) in te houden, geldt dat UWV en SVB dit binnen de eigen bedrijfsvoering moeten opvangen.

Vraag 6

Kan de regering aangeven waar (op welke posten) in deze begroting budgetflexibiliteit zit? Welke uitgaven zijn juridisch verplicht in de zin dat deze ook niet via wetswijzigingen zijn te voorkomen? Hoe groot is deze flexibiliteit?

Antwoord 6

Budgetflexibiliteit wordt in deze begroting conform de Rijksbegrotingsvoorschriften per artikel toegelicht. Deze toelichtingen zijn te vinden onder de tabel «Begrotingsuitgaven en ontvangsten» in de beleidsartikelen. Per artikel wordt in de tabel het percentage juridisch verplichte uitgaven 2014 aangegeven. Onder de tabel wordt een toelichting gegeven. De begrotingsuitgaven van SZW bestaan voornamelijk uit inkomensoverdrachten. Deze uitgaven zijn vastgelegd in wet- en regelgeving en derhalve op korte termijn voor 100% juridisch verplicht. Door wetswijziging zijn de uitgaven uiteraard te wijzigen, maar in de praktijk niet meer voor het jaar 2014.

Vraag 7

Hoeveel procent van de beroepsbevolking bestaat uit arbeidsmigranten?

Antwoord 7

Volgens opgave van Eurostat (Labour Force Survey) bestaat in 2012 3,7% van de Nederlandse beroepsbevolking uit arbeidsmigranten. De term arbeidsmigrant verwijst naar nationaliteit en wordt gebruikt in afwijking van de

term allochtoon.

Vraag 8

Hoeveel geeft Nederland uit aan sociale zekerheid in verhouding tot andere landen?

Antwoord 8

De tabel, ontleend aan cijfers van de OESO, toont de zogenaamde «total public social expenditure» als een percentage van het bruto binnenlands product (bbp) in 2012. Dit is een veelgebruikte maatstaf om de sociale zekerheidsuitgaven van landen inzichtelijk te maken. Deze maatstaf bevat zowel uitkeringen als het direct verstrekken van goederen en diensten door de overheid. Zo geeft Nederland in 2012 24% van het bbp uit aan sociale zekerheidsuitgaven, zoals zorg, AOW en kindregelingen.

Tabel total public social expenditure 2012

Australië

18,8%

België

30,5%

Canada

18,1%

Denemarken

30,8%

Duitsland

25,9%

Estland

17,6%

Finland

30,0%

Frankrijk

32,5%

Griekenland

24,1%

Hongarije

21,6%

Ierland

22,4%

IJsland

17,6%

Israel

15,8%

Italië

28,0%

Luxemburg

23,2%

Nederland

24,0%

Nieuw Zeeland

22,0%

Noorwegen

22,3%

Oostenrijk

27,9%

Polen

20,6%

Portugal

25,0%

Slovenië

23,7%

Slowakije

18,3%

Spanje

26,8%

Tsjechië

21,0%

Verenigd Koninkrijk

23,9%

Verenigde Staten

19,7%

Zuid-Korea

9,3%

Zweden

28,1%

Zwitserland

18,8%

Bron: OECD (2012), «Social Expenditure: Aggregated data», OECD Social Expenditure Statistics (database)

Vraag 9

Wat is de organisatiegraad van vakbonden?

Antwoord 9

Volgens het CBS bedraagt voor 2011 de organisatiegraad 20%. Hierbij wordt als definitie het percentage werknemers jonger dan 65 jaar met een arbeidsweek van ten minste twaalf uur gehanteerd dat lid is van een vakbond.

Vraag 10

Hoe groot is de wig? Hoe verhoudt deze zich tot andere landen?

Antwoord 10

De tabel, ontleend aan cijfers van de OESO, toont de zogenaamde «tax wedge» als een percentage van de totale loonkosten voor een persoon zonder kinderen op het inkomensniveau van de gemiddelde werknemer. Dit is een veelgebruikte maatstaf om de wig van landen inzichtelijk te maken.

Tabel tax wedge

Australië

26,7%

België

55,5%

Canada

30,8%

Chili

7,0%

Denemarken

38,4%

Duitsland

49,8%

Estland

40,1%

Finland

42,7%

Frankrijk

49,4%

Hongarije

49,4%

Ierland

26,8%

IJsland

34,0%

Israel

19,8%

Italië

47,6%

Japan

30,8%

Luxemburg

36,0%

Mexico

16,2%

Nederland

37,8%

Nieuw Zeeland

15,9%

Noorwegen

37,5%

Oostenrijk

48,4%

Polen

34,3%

Portugal

39,0%

Slovenië

42,6%

Slowakije

28,9%

Spanje

39,9%

Tsjechië

42,5%

Turkije

37,7%

Verenigd Koninkrijk

32,5%

Verenigde Staten

29,5%

Zuid-Korea

20,3%

Zweden

42,8%

Zwitserland

21,0%

Bron: OECD Taxing Wages 2013

Vraag 11

Worden de aanpassingen uit het begrotingsakkoord over de kindregelingen per nota van wijziging doorgevoerd in het wetsvoorstel «herziening kindregelingen»?

Antwoord 11

De regering zal de uit de begrotingsafspraken 2014 resulterende wijzigingen in het wetsvoorstel hervorming kindregelingen middels een nota van wijziging aan de Tweede Kamer zenden.

Vraag 12

Hoe verhoudt de planningsbrief SZW (Kamerstuk 33 566, nr. 40) zich tot de realiteit voor wat betreft het toesturen naar de Tweede Kamer van de belangrijkste wetsvoorstellen (WWB, Participatiewet, ontslag/flex/WW, AOW, Pensioenwet enzovoort). Waarom zijn sommige wetsvoorstellen vertraagd?

Antwoord 12

De planningsbrief van 13 mei jl. (Kamerstuk 33 566, nr. 40) betreft onder andere een actualisering van de bij SZW in voorbereiding zijnde wetsvoorstellen naar aanleiding van het sociaal akkoord. Deze brief bevat de planning van de stand van zaken zoals die op dat moment aan de orde was. Belangrijke wetsvoorstellen als de Wet werk en zekerheid (voorheen ww/ontslag) en de Participatiewet lopen, voor wat de indiening bij uw Kamer betreft, nog steeds volgens die planning. Voor een aantal andere wetten geldt dat de planning nadien is bijgesteld c.q. geactualiseerd onder andere naar aanleiding van de begroting 2014. Via het Rijksbreed wetgevingsprogramma is uw Kamer over de voortgang van de belangrijkste wetsvoorstellen op 17 september jl. door de Minister van Veiligheid en Justitie nader geïnformeerd (zie Kamerstuk 33 750, nr. 14). Nadien zijn de begrotingsafspraken 2014 tot stand gekomen. Ook dit heeft geleid tot enige aanpassingen in de planning van wetsvoorstellen. Over de gevolgen van de begrotingsafspraken 2014 is uw Kamer geïnformeerd bij brief d.d. 11 oktober 2013 (Kamerstuk 33 750, nr. 19).

Planningen moeten soms worden bijgesteld. Dit kan leiden tot het niet verder doorzetten van een wetsvoorstel, tot vertraging van een wetsvoorstel, maar soms ook tot een versnelde invoering daarvan (Wetsvoorstel werk en zekerheid). Uw Kamer wordt van deze ontwikkelingen zo goed mogelijk op de hoogte gehouden.

Vraag 13

Wat zijn de uitvoeringskosten van alle regelingen binnen de SZW-begroting samen?

Antwoord 13

De uitvoeringskosten van de regelingen die worden uitgevoerd door uitvoeringsorganen die onder de verantwoordelijkheid van de bewindspersonen van SZW vallen, staan weergegeven in artikel 11 van de begroting. Voor de begrotingsgefinancierde regelingen betreft dit de volgende reeks (bedragen in € x 1.000):

2014

2015

2016

2017

2018

481.338

451.982

381.384

359.293

341.551

Voor de premiegefinancierde regelingen geldt de volgende reeks:

2014

2015

2016

2017

2018

1.707.794

1.623.950

1.604.295

1.537.307

1.517.892

Opgeteld leidt dit tot de volgende reeks:

2014

2015

2016

2017

2018

2.189.132

2.075.932

1.985.679

1.896.600

1.859.443

De WKB en de KOT worden voor binnenlandse uitkeringsgerechtigden uitgevoerd door Belastingdienst/Toeslagen. Hiervoor zijn op de begroting van SZW geen middelen gereserveerd. Voor uitkeringsgerechtigden in het buitenland worden deze regelingen uitgevoerd door de SVB. De uitvoeringskosten hiervan zijn in de weergegeven bedragen opgenomen.

Vraag 14

Kan de regering aangeven hoeveel jongeren in totaal gebruik hebben gemaakt van de Startersbeurs? Kan de regering aangeven in welke steden in 2013 gebruik is gemaakt van deze Startersbeurs en om hoeveel jongeren per stad het ging?

Antwoord 14

Volgens gegevens van Startersbeurs Nederland zijn sinds de lancering op 1 mei 2013 tot op het moment van schrijven in totaal 280 Startersbeurzen gerealiseerd in acht arbeidsmarktregio’s. Nog eens 13 arbeidsmarktregio’s zijn voornemens om Startersbeurzen aan te bieden. Momenteel betreft het ongeveer 125 gemeenten die deelnemen, dan wel voornemens zijn dit te doen. Het aantal deelnemers blijft ondertussen gestaag groeien.

Vraag 15

Gezien het feit dat de pensioenleeftijd is gestegen naar 63,6 jaar, wat zijn de belangrijkste oorzaken daarvan? Welke inspanningen kunnen nog geleverd worden, naast inzet om oudere werklozen weer aan het werk te helpen, om deze leeftijd verder te verhogen? Wat is de verwachting voor de komende jaren?

Antwoord 15

Met name als gevolg van het afschaffen van VUT- en prepensioen, is de gemiddelde pensioenleeftijd het afgelopen decennium fors gestegen. In 2006 ging de grootste groep ouderen nog bij 60 jaar met pensioen, met een kleine piek bij 65 jaar. Ondertussen is dit patroon sterk gewijzigd (zie de figuur). Pensionering bij 60 jaar komt relatief weinig meer voor. De grootste uitstroompiek ligt nu bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Daarnaast neemt ook de uitstroom boven de AOW-gerechtigde leeftijd toe. De categorie 68 jaar en ouder heeft een gemiddelde pensioenleeftijd van ongeveer 72 jaar.

Bron: CBS, Statline.

Op dit moment ligt met name bij 60-plussers nog veel onbenut arbeidspotentieel. De arbeidsdeelname van 50–60 jarigen verschilt inmiddels niet meer wezenlijk van de arbeidsdeelname van de totale beroepsbevolking. Als gevolg van cohorteffecten is de verwachting dat de arbeidsdeelname van de groep 60-plussers de komende tijd ook verder zal stijgen. Daarnaast zet het kabinet, samen met de sociale partners stevig in op het vergroten van de duurzame inzetbaarheid van ouderen. Ook zal het kabinet uiterlijk eind november een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer sturen om langer doorwerken – ook na het bereiken van de pensioenleeftijd – verder te bevorderen. Mede gelet op de bovengenoemde maatregelen en ontwikkelingen is de verwachting dat de gemiddelde pensioenleeftijd de komende jaren verder (mee) zal stijgen (met de AOW-normleeftijd).

Vraag 16

Kan de regering een overzicht geven van alle maatregelen die nu aanwezig zijn (zoals premiekorting) om (werkzoekende) ouderen aan het werk te krijgen?

Antwoord 16

Er bestaan verschillende regelingen die het aantrekkelijk maken voor werkgevers om ouderen in dienst te nemen of te houden. De werkgever kan een premiekorting krijgen indien hij oudere uitkeringsgerechtigden in dienst neemt. Ook is er een regeling waarmee een werkgever voor een door hem in dienst genomen oudere en langdurig werkloze (onder bepaalde voorwaarden) wordt vrijgesteld van de loondoorbetalingsplicht bij ziekte (de werknemer krijgt dan ziekengeld betaald).

Voor werkende ouderen wordt in samenwerking met sociale partners gewerkt aan het vergroten van de duurzame inzetbaarheid van ouderen. Er is voor 2013 en 2014 in totaal € 67 miljoen extra uitgetrokken om oudere werklozen aan het werk te helpen. Hierbij gaat het om extra re-integratie van oudere werklozen, het intensiveren van netwerkgroepen en het organiseren van inspiratiedagen. Ook kan het UWV een proefplaatsing aanbieden (werken met behoud van uitkering gedurende 3 maanden) en is het UWV verplicht om langdurig werklozen een passend werkaanbod te doen (5.000 op jaarbasis). Dit is van toepassing op werklozen die minimaal 52 weken onafgebroken werkloos zijn.

Ten slotte wordt door sociale partners momenteel hard gewerkt aan de totstandkoming van sectorplannen. Deze plannen kunnen in aanmerking komen voor cofinanciering vanuit het rijk. Thema’s die voor cofinanciering in aanmerking komen zijn ondermeer:

  • het behoud van oudere vakkrachten (55+);

  • een proactief en positief aannamebeleid voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, zoals oudere werklozen, arbeidsgehandicapten en minderheden;

  • het stimuleren van duurzame inzetbaarheid en (intersectorale) mobiliteit.

Vraag 17

Wat is het aantal oudere uitkeringsgerechtigden dat dankzij de € 67 miljoen in 2013 en 2014 aan het werk is en wordt geholpen? Wat is de verhouding tussen de kosten voor re-integratie, «het intensiveren» van netwerkgroepen en het organiseren van «inspiratiedagen»? Bij welke publieke en private instellingen is het geld terecht gekomen? Wat was de effectiviteit van de «extra inspanningen»?

Antwoord 17

De € 67 miljoen is toegekend aan het UWV ten uitvoering van het actieplan 55plus werkt. Deze middelen zijn verdeeld over re-integratie (€ 28 miljoen), netwerktrainingen en inzet adviseurs werkgeversdiensten (€ 37 miljoen) en inspiratiedagen (€ 2 miljoen).

De re-integratiemiddelen gaan naar werkzoekenden (scholing), werkgevers (scholing) en intermediaire organisaties (uitzendbureaus en re-integratiebedrijven). Hiervoor is een subsidieregeling opgesteld, die per 1 oktober 2013 in werking is getreden. De exacte verdeling over de genoemde partijen is afhankelijk van de indiening van subsidieverzoeken voor tegemoetkoming in kosten van scholing dan wel plaatsing van ouderen. Het bedrag voor netwerktrainingen en het inzetten van adviseurs werkgeversdiensten gaat naar het UWV. De middelen voor het organiseren van de inspiratiedagen gaan via het UWV en werkgeversorganisaties naar de uitvoerende organisaties.

Het UWV verwacht dat als gevolg van de inzet van de € 67 miljoen het aantal ouderen dat de WW uitstroomt in de tweede helft van 2013 toeneemt van 9.000 tot circa 10.250, in 2014 van 18.000 tot circa 26.300 en in 2015 van 18.000 tot circa 24.400. Daarnaast zal nog een deel van de ouderen dat werk vindt, niet volledig aan de slag gaan en daardoor niet volledig de WW uitstromen.

Het UWV is hiertoe ondermeer met de uitzendbranche een intentieverklaring overeengekomen waarin de uitzendbranche zich bereid verklaart om gedurende de looptijd van de subsidieregeling circa 22.000 plaatsingen voor oudere werklozen te realiseren. De effectiviteit van de inspanningen zal worden bepaald door uitvoering van een onafhankelijk onderzoek.

Vraag 18

Hoe staat het met de uitrol van de sectorplannen? Wat is de stand van zaken?

Antwoord 18

Veel sectoren en regio’s zijn bezig met het opstellen van een sectorplan, waarmee de knelpunten op de arbeidsmarkt worden aangepakt. Ze zetten daarbij voornamelijk in op de aanpak van jeugdwerkloosheid, van-werk-naar-werk en duurzame inzetbaarheid. Het eerste tijdvak voor het indienen van aanvragen, loopt van 1 oktober tot en met 31 december 2013. In 2014 worden opnieuw tijdvakken geopend voor het indienen van aanvragen. Inmiddels hebben ruim 80 organisaties zich geregistreerd bij het Agentschap SZW om namens een samenwerkingsverband een sectorplan in te kunnen dienen. SZW is met ongeveer twintig sectoren en regio’s in gesprek over hun concept-sectorplan.

Vraag 19

Wat is de rol voor kenniscentra bij de uitvoering van sectorplannen?

Antwoord 19

Kenniscentra worden in de regeling cofinanciering sectorplannen – naast werkgeversorganisaties, werknemersorganisaties en O&O-fondsen – genoemd als een van de vier potentiële hoofdaanvragers vanwege hun kennis en expertise op het gebied van de aansluiting tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven in de betreffende sector. Mocht geen van deze vier organisaties in staat zijn als hoofdaanvrager op te treden, dan kan het samenwerkingsverband ook een andere partij als hoofdaanvrager aanwijzen, mits wordt voldaan aan aanvullende eisen voor financiële soliditeit. Een kenniscentrum kan ook één van de samenwerkingspartners zijn in een sectorplan zonder hoofdaanvrager te zijn. Het is geen verplichting dat kenniscentra een rol spelen in de sectorplannen.

Vraag 20

Kan de regering aangeven of er gevolgen zijn voor de uitvoering van het sectorplan Transport en Logistiek als kenniscentrum Vakmanschap op de arbeidsmarkt in Transport & Logistiek (VTL) ophoudt te bestaan?

Antwoord 20

Het is aan de sectoren en de betrokken partijen zelf hoe zij in het kader van het sectorplan de onderlinge rolverdeling en het beleggen van de verschillende taken bij kenniscentra, O&O-fondsen en – door uitbesteding – bij andere private partijen, willen regelen.

Het samenwerkingsverband van het sectorplan Transport en Logistiek heeft het Ministerie van SZW niet geïnformeerd over dat het kenniscentrum VTL eventueel ophoudt te bestaan en welke gevolgen dat heeft voor de uitvoering van het betreffende sectorplan (zie tevens antwoord op vraag 108).

Vraag 21

Kan de regering aangeven of er gevolgen zijn voor de uitvoering van het sectorplan Bouw en Infra als kenniscentrum Fundeon ophoudt te bestaan?

Antwoord 21

Zie ook het antwoord op vraag 20. Het samenwerkingsverband van het sectorplan Bouw en Infra heeft het Ministerie van SZW niet geïnformeerd dat het kenniscentrum zal ophouden te bestaan.

Vraag 22

Kan de regering ingaan op de begrotingsafspraken waarin is afgesproken dat 1/3 van het budget voor sectorplannen wordt ingezet voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid? Wanneer en hoe gaat de regering deze afspraak omzetten in beleid? Hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd? Wordt er gemonitord of er ook daadwerkelijk 1/3 van dit budget wordt ingezet voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid? Krijgt de ambassadeur jeugdwerkloosheid een rol bij de inzet van dit budget? Zo ja, welke?

Antwoord 22

In de begrotingsafspraken 2014 staat dat 1/3 van het beschikbare budget voor de sectorplannen worden ingezet voor het bestrijden van de jeugdwerkloosheid. De Minister van SZW zal bij de beoordeling van sectorplannen er op sturen dat over alle sectorplannen heen een derde van de middelen wordt ingezet voor de aanpak van de jeugdwerkloosheid. De realisatie van deze doelstelling wordt gemonitord en de Tweede Kamer zal worden geïnformeerd.

De ambassadeur Aanpak Jeugdwerkloosheid stimuleert sectoren werk te maken van de aanpak van de jeugdwerkloosheid. Met name die sectoren worden gestimuleerd waar nu of in de toekomst, als de economie aantrekt of oudere werknemers met pensioen gaan, kans is op werk. Juist in deze sectoren loont het om te investeren, onder andere door in te zetten op extra leerbanen voor jongeren. Leerbanen in het mbo, waarbij een jongere vier dagen werkt en een dag naar school gaat, zijn hard nodig om te kunnen voorzien in voldoende goedgeschoolde vakkrachten. Bovendien dragen leerbanen bij aan het bestrijden van de jeugdwerkloosheid. Meer dan de helft van de werkloze jongeren zit immers nog op school en is op zoek naar een stage of een leerbaan. Dit is waarom een aantal sectoren en werkgevers samen met het kabinet en de ambassadeur Aanpak Jeugdwerkloosheid op de Jeugdtop op 7 oktober 2013, vooruitlopend op de in te dienen sectorplannen, de intentie hebben uitgesproken om 10.000 extra leerbanen aan te bieden.

Vraag 23

Kan de regering ingaan op de begrotingsafspraken waarin is afgesproken dat er geen VUT-achtige plannen worden ge-cofinancierd vanuit de sectorplannen? Wanneer wordt deze afspraak omgezet in beleid? Van hoeveel sectorplannen met een VUT-achtige constructie is al co-financiering toegezegd?

Antwoord 23

In de begrotingsafspraken 2014 staat dat de middelen voor nieuwe sectorplannen vanaf het volgende aanvraagtijdvak niet worden ingezet voor het financieren van vervroegde uittreding. Begin 2014, ruim voor het volgende aanvraagtijdvak, worden de subsidievoorwaarden in de Regeling cofinanciering sectorplannen hiervoor aangepast. Er zijn tot nu toe nog geen aanvragen tot cofinanciering toegekend.

Vraag 24

Hoe wordt precies bedoeld dat de Werkbedrijven de schakel zijn tussen werkgevers en mensen met een beperking? Krijgen de werkbedrijven ook verantwoordelijkheid per individueel geval? Zo ja, wat is dan nog de rol van de gemeenten?

Antwoord 24

In de Werkbedrijven werken gemeenten en sociale partners samen. Via de Werkbedrijven gaat de bemiddeling plaatsvinden van de mensen met een arbeidsbeperking naar de extra banen die de werkgevers in het sociaal akkoord beschikbaar hebben gesteld.

In de Werkkamer zijn sociale partners en gemeenten aan de slag om de vorming van de 35 Werkbedrijven uit te werken. Bij de uitwerking zullen de rol- en verantwoordelijkheidsverdeling tussen de verschillende betrokken partijen nader ingevuld worden. Gemeenten hebben de leiding bij de Werkbedrijven en werken samen met sociale partners en het UWV. Bij de nadere uitwerking in de arbeidsmarktregio’s zal zo veel mogelijk worden aangesloten bij reeds ontwikkelde samenwerkingverbanden van betrokken partijen.

Vraag 25

Welke datasets zijn ondergebracht bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en welke daarvan zijn inmiddels digitaal ontsloten als open data?

Antwoord 25

UWV heeft veel datasets met persoonsgegevens die niet worden ontsloten als open data. Daarnaast kent UWV de volgende datasets, die als open data zijn ontsloten:

  • Werkzoekenden;

  • Vacatures;

  • Spanning tussen vraag en aanbod;

  • Mobiliteit op de arbeidsmarkt;

  • WW-rechten.

Vraag 26

Wie is nu precies eindverantwoordelijk ook voor de financiële gevolgen van de Participatiewet? Wie bepaalt nu precies de feitelijke loonwaarde per geval en wie verstrekt de loonkostensubsidie aan de betreffende werkgever? Wie bepaalt het beleid hiervoor op hoofdlijnen? Het betreffende Werkbedrijf of de betreffende gemeente?

Antwoord 26

Gemeenten worden (financieel) verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet en de inzet van de re-integratie instrumenten. Zoals aangegeven in de Hoofdlijnenbrief van 27 juni 2013 over de vormgeving van de participatiewet en het quotum (Kamerstuk 33 566, nr. 55) bepaalt het Werkbedrijf de loonwaarde op de werkplek in samenspraak met de werkgever. De wijze waarop dit wordt vormgegeven wordt nader uitgewerkt in nauw overleg met de VNG en sociale partners. De loonkostensubsidie wordt door de gemeente aan de werkgever verstrekt. In de vierde nota van wijziging op de Invoeringswet Participatiewet die uw Kamer binnenkort zal ontvangen, gaat de Staatssecretaris nader in op het instrument loonkostensubsidie en de loonwaardebepaling.

Vraag 27

Hoeveel mensen met een arbeidshandicap zijn nu aan het werk (in relatie met het quotum)?

Antwoord 27

De tabel geeft op basis van de meest recent beschikbare gegevens een beeld van de verschillende groepen die vallen onder de afspraken uit het sociaal akkoord over de extra banen voor mensen met een arbeidshandicap. De cijfers in de tabel hebben betrekking op 2012 (voor de Wajong 2011). In de tabel zit een overlap in de aantallen: ruim 25.000 Wajonggerechtigden zijn werkzaam via de Wsw. Als schatting van het aantal mensen in de WWB met een arbeidsbeperking is uitgegaan van het percentage op trede 2 van de participatieladder.

Tabel Doelgroepen in relatie tot extra banen voor mensen met een arbeidshandicap, eind 20121

Uitkering

Volume eind 2012

Waarvan met arbeidshandicap

Waarvan met werk 2012

Wajong1

216.200

216.200

28.600 (regulier)

     

25.400 (via de Wsw)

       

Wsw2

102.400

102.400

6.300 (begeleid werken)

     

27.400 (detacheringen)

     

68.700 (beschut)

       

WWB3

379.100

110.0004

onbekend

X Noot
1

Cijfers Wajong betreffen ultimo 2011, op basis van UWV Monitor Arbeidsparticipatie 2012.

X Noot
2

Bron: Research voor Beleid, Jaarrapport Wsw-statistiek 2012.

X Noot
3

Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 24 oktober 2013.

X Noot
4

Schatting op basis van percentage op trede 2 van de participatieladder (Divosa-monitor 2012).

Vraag 28

Hoe verhoudt de informatievoorziening over de Participatiewet zich tot de voorgenomen monitoring van het decentralisatieproces vanuit de coördinerend Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties?

Antwoord 28

Vanuit zijn systeemverantwoordelijkheid moet de Minister van SZW beoordelen of het stelsel bijdraagt aan het realiseren van de doelen die met de Participatiewet worden beoogd. Om dat vast te kunnen stellen is informatie ten behoeve van monitoring en evaluatie nodig.

Bij een gedecentraliseerde uitvoering van wetten hoort grote beleidsvrijheid voor de gemeente en een beperkte rapportagelast van gemeenten aan het Rijk. De kaders van Interbestuurlijke informatievoorziening (IBI) en Single Information / Single Audit (SiSa) zijn leidend voor de inrichting van het informatiearrangement. De Minister ontvangt binnen die kaders informatie over de ondersteuning die gemeenten bieden op grond van de Participatiewet en wat de resultaten daarvan zijn en richt daarmee de monitoring in.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in het sociale domein een aanvullende stelselverantwoordelijkheid. Deze is niet zozeer verbonden met de inhoud van het sociale domein, als wel met de slagvaardige gemeente waar burgers op kunnen vertrouwen en op de integraliteit van de uitvoering door gemeenten. In zijn brief aan de Tweede Kamer over de decentralisaties (Kamerstuk 33 750 VII, nr. 12) heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn monitoring beschreven.

Vraag 29

Kan de regering ingaan op de indicator van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voor ontslagrecht? Op welke indicatoren is deze gebaseerd?

Antwoord 29

De OESO indicatoren voor ontslagrecht kwantificeren de procedures en kosten waarmee werkgevers geconfronteerd worden als zij (groepen van) werknemers met een vast contract willen ontslaan, of als zij werknemers op een tijdelijk of een uitzendcontract willen aannemen. Dit gebeurt op een internationaal vergelijkbare wijze, zodat een internationale vergelijking van de mate van ontslagbescherming mogelijk is.

De indicatoren zijn samengesteld uit 21 items die verschillende aspecten van de ontslagbescherming behelzen. Voor de bescherming van werknemers met een vast contract gaat het daarbij om de procedurele ongemakken die werkgevers ervaren bij het starten van de ontslagprocedure, de opzegtermijn en de ontslagvergoeding, en de omstandigheden die een ontslag rechtvaardigen. Voor de bescherming van werknemers met een tijdelijk contract is van belang voor welk type werkzaamheden tijdelijke contracten verstrekt kunnen worden, het maximaal aantal opeenvolgende contracten en de maximale duur van die contracten (de ketenbepaling). Daarbij geldt dat hoe belangrijker het aspect, hoe zwaarder dit wordt meegewogen in de beoordeling van de ontslagbescherming.

De score op de 21 subitems resulteert uiteindelijk in twee indicatoren: de indicator voor de ontslagbescherming van vaste contracten en de indicator voor de bescherming van tijdelijke contracten. Deze indicatoren worden uitgedrukt op een schaal van 0 (zeer lichte bescherming) tot 6 (zeer zware bescherming).

Overigens zijn de OESO-indicatoren voor de mate van ontslagbescherming niet allesomvattend. Vanzelfsprekend kunnen niet alle aspecten van het ontslagrecht worden meegenomen, ook omdat deze aspecten soms landenspecifiek zijn. De indicatoren kennen dus hun beperkingen, en moeten daarom met de nodige terughoudendheid worden geïnterpreteerd.

Vraag 30

Deelt de regering de stelling dat versoepeling van het ontslagrecht leidt tot meer kansen voor «outsiders» op een vast contract? Kan de regering een overzicht van wetenschappelijke (/empirische) studies presenteren waarin dat verband ook wordt aangetoond?

