Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132740 nr. 7

32 740 Fiscale agenda

Nr. 7 VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 17 augustus 2011

Binnen de vaste commissie voor Financiën1 hebben enkele fracties de behoefte over de brief van de staatssecretaris van Financiën d.d. 14 april 2011 met de Fiscale agenda (Kamerstuk 32 740, nr. 1) en naar aanleiding van het verslag schriftelijk overleg d.d. 30 mei 2011 (Kamerstuk 32 740, nr. 3) enkele nadere vragen en opmerkingen voor te leggen.

De vragen en opmerkingen zijn op 7 juli 2011 aan de staatssecretaris van Financiën voorgelegd. Bij brief van 16 augustus 2011 zijn ze door hem beantwoord.

De voorzitter van de commissie,

Dezentjé Hamming-Bluemink

De adjunct-griffier van de commissie,

Giezen

I VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

De leden van de VVD-fractie bedanken de staatssecretaris voor de uitvoerige beantwoording van de vragen die staan beschreven in het verslag van het schriftelijk overleg inzake de Fiscale agenda en zien de nadere uitwerking van de voorstellen graag tegemoet. Ten aanzien van een aantal onderwerpen willen de leden van de VVD-fractie graag nog een opmerking maken.

Eerder hebben de leden VVD-fractie aangegeven positief te staan tegenover een verschuiving van directe naar indirecte belastingen gezien het onrechtvaardige, economisch inefficiënte en onwenselijke karakter van de (internationaal gezien) hoge Nederlandse tarieven voor de inkomstenbelasting. Deze leden hebben daarbij gevraagd naar de inkomenseffecten van een herziening van de inkomstenbelasting en is daarom verheugd dat de staatssecretaris de (kwantitatieve) effecten van een toekomstig specifiek pakket in kaart wil brengen. Vanwege het karakter van de Fiscale agenda, een discussiestuk, kan het huidige debat over de agenda volgens de leden van de VVD-fractie dan ook op hoofdlijnen vervolgd worden.

De leden van de VVD-fractie hebben laten weten in het eindbeeld voorstander te zijn van een uniform btw-tarief aangezien met de huidige situatie van hoge en lage btw-tarieven het beeld van willekeur ontstaat. Daarbij hebben deze leden aangegeven oog te hebben voor de prijs- en werkgelegenheidseffecten van dergelijke maatregelen. De staatsecretaris geeft aan dat op de langere termijn weliswaar sprake zou moeten zijn van volledige doorberekening van de eerdere btw-verlaging op bepaalde goederen en diensten, maar dat de effecten van de eerdere btw-verlaging op de korte termijn minder duidelijk zijn en afhangen van marktomstandigheden. Gezien de (op het oog willekeurige) lage btw-tarieven die slechts gedurende een korte termijn van toepassing zijn op bepaalde goeden en diensten, en prijs- en werkgelegenheidseffecten daarom tot op heden mogelijkerwijs zeer beperkt zijn geweest, blijven de leden van de VVD-fractie in het eindbeeld voorstander van uniform btw-tarief mits de budgettaire opbrengst wordt teruggesluisd naar een lagere belasting op arbeid zoals de staatssecretaris in de Fiscale agenda beoogt.

Gezien het financieel-economische klimaat kan, zoals eerder aangegeven, een verlaging van het tarief van de vennootschapsbelasting enkel geschieden door middel van grondslagverbredende maatregelen. In het KPMG rapport «Overnameholdingregime impact study» komt naar voren dat de budgettaire opbrengst van de maatregel ten aanzien van overnameholdings mogelijk groter is dan eerder geraamd. Graag zien de leden van de VVD-fractie een reactie van de staatssecretaris op dit punt. Ook vragen deze leden blijvende aandacht voor eventuele onwenselijke gevolgen voor het Nederlandse MKB.

De leden van de VVD-fractie bedanken de staatssecretaris voor de toezegging dat de door de leden van de VVD-fractie genoemde onderwerpen – de ondernemersdefinitie, het voorkomen van misbruik en wildgroei, de wenselijkheid van het urencriterium – zullen worden meegenomen in de aangekondigde verkenning naar de geïntegreerde ondernemersfaciliteit.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA

De leden van de fractie van de PvdA danken de staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen. Deze leden hebben naar aanleiding van deze antwoorden enige aanvullende vragen en opmerkingen.

Algemeen

In de inleidende woorden wordt de opmerking van de leden van de PvdA-fractie over de omvang van de overheid beantwoord. Hierbij heeft de staatssecretaris het over de relatie tussen de onzichtbare hand van Adam Smith en de interventies van de overheid. De leden van de PvdA-fractie willen er graag op wijzen dat hoewel vaak anders wordt beweerd, ook de heer Smith het belang van een regulerende overheid inzag. Aan het werk van Smith kan weliswaar een pleidooi voor veel marktwerking worden ontleend, maar naar de mening van de leden van de PvdA-fractie niet de stelling dat elke vorm van fiscaal instrumentalisme uit den boze zou zijn.

De leden van de PvdA-fractie vroegen naar de relatief kleine rol voor belastingen op onroerend goed en vroegen zich af of deze optie nog nader zou worden onderzocht. Hierop hebben deze leden nog geen bevredigend antwoord gekregen en hopen dat alsnog te kunnen krijgen.

De staatssecretaris geeft in de beantwoording ook zijn visie op het ontbreken van de termen solidariteit en milieuvriendelijkheid in de beleidsvisie over het belastingstelsel. De staatssecretaris wekt bij deze beantwoording de suggestie dat het belastingstelsel al voldoende bijdraagt aan solidariteit en milieuvriendelijkheid. Dit vinden de leden van de PvdA-fractie teleurstellend. De leden van deze fractie wijzen, gezien de mondiale problemen rond klimaat, voedsel- en grondstoffenschaarste, op de noodzaak het belastingstelsel op het punt van vergroening meer uitdagend te maken. Ten aanzien van de solidariteit merken deze leden op dat een vlak tarief van 28,5% in de winstbox schril afsteekt bij de gemiddeld aanzienlijk hogere belastingheffing op arbeid. De vraag aan de staatssecretaris in dit verband is of hij mogelijkheden ziet en bereid is om hier een evenwichtiger drukverdeling tot stand te brengen.

In de beantwoording stelt de staatssecretaris dat de hoogste inkomens in Nederland samen het grootste gedeelte van de opbrengsten van de inkomstenbelasting voor hun rekening nemen. Uit onderzoek van het CBS blijkt echter ook dat als er in plaats van naar inkomen naar vermogen wordt gekeken, de verhouding van vermogens in Nederland erg scheef is (Sociaal-Economische trends CBS, 2e kwartaal 2010, «Vermogensverdeling en vermogenspositie huishoudens»). Bijna 60% van het vermogen is in handen van slechts 10% van de huishoudens. In dit licht zijn de leden van de PvdA-fractie benieuwd naar cijfers over het percentage van de totale belastinginkomsten die deze groep voor zijn rekening neemt. Zou de staatssecretaris hier een overzicht van kunnen geven?

Belastingmix

De staatssecretaris stelt in de beantwoording over de inkomenseffecten van een verschuiving van belasting op arbeid naar belasting op consumptie, dat de effecten sterk afhangen van wat er met de opbrengsten van een hogere btw gedaan wordt. De leden van de PvdA-fractie maken uit de antwoorden van de staatssecretaris op dat hij eerst wil kijken of er draagvlak bestaat voor een lastenschuif tussen btw en IB en dat dan vervolgens gekeken kan worden naar de vormgeving daarvan. Dit miskent echter dat het gezochte draagvlak juist sterk afhangt van goed inzicht in de effecten op inkomens en werkgelegenheid. Deze leden verzoeken de staatssecretaris dan ook alsnog een overzicht van de inkomenseffecten te verstrekken bij diverse varianten van terugsluis. In het bijzonder gaat dan de aandacht uit naar de laagste inkomensgroepen, waaronder de circa 350 000 bijstandsgerechtigden. De positie van deze laatste groep is temeer kwetsbaar omdat bijstandsgerechtigden in de komende tien jaar een forse koopkrachtdaling te wachten staat als gevolg van de doorwerking van de afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon.

De staatssecretaris heeft het na vragen van de leden van de PvdA-fractie over het onderzoek van het SCP «Profijt van de overheid». Er wordt gezegd dat de resultaten van het nieuwe onderzoek in juli verwacht worden. Kan de staatssecretaris in zijn beantwoording van deze nadere vragen alsnog ingaan op de resultaten van dit nieuwe onderzoek?

De staatssecretaris geeft over de verpakkingenbelasting aan dat uit onderzoek van CE Delft blijkt dat het milieueffect verwaarloosbaar was. De leden van de fractie van de PvdA willen er op wijzen dat dit ook te verklaren is doordat de belasting relatief laag was, waardoor de resultaten van het onderzoek vertekend zullen zijn. Bovendien bestaat deze belasting nog niet lang en is de maximale milieuwinst wellicht nog niet bereikt. De vraag aan de staatssecretaris is dan ook of afschaffing in dit licht niet prematuur is.

Vennootschapsbelasting

Ter dekking van de voorgenomen tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting wordt het Bosalgat in de vennootschapsbelasting gebruikt. De leden van de PvdA-fractie zijn verbaasd dat zij hierover in de Fiscale agenda geen uitgebreide discussie gezien hebben. Was deze maatregel wel al meegenomen in de voorbereiding van de Fiscale agenda en zo ja, waarom is zij niet terug te vinden in de Fiscale agenda?

Uit de beantwoording van vragen over de renteaftrek bij overnameholdings begrijpen de leden van de PvdA-fractie dat de mogelijkheid van renteaftrek tot een bedrag van € 500 000 blijft bestaan, daarboven zal bekeken worden of er sprake is van excessieve renteaftrek. Hoe zal het begrip excessief beoordeeld worden? Naar welke criteria wordt dan gekeken en bestaat er geen risico tot willekeur omdat de opvatting over wat excessief is kan verschillen per belastinginspecteur?

De leden van de PvdA-fractie vinden het antwoord op de vragen met betrekking tot de vermogensaftrek en -bijtelling niet overtuigend. Deze leden wijzen de staatssecretaris er op dat de ervaring leert dat een verbod op nadenken en onderzoek niet bijdraagt tot rust en minder onzekerheid, maar dat het tegendeel eerder het geval is. De leden van de PvdA-fractie vragen in dit verband ook om een nadere motivering van de opmerking dat de te verwachten budgettaire derving van € 1,5 miljard «fors» is omdat hier tegenover staat dat er meer prikkels komen voor structureel gezonde financieringsverhoudingen. Waarom is deze budgettaire derving een brug te ver terwijl wel ad hoc een veel omvangrijkere verlaging van de overdrachtsbelasting wordt weggegeven zonder gelijktijdige hervorming van de woningmarkt?

De leden van de PvdA-fractie zijn teleurgesteld dat de aftopping van de mkb-vrijstelling blijkbaar niet bespreekbaar is. De leden zijn bovendien verbaasd dat kennelijk ook beoogd wordt het effectieve belastingtarief voor ondernemers nog verder te verlagen. Begrijpen deze leden de staatssecretaris goed dat daarmee ook het tarief van 28,5% in de eventuele winstbox niet het eindpunt is en dat naar verdere verlaging wordt gestreefd? Nog los van de onrechtvaardigheid ten opzichte van mensen in loondienst, vreest de staatssecretaris niet dat op deze manier steeds meer mensen zullen kiezen voor gekunstelde constructies om uit loondienst te komen en louter om fiscale reden «ondernemer» worden?

Ten aanzien van de kwestie van leefvormneutraliteit merken de leden van de PvdA-fractie opnieuw op dat het betoog van de staatssecretaris helder is. Wel erkennen deze leden dat uit de antwoorden van de staatssecretaris blijkt dat kostwinners in voorkomende gevallen relatief zwaar belast worden. Een mogelijke manier om dit te verzachten is om de afbouw van de dubbele heffingskorting te vertragen dan wel voor niet meer dan de helft doorgang te laten vinden. De vraag aan de staatssecretaris is hoe hij tegenover deze gedachte staat.

De leden van de PvdA-fractie zijn andermaal verbaasd over het moeilijk te begrijpen starre standpunt ten aanzien van de vermogensrendementsheffing in box 3. Ten aanzien van het terugbrengen van de twee peildata voor het vermogen tot één peildatum vragen deze leden zich af wat hiervan precies de toegevoegde waarde is. Tegenover een minimale vereenvoudiging staat een grotere willekeur in de meting van het vermogen, hetgeen door de burger slecht wordt begrepen en als onrechtvaardig wordt ervaren. De vraag is dan ook of de staatsecretaris deze «vereenvoudiging» alsnog wil heroverwegen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Fiscale agenda en het verslag schriftelijk overleg. De leden van de PVV-fractie danken de staatssecretaris voor de voortvarende aanpak van dit dossier.

De Fiscale agenda heeft als onder titel «naar een eenvoudige, meer solide en fraude bestendig belastingstelsel». Daarmee heeft de staatssecretaris zich een schone taak gesteld.

Op blz. 12 van de fiscale agenda staat: «Zowel de OESO (OECD) als de EU adviseren toe te werken naar een belastingmix die zo weinig mogelijk verstorend werkt. Op deze manier wordt de economische groei zo min mogelijk belemmerd. Een minder verstorende mix is te bereiken door een verschuiving van belasting op winst en inkomen naar belasting op consumptie en onroerende zaken.» Op dezelfde bladzijde wordt verwezen naar een aantal publicaties van de OECD. De leden van de PVV-fractie hebben naar aanleiding van het die publicaties en de Fiscale agenda nog een aantal (meer fundamentele) vragen en opmerkingen.

Uit de OECD-rapportage «Tax Policy reform and Fiscal consolidation» vernemen deze leden dat binnen de OECD de belastingopbrengsten als percentage van het bruto binnenlands product varieert tussen de 21% (Mexico) en 48% (Denemarken). Het gemiddelde binnen de OECD is 35%, Nederland zit daar met 38% nog steeds boven. Heeft de staatsecretaris een verklaring voor die 38% in Nederland? Ziet de staatsecretaris ruimte om die 38% te verlagen?

In het OECD-rapport «Choosing an broad base – low rate approach» spreekt de OECD zich uit voor grondslagverbreding gevolgd door verlaging van tarieven. Deze grondslagverbreding kan bereikt worden door vermindering van belastingfaciliteiten zoals aftrekposten, vrijstellingen, tegemoetkomingen, verlaagde tarieven, bevoordelende ficties en forfaits en uitstelregelingen. Belastingfaciliteiten hebben een groot aantal redenen, vaak is er sprake van een bevoordeling van een bepaalde doelgroep.

Voorbeelden van belastingfaciliteiten zijn:

  • De toepassing van het verlaagde btw-tarief voor het gebruik van gas en minerale brandstoffen voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten.

  • De vrijstelling van de landbouwgrond in het kader van de heffing van de OZB.

  • De verschillende accijnstarieven voor drank en tabaksproducten.

  • De defacto vrijstelling van auto’s met Poolse kentekens van werknemers en ondernemers die hier werk verrichten.

Dergelijke belastingfaciliteiten zijn legio, de staatsecretaris heeft ze voor de autobelastingen opgesomd.

De leden van de PVV-fractie achten het de hoogste tijd dat er stelselbreed een evaluatie plaatsvindt van belastingfaciliteiten. De OECD beveelt een periodieke doorlichting van het belastingstelsel aan. Deze leden vragen de staatssecretaris dan ook uitdrukkelijk om nogmaals aandacht te besteden aan de problematiek van de belastingfaciliteiten en daar stelselbreed over te rapporteren aan de Kamer.

Uit nadere analyse van voormeld rapport «Tax Policy reform and Fiscal consolidation» blijkt dat de OECD een volgorde heeft van «most harmfull» tot «least harmful»:

  • Corporate taxes (Winstbelastingen);

  • Personal income taxes (Inkomstenbelastingen)

  • Consumption taxes (Verbruiksbelastingen)

  • Recurrent taxes on immovable property (Belasting op onroerend goed)

De staatsecretaris verschuift alleen de belastingdruk in de eerste drie categorieën. De laatste aanbevolen categorie wordt geheel buiten beschouwing gelaten. De recente verlaging van de overdrachtbelasting is dan ook vanuit dit perspectief opmerkelijk te noemen. Belasting op onroerend goed wordt aangemerkt als «the least harmfull tax». In vergelijking met andere landen is het deel van de belastingdruk die toe te rekenen is aan belastingen op onroerende zaken relatief laag. Ziet de staatsecretaris ruimte om een deel van de belastingdruk te verschuiven in de richting van belastingen op onroerende zaken?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de antwoorden bij het schriftelijk overleg over de Fiscale agenda. Deze leden hebben nu een eerste schriftelijke ronde achter de rug, waarin de Kamer zijn eerste indrukken over de agenda heeft kunnen geven. De kern van de agenda is eenvoud, soliditeit en fraudebestendigheid. Deze uitgangspunten van de staatssecretaris delen de leden. Dit betekent echter nog niet dat de leden van de CDA-fractie zich geheel kunnen vinden in de agenda.

