Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 2006, 631Wet

Wet van 30 november 2006, houdende wijziging van belastingwetten ter realisering van de doelstelling uit de nota «Werken aan winst»

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het ondernemingsklimaat in Nederland wenselijk is fiscale wetgeving aan te passen om de doelstellingen uit de nota «Werken aan winst; naar een laag tarief en een brede grondslag» (Kamerstukken II 2004–2005, 30 107, nr. 2), te realiseren;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3.2 komt te luiden:

Artikel 3.2 Belastbare winst uit onderneming

Belastbare winst uit onderneming is het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen (paragraaf 3.2.2) verminderd met de ondernemersaftrek (paragraaf 3.2.4) en de MKB-winstvrijstelling (paragraaf 3.2.5).

B

Vóór artikel 3.30 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.29b Waardering onderhanden werk en onderhanden opdrachten

  • 1. De waardering van onderhanden werk wordt gesteld op het gedeelte van de overeengekomen vergoeding voor het aangenomen werk, dat is toe te rekenen aan dat onderhanden werk.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot onderhanden opdrachten.

C

In artikel 3.30 worden na het eerste lid, onder vernummering van het tweede lid tot vierde lid, twee leden ingevoegd, luidende:

  • 2. Het gedeelte van de nog niet afgeschreven aanschaffings- of voortbrengingskosten dat aan het kalenderjaar kan worden toegerekend bedraagt op jaarbasis met betrekking tot goodwill ten hoogste 10% en met betrekking tot andere bedrijfsmiddelen ten hoogste 20% van de aanschaffings- of voortbrengingskosten van het bedrijfsmiddel.

  • 3. De voortbrengingskosten van immateriële activa kunnen in het kalenderjaar van voortbrenging ineens worden afgeschreven.

D

Na artikel 3.30 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.30a Beperking afschrijving gebouwen

  • 1. Afschrijving op een gebouw in een kalenderjaar is slechts mogelijk indien de boekwaarde van het gebouw hoger is dan de bodemwaarde daarvan en bedraagt ten hoogste het verschil daartussen.

  • 2. Voor de afschrijving en de afwaardering tot lagere bedrijfswaarde worden de onderdelen van een gebouw, de daarbij behorende ondergrond en aanhorigheden als één bedrijfsmiddel beschouwd. Werktuigen die van een gebouw kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken, worden als een afzonderlijk bedrijfsmiddel beschouwd.

  • 3. De bodemwaarde van een gebouw is:

    a. voor een gebouw dat bestemd is om direct of indirect hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan een ander dan een met de belastingplichtige verbonden persoon of lichaam (gebouw ter belegging): de WOZ-waarde van het gebouw;

    b. voor een ander gebouw (gebouw in eigen gebruik): 50% van de WOZ-waarde.

  • 4. De WOZ-waarde van een gebouw is:

    a. de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor het gebouw bij één of meer beschikkingen vastgestelde waarde voor het kalenderjaar van de afschrijving;

    b. indien een gebouw deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken: het gedeelte van de voor die onroerende zaak bij beschikking vastgestelde waarde voor het kalenderjaar van de afschrijving, dat kan worden toegerekend aan het gebouw;

    c. indien onderdeel a of b geen toepassing vindt vanwege het ontbreken van één of meer beschikkingen: de waarde van het gebouw voor het kalenderjaar van de afschrijving bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

    Indien de winst wordt bepaald over een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar, wordt als waarde genomen de waarde voor het kalenderjaar waarin het boekjaar eindigt.

  • 5. In geval van mede-eigendom van een gebouw wordt de WOZ-waarde van het gebouw over de mede-eigenaren verdeeld naar rato van de mate van mede-eigendom.