Antwoord 30

Er van uitgaande dat met de term «outsiders» mensen met een flexibel contract worden bedoeld, laat de literatuur zien dat niet primair de hoogte van de ontslagbescherming voor vaste contracten van invloed is, maar het verschil in de bescherming van vaste versus tijdelijke contracten. Om deze «outsiders» een beter uitzicht te geven op een vast contract is het dus van belang om het verschil in bescherming tussen vaste en tijdelijke contracten terug te dringen. Op die manier worden werkgevers aangemoedigd om minder tijdelijke contracten te gebruiken en meer werknemers in vaste dienst te nemen. De hervorming van het ontslagrecht en de aanpassing van de ketenbepaling, zoals voorgesteld in het wetsvoorstel Wet werk en zekerheid, zijn erop gericht om dat verschil in bescherming tussen vaste en tijdelijke contracten te verkleinen.

De empirische literatuur ondersteunt de in deze vraag opgenomen stelling. De OESO heeft recent een overzicht van de literatuur naar het aandeel van tijdelijke en vaste contracten, en de transities tussen die twee contracten, gegeven in de laatste Employment Outlook. De studies in dit overzicht laten zien dat een versoepelde regulering van tijdelijke contracten leidt tot een toename van het aantal tijdelijke contracten, ten koste van het aantal vaste contracten (Bentolila et al., 2008; Aguirreba en Alonso-Berrogo, 2009; Kahn, 2010). Een studie van Güell en Petrolongo (2007) laat specifiek zien dat het aantal transities tussen tijdelijke en vaste contracten laag is als het verschil in regelgeving tussen beide contractvormen groot is. Dit bevestigt de noodzaak om de dualiteit op de arbeidsmarkt tegen te gaan. Andere studies die de relatie tussen de regulering van vaste en tijdelijke contracten en hun aandeel op de arbeidsmarkt empirisch onderbouwen zijn OESO (2004), Pierre and Scarpetta (2004), Bassanini en Garnero (2013) en Hijzen et al. (2013).

De volledige literatuurverwijzing op alfabetische volgorde:

  • Aguirregabiria,V. and C. Alonso-Borrego (2009), «Labor Contracts and Flexibility: Evidence from a Labor Market Reform in Spain», University Carlos III de Madrid Economic SeriesWorking Paper, No. 09–18.

  • Bassanini, A. and A. Garnero (2013), «Dismissal Protection and Worker Flows in OECD Countries: Evidence from Cross-country/Cross-industry Data», Labour Economics, Vol. 21, pp. 25–41.

  • Bentolila S., J. Dolado and J. Jimeno (2008), «Two-Tier Employment Protection Reforms: The Spanish Experience», CESifo DICE Report, Vol. 6, pp. 49–56.

  • Güell, M. and B. Petrongolo (2007), «How Binding Are Legal Limits? Transitions from Temporary to Permanent Work in Spain», Labour Economics, Vol. 14, pp. 153–183.

  • Hijzen, A., L. Mondauto and S. Scarpetta (2013), «The Perverse Effects of Job-Security Provisions on Job Security in Italy: Results from a Regression Discontinuity Design», Paper presented at the American Economic Association meeting, San Diego, January.

  • Kahn, L.M. (2010), «Employment Protection Reforms, Employment and the Incidence of Temporary

  • Jobs in Europe: 1996–2001», Labour Economics, Vol. 17, pp. 1–15.

  • OECD (2004), OECD Employment Outlook 2004, OECD Publishing, Paris, http://dx.doi.org/10.1787/ empl_outlook-2004-en.

  • Pierre, G. and S. Scarpetta (2004), «Employment Regulations Through the Eyes of Employers: Do They Matter and How Do Firms Respond to Them?», IZA Discussion Paper, No. 1424.

Vraag 31

Hoe verhoudt de introductie van de huishoudentoeslag zich tot de aanbevelingen van de Commissie Dijkhuizen? Welke verschillen en overeenkomsten zijn er tussen de voorgestelde huishoudentoeslag en de aanbevelingen van de Commissie Dijkhuizen?

Antwoord 31

Het kabinet neemt het voorstel van de commissie Van Dijkhuizen om de toeslagen gericht op inkomensondersteuning te stroomlijnen en te vereenvoudigen door invoering van een huishoudtoeslag in grote lijnen over. De zorgtoeslag, huurtoeslag, kindgebonden budget en een ouderencomponent, bestaande uit de fiscale ouderenkortingen en MKOB, worden de komende jaren gefaseerd geïntegreerd in een huishoudentoeslag. Eind dit jaar zal het kabinet hierover een hoofdlijnennotitie naar de Tweede Kamer sturen. Voor de zomer van 2014 wordt wetgeving van de huishoudentoeslag naar de Tweede Kamer gestuurd.

Vraag 32

Door de begrotingsafspraken 2014 wordt de huishoudenstoeslag steiler afgebouwd met 0,5%. Wat is het inkomensgevolg van de invoering van de huishoudenstoeslag en vervolgens de steilere afbouw voor de verschillende ontvangers van de toeslag?

Antwoord 32

Met de huishoudentoeslag wordt een budgettaire besparing van ruim € 1 miljard gerealiseerd. Daarnaast wordt de toeslagensystematiek vereenvoudigd en is de huishoudtoeslag goed voor de structurele werkgelegenheid, onder andere doordat bij mensen die verschillende toeslagen ontvangen de marginale druk worden verlaagd.

De tabellen laten de inkomenseffecten zien van de maatregelen in 2015 en 2016 samenhangend met de invoering van de huishoudentoeslag. De eerste tabel laat de inkomenseffecten zien van de eerste voorlopige uitwerking, met een ingeboekte bezuiniging van € 1 miljard. De volgende tabel laat het effect zien met de steilere afbouw als gevolg van de begrotingsafspraken 2014. Hierbij wordt een extra bezuiniging van € 150 miljoen (in 2015, oplopend tot € 166 miljoen structureel) gerealiseerd. De budgetneutrale verwerking van het kindgebonden budget in de huishoudentoeslag, voorzien voor 2017, is nog niet opgenomen in de hier getoonde uitwerking. De getoonde uitwerking is nog voorlopig. In het wetsvoorstel dat voor de zomer van 2014 naar de Tweede Kamer wordt gestuurd zal de definitieve uitwerking volgen.

De tabellen laten zien dat de inkomenseffecten voor de laagste inkomens beperkt zijn. Voor de inkomens tot 1,5x modaal geldt dat ongeveer de helft van de huishoudens er in inkomen op achteruit gaat, waarvan voor het overgrote deel de effecten beperkt zijn tot – 1%. Een deel van de huishoudens gaat er zelfs op vooruit. Dit komt doordat met het omzetten van de ouderenkortingen in de huishoudentoeslag ook het verzilveringsprobleem van de ouderenkorting vervalt. Ongeveer 3% van de huishoudens gaat er meer dan 3% in inkomen op achteruit. Het betreft vooral huishoudens met een vermogen groter dan € 100.000. Dit wordt veroorzaakt door de vermogenstoets in de ouderencomponent in de huishoudentoeslag.

De steilere afbouw met 0,5%-punt heeft slechts een geringe invloed op de inkomenseffecten van de invoering van de huishoudentoeslag, zoals blijkt uit vergelijking van beide tabellen.

Tabel Inkomenseffect huishoudentoeslag (stand begroting 2014)1
 

<-5%

– 5 tot – 3%

– 3 tot – 1%

– 1 tot 0%

Geen effect

0 tot 3%

>3%

Aandeel

Inkomenshoogte

               

Minimum

0%

0%

0%

15%

70%

6%

9%

6%

Minimum-modaal

3%

2%

3%

48%

26%

17%

1%

34%

1x–1,5x modaal

2%

3%

9%

39%

41%

7%

0%

22%

1,5x–2x modaal

0%

3%

8%

9%

79%

1%

0%

16%

2x–3x modaal

0%

1%

7%

3%

89%

0%

0%

15%

>3x modaal

0%

0%

5%

6%

89%

0%

0%

8%

                 

Leeftijd2

               

65–

0%

0%

1%

23%

76%

0%

0%

72%

65+

5%

7%

17%

41%

0%

27%

3%

28%

                 

Vermogen (€)3

               

<100.000

0%

1%

3%

32%

55%

9%

1%

85%

100.000–150.000

4%

12%

18%

8%

52%

5%

2%

4%

150.000–200.000

14%

10%

14%

2%

55%

5%

1%

3%

>200.000

12%

7%

22%

7%

53%

0%

0%

8%

                 

Totaal

1%

2%

5%

28%

55%

8%

1%

100%

X Noot
1

Bron: SZW-berekeningen.

X Noot
2

65+ als ten minste één van beide leden van een paar 65 jaar of ouder is.

X Noot
3

Gebaseerd op het box 3 vermogen voor toepassing van de vrijstelling.

Tabel Inkomenseffect huishoudentoeslag (stand na begrotingsafspraken 2014)1
 

<– 5%

– 5 tot – 3%

– 3 tot – 1%

– 1 tot 0%

Geen effect

0 tot 3%

>3%

Aandeel

Inkomenshoogte

               

Minimum

0%

0%

0%

15%

70%

6%

9%

6%

Minimum-modaal

3%

3%

3%

48%

26%

17%

1%

34%

1x–1,5x modaal

2%

3%

12%

39%

41%

4%

0%

22%

1,5x–2x modaal

0%

3%

8%

9%

79%

0%

0%

16%

2x–3x modaal

0%

1%

7%

3%

89%

0%

0%

15%

>3x modaal

0%

0%

5%

6%

89%

0%

0%

8%

                 

Leeftijd2

               

65–

0%

0%

1%

23%

76%

0%

0%

72%

65+

5%

7%

20%

41%

0%

24%

3%

28%

                 

Vermogen (€)3

               

<100.000

0%

1%

3%

32%

55%

9%

1%

85%

100.000–150.000

4%

12%

18%

8%

52%

5%

2%

4%

150.000–200.000

14%

10%

14%

2%

55%

5%

1%

3%

>200.000

12%

7%

22%

7%

53%

0%

0%

8%

                 

Totaal

1%

2%

6%

28%

54%

7%

1%

100%

X Noot
1

Bron: SZW-berekeningen.

X Noot
2

65+ als ten minste één van beide leden van een paar 65 jaar of ouder is.

X Noot
3

Gebaseerd op het box 3 vermogen voor toepassing van de vrijstelling.

Vraag 33

De regering wil met het oog op de arbeidsparticipatie de ontwikkeling van kinderen ondersteunen; is het niet zo dat met betaalbare en kwalitatief goede kinderopvang de arbeidsparticipatie ondersteund wordt?

Antwoord 33

Het kabinet geeft aan dat zij met het oog op zowel de participatiebevordering als de ontwikkeling van kinderen de randvoorwaarden om arbeid en zorg te kunnen combineren wil bevorderen. Het kabinet beoogt met het Nederlandse arbeid-en-zorgbeleid te bevorderen dat werknemers arbeid en zorgtaken, voor bijvoorbeeld jonge kinderen, kunnen combineren. Een van deze randvoorwaarden is dat er betaalbare en kwalitatief goede kinderopvang moet zijn. Goede kinderopvang zorgt er ook voor dat kinderen worden gestimuleerd in hun ontwikkeling.

Vraag 34

Wat is de regering voornemens te doen met de uitkomsten van de arbeid- en zorgtop? Wie gaat er met de uitkomsten aan de slag?

Antwoord 34

Zoals aangekondigd in de brief van 2 juli jl. zal het kabinet de Tweede Kamer na de arbeid-en-zorgtop (18 november 2013) informeren of deze leidt tot aanvullende stappen om de combinatie van arbeid en zorg te verbeteren en/of tot eventuele aanpassingen van het wetsvoorstel Modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden (Kamerstuk 32 855, nr. 1–3).

Vraag 35

Wat doet de regering met de afspraak in het Sociaal Akkoord dat maatregelen omtrent arbeid en zorg tussen sociale partners geregeld dienen te worden?

Antwoord 35

In het sociaal akkoord is vermeld dat in veel cao’s afspraken gemaakt worden om de combinatie van arbeid en zorg te vergemakkelijken en dat er veel goede voorbeelden zijn van vaderverlof, zelfroosteren en flexibel werken. Via het stelsel van verlofregelingen heeft het kabinet dergelijke afspraken ondersteund.

Het kabinet zal – in aanvulling op het wetsvoorstel Modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden – bezien of dit verdere ondersteuning behoeft via voorlichting en mogelijk wetgeving.

Vraag 36

Hoe wordt voorkomen dat er door de stapeling van regelingen in de huishoudentoeslag een armoedeval ontstaat?

Antwoord 36

De huishoudentoeslag zorgt ervoor dat werken meer lonend wordt. Het CPB schrijft dan ook in haar analyse van de economische effecten van de begrotingsafspraken 2014 van 17 oktober jl. dat de huishoudentoeslag gunstig is voor de structurele werkgelegenheid. De huishoudentoeslag zorgt er bijvoorbeeld voor – door afbouwtrajecten van toeslagen samen te voegen – dat de marginale druk wordt beperkt, juist bij mensen die verschillende toeslagen ontvangen waardoor het afbouwpercentage nu stapelt en de marginale druk hoog is.

Vraag 37

Hoe ziet de huishoudentoeslag er (schematisch) uit?

Antwoord 37

De figuur geeft de vormgeving van de huishoudentoeslag grafisch weer. De hoogte van de huishoudentoeslag wordt bepaald op basis van de componenten waar iemand recht op heeft. De hoogte op het basisniveau wordt bepaald en afgebouwd met een vast percentage. Dat percentage is niet afhankelijk van het aantal componenten waar iemand recht op heeft. De marginale druk veroorzaakt door de huishoudentoeslag is hierdoor constant bij stijging van inkomen, bij een verder ongewijzigde situatie van het huishouden.

Vraag 38

Is de regering van plan om ook na de afspraken in het begrotingsakkoord over de kindregelingen om de armoedeval te verkleinen/voorkomen?

Antwoord 38

De regering wil met de hervorming kindregelingen de armoedeval voor alleenstaande ouders die vanuit een bijstandsuitkering gaan werken oplossen. De stap naar werk vanuit de bijstand moet financieel gaan lonen voor deze groep. De begrotingsafspraken 2014 zorgen op een aantal punten voor een andere invulling van de hervorming kindregelingen. De harmonisatie van de inkomensondersteuning voor alleenstaande ouders blijft echter ongewijzigd. Alle alleenstaande ouders met een laag inkomen, ongeacht of ze werken of een uitkering ontvangen, worden gelijk behandeld. Deze harmonisatie zorgt er voor dat het voor alleenstaande ouders in de bijstand loont om te gaan werken.

Vraag 39

Wat is de kans op armoede in Nederland in vergelijking met andere landen?

Antwoord 39

Die kans is relatief laag in vergelijking tot andere EU landen.

Het EU-criterium voor armoede en/of sociale uitsluiting is gebaseerd op een combinatie van drie indicatoren, namelijk inkomen, werkintensiteit, en een meting van de mate waarin men financieel in staat is bepaalde gangbare goederen/diensten aan te schaffen. Men loopt een (verhoogd) risico op armoede en sociale uitsluiting als men een inkomen heeft lager dan 60% van het mediane inkomen, en/of ernstig achtergesteld is in gangbare goederen en diensten en/of tot een huishouden behoort met een lage werkintensiteit.

Uit de gegevens van Eurostat blijkt dat Nederland in 2011 een relatief gunstige positie inneemt, circa 15,7% van de bevolking heeft een verhoogd risico op armoede en sociale uitsluiting. Voorlopige inzichten voor 2012 geven een daling weer van 0,7%-punt. In 2011 is het Europees gemiddelde 24,2%. Alleen Tsjechië scoort beter dan Nederland met 15,3%. Zweden volgt na Nederland en bezet met 16,1% de derde plaats. Andere scores zijn: Duitsland 19,9%, België 21,0% en Frankrijk 19,4%.

Vraag 40

Wat is de reden voor de hoge uitvoeringskosten die de vele verschillende kindregelingen volgens de regering met zich meebrengen? Hoe hoog zijn deze kosten?

Antwoord 40

De hoogte van de uitvoeringskosten hangt samen met de complexiteit van de regelingen. De hoogte van de bedragen is veelal afhankelijk van het aantal kinderen in een huishouden, de leeftijd van de kinderen en het vermogen en/of inkomen van de ouders. Deze factoren geven een opwaartse druk van de uitvoeringskosten vanwege kosten voor voorlichting, toetsing, betaling en handhaving.

De uitvoeringkosten van de kindregelingen op de begroting van SZW bedragen voor 2014 ca. € 77,5 miljoen. Dit betreft de regelingen AKW en TOG en de ontvangers in het buitenland van de KOT en WKB. De WKB en de KOT worden voor binnenlandse uitkeringsgerechtigden uitgevoerd door Belastingdienst/Toeslagen. Hiervoor zijn op de begroting van SZW geen middelen gereserveerd.

Vraag 41

Gegeven dat schulden succesvolle participatie op de arbeidsmarkt in de weg staan en dat de overheid tegelijkertijd vaak een belangrijke rol speelt als schuldenaar of schuldeiser (achterstallige uitkering, belastingdienst, zorgtoeslag, huurtoeslag), hoe wil de regering voorkomen dat de overheid burgers in een schuldsituatie leidt? Hoe lang is de gemiddelde wachtlijst bij gemeenten voor schuldhulpverlening?

Antwoord 41

Uitgangspunt is dat iedereen zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen financiële keuzes en dat een ieder zijn financiële verplichtingen moet nakomen. Als mensen hun financiële verplichtingen niet nakomen, mag de schuldeiser invorderingsmaatregelen treffen. Mensen moeten echter wel in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Daarvoor dient de wettelijk vastgelegde beslagvrije voet. Door een (ongewenste) inbreuk op de beslagvrije voet kunnen mensen in financiële problemen terechtkomen. Dit is onwenselijk. Daarom heeft het kabinet in zijn reactie op het rapport Paritas Passé (Kamerstuk 24 515, nr. 255) maatregelen aangekondigd om de naleving van de beslagvrije voet door schuldeisers beter te kunnen handhaven. Zo wordt de vormgeving en inrichting van een beslagregister voorbereid door de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) en wordt er gewerkt aan het ontwikkelen van een rijksincassovisie. De Tweede Kamer wordt eind 2013 geïnformeerd over de uitwerking en concretisering van de rijksincassovisie.

Uit het onderzoek naar de besteding van de tijdelijke middelen schuldhulpverlening 2009–2011 komt naar voren dat de wachtlijsten in 2010 en 2011 zijn teruggelopen, dan wel niet verder zijn opgelopen. Op dit moment is hierover geen actuelere onderzoeksinformatie beschikbaar. Preventieve en integrale schuldhulpverlening is met ingang van 1 juli 2012 een wettelijke taak van gemeenten. Het is nog te kort na de invoering van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) om te kunnen zeggen wat de effecten van de Wgs zijn op onder andere de wacht- en doorlooptijden. De Inspectie start in 2014 een eerste onderzoek naar de uitvoering van de Wgs door gemeenten. De Inspectie beoogt met de rapportage te oordelen over de uitvoering van het systeem van schuldhulpverlening en beleid, en uitvoering te ondersteunen bij maatregelen om mogelijke problemen terug te brengen en de integrale aanpak te versterken. Het onderzoek voor deze programmarapportage zal in 2015 leiden tot een eindproduct.

De evaluatie van de Wgs is voorzien voor 1 juli 2016.

Vraag 42

Hoe groot is de geraamde opbrengst van huishoudentoeslag die toe te schrijven is aan de doelstelling transparantie en minder fraude?

Antwoord 42

Door het kabinet worden extra maatregelen genomen om misbruik en fraude bij toeslagen tegen te gaan. Deze maatregelen zijn eerder aangekondigd in de brief van 10 mei 2013 (Kamerstuk 17 050, nr. 435). Er is geen directe samenhang van de voorgestelde maatregelen met het voornemen om een huishoudentoeslag te introduceren. Ook zonder dat voornemen zouden de fraudemaatregelen met betrekking tot het huidige toeslagenstelsel zijn voorgesteld. Het kabinet acht het immers van groot belang om op korte termijn met aanvullende fraudemaatregelen te komen. De introductie van een huishoudentoeslag in zijn uiteindelijke vorm zal nog een aantal jaren duren. Indirect is er wel sprake van een samenhang omdat hetgeen nu al kan worden gedaan aan het fraudebestendig maken van de toeslagen ook zijn vruchten zal afwerpen voor de toekomstige huishoudentoeslag.

Vraag 43

Hoe groot is de geraamde opbrengst van huishoudentoeslag die ten laste komt van huishoudens die momenteel rechtmatig gebruik maken van de huidige toeslagen?

Antwoord 43

Bij Miljoenennota is afgesproken om structureel circa € 1 miljard te besparen door de gefaseerde invoering van de huishoudentoeslag. In de begrotingsafspraken 2014 is afgesproken aanvullend € 150 miljoen in 2015 en € 166 miljoen structureel te bezuinigen op de huishoudentoeslag door deze steiler af te bouwen.

Vraag 44

Wat zijn de verwachte inkomenseffecten van de introductie van de huishoudentoeslag voor verschillende inkomensgroepen en huishoudenssamenstellingen?

Antwoord 44

Zie het antwoord op vraag 32.

Vraag 45

In welke mate blijven de verschillende componenten van de huishoudentoeslag (huur, zorg, kinderen, enz.) binnen de totale huishoudentoeslag te onderscheiden?

Antwoord 45

In de huishoudentoeslag worden afzonderlijke componenten voor zorg, huur, kinderen en ouderen opgenomen. Dat betekent dat bijvoorbeeld huishoudens zonder kinderen niet de kindercomponent (het huidige kindgebonden budget) zullen ontvangen. Voor het einde van het jaar zal het kabinet een hoofdlijnennotitie over de huishoudentoeslag naar de Tweede Kamer sturen. Voor de zomer van 2014 wordt wetgeving van de huishoudentoeslag naar de Tweede Kamer gestuurd.

Vraag 46

Wat gaat de regering doen om schulden te voorkomen?

Antwoord 46

Het kabinet wijst het aangaan van schulden niet ten principale af. Krediet en het aangaan van leningen zijn volledig geaccepteerde en nuttige instrumenten in onze samenleving en economie. Uitgangspunt is dat iedereen zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen financiële keuzes en dat een ieder zijn financiële verplichtingen moet nakomen. Het kabinet blijft daarom inzetten op het vergroten van de financiële zelfredzaamheid, eigen kracht en sociale participatie van burgers door te investeren in voorlichting en educatie via onder andere Wijzer in Geldzaken en Nibud, maar ook door het actief aanspreken van schuldeisers op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Doel van het kabinet is dat mensen – waar nodig – geholpen en ondersteund worden om zo snel mogelijk op eigen benen te staan en dat er geen mensen door het vangnet heen glijden.

Het kabinet heeft voor 2013 € 20 miljoen vrijgemaakt voor armoede en schuldenbeleid. Voor 2014 is er € 80 miljoen extra beschikbaar en daarna € 100 miljoen per jaar. Het grootste deel van de extra middelen komt beschikbaar voor gemeenten, omdat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor het armoede- en schuldenbeleid. Sinds vorig jaar is de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening van kracht. Hierdoor kunnen mensen een beroep doen op ondersteuning van de gemeente om het hoofd te bieden aan schuldensituaties waar ze zelf niet meer uitkomen. Gemeenten zijn op lokaal niveau in staat om via een integrale aanpak maatwerk te leveren en hun beleid zo vorm te geven dat optimaal gebruik wordt gemaakt van de aanwezige kracht van de samenleving. Gemeenten kunnen als in de lokale samenleving gewortelde overheidsorganisaties bovendien een laagdrempelige toegang bieden. Schuldpreventie en vroegsignalering maken steeds nadrukkelijker onderdeel uit van de integrale schuldhulpverlening door gemeenten. In de brief van 3 juli (Kamerstuk 24 515, nr. 265) aan de Tweede Kamer over de intensivering van het armoede- en schuldenbeleid is aangekondigd op welke manier ingezet wordt op vroegsignalering en preventie van schulden.

Vraag 47

Wat gebeurt er als iemand de participatieovereenkomst niet ondertekent? Of niet naleeft?

Antwoord 47

Alle nieuwkomers die deelnemen aan de pilot wordt verzocht een participatieverklaring te ondertekenen. Door deze verklaring te ondertekenen onderschrijven migranten de kernwaarden en de belangrijkste rechten en plichten van de Nederlandse samenleving. Gemeenten stimuleren ondertekening op verschillende manieren om daarmee de effectiviteit van het instrument te vergroten. De pilotfase kent geen verplichte ondertekening.

Vraag 48

Hoe staat het met de toezegging dat voor het goed functioneren van anti-discriminatievoorzieningen, het beter is om op te schalen naar regionaal niveau?

Antwoord 48

Toegezegd is dat de Minister van BZK dit onderwerp zal meenemen in het gesprek met gemeenten en veldpartijen over het functioneren van de antidiscriminatievoorzieningen. Over de resultaten van dat gesprek wordt de Tweede Kamer geïnformeerd in de voortgangsbrief discriminatie 2013, die de Kamer in december 2013 kan verwachten.

Vraag 49

Welke maatregelen onderneemt de regering om discriminatie tegen te gaan?

Antwoord 49

In 2010 is het actieprogramma discriminatie vastgesteld. Zoals toegezegd in de brief over de aanscherping van de bestrijding van discriminatie (Kamerstuk 32 123 VII, nr. 74) stuurt het kabinet jaarlijks een discriminatiebrief naar de Tweede Kamer, waarin het kabinet de uitvoering van het actieprogramma discriminatie en de aanvullende maatregelen beschrijft en waarin ook de meldingscijfers van discriminatie worden gepresenteerd. Het kabinet hanteert een generiek discriminatiebeleid, met bijzondere aandacht voor de lokale aanpak, de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen, het registreren van discriminatie, het vergroten van de meldings- en aangiftebereidheid en deskundigheidsbevordering in de strafrechtketen. Het kabinet zet zich verder in om discriminatie op verschillende terreinen terug te dringen, zoals op de arbeidsmarkt, horeca, woonomgeving en internet. Verder is er specifieke aandacht voor antisemitisme, discriminatie van moslims en discriminatie van lesbiennes, homosexuelen, bi-sexuelen en transgenders.

In december 2013 zal de Minister van BZK namens het kabinet de voortgangsbrief discriminatie 2013 naar de Tweede Kamer zenden.

Vraag 50

De actie «Impuls vakmanschap» dient ertoe dat uitvoerders de regels beter onder de aandacht brengen bij hun cliënten en ze daarop aan te spreken. De oorzaak van de onwetendheid bij cliënten is soms ook de ingewikkeldheid van regels. In 2014 wordt actie ondernomen om regels waar mogelijk te versimpelen. Krijgen alle uitvoerders deze training en leidt dit ook tot concrete doelstellingen in de verbetering in de handhaving?

Antwoord 50

Het programma Effectiviteit en Vakmanschap heeft als doel het vergroten van de effectiviteit en professionaliteit van de klantmanagers re-integratie. Het programma richt zich ook op aspecten van fraude en handhaving waar dit onderdeel uitmaakt van de taken van deze klantmanagers. Het bevorderen van het vakmanschap van klantmanagers is nadrukkelijk de eigen verantwoordelijkheid van gemeenten en de klantmanagers zelf. Ook de recent opgerichte Beroepsvereniging voor Klantmanagers (BvK) speelt hierin een rol. Het programma Effectiviteit en Vakmanschap is daarom bedoeld als een impuls. Onderdeel van het programma is het ontwikkelen en aanbieden van trainingen, onder meer op het terrein van fraude en handhaving. Gemeenten maken zelf de afweging of zij hiervan gebruikmaken. Gelet op de eigen verantwoordelijkheid van gemeenten is er geen concrete doelstelling geformuleerd voor wat betreft het onderdeel handhaving. Verbetering van het vakmanschap moet wel bijdragen aan een grotere effectiviteit daarvan.

Vraag 51

Wat is de incassoratio van het fraudebedrag?

Antwoord 51

Voor de invulling van de incassoratio die betrekking heeft op de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Fraudewet) die sinds 1 januari 2013 van kracht is, zijn met SVB en UWV afspraken gemaakt. Op basis van een steekproef van vorderingsbedragen (totaal van boete en benadelingsbedrag) zal, in jaarlijkse cohorten, worden gemeten in hoeverre er wordt teruggevorderd door de SVB en UWV (de incassoratio). SVB en UWV rapporteren hierover voor het eerst in hun jaarverslag 2013. Hiermee kan op termijn worden nagegaan of wordt voldaan aan de met de Fraudewet beoogde robuuste incasso van vorderingen.

Vraag 52

Op welke wijze is de regering voornemens te voorkomen dat arbeidsmigranten die hun baan verliezen tegelijk ook uit hun huis worden gezet?

Antwoord 52

Als arbeidsmigranten gehuisvest worden via de werkgever is vaak sprake van dubbele afhankelijkheid: verlies van baan heeft vaak ook verlies van huis tot gevolg. In de nationale verklaring voor huisvesting van arbeidsmigranten hebben partijen daarom afspraken gemaakt over het scheiden van «baan en bed», waarbij het streven is dat werkgevers op termijn de huisvesting uitbesteden aan huisvesters (woningcorporaties en commerciële huisvesters). Daarnaast is in de cao voor uitzendkrachten in artikel 45 lid 8 en 9 een clausule opgenomen die moet voorkomen dat werknemers door werkgevers zonder legitieme reden op straat worden gezet. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een contract voor bepaalde tijd (men weet wanneer dat afloopt en dus ook wanneer de huisvesting eindigt) en een contract voor onbepaalde tijd.

Bij arbeidsmigranten die huisvesting vinden via andere kanalen dan de werkgever speelt huisuitzetting na verlies van baan minder. Vaak hebben woningcorporaties een clausule in het huurcontract opgenomen om huisuitzetting te voorkomen. Wel bestaat het risico dat als men niet snel genoeg een andere baan vindt, men uiteindelijk de huur niet kan betalen en alsnog uit de woning wordt gezet.