Achtereenvolgens wordt op de verschillende onderdelen van de Fiscale agenda ingegaan. Hierbij merken deze leden op dat het lastig is om te reageren op de voorgestelde maatregelen, aangezien de concrete uitwerking pas bij het Belastingplan 2012 komt. Als de leden van de CDA-fractie geen vragen hebben over een bepaald onderdeel, houdt dat overigens niet per definitie in dat deze leden de voorstellen ook steunen.

De belastingmix

De leden van de CDA-fractie hebben grote bezwaren bij de voorgestelde wijziging van de belastingmix. Dit punt heeft in de media ook veel aandacht getrokken. De leden vinden niet dat je dit moet doen in een periode die economisch gewoon lastig is. Zeker niet wat betreft voedsel en medicijnen. Ook al is het waarschijnlijk wel mogelijk, zoals de staatssecretaris voorstelt, om de verschuiving op verschillende manieren te laten plaatsvinden. De leden van de CDA-fractie zien hier geen heil in.

Ook vinden de leden de grenseffecten onwenselijk. De staatssecretaris geeft al aan dat er geen onderzoeken beschikbaar zijn. De leden verwachten dat deze effecten substantieel zullen zijn. De leden van de CDA-fractie willen graag weten hoe de staatssecretaris kan voorstellen om tot een uniform btw-tarief te komen, al dan niet met behoud van het lage tarief voor voedingsmiddelen, zonder onderzoek gedaan te hebben naar de grenseffecten. De leden concluderen daarom dat een dergelijke aanpassing van de belastingmix, ook voor de korte termijn, onwenselijk is. Kan de staatssecretaris aangeven welke visie hij heeft op de voorgestelde aanpassing van de belastingmix, gezien de bezwaren die door de Kamer zijn geuit?

De leden van de CDA-fractie vinden het goed dat er onderzoek gedaan wordt naar het omvormen van de grens in de kleine ondernemersregeling in de btw tot een omzetgrens. De leden wachten het resultaat van dit onderzoek af. De leden van de CDA-fractie vragen in het bijzonder aandacht voor de positie van de (podium)kunstenaars met een lage omzet, die doordat zij vanaf 1 januari of 1 juli 2011 onder het hoge btw-tarief vallen, geen gebruik meer kunnen maken van de kleine ondernemersregeling. Kan de staatssecretaris aangeven wat de gevolgen zijn van een omzetgrens in de kleine ondernemersregeling voor deze groep ondernemers?

Ook steunen de leden van de CDA-fractie het voorstel om de btw-suppleties te digitaliseren en zo een aanzienlijke vermindering van de administratieve lasten en uitvoeringskosten voor de Belastingdienst te realiseren.

Vennootschapsbelasting

Er worden twee grondslagverbredende maatregelen op de agenda geplaatst. Voor overnameholdings en de objectvrijstelling voor vaste inrichtingen.

Eerst de renteaftrekbeperkingen voor overnameholdings. De leden van de CDA-fractie vinden het goed dat de sprinkhanen worden aangepakt. Het is goed dat vreemd vermogen niet oneindig fiscaal wordt gestimuleerd. Deze renteaftrekbeperking is bedoeld voor overnames. De staatssecretaris denkt aan een verhouding van eigen vermogen versus vreemd vermogen van 2 staat tot 3. Hoe komt hij daar eigenlijk aan? Kan de staatssecretaris onderbouwen waarom is afgeweken van de verhouding 1 staat tot 3, zoals gehanteerd wordt voor de thin-capregeling?

De leden van de CDA-fractie schrikken een beetje van het antwoord dat in het wetsvoorstel gekeken wordt hoe er rekening gehouden wordt met verliesgevende bedrijven. Nu worden niet alleen sprinkhanen getroffen, maar ook bedrijven die wellicht tijdelijk verlies maken en daardoor toch net minder dan 40% eigen vermogen hebben. Dat is helemaal geen rare situatie en kan leiden tot heel veel extra belasting voor bedrijven in problemen. Graag willen de leden weten hoe de staatssecretaris precies rekening gaat houden met de tijdelijke, doch werkelijke verliezen die geleden worden in een economisch zwaardere periode. Hoe denkt de staatssecretaris over de carry forward-regeling zoals bijvoorbeeld Duitsland deze kent? De leden van de CDA-fractie verwachten een zorgvuldige uitwerking van dit probleem bij de nota naar aanleiding van het verslag.

Dezelfde zorg hebben de leden van de CDA-fractie als het gaat om de vraag of de maatregel beperkt is tot overnamerente, de beperking van overnamerente bij een management buy-out en de samenloop met de bestaande renteaftrekbeperkingen. Kan de staatssecretaris aangeven hoe deze punten zullen worden uitgewerkt in het latere wetsvoorstel? Is de staatssecretaris voornemens om de thincapregeling en de aftrekbeperking bij de verwerving of uitbreiding van een belang in een verbonden lichaam te laten vervallen? De leden willen daarnaast graag weten op welke wijze de winstsplitsing bij overnameholdings zal plaatsvinden; is dit gelijk aan de methode van winstsplitsing zoals deze gehanteerd wordt indien er bij de fiscale eenheid voorvoegingsverliezen zijn? Op welke wijze wordt er berekend met hoeveel vreemd dan wel eigen vermogen een dochtervennootschap is gefinancierd?

De invoering van de objectvrijstelling is bedoeld om meer evenwicht te krijgen tussen de belastingdruk van nationaal en internationaal opererende ondernemingen. De leden van de CDA-fractie steunen het voorstel, aangezien de huidige verliesverrekeningsmogelijkheden onredelijk uitpakken wanneer de verliezen niet meer verrekend kunnen worden met latere winsten. Wel betekent de overgang naar een objectvrijstelling een verslechtering van het vestigingsklimaat. Wat is de verwachting van de staatssecretaris van het effect van deze maatregel op het vestigingsklimaat voor Nederlandse hoofdkantoren?

Verder zouden deze leden graag willen weten met welke Europese jurisprudentie Nederland te maken krijgt als er een objectvrijstelling gaat gelden voor vaste inrichtingen, naast de problematiek van de valutaverliezen.

Tot slot een vraag over de dekking voor de verlaging van de overdrachtsbelasting. Het kabinet heeft aangegeven dat € 340 miljoen gefinancierd zal worden uit de budgettaire opbrengst van de grondslagverbredende maatregelen zoals deze geschetst zijn in de Fiscale agenda, waaronder de reparatie van het Bosalgat. De leden van de CDA-fractie willen graag weten hoe dit vorm gegeven zal worden. Is dit een nieuwe maatregel bovenop de in de Fiscale agenda genoemde maatregelen? Of houdt dit in dat de genoemde € 340 miljoen voortkomt uit de maatregelen die reeds genoemd waren in de Fiscale agenda? Indien het een nieuwe maatregel betreft, willen deze leden graag weten wat deze maatregel dan inhoudt en op welke wijze met deze nieuwe maatregel het Bosalgat gerepareerd gaat worden. Indien de € 340 miljoen voortkomt uit de reeds bekend gemaakte maatregelen, vragen de leden in hoeverre dit dan de budgettaire mogelijkheden beperkt voor de tariefsverlaging in de vennootschapsbelasting tot 24%.

IB-ondernemers

Het plan is dat de degressieve zelfstandigenaftrek wordt omgezet in een basisaftrek van € 7 200. Een belangrijk voordeel van dit plan is dat de uitvoeringskosten ook fors omlaag kunnen. Het is immers een grote vereenvoudiging. Er zijn nu (te veel) verschillende ondernemersfaciliteiten die bovendien ook uitvoeringskosten kennen, die dan natuurlijk sterk afnemen.

Opgepast moet worden voor de herverdeeleffecten van deze basisaftrek. Hierover zegt de staatssecretaris helaas niets in de beantwoording van de vragen. Dit is wel heel belangrijk. De leden van de CDA-fractie willen daarom graag weten of we niet het gevaar lopen dat ondernemers met een lage winst hier zeer forse problemen door krijgen. Vooral de categorie onder de € 20 000 (voornamelijk bij voltijd-ondernemers met lage winsten en een werkende partner).

Graag zien de leden van de CDA-fractie voor de plenaire behandeling een tabel, waarin de koopkrachteffecten voor de groep kleine ondernemers met een laag inkomen, toeslagen en een partner staat. Kan de staatssecretaris deze tabel bij de nota naar aanleiding van het verslag voegen? De leden van de CDA-fractie zijn vooralsnog niet overtuigd van de juistheid van het verlagen van de zelfstandigenaftrek voor ondernemers die toch al niet een hoog inkomen hebben.

Verkeer tussen burgers, bedrijven en Belastingdienst

De leden van de CDA-fractie vinden het van belang dat eerst de huidige systemen goed op orde zijn, alvorens er stappen worden ondernomen voor nieuwe hervormingen. Er zijn nog veel problemen met het nieuwe toeslagensysteem.

De leden van de CDA-fractie hebben grote twijfels bij de plannen om alle beboetbare feiten ook strafbaar te maken (en andersom), om het faciliteren van fiscale fraude beboetbaar te maken en om de zitting van belastingzaken openbaar te maken. De leden van de CDA-fractie vrezen voor aantasting van de rechtsbescherming van belastingplichtigen ten opzichte van de bevoegdheden van de Belastingdienst. Kan de staatssecretaris aangeven wat de achtergrond is van het plan om alle beboetbare feiten ook strafbaar te maken? Zit dit alleen in het feit dat belastingplichtigen niet strafrechtelijk vervolgd kunnen worden wanneer zij wel aangifte doen, maar niet betalen? Kan de staatssecretaris bovendien aangeven welke strafbare feiten nu niet beboetbaar zijn? Deze leden zijn verder van mening dat het oordelen of sprake is van medeplichtigheid bij fiscale fraude bij de strafrechter thuishoort en dat het aantekenen van beroep of hoger beroep na een uitspraak op een bezwaarschrift niet belemmerd moet worden doordat de belastingplichtige met naam en toenaam in de procedure wordt genoemd en deze bovendien toegankelijk is voor derden. De leden van de CDA-fractie zouden dan ook graag willen weten hoe het staat met het onderzoek van het kabinet naar de wenselijkheid van deze maatregelen.

Kan de staatssecretaris, in het kader van de rechtsbescherming van belastingplichtigen, tevens aangeven of de navordering van vrijwilligersvergoedingen van belastingplichtigen te goeder trouw (motie Omtzigt c.s. 31 066, 107) inmiddels stopgezet is? Welk proces is er in gang gezet om hierover in overleg te treden met de Nederlandse Organisatie van Vrijwilligers?

Verder hebben de leden van de CDA-fractie nog een vraag over het plan om uitbetalingen van de Belastingdienst uitsluitend te doen op één en hetzelfde bankrekeningnummer. Hoe ver is de staatssecretaris met het overleg met woningbouwcorporaties, zorgverzekeraars en kinderopvanginstellingen over een speciale rekening? Voor de leden van de CDA-fractie is dit een randvoorwaarde om over te gaan op een systeem van één bankrekeningnummer.

Overig

De leden van de CDA-fractie vinden het zeer belangrijk dat bij de Fiscale agenda rekening wordt gehouden met gezinsdraagkracht en een leefvormneutraal belastingstelsel. De staatssecretaris geeft in de Fiscale agenda aan dat hij geen mogelijkheden ziet om door middel van een omvangrijke stelselwijziging het stelsel leefvormneutraler te maken zonder dat hier aanzienlijke nadelen aan kleven. De leden van de CDA-fractie willen de staatssecretaris daarom vragen welke kleine maatregelen zouden kunnen bijdragen aan een meer leefvormneutraal belastingstelsel. In dit kader vragen de leden van de CDA-fractie nogmaals naar het overzicht van de situaties waarin het fiscaal onaantrekkelijk wordt gemaakt om te trouwen/samenwonen (trouwtax) conform de aangenomen motie Omtzigt c.s. (32 128, nr. 41).

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de fractie van D66 hebben met interesse kennisgenomen van de Fiscale agenda en de reactie van de staatssecretaris op het schriftelijk overleg. De leden willen in dit nader verslag verder ingaan op het leefvormneutraal belastingstelsel en de vennootschapsbelasting.

Vennootschapsbelasting

De leden van de fractie van D66 willen enkele aanvullende vragen stellen over de vennootschapsbelasting. Deze leden constateren dat de dekking voor de tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting wordt gedeeltelijk gevonden in de grondslagverbreding van de vennootschapsbelasting, waaronder reparatie van het Bosalgat. De leden vragen de staatssecretaris om toe te lichten hoe dit zich verhoudt tot het uitgangspunt om met de grondslagverbreding een tariefsverlaging door te voeren. Is de staatssecretaris voornemens om na 1 juli 2012 alsnog een tariefsverlaging door te voeren?

Naar aanleiding van de antwoorden hebben de leden enkele aanvullende vragen. In het verslag van het schriftelijk overleg lezen de leden dat de budgettaire opbrengst van de renteaftrekbeperkende maatregel tegen overnameholding-structuren € 165 miljoen bedraagt. In de kranten wordt gesteld dat het om een veelvoud van dat bedrag gaat. Voor de dekking van de overdrachtsbelasting wordt uitgegaan van een bedrag van € 340 miljoen. Kan de staatssecretaris aangeven waarom deze bedragen zo uiteenlopen?

In het verslag lezen de leden dat overnames van voor 1 januari 2007 worden ontzien. Blijven overnameschulden van voor deze datum die na deze datum worden geherfinancierd ook buiten deze maatregel? Daarnaast geeft de staatssecretaris aan dat de datum van 1 januari is gekozen om de nieuwe renteaftrekbeperking voor overnameholdings te laten aansluiten bij de oude renteaftrekbeperkende maatregel die per 1 januari 2007 werd afgeschaft. Waarom werd de oude renteaftrekbeperkende maatregel tegen overnameholdings afgeschaft?

De renteaftrekbeperkende maatregel tegen overnameholdingsstructuren is volgens de staatssecretaris met name gericht op excessief gefinancierde overnames van Nederlandse ondernemingen door (buitenlandse) investeerders. Waarom wordt een regulier Nederlands bedrijf dat een andere Nederlandse onderneming middels een overnameholding wenst over te nemen niet door de maatregel getroffen?

De leden constateren dat de invulling van de term «eigen winst» nog onduidelijk is.Is de «eigen winst» bijvoorbeeld inclusief de winst van andere fiscale eenheidsvennootschappen? Zo ja, dan worden veel minder Nederlandse bedrijven door de maatregel geraakt. Kan de staatssecretaris een definitie geven van «eigen winst»?

Voorts vragen de leden van de D66-fractie of  de renteaftrekbeperkende maatregel tegen overnameholdingstructuren speelt in de volgende situatie? Nederlands bedrijf leent geld om een ander Nederlands bedrijf over te nemen. Het Nederlandse bedrijf heeft voldoende eigen vermogen, de aftrek van de rente over de overnameschuld wordt niet beperkt. Nederlands bedrijf neemt vervolgens een buitenlands bedrijf (deelneming) over. Nadat het eigen vermogen van het Nederlandse bedrijf met deze deelneming is verminderd heeft het Nederlands bedrijf een negatief eigen vermogen en vervalt de aftrek van de rente over de overnameschuld in zijn geheel.

Tot slot vragen de leden de staatssecretaris om toe te lichten welke Europeesrechtelijke risico’s hij ziet rond de maatregelen. Is in het geval van een overname van een Nederlandse onderneming een buitenlandse investeerder zonder «eigen winst» in Nederland niet slechter af dan een Nederlandse investeerder met «eigen winst» in Nederland?

Leefvormneutraal belastingstelsel

De leden van de fractie van D66 zijn van mening dat er een grondige discussie nodig is over het leefvormneutraal belastingstelsel en inzicht nodig is in de keuzes die er worden gemaakt in het belastingstelsel, de inzet van verschillende instrumenten en de effecten hiervan op verschillende leefvormen. De reactie op het schriftelijk overleg beantwoordt hier maar ten dele aan.

De leden constateren dat een vraag onbeantwoord is gebleven. Het aantal alleenstaanden zal de komende jaren naar verwachting fors stijgen. Verschillende leefvormen kennen een verschillende belastingdruk. Is er onderzoek gedaan naar het effect van het toenemende aantal alleenstaanden op de belastingopbrengsten in de toekomst? Zo ja, wat zijn daarvan de uitkomsten? Zo nee, is de staatssecretaris bereid om deze analyse uit te voeren?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks

De leden van de fractie van GroenLinks hebben met belangstelling kennisgenomen van de antwoorden op de gestelde vragen over de Fiscale agenda. Helaas is een aantal vragen onbeantwoord gebleven en leiden een aantal antwoorden tot nieuwe vragen. De leden van de fractie van GroenLinks willen graag nog een antwoord op de volgende vragen.

Algemeen, hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2

Er ontbreken belangrijke voorstellen van de studiecommissie belastingstelsel om de opbrengsten meer solide te maken als een toename van de belasting op onroerend goed in de belastingmix, een versnelling van de fiscalisering van de AOW en afschaffing of inperking van de aftrekposten als hypotheekrenteaftrek, pensioenpremies en gerichte vrijstellingen in de loonbelasting. Ook ontbreken de voorstellen van de studiecommissie belastingstelsel om de belastingen milieuvriendelijker te maken als het afschaffen van het lage tarief voor rode diesel en lpg en het variabiliseren van de motorrijtuigenbelasting. Waarom neemt de staatssecretaris deze voorstellen niet mee? Kan de staatssecretaris een vergelijking maken tussen de voorstellen in de Fiscale agenda met de voorstellen van de studiecommissie belastingstelsel inclusief de effecten daarvan op soliditeit, solidariteit, economische efficiëntie, eenvoud en milieuvriendelijkheid in vergelijking?

