33 716 Wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de Wet op het kindgebonden budget, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet studiefinanciering 2000 en enige andere wetten in verband met hervorming en versobering van de kindregelingen (Wet hervorming kindregelingen)

C VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID1

Vastgesteld 13 mei 2014

Algemeen

Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel geeft de commissie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van onderhavig wetsvoorstel. Hoewel deze leden zich goed realiseren dat met dit wetsvoorstel een structurele bezuiniging is gemoeid op het totale bedrag van 10 miljard euro structureel dat jaarlijks wordt uitgegeven aan kindregelingen, en dat dit voor een deel ook gevolgen heeft voor groepen die het financieel niet breed hebben, staan zij toch positief tegenover dit wetsvoorstel.

Allereerst omdat deze leden de vereenvoudigingsdoelstelling van het wetsvoorstel van harte ondersteunen. Het aantal kindgebonden regelingen wordt teruggebracht van 11 naar 4. Hiermee is een administratieve lastenverlichting voor burgers gemoeid van 71.000 uur. Daarnaast geeft de regering terecht aan dat door dit wetsvoorstel minder uitvoeringsorganen minder gegevens hoeven te controleren, hetgeen leidt tot een verbetering van de handhaafbaarheid van de kindregelingen en een beperking van de fraudemogelijkheden.

De leden van de VVD-fractie steunen de inzet van de regering te komen tot een vermindering van de zogeheten armoedevalproblematiek. De leden van de VVD-fractie hebben over de mate waarin de regering hierin slaagt nog wel een aantal vragen. Tenslotte, in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is het oorspronkelijke bezuinigingsbedrag van 1,1 miljard euro structureel aanzienlijk teruggebracht tot 500 miljoen per jaar. Gelet op de nog steeds bestaande forse tekorten op de overheidsbegroting achten deze leden dit een verdedigbare bijdrage daar waar de Nederlandse samenleving aan inkomensondersteuning voor kinderen nog steeds jaarlijks 9.5 miljard euro besteed.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling de stukken met betrekking tot dit wetsvoorstel gelezen. Deze leden steunen de twee hoofddoelstellingen (hervormen en versoberen) en de drie lijnen waarlangs de wijzigingen zijn vormgegeven (armoedeval alleenstaande ouders die willen werken tegengaan, inkomensondersteuning gericht op lagere inkomens en verminderen van het aantal afzonderlijke regelingen). Graag stellen de leden van de PvdA-fractie een aantal vragen over de hervorming en versobering, over de relatie met twee internationale verdragen en over kinderen die in armoede opgroeien.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij onderschrijven de doelstelling om de kindregelingen te hervormen, maar hebben zorgen over de voorgestelde versobering. Zij hebben nog een aantal vragen.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel, zoals door de Tweede Kamer goedgekeurd, mede na enkele wijzigingen op het oorspronkelijke voorstel, zoals onder andere aangebracht na het begrotingsakkoord van beide coalitiepartijen met D66, Christen Unie en SGP.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Het wetsvoorstel hervormt en vereenvoudigt de verschillende kindregelingen met als doel de beschikbare middelen op een rechtvaardige manier in te zetten voor de inkomensondersteuning aan ouders. Deze leden onderschrijven de poging tot stimulering van arbeidsparticipatie van ouders om zo de armoedeval te verminderen. De leden van de D66-fractie hebben wel nog enkele vragen.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel en hebben dienaangaande nog een aantal opmerkingen en vragen. Deze leden zijn het eens met het eenvoudiger maken van het stelsel van tegemoetkoming in de kosten voor huishoudens met kinderen. Het is nodeloos complex voor hen die het kunnen gebruiken en ook stelt het de uitvoering voor problemen.

De leden van de GroenLinks-fractie vinden het op zichzelf erg goed dat de diverse regelingen worden teruggebracht tot vier hoofdgroepen: Kinderbijslag, Combinatiekorting, Kindgebonden budget en Kinderopvangtoeslag. Desondanks hebben deze leden nog een aantal zeer kritische opmerkingen en vragen ten aanzien van onderhavig wetsvoorstel.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel maar hebben daarover nog wel een aantal vragen.

2. Toelichting per maatregel

2.1 Alleenstaande ouders

Zoals aangegeven hebben de leden van de VVD-fractie ook na kennisneming van het gewisselde in de Kamerstukken nog wel een aantal vragen over de zogeheten armoedevalproblematiek. De regering geeft in de Memorie van toelichting2 aan dat de regering dit wetsvoorstel wil gebruiken om de armoedeval voor alleenstaande ouders die vanuit een bijstandsuitkering gaan werken deels wil oplossen. Zo geeft de regering aan dat de alleenstaande ouder die vanuit de bijstand 28 uur gaat werken tegen het minimumloon er niet meer in inkomen op achteruit gaat door de stap naar werk te zetten. Allereerst vernemen deze leden gaarne in welke mate deze 28 uur nog steeds geldt na de nota van wijzigingen, waarmee het structurele ombuigingsbedrag fors is verlaagd. Klopt het vermoeden van deze leden dat hierdoor de armoedevalproblematiek weer is toegenomen? Zo ja, in welke mate?