Vraag 53

Welke 17 Nederlandse uitzendbedrijven zijn er momenteel actief in Bulgarije en Roemenië? In welke sectoren werven zij? Welke bedrijven in Nederland maken gebruik van de diensten van deze uitzendbureaus?

Antwoord 53

Er is geen onderzoek bekend waaruit blijkt dat 17 Nederlandse uitzendbedrijven actief zijn in Bulgarije en Roemenië. Over individuele bedrijven kunnen overigens geen mededelingen gedaan worden.

Vraag 54

Hoeveel Nederlanders zijn geëmigreerd naar andere EU-landen? Hoeveel EU-onderdanen zijn er gemigreerd naar Nederland? Hoeveel Nederlanders werken er in de EU en hoeveel EU-onderdanen in werken er in Nederland? Kloppen de feiten uit de column «Waar blijven de nieuwe EU-migranten?» van Mathijs Bouman (bron: http://www.z24.nl/columnisten/Waar-blijven-de-nieuwe-EU-migranten )? Klopt het dat het «immigratietekort» in Nederland 0,7 procent van de totale werkgelegenheid bedraagt?

Antwoord 54

Hierop zal worden ingegaan in de brief die is toegezegd tijdens het algemeen overleg Arbeidsmigratie van 17 oktober 2013.

Vraag 55

Welke maatregelen neemt de regering om hoogopgeleide arbeidsmigranten naar Nederland te halen?

Antwoord 55

Nederland heeft met de speciale regeling voor kennismigranten een laagdrempelige voorziening voor hooggekwalificeerde arbeidsmigranten. Als voldaan is aan het salariscriterium behoeft de werkgever niet in het bezit te zijn van een tewerkstellingsvergunning. Gelet op het belang daarvan voor de Nederlandse concurrentiepositie, heeft het kabinet in de adviesaanvraag aan de SER van 8 juli 2013 over het arbeidsmigratiebeleid de vraag voorgelegd welke maatregelen moeten worden genomen om Nederland aantrekkelijker te maken voor kennismigranten. Het advies van de SER wordt in het voorjaar van 2014 verwacht. Eventuele aanvullende maatregelen neemt het kabinet naar aanleiding van dit advies.

Vraag 56

Klopt het dat Nederlandse voorlichters in Bulgarije en Roemenië potentiële arbeidsmigranten gaan ontmoedigen naar Nederland te komen? Kan de regering inzicht geven in de werkwijze van deze voorlichters? Hoe zit deze campagne eruit? Om hoeveel voorlichters gaat het (hoeveel fte)? Wat zijn de totale kosten die zijn gemoeid met de resultaten?

Antwoord 56

Met Bulgarije en Roemenië zijn afspraken gemaakt over de samenwerking op het gebied van voorlichting aan potentiële migranten over de mogelijkheden en risico’s op de Nederlandse arbeidsmarkt. Bij de voorlichting wordt vooral gebruik gemaakt van de expertise op het Ministerie van SZW en van medewerkers die al in de betreffende landen werkzaam zijn, zoals op de ambassades. Daarbij worden bestaande communicatiekanalen van ambassades, arbeidsinspecties en EURES, het Europese netwerk van arbeidsbureaus, ingezet alsmede de eigen communicatiekanalen van de betreffende landen. Daarnaast wordt momenteel onderzocht welke andere, meer informele, communicatiekanalen geschikt zijn, zoals – in samenwerking met gemeenten – organisaties van migranten die al in Nederland wonen en werken.

Vraag 57

Hoe ziet de regering erop toe dat ook daadwerkelijk uitvoering wordt gegeven aan het grote pakket aan maatregelen dat de afgelopen jaren is gepresenteerd om de ongewenste effecten van vrij verkeer van personen en werknemers te mitigeren met inbegrip van schijnconstructies, aanpak malafide uitzendbureaus en aanscherpingen handhaving en sanctiebeleid? Hoe ziet de regering er op toe dat er daadwerkelijk wordt gehandhaafd? Kan de regering een overzicht geven van verschillende instrumenten en de inmiddels bereikte resultaten?

Antwoord 57

Het kabinet monitort de voortgang van de uitvoering van de maatregelen via contacten met andere departementen, de Inspectie SZW, uitvoeringsorganisaties (UWV en SVB), de Belastingdienst, gemeenten, sociale partners, en werkgevers- en werknemersorganisaties. Deze contacten vinden zowel op bestuurlijk als op ambtelijk niveau plaats.

Voor een overzicht van de verschillende instrumenten en de bereikte resultaten wordt verwezen naar de brieven die uw Kamer recent heeft ontvangen: over de aanpak om EU-arbeidsmigratie in goede banen te leiden (Kamerstuk 29 407, nr. 175), over de fraudeaanpak, handhaving en naleving (Kamerstuk 17 050, nr. 439) en over de voortgang van de aanpak van malafide uitzendbureaus (Kamerstuk 17 050, nr. 442). Voor de handhavingsresultaten wordt verwezen naar het jaarverslag van de Inspectie SZW (Kamerstuk 33 400 XV, nr. 102).

In november ontvangt uw Kamer een voortgangsrapportage over de aanpak van schijnconstructies. Over de uitvoering van de wet Aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Fraudewet) bij gemeenten, UWV en SVB zal worden gerapporteerd in het jaarverslag van SZW over 2013.

Vraag 58

Kan de regering aangeven welke stappen zij inmiddels hebben genomen conform regeerakkoord om in Europa te komen tot een ingroeimodel voor de sociale zekerheid en dat EU-onderdanen pas na 7 jaar bijstand kunnen krijgen?

Antwoord 58

Om de voorwaarde van zeven jaar verblijf voor bijstand in te kunnen voeren is in elk geval aanpassing nodig van de Richtlijn vrij verkeer van personen. Het regeerakkoord bevat een inspanningsverplichting om in EU-kader te pleiten voor een verlenging van de termijn in Europese regelgeving waarbinnen aan EU-burgers die in een gastlidstaat verblijven geen bijstand hoeft te worden verstrekt. Het gaat om een verlenging van vijf naar zeven jaar.

Vraag 59

Aangezien in de begrotingsafspraken staat dat de regering vaart maakt met een vrijwillige collectieve pensioenregeling voor zelfstandigen, hoe ziet de financiering eruit? Krijgt deze regeling dezelfde aftrekbaarheid als pensioenpremies voor mensen in loondienst? Welke kosten zijn hiermee gemoeid?

Antwoord 59

Het streven is de Tweede Kamer voor het eind van dit jaar het kabinetsstandpunt inzake een collectieve pensioenvoorziening voor zelfstandigen toe te zenden, waarin ook op de genoemde aspecten zal worden ingegaan.

Vraag 60

Heeft de regering inzicht in de bestuursmodellen die pensioenfondsen gaan kiezen naar aanleiding van het wetsvoorstel «governance pensioenfondsbesturen»?

Antwoord 60

DNB heeft in september een enquête gehouden onder alle pensioenfondsen over hun voorbereiding op de Wet versterking bestuur pensioenfondsen. Uit de resultaten van deze enquête blijkt dat de meerderheid van de fondsen die inmiddels een keuze hebben gemaakt voor het paritaire model kiest. De fondsen die nog geen keuze hebben gemaakt neigen ook in meerderheid naar het paritaire model.

Vraag 61

Kan de regering toelichten dat de uitgaven van de AOW in 2016 een hoogtepunt bereiken en in 2017 en 2018 zelfs licht afnemen?

Antwoord 61

De omslag in de AOW-uitgaven vanaf 2016 is het gevolg van de maatregelen die zijn genomen om de AOW-uitgaven op een houdbaar pad te brengen. De voornaamste maatregelen zijn de verhoging van de AOW-leeftijd en het afschaffen van de AOW-partnertoeslag voor nieuwe instroom vanaf 1 april 2015.

In 2012 is besloten de AOW-leeftijd vanaf 2013 stapsgewijs te verhogen en vanaf 2024 te koppelen aan de levensverwachting. In het regeerakkoord Rutte/Asscher is bovendien afgesproken deze vanaf 2016 versneld te verhogen. Daardoor ligt de AOW-gerechtigde leeftijd in 2016 drie maanden hoger dan in 2015, wat een fors dempend effect op de AOW-uitgaven heeft.

Daarnaast vindt, zoals al in 1995 is besloten, er vanaf 1 april 2015 geen nieuwe instroom meer plaats in de AOW-partnertoeslag. Dat betekent dat het aantal AOW-gerechtigden dat partnertoeslag ontvangt vanaf dat moment snel afneemt.

Naast deze twee maatregelen spelen ook twee andere geplande ombuigingsmaatregelen een rol. In de Eerste Kamer ligt een wetsvoorstel waarin wordt voorgesteld vanaf 2015 de AOW-partnertoeslag voor hoge inkomens ook in lopende gevallen stapsgewijs af te bouwen. Daarnaast is in het regeerakkoord Rutte/Asscher afgesproken de uitkeringen voor samenwonende eerstegraads bloedverwanten en bij meerpersoonshuishoudens stapsgewijs te verlagen van 70% WML naar 50% WML vanaf 1 juli 2015.

Vraag 62

Aan welke hogere inkomsten refereert de regering in haar stelling dat hogere inkomsten worden ingezet om de tegenvaller op het kindgebonden budget (KGB) te beperken?

Antwoord 62

Door de lage economische groei en daarmee samenhangende teruglopende inkomens hebben meer mensen recht op een (hoger) kindgebonden budget. Nadat de toeslagen definitief zijn toegekend worden er terugvorderingen ingesteld bij de huishoudens die meer hebben ontvangen dan waar ze recht op hadden op basis van hun vastgestelde inkomen. Als het aantal toekenningen stijgt wordt ook het aantal terugvorderingen groter. Deze inkomsten worden niet gebruikt om de tegenvaller te beperken, maar mitigeren deze wel.

Vraag 63

Gelet op de hogere uitgaven bij het UWV in verband met stijging van de WW: wat doet het UWV er zelf aan om de kosten te beheersen?

Antwoord 63

Het budget voor de uitvoeringskosten van het UWV ademt mee met de volumes van de uitkeringen (het aantal personen dat een uitkering aanvraagt en het aantal personen dat een uitkering ontvangt). De geraamde stijging in het aantal WW-uitkeringen leidt dus tot een stijging van het uitvoeringsbudget van het UWV. Tegelijkertijd vult het UWV momenteel de door achtereenvolgende kabinetten opgelegde taakstellingen op de uitvoeringskosten in. Het betreft hier een algemene taakstelling oplopend tot € 260 miljoen in 2018 uit het regeerakkoord Rutte/Verhagen, een specifieke taakstelling oplopend tot € 100 miljoen in 2015 op de uitvoeringskosten voor bemiddeling uit het regeerakkoord Rutte/Verhagen, en een algemene taakstelling oplopend tot € 48,9 miljoen in 2018 uit het regeerakkoord Rutte/Asscher. Het uitvoeringsbudget van het UWV is met deze taakstellingsbedragen al naar beneden gebracht. Maatregelen die hierbij worden getroffen zijn onder meer het redesign van het Werkbedrijf en vereenvoudiging van wet- en regelgeving. Daarnaast worden maatregelen voorbereid die een meer doelmatige uitvoering beogen, bijvoorbeeld door verdere samenwerking in de keten van werk en inkomen en het efficiënter benutten van bestaande voorzieningen.

Vraag 64

Is er ten gevolge van de begrotingsafspraken 2014 iets veranderd in de maatregel Tegemoetkoming arbeidsongeschikten? Zo nee, wanneer wordt de Kamer over de uitwerking hiervan in wetgeving geïnformeerd?

Antwoord 64

In de begrotingsafspraken 2014 is geen nieuwe afspraak gemaakt voor de Tegemoetkoming Arbeidsongeschikten. De afspraak gemaakt in het kader van het 6 miljard pakket blijft dus staan. In 2014 wordt het bedrag verlaagd. Deze verlaging zal bij AMvB worden doorgevoerd.

Vraag 65

Kan de regering aangeven welke streefcijfers voor 2014 worden gehanteerd voor het terugdringen van de werkloosheid, en daarbij ook ingaan op de jeugd- en ouderenwerkloosheid?

Antwoord 65

De ontwikkeling van de werkloosheid hangt sterk af van de ontwikkeling van de economie. De invloed van de overheid op de economische ontwikkeling is, zeker in een open economie als de Nederlandse, op korte termijn beperkt. De ontwikkeling van de economie, en daarmee dus ook van de werkloosheid, is immers sterk afhankelijk van wat er in Europa en de rest van de wereld gebeurt. Vanwege de relatief beperkte invloed op deze ontwikkelingen hanteert het kabinet geen streefcijfer voor het terugdringen van de werkloosheid. Dat neemt echter niet weg dat het kabinet er samen met de sociale partners hard aan werkt om werkzoekenden te ondersteunen bij het vinden van een baan. Met de «Aanpak Jeugdwerkloosheid» en de extra middelen voor de re-integratie van oudere werklozen richt het kabinet zich in het bijzonder op de groepen die relatief hard getroffen worden door de oplopende werkloosheid. Daarnaast trekt het kabinet middelen uit om de sectorplannen van sociale partners, die gericht zijn op het behoud en creëren van werkgelegenheid, van cofinanciering te voorzien.

Vraag 66

Wat is de doelgroep van de Tegemoetkoming arbeidsongeschikten? Wanneer komt iemand in aanmerking voor deze tegemoetkoming en hoeveel mensen maken er gebruik van?

Antwoord 66

De doelgroep van de Tegemoetkoming arbeidsongeschikten zijn arbeidsongeschikten die aanspraak hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het UWV (WAO, WIA, WAZ of WAJONG) en minstens 35% arbeidsongeschikt zijn. Het gaat om ca. 750.000 rechthebbenden.

Vraag 67

Wat zijn de gevolgen van de doelmatigheidskorting op het re-integratiebudget van het UWV en het participatiebudget van gemeenten? Welk deel van deze korting wordt opgevuld door efficiency en welk deel leidt er toe dat er minder mensen naar een baan worden geleid?

Antwoord 67

Op basis van het regeerakkoord wordt op de re-integratiemiddelen van UWV en gemeenten vanaf 2014 een doelmatigheidskorting doorgevoerd. Deze is verwerkt in de begroting 2014. UWV en gemeenten krijgen hiermee minder middelen voor re-integratie toegekend. Doel is een efficiënter besteding van middelen. Dit is naar het oordeel van de regering ook mogelijk zonder afbreuk te doen aan de begeleiding van mensen die ondersteuning echt nodig hebben. Door gemeenten en UWV zijn de afgelopen jaren belangrijke stappen ter verbetering gezet. Verdere stappen zijn mogelijk. Gedacht kan onder meer worden aan een meer selectieve inzet van middelen, kortere trajecten, voortzetting van de afbouw door gemeenten van duurdere instrumenten als gesubsidieerde arbeid en het vergroten van de professionaliteit van klantmanagers, waarmee de effectiviteit wordt gediend. Voorts zijn de afspraken uit het sociaal akkoord van belang over de garantstelling door werkgevers. Deze afspraken betekenen een prikkel voor werkgevers om meer zelf te investeren in mensen met een arbeidsbeperking en leveren ook een positieve bijdrage aan het re-integratiebeleid.

Vraag 68

Hoe verhoudt de besparing van 95 miljoen euro op de WWB als gevolg van de kostendelersnorm zich tot de 100 miljoen euro die in het Sociaal Akkoord is vrijgemaakt om voor kwetsbare groepen met een zorgbehoefte de effecten van de kostendelersnorm te compenseren?

Antwoord 68

De besparing van € 95 miljoen heeft betrekking op mensen in de bijstand die onder de kostendelersnorm komen te vallen. Door de invoering van de Participatiewet komt een veel grotere groep onder de nieuwe «bijstand» en dus de kostendelersnorm te vallen. In het sociaal akkoord is afgesproken dat bij invoering van de Participatiewet gemeenten in staat worden gesteld om de effecten van de kostendelersnorm voor kwetsbare burgers met een zorgbehoefte te compenseren. Hiervoor is structureel € 100 miljoen uitgetrokken. In de vierde nota van wijziging van de Participatiewet die de Tweede Kamer in november 2013 tegemoet kan zien zal de precieze invulling en vormgeving van de € 100 miljoen nader toegelicht worden.

Vraag 69

Wat is de uitstroom van werkzoekenden in de WW per maand?

Antwoord 69

De tabel toont de totale uitstroom uit de WW per maand vanaf januari 2012.

Maand

Aantal WW uitkeringen: uitstroom per maand

2012 januari

33.850

2012 februari

32.720

2012 maart

47.990

2012 april

38.810

2012 mei

38.060

2012 juni

32.590

2012 juli

30.500

2012 augustus

39.710

2012 september

36.430

2012 oktober

34.340

2012 november

38.730

2012 december

28.450

2013 januari

44.630

2013 februari

39.320

2013 maart

44.860

2013 april

45.570

2013 mei

46.120

2013 juni1

39.260

2013 juli1

36.750

2013 augustus1

49.520

Bron: Statline, 24-10-2013

X Noot
1

voorlopig cijfer.

Vraag 70

Gelet op het feit dat uit data uit het buitenland blijkt dat naarmate het eind van de werkloosheidsuitkering in zicht komt er procentueel veel mensen uitstromen: zijn dergelijke data ook in Nederland bekend?

Antwoord 70

Het piekeffect doet zich ook in Nederland voor. Dit staat te lezen in een openbaar kennismemo van het UWV met de titel «Invloed van verkorting van de maximale WW-duur» uit november 2010. In dit kennismemo worden schattingen gepresenteerd van de invloed van kenmerken van werklozen op de uitstroomkans uit de WW en is onderzocht of er een piek in de werkhervatting plaatsvindt in de maand voor en de maand na het verstrijken van de maximale werkloosheidsduur (de maximale werkloosheidsduur verschilt per persoon). De analyse is gebaseerd op gegevens uit de polisadministratie en heeft betrekking op personen die de WW instroomden in 2007. Geschat wordt dat in de eerste maand voor en de eerste maand na het bereiken van de maximale WW-duur, gecorrigeerd voor overige factoren, gemiddeld 30% meer werkhervattingen plaatsvinden.

Vraag 71

Wat is het bedrag dat er jaarlijks aan premies voor de AOW binnenkomt? Welk bedrag wordt er jaarlijks uitgegeven? Hoe verlopen deze twee zaken zich in de komende tien jaar?

Antwoord 71

De tabel geeft een overzicht van de AOW premieontvangsten en AOW uitkeringslasten.

Het AOW-premiepercentage is gemaximeerd en bedraagt in alle jaren 17,9%. De premieontvangsten stijgen naar € 24,3 miljard in 2014 maar daarna dalen deze naar bijna € 22 miljard in 2017. Dit komt door de ontwikkelingen in de heffingskortingen die voor een deel in mindering worden gebracht op de bruto premieopbrengsten AOW. De heffingskortingen stijgen sterker dan de premiegrondslag AOW, ook omdat deze heffingskortingen extra zijn verhoogd in 2015 uit hoofde van het regeerakkoord. De AOW-uitkeringslasten stijgen daarentegen met name door de volume-ontwikkelingen en de indexatie van de uitkeringen. Door de verhoging van de AOW-leeftijd wordt de volumestijging van de AOW-uitgaven wel afgevlakt.

Tussen 2013 en 2017 neemt het aandeel van de premieontvangsten in de totale financiering met ongeveer 10% af van 70% naar 60%. Deze sterke daling is ongebruikelijk en wordt verklaard door de huidige economische situatie en door beleidskeuzes. In de komende jaren voorspelt het CPB dat de loonontwikkeling lager ligt dan de prijsontwikkkeling. Hierdoor dalen de premieontvangsten tussen 2015 en 2017. Op de lange termijn verwacht het CPB dat de premieontvangsten niet zullen dalen. Het aandeel van de premieontvangsten in de totale financiering van de AOW neemt nog steeds af, maar in een lager tempo dan in 2013–2017. In 2023 zal naar verwachting 55% uit premies worden gefinancierd en in 2040 nog ongeveer éénderde deel. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de premieontvangsten geheel afhankelijk zijn van lonen en werkgelegenheid. Deze zijn conjunctureel bepaald. De conjunctuur over tien jaar is moeilijk te voorspellen. Het CPB geeft dan ook geen ramingen van het BBP over tien jaar. In de genoemde ontwikkeling is daarom geen rekening gehouden met ontwikkelingen in de conjunctuur na 2017.

Vraag 72

Wat is de gemiddelde WW-duur?

Antwoord 72

De gemiddelde WW-duur in 2011 was 33 weken en in 2012 32 weken.

Vraag 73

Kan de regering cijfers geven van de instroom in de Wajong de afgelopen 5 jaar?

Antwoord 73

De tabel bevat de gevraagde informatie.

(x 1.000)

2008

2009

2010

2011

2012

Instroom Wajong

16,1

17,6

17,8

16,3

16,4

Bron: samengesteld uit UWV monitor arbeidsparticipatie 2012 en jaarverslag 2012 UWV.

2012 is het berekende 12-maandscijfer. In het UWV-jaarverslag is een 11,5 maandcijfer opgenomen.

Vraag 74

Gegeven het feit dat in het begrotingsakkoord de huishoudenstoeslag steiler wordt afgebouwd, heeft dit gevolgen voor de uitgaven in tabel 2.1.2.3, zoals voor de ouderencomponent in de huishoudenstoeslag?

Antwoord 74

De steilere afbouw van de huishoudentoeslag slaat gedeeltelijk neer in de zorgtoeslag, en gedeeltelijk in de ouderencomponent. Hierdoor wordt de reeks van de ouderencomponent in de huishoudentoeslag in tabel 2.1.2.3 als volgt:

Bedragen x mln €

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Ouderencomponent huishoudentoeslag in begroting

0

279

3.361

3.498

3.632

3.766

Ouderencomponent huishoudentoeslag na begrotingsafspraken 2014

0

279

3.316

3.450

3.582

3.716

Vraag 75

Kan de volgende zin worden toegelicht? «De uitkeringslasten van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen (MKOB) dalen in 2014 fors ten opzichte van 2013. Dit komt door de incidentele tegenvaller.»

Antwoord 75

De uitkeringslasten MKOB kenden in 2013 een incidentele tegenvaller van € 300 miljoen. Deze werd veroorzaakt door de invoering van de Regeling koopkrachttegemoetkoming niet-KOB-gerechtigden, die regelt dat een bedrag ter hoogte van de MKOB met terugwerkende kracht t/m juni 2011 werd toegekend en uitbetaald aan AOW-gerechtigden woonachtig in de EU/EER/Zwitserland, verdragslanden, Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius of Sint Maarten die geen recht hebben op de koopkrachttegemoetkoming op grond van de wet MKOB.

Vraag 76

Hoe kan het dat de uitgaven aan kinderopvangtoeslag in 2014 nagenoeg gelijk blijven aan de uitgaven in 2013 terwijl het gebruik van de kinderopvang daalt?

Antwoord 76

In de begroting 2014 is uitgegaan van een lichte daling van het aantal kinderen met kinderopvangtoeslag. De kosten per kind nemen in 2014 echter toe omdat de indexering van de maximum uurprijzen al is verwerkt in de begrotingsraming van de kinderopvangtoeslag. Het kabinet heeft overigens na verschijning van de begroting 2014 besloten om € 100 miljoen additioneel in te zetten ten behoeve van de kinderopvangtoeslag (Kamerstuk 31 322, nr. 220). Hierdoor zal naar verwachting ook het aantal kinderen in de kinderopvang toenemen.

Vraag 77

Wat is de verklaring voor de toename in het gebruik van buitenschoolse opvang (BSO) waarmee de toename in het gebruik van kinderopvang de komende jaren wordt verklaard?

Antwoord 77

Voor de raming van het gebruik van kinderopvang wordt er onder meer gekeken naar het aantal kinderen dat op dit moment gebruik maakt van de voorziening in relatie tot het aantal kinderen dat er in potentie gebruik van zou kunnen maken. De verwachting is dat er sprake is van een cohort-effect. Ouders die hun kinderen naar de dagopvang brengen zullen naar verwachting ook relatief vaak gebruik gaan maken van de bso-voorziening als de kinderen naar de basisschool gaan. De bso is ten opzichte van de dagopvang een relatief jonge voorziening. Het aanbod is naar aanleiding van de motie van Aartsen-Bos flink toegenomen en naar verwachting zullen ouders hun vraag hierop aanpassen.

Vraag 78

Waarom is het nodig om het kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt (buiten de huishoudentoeslag) naar boven te herijken terwijl het de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wel lukt om de zorgkosten te beheersen?

Antwoord 78

In de Miljoenennota 2014 is aangegeven dat de drie uitgavenkaders worden herijkt in samenhang met zowel de maatregelen uit het aanvullende beleidspakket (6 miljard pakket) als met de macro-economische doorwerking conform de MEV. Hierdoor treden verschuivingen tussen uitgavenkaders op, namelijk een opwaartse aanpassing van het kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt (SZA) en een neerwaartse aanpassing van de andere twee uitgavenkaders. Dit is aangegeven in de Miljoenennota 2014 en heeft te maken met:

  • het feit dat de tegenvallende werkloosheid alleen neerslaat in de sector SZA en de meevallende ruilvoet neerslaat in alle drie de uitgavensectoren;

  • het feit dat de kaders niet leidend zijn geweest bij de invulling van het 6 miljard pakket.

Hierdoor is in de Miljoenennota 2014 het kader SZA opwaarts aangepast en de andere twee kaders neerwaarts. Het kabinet heeft vervolgens na de Miljoenennota 2014 met de begrotingsafspraken 2014 nadere afspraken gemaakt die ook worden meegenomen in de herijking van de uitgavenkaders.

Overigens worden er ook onder het kader SZA verschillende maatregelen genomen. Het aanvullend pakket en de begrotingsafspraken 2014 bevatten € 1,5 miljard aan ombuigingen (in 2017). Het gaat hier onder andere om de huishoudentoeslag, het verlagen van de AO-tegemoetkoming en het verbeteren van de prikkelwerking in de WWB. Daar tegenover staan intensiveringen van € 0,5 miljard.

Vraag 79

Hoeveel mensen hebben gebruik gemaakt van de overbruggingsregeling? Hoeveel mensen verwacht de regering dat gebruik gaat maken van deze regeling?

Antwoord 79

In de begroting 2014 zijn de verwachtingen ten aanzien van het gebruik van en de uitgaven aan de overbruggingsregeling opgenomen. De verwachting is dat er een afnemend aantal van 35.800 personen in 2013 tot 3.600 personen in 2018 instroomt. In totaal verwacht het kabinet dat er ruim 120.000 personen gebruik zullen maken van de overbruggingsregeling.

De regeling is van kracht geworden per 1 oktober 2013 (met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013). Op dit moment worden de eerste aanvragen ontvangen en beoordeeld. De gegevens over het volledige jaar 2013 komen beschikbaar via het jaarverslag van de SVB over 2013 dat voor 15 mei 2014 aan uw Kamer zal worden verzonden.

Vraag 80

Wat is het budgettaire beslag van de koopkrachtenveloppe?

Antwoord 80

In de Miljoenennota 2014 is het budgettaire beslag van de koopkrachtenveloppe opgenomen in het aanvullend beleidspakket van € 6 miljard, zie blz. 72 Miljoenennota 2014 tabel 3.2.1 aanvullend beleidspakket. Het budgettaire beslag van de koopkrachtenveloppe bedraagt € 250 miljoen in 2014 en € 295 miljoen structureel.

Vraag 81

Voor welke doeleinden wordt de koopkrachtenveloppe ingezet?

Antwoord 81

De koopkrachtenveloppe is door het kabinet volledig belegd.

  • Bij de Miljoenennota 2014 is afgesproken dat de tegenvallers op de huurtoeslag van € 111 miljoen per jaar vanaf 2014 worden gecompenseerd uit de beschikbare koopkrachtenveloppe. Daarnaast wordt de koopkrachtenveloppe in 2014 ingezet voor een eenmalige uitkering voor mensen met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum (€ 70 miljoen).

  • In de begrotingsafspraken 2014 is het resterende budget van de koopkrachtenveloppe volledig ingezet binnen de kindregelingen (€ 69 miljoen in 2014 aflopend naar € 49 miljoen structureel) en als dekking voor de gemaakte afspraken over de begroting 2014 (€ 120 miljoen in 2015 en € 135 miljoen structureel).

2014

2015

2016

2017

structureel

Koopkrachtenveloppe

250

295

295

295

295

           

Invulling

         

a. huurtoeslag

– 111

– 111

– 111

– 111

– 111

b. eenmalige uitkering minima

– 70

       

c. begrotingsafspraken 2014 (dekking kindregelingen)

– 69

– 64

– 56

– 49

– 49

d. begrotingsafspraken 2014 (invulling taakstelling sociale zekerheid)

 

– 120

– 128

– 135

– 135

           

Saldo

0

0

0

0

0

Bron: Miljoenennota 2014 en begrotingsafspraken 2014

Vraag 82

Hoe verhoudt zich het percentage ziekteverzuim met andere landen?

Antwoord 82

Internationale vergelijkbaarheid van ziekteverzuimgegevens is lastig, omdat in veel landen in de regelgeving een verschillende definitie van verzuim wordt gehanteerd. Volgens het SCP zijn de verzuimgegevens verkregen via de European Working Conditions Survey (Eurofound 2011) het beste vergelijkbaar (zie SCP, 2012, Belemmerd aan het werk, Den Haag).