  • 6. Indien de eigendom of economische eigendom van de ondergrond van een gebouw geheel of gedeeltelijk berust bij een ander dan een met de belastingplichtige verbonden persoon of lichaam, is dit artikel onverminderd van toepassing, met dien verstande dat alsdan als WOZ-waarde wordt genomen de WOZ-waarde van het gebouw verminderd met het gedeelte daarvan dat kan worden toegerekend aan de ondergrond respectievelijk dat deel ervan dat berust bij die ander. Grond die tot de aanhorigheden van een gebouw behoort, wordt geacht deel uit te maken van de ondergrond van het gebouw.

  • 7. Indien zowel de belastingplichtige als een met de belastingplichtige verbonden persoon of lichaam investeringen hebben verricht die als investeringen in één gebouw zouden kwalificeren indien zij een en dezelfde persoon zouden zijn, wordt de afschrijving en afwaardering tot lagere bedrijfswaarde met betrekking tot die investeringen bepaald als waren zij één en dezelfde persoon. De aldus met toepassing van het eerste lid bepaalde afschrijving wordt over hen verdeeld naar rato van, en ten hoogste tot het bedrag van, de afschrijvingen met betrekking tot die investeringen die bij hen zonder toepassing van dit artikel zouden hebben plaatsgevonden.

  • 8. Voor de toepassing van dit artikel worden niet als gebouw aangemerkt, glasopstanden die in het kader van een landbouwbedrijf als bedoeld in artikel 3.12, tweede lid, worden gebruikt voor de kweek of teelt van gewassen, ook indien de ondergrond van de glasopstand niet als voedingsbodem wordt gebruikt.

  • 9. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een verbonden persoon verstaan:

    a. de partner van de belastingplichtige;

    b. degene die ten overstaan van een notaris een samenlevingscontract heeft gesloten met de belastingplichtige;

    c. degene die voor de toepassing van een pensioenregeling als partner van de belastingplichtige is aangemeld;

    d. degene die samen met de belastingplichtige een woning bewoont welke voor hen een eigen woning is en aansprakelijk is of mede aansprakelijk is voor een schuld waarbij die woning als onderpand dient;

    e. degene, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de rechte lijn, die samen met de belastingplichtige voor het kalenderjaar kan kiezen voor kwalificatie als partner als bedoeld in artikel 1.2, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat geen sprake is van een duurzaam gevoerde gemeenschappelijke huishouding;

    f. de minderjarige kinderen van de belastingplichtige, van zijn partner of van een onder b tot en met e aangeduide persoon.

  • 10. Indien de belastingplichtige minderjarig is, wordt onder een verbonden persoon mede verstaan: een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de opgaande lijn en degene die onder een met die bloed- of aanverwant verbonden persoon als bedoeld in het achtste lid wordt verstaan.

  • 11. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een verbonden lichaam verstaan: een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met de belastingplichtige verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 behoudens indien sprake is van een aanmerkelijk belang op grond van artikel 4.10 of artikel 4.11.

Da

In artikel 3.31 wordt aan het eerste lid toegevoegd: Artikel 3.30a, eerste lid, vindt hierbij geen toepassing.

E

In artikel 3.39 wordt «Afschrijving» vervangen door: Willekeurige afschrijving.

Ea

Artikel 3.42a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid wordt vervangen door:

  • 2. Milieu-investeringen zijn investeringen, behorend tot categorie I, II, III, IV respectievelijk V, die door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met Onze Minister en na overleg met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij ministeriële regeling zijn aangewezen in het belang van de bescherming van het Nederlandse milieu, de bevordering van het dierenwelzijn danwel van het platteland.

2. Het derde lid wordt vervangen door:

  • 3. Bij een bedrag aan milieu-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2100 bedraagt de milieu-investeringsaftrek 60% voor milieu-investeringen die behoren tot categorie I, 50% voor milieu-investeringen die behoren tot categorie II, 40% voor milieu-investeringen die behoren tot categorie III, 30% voor milieu-investeringen die behoren tot categorie IV en 15% voor milieu-investeringen die behoren tot categorie V.

F

In artikel 3.54a, derde lid, wordt «70%» vervangen door: 76%.