Hoofdstuk 3

De leden van de fractie van GroenLinks hebben met interesse kennisgenomen van de alternatieve voorstellen om de belasting op arbeid te verlagen via een verschuiving naar de belasting op consumptie via verhoging van de totale btw-ontvangsten. Wat zijn de effecten op het milieu van een uniform btw-tarief van 19%? Wat zijn de effecten op het milieu van handhaving van het lage tarief op 6% en verhoging van het hoge btw-tarief van 19% naar 20%? Wat zijn de effecten op arbeidsintensieve diensten van een uniform btw-tarief van 19% en in hoeverre kunnen deze effecten worden gemitigeerd door de belastingverlaging op arbeid specifieker te richten op de eerste schijf en/of de arbeidskorting? Kan de staatssecretaris een concreet voorbeeld uitwerken van de effecten voor een kapper? Wat zijn de verwachte effecten op de inflatie van de invoering van een uniform btw-tarief van 19% en wat zijn de effecten bij een verhoging van het hoge tarief van 19% naar 20%?

De leden van de fractie van GroenLinks hebben met teleurstelling kennisgenomen van het voorstel om slechts tot een verkenning over te gaan naar de manieren om de belastinggrondslag te verbreden. Met hoeveel kunnen de belastingpercentages structureel omlaag van de verschillende schijven als de aftrekposten geleidelijk worden afgeschaft en welke potentiële effecten zouden hierdoor structureel optreden voor de economie en de werkgelegenheid?

De leden van de fractie van GroenLinks hebben met zorg kennisgenomen van de voorstellen om enkele kleine belastingen en milieubelastingen af te schaffen. De staatssecretaris geeft aan geen negatieve milieueffecten te verwachten. Deze leden zijn hier niet van overtuigd en vragen of de staatssecretaris bereid is de effecten te monitoren. De staatssecretaris geeft aan met het bedrijfsleven te overleggen over nieuwe garanties om te voldoen aan de Europese verplichtingen rondom de mate van recycling van verpakkingsafval. Wat is de inzet bij dit overleg, wat is de planning van dit overleg en zijn er al resultaten?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de ChristenUnie

Eerder hebben de leden van de fractie van de ChristenUnie geen inbreng geleverd op de Fiscale agenda. Graag willen deze leden nu nog wel enkele nadere opmerkingen maken.

In de Fiscale agenda geeft de staatssecretaris aan dat een stabiel belastingstelsel prioriteit voor dit kabinet, met als uitgangspunt onder andere eenvoud en soliditeit. Waarom dan de keuze om de overdrachtsbelasting voor slechts 1 jaar te verlagen naar 2%, temeer daar de problemen op de woningmarkt groot zijn en met een regeling van slechts 1 jaar de problemen op de huizenmarkt gewoon worden doorgeschoven en de onzekerheid blijft bestaan? Is de staatssecretaris het niet met de leden van de fractie van de ChristenUnie eens dat het beter is deze problemen op de woningmarkt structureel aan te pakken en ook de hypotheekrenteaftrek hierbij te betrekken? Dat de woningmarkt rust nodig heeft, zoals in antwoorden op vragen wordt aangegeven, kan geen argument meer zijn om stil te blijven zitten. Het kabinet kiest er zelf immers nu ook voor om in te grijpen, door de voorgestelde verlaging, en door de lange tijd van onduidelijkheid die hieraan voorafging, ook gecreëerd door uitlatingen van het kabinet?

Kan de staatssecretaris in aanvulling op zijn eigen voorstel reageren op het voorstel van de Rabobank rondom de woningmarkt, zo vragen deze leden. Erkent de staatssecretaris dat daarmee twee problemen worden aangepakt, namelijk de grote schuldenlast, zoals ook door de OESO en het IMF wordt aangegeven en verbeteren van de doorstroming op de woningmarkt door afschaffen van overdrachtsbelasting? Kan de staatssecretaris aangeven hoe de bankenbelasting, die onder andere de dekking vormt voor genoemd voorstel voor tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting, wordt vormgegeven?

Afschaffen afvalstoffenbelasting

De leden van de fractie van de ChristenUnie zien geen voordelen in het afschaffen van de afvalstoffenbelasting. Deze belasting heeft lage uitvoeringskosten en administratieve lasten en is nog steeds effectief in het voorkomen van onnodig storten van afval. Als de economie aantrekt zal ook de hoeveelheid afval toenemen en zal het belang van de stortbelasting weer toenemen. Deze leden vinden dat fiscale maatregelen zoveel mogelijk het recyclen van afvalstoffen moeten ondersteunen en ertoe bij moeten dragen dat afval zo hoog mogelijk op de ladder van Lansink wordt verwerkt. Deze leden zien mogelijkheden om de afvalstoffenbelasting aan te scherpen zodat recycling nog meer wordt gestimuleerd. Klopt het, zo vragen deze leden, dat hergebruik, nuttige toepassing en verbranding van gevaarlijk afval juist is toegenomen sinds per 1 januari 2010 de belastingtarieven voor gevaarlijke afvalstoffen zijn verhoogd en dat dit niet is gelukt middels handhaving in de jaren ervoor? De leden van de ChristenUnie-fractie kunnen zich voorstellen dat de lage stortbelasting op nul wordt gesteld omdat dit het storten van niet herbruikbaar en niet brandbaar afval betreft, dat ook volgens het Landelijk Afvalbeheerplan dient te worden gestort. Zo wordt voorkomen dat deze stromen als gevolg van de afvalstoffenbelasting in het leefmilieu of via ongewenste routes in het buitenland terecht komen. Deze leden onderschrijven de voorwaarde dat maatregelen er niet toe mogen leiden dat een toename van het storten van de hoeveelheid herbruikbare of verbrandbare afvalstoffen. De leden van de ChristenUnie-fractie stellen in aanvulling daarop voor dat als voorwaarde wordt toegevoegd dat voor minerale afvalstoffen het huidige recyclingvolume tenminste gehandhaafd dient te blijven en dat voor grond de interventiewaarde wordt aangescherpt tot de hergebruiknorm.

Winstbox

Een van de zaken die opvielen in de Fiscale agenda is de winstbox-gedachte. Dit roept direct allerlei vragen op over welke grondslagversmallers daarbij dan zullen vervallen ten gunste van een lager tarief. De uitwerking hiervan door de staatssecretaris blijft echter summier; daar praten deze leden graag nog verder met de staatssecretaris over door zodra de nadere uitwerking gereed is.

Bij de leden van de ChristenUnie-fractie leeft de vraag of bij familiebedrijven met relatief lage inkomens de afschaffing van zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling niet bovengemiddeld hard aan komt. Deze leden zien graag een nadere onderbouwing van de gevolgen van afschaffing tegemoet voor de verschillende soorten bedrijven, waaronder familiebedrijven.

De gedachte overdenkende van de winstbox waarin een aanmerkelijk lager tarief zou gaan gelden bracht de leden van de ChristenUnie-fractie op de vraag of het daarbij niet passend en mogelijk zou zijn om een aantal «doorschuiffaciliteiten» af te schaffen. De overdrager van een onderneming zou dan, ook in combinatie met de stakingslijfrenteaftrek-regeling, in het algemeen toch redelijk uit de voeten moeten kunnen? Het zou toch een wat gezonder systeem zijn als ondernemer-persoon in kwestie bij beëindiging door hemzelf tegen een eerlijk tarief kan afrekenen waarna zijn opvolger met een schone lei begint, in plaats van het stimuleren van doorschuiven in geval van overdracht, waardoor fiscale claims vele jaren worden doorgeschoven en maar niet tot afrekening komen. Is de staatssecretaris bereid deze optie te verkennen, ook vanuit zijn inzet voor een eenvoudiger en solider stelsel?

In de eerste voorzichtige uitwerking van een winstbox noemt de staatssecretaris als nadeel van een winstbox met een relatief laag tarief het grote verschil met DGA's die hun onderneming in BV-vorm exploiteren. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de staatssecretaris of het niet een optie om dat verschil in fiscale positie te neutraliseren door enerzijds het tarief in de winstbox iets hoger vast te stellen en het aanmerkelijk belangtarief van thans 25% wat terug te brengen, bijvoorbeeld naar 20%? Dan behoud je het voordeel van een relatief laag tarief over IB-winsten zonder al te veel faciliteiten en houdt je anderzijds het verschil met de belastingheffing bij BV's klein. Graag een reactie van de staatssecretaris.

II REACTIE VAN DE STAATSSECRETARIS

Algemeen

Uit onderzoek van het CBS blijkt dat bijna 60% van het vermogen in handen is van slechts 10% van de huishoudens. In dit licht zijn de leden van de fractie van de PvdA benieuwd naar cijfers over het percentage van de totale belastinginkomsten die deze groep voor zijn rekening neemt. Er zijn echter geen gegevens beschikbaar over welk deel van alle belastingen (benzineaccijns, tabaksaccijns, BTW etc.) door de 10% meest vermogende huishoudens wordt opgebracht. Uit gegevens van het CBS kan wel worden afgeleid dat de BTW niet zorgt voor een herverdeling. Uit de gegevens van de Belastingdienst over de inkomstenbelasting blijkt dat de 10% huishoudens met het hoogste inkomen circa 58% van de totale inkomstenbelasting betaalt en circa 52% van box 3, de inkomstenbelasting op vermogen. Uit deze cijfers blijkt dus dat er een sterke correlatie is tussen inkomen en vermogen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of inmiddels kan worden ingegaan op de resultaten van nieuw SCP-onderzoek naar het profijt van de overheid dat in juli werd verwacht. Een nieuwe versie van «Profijt van de overheid» van het SCP is op 8 augustus jl verschenen. Hierin is echter het nadeel dat burgers ondervinden door heffingen van de overheid niet opgenomen, vanwege het nog niet beschikbaar zijn van de benodigde microgegevens. Dit is juist het onderdeel waar de leden van de fractie van de PvdA graag een reactie op zouden ontvangen. In een later stadium wil het SCP overigens de totale herverdeling, inclusief het nadeel van de overheid in beeld brengen. Een datum is nog niet bekend.

Uit de OESO-rapportage «Tax Policy reform and Fiscal consolidation» vernemen de leden van de fractie van de PVV dat binnen de OESO de belastingopbrengsten als percentage van het bruto binnenlands product gemiddeld 35% is. Nederland zit daar met 38% boven. Met een percentage van 38 % scoort Nederland 1,2%-punt hoger dan het EU27-gemiddelde en 1,5%-punt lager dan het EU-gemiddelde van de oude EU-lidstaten. In vergelijking met alle OESO-landen heeft Nederland dus een hoge belastingdruk en vergeleken met de «oude» EU-lidstaten een lage belastingdruk. De verklaring van het hogere percentage in Nederland en de «oude» EU-lidstaten is te vinden in de zogenoemde «non-tax compulsory payments». In het geval van Nederland zijn dat bijvoorbeeld de ziektekosten- en pensioenpremies. Deze zijn premies zijn relatief hoger dan in andere landen maar daar staat tegelijkertijd ook een hoger voorzieningsniveau tegenover. Voor een verlaging van de belastingdruk is er op dit moment budgettair geen ruimte.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen zich af of de optie van een grotere rol voor belastingen op onroerend goed nog wordt onderzocht. De leden van de fractie van de PVV vragen of ik ruimte zie om een deel van de belastingdruk te verschuiven in de richting van belastingen op onroerende zaken; zij verwijzen daarbij naar het rapport «Tax Policy reform and Fiscal consolidation» van de OECD. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen voorts waarom het kabinet de keuze heeft gemaakt om de overdrachtsbelasting slechts voor één jaar te verlagen in plaats van te kiezen voor een structurele aanpak van de problemen op de woningmarkt en daar ook de hypotheekrenteaftrek bij te betrekken. In dit verband vragen deze leden naar mijn reactie op het voorstel van de Rabobank rondom de woningmarkt. Met een dergelijke aanpak zouden twee problemen worden aangepakt, te weten de schuldenlast en de doorstroming op de woningmarkt door het afschaffen van de overdrachtsbelasting, aldus deze leden.

Zoals de leden van de genoemde drie fracties bekend zal zijn, staat in het advies van de Studiecommissie belastingstelsel het voorstel om de eigen woning over te hevelen van box 1 naar de box waarin de andere vermogensbestanddelen zijn ondergebracht, te weten box 3. Ook de Heroverwegingswerkgroep wonen heeft dit als voorstel gedaan, in combinatie met het vervangen van de overdrachtsbelasting door een bezitsbelasting. Ook opties als (verplicht) annuïtair aflossen zijn daarbij de revue gepasseerd, zoals later ook door de Rabobank zijn gedaan.

Het kabinet heeft bij zijn aantreden deze en andere rapporten met vergelijkbare toekomstvisies gezien. Tegelijkertijd heeft het kabinet geconstateerd dat de woningmarkt in verband ook met de economische crisis op slot is geraakt, dat het vertrouwen van kopers in de markt was afgenomen terwijl hun angst voor toekomstige voor hen negatieve financiële ontwikkelingen ook op fiscaal terrein toenam. Dit mede door de discussies die zijn gevoerd over het afschaffen of verminderen van de hypotheekrenteaftrek en hetgeen in partijprogramma’s daarover naar voren is gebracht. Het kabinet heeft dan ook gemeend dat een heel duidelijk signaal op zijn plaats was om dat vertrouwen te herstellen en de doorstroming te stimuleren en heeft consequent aangegeven dat het niet zou gaan morrelen aan de hypotheekrenteaftrek, zoals ook de inzet was van de partijprogramma’s van de drie bij het kabinet betrokken partijen. In de recent uitgebrachte Woonvisie is dat nog eens expliciet aangegeven. Dat is ook de achtergrond van de omstandigheid dat in de Fiscale Agenda geen voorstellen worden gedaan voor aanpassing van de fiscale behandeling van de eigen woning.

Diverse crisismaatregelen zijn getroffen op het terrein van de woningmarkt om met name doorstromers te steunen die al een nieuwe woning hadden gekocht, maar hun oude niet verkocht konden krijgen, zoals het verlengen van de termijn van de dubbele hypotheekrenteaftrek en de mogelijkheid van het herleven van de hypotheekrenteaftrek na verhuur. Om de schuldpositie van kopers met een hypothecaire lening te verbeteren, is vanaf 1 augustus de bankenmaatregel van kracht die een maximum stelt aan de «loan to value» en bepaalt dat slechts 50% van de lening aflossingsvrij mag zijn.

Niettemin kwam de doorstroming nog steeds niet goed op gang, ook al is in feite op dit moment sprake van een ideale startersmarkt. Het kabinet heeft dan ook gemeend dat een rigoureuze ingreep op zijn plaats was om de markt de benodigde zet te geven: een tijdelijke forse verlaging van de overdrachtsbelasting. Deze maatregel – zo blijkt – mist zijn uitwerking niet: alleen al in juli is het aantal verkopen toegenomen met 15% ten opzichte van vorig jaar, aldus de Nederlandse Vereniging van Makelaars.

De leden van de fractie van de PvdA vinden het teleurstellend dat ik van mening ben dat de voorstellen van de Fiscale agenda goed passen bij het streven naar solidariteit en dat het belastingstelsel al voldoende bijdraagt aan milieuvriendelijkheid. Naar de mening van deze leden is het juist nodig dat het stelsel op het punt van vergroening meer uitdagend moet worden gemaakt. De Studiecommissie Belastingstelsel heeft echter geconcludeerd dat Nederland het beste kan inzetten op internationaal gecoördineerde fiscale vergroening en dat verdere unilaterale vergroening weinig effectief en efficiënt is. Ik volg deze conclusie in grote lijnen, met de kanttekening dat de afspraken uit het Regeerakkoord omtrent de SDE+-heffing (nu bekend als opslag duurzame energie) al een behoorlijke verdere vergroening van het belastingstelsel impliceren.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom een aantal voorstellen van de Studiecommissie Belastingstelsel niet zijn meegenomen en of het mogelijk is om een vergelijking te maken tussen de voorstelen van de Studiecommissie en de Fiscale agenda. Zoals ik heb aangegeven in het verslag van het schriftelijk overleg2 was het doel van de Fiscale agenda niet om een integrale reactie te geven op de voorstellen van de Studiecommissie. Deze voorstellen zijn als input gebruikt bij het opstellen van de Fiscale agenda. De Fiscale agenda bevat de visie en de prioriteiten van het kabinet. Daarover wil het kabinet verder discussiëren.