Uit dit onderzoek komt naar voren dat in 2010 8,3% van de Nederlandse werknemers meer dan vijftien dagen afwezig was wegens ziekte, terwijl het gemiddelde voor de EU27 op 7,5% lag. Nederland bevindt zich met dit percentage op een veertiende positie binnen de EU27. Een kanttekening hierbij is dat in Nederland en Scandinavische landen relatief veel mensen met gezondheidsbeperkingen deelnemen aan het arbeidsproces. Dit is goed voor de arbeidsparticipatie en welvaart, maar verklaart dus ook deels het bovengemiddeld verzuim in deze landen.

Hoewel er nog ruimte is voor verbetering, is de trend gunstig. In de meeste Europese landen is het aandeel personen dat heeft verzuimd in 2010 gestegen ten opzichte van 2000. Nederland laat daarentegen een daling zien en neemt daarmee in internationaal opzicht in 2010 een gunstiger positie in dan tien jaar daarvoor. Enkele ingrijpende wetswijzigingen lijken hun vruchten te hebben afgeworpen. Het gaat hierbij onder andere om de Wet verbetering Poortwachter en de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte.

Vraag 83

Hoe verhoudt de afname van het aantal inspecties zich met de intensivering van de opsporing en aanpak van schijnconstructies?

Antwoord 83

Als gevolg van de opgelegde taakstelling van het kabinet in de periode 2012–2015 daalt de formatie in deze jaren. De Tweede Kamer is in 2011 gemeld hoe deze reductie op taken voor de Inspectie SZW is ingevuld (Kamerstuk 32 500 XV, nr. 75). Op basis van de huidige inzichten heeft de Minister van SZW in het sociaal akkoord extra middelen ter beschikking gesteld voor bestrijding van schijnconstructies. Daarnaast zal de Inspectie SZW in 2014 met behulp van extra middelen de opsporing op grootschalige georganiseerde uitkeringsfraude tijdelijk intensiveren. Omdat het bij zowel schijnconstructies als de opsporing van grootschalige georganiseerde uitkeringsfraude om zeer arbeidsintensieve zaken gaat, zullen deze intensiveringen de afname in het aantal inspecties niet volledig compenseren.

De Inspectie SZW vergroot het effect van haar optreden door optimale organisatie van haar werkprocessen en een scherpere risicoanalyse en -selectie. Daardoor neemt het aantal bedrijven waar de inspectie handhavend optreedt toe. Door toepassing van de Wet aanscherping handhaving en sanctionering SZW wetgeving per 1 januari 2013 en de realisatie van de taakstelling neemt het absolute aantal inspecties af. De Inspectie SZW treedt tegelijkertijd wel effectiever op met een focus op notoire overtreders en zorgt voor minder belasting voor bedrijven die zich aan de wet houden.

Vraag 84

Hebben Pensioenfondsen een handhavende taak voor de inning van pensioenpremies in het geval de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) algemeen verbindend verklaard is?

Antwoord 84

De handhaving voor de inning van pensioenpremies door pensioenfondsen staat los van de omstandigheid of een cao al dan niet algemeen verbindend is verklaard. Pensioenen zijn voorzieningen met een eigen, door de Pensioenwet bepaald regime.

In de Pensioenwet is het volgende geregeld met betrekking tot de eisen inzake premiebetaling en de rol van pensioenfondsen daarbij. Artikel 26 bepaalt dat in de uitvoeringsovereenkomst tussen de werkgever en de pensioenuitvoerder wordt vastgelegd hoe de betaling van de premies door de werkgever aan de pensioenuitvoerder geschiedt. In artikel 28 is bepaald dat het pensioenfonds in bepaalde situaties van premieachterstand verplicht is elk kwartaal schriftelijk de deelnemersraad (en bij het ontbreken daarvan de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden) en de OR van de betreffende onderneming hierover te informeren. Het gaat om situaties waarin sprake is van een premieachterstand ter grootte van 5% van de totale door het pensioenfonds te ontvangen jaarpremie en situaties waarin niet voldaan is aan de geldende eisen inzake het vereist eigen vermogen.

Met betrekking tot beroepspensioenfondsen is de melding inzake premieachterstand en tekort minimaal vereist eigen vermogen geregeld in artikel 38 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Vraag 85

Klopt het dat er in een aantal sectoren door het grensoverschrijdend werken een stevige concurrentie wordt gevoerd op de aanvullende arbeidsvoorwaarden? Is er een trend waarneembaar dat bedrijven zich niet meer aansluiten bij brancheorganisaties vanwege deze internationale concurrentiestrijd? Zo ja, betekent dat de 60% norm hierdoor niet meer wordt gehaald en bijvoorbeeld de pensioenafspraken niet algemeen verbindend kunnen worden verklaard?

Antwoord 85

Het Ministerie van SZW constateert geen algemene trend dat bedrijven zich niet meer aansluiten bij brancheorganisaties. Indien bedrijven zich in mindere mate zouden verenigen, dan kan de verplichtstelling van bedrijfstakpensioenfondsen en de algemeen verbindend verklaring van cao’s onder druk komen te staan. Dit is momenteel dus niet aan de orde.

Wel wordt geconstateerd dat onder invloed van de crisis in een aantal sectoren sprake is van een aanzienlijke concurrentie die een neerwaartse druk op de arbeidsvoorwaarden geeft. Door loonverschillen tussen landen kan deze druk toenemen. Met het Actieplan schijnconstructies wordt oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden aangepakt.

Vraag 86

Kan de regering een overzicht verschaffen van de mate waarin uitkeringen in het kader van de Inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA) en de Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA) via cao-afspraken worden aangevuld? Kan de regering in dit overzicht ook de volgende zaken meenemen: cijfers over de hoogte van de aanvullingen, het aantal cao’s dat dergelijke afspraken bevat, het aantal mensen met een IVA- en WGA-uitkering dat een bovenwettelijk aanvulling ontvangt, de hoogte van deze aanvullingen en de impact van de bovenwettelijke aanvullingen op de prikkel tot (meer) benutting van de resterende arbeidscapaciteit?

Antwoord 86

Over een aanvulling op de IVA-uitkering zijn in 25 van de 100 onderzochte, grootste cao’s afspraken gemaakt. De uitkering plus aanvulling varieert van 80–100% van het salaris. De duur varieert van 1 tot 5 jaar. Wat de WGA-uitkering betreft kunnen twee situaties worden onderscheiden: een aanvulling bij een arbeidsongeschiktheid van 35–80%, en een aanvulling bij niet duurzame arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. In 45 cao’s is een afspraak opgenomen over een aanvulling van de WGA-uitkering bij een arbeidsongeschiktheidpercentage van 35–80%. In 35 cao’s is afgesproken de WGA-uitkering aan te vullen bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer. In beide gevallen varieert de uitkering plus aanvulling van 75–100%; de duur varieert van 2 tot 5 jaar. (Bron: Cao-afspraken 2011, oktober 2012).

Het Ministerie van SZW heeft geen informatie over het aantal mensen dat een bovenwettelijke aanvulling ontvangt, de hoogte van deze aanvullingen en over de impact daarvan op de prikkel tot (meer) benutting van de resterende arbeidscapaciteit.

Vraag 87

Kan de regering aangeven in hoeveel cao’s afspraken zijn gemaakt om in het tweede ziektejaar meer dan 70% van het laatstverdiende loon door te betalen, inclusief de mate van aanvulling? Welk percentage van de werknemers valt onder cao-afspraken waarbij in het tweede ziektejaar meer dan 70% van het laatstverdiende loon wordt betaald?

Antwoord 87

In 68 van de 100 onderzochte cao’s is afgesproken dat in het tweede ziektejaar meer dan 70% van het laatstverdiende loon kan worden doorbetaald. Het is niet bekend hoeveel werknemers hieronder vallen. De aanvulling loopt uiteen van 5% tot 30% van het loon. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in deze cao’s niet altijd het loon volledig wordt doorbetaald gedurende het eerste ziektejaar.

Vraag 88

In hoeveel cao's wordt geen gebruik gemaakt van de laagste loonschalen? Welk percentage van de werknemers valt daaronder? Hoe ziet de ontwikkeling in de laatste jaren eruit? Heeft de regering indicaties dat sociale partners hier verandering in gaan brengen?

Antwoord 88

In 2011 kenden 33 van de 62 onderzochte cao’s een loonschaal op 100% WML. Deze cao’s zijn van toepassing op 66% van de werknemers onder de onderzochte cao’s. 10 cao’s kenden een loonschaal tussen 100–105% WML. Deze cao’s zijn van toepassing op 11% van de werknemers onder de onderzochte cao’s. (Bron: Cao-afspraken 2011, oktober 2012; aangevuld met analyses op gebruikte databestanden). Gemiddeld bedraagt het verschil tussen het WML en het laagste loon in de laagste loonschaal circa 3%. Dit percentage is de laatste jaren vrij stabiel.

Vraag 89

In hoeveel cao's is nog steeds 65 jaar opgenomen als moment voor leeftijdsontslag (in plaats van de AOW-gerechtigde leeftijd)? Hoeveel procent van de werknemers valt daaronder?

Antwoord 89

Van de 100 onderzochte, grootste cao’s zijn er 79 waarin de ontslagleeftijd is gekoppeld aan de AOW-gerechtigde leeftijd. Van de overige 21 cao’s zijn er 6, waarin in het principeakkoord voor een nieuwe cao is afgesproken de ontslagbepaling aan te passen aan de gewijzigde AOW-wetgeving (van deze 6 cao’s is de nieuwe cao nog niet bij het Ministerie van SZW aangemeld). Deze 85 cao’s hebben betrekking op 91,8% van de werknemers onder de onderzochte cao’s. Van de resterende 15 cao’s zijn er 10 waarvan de expiratiedatum is verstreken, maar waarvoor nog geen nieuw akkoord bekend is (7,8% van de werknemers). In de overige 5 cao’s sluit het leeftijdsontslag niet aan bij de gewijzigde AOW-wetgeving. In deze cao’s wordt nog steeds de leeftijd van 65 jaar genoemd (4 cao’s) of volgt automatisch ontslag op de eerste dag van de maand van het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd (1 cao).

Vraag 90

Kan de regering aangeven hoeveel van de cao’s die zijn gesloten, algemeen verbindend zijn verklaard?

Antwoord 90

Per 1 april 2012 zijn er in totaal 700 reguliere arbeidsvoorwaardencao’s. Het gaat om 504 ondernemings-cao’s en 196 bedrijfstak-cao’s. Van de bedrijfstak-cao’s zijn er 74 algemeen verbindend verklaard. (Bron: Cao-afspraken 2011, oktober 2012).

Vraag 91

Kan de regering een overzicht geven van de ontwikkeling van het aantal dispensatieverzoeken voor een cao in de afgelopen vijf jaar?

Antwoord 91

In de periode van 1 januari 2007 t/m 31 december 2012 zijn in totaal 144 dispensatieverzoeken bij het Ministerie van SZW ingediend. Hiervan zijn er 31 in 2007, 35 in 2008, 27 in 2009, 21 in 2010, 25 in 2011 en 5 in 2012 ingediend.

De meeste dispensatieverzoeken zijn afkomstig uit de sector Zakelijke dienstverlening (38), waarvan de meeste verzoeken voor rekening kwamen van de Uitzendsector. De verdeling over de overige sectoren was als volgt: Handel & Horeca (27), Vervoer & Communicatie (27), Industrie (26), Bouw (21), Overige dienstverlening (5), Landbouw & Visserij (-). In de sector Landbouw & Visserij is tot nu toe geen enkel dispensatieverzoek gedaan.

Vraag 92

Kan de regering voor 2013 ook aangeven hoeveel dispensatieverzoeken zijn toegekend? Kan de regering tevens voor 2013 aangeven hoeveel bezwaren er zijn gemaakt tegen besluiten over dispensatieverzoeken en hoeveel daarvan zijn toegekend?

Antwoord 92

Tot november 2013 zijn 9 dispensatieverzoeken ingediend bij het Ministerie van SZW. Hiervan zijn 8 verzoeken toegewezen en is 1 verzoek afgewezen. Tegen bovenstaande dispensatiebeschikkingen is 6 keer bezwaar gemaakt. Er zijn nog geen beslissingen op bezwaar genomen, omdat de bezwaren zeer recent zijn ingediend.

Vraag 93

Gegeven het feit dat een cao aan een meerderheidsvereiste moet voldoen voordat de cao algemeen verbindend verklaard kan worden (de cao-bepalingen moeten gelden voor een belangrijke meerderheid van de bedrijfstak), kan de regering de Kamer informeren over het gemiddelde percentage van vertegenwoordigde partijen bij de gesloten cao’s?

Antwoord 93

De cijfermatige gegevens over de belangrijke meerderheid in de bedrijfstak hoeven alleen aangeleverd te worden in geval van een verzoek tot algemeen verbindendverklaring (avv). Voor de overige bedrijfstak-cao’s zijn dus geen representativiteitspercentages bekend. De representativiteit wordt als volgt berekend: het aantal personen werkzaam bij werkgevers gebonden door de cao, die naar de aard van hun functie respectievelijk werkzaamheden – met inachtneming van artikel 14 van de Wet Cao – binnen de werkingssfeer van de cao vallen, uitgedrukt in een percentage van het totaal aantal personen, dat binnen de werkingssfeer van de cao zou vallen. Voor de cao’s die in de periode vanaf 2010 tot en met nu zijn avv’d, is sprake van een gemiddeld representativiteitspercentage van 76%.

Vraag 94

Gegeven het feit dat het meerderheidsvereiste is gebaseerd op de representativiteit van de werkgevers en het representativiteitsvereiste los staat van het ledental van de vakbonden die de cao sluiten, kan de regering de Tweede Kamer informeren over het percentage van het aantal werknemers van een bedrijfstak die vertegenwoordigd werden via de vakbonden die de cao’s hebben gesloten?

Antwoord 94

De Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden van 2011 geeft een overzicht van de percentages werknemers dat in een bepaalde bedrijfstak lid is van een vakbond. Deze bedrijfstakindeling valt niet samen met de werkingssferen van cao's.

  • landbouw en visserij: 11,9%

  • industrie: 30,4%

  • bouwnijverheid: 33,9%

  • handel: 12,6%

  • vervoer en opslag: 36,0%

  • horeca: 16,4%

  • informatie en communicatie: 16,5%

  • financiële instellingen: 13,8%

  • zakelijke dienstverlening: 15,9%

  • openbaar bestuur: 42,1%

  • onderwijs: 33,2%

  • gezondheids- en welzijnszorg: 23,7%

  • cultuur en overige dienstverlening: 22,4%.

Overigens zij erop gewezen dat vakbonden in beginsel alle werknemers vertegenwoordigen die betrokken zijn bij afspraken over arbeidsvoorwaarden.

Vraag 95

Kan de regering de Kamer informeren over wat de mogelijkheden zijn voor niet-vakbondsleden om vertegenwoordigd te worden bij cao-onderhandelingen, behalve lid te worden van een vakbond?

Antwoord 95

Voor de versterking van het draagvlak van cao’s is het goed dat cao-partijen de niet-vakbondsleden betrekken bij de cao-onderhandelingen. Dit gebeurt op verschillende manieren. Soms wordt bijvoorbeeld via internet aan alle werknemers in een bedrijfstak gevraagd wat hun cao-wensen zijn. Het komt bijvoorbeeld ook voor dat werkgevers informatie over de nieuw te vormen cao op verzoek van de vakbond(en) aan alle werknemers sturen. Ook organiseren vakbonden – al dan niet in samenwerking met ondernemingsraden – bijeenkomsten waar alle werknemers aan deel kunnen nemen. Het SER-advies «Verbreding draagvlak cao-afspraken» van augustus 2013 beschrijft meerdere manieren waarop ook niet-leden worden betrokken. Het kabinet zal binnenkort met een reactie komen op dit advies.

Vraag 96

Kan de regering aangeven welke mogelijkheden niet-vakbondsleden hebben, wanneer zij niet onder de cao van hun bedrijfstak willen vallen.

Antwoord 96

De aan de cao gebonden werkgever is gehouden de cao toe te passen op de arbeidsovereenkomst met al zijn werknemers. Vakbondsleden en niet-leden kunnen samen met de werkgever aan de cao-partijen dispensatie vragen voor de toepassing van de cao of delen daarvan. Omdat cao’s in de regel minimumbepalingen bevatten staat het werknemers en werkgevers doorgaans vrij om in voor de werknemer gunstige zin af te wijken van de cao.

Vraag 97

Kan de regering aangeven wat voor gevolgen zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) ondervinden van bestaande cao’s in hun bedrijfstak?

Antwoord 97

Zzp’ers vallen in de regel niet onder cao’s. Enkele cao’s bevatten bepalingen die van toepassing zijn op zzp’ers. Volgens de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst kan een cao ook van toepassing zijn op aannemingen van werk en overeenkomsten van opdracht. Daarmee is mogelijk gemaakt dat sociale partners afspraken maken waarmee kan worden voorkomen dat de arbeidsvoorwaarden die gelden voor werknemers worden ontdoken door het inzetten van zzp’ers. Dergelijke cao-bepalingen hebben alleen betrekking op de aan de cao gebonden werkgever die naast zijn werknemers ook een of meerdere zzp’ers inhuurt. De bepalingen kunnen ook dienen ter bescherming van zzp’ers, zoals bepalingen over het door de werkgever of opdrachtgever beschikbaar stellen van beschermingsmiddelen.

Vraag 98

Kan de regering ingaan op de invloed van cao’s bij een werkgever waarvoor faillissement dreigt? Klopt het cao’s de oplossing waarbij werknemers vrijwillig salaris inleveren, zodat zij hun baan kunnen behouden, mogelijk belemmeren? Of zijn individuele bedrijven en werknemers in dat soort situaties altijd vrij om gezamenlijk afspraken te maken over het inleveren van loon in plaats van een baangarantie?

Antwoord 98

Het is aan cao-partijen om in geval van een crisissituatie afspraken te maken over de toekomst van het bedrijf, het behoud van werkgelegenheid en het eventueel herverdelen van arbeid. Bij dreigend faillissement kan een sociaal plan in de vorm van een cao worden opgesteld door cao-partijen. Hiermee worden de rechten en plichten van de werkgever en de werknemers bij faillissement vastgelegd. Dit kan bijvoorbeeld gaan over van-werk-naar-werk, omscholing, loopbaanbegeleiding of een ontslagvergoeding. Ook zonder sociaal plan bieden cao’s de nodige ruimte en mogelijkheden. Dit komt omdat cao’s in de regel minimumbepalingen bevatten. Zo kunnen werknemers bijvoorbeeld de keuze maken om al dan niet tijdelijk minder te gaan werken. Individuele bedrijven en werknemers kunnen dus binnen de marges van de cao gezamenlijk afspraken maken. Cao’s bevatten daarnaast dispensatieregelingen waarop werkgevers een beroep kunnen doen als zij in crisissituaties afspraken willen maken die onder het minimumniveau van de cao liggen.

Vraag 99

Hoe vaak is de mobiliteitsbonus uitgekeerd? Wat is de bekendheid van de mobliliteitsbonus bij werkgevers?

Antwoord 99

De mobiliteitsbonus voor het in dienst nemen van uitkeringsgerechtigden van 50 jaar of ouder en arbeidsgehandicapte werknemers is per 1 januari 2013 ingevoerd. De mobiliteitsbonus is de opvolger van de daarvoor bestaande premiekorting. De meest recente cijfers over het aantal lopende premiekortingen zijn van september 2012. Op dat moment maakten circa 31.000 werknemers gebruik van de premiekorting voor uitkeringsgerechtigden van 50 jaar of ouder en maakten circa 25.000 werknemers gebruik van de premiekorting voor arbeidsgehandicapten.

Uit onderzoek van SEO (2012, Wat maakt oudere werknemers aantrekkelijk?, blz. 14) blijkt dat de premiekorting voor uitkeringsgerechtigden van 50 jaar of ouder bij bijna 60% van de werkgevers bekend is. Onderzoek van Regioplan (2011) wijst uit dat 72% van de werkgevers die Wajonggerechtigden in dienst hebben, bekend is met de premiekorting voor arbeidsgehandicapten. Onder werkgevers die geen Wajonggerechtigden in dienst hebben, is de bekendheid met de premiekorting voor arbeidsgehandicapten 45% (Regioplan beleidsonderzoek (2011), Een Wajonger in mijn bedrijf?! Een onderzoek naar de attitude, ervaringen en bereidheid van werkgevers om een Wajonger in dienst te nemen en te houden, blz. 18).

Vanaf het najaar van 2012 zijn er verschillende acties ondernomen om meer bekendheid te geven aan de mobiliteitsbonus. De Belastingdienst heeft alle werkgevers geïnformeerd over alle wijzigingen per 1 januari 2013, waaronder de mobiliteitsbonussen. Daarnaast heeft de Belastingdienst intermediairdagen voor belastingadviseurs en accountants georganiseerd, waarbij aandacht is besteed aan wijzigingen op het gebied van de mobiliteitsbonussen. Verder zijn de mobiliteitsbonussen opgenomen in het handboek loonheffingen voor 2013. Dit handboek is beschikbaar voor alle werkgevers. Bovendien hebben UWV en de Belastingdienst via de gebruikelijke kanalen aandacht besteed aan de mobiliteitsbonus, zoals op de website van beide organisaties. Ook informeert SZW via www.antwoordvoorbedrijven.nl over regelingen voor werkgevers.

Vraag 100

Welke ontheffingen van arbeids- en re-integratieverplichtingen bestaan in de Wwb? Kan de regering per ontheffing toelichten hoeveel mensen hiervan gebruik maken? Wat zijn de gevolgen van het opheffen van deze ontheffingen voor de werkgelegenheid en wat zijn hiervan de budgettaire gevolgen?

Antwoord 100

Gemeente hebben op grond van artikel 9 van de WWB de mogelijkheid om ontheffingen te geven. Dat kan zijn voor dringende redenen (waaronder bijvoorbeeld zorgtaken), maar bijvoorbeeld ook vanwege de zorg voor kleine kinderen. Er is geen overzicht van ontheffingen gedetailleerd per reden.

Uit CBS-cijfers blijkt dat het aandeel van bijstandsgerechtigden met een ontheffing van de arbeidsplicht afneemt van 35% in 2008 tot 22% in 2012. Deze trend wil de regering stimuleren omdat de regering ervan uit gaat dat wie kan werken, niet van een uitkering afhankelijk hoort te zijn. In de begroting 2014 is aangegeven welke WWB-beleidswijzigingen in 2014 te verwachten zijn. Het betreft hier onder meer aanpassing van de algemene arbeids- en re-integratieplicht, waardoor de ontheffing van de arbeidsplicht niet langer een recht is waarop een beroep gedaan kan worden, maar dat het aan de beoordeling (maatwerk) van de gemeente is om wel of geen ontheffing te verlenen. Een besparing van € 3 miljoen in 2014 oplopend tot € 15 miljoen structureel volgt uit deze maatregel.

Vraag 101

Kan de regering toelichten op welke wijze de Kamer wordt geïnformeerd over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid uit beleidsartikel 2 Bijstand, Toeslagenwet en Sociale werkvoorziening in de periode 2014–2018?

Antwoord 101

De regering is voornemens om met de vierde nota van wijziging van de Participatiewet de Tweede Kamer een plan van aanpak toe te zenden voor de monitor en de evaluatie van de Participatiewet. Hierin staan de onderzoeken en de rapportages aan uw Kamer weergegeven. In 2018 zal de Tweede Kamer tevens worden geïnformeerd over de resultaten van de beleidsdoorlichting van artikel 2. Het moment van de beleidsdoorlichting is zodanig gekozen dat er een tussentijdse evaluatie van de Participatiewet beschikbaar is op basis waarvan een beeld gegeven kan worden van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de bijstand en Wsw. Op dit moment zijn er nog geen concrete onderzoeken met betrekking tot de Toeslagenwet gepland.

Vraag 102

Hoe gaat de regering meten of de middelen voor intensivering armoede- en schuldenbeleid effectief worden ingezet?

Antwoord 102

Het grootste deel van deze middelen zal beschikbaar gesteld worden aan gemeenten die primair verantwoordelijk zijn voor het armoede- en schuldenbeleid. De verantwoording over de effectiviteit van de inzet van deze extra middelen vindt – zoals te doen gebruikelijk bij middelen die worden toegevoegd aan het gemeentefonds – plaats aan de gemeenteraad. In overleg met de VNG en andere bij het armoedebeleid betrokken partijen zal de Staatssecretaris van SZW in het kader van kennisuitwisseling bekijken op welke wijze «best practices» gedeeld kunnen worden.

Vraag 103

Wanneer en welke formele rol heeft de Tweede Kamer bij het vaststellen van de nieuwe verdeelsystematiek van het budget voor bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (BUIG-budget)? Welke regelgeving moet nu precies worden aangepast? Wordt bij de nieuwe verdeelsystematiek een positieve financiële prikkel voor gemeenten ingebouwd die ervoor zorgt dat gemeenten beloond worden als ze zorgen voor maximale schadelastbeperking in plaats van gekort op het budget? Wordt er rekening mee gehouden met een evenredige verdeling van het nieuwe budget komt, om te voorkomen dat minder verstedelijkte gebieden in verhouding het meest getroffen wordt bij de bezuinigingen?

Antwoord 103

De Staatssecretaris zal, zoals aangegeven in haar brief van 16 oktober 2013 (Kamerstuk 30 545, nr. 132), in het voorjaar van 2014 een keuze maken voor een van de uitgewerkte varianten voor een verbeterd verdeelmodel, de Tweede Kamer daarover informeren en met uw Kamer in gesprek gaan. Vervolgens wordt de regelgeving aangepast. De aanpassing betreft in ieder geval het Besluit WWB 2007 en de Regeling WWB, IOAW en IOAZ. In de verkenningsfase van het onderzoek, waarover uw Kamer bij brief van 2 november 2012 (Kamerstuk 30 545, nr. 116) is geïnformeerd, is een lijst met beoordelingscriteria opgesteld aan de hand waarvan de verschillende varianten worden beoordeeld. Naast het uitgangspunt van prikkelwerking is daarin ondermeer ook het criterium rechtvaardigheid (in welke mate zien gemeenten hun relatieve prestaties terug in het financiële resultaat?) opgenomen. Dit betekent dat gemeenten die beter presteren dan gemiddeld hier financieel voordeel van zullen ondervinden en gemeenten die minder presteren dan gemiddeld financieel nadeel. Evenals in de huidige verdeelsystematiek is het streven de middelen zoveel mogelijk te verdelen op basis van objectieve kenmerken. Ook zal rekening worden gehouden met hoe de nieuwe doelgroep van de Participatiewet is verdeeld over gemeenten.

Vraag 104

Hoe vindt de uitvoering van de eenmalige koopkrachtuitkering plaats?

Antwoord 104

De uitvoering van deze regeling wordt bij gemeenten belegd. Op het ogenblik vindt er overleg plaats met de VNG en diverse gemeenten over de wijze van uitvoering van de eenmalige koopkrachttegemoetkoming in 2014.

Vraag 105

Op welke wijze hebben kenniscentra een centrale rol bij de uitvoering van de sectorplannen?

Antwoord 105

Zie het antwoord op vraag 19.

Vraag 106

Zijn er voorbeelden van sectoren die huiverig zijn om te participeren aan initiatieven ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid vanwege voorgenomen bezuinigingen op de kenniscentra?

Antwoord 106

Het kenniscentrum Grafimedia en het kenniscentrum Kenwerk (horeca, bakkerij, reizen, recreatie en facilitaire dienstverlening) hebben de Minister van SZW in relatie tot de sectorplannen geïnformeerd over het advies van de Stichting Beroepsonderwijs Bedrijfsleven aan de Minister van OCW over de invulling van de voorgenomen bezuiniging op de kenniscentra.

Vraag 107

Welke rol spelen sectorale kenniscentra bij de uitvoering van sectorale plannen?

Antwoord 107

Zie het antwoord op vraag 19.

Vraag 108

Verandert er iets aan de financiering van sectorale kenniscentra?

Antwoord 108

Ja, in het regeerakkoord is met ingang van 2015 een taakstellende bezuiniging ingeboekt die in 2016 oploopt naar 80% van het huidige budget van de kenniscentra. Om hier invulling aan te geven heeft de Minister van OCW de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) advies gevraagd over het toekomstige samenwerkingsmodel beroepsonderwijs bedrijfsleven inzake de wettelijke taken van de kenniscentra. De Minister van OCW heeft haar waardering uitgesproken over het inmiddels ontvangen advies en heeft op een aantal punten een nadere uitwerking gevraagd.

Vraag 109

De 50 mln ter bestrijding van jeugdwerkloosheid helpt om partijen te verbinden, aansluiting te verbeteren etc. Wat zijn concrete doelen die aan de ambassadeur jeugdwerkloosheid zijn meegegeven?

Antwoord 109

In aanvulling op de middelen die het kabinet investeert in de arbeidsmarkt en het onderwijs, die ertoe bijdragen jeugdwerkloosheid te bestrijden en te voorkomen, heeft het kabinet € 50 miljoen extra ingezet voor de aanpak van de jeugdwerkloosheid. Hiervan zet het kabinet € 25 miljoen in voor de aanpak van de jeugdwerkloosheid in de 35 arbeidsmarktregio’s. Daarbovenop is nog eens € 30 miljoen beschikbaar gesteld vanuit ESF voor de regionale aanpak van jeugdwerkloosheid.

De andere € 25 miljoen zet het kabinet in voor het programma school ex, waarmee het samen met mbo-onderwijsinstellingen wil bewerkstelligen dat die mbo’ers voor wie de kansen op de arbeidsmarkt ongunstig zijn, kiezen voor een (vervolg)opleiding met een beter arbeidsmarktperspectief.