G

Na artikel 3.79 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

PARAGRAAF 3.2.5. MKB-WINSTVRIJSTELLING

Artikel 3.79a MKB-winstvrijstelling
  • 1. De MKB-winstvrijstelling geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet.

  • 2. De MKB-winstvrijstelling bedraagt 10% van het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen (paragraaf 3.2.2) nadat dit bedrag is verminderd met de ondernemersaftrek (paragraaf 3.2.4).

  • 3. Ingeval de ondernemer in een jaar niet voldoet aan het urencriterium en voor hem in dat jaar de stakingsaftrek geldt, geldt voor hem met betrekking tot dat jaar ook de MKB-winstvrijstelling, mits hij in drie of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren wel ondernemer was en aan het urencriterium heeft voldaan.

H

In artikel 3.95 wordt «de artikelen 3.10, 3.13 tot en met 3.21, 3.25 tot en met 3.30» vervangen door: de artikelen 3.10, 3.13 tot en met 3.21, 3.25 tot en met 3.30a, eerste tot en met elfde lid.

I

Artikel 3.150 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de drie voorafgaande en acht volgende kalenderjaren» vervangen door: de drie voorafgaande en de negen volgende kalenderjaren.

2. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde tot en met achtste lid tot derde tot en met zevende lid.

3. In het derde lid (nieuw) wordt «voor de in het vijfde lid bedoelde ondernemingsverliezen» vervangen door: voor de in het vierde lid bedoelde ondernemingsverliezen.

4. In het vierde lid (nieuw) wordt «Het vierde lid» vervangen door: Het derde lid.

5. In het vijfde lid (nieuw) vervalt de zinsnede «, met dien verstande dat eerst andere verliezen dan ondernemingsverliezen worden verrekend».

Ia

Aan artikel 4.14, achtste lid, onderdeel c, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Een naar de winst geheven belasting is naar Nederlandse maatstaven redelijk indien deze resulteert in een heffing naar een tarief van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst, waarbij de artikelen 12b en 12c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 buiten toepassing blijven.

J

In artikel 4.34, vijfde lid, wordt «30%» vervangen door: 24%.

K

In artikel 4.49, eerste lid, wordt «de drie voorafgaande en alle volgende kalenderjaren» vervangen door: het voorafgaande kalenderjaar en de negen volgende kalenderjaren.

L

In artikel 4.53, vierde lid, wordt «de daarop volgende jaren» vervangen door: de zeven daarop volgende jaren, maar uiterlijk van het negende jaar volgend op het jaar waarin het verlies is geleden.

M

Na artikel 10a.1 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 10a.2 Overgangsbepaling waardering onderhanden werk en onderhanden opdrachten vanwege invoering artikel 3.29b

De waardering van onderhanden werk en onderhanden opdrachten overeenkomstig artikel 3.29b vindt voor de eerste keer toepassing aan het einde van het eerste boekjaar dat is aangevangen op of na 1 januari 2007.

Artikel 10a.3 Overgangsbepaling afschrijving op bedrijfsmiddelen vanwege wijziging artikel 3.30 en invoering artikel 3.30a

  • 1. Artikel 3.30, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 3.30a, vindt ook toepassing met betrekking tot goodwill en andere bedrijfsmiddelen, onderscheidenlijk gebouwen, ter zake waarvan vóór 1 januari 2007 voor de verwerving of verbetering verplichtingen zijn aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt, met dien verstande dat wat betreft goodwill en andere bedrijfsmiddelen het gedeelte van de nog niet afgeschreven aanschaffings- of voortbrengingskosten dat aan het kalenderjaar kan worden toegerekend op jaarbasis ten hoogste bedraagt:

    a. met betrekking tot goodwill, 12/(120-V) x boekwaarde van de goodwill op 1 januari 2007, en

    b. met betrekking tot andere bedrijfsmiddelen, 12/(60-V) x boekwaarde van het bedrijfsmiddel op 1 januari 2007, waarbij V voorstelt: het aantal maanden dat de belastingplichtige vóór 1 januari 2007 reeds heeft afgeschreven op de goodwill, onderscheidenlijk het andere bedrijfsmiddel.