Belastingmix

De leden van de fractie van de PvdA hebben verzocht een overzicht te verstrekken van de inkomenseffecten bij diverse varianten om de belastingmix van de belasting op arbeid naar belasting op consumptie te verschuiven. In het bijzonder gaat de aandacht van deze leden uit naar de laagste inkomensgroepen, waaronder de circa 350 000 bijstandsgerechtigden. Ik merk in eerste instantie op dat heel veel verschillende varianten van een belastingschuif denkbaar zijn met elk hun eigen inkomenseffecten. In onderstaande tabellen heb ik de inkomenseffecten van twee varianten in beeld gebracht uitgaande van een uniformering van de BTW op 19%, met uitzondering van voedingsmiddelen. Deze blijven in het verlaagde tarief van 6%. De opbrengst wordt teruggesluisd door verlaging van belastingen op arbeid. Daarbij gaat het om een schuif van ongeveer 4,4 miljard euro. In de eerste variant is een pakket samengesteld waarbij de inkomenseffecten voor verschillende groepen zoveel mogelijk wordt beperkt. In deze variant blijft er nog 0,6 miljard euro van de 4,4 miljard euro beschikbaar voor bedrijven en 0,3 miljard euro voor lastig te bereiken groepen. Dit levert het volgende beeld op. Bij dit beeld is nog geen rekening gehouden met het bedrag van 0,3 miljard euro dat overblijft. De aanwending van dat bedrag zal de minnen in dit beeld voor het grootste deel kunnen wegnemen:

Tabel 1: BTW terugsluis: Inkomensneutraal

Koopkrachtcijfers

BTW 19% ex voedsel

euro per maand

BTW 19% ex voedsel

% besteedbaar

Reparatie

Totaal

Actieven:

       

Alleenverdiener met kinderen

       

modaal

– 29

– 1¼

0

2 x modaal

– 47

– 1¼

¼

Tweeverdieners

       

modaal + ½ x modaal met kinderen

– 27

– 1¼

0

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

– 46

– 1¼

0

modaal + modaal zonder kinderen

– 25

– 1¼

¼

2 x modaal + modaal zonder kinderen

– 44

– 1¼

¼

Alleenstaande

       

minimumloon

– 17

– 1¼

¼

modaal

– 25

– 1¼

¼

2 x modaal

– 44

– 1¼

0

Alleenstaande ouder

       

minimumloon

– 24

– 1¼

¼

– 1¼

modaal

– 33

– 1¼

– ¼

         

Inactieven:

       

Sociale minima

       

paar met kinderen

– 21

– 1¼

¼

alleenstaande

– 12

– 1¼

½

alleenstaande ouder

– 20

– 1¼

0

AOW (alleenstaand)

       

(alleen) AOW

– 14

– 1¼

¾

– ½

AOW +10000

– 18

– 1¼

0

AOW (paar)

       

(alleen) AOW

– 19

– 1¼

1

– ½

AOW +10000

– 28

– 1¼

– ¼

De tweede terugsluisvariant is zo vorm gegeven dat de arbeidsparticipatie zoveel mogelijk wordt bevorderd. Deze variant zal naast grotere werkgelegenheidseffecten tevens leiden tot meer denivellering. Ook in deze variant is er 0,6 miljard euro over voor het bedrijfsleven.

Tabel 2: BTW terugsluis: Activerend

Koopkrachtcijfers

BTW 19% ex voedsel

euro per maand

BTW 19% ex voedsel

% besteedbaar

Reparatie

Totaal

Actieven:

       

Alleenverdiener met kinderen

       

modaal

– 29

– 1¼

0

2 x modaal

– 47

– 1¼

Tweeverdieners

       

modaal + ½ x modaal met kinderen

– 27

– 1¼

1

– ½

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

– 46

– 1¼

¾

modaal + modaal zonder kinderen

– 25

– 1¼

¼

2 x modaal + modaal zonder kinderen

– 44

– 1¼

Alleenstaande

       

minimumloon

– 17

– 1¼

¼

– 1¼

modaal

– 25

– 1¼

¼

2 x modaal

– 44

– 1¼

3

Alleenstaande ouder

       

minimumloon

– 24

– 1¼

0

– 1¼

modaal

– 33

– 1¼

0

         

Inactieven:

       

Sociale minima

       

paar met kinderen

– 21

– 1¼

¼

– 1¼

alleenstaande

– 12

– 1¼

¼

– 1¼

alleenstaande ouder

– 20

– 1¼

¼

– 1¼

AOW (alleenstaand)

       

(alleen) AOW

– 14

– 1¼

¼

– 1¼

AOW +10000

– 18

– 1¼

¾

– ¾

AOW (paar)

       

(alleen) AOW

– 19

– 1¼

¼

– 1¼

AOW +10000

– 28

– 1¼

¼

– 1¼

Zoals hiervoor aangegeven zijn er ook vele andere varianten denkbaar, bijvoorbeeld de in de Fiscale agenda voorgestelde beperkte verhoging van het lage BTW-tarief met 2%. De inkomenseffecten van een dergelijke variant zijn qua richting vergelijkbaar maar qua grootte veel kleiner dan in bovenstaande tabellen is weergegeven.

De leden van de fractie van de PVV vragen aandacht voor grondslagverbreding en tonen zich daarbij voorstander van een stelselbrede evaluatie. Het verheugt mij dat de leden van de fractie van de PVV van mening zijn dat het goed is om te bekijken waar de mogelijkheden liggen tot grondslagverbreding. Dit ondersteunt naar mijn mening de lijn die is uitgezet in de Fiscale agenda. In de Fiscale agenda is aangekondigd dat het kabinet zal bekijken welke grondslagverbreding en beperking van het aantal heffingskortingen in de inkomstenbelasting wenselijk is. Daarbij wil het kabinet onderzoeken of er regelingen zijn waar de fiscale ondersteuning wellicht is doorgeschoten3 en/of er ruimte kan worden gevonden voor vereenvoudiging. In de niet-winstsfeer wil het kabinet gebruik maken van een thematische aanpak waarbij de beoordeling plaatsvindt in brede samenhang met de beleidsterreinen waar de grondslagversmallers en heffingskortingen op zien. Hierbij wordt gedacht aan onder andere de fiscale regelingen binnen de thema’s kindregelingen, ouderen, stimulering doorwerken tot AOW-leeftijd, alimentatie en de zorg. De grondslagversmallers op het terrein van de levensloop- en spaarloonregeling komen aan bod bij de uitwerking van de vitaliteitsregeling. De grondslagversmallers in de winstsfeer worden betrokken bij de verkenning naar een winstbox waarbij verschillende faciliteiten kunnen opgaan in een lager tarief. Verder is in de Fiscale agenda aangegeven dat het kabinet voorstander is van het standaardgebruik van een horizonbepaling bij de introductie van een nieuwe grondslagversmaller waarbij een evaluatie aan het einde van de horizon wordt voorgeschreven. Ten slotte is er los van de Fiscale agenda een dekkende agenda van evaluatie van belastinguitgaven. De planning daarvan is in oktober 2010 gemeld aan de Kamer naar aanleiding van vragen die zijn gesteld door de Vaste Commissie van Financiën en de BOR over de beleidsdoorlichting evaluatie belastinguitgaven4. De evaluaties van de belastinguitgaven wordt ook zoveel mogelijk in het kader van een bredere beleidsdoorlichting geplaatst.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar mijn visie over de voorgestelde aanpassing van de belastingmix, gezien de bezwaren die door uw Kamer zijn geuit. Zoals in de Fiscale agenda is aangegeven is het kabinet in beginsel voorstander van een verschuiving van de belastingmix van directe naar indirecte belastingen. Daarbij is een aantal mogelijke opties voor aanpassingen van de belastingmix gepresenteerd. Hierbij is nog geen concreet voorstel gedaan omdat het kabinet eerst met uw Kamer de discussie wil aangaan over (on)wenselijkheid van deze opties. Naar mijn mening is deze discussie pas begonnen. Zo zal bijvoorbeeld eerst nog het mondeling overleg met uw Kamer over de Fiscale agenda moeten worden gevoerd. Na dat overleg zal ik in overleg met de andere leden van het kabinet bekijken welke vervolgstappen met betrekking tot de belastingmix zullen worden gezet.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de effecten van een uniform BTW-tarief van 19% op milieu en arbeidsintensieve diensten en daarbij in het bijzonder kappersdiensten. Daarnaast is gevraagd naar de verwachte effecten op de inflatie van de invoering van een uniform BTW-tarief van 19% en een verhoging van het hoge tarief van 19% naar 20%. De effecten van een uniform BTW-tarief van 19% op het milieu zijn niet bekend. Een uniform BTW-tarief in combinatie met terugsluis van de belastingopbrengst via lagere inkomstenbelasting zal een verwaarloosbaar effect op de totale consumptie hebben. Voor de prijsverhoging van producten als gevolg van hogere BTW wordt immers gecompenseerd door een hoger besteedbaar inkomen als gevolg van lagere inkomstenbelasting. Wel is er sprake van dat producten en diensten die nu onder het verlaagde tarief vallen relatief duurder worden ten opzichte van andere producten waarvoor nu al het standaardtarief geldt. Of deze relatieve prijsstijging zal leiden tot een consumptiepatroon met positieve gevolgen voor het milieu is niet bekend.

De effecten van het verlaagde BTW-tarief voor arbeidsintensieve diensten op de werkgelegenheid in de sectoren waarvoor het verlaagde tarief geldt zijn onderzocht in het evaluatierapport van het verlaagde tarief op arbeidsintensieve diensten5. In dit evaluatierapport kon niet worden aangetoond dat het verlagen van het BTW-tarief heeft geleid tot groei van werkgelegenheid in de sector van arbeidsintensieve diensten. Het CPB concludeert in een contra-expertise6 dat er sprake is van positieve effecten op de werkgelegenheid. Alles overziend lijkt het wetenschappelijk en statistisch uitermate lastig is om een gefundeerde uitspraak te doen over de effecten van het verlaagde BTW- tarief op de werkgelegenheid in de betreffende sectoren. Andersom geldt dat het niet eenvoudig is een uitspraak te doen over de werkgelegenheidseffecten van het invoeren van een uniform BTW-tarief van 19% voor de desbetreffende sectoren. Daarbij kan worden opgemerkt dat tegenover eventuele afname van werkgelegenheid in sectoren waarin het BTW-tarief wordt verhoogd, een mogelijke werkgelegenheidsgroei staat in sectoren die momenteel al met het standaard BTW-tarief worden belast. Deze laatste sectoren worden namelijk relatief voordeliger ten opzichte van de sectoren die momenteel een verlaagd BTW-tarief kennen.

De in bovenstaande alinea genoemde effecten hebben betrekking op de vraagzijde van de arbeidsmarkt als gevolg van een verandering van relatieve prijzen. Voor een beoordeling van het totale werkgelegenheidseffect is echter ook de vormgeving van de terugsluis, en de doorwerking daarvan op de aanbodzijde van de arbeidsmarkt relevant. Zoals ik in de Fiscale agenda heb aangegeven is het goed denkbaar om de terugsluis in te zetten voor een verlaging van de IB-tarieven en/of een verhoging van de arbeidskorting. Met een dergelijk pakket kan een positief werkgelegenheidseffect van enige tienduizenden banen worden bereikt. De vormgeving van de terugsluis van de opbrengst van het uniforme tarief is dus in sterke mate bepalend voor de totale werkgelegenheidseffecten. Dat is dan ook het antwoord op de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks in hoeverre de effecten van een uniform BTW-tarief van 19% kunnen worden gemitigeerd door de belastingverlaging op arbeid specifieker in te richten op de eerste schijf en/of de arbeidskorting.

De verhoging van het verlaagde tarief tot 19% leidt tot een prijsstijging van circa 12% op diensten van een kapper die momenteel onder het verlaagde tarief vallen. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat een verhoging van het BTW-tarief door kappers aan de consument in rekening wordt gebracht. De mate waarin de stijging van de prijzen leidt tot een afname van de afzet is afhankelijk van de prijselasticiteit van de afzet. Zoals hiervoor beschreven zijn dergelijke effecten niet in beeld. De verwachte effecten op de inflatie als gevolg van een uniform btw-tarief van 19%, welke ook van toepassing is op voedingsmiddelen, is circa 2,85%. De uniformering van het tarief inclusief een verhoging van het tarief naar 20%, maar waarbij alleen voor voedingsmiddelen (exclusief horeca) een verlaagd btw-tarief blijft gelden, leidt tot een prijsstijging van circa 3%.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoeveel de belastingpercentages van de verschillende schijven structureel omlaag kunnen als de aftrekposten geleidelijk worden afgeschaft en wat de potentiële structurele effecten hiervan zijn voor de economie en de werkgelegenheid. Deze vraag is reeds aan de orde geweest in het verslag van het schriftelijk overleg. Zonder nadere informatie over de keuze in de af te bouwen aftrekposten, de vormgeving van de geleidelijke afbouw en de keuze in de wijze van terugsluis van de bij de afschaffing vrijkomende budgettaire middelen, kan ik niet meer doen dan verwijzen naar het rapport van de Studiecommissie belastingstelsel waarin de gevolgen voor de inkomensverdeling en de arbeidsmarkt in kaart zijn gebracht van een vijftal varianten van afschaffing en/of aanpassing van aftrekposten en heffingskortingen in de inkomstenbelasting met een specifieke keuze voor de terugsluis7 en naar de eerdere tariefindicatie die is gemaakt in het kader van de winstbox8.

De leden van de fractie van de PvdA vragen zich af of afschaffing van de verpakkingenbelasting niet te prematuur zou zijn omdat de maximale milieuwinst wellicht nog niet bereikt is. Het klopt dat de beperkte milieuwinst voor een deel is te verklaren doordat de verpakkingenbelasting relatief laag is. Om die reden heeft de Studiecommissie belastingstelsel geadviseerd om de verpakkingenbelasting af te schaffen of flink te verhogen. Dit kabinet kiest niet voor een flinke verhoging maar voor afschaffing omdat dit past bij een eenvoudiger belastingstelsel met een minder aantal belastingen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of ik bereid ben om de milieueffecten van de afschaffing van enkele kleine belastingen en milieubelastingen te monitoren. Het effect op het milieu van de afschaffing van deze belastingen is naar verwachting zeer beperkt. Het te bereiken milieueffect kan ook door inzet van andere instrumenten bereikt worden. Mocht het tot afschaffing komen dan zal uiteraard bekeken worden welke effecten dit met zich meebrengt.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen voorts naar de inzet, planning en resultaten van het overleg met het bedrijfsleven over nieuwe garanties om te voldoen aan de Europese verplichtingen rondom de mate van recycling van verpakkingsafval. De inzet bij dit overleg is het vinden van een oplossing om te voldoen aan de Europese rapportageverplichtingen zoals neergelegd in het Besluit verpakkingen en het behalen van de doelstellingen rondom de mate van recycling van verpakkingsafval. Hierbij is van belang dat de verplichtingen met zo weinig mogelijk administratieve lasten worden ingevuld. De gesprekken met het verpakkende bedrijfsleven zijn nog gaande. Er is een inventarisatie gemaakt van verschillende mogelijkheden voor het opzetten van een alternatieve registratie. Momenteel worden deze mogelijkheden besproken. Er is nog geen keuze gemaakt uit de verschillende alternatieven.

De leden van de fractie van de ChristenUnie merken op dat zij geen voordelen zien in het afschaffen van de afvalstoffenbelasting en geven aan welke mogelijkheden zij zien om deze belasting aan te scherpen zodat recycling nog meer wordt gestimuleerd. Zo wordt voorgesteld het lage tarief op nul te stellen en voor minerale afvalstoffen en grond aanvullende voorwaarden te stellen. Daarnaast vragen deze leden of het klopt dat hergebruik, nuttige toepassing en verbranding van gevaarlijk afval is toegenomen sinds per 1 januari 2010 de belastingtarieven voor gevaarlijk afval zijn verhoogd en dat dit niet is gelukt door middel van handhaving in de jaren ervoor.

Het primaire doel van de afvalstoffenbelasting is het genereren van algemene middelen ter bekostiging van de overheidsuitgaven. Gelet op de fors gedaalde opbrengst van de afvalstoffenbelasting zijn vraagtekens gezet bij de toekomst van deze belasting. Bedroeg de opbrengst een paar jaar geleden nog € 177 miljoen, in 2010 was de opbrengst gedaald tot € 42 miljoen (€ 17 miljoen lager dan geraamd). De opbrengst in het eerste halfjaar van 2011 is ongeveer een derde lager dan in dezelfde periode in 2010. Ondanks de groeiende Nederlandse economie, lijkt de dalende trend zich dus voort te zetten. De afname wordt waarschijnlijk verklaard doordat er in Nederland inmiddels sprake is van een overcapaciteit bij afvalverbrandingsinstallaties (er was lange tijd te weinig capaciteit, waardoor vaker een ontheffing van het stortverbod werd verleend). Ook andere oorzaken kunnen een rol hebben gespeeld, zoals een toename van de hoeveelheid gerecyclede of uitgevoerde afvalstoffen. Het op nul zetten van het lage tarief, een voorstel van de leden van de fractie van de ChristenUnie, zou leiden tot een halvering van de opbrengst zonder dat een vermindering van de administratieve lasten en uitvoeringskosten optreedt. Ik zie derhalve meer in het in zijn geheel afschaffen van de afvalstoffenbelasting, zodat de administratieve lasten en uitvoeringskosten verdwijnen en het belastingstelsel eenvoudiger wordt.