Los hiervan vragen deze leden zich af waarom de regering ervoor heeft gekozen dit probleem slechts deels op te lossen? Het is toch maatschappelijk niet aanvaardbaar dat werken niet loont, ook al is dat minder dan 28 uur op minimumloon niveau?

Heeft de regering beleidsvoornemens, los van dit wetsvoorstel, om te komen tot een oplossing voor de armoedevalproblematiek? Wordt dit vraagstuk, zo vragen deze leden met nadruk, betrokken bij de voorgenomen herziening van het belastingstelsel?

De leden van de PvdA-fractie constateren dat in de eerste nota van wijziging is te lezen3 dat 26% van de 160.000 gezinnen op het minimum er 2% of meer op achteruit gaan met dit wetsvoorstel. Voor de groep alleenstaande ouders (130.000 gezinnen) blijkt dit zelfs 34% te zijn. Kortom: een groter aandeel alleenstaande ouders op het minimum gaat er op achteruit.

Graag vernemen deze leden de definitie van de regering van het begrip «gezin op het minimum». Verder vragen deze leden waardoor van de groep gezinnen op het minimum, de deelgroep «alleenstaande oudergezinnen» er meer op achteruit gaat? Acht de regering dat een wenselijke situatie en zo nee, verwacht zij met voorstellen te komen om dit te verbeteren? Daarnaast vragen deze leden zich af of eenoudergezinnen naar verwachting kunnen profiteren van het amendement om de 20% toeslag in de bijslag in 2015 nog te verstrekken (indien zij geen alleenstaande-ouderkop ontvangen maar wel vallen onder de kostendelersnorm).

Volgens de leden van de PvdA-fractie is de (statistische) kans dat kinderen die in een eenouder gezin opgroeien een slechtere start in het leven hebben aanwezig, wat reden kan zijn juist deze gezinnen zoveel mogelijk te ontzien. Dat blijkt ook uit het feit dat 40% van de alleenstaande ouders als voornaamste inkomstenbron een uitkering heeft, waar dit bij paren met kinderen circa 5% is.4 Gelukkig zijn er ook eenouder gezinnen die niet van een minimuminkomen rond hoeven te komen. Daarbij kan, menen zij, een grote rol spelen dat de desbetreffende ouder ook betaalde werkzaamheden verricht. Deelt de regering het streven van arbeidsparticipatie van de alleenstaande ouder met deze leden? En is dat relevant gebleken in het licht van het tegengaan van opgroeien in armoede van de kinderen in het eenoudergezin? Zou een arbeidsparticipatiestimulans, bijvoorbeeld via de kinderopvangtoeslag, hierbij te overwegen zijn?

De leden van de SP-fractie vragen of de regering de meest recente cijfers (aantallen en ontwikkeling/trend) aangaande armoede onder kinderen kan geven en deze kan uitsplitsen naar huishoudtypen. Klopt het dat er juist bij eenoudergezinnen op of onder het sociaal-minimum een grote concentratie armoede onder kinderen is te vinden?

Kan de regering de arbeidsmarktparticipatie van eenoudergezinnen schetsen en de recente ontwikkeling, alsmede de verwachting, met en zonder verwacht effect van voorliggend wetsvoorstel?

De leden van de D66-fractie constateren dat voor het recht op de alleenstaande-ouderkop in het kindgebonden budget aangesloten zal worden bij het partnerbegrip volgens de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir). Dit leidt tot een verschuiving van de doelgroep ten opzichte van de huidige minimumregelingen voor alleenstaande ouders. Tevens merken deze leden op dat in het wetsvoorstel Wet werk en bijstand,5 waarvan de behandeling zich momenteel in de Eerste Kamer in de schriftelijke fase bevindt, de kostendelersnorm wordt ingevoerd, welke ook voor de Algemene Ouderdomswet (Hierna: AOW) en in de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) zal gelden.

De leden van de D66-fractie vernemen graag van de regering of, en zo ja op welke wijze, het partnerbegrip volgens de Awir dat van toepassing is op de berekening van de alleenstaande-ouderkop voor het kindgebonden budget, wordt beïnvloed door de kostendelersnorm volgens de AOW en WWB (nieuw). Betekent invoering van de kostendelersnorm dat de alleenstaande ouder die aanspraak heeft op de alleenstaande-ouderkop deze kwijt raakt ingeval op zijn/haar huishouden de kostendelersnorm van toepassing is/wordt? Zo ja, is een dergelijke regeling niet vatbaar voor fraude?