  • 2. Indien de winst wordt bepaald over een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar, vinden artikel 3.30, tweede lid, en artikel 3.30a voor het eerst toepassing met betrekking tot het boekjaar dat op of na 1 januari 2007 aanvangt. Alsdan wordt voor de toepassing van het eerste lid en het derde lid voor «1 januari 2007» gelezen de datum van aanvang van het in de eerste volzin bedoelde boekjaar.

  • 3. Met betrekking tot een gebouw dat vóór 1 januari 2007 reeds tot het ondernemingsvermogen of resultaatvermogen van de belastingplichtige behoorde en waarop de belastingplichtige reeds vóór 1 januari 2007 heeft afgeschreven doch nog niet gedurende tenminste drie jaren, vindt artikel 3.30a voor het eerst toepassing met ingang van het boekjaar dat volgt op het boekjaar waarin die drie jaren zijn geëindigd.

ARTIKEL II

De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, vierde lid, vervalt «13g, ». Voorts wordt «, 15a en 28b» vervangen door: en 15a.

B

In artikel 6 wordt «artikel 9, eerste lid, onderdelen i en j, in verbinding met het vierde en vijfde lid van dat artikel» vervangen door: artikel 9, eerste lid, onderdelen h en i, in verbinding met het derde en vierde lid van dat artikel.

C

In hoofdstuk II wordt vóór artikel 7 ingevoegd:

AFDELING 2.1 BELASTBAAR BEDRAG

D

Na artikel 7 wordt ingevoegd:

AFDELING 2.2 ALGEMENE ARTIKELEN INZAKE BEPALING VAN DE WINST

E

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «3.21 tot en met 3.57 en 10.10» vervangen door: 3.21 tot en met 3.30, 3.30a, eerste tot en met achtste lid, 3.31 tot en met 3.54, 3.55 tot en met 3.57, 10.10, 10a.2 en 10a.3.

2. Na het zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 6a. Voor de toepassing van artikel 3.30a van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt verstaan onder:

    a. een met de belastingplichtige verbonden lichaam: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 10a, vierde lid, en zesde lid;

    b. een met de belastingplichtige verbonden persoon: een natuurlijke persoon voor wie de belastingplichtige een verbonden lichaam is als bedoeld in artikel 3.30a, elfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

F

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel h, vervalt.

2. De onderdelen i en j worden geletterd h en i.

3. Het derde lid vervalt, onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid tot derde tot en met vijfde lid.

4. In het derde lid (nieuw) wordt «onderdeel j» vervangen door: onderdeel i.

5. In het vierde lid (nieuw) wordt in de eerste volzin «onderdeel j» vervangen door «onderdeel i». Voorts wordt in de eerste volzin «onderdeel i» vervangen door «onderdeel h». Vervolgens wordt in de tweede volzin «onderdelen i en j» telkens vervangen door: onderdelen h en i.

6. In het vijfde lid (nieuw) wordt «onderdelen i en j» vervangen door: onderdelen h en i.

G

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel d, vervalt de tweede volzin.

2. In het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel i door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

j. bij een vennootschap met een geheel of ten dele in aandelen verdeeld kapitaal: uitreiking of toekenning van aandelen in dat kapitaal of in dat van een met die vennootschap verbonden lichaam, van winstbewijzen in de vennootschap of in een met die vennootschap verbonden lichaam, alsmede van rechten om aandelen in dat kapitaal of winstbewijzen in de vennootschap of een daarmee verbonden lichaam te verwerven of van daarmee gelijk te stellen rechten.