Zoals eerder richting uw Kamer aangegeven, zal de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu in een brief over afval nader ingaan op de vraag hoe een toename van de hoeveelheid gestorte afvalstoffen kan worden voorkomen na afschaffing van de afvalstoffenbelasting. Deze brief wordt eind augustus verwacht. Informatie over de hoeveelheid gevaarlijk afval die in 2010 in Nederland is gestort en verbrand, zal dit najaar beschikbaar komen in een rapportage van de Werkgroep Afvalregistratie: «Afvalverwerking in Nederland, gegevens 2010». Bij het gevaarlijk afval kunnen eventuele veranderingen ten opzichte van voorgaande jaren van diverse factoren afhankelijk zijn, zoals de toegenomen verbrandingscapaciteit in Nederland, het beschikbaar komen van alternatieve verwerkingstechnieken en toegenomen uitvoer. Ook wijzigingen in de afvalstoffenbelasting kunnen tot verandering hebben geleid. Het is echter niet mogelijk om per factor aan te geven tot welke veranderingen dit heeft geleid.

Vennootschapsbelasting

De leden van de fractie van de VVD vragen een reactie op de Impact Study van KPMG waaruit naar voren komt dat de opbrengst van de overnameholdingbepaling mogelijk groter is dan geraamd. Het door deze leden gememoreerde rapport bevat de voorlopige resultaten van een onderzoek naar de te verwachten impact van de invoering van een overnameholdingbepaling. Overleg met KPMG over de bij dit onderzoek gehanteerde uitgangspunten heeft tot de gezamenlijke conclusie geleid dat die impact veel kleiner is dan die voorlopige resultaten aangeven. Het is mogelijk dat de uiteindelijke vormgeving van de maatregel in het Belastingplan de geraamde opbrengst uit de Fiscale agenda nog beïnvloedt.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of in de voorbereiding van de Fiscale agenda het dichten van het Bosalgat ter dekking van de tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting al was meegenomen. De tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting en de dekking daarvan waren bij de totstandkoming van de Fiscale agenda nog niet aan de orde.

De leden van de fractie van de PvdA vragen om een nadere motivering van de opmerking dat de te verwachten budgettaire derving van de invoering van een vermogensaftrek- en bijtelling van ca. € 1,5 miljard «fors» is omdat hier volgens deze leden tegenover staat dat er meer prikkels komen voor structureel gezonde financieringsverhoudingen. Verder vragen deze leden waarom deze budgettaire derving een brug te ver is terwijl het budgettaire beslag van de verlaging van de overdrachtsbelasting omvangrijker is. Voor de invoering van een vermogensaftrek en -bijtelling zou budgettaire dekking moeten worden gezocht. Gesteld dat deze dekking gezocht moet worden in de vennootschapsbelasting, ligt een verhoging van het Vpb-tarief voor de hand. Een tariefverhoging staat haaks op het Regeerakkoord waarin wordt ingezet op een tariefverlaging en is bovendien slecht voor het Nederlandse vestigingsklimaat. De prikkel om te komen tot gezondere financieringsverhoudingen weegt hier niet tegenop. Zeker omdat een dergelijke prikkel ook (deels) kan worden bereikt door aanpassing van de regels voor de aftrek van rente, zoals de invoering van een aftrekbeperking voor overnameholdings.

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar welke criteria wordt beoordeeld of sprake is van excessieve renteaftrek en of dan geen sprake zou kunnen zijn van willekeur. De leden van de fractie van het CDA vragen daarbij specifiek naar de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen die bij de beoordeling van de renteaftrek een rol speelt. Zij vragen naar een onderbouwing van de norm van 2:3 welke afwijkt van de verhouding 1:3 die wordt gehanteerd voor de thincap-regeling.

Of sprake is van excessieve renteaftrek zal worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria die in de wet zullen worden neergelegd. Daarbij zal vooral de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen bij de belastingplichtige van belang zijn. Het uitgangspunt bij het vaststellen van de norm is een strenge aanpak van overnameholdingconstructies. Vooralsnog is uitgegaan van een strenge norm van 2:3. Het doel van de overnameholdingmaatregel is in de eerste plaats om te voorkomen dat de winst van een overgenomen vennootschap wordt opgegeten door de rente over de overnameschuld, waardoor er geen belastinggrondslag meer overblijft. Daarbij wordt een uitzondering gemaakt voor gezonde financieringsverhoudingen, maar dat gebeurt aan de hand van een strenge maatstaf.

De leden van de fractie van het CDA vragen hoe bij de overnameholdingbepaling rekening gaat worden gehouden met tijdelijke maar niettemin reële verliezen. Ik ben voornemens rekening te houden met verliezen door bij de overnameholdingbepaling een stallingsregeling op te nemen. Hierdoor kan niet-aftrekbare overnamerente worden doorgeschoven naar volgende jaren. Indien de overnemer in een volgend jaar weer voldoende «eigen» winst heeft, kan de doorgeschoven overnamerente in dat jaar alsnog met die «eigen» winst verrekend worden. Hierdoor wordt voorkomen dat als gevolg van een incidenteel verlies een gedeelte van de overnamerente van dat jaar nooit meer in aftrek komt.

Ook vragen de leden van de fractie van het CDA of de maatregel beperkt is tot overnamerente, tevens vragen zij naar de beperking bij een management buy-out en naar de samenloop met de bestaande renteaftrekbeperkingen. De overnameholdingmaatregel zal worden beperkt tot overnamerente. Er komt geen specifieke uitzondering voor management buy-outs, wel komt er een ruime franchise waardoor met name de overnames in het MKB zoveel mogelijk worden ontzien. In het wetsvoorstel zal rekening worden gehouden met de samenloop met andere renteaftrekbeperkingen van de Wet Vpb.

Deze leden vragen ook of de thincap-regeling en de aftrekbeperking bij de verwerving of uitbreiding van een belang in een verbonden lichaam komen te vervallen. Het eventueel vervallen van renteaftrekbeperkingen is afhankelijk van een nog te maken afweging waarbij ook de vormgeving van de maatregel tegen aftrek van deelnemingskosten een rol speelt.

Bovendien willen de leden van de fractie van het CDA weten of de winstsplitsing binnen de fiscale eenheid zal plaatsvinden op dezelfde manier als bij de verrekening van voorvoegingsverliezen.

Uitgangspunt bij de winstsplitsing binnen fiscale eenheid zal zijn dat voorkomen moet worden dat de werking van de maatregel wordt ondermijnd door winst van de overgenomen vennootschap te verschuiven naar de overnameholding of andere maatschappijen binnen de fiscale eenheid. Het ligt voor de hand dat daarbij ook zal worden aangeknoopt bij de regels die gelden voor de verrekening van voorvoegingsverliezen binnen een fiscale eenheid.

Tenslotte willen deze leden graag weten op welke wijze wordt berekend met hoeveel vreemd dan wel eigen vermogen een dochtervennootschap is gefinancierd. Of sprake is van excessieve renteaftrek zal worden beoordeeld aan de hand van de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen bij de fiscale eenheid.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar het verwachte effect van de objectvrijstelling voor vaste inrichtingen op het vestigingsklimaat voor hoofdkantoren. Met het invoeren van een objectvrijstelling voor vaste inrichtingen wordt een timingvoordeel bij het in aanmerking nemen van verliezen voor internationaal opererende ondernemingen die in het buitenland opereren via een vaste inrichting in plaats van een dochtervennootschap weggenomen. Hier wordt een meer gelijke behandeling met deelnemingen mee bereikt. Het wegnemen van dit timingvoordeel is een nadeel voor internationale ondernemingen die in het buitenland opereren via een vaste inrichting. De verwachting is dat de negatieve gevolgen voor het vestigingsklimaat beperkt zijn aangezien de verliezen laste van de van de Nederlandse winst kunnen worden gebracht indien de activiteiten van de vaste inrichting worden gestaakt. Hier komt bij dat een terugsluis van de opbrengst van de objectvrijstelling voor vaste inrichtingen aan het bedrijfsleven, bijvoorbeeld via een tariefsverlaging in de vennootschapsbelasting, weer positieve gevolgen kan hebben voor het vestigingsklimaat.

De leden van de fractie van het CDA vragen met welke Europese jurisprudentie Nederland te maken krijgt als er een objectvrijstelling gaat gelden voor vaste inrichtingen, naast de problematiek van de valutaverliezen. Zoals ik in het verslag van het schriftelijk overleg heb aangegeven in reactie op vragen van de leden van de fractie van de SP worden bij invoering van een objectvrijstelling voor vaste inrichtingen geen Europeesrechtelijke problemen voorzien met betrekking tot het niet langer in aftrek toestaan van verliezen uit een buitenlandse vaste inrichting (behoudens definitieve stakingsverliezen) op grond van de arresten Lidl en Krankenheim9. Verder leidt de objectvrijstelling voor vaste inrichtingen vanwege de voorgenomen vormgeving van deze bepaling, waarbij de huidige systematiek voor het bepalen van de winst uitgangspunt is, niet tot additionele Europeesrechtelijke problematiek. De valutaresultaten samenhangende met een vaste inrichting blijven tot de Nederlandse heffingsgrondslag behoren.

De leden van de CDA-fractie willen graag weten hoe de grondslagverbredende maatregel in de Vpb, zijnde de reparatie van het zogeheten Bosalgat ter dekking van de tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting, zal worden vormgegeven. Deze leden vragen of dit een nieuwe maatregel is bovenop de in de Fiscale agenda genoemde maatregelen of dat de budgettaire dekking voortkomt uit de maatregelen die reeds genoemd waren in de Fiscale agenda. Indien het een nieuwe maatregel betreft, willen deze leden graag weten wat deze maatregel inhoudt en op welke wijze met deze nieuwe maatregel het Bosalgat gerepareerd gaat worden. Indien de dekking voortkomt uit de reeds bekend gemaakte maatregelen, vragen de leden van de CDA-fractie in hoeverre dit de budgettaire mogelijkheden beperkt voor de tariefsverlaging in de vennootschapsbelasting tot 24%. Ook de leden van de fractie van D66 vragen hoe de grondslagverbreding van de vennootschapsbelasting door de reparatie van het Bosalgat zich verhoudt tot het uitgangspunt in de Fiscale agenda om met de grondslagverbreding een tariefsverlaging door te voeren. De leden van de fractie van D66 vragen of na 1 juli 2012 alsnog een tariefverlaging zal worden doorgevoerd.

In het verslag van het schriftelijk overleg lezen de leden van de fractie van D66 dat de budgettaire opbrengst van de renteaftrekbeperkende maatregel tegen overnameholdingstructuren € 165 miljoen bedraagt. In de kranten wordt gesteld dat het om een veelvoud van dat bedrag gaat. Voor de dekking van de overdrachtsbelasting wordt uitgegaan van een bedrag van € 340 miljoen. De leden van de fractie van D66 vragen waarom deze bedragen zo uiteenlopen.

Het bedrag van € 165 miljoen is de structurele opbrengst van de overnameholdingbepaling en het bedrag van € 340 miljoen ziet op de dekking van een deel van de derving als gevolg van de verlaging van de overdrachtsbelasting. Dat deel van die derving wordt gedekt uit grondslagverbreding in de Vpb. De voorgenomen grondslagverbreding bestaat uit drie maatregelen: de overnameholdingmaatregel, de objectvrijstelling en de reparatie van het Bosalgat, waarbij de reparatie van het Bosalgat bovenop de in de Fiscale agenda aangekondigde grondslagverbredende maatregelen komt. Het kabinet zal in augustus besluiten wat de precieze maatvoering van deze maatregelen zal zijn. Dit zal worden neergelegd in de wetgeving rondom het Belastingplan die met Prinsjesdag aan de Kamer zal worden aangeboden. Het is thans dus nog niet duidelijk wat exact de hoogte van de opbrengst zal zijn. Wel is duidelijk dat € 340 miljoen van die opbrengst dient als gedeeltelijke dekking van de verlaging van de overdrachtsbelasting. De rest van de opbrengst zou kunnen worden aangewend voor tariefverlaging in de vennootschapsbelasting.

De leden van de fractie van D66 vragen of overnameschulden van voor 1 januari 2007 die na deze datum worden geherfinancierd buiten de overnameholdingmaatregel vallen. Verder vragen zij waarom de oude renteaftrekbeperkende maatregel tegen overnameholdings werd afgeschaft. Of overnames onder de voorgestelde overnameholdingbepaling vallen, zal worden beoordeeld naar het moment van voeging van de overnemer en de overgenomen onderneming in een fiscale eenheid en niet op basis van het moment van aangaan van de overnameschuld. Herfinanciering van de overnameschuld verandert niets aan het voegingstijdstip en heeft hierdoor geen invloed op de vraag of een overname onder de overnameholdingbepaling valt.

De oude overnameholdingbepaling is per 1 januari 2007 afgeschaft vanwege de stroomlijning van de renteaftrekbeperkingen in het kader van de wet «Werken aan winst» (Stb. 2006, 631).

De leden van de fractie van D66 merken op dat de renteaftrekbeperkende maatregel tegen overnameholdingsstructuren met name gericht is op excessief gefinancierde overnames van Nederlandse ondernemingen door (buitenlandse) investeerders. Zij vragen waarom een regulier Nederlands bedrijf dat een andere Nederlandse onderneming middels een overnameholding wenst over te nemen niet door de maatregel getroffen wordt.

In de overnameholdingbepaling wordt geen onderscheid gemaakt tussen Nederlandse en buitenlandse investeerders. Als een regulier Nederlands bedrijf een andere Nederlandse onderneming middels een overnameholding wenst over te nemen, wordt deze overname onder dezelfde voorwaarden en op dezelfde wijze door de overnameholdingbepaling getroffen als een overname door een buitenlandse investeerder.

De leden van de fractie van D66 vragen verder of de renteaftrekbeperkende maatregel tegen overnameholdingstructuren speelt in de volgende situatie. Een Nederlands bedrijf leent geld om een ander Nederlands bedrijf over te nemen. Het Nederlandse bedrijf heeft voldoende eigen vermogen, de aftrek van de rente over de overnameschuld wordt niet beperkt. Het Nederlandse bedrijf neemt vervolgens een buitenlands bedrijf over. Nadat het eigen vermogen van het Nederlandse bedrijf met deze nieuwe deelneming is verminderd, heeft het Nederlands bedrijf een negatief eigen vermogen en vervalt de aftrek van de rente over de overnameschuld in zijn geheel.

Uitgangspunt bij de overnameholdingbepaling is dat de overnamerente van de overnemer niet verrekenbaar is met de winst van de overgenomen onderneming. Als het overnemende Nederlandse bedrijf in het voorbeeld voldoende «eigen» winst heeft, wordt de overname van het andere Nederlandse bedrijf niet getroffen door de renteaftrekbeperking. Dit verandert niet bij de aankoop van het buitenlandse bedrijf als het overnemende Nederlandse bedrijf nog steeds voldoende «eigen» winst heeft om de overnamerente mee te kunnen verrekenen.

Als het overnemende Nederlandse bedrijf niet voldoende «eigen» winst heeft om de overnamerente te kunnen verrekenen, is de renteaftrekbeperking van toepassing voor zover de niet-aftrekbare overnamerente meer bedraagt dan € 500 000 en sprake is van een teveel aan vreemd vermogen (VV) na de overname. In het voorbeeld wordt aangegeven dat het overnemende Nederlandse bedrijf voldoende eigen vermogen (EV) heeft. Van belang is echter de verhouding EV/VV van de fiscale eenheid tussen het overnemende Nederlandse bedrijf en de overgenomen Nederlandse onderneming na de overname. De verhouding tussen het EV en VV van de overgenomen onderneming is dus ook van belang. Als de EV/VV-verhouding van de fiscale eenheid na de overname binnen de verhouding 2:3 blijft, is de renteaftrekbeperking niet van toepassing.

Als na aankoop van het buitenlandse bedrijf de EV/VV-verhouding van de fiscale eenheid verslechtert doordat de deelneming voor de toepassing van de overnameholdingbepaling in mindering komt op het EV en het VV toeneemt vanwege de aankoop van de buitenlandse deelneming met een lening, waardoor de EV/VV-verhouding niet meer binnen de verhouding 2:3 blijft, is de aftrekbeperking van toepassing voor zover de niet-aftrekbare overnamerente meer is dan € 500 000 dan wel voor zover er een teveel aan VV is. Deze «escapes» worden los van elkaar toegepast waarbij het laagste bedrag aan niet-aftrekbare rente daadwerkelijk niet aftrekbaar is. De renteaftrek over de overnameschuld vervalt dus nooit in het geheel, maar alleen voor zover de overnamerente meer is dan de «eigen» winst van het overnemende bedrijf vermeerderd met € 500 000 dan wel voor zover er een teveel aan VV is.

De leden van de fractie van D66 vragen hoe de eigen winst van de overnameholding wordt berekend. De eigen winst van de overnameholding wordt berekend door de winst van de fiscale eenheid vóór aftrek van de overnamerente te verminderen met het aandeel van de overgenomen vennootschap in de winst van de fiscale eenheid.

De leden van de fractie van D66 vragen welke Europeesrechtelijke risico’s gezien worden rond de maatregelen in de vennootschapsbelasting. Deze leden vragen of in het geval van een overname van een Nederlandse onderneming een buitenlandse investeerder zonder «eigen winst» in Nederland slechter af is dan een Nederlandse investeerder met «eigen winst» in Nederland.