Volgens de leden van de ChristenUnie-fractie stelt de memorie van toelichting dat het huidige regime van inkomensondersteuning van alleenstaande ouders in de bijstand aanzienlijk hoger is dan voor werkende alleenstaande ouders. In de kern is dit een financiële argumentatie. Welke andere factoren ziet de regering voor de eerste groep ouders om (nog) niet aan het arbeidsproces deel te nemen? Wat zijn overigens de belangrijkste oorzaken dat de arbeidsdeelname van alleenstaande ouders in de afgelopen tien jaar met meer dan tienprocentpunten is gestegen?

Met het wetsvoorstel wil de regering de armoedeval wegnemen voor alleenstaande ouders in de bijstand. De regering wil zich, zo stelt het in de Nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer.6 evenwel niet wagen aan een kwantitatieve voorspelling van de arbeidsmarkteffecten ervan. Heeft de regering, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie, wel een kwantitatieve reductiedoelstelling? Zo ja, aan welke doelstelling moet dan bij benadering worden gedacht?

Ook zal in dit wetsvoorstel de kostendelersnorm een rol gaan spelen. Kan de regering meer specifiek aangeven welke gevolgen het introduceren c.q. het aanscherpen van deze norm zal hebben in de context van dit wetsvoorstel?

2.2 Kinderbijslag

De leden van de PvdA-fractie constateren dat na aanvaarding van dit voorstel er twee situaties zijn waarbij extra kinderbijslag wordt verstrekt; bij gehandicapte kinderen en bij onderwijsredenen. Bij de extra kinderbijslag om onderwijsredenen gaat het om zowel situaties waarbij het kind niet thuis kan wonen vanwege de opleiding die het volgt als om de situatie dat de verzorgende ouder een beroep heeft waardoor het kind geen onderwijs kan volgen als het bij de ouder woont (bijvoorbeeld: binnenschipper of circusartiest).

Is in het geval van de niet-thuiswonende ouder, de extra tegemoetkoming niet meer te scharen onder het doel arbeidsparticipatie? Wat zouden de voor- en nadelen zijn van het onderbrengen van deze regeling bij de combinatiekorting? Graag vernemen deze leden tevens welke voor- en nadelen verbonden zijn aan het opnemen van deze specifieke tegemoetkoming in het kindgebonden budget, waardoor het inkomensafhankelijk wordt.

De leden van de GroenLinks-fractie uitten grote zorgen over de financiële versobering en de daarmee samenhangende achteruitgang van de financiële armslag van huishoudens/gezinnen met kinderen. Het cijfer 2012 geeft nog altijd aan dat er ruim 384.000 kinderen opgroeien in armoede in ons land. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS) stelt: «Sinds 2007 zijn er ruim 100 duizend arme kinderen bijgekomen, waardoor het aantal 0–17-jarigen beneden het niet-veel-maar-toereikend-criterium in 2012 is opgelopen tot 384 duizend (11,4 procent van alle kinderen, +3,4 procentpunt). Eén op de drie armen is jonger dan 18 jaar. De armoede onder kinderen is nog wel minder dan tijdens het hoogtepunt in 1994

Deze leden hebben er grote moeite mee dat in ons nog steeds zeer rijke en beschaafde land zoveel kinderen/jeugdigen jonger dan 18 jaar geconfronteerd worden met minder kansen omdat er (flink) minder financiële armslag is. Omdat een groot aantal huishoudens de noodzakelijke en niet te vermijden kosten van het bestaan niet of verminderd kunnen dragen. Dit wetsvoorstel zou moeten bijdragen aan rechtvaardige herverdeling. De leden van de GroenLinks-fractie begrijpen niet waarom er in dit voorstel gekozen blijft worden voor een inkomensonafhankelijke kinderbijslag. Waarom blijft de regering, waar de PvdA deel van uitmaakt, zo halsstarrig weigeren om een rechtvaardiger en dus inkomensafhankelijke kinderbijslag te introduceren?

2.3 Kindgebonden budget

De leden van de PvdA-fractie constateren dat het de bedoeling was dat het kindgebonden budget onderdeel zou gaan vormen van de huishoudenstoeslag. Deze toeslag kan niet op korte termijn worden ingevoerd. Graag vernemen de leden van de PvdA-fractie of hierdoor minder uitvoeringsbesparingen in het stelsel van kindregelingen ontstaan. Voorts vragen deze leden of er alternatieve hervormingen worden overwogen om tot een goed uitvoerbare en weinig fraudegevoelige uitkering van het kindgebonden budget over te gaan. Zo ja, kan de regering aangeven welke dat zijn en hoe worden die vormgegeven?