Daarnaast draagt de overheid financieel bij aan de sectorplannen, in totaal € 600 miljoen. In de begrotingsafspraken 2014 is afgesproken dat 1/3 van dit budget wordt ingezet voor maatregelen in sectorplannen ter bestrijding van jeugdwerkloosheid. In de begrotingsafspraken 2014 is tevens opgenomen dat de premiekortingsregeling voor uitkeringsgerechtigden wordt aangepast en meer gericht op het ondersteunen van de arbeidsmarktpositie van jongeren. In de begrotingsafspraken 2014 is hiervoor € 100 miljoen in 2014 en € 200 miljoen in 2015 gereserveerd.

Het kabinet heeft voor de duur van twee jaar een ambassadeur Aanpak Jeugdwerkloosheid aangesteld. De ambassadeur heeft voornamelijk als taak ervoor te zorgen dat de regionale en de sectorale aanpak elkaar versterken. Om te stimuleren dat een match ontstaat tussen de vacatures, stageplaatsen en leerwerkbanen die werkgevers beschikbaar stellen en de jongeren die op zoek zijn naar werk. Daarbij besteedt de ambassadeur bijzondere aandacht aan die jongeren die relatief hard worden getroffen door werkloosheid, zoals jongeren die op zoek zijn naar een stage of leerwerkbaan, jongeren zonder startkwalificatie en jongeren met een niet-westerse achtergrond. Naar aanleiding van de motie van het lid Van Weyenberg (Kamerstuk 29 544, nr. 443) maakt ook ondernemerschap onderdeel uit van de aanpak van jeugdwerkloosheid. De ambassadeur maakt deel uit van het Actieteam Crisisbestrijding dat is ingesteld door sociale partners en ondergebracht bij de Stichting van de Arbeid.

De ambassadeur voert haar taken uit door te stimuleren dat verantwoordelijke wethouders uit de 35 arbeidsmarktregio’s, lokale bestuurders van gemeenten, het onderwijs alsmede sectorale bestuurders tot afspraken en acties komen om jeugdwerkloosheid te bestrijden en te voorkomen.

Vraag 110

Hoeveel mensen hebben recht op de eenmalige uitkering voor mensen met een inkomen tot 110% sociaal minimum? Hoe hoog zijn de uitvoeringskosten van deze uitkering?

Antwoord 110

Er is een wetsvoorstel in voorbereiding dat begin 2014 aan uw Kamer zal worden aangeboden. Op het ogenblik vindt er overleg plaats met de VNG en diverse gemeenten over de uitwerking ervan. In de toelichting op dit wetsvoorstel zal nader worden ingegaan op de criteria en de omvang van de groep die recht krijgt op een eenmalige koopkrachttegemoetkoming in 2014.

In de begroting 2014 is een bedrag gereserveerd van € 70 miljoen voor de eenmalige koopkrachttegemoetkoming in 2014. Dit bedrag is voor uitkeringskosten en uitvoeringskosten. In de toelichting op het wetsvoorstel zal nader worden ingegaan op de onderverdeling van deze kosten.

Vraag 111

Hoe komt het dat de ramingen voor het BUIG-budget wat betreft de Wet werk en bijstand (WWB), de Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) wel toenemen tot en met 2018, maar het Besluit bijstandverlening zelfstandigen-levensonderhoud startende ondernemers gelijk blijft qua raming? Verwacht de regering meerjarig geen toename van starters die wellicht ook ondersteuning vanuit het BUIG-budget nodig hebben?

Antwoord 111

De ramingen voor het BUIG-budget voor de WWB, IOAW en IOAZ stijgen onder invloed van conjunctuur, realisaties en beleidswijzigingen. Voor het BBZ is er de laatste jaren een vrij stabiel volume van ca. 3.600 ondernemers die van de regeling gebruik maakt. Grofweg de helft hiervan betreft startende ondernemers die vanuit de uitkering een beroep doen op de bijstandsverlening voor levensonderhoud. Er zijn geen aanwijzingen dat dit de komende tijd substantieel zal veranderen. Eventuele veranderingen in realisaties worden in de ramingen verwerkt.

Vraag 112

Hoeveel gemeenten hebben in 2013 gebruik gemaakt van de Incidentele aanvullende uitkering (IAU) of de Meerjarige aanvullende uitkering (MAU)? Hoeveel gemeenten zijn dit in 2014?

Antwoord 112

In 2013 hebben 96 gemeenten een verzoek ingediend om een incidentele aanvullende uitkering over 2012 en 45 gemeenten een verzoek om een meerjarige aanvullende uitkering over de periode 2013–2015. Op deze verzoeken zal zoveel mogelijk voor het einde van het jaar worden beslist. Het aantal verzoeken dat in 2014 ingediend zal worden, is afhankelijk van de realisaties over 2013 en daarom nog niet bekend.

Vraag 113

Welke maatregelen worden genomen om de besparing op de WWB-uitgaven via de prikkelwerking en het aanscherpen van de alimentatie?

Antwoord 113

In de begrotingsafspraken 2014 is een besparing opgenomen van € 140 miljoen in 2015 oplopend tot € 180 miljoen vanaf 2016 voor prikkelwerking inkomensdeel WWB en aanscherpen alimentatie. In de afspraken is dit totaalbedrag niet onderverdeeld naar de afzonderlijke maatregelen. In de komende maanden worden deze maatregelen concreet gemaakt en nader uitgewerkt.

Vraag 114

Kunnen de cijfers onderbouwd worden die een stijging van de overtredingen aangeven maar een constant benadelingsbedrag?

Antwoord 114

Het aantal geconstateerde overtredingen is gestegen. Het totale benadelingsbedrag is nagenoeg gelijk gebleven. Een mogelijke verklaring is dat gemeenten er beter in slagen, om gebruikmakend van de mogelijkheden die bestandskoppelingen bieden, fraude eerder en vaker aan te pakken (met lagere fraudebedragen als gevolg). Gemeenten hebben extra aandacht besteed aan de invoering van de Wet Aanscherping Handhaving- en Sanctiebeleid SZW-wetten.

Vraag 115

Wijken de netto bedragen van de IOAW af van de bedragen in de bijstand? Zo ja, waarom?

Antwoord 115

De IOAW kent in tegenstelling tot de bijstand een bruto systematiek. De bijstand is een netto uitkering. De bruto grondslagen van de IOAW zijn wel afgeleid van de netto bijstandsbedragen. Derhalve wijken de netto bedragen van de (volledige) IOAW en de bijstand niet af. Echter de IOAW kan in sommige gevallen (bijvoorbeeld als voorheen in deeltijd is gewerkt) lager zijn. Mocht het totale gezinsinkomen netto toch minder bedragen dan het sociaal minimum, dan kan eventueel een beroep worden gedaan op aanvullende bijstand.

Vraag 116

Heeft de regering inzicht welke instrumenten het meest door gemeenten gebruikt worden van het participatiebudget?

Antwoord 116

Divosa verzamelt op basis van een enquête gegevens over de besteding van de gemeentelijke re-integratiemiddelen. Hieruit komt naar voren dat in het jaar 2012 48% van de middelen wordt besteed aan begeleidingstrajecten naar werk, 21% aan gesubsidieerde arbeid, 11% aan loonkostensubsidies, 8% aan sociale activering, 6% aan ondersteunende activiteiten en 4% aan beroepskwalificerende scholing.

De uitvoering van het re-integratiebeleid is gedecentraliseerd, zodat de gemeenten alle vrijheid hebben om de instrumenten in te zetten voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. In het verlengde daarvan is door het Rijk met gemeenten en VNG afgesproken terughoudend om te gaan met het vragen van informatie aan gemeenten. Deze afspraken zijn door BZK vastgelegd in de spelregels InterBestuurlijke Informatie. Het Rijk vraagt daarom zelf geen additionele informatie dan de reeds beschikbare over het gebruik van de verschillende re-integratie-instrumenten in het kader van het participatiebudget.

Vraag 117

Kan de regering toelichten of, en zo ja, welke streefwaarden er worden gehanteerd voor re-integratie?

Antwoord 117

De regering hanteert geen streefwaarden voor re-integratie. Het re-integratiebeleid wordt decentraal vormgegeven en er dient aan de gemeenteraad verantwoording te worden afgelegd. De regering bevordert een zo effectief mogelijke inzet van re-integratiegeld, onder andere doordat de wet eisen stelt aan de inzet van middelen uit het participatiebudget, door onderzoek te laten doen naar de effectiviteit van instrumenten, door kennis over effectieve inzet te delen en te verspreiden (Kamerstuk 28 719, nr. 76) en door in te zetten op vergroting van het vakmanschap. Via de kerncijfers re-integratie (tabel 2.12 van de begroting) wordt inzicht gegeven in de kwantitatieve prestaties van gemeenten.

Vraag 118

Kan de regering toelichten of, en zo ja, welke streefwaarden er worden gehanteerd voor de Wsw, naast de landelijke taakstelling van 90.804?

Antwoord 118

Conform de wet is er voor de Wsw één streefwaarde en dat is de taakstelling voor het aantal te realiseren plekken. Financiering is gekoppeld aan realisatie van een plek.

Vraag 119

Hoeveel bijstandsontvangers/niet-uitkeringsgerechtigden zijn in 212 gestart in een baan na re-integratie? Hoeveel van dit aantal is volledig uit de uitkering?

Antwoord 119

In 2012 zijn 56.290 bijstandsontvangers en 7.010 niet-uitkeringsgerechtigden gestart in een baan met re-integratieondersteuning in de zes maanden voorafgaand en/of gelijktijdig aan het starten van de baan, waarvan 18.690 respectievelijk 7.010 volledig uit de uitkering in de maand volgend op de start van de baan.

(bron CBS, «Aan het werk met re-integratieondersteuning. Vijfmeting, fase 2», 16 augustus 2013).

Vraag 120

Betekent het realiseren van 2.500 extra banen voor arbeidsgehandicapten in 2014 dat het cumulatieve aantal voor 2014 en 2015 naar 10.000 banen gaat?

Antwoord 120

In de begrotingsafspraken 2014 is afgesproken dat werkgevers in de marktsector het aantal extra banen in 2014 verdubbelen naar 5.000. Het klopt dat daarmee het aantal extra banen voor 2014 en 2015 cumulatief op 10.000 komt.

Vraag 121

In hoeveel procent van de cao's staat een loonschaal open op 100% wettelijk minimumloon (WML)? In hoeveel procent van de cao's staat een loonschaal open op een niveau lager dan 105% WML? Welk percentage van de werknemers valt onder een dergelijke cao?

Antwoord 121

Zie het antwoord op vraag 88.

Vraag 122

Hoeveel van de landelijke taakstelling (90.804 arbeidsjaren) wordt daadwerkelijk ingevuld? Hoe vallen de wachtlijsten te verklaren?

Antwoord 122

Jaarlijks stelt het Rijk middelen ter beschikking voor het realiseren van ten minste 90.804 arbeidsjaren. Deze middelen worden met een taakstellend aantal plekken verdeeld over de gemeenten. Landelijk gezien wordt de taakstelling van 90.804 plekken geheel gerealiseerd. Per individuele gemeente kan er sprake zijn van onder- of overrealisatie.

In tabel 2.13 van de begroting 2014 is aangegeven dat in 2012 op basis van deze middelen ruim 102.000 mensen via de Wsw aan het werk zijn. Het aantal mensen dat in aanmerking wil komen voor de Wsw en daarvoor een indicatie heeft is echter groter dan het aantal beschikbare arbeidsjaren. Dit veroorzaakt de wachtlijsten in de Wsw.

Vraag 123

Bestaan er wettelijke richtlijnen voor gemeenten hoe zij moeten omgaan met verrekening alimentatie en bijstand? Zo ja, hoe luiden die?

Antwoord 123

Ingeval de belanghebbende in de bijstand zelf rechtstreeks alimentatie ontvangt, worden deze aangemerkt als middelen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB. Op grond van artikel 58, vierde lid, van de WWB is de gemeente bevoegd tot verrekening van in de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen met de algemene bijstand.

Ingeval de belanghebbende in de bijstand wel recht heeft op alimentatie maar deze niet of in onvoldoende mate wordt betaald, kan de gemeente op grond van artikel 62 van de WWB de bijstand verhalen tot de grens van de onderhoudsplicht, bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Vraag 124

Op welke manier worden gemeenten gestimuleerd om bijstandsuitkeringen te beperken door middel van alimentatieregelingen? Hoeveel bijstand wordt bespaard als gevolg van alimentatieregelingen? Hoeveel gemeenten voeren hier actief beleid op? Kan de regering hier een overzicht van geven?

Antwoord 124

De WWB wordt decentraal uitgevoerd door gemeenten, die beleidsmatig en financieel verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze wet. Dit betekent dat gemeenten de prikkel hebben om betaling van alimentatie ten behoeve van de belanghebbende in de bijstand zoveel mogelijk te effectueren. Op deze wijze wordt voorkomen dat private lasten op publieke middelen worden afgewenteld. Op rijksniveau zijn geen actuele gegevens beschikbaar waaruit volgt hoeveel bijstand gemeenten besparen als gevolg van alimentatiebetalingen. Evenmin wordt er bijgehouden hoeveel gemeenten een actief beleid voeren in deze.

Vraag 125

Waarom wijken de netto AIO-bedragen af van de bijstandsuitkering?

Antwoord 125

Tot 2012 waren de bijstandsnormen voor ouderen (AIO) gekoppeld aan de netto AOW-bedragen. De netto AOW-bedragen waren hoger dan de bijstandsnormen voor personen jonger dan de pensioengerechtigden vanwege de ouderenkorting en de MKOB. Met ingang van 1 januari 2012 wordt de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon afgebouwd. Dit heeft een verlagend effect op de bijstand in vergelijking met de netto AOW omdat de AOW van deze maatregel is uitgezonderd. De bijstandsnormen voor ouderen konden vanaf dat moment niet meer gekoppeld blijven aan de AOW-bedragen. De indexering van de bijstandsnormen voor ouderen is daarom sindsdien gekoppeld aan de ontwikkeling van de bijstandsnormen voor personen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. Gezien het hogere startniveau van de algemene bijstand voor ouderen in 2012 blijft deze hoger dan die voor personen onder de pensioengerechtigde leeftijd.

Vraag 126

Kan de regering een actueel overzicht geven van de inkomensverdeling op Bonaire, Sint Eustatius en Saba, uitgesplitst naar gezinssamenstelling?

Antwoord 126

Een actueel overzicht van de inkomensverdeling op Bonaire, Sint Eustatius en Saba is nog niet beschikbaar. Het kabinet heeft het CBS gevraagd om deze informatie in kaart te brengen. Het CBS onderzoekt momenteel of de inkomensverdeling in kaart kan worden gebracht. Dit vergt vooronderzoek, waarvan de resultaten volgens planning medio 2014 beschikbaar komen.

Vraag 127

Lettend op het feit dat aan werknemers in Caribisch Nederland een inkomensvoorziening wordt geboden in geval van arbeidsongeschiktheid door een bedrijfsongeval en in de begroting hiervoor 649.000 euro wordt uitgetrokken, oplopend tot 819.000 euro in 2018, over hoeveel bedrijfsongevallen gaat dit per jaar? Waarom wordt dit niet gefinancierd door bedrijven of werknemers zelf met behulp van een verzekering, zoals in Nederland gebruikelijk is?

Antwoord 127

In aanloop naar de transitie is de afspraak gemaakt dat de wet- en regelgeving van de Nederlandse Antillen van kracht blijft na 10 oktober 2010. In de Nederlandse Antillen was de Landsverordening Ongevallenverzekering van kracht, waarin bepaald was dat een werknemer, die als gevolg van het ongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt, recht heeft op ongevallengeld van de SVB Nederlandse Antillen. De Landsverordening is op de transitiedatum omgezet in de Wet Ongevallenverzekering BES (OV BES), waarin dezelfde bepaling is opgenomen, met dien verstande dat de uitkering nu door de Minister wordt verstrekt. Overigens dragen de werkgevers wel premie af voor de ongevallenverzekering.

Het aantal bedrijfsongevallen bedraagt volgens een voorzichtige schatting ongeveer 150 per jaar. Dit zijn de ongevallen die bij SZW bekend zijn doordat een beroep is gedaan op de OV BES.

Vraag 128

In hoeveel cao’s bestaat een bovenwettelijke aanvulling bij loondoorbetaling tweede ziektejaar? Hoeveel procent is dat?

Antwoord 128

Zie het antwoord op vraag 87.

Vraag 129

Kan de regering aangeven wat de mogelijkheden en bezwaren zijn om binnen de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) onderscheid te maken tussen het «risque professionel» en het «risque social»? Kan de regering hierbij ook ingaan op de mogelijkheden om het «risque social» privaat te verzekeren?

Antwoord 129

Met betrekking tot de eerste vraag is van belang dat het uitgangspunt van het arbeidsongeschiktheidsbeleid sinds de invoering van de WAO (1967) is dat niet beslissend is hoe iemand arbeidsongeschikt is geraakt, maar dat iemand arbeidsongeschikt is. Daarom wordt in de Nederlandse arbeidsongeschiktheidsregelingen geen onderscheid gemaakt tussen het «risque professionnel» en het «risque social». De hoogte van de uitkering is, onder verder gelijke omstandigheden, in beide gevallen gelijk. Ook de financiële lasten voor de werkgever zijn hetzelfde. De gedachte hierachter is dat een werkgever voor de ene arbeidsongeschikte werknemer niet meer re-integratie-inspanningen zal verrichten dan voor de andere arbeidsongeschikte werknemer. In een systeem van «risque professionel» zal de werkgever vooral aandacht hebben voor de preventie van arbeidsongevallen, terwijl een systeem van «risque social» vooral voor de arbeidsongeschikte zelf prikkels bevat, vanwege een lagere uitkering.

Behalve de principiële gedachte die hierachter zit, zijn er ook praktische redenen om het onderscheid niet te maken. Zo dient lineair de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid bepaald te worden. Bij de meeste ziekten is dat moeilijk vast te stellen. De meeste aandoeningen zijn immers veroorzaakt door vele, vaak moeilijk lineair te traceren factoren, die zowel te maken kunnen hebben met de uitoefening van het beroep als buiten de arbeid gelegen factoren, zoals leefgewoonten. Voorts kan er ook bij arbeidsongevallen en -ziekten soms een tijd liggen tussen het ongeval en het moment waarop het letsel zich openbaart.

De tweede vraag is of er redenen zijn om het «risque social» privaat te verzekeren. Zoals hierboven uiteengezet ziet het kabinet geen redenen om onderscheid te maken tussen het «risque professionel» en het «risque social». Afzonderlijke private verzekering van het «risque social» is in deze visie niet aan de orde.

Vraag 130

Kan de regering aangeven hoeveel mensen er zitten in de WGA 35–80, 80+ en de IVA?

Antwoord 130

Zoals blijkt uit tabel 3.4 van de begroting (blz. 58) ontvingen ongeveer 43.000 mensen een IVA-uitkering ultimo 2012 en wordt een stijging verwacht naar 59.000 mensen ultimo 2014. Het aantal mensen met een WGA-uitkering bedroeg ongeveer 119.000 ultimo 2012, met een verwachte stijging naar 154.000 ultimo 2014. Uit cijfers van het UWV blijkt dat ruim 70% van de lopende WGA-uitkeringen ultimo 2012 betrekking had op volledig arbeidsongeschikten (ongeveer 85.000 uitkeringen).

Vraag 131

Wat verklaart de (relatief grote) stijging van de WGA-uitgaven?

Antwoord 131

De stijging van de WIA-lasten, en als onderdeel hiervan de WGA-uitgaven, is inherent aan de ingroei van deze relatief nieuwe regeling. Aangezien de WIA-instroom de komende jaren groter is dan de WIA-uitstroom stijgen de uitkeringslasten van de WGA en de IVA. Tegelijkertijd zien we overigens een daling van de WAO-uitgaven.

Vraag 132

Kan de regering een overzicht geven van de budgettaire gevolgen van het beperken van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen tot maximaal 70% van het laatstverdiende loon/wettelijk minimumloon?

Antwoord 132

De verschillende arbeidsongeschiktheidsregelingen (WAO, WAZ, Wajong en de IVA) kennen voor volledig arbeidsongeschikten een uitkeringshoogte van 75% van het geldende dagloon. Voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten in de WIA, WAO, WAZ en Wajong is de uitkeringshoogte onder andere afhankelijk van het arbeidsongeschiktheidspercentage en het geldende dagloon.

In de begroting 2014 worden de uitkeringspercentages niet beperkt. Een beperking van de uitkeringshoogte van de AO-uitkeringen (WAO, WAZ, IVA, WGA en Wajong) naar 70% van het laatstverdiende loon / wettelijk minimumloon zou een structurele besparing van ca. € 0,4 miljard betekenen.

Vraag 133

Waarom is op data.overheid.nl geen enkele dataset van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beschikbaar?

Antwoord 133

SZW hecht aan een transparante overheid en daarmee ook aan vrij toegankelijke data en datasets. Veel van de gegevens die SZW uitvraagt zijn al publiek toegankelijk. SZW biedt verder een jaaroverzicht beleidsinformatie aan de TK aan (die terug te vinden is op rijksoverheid.nl) en UWV (zie antwoord vraag 25) en SVB hebben een aantal datasets op hun website ontsloten. Deze datasets kunnen op data.overheid.nl gezet worden. SZW heeft gegevens uit Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen al als open data beschikbaar op https://data.overheid.nl/data/dataset/gegevens-kinderopvanglocaties-lrkp .

Vraag 134

Gelet op het feit dat er in 2012 9,2 miljoen aan fraude met WAO, IVA en WGA is gedetecteerd en het schadebedrag per gedetecteerde overtreding is toegenomen, kan de regering de oorzaak van het hogere schadebedrag toelichten? Pleegden mensen al langer fraude? Of hadden de fraudeurs een relatief hogere uitkering? Wat is de verwachting voor 2013?

Antwoord 134

In 2012 is het geconstateerde bedrag aan overtredingen in de WIA en WAO toegenomen tot € 9,2 miljoen (2011: € 7,9 miljoen). Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door een stijging van het gemiddelde benadelingsbedrag: van € 5.353 in 2011 naar € 5.462 in 2012. Er is sprake geweest van meer zware overtredingen (stijging met 25%) en meer recidive zaken (stijging met ruim 20%). Ook ging de gemiddelde duur van de overtredingen met 4% omhoog. Op basis van de resultaten van de eerste acht maanden van 2013 verwacht het UWV dat het aantal geconstateerde overtredingen in de WIA en WAO ongeveer gelijk blijft ten opzichte van 2012. De omvang van het schadebedrag kan op dit moment nog niet worden gegeven.

Vraag 135

In welke gevallen wordt er nog een nieuwe WAO-uitkering toegekend?

Antwoord 135

Alleen in het geval dat een eerder toegekende WAO-uitkering is beëindigd kan nog een WAO-uitkering worden toegekend. Hierbij geldt een aantal voorwaarden. Het moet gaan om de situatie waarbij de gezondheid is verslechterd als gevolg van dezelfde ziekte of handicap op grond waarvan de beëindigde WAO-uitkering werd ontvangen. Bovendien moet dit plaatsvinden binnen vijf jaar nadat die uitkering is beëindigd. Daarnaast moet de aanvrager ten minste 15% arbeidsongeschikt zijn voor de WAO.

Vraag 136

Hoeveel personen met een beperking werken bij de Rijksoverheid en zijn in vaste dienst, uitgesplitst naar voormalige uitkering? Voldoet het Rijk hiermee aan de 1% norm?

Antwoord 136

In het jaar 2012 voldeed het Rijk met 1.563 plaatsingen royaal aan haar 1%-verplichting. Uitgesplitst naar voormalige uitkering betrof dit de volgende aantallen:

  • WIA: 1.217;

  • Wajong: 221;

  • Wsw: 125.

Onderscheid naar dienstverband en aantal uren wordt niet geregistreerd, onder andere vanwege de Wet Bescherming Persoonsgegevens. De resultaten over het jaar 2013 worden evenals voorgaande jaren gerapporteerd in het Jaarverslag Bedrijfsvoering.

Vraag 137

Kan de regering aangeven hoeveel mensen met een beperking op het moment van de nulmeting voor het quotum (1 januari 2013) in dienst waren in de publieke en in de private sector?

Antwoord 137

De nulmeting met als peildatum 1 januari 2013 moet nog worden uitgevoerd. Met sociale partners en uw Kamer is gedeeld dat het kabinet de afspraken uit het sociaal akkoord over extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking nauwlettend gaat volgen. Op dit moment is het kabinet in gesprek met verschillende partijen over de opzet en uitvoering van de monitor. Ook lopen er gesprekken met sociale partners in de Werkkamer over de precieze doelgroepafbakening.

Vraag 138

Gelet op het feit dat in 2014 5000 mensen met een beperking in de marktsector aan het werk moeten komen, kan de regering aangeven of het hier om duurzame arbeidsrelaties gaat of om tijdelijke contracten? Wat is de reactie van werkgevers op de wijziging van het aantal banen voor mensen met een beperking ten opzichte van het Sociaal Akkoord?

Antwoord 138

Het overeengekomen aantal extra banen gaat om extra banen ten opzichte van de nulmeting (met als peildatum 1 januari 2013). Het maakt daarbij niet uit of het een gaat om een tijdelijke arbeidsovereenkomst of een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Omdat het gaat om extra banen ten opzichte van 1 januari 2013 (netto) bevat de afspraak over de extra banen wel een prikkel voor langdurige dienstverbanden.

Bij de beoordeling of de overeengekomen aantallen worden gerealiseerd, zal telkens het extra aantal banen worden gemeten ten opzichte van de nulmeting. Een tijdelijke arbeidsovereenkomst die wordt verlengd, telt daardoor als één extra baan en niet als twee banen.

De werkgevers hebben laten weten het positief te vinden dat er een akkoord is dat bij kan dragen aan politieke stabiliteit en economische groei. Zij zijn van mening dat het sociaal akkoord op een aanvaardbare manier intact is gebleven, ook al wordt het aantal banen voor mensen met een arbeidsbeperking versneld vergroot.

Vraag 139

Kan de regering toelichten waarom de uitgaven aan de Wajong na 2015 relatief licht afnemen, terwijl de afname van het aantal duurzaam arbeidsongeschikte Wajongers geraamd wordt op 40 procent?

Antwoord 139

Wajonggerechtigden die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben behouden hun recht op Wajong. De overigen verliezen niet allemaal tegelijk hun Wajong-uitkering doordat de herkeuring over meerdere jaren wordt gespreid. Vandaar dat de uitkeringslasten jaarlijks relatief licht afnemen.

Vraag 140

Wat is de verwachting van het aantal Wajongers, die zullen worden herkeurd voortvloeiende uit de afspraken uit het Sociaal Akkoord, die naar de Participatiewet overgaan enkel vanwege het feit dat ze niet duurzaam arbeidsongeschikt worden bevonden maar wel volledig arbeidsongeschikt zijn?

Antwoord 140

Bij de raming van deze maatregel is dit onderscheid niet meegenomen. Het aantal hangt af van de precieze beoordelingscriteria en die worden momenteel nader uitgewerkt. In de oude Wajong bestaat het onderscheid tussen duurzaam en niet duurzaam arbeidsongeschikt niet, waardoor geen directe gegevens beschikbaar zijn over aantallen.

Vraag 141

Hoeveel Wajongers werken fulltime? Hoeveel Wajongers werken parttime? Hoeveel Wajongers werken bij een reguliere werkgever? Hoe is deze ontwikkeling de afgelopen 5 jaar?

Antwoord 141

De monitor arbeidsparticipatie 2012 die de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer heeft gezonden (Kamerstuk 29 817, nr. 99) rapporteert over het aantal Wajonggerechtigden dat werkt bij een reguliere werkgever over de jaren 2008 tot en met 2011. De tabel laat een gestage groei van het aantal werkende Wajonggerechtigden zien alsmede een ontwikkeling waarbij het aandeel werkende Wajonggerechtigden bij een reguliere werkgever het aandeel werkenden in Wsw-verband overtreft.

Tabel Aantal werkende Wajonggerechtigden in periode 2008–2011 (x1.000)
 

2008

2009

2010

2011

Aantal werkende Wajonggerechtigden totaal

46,0

47.6

50,4

54,0

         

Waarvan:

       

– werkend bij een reguliere werkgever

20,6

21,9

24,8

28,6

– werkend in of via de Wsw

25,4

25,7

25,6

25,4

Bron: UWV monitor arbeidsparticipatie 2012, bewerking SZW.

De monitor bevat geen cijfers over het aandeel fulltime of parttime werkenden. Wel kan worden afgeleid dat een aanzienlijk deel van de dienstverbanden parttime is. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat 72% van de bij een reguliere werkgever werkende Wajonggerechtigden eind 2011 minder dan het minimumloon verdiende. Voor een deel komt dit voort uit werken met loondispensatie, voor een deel uit parttime werk.

Vraag 142

Kan de regering aangeven in hoeveel procent van de gevallen zij verwacht dat het derde jaar WW wordt gerepareerd via cao’s?

Antwoord 142

Reparatie via cao’s is een zaak van sociale partners. Het is niet aan het kabinet om hierover verwachtingen uit te spreken.

Vraag 143

Kan de regering aangeven in hoeveel procent van de gevallen zij verwacht dat de opbouw van de WW wordt gerepareerd via cao’s?

Antwoord 143

Zie het antwoord op vraag 142.