Zoals eerder aangegeven wordt bij de overnameholdingbepaling geen onderscheid gemaakt tussen Nederlandse en buitenlandse investeerders. De mogelijkheden om via juridische splitsing, fusie of vorming van een fiscale eenheid de winsten van de overgenomen vennootschap te verrekenen met de rentelasten van de overnameholding worden beperkt, ongeacht de nationaliteit of vestigingsplaats van de aandeelhouders van de overnameholding. Dat een overnameholding vervolgens, ongeacht de nationaliteit of vestigingsplaats van zijn aandeelhouders, eventueel geen grondslag heeft waarvan deze rentelasten kunnen worden afgetrokken is een feitelijk gegeven, niet het gevolg van deze regeling. Op dit punt worden dan ook geen Europeesrechtelijke risico’s gezien.

IB-ondernemers

Er zijn een aantal vragen gesteld over de belastingdruk in een winstbox en de drukverdeling tussen ondernemers en andere belastingplichtigen die niet in de winstbox vallen. De leden van de fractie van de PvdA vinden dat een vlak tarief van 28,5% in de winstbox schril afsteekt bij de gemiddeld aanzienlijk hogere belastingheffing op arbeid en vragen of ik mogelijkheden zie en bereid ben om hier een evenwichtiger drukverdeling tot stand te brengen. Tevens vragen deze leden zich af of het tarief van 28,5% in de eventuele winstbox niet het eindpunt is en of naar verdere verlaging wordt gestreefd. Zij vragen of ik niet vrees dat op deze manier steeds meer mensen zullen kiezen voor gekunstelde constructies om uit loondienst te komen en louter om fiscale reden «ondernemer» worden. De leden van de fractie van de ChristenUnie wijzen op het verschil in fiscale positie met de DGA en vragen of het een optie is om dit verschil te neutraliseren door het tarief in de winstbox iets hoger vast te stellen en het aanmerkelijk belangtarief van 25% wat terug te brengen, bijvoorbeeld naar 20%.

Het tarief van 28,5% is in de Fiscale agenda genoemd als illustratie om aan te geven welk tarief bij benadering mogelijk is bij een budgettair neutrale omzetting van de belangrijkste bestaande ondernemersfaciliteiten in één generieke faciliteit die neerkomt op een tariefverlaging voor ondernemers. De genoemde 28,5% betreft met andere woorden het huidige gemiddelde effectieve tarief voor ondernemers. Macro gezien treedt er bij een tarief van 28,5% voor ondernemers dus geen verandering op in de huidige belastingdruk voor ondernemers en dus ook niet in de verdeling van de belastingdruk tussen ondernemers en andere belastingplichtigen, zoals werknemers en dga’s. De genoemde 28,5% is een vlak tarief en moet dus ook vergeleken worden met een vlak tarief voor alle belastingplichtigen in de inkomstenbelasting. Het vlakke tarief voor alle belastingplichtigen is berekend op 38,2%10. Het gemiddelde effectieve tarief ligt voor ondernemers dus een kwart lager dan voor de gemiddelde belastingbetaler. Dat verschil ligt in de orde van grootte van de MKB-winstvrijstelling als de belangrijkste ondernemersfaciliteiten daarin budgettair neutraal zouden worden omgezet.

Naar een verlaging van de gemiddelde effectieve belastingdruk voor ondernemers wordt niet gestreefd. Dat betekent echter niet dat het tarief van 28,5% niet verder zou kunnen dalen. Bij het tarief van 28,5% is uitgegaan van omzetting van de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de meewerkaftrek, de stakingsaftrek en de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid in één uniform tarief. In beginsel kan dit tarief nog verder dalen naarmate ook andere faciliteiten in het tarief opgaan. In de Fiscale agenda is echter aangegeven dat bij een dergelijk laag tarief rekening moet worden gehouden met een aanzuigende werking naar dga’s, werknemers en resultaatgenieters. Hierbij moet wel worden bedacht dat is uitgegaan van een budgettair neutrale omzetting, hetgeen betekent dat er dus ook in de huidige regelingen een aanzuigende werking op het ondernemerschap is. Dit is met name het geval bij lage inkomens omdat de zelfstandigenaftrek daar het hoogst is (en bovendien doorwerkt naar inkomensafhankelijke regelingen). Met een vlak tarief van 28,5% is te verwachten dat er vooral een aanzuigende werking op het ondernemerschap bij hogere inkomens zal ontstaan. Daarnaast is mogelijk dat de aanzuigende werking bij een vlakke tariefstructuur in plaats van diverse grondslagversmallende faciliteiten sterker wordt, omdat het verschil in belastingdruk met werknemers transparanter wordt. Alhoewel deze «aanzuigende werking» ook een gevolg is van de doelstelling om ondernemerschap te stimuleren, zou een ongewenst gevolg inderdaad kunnen zijn dat gekunstelde constructies om te kwalificeren als ondernemer ontstaan. In dit verband is in de Fiscale agenda de vraag opgeworpen of een tarief van 28,5% (of lager) voor ondernemers wel in verhouding staat tot een maximumtarief van 52% voor werknemers, (het gebruikelijk loon van) dga’s en resultaatgenieters.

De essentie van een winstbox is dat ondernemers een duidelijk herkenbare eigen tariefstructuur krijgen in plaats van allerlei aftrekposten. Een uniform tarief is daarvoor niet noodzakelijk. Wel is het zo dat een zo vlak mogelijk laag tarief leidt tot een meer geleidelijke en lage marginale druk. Dit stimuleert doorgroei. Bij de tariefstelling van een winstbox zal dus onder andere een afweging gemaakt moeten worden tussen een evenwichtige drukverdeling enerzijds en het stimuleren van (winstgevend) ondernemerschap anderzijds. In de verkenning naar de winstbox zal worden bezien op welke manier een evenwichtige drukverdeling kan worden bereikt tussen ondernemers, werknemers, dga’s en resultaatgenieters, rekening houdend met de specifieke kenmerken van die belastingplichtigen en rekening houdend met hetgeen in de voorgaande alinea is opgemerkt over ongewenste constructies.

Bij de leden van de fractie van de ChristenUnie leeft de vraag of bij familiebedrijven met relatief lage inkomens de afschaffing van zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling niet bovengemiddeld hard aan komt. Deze leden zien graag een nadere onderbouwing van de gevolgen van afschaffing voor de verschillende soorten bedrijven, waaronder familiebedrijven. Een winstbox houdt in dat faciliteiten als de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling zoveel mogelijk opgaan in een laag tarief voor ondernemers. De gevolgen van een winstbox voor verschillende soorten bedrijven zijn afhankelijk van de vormgeving van die winstbox. Factoren van belang zijn onder andere de hoogte van het tarief en de faciliteiten die opgaan in het lage tarief. In de verkenning naar de winstbox zal aandacht worden besteed aan de inkomenseffecten die de verschillende modaliteiten met zich meebrengen. Voor zover mogelijk zal ook aandacht worden besteed aan de sectorale verdeling van de faciliteiten die in het lage tarief zullen opgaan. De gevolgen voor familiebedrijven als zodanig zijn echter niet te geven, omdat familiebedrijven zeer uiteenlopend gestructureerd zijn en als zodanig geen aparte groep vormen voor de belastingheffing. De gevolgen voor een familiebedrijf zullen onder andere afhankelijk zijn van de door het bedrijf gemaakte winst en de verdeling daarvan over de participanten in het bedrijf. In de verkenning zullen de inkomenseffecten in principe worden weergegeven voor verschillende inkomensgroepen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of ik bereid ben de optie te verkennen om in het kader van de winstbox een aantal doorschuiffaciliteiten af te schaffen. Er zijn verschillende faciliteiten om de stakingswinst door te schuiven, veelal in het kader van een bedrijfsoverdracht. De achtergrond van deze doorschuiffaciliteiten is dat de belastingheffing geen beletsel mag zijn voor economisch gewenste bedrijfsoverdrachten. De bedrijfsopvolgingsproblematiek is veelomvattend en complex en verdient zijn eigen integrale afweging. Zo zou er bij het afschaffen van doorschuiffaciliteiten een vervangende regeling voor bedrijfsoverdrachten moeten komen om de continuïteit van bedrijven te waarborgen. Hierbij zou ook de samenhang met gelijksoortige doorschuifregelingen in de aanmerkelijk belangsfeer (box 2) moeten worden betrokken. Het fiscale stelsel wordt met een vervangende regeling niet per definitie eenvoudiger. Een voordeel van doorschuiven is bijvoorbeeld dat lastige waarderingskwesties achterwege blijven. Overigens wordt het uitsteleffect van de doorschuifregelingen bij IB-ondernemers, waar deze leden naar verwijzen, ingelopen door lagere afschrijvingen. Daardoor wordt de fiscale claim geleidelijk toch afgerekend. Gelet op het bijzondere karakter van de bedrijfsopvolgingsproblematiek lenen de doorschuiffaciliteiten zich kortom minder goed voor omzetting in een tariefverlaging. Om die reden ben ik niet voornemens deze mee te nemen in de verkenning naar de winstbox.

De leden van de fractie van het CDA willen graag weten of we niet het gevaar lopen dat ondernemers met een lage winst, vooral de categorie onder de € 20 000, zeer forse problemen krijgen door omzetting van de zelfstandigenaftrek in een vaste aftrekpost van € 7 200. Tevens vragen deze leden om een tabel waarin de koopkrachteffecten voor de groep kleine ondernemers met een laag inkomen, toeslagen en een partner staat.

Op dit moment zijn de voorbereidingen voor het Belastingplan 2012 in volle gang. In dat Belastingplan zal de definitieve vormgeving van het uniformeren van de zelfstandigenaftrek worden vastgelegd. Het bedrag van de uniforme zelfstandigenaftrek is dus nog niet definitief. Ook andere gegevens die van belang zijn voor het bepalen van de inkomenseffecten, zoals de hoogte van de algemene heffingskorting, de schijftarieven en de inkomensafhankelijke zorgpremie zijn nog niet definitief11. De hieronder gepresenteerde berekeningen dragen derhalve een voorlopig karakter. Zij geven ordes van grootte aan en dienen ter onderlinge vergelijking.

Voorts wil ik opmerken dat bij de weer te geven inkomenseffecten moet worden bedacht dat een ondernemer niet elk jaar dezelfde winst maakt. Kenmerkend voor winsten is dat deze fluctueren. Een ondernemer die er volgens de inkomensplaatjes in 2012 op achteruitgaat, kan in werkelijkheid vanwege een stijging van de winst ten opzichte van 2011 juist voordeel ondervinden. Daarnaast is van belang dat de omvang en verdeling van de inkomenseffecten direct volgen uit de doelstelling om winstgevend ondernemerschap te bevorderen. De effecten moeten dus gezien worden als een correctie op de huidige zeer sterke focus van de zelfstandigenaftrek op weinig winstgevende ondernemersactiviteiten. Bovendien betekenen deze effecten dat de fiscale behandeling van ondernemers ten opzichte van werknemers evenwichtiger wordt, mede gelet op het feit dat de doorwerking van de zelfstandigenaftrek naar inkomensafhankelijke regelingen kleiner wordt. Hieronder wordt ingegaan op die doorwerking naar andere regelingen (de indirecte effecten).

In de beantwoording van de eerdere vragen over de Fiscale agenda ben ik uitgebreid ingegaan op de directe inkomenseffecten van de uniformering van de zelfstandigenaftrek. Die effecten heb ik daarbij uitgesplitst naar de omvang van het verzamelinkomen. Naast directe inkomenseffecten is er echter ook sprake van indirecte inkomenseffecten zoals via de uitbetaling van de heffingskortingen als de partner voldoende belasting betaalt en via de doorwerking naar de toeslagen. De uitwerking van deze indirecte effecten is sterk afhankelijk van specifieke, individuele omstandigheden. In het onderstaande ga ik eerst in op het directe effect en het indirecte effect via de heffingskorting voor drie verschillende ondernemers. Daarna ga ik nader in op de indirecte effecten via de toeslagen.

Ongeveer een vijfde van de voltijdondernemers krijgt meer dan € 100 aan heffingskortingen uitbetaald. In tabel 3 zijn voor drie typen ondernemers de huidige belastingheffing en het effect op de te betalen belasting en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (IAB ZVW) weergegeven. De volgende typen ondernemers zijn beschreven: ondernemer a is de standaardondernemer uit de beschrijving in het verslag van het schriftelijk overleg. Hij is alleenstaand en heeft geen andere inkomsten dan die uit zijn onderneming. Ondernemer b heeft wel een partner en werkt met zijn partner samen in een man/vrouwfirma, waarin beide partners de winst gelijkelijk verdelen. Ook zij hebben geen andere inkomsten. Het totale huishoudinkomen van ondernemer b en zijn partner is twee keer zo groot als het huishoudinkomen van ondernemer a. Ondernemer c heeft een partner die een baan elders heeft. De partner verdient daarmee voldoende om de uitbetaling van de heffingskortingen van ondernemer c volledig mogelijk te maken. Het huishoudinkomen van ondernemer c en zijn partner bestaat dus uit het looninkomen van de partner en de winst van ondernemer c. Alle drie de ondernemers voldoen aan het urencriterium.

De tabel begint met een weergave van de te betalen belasting bij ongewijzigd beleid. Het beeld van ondernemer a is bekend. Hij betaalt tot een winst voor toepassing van ondernemersfaciliteiten van € 18 855 (na indexering) geen belasting. Pas dan is de belastbare winst na aftrek van ondernemersfaciliteiten zo hoog dat de te betalen belasting de algemene heffingskorting en de arbeidskorting overtreft. Bij hogere winsten wordt de te betalen belasting gematigd door de MKB-winstvrijstelling van 12 procent. Voor ondernemer b en zijn partner is het beeld hetzelfde. Ondernemer c krijgt als hij geen winst maakt en ook geen verder inkomen heeft ongeveer € 1 500 heffingskorting uitbetaald. Bij een winst van € 5 000 en € 10 000 loopt de uitbetaalde heffingskorting nog op, omdat de winst ervoor zorgt dat de arbeidskorting hoger wordt, terwijl de belastbare winst door de zelfstandigenaftrek gelijk is aan nul. Bij een winst van € 15 000 overtreft de winst de zelfstandigenaftrek en ontstaat er dus belastbare winst. Hierdoor gebruikt ondernemer c zelf een deel van zijn heffingskortingen en daalt de uitbetaalde heffingskorting tot ca. € 600. Bij een winst van € 20 000 gebruikt ook ondernemer c zijn heffingskortingen volledig en betaalt hij ca. € 200 belasting. Doordat de uitbetaalde heffingskortingen vervallen, is het verschil met de situatie zonder winst ongeveer € 1 700. Ter vergelijking is ook de te betalen belasting van twee werknemers met een belastbaar loon gelijk aan de winst van de ondernemers weergegeven. Werknemer a is alleenstaand en werknemer b heeft een partner die voldoende verdient om de heffingskortingen uitbetaald te krijgen. Uitbetaling van de heffingskortingen vindt alleen plaats bij een belastbaar inkomen van minder dan € 4 750. Bij een belastbaar inkomen van € 20 000 betalen werknemers ca. € 3 200 belasting en ondernemers € 200. Ook komt de werknemer eerder in hogere schijven terecht. Het verschil in fiscale behandeling wordt onder meer gemotiveerd door de noodzaak tot investeren en reserveren door de ondernemer12.

In het volgende blok is het effect van uniformeren en één jaar niet indexeren van de zelfstandigenaftrek op de te betalen belastingen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet weergegeven. De IAB ZVW is alleen afhankelijk van de belastbare winst en kent geen heffingskortingen. Zodra de winst de zelfstandigenaftrek overstijgt is derhalve IAB ZVW verschuldigd.

Ondernemers a en b met een winst lager dan € 18 855 betalen geen belasting. Daar komt geen verandering in. Wel gaan zij als zij meer winst maken dan de geüniformeerde zelfstandigenaftrek van ca. € 7 200 meer inkomensafhankelijke bijdrage ZVW betalen. Dat verklaart de effecten bij een winst van € 10 000 en € 15 000. Bij winsten tussen € 18 855 en € 53 795 zijn de effecten beperkt en boven laatstgenoemd bedrag verdwijnen de verlagingen van de zelfstandigenaftrek die de hoge marginale druk veroorzaken. Ondernemers met een winst hoger dan dat bedrag gaan erop vooruit. De effecten voor ondernemer c wijken bij winsten tussen € 7 200 en € 18 855 af van die voor ondernemers a en b. De daling van de zelfstandigenaftrek leidt bij deze winsten tot een hogere belastbare winst en dus tot een lagere uitbetaling van heffingskortingen. Bij de beoordeling van deze effecten moet ook rekening worden gehouden met het feit dat de partner bij deze ondernemer een substantieel deel van het huishoudinkomen inbrengt. Gemiddeld is het verzamelinkomen van partners van voltijdondernemers die heffingskortingen krijgen uitbetaald € 27 000. De groep ondernemers met een winst tussen € 7 200 en € 18 855 en uitbetaling van de algemene heffingskorting omvat ongeveer 7% van alle ondernemers.

De uitbetaling van de heffingskortingen speelt dus een belangrijke rol bij de effecten van de uniformering van de zelfstandigenaftrek. Door de uniformering krijgt ondernemer c bij winsten van € 7 200 tot € 18 855 minder heffingskortingen uitbetaald. De uitbetaling van de algemene heffingskorting wordt echter met ingang van 2009 in zestien stappen afgebouwd. Met deze regeling zullen ook de verschillen tussen ondernemers a/b en c grotendeels verdwijnen.