De leden van de CDA-fractie onderschrijven de gedachte om gezinnen met zeer lage inkomens meer te ondersteunen. Juist daarom vinden zij het opmerkelijk dat de regering bij het kindgebonden budget een significante vermogensgrens hanteert. Waarom kiest de regering er niet voor om van gezinnen met aanzienlijk vermogen te verlangen dat zij dat vermogen eerst deels aanwenden voor de kinderen, voordat zij recht krijgen op kindgebonden budget? Kan de regering een overzicht geven van het gemiddelde vermogen van een gezin met een of meer kinderen en een modaal, dan wel een twee keer modaal inkomen? Kan de regering in aanvulling op het gemiddelde vermogen van beide categorieën ook inzicht geven in de distributie van het vermogen, bijvoorbeeld in kwartielen of percentielen? En in hoeverre wordt (de al gedane aflossing op) een eigen woning door de regering tot het vermogen gerekend?

Het kindgebonden budget is bedoeld om gezinnen met lage inkomens te ondersteunen. Daarom loopt het bedrag dat gezinnen aan kindgebonden budget ontvangen, af naarmate het inkomen toeneemt. Maar waarom heeft de regering er voor gekozen om ook gezinnen met relatief hoge inkomens nog recht te laten hebben op het kindgebonden budget? Als het doel van deze regeling inkomensondersteuning van lage inkomens is, was het dan niet zuiverder geweest om de regeling daartoe te beperken, en de regeling af te laten lopen bij bijvoorbeeld modaal? Het surplus had dan eventueel in de niet inkomensafhankelijke kinderbijslag kunnen worden geïnvesteerd. Hoeveel Nederlandse huishoudens kunnen in de huidige en in de door de regering beoogde situatie aanspraak maken op het kindgebonden budget?

In de nota naar aanleiding van het verslag schrijft de regering dat in 2017 het kindgebonden budget zal worden opgenomen in de huishoudentoeslag. Daarbij wordt opgemerkt dat dit gunstig zal uitpakken voor gezinnen met kinderen. Inmiddels is duidelijk dat de voorgenomen wetgevende maatregelen aangaande de huishoudenstoeslag in ieder geval voor dit moment geen doorgang zullen vinden. Graag vernemen de leden van de CDA-fractie van de regering wat de – mogelijk ongunstige – gevolgen hiervan zijn voor gezinnen met kinderen, en wat de definitieve opvattingen van de regering zijn ten aanzien van de huishoudenstoeslag.

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat het integreren van het kindgebonden budget in de huishoudentoeslag zal in een apart wetsvoorstel worden geregeld. Deze leden vragen zich af wat hier de laatste stand van zaken is.

2.4 Ouderschapsverlofkorting

De leden van de ChristenUnie-fractie verzoeken de regering om een betere argumentatie geven voor het feit, zie de memorie van toelichting,7 dat de ouderschapsverlofkorting niet effectief is? Heeft de regering ook principiële redenen om deze verlofkorting af te schaffen? Hoe past dit voornemen in een bredere visie op het combineren van arbeid en zorg?

3. Financiële gevolgen

De leden van de PvdA-fractie constateren dat in de eerste nota van wijziging8 is aangegeven dat het niet indexeren van de kinderbijslag tot 1 januari 2016 naar verwachting 86 miljoen structureel per jaar bespaart. Kunt u aangeven welke budgettaire ruimte geraamd wordt als de indexering over 2016 ook achterwege zou blijven? En zou de ruimte toegevoegd kunnen worden aan de alleenstaande-ouderkop in de Wet op het kindgebonden budget (hierna: Wkb)? Tenslotte vragen deze leden in welke situatie de regering een verschuiving van Algemene Kinderbijslagwet naar Wkb overweegt.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de financiële gevolgen die gepaard gaan met het aannemen van dit wetsvoorstel niet meer geheel gedekt zijn met tabel 6 in de eerste nota van wijziging.9 Er is een tweede nota van wijziging verschenen en er zijn twee amendementen aangenomen. Kan de regering de actuele tabel van het budgettaire beeld verstrekken?

In de memorie van toelichting10 van het oorspronkelijke voorstel gaat de regering in tabel 4 in op de budgettaire effecten per regeling. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering deze tabel aan kan passen op basis van het nu voorliggende voorstel?

In zijn brief van 11 oktober 201311 gaat de Minister van Financiën onder meer in op de aanzienlijk lagere opbrengsten van dit wetsvoorstel als gevolg van het gesloten gedoogakkoord. In de financiële toelichting staat ook de kinderopvangtoeslag voor € 100 miljoen genoemd, en al vanaf 2014. Ziet dit bedrag op een nog in te dienen wetsvoorstel dat de kinderopvangtoeslag wijzigt?