Vraag 144

Hoe groot was in 2013 de kans dat een werkloze 50+’er binnen twee jaar aan het werk kwam?

Antwoord 144

De gemiddelde kans dat een WW-er, werkloos geworden in een bepaald kalenderjaar, binnen twee jaar weer aan het werk komt is pas twee jaar na het einde van het kalenderjaar te bepalen. Daarnaast is er vertraging in het beschikbaar komen van definitieve cijfers. De meest recente cijfers dateren daarom uit 2009. De gemiddelde kans van een 50+’er in 2009, die de WW instroomde vanuit een baan, om binnen twee jaar uit de WW te stromen vanwege werkhervatting was 50%. Voor 2013 en 2014 is geen inschatting van deze kans beschikbaar.1

Vraag 145

Wat is de verwachting van de grootte van de kans dat een werkloze 50+’er in 2014 binnen twee jaar aan het werk komt?

Antwoord 145

Zie het antwoord op vraag 144.

Vraag 146

Kan de regering toelichten hoe lang een WW-gerechtigde gemiddeld gebruik heeft gemaakt van de WW-uitkering?

Antwoord 146

Zie het antwoord op vraag 72.

Vraag 147

Kan de regering toelichten hoe hoog het uitstroompercentage van WW-gerechtigden is afgezet tegen de duur van de WW?

Antwoord 147

Recentelijk heeft het CBS de arbeidsmarktpositie na instroom in de WW onderzocht voor de personen die gedurende 2009 of 2010 zijn ingestroomd in de WW.2 De arbeidsmarktpositie van de personen die zijn ingestroomd in 2009 is gedurende twee jaar gevolgd (tot uiterlijk eind 2011 voor hen die eind 2009 instroomden). Voor WW-instromers in 2010 is de arbeidsmarktpositie gedurende één jaar na instroom gevolgd. Op basis van de CBS-cijfers blijkt dat voor het instroomcohort in 2009 (2010) 41% (43%) van de personen na drie maanden niet langer een WW uitkering ontvangt. Na een half jaar is dit 56% (59%). Dit loopt op tot 69% (70%) na een jaar en uiteindelijk 80% na twee jaar. De groep van personen die langer dan twee jaar na instroom nog gebruik maakt van het initiële WW recht is dus kleiner dan 20%. Het onderzoek geeft geen cijfers voor de periode langer dan twee jaar na instroom.

De grafiek geeft voor de groep personen die in 2009 in de WW zijn beland weer wat hun arbeidsmarktpositie is afgezet tegen de tijd die is verstreken na het moment van instroom.

Bron: voormeld CBS onderzoek.

De uitstroom uit de WW wordt gevormd door de eerste drie categorieën vanaf onder naar boven in de grafiek, «geen WW, bestaande baan»; «geen WW, nieuwe baan» en «geen WW, geen baan».

Vraag 148

Kan de regering aangeven hoeveel mensen in 2013 vanuit de WW naar de bijstand zijn doorgestroomd?

Antwoord 148

De doorstroom van de WW naar de bijstand wordt niet jaarlijks gemonitord of geraamd. Wel vindt er geregeld onderzoek naar plaats. Recent onderzoek is bijvoorbeeld het UWV kennismemo 12-01.3 Hieruit blijkt dat in de periode tussen 2007 en 2010 tussen de 5% en 8,5% van de totale WW-uitstroom doorstroomt naar de bijstand. Dit percentage schommelt per jaar, onder meer onder invloed van de conjunctuur.

Vraag 149

Kan de regering aangeven hoe groot het verwachte banenverlies voor 2014 is gespecificeerd in de publieke sector en de private sector?

Antwoord 149

In de Macro Economische Verkenning (MEV) 2014 wordt door het CPB het verwachte werkgelegenheidsverlies (in arbeidsjaren) voor 2014 geraamd op ½%. Dit komt neer op bijna 35.000 voltijdbanen. Het CPB verwacht dat in de marktsector iets meer dan 35.000 voltijdbanen verloren gaan in 2014. Bedrijven zullen hun vraag naar arbeid verminderen als vertraagde reactie op de productiedaling in 2013. Het CPB verwacht een daling van het aantal banen bij de overheid met bijna 15.000. Tegenover dit banenverlies staat een groei van de werkgelegenheid in de zorgsector met circa 15.000 voltijdbanen.

Het CPB verwacht voor 2014 geen additioneel banenverlies als gevolg van de maatregelen in de begrotingsafspraken 2014. Wel wordt een verbetering van de structurele werkgelegenheid verwacht met 0,3%-punt ten opzichte van de juniraming. Deze verbetering is het gevolg van de lagere zorgtoeslag, waardoor meer werken aantrekkelijker wordt, en van de lagere werkgeverslasten door een daling van de werkgeverspremies voor arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. De totale stijging van de structurele werkgelegenheid door het beleid sinds het aantreden van het kabinet Rutte/Asscher wordt door het CPB geschat op 0,6%.

Vraag 150

Kan de regering een overzicht geven van de mate waarin in cao's is geregeld dat er in de eerste twee ziektejaren in totaal meer dan 170% van het salaris wordt doorbetaald? Kan de regering toelichten wat de impact van deze bovenwettelijke aanvulling is op de prikkel om snel terug te keren in het arbeidsproces?

Antwoord 150

Van de 100 onderzochte, grootste cao’s zijn er 58 die in de eerste twee ziektejaren meer dan 170% doorbetalen. In 36 van deze 58 cao’s is aan de loondoorbetaling boven 170% de voorwaarde verbonden dat de werknemer zich voldoende inspant en actief meewerkt aan re-integratie. In de andere 22 cao’s geldt deze voorwaarde niet, maar bedraagt de aanvulling in het 1e ziektejaar minder dan 100%. (Bron: Cao-afspraken 2011, oktober 2012)

Het Ministerie van SZW heeft geen informatie over de impact van de bovenwettelijke aanvulling op de prikkel om snel terug te keren in het arbeidsproces.

Vraag 151

Hoe controleert de overheid de subsidies die als doelstelling hebben om de kwaliteit van de kinderopvang te bevorderen?

Antwoord 151

De subsidies worden door middel van uitvoerings- en verantwoordingsrapportages gecontroleerd.

Vraag 152

Welke oorzaken zijn aan te wijzen voor het feit dat er de afgelopen periode met betrekking tot de kinderopvangtoeslag voortdurend sprake is geweest van verkeerde ramingen die daarna bijgesteld moest worden?

Antwoord 152

In de brief aan de Tweede Kamer van 7 juni 2013 wordt nader ingegaan op de verklaringen achter de groter dan verwachte daling in het gebruik van kinderopvang (Kamerstuk 31 322, nr. 214). De belangrijkste oorzaken zijn de conjunctuur en een groter dan verwacht gedragseffect. Door de stijging van de werkloosheid is het aantal ouders dat recht heeft op kinderopvangtoeslag sterker dan verwacht gedaald. Vanwege de stapeling van maatregelen passen ouders bovendien het gebruik van kinderopvang ook eerder en sterker aan dan verwacht.

Vraag 153

Op welke wijze gaat ervoor gezorgd worden dat ramingen met betrekking tot het gebruik van en de uitgaven aan de kinderopvangtoeslag in het vervolg accurater zullen zijn?

Antwoord 153

De kinderopvangtoeslag is vanuit overheidsbeleid bezien een relatief jonge regeling waar accurate kennis over gedrag van kinderopvanggebruikers nog een ontwikkeling doormaakt. Daarnaast vinden nog geregeld beleidswijzigingen in deze regeling plaats. Ramingen worden gedaan op basis van informatie die op dat moment voorhanden is. De ontwikkeling van het gebruik van kinderopvang wordt intensief gemonitord met behulp van cijfers van Belastingdienst/Toeslagen. Op basis van deze informatie wordt steeds gestreefd naar een zo accuraat mogelijke raming.

Vraag 154

Welke gevolgen heeft het deels herstellen van de vaste werkgeversvoet voor de ramingen van de werkgeversbijdrage in de begroting?

Antwoord 154

Werkgevers dragen vanaf 2014 bij aan de kosten kinderopvang door middel van een opslag op de Aof (tot en met 2013 was dit een opslag op de sectorfondspremie en de Ufo-premie). Het opslagpercentage wordt niet aangepast als gevolg van het deels herstellen van de vaste voet en daardoor heeft dit geen gevolgen voor de omvang van de werkgeversbijdrage.

Vraag 155

Kan de regering de kosten op de post kinderopvangtoeslag uitsplitsen naar de verschillende vormen van opvang (kinderdagopvang, BSO en gastouderopvang)?

Antwoord 155

De verdeling van de kinderopvangtoeslag over de verschillende opvangsoorten ziet er als volgt uit:

 

2014

2014–2018 (gemiddeld)

Kinderdagopvang:

56%

55%

Buitenschoolse opvang:

30%

32%

Gastouderopvang:

14%

13%

Vraag 156

Zijn er na 2016 geen uitvoeringskosten voor het Landelijke Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP) en de continue screening door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en Justis?

Antwoord 156

Er zijn wel uitvoeringskosten voor Justis na 2015 en voor DUO na 2016. De bedragen voor de uitvoeringskosten voor Justis en DUO zijn na 2016 onderdeel van het opdrachtenbudget. Omdat nog niet bekend is hoe hoog de uitvoeringskosten vanaf 2016 zijn voor Justis en vanaf 2017 voor DUO, worden onder «Bijdrage aan agentschappen» in tabel 7.1 nog geen bedragen genoemd.

Vraag 157

Waar gaat de 20 miljoen euro ten behoeve van het verhogen van de kwaliteit in de kinderopvang concreet naartoe? 5 miljoen euro wordt in 2014 ingezet: wanneer en ten behoeve van wat wordt de resterende 15 miljoen ingezet?

Antwoord 157

Het Bureau Kwaliteit Kinderopvang (BKK) heeft een vierjarig programma ontwikkeld. Dit programma is gericht op het operationaliseren van een systeem van kwaliteitsmeting en -borging door de sector, op communicatie over de kwaliteit met ouders en op de verankering en verbetering van de kwaliteit op de werkvloer. Onderdeel van het programma is tevens een breed gedragen kwaliteitsvisie die de basis vormt voor bovengenoemd systeem van kwaliteitsmeting en -borging. Voor de uitvoering van dit programma is aan BKK € 3,1 miljoen subsidie beschikbaar gesteld. De resterende € 16,9 miljoen wordt ingezet voor de versterking van de taal- en interactievaardigheden via een subsidieregeling. Deze subsidieregeling zal naar verwachting medio 2014 worden gepubliceerd, waarna het resterende budget wordt ingezet. De subsidieregeling heeft een looptijd van vier jaar.

Vraag 158

In dienst van welke organisatie opereren de vertrouwensinspecteurs? En wat is precies hun rol?

Antwoord 158

De vertrouwensinspecteurs zijn in dienst van de Inspectie van het Onderwijs. Uit het rapport van de commissie Gunning (Kamerstuk 32 500 VI, nr. 95) bleek dat misbruik eerder aan het licht komt als signalen van geweld tegen kinderen worden gebundeld. Met de Wijzigingswet kinderopvang 2013 is daarom een meldplicht gewelds- en zedendelicten door professionals geïntroduceerd. De meldplicht houdt in dat alle werkzame personen in een kinderopvangvoorziening verplicht zijn om bij een aanwijzing dat een collega zich schuldig maakt aan seksueel of ander geweld tegen een kind in de opvang, dit te melden bij de houder van een kindercentrum, gastouderbureau of peuterspeelzaal. De houder is vervolgens verplicht om de vertrouwensinspecteur voor de kinderopvang bij de Inspectie van het Onderwijs hierover te informeren. De vertrouwensinspecteur is onafhankelijk en adviseert en informeert de houder over wat te doen bij deze aanwijzingen.

Vraag 159

Kan de regering de verhouding aangeven in percentages tussen de bijdragen van de werkgevers, de overheid en de ouders?

Antwoord 159

Deze verhouding is terug te vinden in tabel 7.3 van de begroting. Na de intensivering van € 100 miljoen in de kinderopvang wordt deze verhouding als volgt:

  • Overheid: 25%;

  • Werkgevers: 38%;

  • Ouders: 37%.

Vraag 160

Hoe verhoudt het percentage dat de werkgevers in totaal betalen zich met het bedrag dat vermeld staat bij werkgeversbijdrage kinderopvang in tabel 7.1?

Antwoord 160

De werkgeversbijdrage van circa € 1,1 miljard die vermeld wordt in tabel 7.1 is 38% van de totale kosten voor de kinderopvang. Van deze totale kosten betaalt de overheid een deel (kinderopvangtoeslag), werkgevers betalen een deel (premie) en ouders betalen een deel (ouderbijdrage).

Vraag 161

Waarom is de Sociale Verzekeringsbank (SVB) verantwoordelijk voor de uitvoering van de kinderopvangtoeslag in het buitenland? Zou het niet efficiënter zijn zowel binnenlands als buitenlands gebruik door 1 instantie te laten regelen? Wie beheert het register buitenlandse kinderopvang?

Antwoord 161

De Belastingdienst/Toeslagen stelt het recht op kinderopvangtoeslag en de hoogte van het bedrag vast. Dit geldt zowel voor het binnenlandse als het buitenlandse gebruik van kinderopvang.

Voor gezinnen waarvan één van de ouders in een andere lidstaat van de Europese Unie, Europese Economische Ruimte of in Zwitserland woont of werkt, kan de toeslag overlappen met soortgelijke buitenlandse regelingen. De kinderopvangtoeslag is, net als het kindgebonden budget en de kinderbijslag, een «gezinsbijslag» in de zin van de Verordening (EEG) nr. 1408/71. De SVB heeft in het kader van de Verordening een rol als verbindingsorgaan. Als verbindingsorgaan voor de gezinsbijslagen zorgt de SVB in deze gevallen voor het bepalen en betalen van het recht op gezinsbijslag.

Het register buitenlandse kinderopvang wordt beheerd door de Minister van SZW. Vanaf 1 januari 2014 zal het beheer van het register buitenlandse kinderopvang bij de uitvoeringsorganisatie DUO worden ondergebracht. DUO beheert ook het landelijk register kinderopvang en peuterspeelzalen.

Vraag 162

Wat verklaart het verschil tussen het genoemde bedrag dat wordt uitgegeven aan subsidies in 2014 (bladzijde 77: 5 miljoen euro, bladzijde 78: 7.5 miljoen euro)?

Antwoord 162

Zowel op bladzijde 77 als op bladzijde 79 van de begroting van SZW wordt gesproken over € 7,5 miljoen aan subsidiebudget. Het bedrag van € 7.559.000 is op bladzijde 77 terug te vinden in tabel 7.1. In de tekst op bladzijde 77 wordt aangegeven dat de subsidies voor 87% juridisch verplicht zijn en dat het daarbij onder andere een subsidie van € 5 miljoen betreft in 2014 voor een kwaliteitsimpuls kinderopvang. Het bedrag van € 5 miljoen valt dus onder het totale subsidiebudget van € 7,5 miljoen.

Vraag 163

Kan een volledig overzicht worden gegeven van alle subsidies voor 2014 voor het beleidsartikel kinderopvang? Kan de regering de daarbij horende bedragen aangeven?

Antwoord 163

In 2014 is er een subsidiebudget beschikbaar van € 7.559.000. Aangezien voor een deel van de subsidies de aanvraag nog loopt, kan alleen op hoofdlijnen worden aangegeven waar de subsidies voor zijn bestemd:

  • subsidieregeling die wordt uitgevoerd door het Agentschap SZW ten behoeve van de versterking van taal- en interactievaardigheden van de beroepskrachten;

  • subsidie aan Bureau Kwaliteit Kinderopvang;

  • subsidie voor Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang & Peuterspeelzalen (BOinK);

  • subsidie aan GGD Nederland in verband met toezicht en handhaving;

  • subsidie voor het Landelijk Steunpunt Brede Scholen en Kinderopvang. Deze wordt via OCW verstrekt en SZW financiert de helft hiervan.

Vraag 164

Wat is de doelstelling van de subsidieregeling voor het Agentschap SZW t.b.v. de versterking van taal- en interactievaardigheden van de beroepskrachten? Naar welke instanties gaat deze subsidie? Wanneer wordt deze subsidieregeling geëvalueerd?

Antwoord 164

De subsidieregeling richt zich op de verbetering van de taal- en interactievaardigheden van pedagogisch medewerkers en gastouders binnen de beroepsgerichte context. Houders van kinderdagverblijven, buitenschoolse opvang en gastouderbureaus kunnen subsidie aanvragen voor trainingsprogramma’s voor pedagogisch medewerkers en gastouders of «train-the-trainer» trainingen voor bemiddelingsmedewerkers, praktijkopleiders en pedagogen.

De subsidieregeling wordt gedurende de uitvoering gemonitord door het Bureau Kwaliteit Kinderopvang. Daarnaast zal ook het Agentschap SZW regelmatig rapporteren over de uitvoering van de regeling.

Vraag 165

Kan de regering aangeven hoe de uurprijs van de kinderopvang is opgebouwd? Waar is deze op gebaseerd?

Antwoord 165

De uurprijzen die ondernemers in de kinderopvang hanteren zijn afhankelijk van de kostprijs en het aantal uren waarover deze kosten kunnen worden verdisconteerd. De kostprijs is gebaseerd op de vaste (overhead, huisvesting en overige bedrijfslasten) en variabele lasten (voornamelijk personeelskosten) en hangt tevens af van de geboden voorzieningen (maaltijden, luiers, en dergelijke). Begin 2013 heeft het kabinet het onderzoek «opbouw kostprijs en effecten vergroten vrijheid voor ouders» aan de Tweede Kamer gestuurd waarin dieper wordt ingegaan op de kostprijs (Kamerstuk 31 322, nr. 201).

De uurprijs die maximaal wordt vergoed door het Rijk komt voort uit de uurprijs die de sector in 2003 hanteerde. Bij de invoering van de Wet Kinderopvang is de maximum uurprijs zodanig vastgesteld dat 80% van de instellingen op dat moment qua prijsstelling onder de maximum uurprijs zouden vallen. Vervolgens wordt de maximum uurprijs in principe elk jaar geïndexeerd om rekening te houden met de inflatie.

Vraag 166

Kan de regering aangeven waarom de indexatie van de kinderopvang van 2013 naar 2014 zo veel verhoogd is? Hoger dan de inflatie?

Antwoord 166

De indexatie van de maximum uurprijs in de kinderopvang van 2013 naar 2014 is gebaseerd op de ontwikkeling van de loonvoet van bedrijven en op de consumentenprijsindex in het Centraal Economisch Plan (CEP) 2013 van het CPB. De totale indexatie is hoger dan de ontwikkeling van lonen en prijzen van 2013 naar 2014 omdat er, conform het Besluit tegemoetkoming kosten kinderopvang, tevens is gecorrigeerd voor het feit dat de loon- en prijsontwikkeling in 2013 hoger is uitgekomen dat bij CEP 2012 werd geraamd.

Vraag 167

Kan de regering aangeven hoeveel gemeenten leges heffen voor registratie van gastouders? Kan de regering voorts inzicht bieden hoe dit aantal zich in de afgelopen 3 jaar heeft ontwikkeld?

Antwoord 167

In de brief van 10 april 2013 is gemeld dat uit een inventarisatie van de Brancheorganisatie Kinderopvang is gebleken dat in totaal 73 gemeenten leges heffen voor de registratie van gastouders. In 2012 ging het volgens de Brancheorganisatie Kinderopvang nog om 30 gemeenten. Ten opzichte van de inventarisatie in april 2013 zou het aantal volgens de Brancheorganisatie Kinderopvang nu naar 106 zijn gestegen.

Vraag 168

Kan de regering inzicht bieden in de hoogte van de leges voor de registratie van gastouders? Hoe groot is de bandbreedte van de hoogte van de leges? Vindt u het onwenselijk dat er zulke groot verschillen bestaan tussen gemeenten?

Antwoord 168

Uit een recent overzicht van de Branchevereniging Kinderopvang over de gemeenten die leges heffen, blijkt de bandbreedte voor de registratie van gastouderopvang uiteen te lopen van € 18,50 tot € 751,–. De Branchevereniging kinderopvang baseert zich bij de samenstelling van de lijst op gepubliceerde besluiten van gemeenten.

Zoals op Kamervragen van de leden Smits en Ulenbelt d.d. 10 april 2013 (Aanhangsel Handelingen II 2012/13, nr. 1921) is geantwoord, is het gemeenten toegestaan leges te heffen op grond van de huidige wet- en regelgeving (Gemeentewet en Europese Dienstenrichtlijn). Een gemeente mag de hoogte van de legestarieven zelf bepalen met de restrictie dat de leges maximaal kostendekkend zijn. In het antwoord is aangegeven dat het heffen van buitensporig hoge leges bezwaarlijk is. Via een inventarisatie van de Branchevereniging Kinderopvang was bekend welke gemeenten leges heffen voor de registratie van gastouders. De Minister van SZW heeft een aantal gemeenten, die excessief hoge leges heffen, aangeschreven met het verzoek hun leges te heroverwegen. De voormalige Minister van SZW heeft in 2012 een vergelijkbare actie ondernomen richting een aantal gemeenten. Onlangs hebben de aangeschreven gemeenten te kennen gegeven dat ze de leges met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2013 neerwaarts hebben bijgesteld op een tarief van ca. € 500. Dit bedrag is gebaseerd op wat andere gemeenten berekenen voor registratie van gastouderopvang.

Vraag 169

Klopt het dat wanneer gemeenten leges gaan heffen voor gastouders die zich willen inschrijven in het LRKP, het aantal inschrijvingen substantieel afneemt in vergelijking met gemeentes waar geen leges worden geheven?

Antwoord 169

Uit eerder onderzoek waarover u op 16 juli 2012 werd geïnformeerd (Kamerstuk 31 322, nr. 189), bleek niet een duidelijk beeld dat het aantal inschrijvingen van gastouders afneemt in gemeenten die leges heffen ten opzichte van de gemeenten die dat niet doen.

Vraag 170

Hoeveel personen krijgen geen AOW-partnertoeslag in 2015, 2016 en 2017 door het stoppen van de nieuwe instroom per 2015? Wat zijn de gevolgen voor de inkomens van gezinnen die dan moeten rondkomen van een alleenstaande AOW-uitkering? Hoe groot zal het beroep op bijstand zijn?

Antwoord 170

Het besluit om de AOW-partnertoeslag per 2015 te sluiten voor nieuwe instroom is reeds in 1995 genomen. In het desbetreffende wetsvoorstel zijn geen ramingen opgenomen over het aantal personen dat als gevolg van de maatregel geen recht krijgt op partnertoeslag, de inkomensgevolgen daarvan en het beroep op de bijstand.

Het CBS heeft in opdracht van het Ministerie van SZW onderzoek uitgevoerd in het kader van de maatregel om de partnertoeslag voor hogere inkomens gefaseerd af te schaffen (CBS, «Inkomens van AOW-gerechtigden met partnertoeslag», 12 april 2013). In 2011 ontvingen circa 55.000 personen voor het eerst een partnertoeslag. Dit is een indicatie van het aantal personen dat in de eerstvolgende jaren geen recht krijgt op AOW-partnertoeslag.

Het is onbekend wat het beroep op bijstand precies zal zijn, al zal dit beroep naar verwachting beperkt zijn. Het overgrote deel van de huishoudens zal immers aanvullende inkomstenbronnen hebben, zoals aanvullend pensioen. Daarnaast zal een deel zelf (of de partner) langer doorgaan met werken. Tot slot heeft een deel voldoende vermogen, waardoor er geen recht bestaat op bijstand.

Toen in 1995 het besluit is genomen is om de partnertoeslag af te schaffen, is vanwege de inkomenseffecten gekozen voor een overgangstermijn van 20 jaar. Diegenen die op grond van persoonlijke omstandigheden verwachtten dat het gezamenlijke inkomen bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van de oudste partner een (te) forse daling zou ondergaan, beschikten over een periode van 20 jaar om een particuliere aanvullende voorziening te treffen. Of de inkomenseffecten zich voordoen is daarom afhankelijk van de mate waarin huishoudens zich hebben voorbereid op het vervallen van de partnertoeslag en of zij andere inkomensbronnen hebben.

Vraag 171

90% van de mensen bouwt pensioen op. Betreft het hier 90% van de mensen in de tweede pijler? En zo ja, heeft de regering inzicht in hoeveel mensen deelnemen in wat voor regelingen?

Antwoord 171

Gegevens over het bereik van pensioenregelingen betreffen het aandeel werknemers dat op enig moment via een collectieve regeling in de tweede pijler pensioen opbouwt. In 2010 lag dat op 91%.

Die groep was volgens gegevens van DNB in 2012 als volgt verdeeld over de verschillende soorten pensioenregelingen:

  • uitkeringsregeling: 88%;

  • premieregeling: 12%;

  • kapitaalregeling: minder dan 0,2%.

Vraag 172

Welk percentage van het totaal aantal afgesloten cao's bevatten cao-afspraken over een aanvullend pensioen?

Antwoord 172

Zie het antwoord op vraag 173.

Vraag 173

Hoeveel aanvullende cao-afspraken over aanvullende pensioenen worden niet algemeen verbindend verklaard, omdat minder dan 60% van de bedrijven is aangesloten bij een branche-organisatie?

Antwoord 173

Cao-afspraken over pensioenen worden niet algemeen verbindend verklaard (avv). Dit blijkt uit paragraaf 4.3 onderdeel 4 van Toetsingskader AVV. Er kan dus geen sprake zijn van het niet avv-en van afspraken over aanvullende pensioenen wegens onvoldoende meerderheid in de bedrijfstak, omdat deze bepalingen zich naar hun aard niet voor avv lenen.

Voor pensioenen bestaat analoog aan het avv-instrument de verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds (Wet Bpf 2000) en beroepspensioenregeling (Wvb). Partijen betrokken bij een bedrijfstakpensioenfonds of een beroepspensioenregeling (bpr) kunnen om verplichtstelling verzoeken, waarbij aangetoond moet worden dat sprake is van een belangrijke meerderheid in de bedrijfstak. Deze representativiteitsgegevens worden bekend in die gevallen waarin om verplichtstelling van het fonds wordt verzocht. Ook dient een verplicht gesteld pensioenfonds elke vijf jaar door middel van een periodieke representativiteitstoets aan te tonen dat er nog steeds sprake is van een belangrijke meerderheid in de bedrijfstak. Op dit moment zijn er 71 pensioenfondsen (60 bedrijfstakpensioenfondsen en 11 beroepspensioenregelingen) verplicht gesteld. De representativiteitspercentages van pensioenfondsen die niet om verplichtstelling van hun fonds verzoeken, bijvoorbeeld omdat zij niet voldoen aan het meerderheidsvereiste, zijn niet bekend. Voor hen geldt geen verplichting tot aanlevering van deze cijfers.

Naar het percentage van het totaal aantal cao’s dat afspraken over aanvullende pensioenen bevat is geen onderzoek gedaan en hierover is geen statistische informatie bekend. Gelet op het bovenstaande antwoord kan wel opgemerkt worden dat de meeste afspraken over pensioenen worden vastgelegd in de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds of de beroepspensioenregeling en niet in de cao.

Vraag 174

Hoe gaat de gestaffelde vermogenstoets eruit zien die gaat gelden voor de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de ouderencomponent?

Antwoord 174

Het kabinet gaat de huidige vermogenstoets in de zorgtoeslag en het kindgebonden budget vervangen door een gestaffelde vermogenstoets in de huishoudentoeslag, waardoor sprake zal zijn van een geleidelijke afbouw van de inkomensondersteuning bij toenemend vermogen. Voor de zomer 2014 zal het kabinet de wetgeving voor de huishoudentoeslag naar de Tweede Kamer sturen, met de definitieve vormgeving van de gestaffelde vermogenstoets.

Vraag 175

Pensioencommunicatie is een speerpunt. Wat is de huidige stand van zaken van de projectgroep? Wanneer wordt het concept opgeleverd?

Antwoord 175

Sinds de publicatie van het rapport van de projectgroep «Pensioen in duidelijke taal», met daarin zowel algemene aanbevelingen als specifieke aanbevelingen over persoonsgebonden en generieke pensioeninformatie, wordt op basis van de uitkomsten van een aantal onderzoeken de pensioenwetgeving aangepast. Deze aanpassingen richten zich op het bieden van meer mogelijkheden om digitale informatie te verstrekken, wijziging van het jaarlijkse pensioenoverzicht, ontwikkeling van een interactief pensioendashboard, basisinformatie over de pensioenregeling en een kwaliteitsindicatie van de pensioenregeling.

In de periode november/december 2013 vindt internetconsultatie plaats van het voorontwerp. Naar verwachting zal het wetsvoorstel pensioencommunicatie in april 2014 kunnen worden ingediend bij de Tweede Kamer. Inwerkingtreding is voorzien voor 1 januari 2015, tezamen met de voorgenomen aanpassingen in het financieel toetsingskader.

Vraag 176

Kan de regering een overzicht geven van alle toezeggingen en bijbehorend tijdpad over de pensioenonderwerpen (zoals de Pensioenknip, waardeoverdracht, doorsnee-premie, enzovoort)?

Antwoord 176

Voor het algemeen overleg van 6 november 2013 is uw Kamer geïnformeerd over de pensioenknip, de beheerskosten van de pensioenfondsen en de algemene pensioeninstelling (api).

Naar verwachting wordt de Tweede Kamer voor het eind van dit jaar geïnformeerd over de positie van de ondernemingsraad bij ondernemingspensioenfondsen, over de waardeoverdracht (waarover de Pensioenfederatie op 6 november 2013 haar standpunt bekend heeft gemaakt) en over de voorgenomen wetgeving op het vlak van de pensioencommunicatie (mede op basis van een internetconsultatie).