Tabel 3. Te betalen belasting over de winst in 2012 volgens het huidige systeem en effecten van uniformering van de zelfstandigenaftrek op de te betalen belasting en inkomensafhankelijke bijdrage zorgpremie van verschillende ondernemers, bij verschillende winstniveau’s (bedragen bij benadering)

Winst*/belastbaar loon

0

5 000

10 000

15 000

20 000

30 000

40 000

50 000

60 000

80 000

100 000

Te betalen belasting over de winst huidig systeem (– = uitbetaling heffingskortingen)

         

ondernemer a

0

0

0

0

200

3 100

6 800

10 600

15 000

23 700

32 900

ondernemer b

0

0

0

0

200

3 100

6 800

10 600

15 000

23 700

32 900

ondernemer c

– 1 500

– 1 500

– 1 600

– 600

200

3 100

6 800

10 600

15 000

23 700

32 900

werknemer a

0

0

1 100

2 100

3 300

7 400

11 600

15 800

20 500

30 900

41 300

werknemer b

– 1 500

0

1 100

2 100

3 300

7 400

11 600

15 800

20 500

30 900

41 300

Mutatie te betalen belasting + inkomensafhankelijke zorgpremie (– = inkomensverbetering

ondernemer a

0

0

100

100

50

50

50

50

– 700

– 1 200

– 1 200

ondernemer b

0

0

100

100

50

50

50

50

– 700

– 1 200

– 1 200

ondernemer c

0

0

800

550

50

50

50

50

– 700

– 1 200

– 1 200

Mutatie belasting + IAB in % netto (huishoud)inkomen (– = inkomensverbetering)

ondernemer a

 

0,0%

1,2%

0,6%

0,2%

0,2%

0,1%

0,1%

– 1,7%

– 2,2%

– 1,8%

ondernemer b1

 

0,0%

1,2%

0,6%

0,2%

0,2%

0,1%

0,1%

– 1,7%

– 2,2%

– 1,8%

ondernemer c

 

0,0%

2,5%

1,6%

0,1%

0,1%

0,1%

0,1%

– 1,1%

– 1,6%

– 1,4%

XNoot
*

* Voor toepassing van ondernemersaftrek.

X Noot
1

Bij het berekenen van het effect voor ondernemer b als percentage van het huishoudinkomen, is ook het effect van uniformering op het inkomen van zijn partner meegenomen.

De leden van de fractie van het CDA hebben gevraagd om ook over de toeslagen gegevens in de tabel op te nemen. Het is duidelijk dat mutaties in de belastbare winst ook consequenties kunnen hebben voor de te ontvangen zorgtoeslag, huurtoeslag, kindgebonden budget en kinderopvangtoeslag, indien van toepassing. Alle toeslagen hebben een zogenaamd afbouwtraject, een inkomenstraject waar de toeslag afneemt bij oplopend inkomen. Door de uniformering van de zelfstandigenaftrek stijgt het verzamelinkomen bij lage winsten. Als deze toename van het verzamelinkomen plaatsvindt in het afbouwtraject van één of meer toeslagen, zullen deze toeslagen verminderen.

Voor alleenstaanden bevindt het afbouwtraject van de zorgtoeslag zich tussen ca. € 20 000 en € 36 000. Voor de huurtoeslag zijn deze grenzen € 16 000 en € 22 000. Ondernemers met alleen winst bereiken deze belastbare inkomens pas bij winsten boven de € 18 855. Daar is het effect van de uniformering van de zelfstandigenaftrek klein en dus ook het effect op de toeslagen. Bij een substantieel inkomen naast de winst van de ondernemer kan het afbouwtraject naar lagere winstniveau’s schuiven en kunnen grotere effecten optreden.

Voor tweeverdieners ligt het afbouwtraject van de zorgtoeslag tussen ca. € 20 000 en ca. € 55 000. en dat van de huurtoeslag tussen € 20 000 en € 30 000. Het afbouwtraject van het kindgebonden budget begint bij een gezamenlijk inkomen van ca. € 30 000. Effecten op de huurtoeslag en het kindgebonden budget kunnen voor tweeverdieners dus niet cumuleren.

Potentieel zullen de grootste effecten zich voordoen waar de toename van de belastbare winst door de uniformering het grootst is en het totale verzamelinkomen in het afbouwtraject van de toeslagen zit. Het grootste effect op de belastbare winst treedt op bij winsten tussen € 9 645 en € 14 285. Bij deze winstniveau’s neemt de belastbare winst en dus het verzamelinkomen toe met ongeveer € 2 000. Of er een effect optreedt is, zoals gezegd, sterk afhankelijk van het aanvullende inkomen.

De omvang van de toeslagen is van meer factoren afhankelijk dan alleen de belastbare winst. Dat betekent dat het moeilijk is om representatieve gevallen te construeren.

Voor de zorgtoeslag zijn de minste extra gegevens noodzakelijk. Deze is alleen afhankelijk van het zogenaamde toetsingsinkomen van de ondernemer en zijn (zorg)partner. Ondernemer c ondervindt door het verzamelinkomen van zijn partner van € 27 000 bij winsten tussen ca. € 7 200 en ca. € 35 000 effecten op de zorgtoeslag. Bij een winst van € 10 000 daalt de zorgtoeslag met ongeveer € 100 per jaar en bij een winst van € 15 000 met ongeveer € 70. Bij een winst van € 20 000 en € 30 000 is het effect verwaarloosbaar. Bij een lager verzamelinkomen van de partner van € 10 000, treden de effecten pas op bij winsten tussen € 20 000 en een kleine € 60 000. Voor ondernemer a en b is er bij de in de tabel genoemde inkomens geen effect.

Het afbouwtraject van de huurtoeslag kent een lager maximum inkomen, een kleine € 30 000. Dat betekent dat ondernemers al bij lagere partnerinkomens buiten deze regeling vallen. Bovendien hangt de huurtoeslag af van het huurniveau. Ook bij deze toeslag is het effect sterk afhankelijk van de hoogte van het partnerinkomen. Bij een partnerinkomen van meer dan € 30 000 is er geen effect op de huurtoeslag omdat alleen het partnerinkomen dan al te hoog is om aanspraak te maken op huurtoeslag. Bij een lager partnerinkomen van € 10 000 treden er, net als bij de zorgtoeslag, pas effecten op bij winsten boven de € 20 000. Bij die winstniveaus is het effect op het verzamelinkomen en daarmee het effect op de ontvangen toeslag veel geringer dan bij winsten tussen € 7 200 en € 18 855. Ondernemer c uit de tabel met zijn partner met een inkomen van € 27 000 zal in het huidige systeem al bij een belastbare winst van € 3 000 geen huurtoeslag meer ontvangen. Dat komt in het huidige systeem overeen met een winst (vóór toepassing van zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling) van € 13 000. Na uniformering wordt dat een winst van € 11 000. Bij een winst van € 10 000 ontvangt hij zowel nu als na uniformering nog net huurtoeslag. Bij een winst van € 10 000 en een huur inclusief servicekosten van € 500 per maand daalt de huurtoeslag door de uniformering van de zelfstandigenaftrek met ongeveer € 400 per jaar. Voor de kinderregelingen zijn geen nadere berekeningen uitgevoerd omdat deze ook nog afhankelijk zijn van aantal en leeftijd van de kinderen en van de vorm en kosten van de kinderopvang.

Overig

Box 3

De leden van de fractie van de PvdA vragen wat de toegevoegde waarde is van het terugbrengen van twee peildata in box 3 naar één peildatum. Tegenover een slechts minimale vereenvoudiging zou een grotere willekeur in de vaststelling van de grondslag staan, wat door de burger slecht zou worden begrepen en als onrechtvaardig zou worden ervaren. Deze leden vragen of ik bereid ben deze vereenvoudiging alsnog te heroverwegen.

Ik ben het niet eens met de leden van de fractie van de PvdA dat slechts sprake zou zijn van een minimale vereenvoudiging. Er wordt op meerdere fronten een vereenvoudiging bereikt. Zo hoeft een belastingplichtige nog slechts op één peilmoment zijn of haar vermogen vast te stellen en hoeft hij/zij het gemiddelde van de grondslagen aan het begin en einde van het jaar niet meer vast te stellen. Voor het doen van aangifte is nog maar één stand van het vermogen noodzakelijk. Hierdoor is het aangiftetraject vereenvoudigd en is een besparing aan administratieve lasten voor de burger gerealiseerd van ruim 300 000 uur14. Bovendien is het beter mogelijk geworden de voor box 3 relevante gegevens van o.a. banken en verzekeraars voorinvulbaar te maken. Hierdoor hoeven veel belastingplichtigen voor hun aangiften hun bankgegevens niet meer zelf op te zoeken en in te vullen, maar alleen te accorderen.

Een ander voordeel van het hanteren van één peildatum in box 3 is dat de Belastingdienst meer kan werken in de actualiteit. Tijdens het lopende jaar kan daardoor een nauwkeurigere box 3-heffing worden verwerkt in een voorlopige aanslag. Ook is door het teruggaan van twee peildata naar één peildatum het als contra-intuïtief ervaren verschil weggenomen dat de grondslag op 31/12 van jaar t en 1/1 van jaar t+1 niet gelijk hoeven te zijn (bijv. door een nieuwe WOZ-waarde die vanaf 1 januari geldt of een rentebijschrijving op 1 januari). Ten slotte is ook het als onrechtvaardig ervaren effect weggenomen dat het gedurende het jaar werkelijk behaalde rendement meetelt in de grondslag voor de rendementsheffing doordat de grondslag op 31/12 als tweede peildatum gold. Hierdoor werd het forfaitair rendement mede berekend over dat werkelijk behaalde rendement.

De invoering van één peildatum leidt er in feite toe dat de ontwikkeling in de grondslag van box 3 niet reeds gedurende het jaar, maar pas in het volgende jaar een effect heeft op de belastingheffing. Aangezien op langere termijn wordt verwacht dat de grondslag voor box 3 toeneemt in de tijd is de invoering van één peildatum in het voordeel van belastingplichtigen geweest (in de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 is voor deze maatregel een structurele derving van € 70 mln ingeboekt). Dat het werken met één peildatum door de burger slecht zou worden begrepen of als onrechtvaardig zou worden ervaren, is – mede gezien voorgaande – niet mijn waarneming. Gezien de vereenvoudiging en afname van de administratieve lasten, alsmede het verwachte geldelijke voordeel voor de belastingplichtige is mijn verwachting dat deze wijziging door de belastingplichtige als een verbetering wordt ervaren.

Kleine ondernemersregeling BTW

De leden van de fractie van het CDA vragen wat de gevolgen van een omzetgrens in de kleine ondernemersregeling voor (podium)kunstenaars zijn nu deze groep ondernemers onder het hoge btw-tarief is gaan vallen. Er is nog niet vastgesteld hoe hoog de omzetgrens zou worden bij een eventuele omvorming van de kleine ondernemersregeling naar een omzetgrens. Een cijfermatige beantwoording van deze vraag is daarom nog niet mogelijk. Wel kan in algemene zin gezegd worden dat na omvorming van de kleine ondernemersregeling naar een omzetgrens een verandering in het van toepassing zijnde btw-tarief geen directe gevolgen meer heeft voor het al dan niet kunnen toepassen van de kleine ondernemersregeling.

Verkeer Belastingdienst-belastingplichtigen

De leden van de fractie van het CDA spreken grote twijfels uit over de plannen om alle beboetbare feiten ook strafbaar te maken (en andersom), om het faciliteren van fiscale fraude beboetbaar te maken en om het onderzoek ter zitting in belastingzaken openbaar te maken. Zoals zij aangeven komen deze twijfels voort uit de vrees voor aantasting van de rechtsbescherming van belastingplichtigen. Op dit laatste punt kan ik de leden van de fractie van het CDA geruststellen. Het belang van een adequate rechtsbescherming wordt door mij volkomen gedeeld. Aan de rechtsbescherming wordt dan ook niet getornd.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de fiscaal beboetbare en strafbare feiten. Deze zijn overzichtelijk opgenomen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990 (IW 1990), los van enkele (verzuim)boetebepalingen in heffingswetten. Het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet tijdig betalen van belasting is wel beboetbaar maar niet strafbaar. Met ingang van 1 januari 2010 is een aantal feiten overgeheveld van het fiscale strafrecht naar het fiscale boeterecht (artikel 67ca van de AWR). Deze feiten kunnen – indien zij na deze datum begaan zijn – niet meer strafrechtelijk afgedaan worden. Daarnaast is een aantal andere feiten wel fiscaal strafbaar, maar niet fiscaal beboetbaar (artikelen 68 en 69 van de AWR en artikelen 64 en 65 van de IW 1990). Het gaat hier kort gezegd om het niet nakomen van de bepaalde verplichtingen ten dienste van de belastingheffing en van de invordering, zoals het niet verstrekken van informatie, het niet ter beschikking stellen van stukken, het niet voeren van de vereiste administratie of het niet bewaren daarvan en het niet voldoen aan de factuurverplichting voor de omzetbelasting. Ik ben van mening dat een doeltreffende aanpak van belastingfraude gebaat is bij zo veel mogelijk flexibiliteit in de instrumentkeuze (fiscale boete of strafrechtelijke aanpak). Al naar gelang een feit ernstiger is, kan dan naar een zwaarder instrument gegrepen worden. Daarbij geldt het strafrecht als ultimum remedium. In de zogenoemde AAFD-richtlijnenis meer gedetailleerd aangegeven wanneer een feit voor strafrechtelijke afdoening in aanmerking komt15.

Dit jaar zijn geen maatregelen in de sfeer van de beboetbaarheid of strafbaarheid van fiscale feiten voorzien. Ook worden geen specifieke maatregelen getroffen tegen het faciliteren van fiscale fraude. Met ingang van 1 juli jl. is de fiscale strafbeschikking ingevoerd. Via dit middel kan in voorkomende gevallen aan betrokkenen bij fiscale fraude een geldboete opgelegd worden. De bezwaren van de leden van de fractie van het CDA zijn daarmee ondervangen; het faciliteren van fiscale fraude blijft in deze gevallen in de strafrechtelijke sfeer. Het kabinet onderkent dat deze wijze van afdoening, anders dan fiscale beboeting, meebrengt dat bijvoorbeeld de medeplichtige een strafblad oploopt. Zoals in de Fiscale agenda aangegeven, heeft het kabinet wel het voornemen het boetebedrag bij toeslagenfraude te verhogen en het opleggen van een vergrijpboete na een verzuimboete voor hetzelfde feit mogelijk te maken.

Tot slot vragen de leden van de fractie van het CDA naar de stand van zaken in het onderzoek naar de wenselijkheid van de openbaarheid van het onderzoek ter zitting in belastingzaken. Eerder heb ik in het verslag van het schriftelijk overleg aangegeven dat de bevindingen uit de internetconsultatie van het wetsvoorstel openbaarheid van belastingrechtspraak in een rapportage worden neergelegd, en dat die rapportage naar verwachting in het derde kwartaal aan uw Kamer wordt toegezonden. Deze planning is nog steeds dezelfde. Niettemin lijken over de inhoud van een mogelijke wetswijziging wat misverstanden te bestaan. De belastingplichtige wordt nu reeds met naam en toenaam ter zitting genoemd. Daarnaast zijn geschillen over fiscale boeten in de regel al openbaar toegankelijk. Dit geldt ook voor geschillen over toeslagen. Voor wat betreft geschillen over belastingaanslagen kan de rechter de deuren openen (artikel 27c van de AWR). Het wetsvoorstel openbare belastingrechtspraak komt erop neer dat ook voor de mondelinge behandeling van geschillen over belastingaanslagen openbaarheid de hoofdregel wordt. Derden kunnen dan ook (dit deel van) de mondelinge behandeling bijwonen. Op de hoofdregel bestaan uitzonderingen. Het wetsvoorstel voorziet namelijk in de bevoegdheid van de belastingrechter om de deuren te sluiten, bijvoorbeeld als de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eist. Vanzelfsprekend is het kabinet zich ervan bewust dat de geheel openbare behandeling van belastingzaken een drempel kan vormen om een beroep te doen op de rechter. Het kabinet heeft dit punt zelf uitdrukkelijk aan de orde gesteld in de toelichting op het genoemde concept wetsvoorstel. Tegelijkertijd blijkt op dit moment niet dat in andere rechtsgebieden en andere landen openbaarheid van rechtspraak als een drempel fungeert. Zoals ook is aangegeven in de toelichting op het concept wetsvoorstel moet het kabinet uiteindelijk een afweging maken tussen het algemene belang van openbaarheid van rechtspraak zoals is verankerd in de Grondwet en internationale verdragen, en individuele belangen.