De leden van de SP-fractie merken op dat van de door het regeerakkoord beoogde bezuiniging van 810 miljoen (structureel) na het begrotingsakkoord nog ruim 500 miljoen over blijft. Is de constatering juist dat de wijziging die het begrotingsakkoord 2014 heeft aangebracht de versobering van dit wetsvoorstel verzacht, maar op het totale koopkracht beeld denivellerend uitpakt ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel? Zo ja, kan dan ook geconstateerd worden dat in verhouding de inkomensondersteuning die de nieuwe regelingen bieden minder specifiek neerslaat bij de groepen waar die het hardst nodig is?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen zich – het gehele wetsvoorstel overziend – af of het door de regering geformuleerde doel om de beschikbare middelen op een rechtvaardige en effectieve manier in te zetten voor inkomensondersteuning aan ouders en om arbeidsparticipatie van ouders te bevorderen wordt gerealiseerd met dit wetsvoorstel. Bovendien stelt de regering dat dit voorstel van wet een bijdrage levert aan het op orde brengen van de overheidsfinanciën. Wij vrezen dat dit laatste dominanter is dan het eerste. Graag toelichting op deze punten.

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat het wetsvoorstel vooral een bezuinigingsdoelstelling uitademt. Het valt deze leden op dat de regering niet heeft gepoogd een meer omvattende sociale, culturele en pedagogische visie op kindregelingen te presenteren. Kan de regering in deze omissie voorzien? Kan er ook een relatie worden gelegd met de beschouwingen van de regering op de participatiesamenleving, zowel wat ouders als wat hun kinderen betreft? Kan de regering daarbij ook uiteenzetten welke visie zij heeft op het combineren van arbeid en zorg voor kinderen? Hoe beoordeelt de regering het werken in deeltijd in dit verband?

De begrotingsafspraken 2014 hebben het wetsvoorstel hervorming kindregelingen ingrijpend geamendeerd. De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben hier met instemming kennis van genomen. Zo worden de bezuinigingen op de kinderbijslag ongedaan gemaakt. Kan de regering een samenvattend overzicht geven van de mutaties die gaan plaatsvinden in het kindgebonden budget, uitgesplitst naar doelgroep?

Tabel 8 van de nota van wijziging12 schetst de inkomenseffecten van de Begrotingsafspraken 2014 voor zover deze betrekking hebben op de kindregelingen. Deze leden verzoeken de regering deze tabel zo construeren dat het verschil met de inkomenseffecten van het oorspronkelijke wetsvoorstel direct zichtbaar is.

4. Inkomenseffecten

Worden kinderen die in een arm gezin opgroeien na aanvaarding van dit wetsvoorstel volgens de regering voldoende ondersteund via het stelsel van kindregelingen, zo vragen de leden van de PvdA-fractie aan de regering.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af of de regering heeft overwogen het stelsel van de kindregelingen nog verder te vereenvoudigen, en te komen tot bijvoorbeeld twee regelingen, een ter ondersteuning van gezinnen, en een ter bevordering van arbeidsparticipatie van beide ouders? Wat zijn in de optiek van de regering de redenen om hier niet toe over te gaan? Heeft de regering overwogen om de toeslagen voor gezinnen met inkomen uit arbeid in zijn geheel af te schaffen, en deze gezinnen te compenseren door middel van lagere inkomstenbelasting? Wat zijn in de optiek van de regering de redenen om hier niet toe over te gaan?

Op pagina 7 en 8 van de nota naar aanleiding van het verslag13 geeft de regering zijn visie op het gezin en het stelsel van kindregelingen. De leden van de CDA-fractie onderschrijven de hantering van een brede en dynamische definitie van het gezin. Zij zijn met de regering van oordeel dat eenieder maximale mogelijkheden dient te hebben om de werk- en privéambities binnen het gezin met elkaar in balans te brengen. Daarbij dient naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie keuzevrijheid en gelijkwaardige benadering – ook voor wat betreft de inkomenseffecten – voorop te staan. In het verlengde van het voorgaande vragen de leden van de CDA-fractie de regering een (nadere) onderbouwing te geven ten aanzien van de verhouding tussen de financiële ondersteuning in de kosten van kinderen en het stimuleren van de arbeidsparticipatie.