Daarnaast verwacht ik uw Kamer op korte termijn het kabinetsstandpunt te kunnen aanbieden inzake een collectieve pensioenvoorziening voor zelfstandigen alsmede de studie van het CPB over de doorsneepremie en de beleidsdoorlichting pensioenen.

Vraag 177

In hoeverre beschikt de regering over meer kerncijfers over de pensioenen in de tweede pijler (type investeringen (aandelen, obligaties, vastgoed, enzovoort), aandeel in Nederland belegd), aangezien de genoemde kerncijfers beperkt zijn en er de laatste tijd toch veel politiek/maatschappelijke discussie plaatsvindt over de opgebouwde pensioenpotten en bijvoorbeeld over investeren in het buitenland?

Antwoord 177

Het kabinet krijgt de kerncijfers over de beleggingen van pensioenfondsen primair van DNB en het CBS. Deze cijfers zijn openbaar. Zo publiceert DNB op haar website diverse macro-economische statistieken over de beleggingen die de pensioenfondsen in Nederland doen. Uit deze gegevens blijkt dat de pensioenfondsen momenteel 14% van het vermogen in Nederland hebben belegd en daarnaast 29% elders in de Eurozone.

Vraag 178

Kan de regering reageren op de notitie van het Centraal Planbureau (CPB) «Premie-effecten herzien FTK en versobering Witteveenkader» van 11 september 2013? Volgens het CPB leidt de verlaging van de opbouw met 0,3% tot 14,8% lagere premies en het aftoppen boven 100.000 tot 3% lagere premies. In het totaal leidt het wetsvoorstel met betrekking tot het Witteveenkader dus naar de verwachting van het CPB tot 17,8% lagere premies. Hoeveel is deze 17,8% lagere premies omgerekend in euro's? Komt dit overeen met de eerdere verwachting van 6 miljard euro? Zo nee, waarom is er een afwijking?

Antwoord 178

De door het CPB begrote daling van de premie met 17,8% door de combinatie van het verlagen van het opbouwpercentage en het aftoppen boven € 100.000, komt overeen met een bedrag van € 7,6 miljard op een totale premiesom van € 42,6 miljard inclusief collectieve verzekerde regelingen. Deze besparingen kunnen echter niet los worden gezien van de overige wijzigingen in het te herziene FTK en het Witteveenkader. De totale besparing die op pagina 5 van de CPB-notitie wordt genoemd bedraagt € 6 miljard en is een inschatting van het totaalpakket van maatregelen in het vernieuwde FTK en het Witteveenkader en komt overeen met de eerder genoemde verwachting.

Het verschil tussen € 7,6 miljard en € 6 miljard wordt verklaard doordat bij de berekening van de € 6 miljard ook de overige effecten van het vernieuwde FTK en het Witteveenkader zijn meegenomen, zoals het afschaffen van premiedemping door verwacht rendement, de aangescherpte buffereisen en de verhoging van de pensioenrichtleeftijd naar 67 jaar.

Vraag 179

Kan de regering ingaan op de relatie tussen het aftoppen van het Witteveenkader bij 100.000 euro en de relatie tot de premies? Kan het na eventuele inwerkingtreding van het wetsvoorstel met betrekking tot het Witteveenkader zo zijn dat mensen ook voor het salaris boven 100.000 euro pensioenpremies moeten betalen? Of is dit absoluut uitgesloten? Zo ja, op basis van welk wetsartikel mag dit niet meer?

Antwoord 179

Het aftoppen van de mogelijkheid tot het opbouwen van pensioen boven de € 100.000 betekent dat voor inkomens boven de € 100.000 geen pensioenrechten meer over het bedrag boven de € 100.000 worden opgebouwd. De pensioenpremie over dit deel van het inkomen zal daarom komen te vervallen.

Het wetsvoorstel Verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen voorziet met artikel III, onderdeel G, in een wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964 waardoor als pensioengevend loon ten hoogste een bedrag van € 100.000 in aanmerking wordt genomen. Werknemers kunnen niet gedwongen worden om deel te nemen aan fiscaal bovenmatige pensioenregelingen. Dat is geregeld in artikel VII van het in de vraag genoemde wetsvoorstel. Het ligt voor de hand dat pensioenuitvoerders de premiestelling zullen aanpassen opdat voor het salaris boven de € 100.000 geen pensioenpremies verschuldigd zijn. Uit artikel 1 van de Pensioenwet blijkt immers dat de premie betrekking heeft op de verzekering van pensioen en de daaraan verbonden kosten. Dat sluit het heffen van pensioenpremie uit waar geen pensioenaanspraak tegenover staat.

Vraag 180

Hoeveel pensioenfondsen bieden een partnerpensioen op risicobasis aan? Hoeveel deelnemers vallen hieronder? Kan de regering kwantificeren om wat voor bedragen het hierbij gaat (bijvoorbeeld jaarlijkse premie/uitkering)? Op basis van welk wetsartikel wordt partnerpensioen op risicobasis mogelijk gemaakt?

Antwoord 180

In 2013 rapporteren aan DNB 343 pensioenfondsen met 5,7 miljoen actieve deelnemers. De fondsen die in liquidatie zijn – en die hun verplichtingen al hebben overgedragen – behoeven niet meer aan DNB te rapporteren.

Van deze fondsen bieden 333 pensioenfondsen met ca 5,4 miljoen actieve deelnemers partnerpensioen aan.

Daarvan hebben ruim 1,7 miljoen actieve deelnemers een vorm van een partnerpensioen op risicodekkingsbasis; 1,9 miljoen een partnerpensioen geheel op opbouwbasis; en ruim 1,7 miljoen een combinatie van opbouw- en risicobasis.

Het verschil tussen een partnerpensioen op risicobasis en een partnerpensioen op opbouwbasis is gelegen in het volgende. Bij een partnerpensioen op risicobasis wordt geen partnerpensioen opgebouwd. Er komt alleen een partnerpensioen tot uitkering als de werknemer overlijdt terwijl hij in dienst is en deelneemt aan de pensioenregeling. Als de werknemer eenmaal uit dienst is, is er dus geen partnerpensioen als hij overlijdt voor zijn pensioendatum. Bij een partnerpensioen op opbouwbasis komt wel een partnerpensioen tot uitkering als de deelnemer uit dienst is gegaan maar vóór de pensioendatum komen te overlijden.

Er is geen informatie beschikbaar over de jaarlijkse premies en uitkeringen met betrekking tot het partnerpensioen uitgesplitst naar financiering van het partnerpensioen op risicobasis en op opbouwbasis.

De definitie van partnerpensioen in artikel 1 van de Pensioenwet heeft zowel betrekking op partnerpensioen op opbouwbasis als op risicobasis, zoals toegelicht op blz. 170–171 van de memorie van toelichting (Kamerstuk 30 413, nr. 3).

Vraag 181

Wat is de laatste stand met betrekking tot de gemiddelde dekkingsgraad voor pensioenfondsen? Wat is het totale reservetekort in miljarden euro's? Wat is het totale dekkingstekort in miljarden euro's?

Antwoord 181

De gemiddelde dekkingsgraad was eind september 2013 107,6%.

Op basis van de gerapporteerde dekkingsgraden eind september 2013 was het totale reservetekort ongeveer € 120 miljard en was het totale dekkingstekort ongeveer € 7 miljard.

Een pensioenfonds heeft een reservetekort als het vermogen van het fonds lager is dan het vereiste eigen vermogen dat op de lange termijn aangehouden moet worden om aan de pensioenverplichtingen te kunnen voldoen. Een gemiddeld pensioenfonds heeft geen reservetekort als de dekkingsdraad hoger is dan circa 130%. Een dekkingsgraad van 100% geeft aan dat een fonds precies voldoende vermogen heeft om de verplichtingen na te komen. DNB eist echter een buffer, waardoor pensioenfondsen een dekkingsgraad van minimaal 105% moeten hebben. Een fonds heeft een dekkingstekort als zijn dekkingsgraad lager is dan 105%.

Vraag 182

Hoeveel pensioenfondsen vallen er nog onder een herstelplan? Hoeveel deelnemers vallen daaronder? Kan de regering inzicht geven in hoe lang de hersteltermijn nog duurt (voor de meeste pensioenfondsen)? Voor hoeveel fondsen kan dat tot kortingen leiden? Op welk moment moeten fondsen die kortingen nemen?

Antwoord 182

Een pensioenfonds met een vermogen dat minder bedraagt dan het vereist eigen vermogen (VEV, een dekkingsgraad van circa 120%) is verplicht een langetermijnherstelplan op te stellen. In een dergelijke plan zet het fonds uiteen hoe het uiterlijk na 15 jaar weer aan het VEV voldoet. Op dit moment hebben 261 fondsen een lopend langetermijnherstelplan. Daarbij gaat het in totaal om 15 miljoen aanspraken van deelnemers en ex-deelnemers en uitkeringen aan gepensioneerden.

Als het vermogen minder bedraagt dan het minimaal vereiste eigen vermogen (MVEV, een dekkingsgraad van circa 105%), moet het fonds ook een kortetermijnherstelplan opstellen. Hierin zet het fonds uiteen hoe het in drie jaar (in 2009 tijdelijk verlengd naar vijf jaar) weer voldoet aan het MVEV. Op dit moment hebben 171 fondsen (12 miljoen aanspraken) een lopend kortetermijnherstelplan. Van deze kortetermijnherstelplannen, zullen er 151 ultimo 2013 eindigen, 18 gedurende 2014, 2 gedurende 2015.

Alle fondsen met een kortetermijnherstelplan dienen aan het eind van hun hersteltermijn te voldoen aan het MVEV, zo nodig door een «eindkorting». Deze korting moet uiterlijk drie maanden na de afloopdatum van het herstelplan worden geëffectueerd. Voor het merendeel van de fondsen is dit per 1 april 2014. In beginsel kan een eindkorting nog bij alle 171 fondsen met een kortetermijnherstelplan nodig zijn. Gezien de huidige financiële situatie is dat echter niet waarschijnlijk. De ontwikkeling van de financiële markten tot de einddatum van het herstelplan bepaalt uiteindelijk hoeveel fondsen moeten korten. Dit wordt voor het merendeel van de fondsen met een kortetermijnherstelplan begin 2014 duidelijk.

Vraag 183

Kan de regering ingaan op de ontwikkeling op de voor pensioenfondsen relevante ontwikkeling van de verwachte levensverwachting? Hoeveel is deze de afgelopen twintig jaar sneller gestegen dan verwacht? Kan de regering de invloed hiervan op de dekkingsgraad kwantificeren? Wat is de invloed geweest in 2010 van de bijstelling van de levensverwachting op de gemiddelde dekkingsgraad?

Antwoord 183

Op basis van de Prognosetafel 2012 van het Actuarieel Genootschap is de resterende levensverwachting van 65-jarigen sinds de periode 2000–2005 gestegen met 2,3 jaar voor mannen (van 15,8 naar 18,1 jaar in 2012) en met 1,6 jaar voor vrouwen (van 19,5 naar 21,1 jaar).

Het CPB heeft berekend dat de toegenomen levensverwachting sinds 2008 de dekkingsgraad van pensioenfondsen gemiddeld met 5%-punt heeft verslechterd. Dit effect is kleiner dan dat van de rentedaling en het waardeverlies van aandelen.

Vraag 184

Hoe staat het met de gesprekken met de Stichting van de Arbeid over de code goed bestuur pensioenfondsen?

Antwoord 184

De code pensioenfondsen is inmiddels gereed. Deze is gepubliceerd op de website van de Stichting van de Arbeid. Het kabinet is voornemens de code te verankeren in wetgeving. Deze ligt momenteel ter voorhang bij beide Kamers.

Vraag 185

Welk bedrag is de komende jaren gemoeid met de overbruggingsregeling?

Antwoord 185

In de begroting 2014 zijn de verwachtingen ten aanzien van het gebruik van en de uitgaven aan de overbruggingsregeling (OBR) opgenomen. De verwachte uitgaven nemen toe van € 32 miljoen in 2013 naar € 84 miljoen in 2016, om vervolgens af te nemen naar 0 als in 2021 alle personen die voor de OBR in aanmerking kwamen de AOW-leeftijd hebben bereikt. Het kabinet verwacht dat de uitgaven in de periode 2013–2020 cumulatief € 399 miljoen bedragen. De uitvoeringskosten van de overbruggingsregeling bedragen cumulatief € 14,7 miljoen. Hierbij zij opgemerkt dat in de brief over de voorschotregeling AOW die op 11 september 2013 aan uw Kamer is verzonden (Kamerstuk 32 163, nr. 30) niet de meest actuele reeks uitkeringslasten OBR is opgenomen. De reeks in de begroting 2014 geeft wél de meest actuele stand weer.

Vraag 186

Wordt de AOW leeftijd in het Caribisch gebied verder verhoogd? Zo nee, waarom niet en zo ja, in welk tempo? Waarom wordt de leeftijd hier niet gekoppeld aan de leeftijdsverwachting?

Antwoord 186

De pensioenleeftijd in Caribisch Nederland wordt vanaf 2013 stapsgewijs verhoogd van 60 naar 65 jaar in 2021. Verhoging op overeenkomstige wijze als in «Europees Nederland» is wel overwogen, maar hiervan is afgezien vanwege de geheel andere uitgangspositie en context van Caribisch Nederland. Verdergaande maatregelen (gelijk aan die in Europees Nederland) maken voorts geen onderdeel uit van de afspraken die vóór de transitie met de toenmalige bestuurders van de eilanden van Caribisch Nederland zijn gemaakt. Daarnaast zijn gegevens over de levensverwachting in Caribisch Nederland niet voorhanden. Het CBS is gevraagd om deze informatie in kaart te brengen. Momenteel onderzoekt het CBS de mogelijkheden daartoe.

Vraag 187

Kan de regering het exacte tijdspad geven voor het samenvoegen van de huurtoeslag, zorgtoeslag, de ouderencomponent en het kindgebonden budget?

Antwoord 187

De huishoudentoeslag wordt gefaseerd ingevoerd. In 2015 wordt een ouderencomponent voor huishoudentoeslag geïntroduceerd waarin het budget van de fiscale ouderenkortingen en de MKOB worden opgenomen. In 2017 wordt het kindgebonden budget toegevoegd aan de huishoudentoeslag. Daarna zal ook de huurtoeslag in vereenvoudigde vorm deel gaan uitmaken van de huishoudentoeslag. Aan het einde van dit jaar zal het kabinet een hoofdlijnennotitie over de huishoudentoeslag naar de Kamer sturen. Voor de zomer van 2014 wordt de wetgeving van de huishoudentoeslag naar de Kamer gestuurd.

Vraag 188

Kan de aard van de geconstateerde overtredingen in de AOW worden toegelicht?

Antwoord 188

De voornaamste overtredingen bij de AOW (als reden voor het opleggen van boeten en het doen van aangiften) zijn het niet doorgeven van samenwonen en inkomen.

Vraag 189

Kan de regering aangeven welke maatregelen onder de «ouderencomponent» in de huishoudentoeslag gaan vallen? En kan de regering per maatregel aangeven om hoeveel mensen en hoeveel geld het gaat?

Antwoord 189

De ouderencomponent in de huishoudentoeslag zal bestaan uit de fiscale ouderenkortingen en de MKOB. De bedragen en aantallen gebruikers worden in de tabel weergegeven.

Budget en gebruik (in 2013)

budget

aantal gebruikers

fiscale ouderenkorting

2,5 mld

2,8 mln

fiscale alleenstaande ouderenkorting

0,5 mld

1,2 mln

MKOB

1,1 mld

3,2 mln

Vraag 190

Wat zijn de relatieve werkgelegenheidsgevolgen van de maatregel uit de begrotingsafspraken 2014 om de Anw-uitkering niet langer te verkorten?

Antwoord 190

Het partiële effect van het terugdraaien van de versobering van de Anw is (beperkt) ongunstig voor de structurele werkgelegenheid. Door de duurverkorting van de Anw zou er namelijk een sterkere prikkel ontstaan voor werkhervatting. De maatregelen uit de begrotingsafspraken 2014 hebben per saldo echter een positief effect op de structurele werkgelegenheid ten opzichte van de stand zoals gepubliceerd in de juniraming 2013 (Bron: CPB notitie van 17 oktober 2013: Analyse economische effecten Begrotingsafspraken 2014.)

Vraag 191

Hoeveel gezinnen hebben 1 kind? Hoeveel gezinnen hebben 2 kinderen? Hoeveel gezinnen hebben 3 of meer kinderen?

Antwoord 191

Tabel Aantal AKW-gerechtigde gezinnen naar gezinsgrootte per ultimo tweede kwartaal 2013

1 kind

2 kinderen

3 of meer kinderen

785.500

836.000

304.000

Bron: tweede kwartaalbericht SVB 2013, tabel B 3.3.

Afgerond op 500.

Vraag 192

Welke gevolgen heeft het voornemen van de regering voor de introductie van een huishoudentoeslag, waarin ook het kindgebonden budget zal worden geïntegreerd, voor de voorgenomen hervorming van de kindregelingen?

Antwoord 192

Het proces rond de invoering van de huishoudentoeslag zal geen gevolgen hebben voor het traject hervorming kindregelingen. Voor het einde van het jaar zal het kabinet een hoofdlijnennotitie naar u sturen over de huishoudentoeslag.

Vraag 193

Hoe groot is de totale achterstand van UWV met de uitvoering van herbeoordelingsverzoeken? Hoe groot is de achterstand uitgesplitst naar professionele herbeoordelingen en herbeoordelingen op verzoek van de cliënt? En hoe groot is de achterstand uitgesplitst naar de groep WGA 35–8- en de groep WGA 80–100?

Antwoord 193

Het UWV voert circa 32.000 herbeoordelingen uit in 2013. Daarnaast wordt een werkvoorraad van 10.000 herbeoordelingen meegenomen naar 2014. Het op een zo laag mogelijk peil houden van de werkvoorraad is een blijvend aandachtspunt. Van deze werkvoorraad op de jaargrens zijn 6.000 professionele herbeoordelingen (eigen initiatief UWV) en 4.000 vraaggestuurde herbeoordelingen op verzoek van klant, werkgever of door werkgever gemandateerde verzekeraar.

Het UWV beperkt de professionele herbeoordelingen tot de groep WGA medisch 80–100 conform het nieuwe herbeoordelingsbeleid. De groepen WGA 35–80 en niet-medisch WGA 80–100 worden overgedragen aan het UWV WERKbedrijf. Het UWV neemt verzoeken voor een herbeoordeling altijd in behandeling ongeacht het arbeidsongeschiktheidspercentage, ook op initiatief van het UWV WERKbedrijf. Als gevolg van bovenstaande werkwijze en de samenstelling van de WGA-populatie bestaat de werkvoorraad herbeoordelingen grotendeels uit WGA medisch 80–100.

Vraag 194

Hoeveel kosten de adviescommissies voor ontslag bij het UWV? Kan de regering dit opsplitsen, onder andere naar vacatie en reiskosten? Hoeveel ontslagzaken behandelen zij? Wat zijn de kosten per ontslagzaak? Hoeveel leden zitten er in de adviescommissie, hoeveel ontvangen die per lid per jaar? Aan wie wordt het geld betaald, aan hen of aan hun organisatie?

Antwoord 194

Het UWV heeft aangegeven dat over 2012 de kosten voor de Ontslagadviescommissie (OAC) afgerond € 415.000 bedroegen en voor 2013 naar verwachting ongeveer € 500.000 zijn. Voor 2013 liggen de kosten hoger dan in 2012 vanwege het grotere volume ingediende ontslagaanvragen. Het bedrag van € 415.000 is als volgt opgebouwd. Per vergadering ontvangt een lid een vacatiegeld van € 137,50 te vermeerderen met de reiskosten ad € 0,19 per kilometer/kosten OV 2e klasse. In 2012 is aan de werkgevers- en werknemersvertegenwoordiger aan vacatiegeld € 348.000 en aan reiskosten € 42.000 uitbetaald. Het resterende bedrag van € 25.000 betreft de informatievoorziening vanuit het UWV naar de leden (trainingen, voorlichting). Niet opgenomen zijn de kosten voor vergaderruimtes, deelname vanuit het UWV aan de vergaderingen (het UWV levert de technisch voorzitter) en de reguliere kosten voor de behandeling van ontslagaanvragen door het UWV.

Over 2012 zijn 39.500 ontslagaanvragen voor advies aan de OAC voorgelegd. Uitgaande van de genoemde kosten over 2012 en het aantal in 2012 voorgelegd ontslagzaken bedragen de kosten van de OAC gemiddeld € 10,50 per zaak. Dit bedrag bedraagt een gemiddelde van alle kosten ten opzichte van alle zaken. De daadwerkelijke intensiteit, werkzaamheden en kosten verschillen per individuele ontslagzaak.

Het aantal benoemde leden bedraagt momenteel 230. Het UWV mag niet vermelden welk bedrag de OAC-leden elk individueel hebben ontvangen. Wel kan bij benadering een gemiddelde worden berekend. Een lid heeft gemiddeld 6 tot 12 vergaderingen per jaar en ontvangt per vergadering de genoemde vacatievergoeding en eventuele reiskosten. Dit geeft een indicatie van het bedrag per lid. Een lid wordt op persoonlijke titel benoemd op voordracht van de organisaties die door de Stichting van de Arbeid als representatieve organisatie zijn aangewezen. De vergoeding wordt aan het lid uitbetaald. In een enkel geval wordt het aan de werkgever van het lid uitbetaald in ruil voor de mogelijkheid om onder werktijd als OAC-lid actief te zijn.

Vraag 195

Kan de regering een trendmatige schets geven van de rijksbijdrage aan het Ouderdomsfonds tot 2040?

Antwoord 195

De AOW-premie is gemaximeerd, waardoor de uitgavenstijging veroorzaakt door de vergrijzing voornamelijk gefinancierd zal worden uit de rijksbijdragen Ouderdomsfonds. Tussen 2013 en 2017 neemt het aandeel van de rijksbijdrage in de totale financiering met ongeveer 10% toe van 30% naar 40%. Deze sterke stijging is ongebruikelijk en wordt verklaard door de huidige economische situatie en beleidskeuzes. In 2040 zal naar verwachting 2/3 uit de rijksbijdrage worden gefinancierd. Hierbij moet worden opgemerkt dat de premieontvangsten geheel afhankelijk zijn van lonen en werkgelegenheid. Deze zijn conjunctureel bepaald. De conjunctuur over tien jaar is moeilijk te voorspellen. Het CPB geeft dan ook geen ramingen van het BBP over tien jaar. In de genoemde ontwikkeling is daarom geen rekening gehouden met ontwikkelingen in de conjunctuur na 2017. Zie ook het antwoord op vraag 71 over de AOW-premies.

Vraag 196

Kan de regering aangeven wat nodig is voor instellingen in de publieke sector om de vraagstukken die voorkomen uit een divers samengestelde bevolking en achterblijvende integratie het hoofd te kunnen bieden? Welke bijdrage heeft de regering?

Antwoord 196

Om ook groepen in de samenleving met een migrantenachtergrond te kunnen bereiken, is het nodig dat instellingen cultuursensitief zijn en weten welke aanpakken werkzaam zijn bij verschillende groepen in de samenleving. Ze moeten in staat zijn om nieuwkomers aan zich te binden en culturele barrières te beslechten. Vanuit het kabinet worden de gemeenten en instellingen gewezen op het belang om migranten te bereiken en hen te laten participeren. Hiertoe worden gemeenten en instellingen bijgestaan met kennis over de specifieke werkmethoden en problematiek bij specifieke groepen. Voorbeelden zijn de actieve betrokkenheid bij het programma «Diversiteit in het Jeugdbeleid« en activiteiten om zorginstellingen cultuursensitief te maken.

Vraag 197

Kan de regering aangeven welke verschillende modellen van het participatiecontract in pilotvorm worden getoetst komend jaar?

Antwoord 197

De pilotmodellen worden samen met gemeenten ontwikkeld. Afspraken over uitvoering en deelname aan de pilot worden gemaakt in een bestuurlijk overleg op 20 november 2013. Na afloop van het bestuurlijk overleg wordt de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over de uitvoering van de pilot participatiecontract.

Vraag 198

Uit welke onderdelen bestaat het programma integratie en wat zijn de redenen voor de stijging in begrotingsuitgaven voor het komend jaar?

Antwoord 198

Het budget voor het Programma Integratie (€ 11,994 miljoen) in 2014 is hoger dan in 2013 en 2015 vanwege reserveringen voor de uitvoering van de Agenda Integratie en het participatiecontract. Daarnaast is er rekening gehouden met frictiekosten bij de afbouw van de subsidie van Forum.

Vraag 199

Kan de regering toelichten wat moet worden begrepen onder dialoog voeren met de samenleving over integratievraagstukken op een flexibele wijze met uiteenlopende gesprekspartners? Hoe ziet dat eruit?

Antwoord 199

In plaats van de vaste overleggen met vaste gesprekspartners die namens verschillende etnische groepen in gesprek gaan met de Minister die verantwoordelijk is voor integratie, vindt het gesprek met de samenleving over integratievraagstukken plaats met uiteenlopende gesprekspartners die betrokken zijn bij voorliggende thema’s en onderwerpen. Dat kunnen personen zijn die een groep vertegenwoordigen, maar ook individuen die beschikken over specifieke kennis. Naast deze dialoog, die een vast onderdeel vormt van de praktijk van het integratiebeleid vanuit zowel het kabinet als het Ministerie, zal er ten minste eenmaal per jaar een breed overleg over integratievraagstukken zijn met migrantenorganisaties, waaronder de voormalige LOM- organisaties.

Vraag 200

Kan de regering nader toelichten waarom de inkomensoverdrachten, remigratieregeling stijgt vanaf 2017?

Antwoord 200

Aanvankelijk was bij het budget uitkeringslasten Remigratiewet sprake van een constante, licht oplopende reeks. Doordat al geruime tijd sprake was van een voornemen tot wetswijziging, waardoor remigratiefaciliteiten beperkt worden en potentiële vertrekkers naar landen van herkomst in Nederland blijven en daardoor langer ten laste van de sociale zekerheid blijven, is het Ministerie van SZW voor de jaren 2012–2016 gecompenseerd voor de daarmee samenhangende kosten. Hierdoor is het budget in de periode dat het beleidsterrein Integratie en Maatschappelijke Samenhang onder het Ministerie van BZK viel voor de jaren 2012–2016 neerwaarts bijgesteld, waardoor het nu lijkt alsof in 2017 sprake is van een verhoging. Doordat dit beleidsterrein vanaf november 2012 bij het Ministerie van SZW is gepositioneerd, is een verdere korting vanaf 2017 in verband met compensatie niet toegepast.

Vraag 201

Wat is de reden waarom voor het Landelijk Overleg Minderheden (LOM) in 2015 weer eenmalig subsidie wordt verleend?

Antwoord 201

Dit hangt samen met de bevoorschottingssystematiek van de LOM-organisaties. Er wordt niet voor 100% bevoorschot. In 2015 wordt de definitieve subsidie vastgesteld van de LOM-organisaties over 2013 en 2014. Het bedrag dat op de begroting van het jaar 2015 is gereserveerd is nodig om het restant van de afbouwsubsidies van de LOM-organisaties in 2015, bij de afrekening, te kunnen voldoen.

Vraag 202

Wat is de reden dat de subsidie voor FORUM met ingang van 2018 op nul is gezet? Is sprake van een bewuste keuze en zo ja, wat is daarvan de onderbouwing? Op welke wijze kan FORUM haar activiteiten zonder subsidie voortzetten?

Antwoord 202

Als gevolg van de taakstelling bij de start van het kabinet Rutte/Verhagen op het integratiebudget is in juni 2011 in overleg met de Tweede Kamer bepaald dat met uitzondering van een subsidie aan Vluchtelingenwerk Nederland structurele integratiesubsidies, dus ook voor Forum, per 1 januari 2018 worden beëindigd. De Minister van SZW onderzoekt momenteel de wijze waarop de voor SZW benodigde kennisfunctie op integratieterrein het beste vervuld kan worden en hoe deze functie(s) het beste kan/kunnen worden belegd, ook in relatie tot activiteiten bij andere kennisinstituten. Op basis van de uitkomsten van deze verkenning zal de financiering van de toekomstige kennisbehoefte op het gebied van integratie worden bezien.

Vraag 203

Heeft de regering inzicht in de hoeveelheid, met name lokale en provinciale, subsidies die worden verstrekt aan organisaties in het kader van «integratiebevordering»? Kan de regering een indicatie geven van die hoeveelheid en aangeven op welke wijze wordt gewaarborgd dat die gelden daadwerkelijk worden besteed aan activiteiten die integratie bevorderen, en niet de segregatie bevorderen of met religievorming vermengd worden?

Antwoord 203

De regering heeft geen inzicht in de hoeveelheid lokale en provinciale subsidies die worden verstrekt aan organisaties in het kader van integratiebevordering en kan daarom geen indicatie geven van die hoeveelheid of aangeven op welke wijze wordt gewaarborgd dat die gelden daadwerkelijk aan activiteiten die integratie bevorderen worden besteed. Volgens de Gemeente- en de Provinciewet leggen gemeenten en provincie aan de gemeenteraad c.q. Provinciale Staten verantwoording af over de aanwending en besteding van de financiële middelen.

Vraag 204

Welke middelen zijn er beschikbaar voor het instellen van lokale vrouwenrechtenambassadeurs, het bespreekbaar maken van eerkwesties, vraagstukken rond lesbiennes, homo-, bi- en transseksuelen (LHBT) en educatieprogramma's ten behoeve van democratische burgerschapsvorming in specifieke achterstandswijken, o.a. voor imams?