Vrijwilligersverklaringen

De leden van de fractie van het CDA wensen te vernemen of de navordering van op grond van een vrijwilligersverklaring afgetrokken vrijwilligersvergoedingen van belastingplichtigen te goeder trouw inmiddels is stopgezet. Hierbij wordt verwezen naar de motie Omtzigt c.s. (Kst. II 2010/11, 31 066, nr. 107). Bij brief van 8 juli jl. ben ik reeds op deze motie ingegaan16. In die brief is aangegeven dat de Belastingdienst bij het opleggen van de primitieve aanslagen over de jaren 2008 t/m 2010 de vrijwilligersverklaring aan de hand van het toetsingskader blijft beoordelen, maar dat aan de motie wel invulling wordt gegeven door:

  • bij het opleggen van de aanslagen over de jaren 2008 t/m 2010 geen correctie toe te passen (of een reeds toegepaste correctie terug te nemen) op de giftenaftrek voor zover aannemelijk is dat de vrijwilliger kosten heeft gemaakt, zonder hierbij schriftelijke bewijsstukken te verlangen;

  • geen navorderingsaanslagen op te leggen over de jaren 2008 t/m 2010 indien voor die jaren de definitieve aanslag reeds is opgelegd (behalve als een zwaar vermoeden van misbruik bestaat, dit in overeenstemming met de motie);

  • in overleg te treden met de Vereniging Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk om te bezien of het huidige toetsingskader voor aftrek van vrijwilligersvergoedingen kan worden verduidelijkt voor 2011 en de volgende jaren.

Eén bankrekeningnummer

Met betrekking tot het verplicht gebruik van één bankrekeningnummer vragen de leden van de fractie van de CDA of er inmiddels overleg heeft plaatsgevonden met de woningbouwcorporaties, zorgverzekeraars en kinderopvanginstellingen over een speciale rekening voor de uitbetaling van toeslagen. Zoals ik op 15 juni jl. tijdens het algemeen overleg met de commissie Financiën heb aangegeven, heb ik sterke aarzelingen bij een uitzondering op de tenaamstellingsverplichting voor bepaalde categorieën toeslagen. Allereerst vanuit juridisch oogpunt. Het idee van het kamerlid Omtzigt is om met bepaalde dienstverleners – genoemd worden de woningcorporaties en de kinderopvanginstellingen – afspraken te maken over wat we in de huidige huurtoeslagpraktijk geclusterd betalen noemen. Je creëert dan al snel een onderscheid dat in strijd is met het gelijkheidsbeginsel: een kinderdagverblijf wel, maar gastouderbureau’s niet; woningcorporaties wel, maar particuliere verhuurders niet. Het alternatief zou zijn om generiek voor de toeslagen geclusterd betalen mogelijk te maken. Dus zonder te kijken naar de dienstverlener. Dit brengt grote risico’s op fraude met zich mee. En dat is nu juist wat het kabinet met deze maatregel wil bestrijden. Uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam van de belanghebbende staat, zorgt er voor dat de toeslag rechtstreeks terechtkomt bij de rechthebbende en verkleint de kans op fraude. Aan dit uitgangspunt wil ik niet tornen.

Leefvormneutraliteit

De leden van de fractie van de PvdA merken ten aanzien van de kwestie van leefvormneutraliteit opnieuw op dat mijn betoog helder is. Uit de antwoorden blijkt evenwel dat kostwinners in voorkomende gevallen relatief zwaar belast worden. Deze leden vragen mij hoe ik in dit verband sta tegenover het vertragen van de afbouw van de dubbele heffingskorting of dit voor niet meer dan de helft doorgang te laten vinden. Ik heb in kaart gebracht wat de budgettaire effecten zijn van het vertragen van de afbouw tot en met 2015 (zie onderstaande tabel 4). Hieruit blijkt dat de derving per jaar toeneemt. Hiervoor is geen dekking. De afbouw stoppen als we op de helft zijn – dat zou ongeveer in 2015 zijn – acht ik geen aantrekkelijke optie. In feite zou dit neerkomen op het laten voortbestaan van de regeling, maar tegen een lager bedrag. Dit gaat in tegen de bij wet afgesproken beëindiging van de regeling.

Tabel 4. Varianten afbouw dubbele heffingskorting (belastingderving in mln. euro’s)
 

aantal jaren

eind afbouw

afbouw%

2012

2013

2014

2015

Huidig pad

15

2023

6,67

0

0

0

0

Variant 1 ingroei

20

2027

5,00

10

25

40

65

Variant 2 ingroei

25

2031

4,00

20

40

65

100

De leden van de fractie van het CDA vragen of kleine maatregelen kunnen worden genomen die bijdragen aan een leefvormneutraal belastingstelsel. Allereerst dient te worden bezien wat onder leefvormneutraal wordt verstaan. Is dat een volledig individuele behandeling van belastingplichtigen zonder naar gezinsdraagkracht te kijken? Of betekent dat het gezinsinkomen als uitgangspunt en niet het individu? Totnogtoe is gebleken dat de meningen in uw Kamer over deze principiële vragen sterk uiteenlopen. Ook de hoorzitting die de vaste commissie heeft gehouden, heeft kennelijk niet tot een eensgezind standpunt geleid over hoe deze vragen te beantwoorden. Aan de bestaande regelingen liggen gegronde motieven en doelstellingen ten grondslag, zoals ik in het verslag van het schriftelijk overleg heb aangegeven, en ik zie geen mogelijkheden voor kleine maatregelen – anders dan reeds gepland – die zouden kunnen bijdragen aan een verbetering van de leefvormneutraliteit zoals deze leden bedoelen. Ik sta uiteraard open voor suggesties vanuit deze leden.

De leden van de fractie van het CDA vragen verder om een overzicht van situaties waarin de fiscaliteit de keuze om al dan niet te trouwen of te gaan samenwonen, beïnvloedt. Zoals ik reeds eerder heb opgemerkt, is de vraag hoe de fiscaliteit en de toeslagen uitwerken voor de verschillende leefvormen sterk afhankelijk van individuele omstandigheden. Ik noem bijvoorbeeld de aanwezigheid van kinderen, de situatie dat een onderneming wordt gedreven, het al dan niet bezitten van een eigen huis, de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang, de aanwezigheid van vermogen of de situatie dat er specifieke zorgkosten zijn. Het hebben van een partner is van invloed op de draagkracht van een persoon. Bij inkomensafhankelijke regelingen wordt bijvoorbeeld de invloed van het zijn van partner op de draagkracht dan ook meegenomen. In de inkomstenbelasting heeft het hebben van een partner bijvoorbeeld ook tot gevolg dat partners bepaalde inkomsten en aftrekposten vrij in de aangifte kunnen verdelen. Een algemene lijst van voor- en nadelen verbonden aan partnerschap is gelet op het scala aan factoren dat de inkomenspositie van een belastingplichtige beïnvloedt dan ook niet te geven. Ik wijs deze leden op het feit dat de Belastingdienst op zijn website inzicht geeft in de gevolgen van fiscaal partnerschap. Zo is er een overzicht vermeld van de inkomsten die vrij tussen partners mogen worden verdeeld en welke niet, en wordt er op gewezen dat het hebben van een partner van betekenis kan zijn voor de uitbetaling van heffingskortingen bijvoorbeeld in het geval sprake is van weinig inkomen.

Een ander aspect van het partnerbegrip is de vraag wanneer je wordt aangemerkt als partner. In het nieuwe partnerbegrip zijn categorieën gekozen waarbij ongehuwd samenwonenden worden aangemerkt als partner indien een zelfde soort verbondenheid wordt verondersteld als bij gehuwden. Deze groepen ongehuwd samenwonenden worden voor de inkomstenbelasting en de toeslagen op eenzelfde wijze behandeld als gehuwden. Binnen de groep ongehuwd samenwonenden is een categorie mensen, de zogenoemde «samengestelde gezinnen», die niet als partner wordt aangemerkt maar die zich in een vergelijkbare positie bevinden als gezinnen waarvan de ouders voor de fiscaliteit en toeslagen wel als partner worden aangemerkt. In het Belastingplan 2012 wordt een wetswijziging voorgesteld die deze ongelijkheid wegneemt.

De leden van de fractie van D66 constateren dat hun vraag naar of er onderzoek is gedaan naar het effect van het toenemende aantal alleenstaanden op de belastingopbrengsten in de toekomst nog onbeantwoord is gebleven. Indien een dergelijke analyse is gemaakt zouden deze leden graag de uitkomsten daarvan vernemen en zo niet, vragen zij of ik bereid ben deze analyse uit te voeren. Voor zover ik weet is er geen specifiek onderzoek gedaan naar de groei van het aantal alleenstaanden of het effect daarvan op de belastingopbrengsten. Ik zie ook geen reden daarvoor. Bij de ramingen van de belastingopbrengsten van het ministerie van Financiën en Centraal Planbureau wordt immers al rekening gehouden met demografische ontwikkelingen, zoals vergrijzing en de omvang van huishoudens.

Bankenbelasting

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe de bankenbelasting vormgegeven gaat worden. In de brief van de minister en staatssecretaris van Financiën van 1 juli 201117 is een bankenbelasting aangekondigd. Deze bankenbelasting dient ter gedeeltelijke dekking van de incidentele verlaging van het tarief van de overdrachtsbelasting. In bedoelde brief is aangegeven dat de bankenbelasting een belangrijke aanvulling is op de diverse maatregelen die het kabinet neemt om de financiële stabiliteit in Nederland te versterken. Ik streef ernaar nog in het vierde kwartaal van 2011 een separaat bankenbelasting wetsvoorstel in te kunnen dienen bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Dit tijdpad waarborgt dat het wetsvoorstel in 2012 tot wet zou kunnen worden verheven. In dit licht bezien, grijp ik de vraag van deze leden dan ook gaarne aan om uw Kamer bij deze een ruwe schets van de voorgenomen bankenbelasting te geven.

Tijdens een algemeen overleg met de vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 16 maart 201118 heeft de minister van Financiën aangegeven dat de ongedekte schulden het aangrijpingspunt voor de grondslag van de bankenbelasting vormen. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in de brief van 1 juli 2011 die ongedekte schulden, zonder daarmee een inhoudelijke wijziging te beogen, per abuis zijn aangeduid als risicodragende passiva. Zoals uit de brief van de minister van Financien van 3 februari 201119 blijkt, hebben de EU lidstaten die inmiddels zijn overgegaan tot, of bezig zijn met, de invoering van een resolutiefondsheffing voor banken of een bankenbelasting, ook veelal gekozen voor een heffing over de ongedekte schulden. De ongedekte schulden worden in de meeste van die lidstaten benaderd door het totaal van passiva op de balans van banken in ieder geval te verminderen met het eigen vermogen en de verplichtingen die zouden worden vergoed onder het depositogarantiestelsel. Om de voorgenomen Nederlandse bankenbelasting niet uit de pas te laten lopen bij deze resolutiefondsheffingen en bankenbelastingen bestaat het voornemen om in ieder geval deze lijn, mede met het oog op het level playing field, over te nemen in het voorstel voor een bankenbelasting. Tevens wordt door een dergelijke benadering een onnodige stapeling voorkomen met de maatregelen voortvloeiende uit Basel III en de – aangekondigde – ex ante depositiegarantieheffing.

Voorts blijkt uit de eerdergenoemde brief van 3 februari 2011 dat in de in het Verenigd Koninkrijk geldende bankenbelasting over kortlopende ongedekte schulden een hoger tarief wordt toegepast dan over langlopende ongedekte schulden. Op deze manier wordt in het Verenigd Koninkrijk via het fiscale instrumentarium een stimulans gecreëerd waardoor bij een bank eerder de voorkeur zal ontstaan voor langlopende ongedekte schulden boven kortlopende ongedekte schulden. Dit komt de financiële stabiliteit ten goede. Deze gedachte is aantrekkelijk. Ik ben dan ook voornemens een dergelijke tariefstructuur op te nemen in het Nederlandse wetsvoorstel betreffende de bankenbelasting. Bij de uiteindelijke tariefstelling wegen naar mijn mening drie zaken mee. Allereerst dient de tariefstructuur in ieder geval in de pas te blijven met de andere resolutiefondsheffingen of bankenbelastingen in de EU lidstaten. In de tweede plaats zal, met het oog op de kredietverlening door de Nederlandse banken, de tariefstelling op een zodanig wijze moeten plaatsvinden dat de bankenbelasting in zichzelf geen zelfstandige aanleiding kan vormen de organisatiestructuur te wijzigen. Overigens nemen deze twee randvoorwaarden niet weg, en dat is de derde randvoorwaarde, dat met de bankenbelasting in ieder geval de daarvoor in de eerdergenoemde brief van 1 juli 2011 voorziene dekkingsbijdrage wordt gerealiseerd.

Hoewel zowel de administratieve lasten voor de bankensector als de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst zullen toenemen als gevolg van de voorgenomen invoering van de bankenbelasting (het betreft immers de invoering van een nieuwe rijksbelasting), zal bij de uitwerking ten slotte worden gepoogd de toename ervan zo beperkt mogelijk te houden. In de eerste plaats zal bij de uitwerking, daar waar mogelijk, worden aangesloten bij gegevens die de banken voor handen hebben op basis van reeds bestaande rapportageverplichtingen (bijvoorbeeld vanwege het jaarrekeningenrecht, accounting standards of toezichtswetgeving). Daarnaast wordt gedacht aan de opname van een «doelmatigheidsdrempel». Deze doelmatigheidsdrempel heeft tot gevolg dat banken die niet boven de drempel uitkomen niet in de heffing worden betrokken. De bankenbelasting heeft voor deze groep banken dan ook in ieder geval geen negatieve impact op de kredietverlening. De doelmatigheidsdrempel heeft als bijkomend effect dat het aantal belastingplichtigen wordt beperkt. Dit is ook aantrekkelijk voor de Belastingdienst.


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Dezentjé Hamming-Bluemink, I. (VVD), voorzitter, Omtzigt, P.H. (CDA), Irrgang, E. (SP), Knops, R.W. (CDA), Neppérus, H. (VVD), Blanksma-van den Heuvel, P.J.M.G. (CDA), Dijck, A.P.C. van (PVV), Spekman, J.L. (PvdA), Thieme, M.L. (PvdD), Heijnen, P.M.M. (PvdA), ondervoorzitter, Bashir, F. (SP), Sap, J.C.M. (GL), Harbers, M.G.J. (VVD), Plasterk, R.H.A. (PvdA), Groot, V.A. (PvdA), Bemmel, J.J.G. van (PVV), Braakhuis, B.A.M. (GL), Vliet, R.A. van (PVV), Dijkgraaf, E. (SGP), Verhoeven, K. (D66), Koolmees, W. (D66), Huizing, M.E. (VVD) en Schouten, C.J. (CU).

Plv. leden: Broeke, J.H. ten (VVD), Werf, M.C.I. van der (CDA), Gesthuizen, S.M.J.G. (SP), Hijum, Y.J. van (CDA), Leegte, R.W. (VVD), Haverkamp, M.C. (CDA), Graus, D.J.G. (PVV), Bouwmeester, L.T. (PvdA), Ouwehand, E. (PvdD), Veen, E. van der (PvdA), Vacature (SP), Grashoff, H.J. (GL), Schaart, A.H.M. (VVD), Vermeij, R.A. (PvdA), Smeets, P.E. (PvdA), Beertema, H.J. (PVV), Gent, W. van (GL), Jong, L.W.E. de (PVV), Staaij, C.G. van der (SGP), Koşer Kaya, F. (D66), Pechtold, A. (D66), Ziengs, E. (VVD) en Slob, A. (CU).

X Noot
2

Kamerstukken II 2010/11, 32 740, nr. 3.

X Noot
3

Als resultaat wordt er overheidsgeld niet efficiënt ingezet doordat bijvoorbeeld belastingplichtigen een voordeel krijgen voor gedrag dat ze toch al van plan waren. Dit staat bekend als een «dead weight loss».

X Noot
4

Kamerstukken II 2009/10, 31 935, nr. 6 en 8.

X Noot
5

Research voor Beleid, Monitor effecten BTW-verlaging arbeidsintensieve diensten, september 2002.

X Noot
6

CPB, Contra-expertise effecten BTW-verlaging arbeidsintensieve diensten.

X Noot
7

Kamerstukken II 2009/10, 32 140, nr. 4, blz. 65 e.v.

X Noot
8

Kamerstukken II 2010/11, 32 740, nr. 1, par. 5.2.2.

X Noot
9

Arresten van het Hof van Justitie van de EU van 15 mei 2008, C 414/06, Lidl Belgium, Jur. 2008, p. I-3601, punt 27 e.v. en van 23 oktober 2008, C-157/07, Krankenheim Ruhesitz am Wansee, Jur. 2008, p. I-8061, punt 47 tot en met 51.

X Noot
10

Zie CPB-berekening voor Studiecommissie Belastingstelsel.

X Noot
11

Wel is rekening gehouden met het feit dat de uitbetaling van de algemene heffingskorting in 2012 73,3% zal bedragen in plaats van 80% in 2011.

X Noot
12

Het niveau van het belastbaar looninkomen is niet helemaal vergelijkbaar met de winst voor toepassing van ondernemersfaciliteiten. Zo betaalt de werkgever premies voor werkloosheids- en wachtgeldfondsen die niet in het belastbaar loon zichtbaar zijn (zie ook Kamerstukken II 2009/10, 32 128, nr. 10).

X Noot
14

Kamerstukken 2009/10, 32 130, nr. 3, blz. 33.

X Noot
15

Besluit 24 juni 2011, nr. DGB2011/4014M, Stcrt. 2011, 11782.

X Noot
16

Kenmerk DGB/2011/4258U.

X Noot
17

Kamerstukken II 2010/11, 31 371, nr. 364.

X Noot
18

Kamerstukken II 2010/11, 21 501-07, nr. 791, blz. 14 e.v.

X Noot
19

Kamerstukken II 2010/11, 21 501-07, nr. 776, blz. 4.