De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering inzichtelijk te maken of cumulatief met het verlagen van de afbouwgrens van het kindgebonden budget, de niet-indexering van de kinderbijslag in 2015 en 2016 en het schrappen van de ouderschapsverlofkorting bepaalde huishoudens in het bijzonder worden getroffen. Graag vernemen deze leden welke voorzieningen of maatregelen de regering treft of zal treffen indien een huishouden met een onevenredig effect als gevolg van de voorgestelde wijzigingen wordt geconfronteerd. Naar het oordeel van deze leden mag immers – mede gelet op de verplichtingen ingevolge het EVRM en het Eerste Protocol daarbij – geen sprake zijn van een excessieve last bij specifieke groepen. In dit verband vragen deze leden de regering ook om tabel 6 uit de Memorie van toelichting14 van het oorspronkelijke voorstel, die ziet op de inkomenseffecten, te actualiseren.

In de nota naar aanleiding van het verslag is te lezen dat het vervallen van de aftrek voor levensonderhoud kinderen tot gevolg kan hebben dat de financiële bijdrage van de alimentatieplichtige moet worden aangepast. In de getoonde inkomenseffecten is hier geen rekening mee gehouden, zo geeft de regering aan. Een nadere bepaling van het alimentatiebedrag kan het inkomenseffect aanmerkelijk beperken voor die ouders die gebruik maken van de aftrek. Overigens is het zo dat ook andere maatregelen uit dit wetsvoorstel van invloed kunnen zijn op de hoogte van de financiële bijdrage van de alimentatieplichtige. Ook met deze invloed is geen rekening gehouden, aldus de regering. De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering om de effecten in kaart te brengen en deze – zo nodig – te duiden.

De leden van de SP-fractie ondersteunen het principe van de doelstelling het stelsel van kindregelingen te vereenvoudigen en de arbeidsparticipatie te bevorderen. De doelstelling om de regelingen te versoberen wordt evenwel niet gedeeld in een context waarin de armoede onder kinderen juist toeneemt, de crisis op zichzelf genomen volgens de Minister van Financiën voorbij is, volgens de Brusselse voorjaarsraming Nederland aan de begrotingsnorm zal voldoen, en er als het aan de coalitie ligt voor volgend jaar 500 miljoen (toevallig gelijk aan de met dit voorstel beoogde bezuiniging) beschikbaar is voor lastenverlichting voor midden en hoge inkomens. Over de effecten van deze versobering hebben deze leden dan ook nog een aantal vragen.

Voor de meeste getroffen huishoudens (79%) vallen de totale effecten op de koopkracht uit binnen de bandbreedte van – 2% tot 0. Enkele groepen vallen daar in negatieve zin buiten. Daarbij vallen vooral op: 65% van de getroffen huishoudens zonder inwonende kinderen krijgt te maken met een (beduidend) groter koopkrachtverlies, ruim een kwart van de huishoudens op het sociaal minimum krijgt te maken met een groter koopkrachtverlies en ruim een derde van de eenoudergezinnen met een minimuminkomen verliest meer dan 2% aan koopkracht. Kan de regering de bedoelde groep huishoudens zonder inwonende kinderen uitsplitsen naar inkomensgroepen (decielen of kwintielen) en daarbij aangeven hoeveel huishoudens binnen deze groepen vallen en wat voor deze inkomensgroepen het verwachte koopkrachteffect is?

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat met dit voorstel de inkomensondersteuning niet terecht komt bij de mensen die deze het hardst nodig hebben. Ouders in de bijstand gaan er nog steeds erop achteruit onder het mom «werken moet lonen». Deze leden zijn ook van mening dat werken moet lonen, maar niet door de inkomensvoorzieningen te verminderen, zodat de stap naar arbeid loont, maar door arbeid lonend te maken: met andere woorden het inkomen uit arbeid voor de laagst- en lager betaalden. Deze leden ontvangen graag de zienswijze van de regering op dit punt.

Deze leden merken op dat in de tussentijd er afspraken zijn gemaakt over lastenverlichting voor hogere inkomens. Wat doet de regering voor deze groep? Hoe ziet de koopkracht van mensen op het minimum eruit na de gemaakte afspraken door coalitie en D66, ChristenUnie en SGP?

Bij aannemen van dit wetsvoorstel door de Tweede Kamer was nog niet bekend dat de regering zou besluiten om af te zien van de huishoudentoeslag. Echter, er is in het wetsvoorstel wel rekening mee gehouden (het kindgebonden budget zou in huishoudentoeslag opgaan). Wat zijn de gevolgen? Kunnen er nog meer bezuinigingen verwacht worden? De leden van de GroenLinks-fractie vernemen graag hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt met de kostendelersnorm die geïntroduceerd wordt in de Wijzigingen Wet werk en bijstand die de Eerste Kamer in behandeling15 heeft.

Daarnaast vragen deze leden zich af waarom er, nu de huishoudentoeslag van de baan is en er gesproken wordt over herziening van het belastingstelsel, dan niet fundamenteel gekeken wordt naar hoe het eerlijker kan en daarbij ook de kindregelingen (en zorgtoeslag etc.) te betrekken.