Antwoord 204

In het kader van de preventieve aanpak van huwelijksdwang heeft een aantal organisaties de opdracht gekregen een mentaliteitsverandering rondom het recht op zelfbeschikking landelijk op gang te brengen en te behouden. Deze opdracht loopt tot eind 2014 en hiervoor is in 2014 € 400.000 beschikbaar. Deze organisaties leiden vrijwillige trainers op om huwelijksdwang, eergerelateerd geweld, achterlating, huwelijkse gevangenschap en homoseksualiteit bespreekbaar te maken bij hun achterban.

Voor wat betreft de vrouwenrechtenambassadeurs is meermaals aangegeven dat het aan gemeenten is om te bepalen of dit middel passend is in de lokale aanpak. De Minister heeft uw Kamer wel al toegezegd dit expliciet als middel te benoemen in een bijeenkomst die de Ministers van SZW en OCW organiseren rond het thema zelfbeschikking.

SZW en OCW werken op dit moment aan een plan van aanpak voor het bespreekbaar maken van homoseksualiteit in migrantengemeenschappen. Dat plan is gebaseerd op een brede bijeenkomst die heeft plaatsgevonden met betrokken maatschappelijke organisaties.

Uw Kamer kan op korte termijn een kabinetsreactie tegemoet zien op het rapport van de Onderwijsraad over burgerschap in het onderwijs. Vanuit SZW zal een bijdrage worden geleverd aan activiteiten op dit terrein en zullen waar nodig ook middelen worden ingezet. Het betreft hierbij primair de bevordering van democratische burgerschapsvorming, waaronder de omgang met diversiteit in de Nederlandse samenleving.

Het opleiden van imams is geregeld via de bestaande imamopleidingen in Nederland. Specifiek voor islam- en imamopleidingen is er met de universitaire opleidingen aan Vrije Universiteit en de Universiteit Leiden voldoende aanbod. Dit is ook aangegeven in de beleidsreactie van de Minister van OCW op het Regioplan-onderzoek naar de islam- en imamopleidingen (Kamerstuk 33 400 VIII, nr. 132).

Vraag 205

Welke middelen zijn er beschikbaar om de perspectieven en weerbaarheid van kinderen en jongeren te vergroten in achterstandsposities door programma's aan te bieden zoals huiswerkbegeleiding, sociale ontwikkeling en weerbaarheid, bijvoorbeeld in het kader van de brede school?

Antwoord 205

Het aanbieden van extra leertijd wordt beschouwd als een effectieve manier om onderwijsachterstanden tegen te gaan en om «onderpresteren» te bestrijden (zie bijvoorbeeld « Presteren naar vermogen», Onderwijsraad, 2007). Voor kinderen in het basisonderwijs wordt de overgang naar het voortgezet onderwijs verbeterd. Daartoe heeft OCW in de periode 2009–2013 € 15 miljoen per jaar ter beschikking gesteld voor pilots onderwijsverlenging. Na de pilotperiode is meer dan de helft van de pilots zelfstandig doorgegaan. Daarnaast geeft OCW in het kader van de bestuursafspraken met de G4 en G33 over VVE en extra leertijd voor kinderen voor 2011–2015 circa € 20 miljoen per jaar voor uitbreiding van het aantal schakelklassen en zomerscholen. Ook geven OCW en SZW subsidie aan het landelijk steunpunt brede scholen om brede scholen te steunen leerlingen een effectief programma te bieden.

Ten slotte is in de begrotingsafspraken 2014 bepaald dat er voor de periode 2015–2018 € 25 miljoen per jaar beschikbaar wordt gesteld voor zomerscholen en schakelklassen. Op basis van de ervaringen met zomerscholen en schakelklassen in het primair en voortgezet onderwijs zal OCW bezien hoe de middelen ingezet worden.

Vraag 206

Kan de regering toelichten of, en zo ja welke streefwaarden er worden gehanteerd voor remigratie, inburgering en integratiebeleid, die in de tabellen 13.2, 13.3 en 13.4 staan?

Antwoord 206

Voor het gebruik van de Remigratiewet gelden geen streefwaarden. Het beroep op de wet is een geheel vrije en persoonlijke beslissing. Prognoses van het gebruik worden ontleend aan de ervaring met de feitelijke aanvragen in voorafgaande jaren. De in tabel 13.3 opgenomen aantallen voor 2014 zijn prognoses. Voor de betreffende indicatoren worden geen streefwaarden gehanteerd.

Voor wat betreft integratie is de streefwaarde op lange termijn een vergelijkbare positie van migranten en autochtonen («evenredigheid»). Voor de kortere termijn is de streefwaarde een evenredige positie van migranten ten opzichte van autochtonen die vergelijkbare achtergrondkenmerken hebben (bijvoorbeeld een vergelijkbaar opleidingsniveau).

Vraag 207

Klopt tabel 96.5 of is deze onvolledig? Kan de regering een overzicht geven van de beoogde bezuinigingsopgave bij het UWV in de afgelopen jaren en de daadwerkelijk gerealiseerde bezuiniging? In hoeverre loopt dit op schema?

Antwoord 207

Ja, deze tabel klopt. De regel «Intensivering» betreft intensiveringen in het uitvoeringsbudget UWV die voortkomen uit het regeerakkoord Rutte/Asscher. Ten tijde van het opstellen van de begroting 2014 was hiervan nog geen sprake. Pas met de brief van 4 oktober 2013 (Kamerstuk 17 050, nr. 440) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voorstellen van intensivering van het toezicht in het sociale zekerheidsdomein, waaronder het UWV. De financiële gevolgen van deze maatregelen worden verwerkt in de Voorjaarsnota 2014 en de 1e suppletoire begrotingswet.

De in tabel 96.5 geschetste structurele bezuinigingsopgave van het UWV volgt uit de taakstellingen van de regeerakkoorden Rutte/Verhagen en Rutte/Asscher. Uit het regeerakkoord Rutte/Verhagen volgt een algemene taakstelling voor 2012–2015 van € 221 miljoen en voor 2016–2018 van nog eens € 39 miljoen. Daarbovenop heeft het kabinet Rutte/Asscher een algemene taakstelling van € 48,9 miljoen opgelegd voor de jaren 2016–2018. Hoewel niet in tabel 96.5 opgenomen, is voor 2012–2015 daarnaast nog sprake van een specifieke taakstelling oplopend tot € 100 miljoen op de uitvoeringskosten voor bemiddeling.

Het uitvoeringsbudget van het UWV is met deze taakstellingsbedragen al naar beneden gebracht. UWV werkt momenteel aan de invulling van de taakstelling uit het regeerakkoord Rutte/Asscher en de invulling van het restant van de taakstelling uit het regeerakkoord Rutte/Verhagen. Inwerkingtreding van deze maatregelen is niet eerder voorzien dan per 2015.

Vraag 208

Kan de regering een overzicht geven van de bedragen in euro's die horen bij de premies voor werkgevers?

Antwoord 208

In de tabel worden de bedragen gegeven die horen bij de premiepercentages 2014. Ten opzichte van de begroting 2014 zijn deze percentages op twee gebieden aangepast:

  • Naar aanleiding van de definitieve vaststelling van het UWV zijn de whk-premie en de sectorfondspremie (sfn) aangepast. De whk-premie is 1,03% geworden en de sfn 2,68%. Deze opwaartse bijstellingen worden gecompenseerd door een verlaging van de Awf-premie. Ze hebben dus geen gevolgen voor de totale ontvangsten;

  • In het begrotingsakkoord 2014 is een lastenverlichting op arbeid gegeven via bedrijven. Deze lastenverlichting zal via de Awf premie lopen. Hierdoor wordt de Awf-premie 2,15% en nemen de premieontvangsten Awf met € 218 miljoen af.

Premie

Premie 2014

Premie x loonsom

 

%

x € 1 mld

Sfn

2,68%

4,2

Awf

2,15%

3,4

Ufo

0,78%

0,7

Totaal premies WW

 

8,3

     

Aof

4,95%

9,3

Whk

1,03%

1,4

Totaal premies WAO

 

10,6

     

Werkgeversbijdrage ko

0,50%

1,1

Totaal

 

20,0

Vraag 209

Hoe verhoudt de calculatiepremie van het UWV (de premie voor het Algemeen Werkloosheidsfonds) zich tot een eventueel tekort van het fonds?

Antwoord 209

In de juninota 2013 van het UWV wordt een calculatiepremie van 3,78% genoemd voor 2014. De calculatiepremie is de lastendekkende premie die het dekkingssaldo constant houdt. Het dekkingssaldo is het verschil tussen het aanwezige vermogen (in dit geval vermogenstekort) en het normvermogen. De Awf-premie in de begroting is 2,30%. De werkelijke premie is dus lager dan de calculatiepremie. Ten opzichte van 2013 neemt het vermogenstekort in 2014 hierdoor met € 3 miljard toe naar € 11,6 miljard (in 2013 was het vermogenstekort € 8,6 miljard).

Vraag 210

Wat is de ontwikkeling van de premies sociale verzekeringen de komende 5 jaar (AOW, Anw, WAO, WW)?

Antwoord 210

De premies wijzigen op grond van beleidsmatige overwegingen, dan wel vanwege lastenontwikkelingen binnen de gedifferentieerde premies. In de tabel wordt een beeld gegeven van de premies in de jaren 2013–2017. De beleidsmatige overwegingen worden onder de tabel toegelicht.

Premie

2013

2014

2015

2016

2017

aof

4,65%

4,95%

4,65%

4,80%

4,80%

whk

0,54%

1,03%

1,03%

1,03%

1,03%

sfn

2,76%

2,68%

2,57%

2,12%

2,03%

awf

1,70%

2,15%

1,70%

1,95%

2,00%

ufo

0,78%

0,78%

0,78%

0,78%

0,78%

AOW

17,90%

17,90%

17,90%

17,90%

17,90%

ANW

0,60%

0,60%

0,60%

0,60%

0,60%

  • De Aof-premie wijzigt naar aanleiding van wijzigingen in het lastenbeeld. De premie fluctueert met name door compensatie van wijzigingen in de zorgpremie.

  • De sectorfondspremie (sfn) wordt lastendekkend vastgesteld. Daarnaast wordt jaarlijks eenderde van het tekort in het sectorfonds ingelopen. Hierdoor daalt de premie de komende jaren. De weergegeven premie is een gemiddelde. In werkelijkheid verschilt de premie per sector. De premiewijzigingen zijn ingepast in het lastenbeeld. In verband met de lastendekkendheid kan de premie zich nog anders ontwikkelen.

  • Naar aanleiding van de definitieve vaststelling van het UWV zijn de whk-premie en de sectorfondspremie in 2014 aangepast. Hierdoor wijken bovengenoemde percentages af van de premiepercentages in de begroting (whk-premie was 1,01% en de sectorfonds 2,67%). De whk-premie is 1,03% geworden en de sectorfondspremie 2,68%. Deze opwaartse bijstellingen worden gecompenseerd door een verlaging van de Awf-premie.

  • In de begrotingsafspraken 2014 wordt een lastenverlichting op arbeid gegeven via bedrijven. Door de werkgeverspremie te verlagen wordt arbeid goedkoper gemaakt. Deze lastenverlichting zal via de Awf-premie lopen. Hierdoor daalt de premie 2014 ten opzichte van de begroting 2014. In 2015 wordt de meeste lastenverlichting gegeven. Hierdoor daalt de premie in 2015 ten opzichte van 2014.

Vraag 211

Wat is het modale huishoudinkomen in Nederland van de huishoudinkomens met opgroeiende kinderen tussen de 0 en 18 jaar?

Antwoord 211

Voor de duidelijkheid zijn in de beantwoording de vragen 211 tot en met 216 samengenomen.

In de figuren zijn de inkomensverdelingen weergegeven van respectievelijk alle huishoudens met kinderen tussen de 0 en 18 jaar, eenoudergezinnen met kinderen tussen de 0 en 18 jaar en tweeoudergezinnen met kinderen tussen de 0 en 18 jaar. Het betreft hier het bruto huishoudinkomen, dat wil zeggen het totaal van bruto loon, bruto winst en bruto uitkeringen voor toepassing van aftrekposten, exclusief werkgeverspremies, en van beide partners in geval van tweeverdieners. Er is uitgegaan van de raming voor 2014.

Het modale bruto inkomen van huishoudens met kinderen ligt bij € 18.000 (antwoord op vraag 211). Dit modale inkomen wordt bepaald door eenoudergezinnen met een bijstandsuitkering. De verklaring hiervoor is dat er in deze groep weinig spreiding rondom het bruto inkomen is, terwijl dit bij andere groepen juist wel het geval is (zie ook de figuren). Het modale bruto inkomen van de eenoudergezinnen met kinderen afzonderlijk is daardoor ook € 18.000 (antwoord op vraag 213). Het modale bruto inkomen (uitgaande van inkomensklassen van € 1.000) van tweeoudergezinnen is € 52.000 (antwoord op vraag 214). Het gaat hier om het modale inkomen in de statistische betekenis, namelijk het meest voorkomende waargenomen inkomen. Dit verschilt van de meer gebruikelijke, beleidsmatige definitie. Hierin is het modale inkomen een door het CPB vastgesteld niveau, dat gebruikt wordt als referentiepunt. Dit niveau sloot vroeger aan bij de premie-inkomensgrens voor de zvw en wordt tegenwoordig berekend als percentage van het gemiddelde inkomen per arbeidsjaar (zie ook «Toelichting op Prijzen, lonen en koopkracht», CPB Mededeling, 28-11-2011). In 2014 is het modale inkomen € 33.500 (MEV 2014).

Het mediane bruto inkomen van huishoudens met kinderen is ongeveer € 57.000 (antwoord op vraag 212). Voor eenoudergezinnen afzonderlijk is het mediane bruto inkomen € 22.500 (antwoord op vraag 215). Voor tweeoudergezinnen tenslotte is het mediane bruto inkomen € 62.500 (antwoord op vraag 216).

Vraag 212

Wat is het mediane huishoudinkomen in Nederland van de huishoudinkomens met opgroeiende kinderen tussen de 0 en 18 jaar?

Antwoord 212

Zie het antwoord op vraag 211.

Vraag 213

Wat is het modale huishoudinkomen in Nederland van eenoudergezinnen met kinderen tussen de 0 en 18 jaar?

Antwoord 213

Zie het antwoord op vraag 211.

Vraag 214

Wat is het modale huishoudinkomen in Nederland van tweeoudergezinnen met kinderen tussen de 0 en 18 jaar?

Antwoord 214

Zie het antwoord op vraag 211.

Vraag 215

Wat is het mediane huishoudinkomen in Nederland van eenoudergezinnen met kinderen tussen de 0 en 18 jaar?

Antwoord 215

Zie het antwoord op vraag 211.

Vraag 216

Wat is het mediane huishoudinkomen in Nederland van tweeoudergezinnen met kinderen tussen de 0 en 18 jaar?

Antwoord 216

Zie het antwoord op vraag 211.

Vraag 217

Kan de regering de cumulatie van maatregelen, zoals afgesproken in het begrotingsakkoord voor 2014, inzichtelijk maken voor specifieke groepen in de samenleving, zoals ouderen, gepensioneerden, gezinnen met kinderen, zelfstandigen, huurders, chronisch zieken en gehandicapten, mantelzorgers, zorgvragers, studenten en alleenstaande ouders in de bijstand?

Antwoord 217

De cumulatie van maatregelen zoals afgesproken in de begrotingsafspraken 2014 uit zich in het koopkrachtbeeld voor 2014. Dit is in de tabel weergegeven, uitgesplitst naar een aantal specifieke groepen, namelijk de verschillende inkomensgroepen, werknemers, ondernemers, uitkeringsgerechtigden, gepensioneerden, en gezinnen met en zonder kinderen. Deze tabel laat zich vergelijken met tabel B.4.2. in bijlage 4 van de begroting, waarbij in de tabel de begrotingsafspraken 2014 en het pensioenakkoord met betrekking tot het ABP zijn verwerkt.

Te zien is dat de koopkracht zich voor alle groepen verbetert als gevolg van de begrotingsafspraken 2014 en het pensioenakkoord. Lagere inkomens en gepensioneerden hebben er veelal baat bij dat de aftrek specifieke zorgkosten in stand blijft. Hogere inkomens hebben vooral baat bij het terugdraaien van de afbouw van de algemene heffingskorting in de vierde schijf. Werknemers bij de overheid hebben voordeel van de lagere werknemerspremie voor het ABP. Gezinnen met kinderen hebben bovendien voordeel van het handhaven van de leeftijdsdifferentiatie in de kinderbijslag (deze zou oorspronkelijk per juli 2014 geleidelijk afgebouwd worden) en de intensivering in de kinderopvangtoeslag.

Tabel Statische koopkrachtontwikkeling 2014 huishoudens1
 

<– 5%

– 5 tot – 2%

– 2 tot 0%

0 tot 2%

2 tot 5%

>5%

Totaal

Aantal (x1000)

Inkomenshoogte

               

Minimum

1%

2%

26%

68%

4%

0%

100%

470

Minimum-modaal

1%

3%

39%

42%

12%

4%

100%

2.400

1x–1,5x modaal

0%

3%

30%

48%

15%

3%

100%

1.690

1,5x–2x modaal

0%

1%

21%

45%

30%

3%

100%

1.220

>2x modaal

0%

1%

25%

49%

21%

5%

100%

1.750

                 

Inkomensbron2

               

Werknemers

0%

1%

16%

55%

26%

2%

100%

3.890

Ondernemers

0%

1%

23%

48%

20%

8%

100%

400

Uitkeringsgerechtigden 65–

0%

4%

41%

46%

5%

3%

100%

1.240

Gepensioneerden 65+

1%

4%

52%

30%

7%

6%

100%

2.000

                 

Kinderen

               

Geen kinderen

0%

2%

32%

45%

16%

4%

100%

5.580

Wel kinderen

0%

1%

24%

54%

20%

2%

100%

1.950

                 

Gehele bevolking

0%

2%

30%

47%

17%

3%

100%

7.530

X Noot
1

Bron: SZW-berekeningen. Geactualiseerd naar aanleiding van begrotingsafspraken 2014 en pensioenakkoord ABP.

X Noot
2

Indeling op basis van belangrijkste inkomensbron en leeftijd van meestverdienende partner. Ondernemers betreft zowel IB-ondernemers (zelfstandigen) als DGA’s.

Vraag 218

Kan de regering de koopkrachteffecten van 2015–2017 van AOW’ers zonder en met aanvullend pensioen van 10.000 euro in de bijlage van het begrotingsakkoord toelichten? Waardoor wijken deze koopkrachteffecten zo af van die van andere groepen?

Antwoord 218

De relatief nadelige koopkrachtontwikkeling van ouderen met aanvullend pensioen over de periode 2014–2017 wordt voor ongeveer de helft veroorzaakt doordat de indexatie van pensioenen achterblijft bij de inflatie. Daarnaast zorgen onder andere de invoering van de huishoudentoeslag, de bezuiniging op de zorgtoeslag en inflatieverhogende maatregelen voor een negatief inkomenseffect voor ouderen met een hoog aanvullend pensioen en/of een substantieel vermogen.

Vraag 219

Is er reeds een inventarisatie gedaan van datasets die het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de daaronder vallende diensten, agentschappen, zelfstandige bestuursorganen en toezichthouders tot hun beschikking hebben en digitaal als open data ontsloten kunnen worden? Zo neen, waarom niet?

Antwoord 219

UWV en SVB hebben bekeken welke datasets in aanmerking kunnen komen als open data. De meeste datasets betreffen persoonsgegevens, die niet onder de richtlijn hergebruik vallen. De gegevens die er wel onder vallen worden openbaar gemaakt door het UWV (zie antwoord vraag 25) en SVB. SZW hecht daarmee aan een transparante overheid en vrij toegankelijke data. Veel van de gegevens die SZW uitvraagt zijn al publiek toegankelijk. Overigens maakt SZW veel gebruik van CBS-gegevens en voert het CBS in opdracht van SZW onderzoek uit. Deze informatie is voor iedereen gratis toegankelijk via www.cbs.nl en de online CBS-databank StatLine.

Vraag 220

Hoe ziet de deeltijdval eruit in tabel B.4.5. wanneer er niet van uit wordt gegaan van een huishouden met 2 kinderen tussen 6 en 11 jaar, maar van 2 kinderen tussen de 0 en 4 en gebruik maken van de dagopvang (10 uur per dag)?

Antwoord 220

De deeltijdval wordt gemeten door te kijken naar welk deel van het extra inkomen het huishouden inlevert aan belastingen, minder toeslagen, en kosten kinderopvang als de partner een dag extra gaat werken.

De tabel laat zien dat de marginale druk voor individuele huishoudens kan oplopen tot meer dan 80%. Dit wordt voor lage inkomens veroorzaakt door de scherpe afbouw in de huurtoeslag. Voor hogere inkomens wordt dit veroorzaakt door de relatief hoge kosten voor een extra dag kinderopvang in vergelijking met een dag extra loon. Overigens is het aantal huishoudens met twee of meer kinderen in de dagopvang relatief beperkt.

Tabel Arbeidsmarktprikkels 2014

Deeltijdval minstverdienende partner1

(Marginale druk bij dag extra werk)

marginale druk in %

 

Hoofd minimumloon, partner van 3 naar 4 dagen werk (0,8xminimumloon)2

80%

Hoofd modaal partner van 3 naar 4 dagen werk (2/3xmodaal)2

63%

Hoofd 2xmodaal partner van 3 naar 4 dagen werk (2/3xmodaal)2

91%

Bron: SZW-berekeningen

X Noot
1

Er wordt uitgegaan van een voltijdbaan (5 dagen), tenzij anders vermeld

X Noot
2

Er wordt uitgegaan van een huishouden met 2 kinderen tussen 0 en 4 jaar en gebruik van dagopvang

Vraag 221

Is de regering voornemens om de armoedeval geheel op te lossen?

Antwoord 221

Zie het antwoord op vraag 38.

Vraag 222

Kan de regering ingaan op de CPB-studie «Flexible pension take-up in social security» van 11 september 2013? Onderschrijft de regering de conclusies uit deze studie?

Antwoord 222

Het genoemde CPB Discussion Paper is een wetenschappelijke studie naar de mogelijke welvaartseffecten van een flexibele AOW-leeftijd. Het CPB laat zien dat flexibele uittreding onder bepaalde aannames gunstig kan zijn voor de welvaart. De belangrijkste van die aannames zijn:

  • individuen bepalen hun gewenste moment van uittreding op basis van rationele financiële overwegingen. De sociale norm die wordt gecreëerd door de AOW-leeftijd speelt geen rol;

  • individuen kennen hun eigen, individuele levensverwachting;

  • individuen met een benedengemiddelde levensverwachting worden «ongelukkiger» van werken dan individuen met een bovengemiddelde levensverwachting;

  • de bestaande AOW-leeftijd is te laag naar de smaak van individuen met een bovengemiddelde levensverwachting;

  • individuen die langer doorwerken, gaan extra belasting afdragen. Met dit geld wordt een bonus gecreëerd voor individuen die eerder stoppen met werken.

Binnen dit analytisch kader onderschrijft het kabinet de conclusies uit deze studie. Wat betreft aanname vier kan worden opgemerkt dat de AOW-leeftijd de komende jaren reeds wordt verhoogd en op termijn wordt gekoppeld aan de gemiddelde levensverwachting.

Vraag 223

Zijn doorwerkende AOW-gerechtigden verplicht om aanvullend pensioen op te bouwen als dat in hun cao zit? Zo ja, kan de regering ingaan op mogelijkheden om het opbouwen van aanvullend pensioen een vrijwillige keuze te laten zijn voor doorwerkende AOW-gerechtigden? En is het zo dat bij aanvullend pensioen op basis van «defined contribution» de premies voor AOW-gerechtigden aanzienlijk hoger zijn?

Antwoord 223

De voortzetting van de pensioenopbouw bij doorwerken na de leeftijd van 65 jaar hangt af van hetgeen daarover in de cao of een gelijksoortige collectieve regeling is afgesproken. In veel afspraken wordt de pensioenrichtleeftijd gehanteerd als bovengrens voor de pensioenopbouw. Boven deze leeftijd wordt dan geen aanvullend pensioen opgebouwd. De pensioenrichtleeftijd is op dit moment meestal 65 jaar. Vanaf 2014 schuift deze op naar 67 jaar.

Het is aan sociale partners om te bepalen of de pensioenopbouw bij doorwerken na het bereiken van de pensioenrichtleeftijd wordt voortgezet en, zo ja, of dat op verplichte of op vrijwillige basis gebeurt.

Bij een aanvullend (tweede pijler)pensioen op basis van defined contribution spreken partijen af welke premie de werkgever beschikbaar stelt. In het algemeen geldt dat de kosten voor pensioenopbouw toenemen naarmate de deelnemer ouder is. Dit komt tot uitdrukking in de premiestaffels die gelden voor de fiscale begunstiging van pensioenopbouw op basis van premieovereenkomsten. Op grond van deze staffels kan voor een deelnemer van 65 of 66 jaar een hogere maximale premie worden betaald dan voor een jongere deelnemer.

Vraag 224

Kan de regering een uitputtend overzicht geven van de verschillen in de regimes qua fiscaliteit en sociale zekerheid voor werknemers jonger dan en ouder dan de AOW-leeftijd?

Antwoord 224

Fiscaliteit

Werknemers ouder dan de AOW-gerechtigde leeftijd betalen geen AOW-premie. Dit betekent dat het tarief in de loonheffing in de eerste twee tariefschijven 17,9% lager ligt dan voor werknemers jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd. De heffingskortingen (bijvoorbeeld de algemene heffingskorting) die de te betalen loonheffing verlagen, liggen hierdoor voor oudere werknemers naar rato lager. Verder zijn er heffingskortingen die alleen gelden voor belastingplichtigen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt (ouderenkorting, alleenstaande ouderenkorting). Verder bestaat er voor die groep in de sfeer van de vermogensrendementsheffing een verhoogd, heffingvrij vermogen (de ouderentoeslag). Ook binnen de regeling voor specifieke zorgkosten gelden aparte regelingen voor AOW-gerechtigden vanwege de voor die groep vaak hogere ziektekosten.

Sociale zekerheid

Werknemers jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd zijn verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen (ZW, WW en WIA). Werkgevers dragen hier verplicht premies voor af. Werkgevers dragen ook premies af voor de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (voor werknemers jonger en ouder dan de AOW-gerechtigde leeftijd). Werknemers ouder dan de AOW-gerechtigde leeftijd zijn niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Dit betekent ook dat werkgevers geen premies werknemersverzekeringen hoeven af te dragen. Werknemers hebben wel recht op loondoorbetaling bij ziekte.

Het kabinet heeft plannen om langer doorwerken te bevorderen – ook na het bereiken van de pensioenleeftijd. Door het wegnemen van belemmeringen ontstaat er een lichter arbeidsrechtelijk regime voor AOW-gerechtigden, waardoor het eenvoudiger en aantrekkelijker wordt om oudere werknemers in dienst te nemen (of te houden). Tegelijkertijd wordt mogelijke verdringing van jongere werknemers door AOW-gerechtigden tegengegaan. Het kabinet stuurt de voorstellen uiterlijk eind november naar de Tweede Kamer.

Vraag 225

Gelden de verschillende regimes qua fiscaliteit en sociale zekerheid ook voor zzp'ers die ouder en jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd zijn? Zo ja, kan de regering daar een uitputtend overzicht van presenteren?

Antwoord 225

De bij vraag 224 genoemde verschillen gelden ook met betrekking tot zzp‘ers. Met betrekking tot zzp’ers die als ondernemer kwalificeren, zijn er daarnaast nog enige regelingen waarbij er een samenhang is tussen de omvang van de faciliteit en de AOW-gerechtigde leeftijd. Dit zijn de zelfstandigenaftrek, de startersaftrek, de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid, de fiscale oudedagsreserve en de regeling voor omzetting van stakingswinst in een lijfrente.

Zzp-ers zijn niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen, en op dit punt is er daarom geen verschil tussen zzp-ers jonger en ouder dan de AOW-gerechtigde leeftijd.

Vraag 226

Zijn er materiële verschillen tussen de huishouduitkeringstoets en de kostendelersnorm? Zo ja, welke?

Antwoord 226

Nee, de kostendelersnorm is de nieuwe naam voor de huishouduitkeringstoets zoals deze is opgenomen in het regeerakkoord Rutte/Asscher.

Vraag 227

Kan de regering toelichten of en zo ja welke streefwaarden er worden gehanteerd voor de Wet sociale werkvoorziening, naast de landelijke taakinstelling van 90.804 arbeidsjaren?

Antwoord 227

Zie het antwoord op vraag 118.

Vraag 228

Wat komt bij de beleidsdoorlichting kinderopvang in 2014 aan de orde? Maakt een evaluatie van de regeldruk onderdeel hiervan uit?

Antwoord 228

De beleidsdoorlichting over de kinderopvang (artikel 7) wordt aan u verzonden in 2015 in plaats van 2014. Dit zodat deze gecombineerd kan worden met de wettelijke evaluatie in 2015. In deze fase van het proces is nog niet duidelijk wat wel of niet onderdeel uitmaakt van de beleidsdoorlichting. In de begroting 2015 wordt uw Kamer geïnformeerd over de opzet en inhoud van deze beleidsdoorlichting.


X Noot
1

bron: berekening op basis van CBS, maatwerkrapport, Arbeidsmarktpositie na instroom in de WW (XLS), 2013

Naar boven