5. Commentaar

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de regering om een reactie te geven op de brief van de Landelijke Cliëntenraad inzake het wetsvoorstel hervorming kindregelingen.16

De leden van de CDA-fractie merken op dat diverse instanties, waaronder de VNG, de regering hebben gewezen op de onduidelijkheid over de definitie van het begrip «alleenstaande ouder», die in de diverse regelingen niet eensluidend zou zijn. Kan de regering ingaan op deze opvatting, en zo nodig het begrip «alleenstaande ouder» nader definiëren?

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat naar aanleiding van de door de Eerste Kamer aangenomen Motie Ester cs.17 het Sociaal en Cultureel Planbureau (hierna: SCP) studie verricht heeft naar de maatschappelijke effecten van de bezuinigingen voor gezinnen met kinderen. Deze effecten bleken in termen van armoede en sociale uitsluiting zeer beperkt. De Begrotingsafspraken 2014 deden het SCP besluiten18 nader verbredend onderzoek minder urgent te vinden. Deelt de regering deze mening en de inschatting die daaraan ten grondslag ligt? Het SCP signaleert in het concluderend deel van de studie dat door stapelingseffecten «een aanmerkelijk grotere groep huishoudens met kinderen te maken krijgt met armoede en sociale uitsluiting». Hoe waardeert de regering deze conclusie en hoe wil het zicht krijgen op deze stapelingseffecten?

6. Overige vragen

De leden van de PvdA-fractie constateren dat in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel19 wordt ingegaan op de verantwoordelijkheden rond toegankelijk voortgezet onderwijs die voortvloeien uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) en het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (hierna: IVESCR). Een beschouwing naar aanleiding van artikel 13 IVESCR is daarmee gegeven. Deze leden ontvangen ook graag een beschouwing over de relatie van het wetsvoorstel met de IVESCR artikelen 10 en 11 (goede zorg voor gezinnen en behoorlijke levensstandaard).

Graag vernemen de leden van de PvdA-fractie ook een beschouwing van het wetsvoorstel in relatie tot de IVRK-artikelen: 12 (hoorrecht bij bestuurlijke procedures), 18 (waarborgen en bevorderen van passende bijstand aan ouders en wettige voogden bij de opvoeding), 23 (bijstand ouders opvoeding gehandicapt kind) en tenslotte 26 en 27 (sociale zekerheid en levensstandaard).

De internationale vergelijking kindregelingen20 geeft op basis van Unicef rapportages uit 2013 aan dat kinderen in Nederland het relatief goed hebben. Wel geeft de vergelijking aan dat er «kwetsbare groepen kinderen in Nederland zijn die het minder goed hebben en waar nog steeds aandacht aan moet worden besteed. Zo is volgens Unicef het aantal kinderen in de jeugdzorg toegenomen, groeit het aantal kinderen dat in armoede leeft en is het beleid jegens vreemdelingenkinderen strenger geworden.» Een recente publicatie (met medewerking van Unicef) is «kinderen in tel 2014.»21 Hierin wordt aangegeven dat het aantal kinderen dat opgroeit in een gezin dat moet rondkomen van een bijstandsuitkering is toegenomen. De leden van de PvdA-fractie constateren dat er in Nederland verschillende definities worden gehanteerd voor de situatie waarbij sprake is dat «kinderen in armoede opgroeien», onder andere van het SCP en het CBS.

De leden van de PvdA-fractie stellen in verband hiermee graag een aantal nadere vragen aan de regering. Is er overleg geweest over de gevolgen van dit wetsvoorstel met Unicef, de kinderombudsman of een vergelijkbare organisatie? Welke definitie hanteert de regering voor «kinderen die in armoede opgroeien»? En is er in Nederland sprake van een groei van het aantal kinderen dat in armoede opgroeit en/of het aantal gezinnen met kinderen in armoede?

In de verzamelbrief aan gemeenten22 is als 11e onderwerp opgenomen «Intensivering armoedebeleid voor gezinnen met kinderen», waaruit blijkt dat de extra vrijgemaakte middelen niet-geoormerkt naar de gemeenten gaan. Kan de regering aangeven in hoeverre zij verwacht dat deze middelen helpen om te voorkomen dat kinderen in armoede opgroeien in ons land? Zijn er meer relevante maatregelen om deze kinderen (via hun ouders) momenteel of in de toekomst tegemoet te komen? Zou een verdere verschuiving van bedragen tussen AKW en WKB daarbij kunnen helpen?

De leden van de SP-fractie merken op dat in het regeerakkoord van het Kabinet Rutte II de coalitiepartijen VVD en PvdA hebben besloten de kindregelingen te hervormen en te versoberen. Oogmerk van de hervorming is het stelsel te vereenvoudigen, de arbeidsparticipatie te verhogen en inkomensondersteuning te bieden waar die het hardst nodig is en dus te versoberen waar deze inkomensondersteuning in de ogen van de regering minder noodzakelijk of gewenst is. Zien de leden van de SP-fractie dit laatste juist?

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de doelstelling van de hervorming van de kindregelingen is om het stelsel te vereenvoudigen, de arbeidsparticipatie te verhogen en inkomensondersteuning te bieden «waar deze het hardst nodig is». Kan de regering uiteenzetten op welke groep(en) deze laatste zinsnede zich met name richt? Hoe verhoudt de versoberingsinsteek van het wetsvoorstel zich met deze drie meer inhoudelijke doelstellingen? Ziet de regering hier een spanning tussen en zo ja hoe wordt deze geadresseerd?

Het stelsel van elf kindregelingen wordt teruggebracht tot vier regelingen rond twee basisdoelstellingen: inkomensondersteuning (kinderbijslag, kindgebonden budget) en participatiebevordering (combinatiekorting, kinderopvangtoeslag). Er wordt gesproken van «een eindbeeld». Deze leden vernemen graag op welke termijn dit eindbeeld gerealiseerd moet zijn. Waar zitten uitvoeringstechnisch de grootste complicaties? Heeft de regering ook andere varianten overwogen?

Kan de regering de stand van zaken schetsen rond (de relatie tussen dit wetsontwerp en) het kabinetsdenken over het aanpassen van kindregelingen op de BES-eilanden?

De kindregelingen worden, ook na verdiscontering van de begrotingsafspraken 2014, aanmerkelijk hervormd. Het gaat dan om een combinatie van inhoudelijke en financiële hervorming. Hoe gaat de regering, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie, ervoor zorgen dat de omvangrijke doelgroep naar behoren en tijdig wordt ingelicht? De tekst van de memorie van toelichting is op dit punt veel te cryptisch naar de mening van deze leden.

Hebben de leden van de ChristenUnie-fractie het juist dat nog niet in een evaluatie is voorzien? Zo ja, is de regering, met deze leden, van mening dat een grondige evaluatie wenselijk is? Welke stappen worden hiertoe ondernomen? Worden ook de samenhangende gevolgen van andere maatregelen die gezinnen en kinderen in het bijzonder raken geëvalueerd?

De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid zien de antwoorden van de regering met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 23 mei 2014.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Sylvester

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Kneppers-Heijnert (VVD), Terpstra (CDA), Sylvester (PvdA) (voorzitter), Thissen (GL), Witteveen (PvdA), Nagel (50PLUS), Ruers (SP), Elzinga (SP), Koffeman (PvdD), Strik (GL), Flierman (CDA), Hoekstra (CDA), Scholten (D66), Backer (D66), De Lange (OSF), Sent (PvdA), Postema (PvdA), Van Dijk (PVV) (vice-voorzitter), Sörensen (PVV), Ester (CU), De Grave (VVD), Beckers (VVD), Swagerman (VVD), Kok (PVV), Koning (PvdA)

X Noot
2

Kamerstuk 33 716 TK, nr. 3

X Noot
3

Kamerstuk 33 716 TK, nr. 7, tabel 8, pagina 19.

X Noot
4

Kamerstuk 33 716 TK, nr. 9, pagina 11.

X Noot
5

Kamerstukdossier 33 801.

X Noot
6

Kamerstuk 33 716 TK, nr. 9.

X Noot
7

Kamerstuk 33 716 TK, nr. 3, pagina 12.

X Noot
8

Kamerstuk 33 716 TK, nr. 7.

X Noot
9

Kamerstuk 33 716 TK, nr. 7, pagina 17.

X Noot
10

Kamerstuk 33 716 TK, nr. 3.

X Noot
11

Kamerstuk 33 750 TK, nr. 19.

X Noot
12

Kamerstuk 33 716 TK, nr. 7.

X Noot
13

Kamerstuk 33 716 TK, nr. 9.

X Noot
14

Kamerstuk 33 716 TK, nr. 3.

X Noot
15

Kamerstukdossier 33 801

X Noot
16

Brief d.d. 8-5-2014, griffienr. 154681.04

X Noot
17

Kamerstuk 33 525, F.

X Noot
18

Brief d.d. 13-1-2014, griffienr. 154381.

X Noot
19

Kamerstuk 33 716 TK, nr. 3, pagina 32.

X Noot
20

Brief d.d. 9-9-2013, griffienr. 153624

X Noot
22

Brief d.d. 25-4-2014, griffienr. 155045

Naar boven