3. Het tweede tot en met vierde lid vervallen onder vernummering van het vijfde lid tot tweede lid.

H

Artikel 10a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van schulden rechtens dan wel in feite direct of indirect verschuldigd aan een verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon, voor zover die schulden rechtens dan wel in feite direct of indirect verband houden met een van de volgende rechtshandelingen:

    a. een winstuitdeling of een teruggaaf van gestort kapitaal door de belastingplichtige of door een met hem verbonden lichaam dat aan deze belasting is onderworpen, aan een met hem verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon;

    b. een kapitaalstorting door de belastingplichtige, door een met hem verbonden lichaam dat aan deze belasting is onderworpen of door een met hem verbonden natuurlijk persoon die in Nederland woont, in een met hem verbonden lichaam;

    c. de verwerving of uitbreiding van een belang door de belastingplichtige, door een met hem verbonden lichaam dat aan deze belasting is onderworpen of door een met hem verbonden natuurlijk persoon die in Nederland woont, in een lichaam dat na deze verwerving of uitbreiding een met hem verbonden lichaam is.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Van een verband als bedoeld in het eerste lid tussen een schuld en een rechtshandeling kan ook sprake zijn indien de schuld is aangegaan na het verrichten van de rechtshandeling.

3. In de aanhef van het derde lid wordt «tweede lid» vervangen door: eerste lid.

4. In het derde lid, onderdeel a, wordt «geldlening» vervangen door: schuld.

5. In het derde lid, onderdeel b, wordt «geldlening is opgenomen» vervangen door «schuld is aangegaan». Voorts wordt «geldlening is aangegaan» vervangen door «schuld is aangegaan». Ten slotte wordt aan onderdeel b een volzin toegevoegd, luidende: Een naar de winst geheven belasting is naar Nederlandse maatstaven redelijk indien deze resulteert in een heffing naar een tarief van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst, waarbij de artikelen 12b en 12c buiten toepassing blijven.

6. In de aanhef van het vierde lid wordt «10b, 10d, 13» vervangen door «10d, 13, 13a». Voorts vervallen « 13bb,», « 13f,», «15ad,» en «, 28b».

7. In het vierde lid, onderdeel c, wordt voor de puntkomma ingevoegd: . Daarbij wordt een belang dat wordt gehouden door de echtgenoot of een minderjarig kind van een natuurlijk persoon aan die persoon toegerekend. Met een echtgenoot wordt gelijkgesteld de ongehuwde meerderjarige die ingevolge artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan kwalificeren als partner. Onder een kind wordt mede verstaan een kind van een echtgenoot alsmede een pleegkind.

8. In het vierde lid, onderdeel d, wordt «de artikelen 10d, 13f en 15ad» vervangen door: artikel 10d.

9. In het vijfde lid, onderdeel a, vervalt «en artikel 15ad».

I

Artikel 10b komt te luiden:

Artikel 10b

Indien de belastingplichtige van een lichaam waarmee hij is gelieerd in de zin van artikel 8b een geldlening heeft verkregen welke geen vaste aflossingsdatum heeft of een aflossingsdatum die meer dan 10 jaar is gelegen na het tijdstip van het aangaan daarvan, terwijl rechtens dan wel in feite geen vergoeding op die lening is overeengekomen of een vergoeding die in belangrijke mate lager is dan hetgeen in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zou zijn overeengekomen, komen bij het bepalen van de winst vergoedingen op die lening en waardemutaties van die lening niet in aftrek. Bij verschuiving van de aflossingsdatum naar een later tijdstip wordt voor de toepassing van de eerste volzin de geldlening geacht vanaf het tijdstip van totstandkoming die nieuwe aflossingsdatum te hebben gehad.

J

In artikel 10d, zevende lid, wordt «onder geldlening alleen verstaan een geldlening met betrekking waartoe» vervangen door: onder geldlening verstaan een vordering of schuld die voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst en waarbij bij een schuld.

Voorts vervalt de zinsnede «en van de artikelen 14a, achtste lid, 14b, zesde lid, en 15ad».

K

Artikel 15ba wordt vernummerd tot artikel 12 en ingevoegd na artikel 11.

L

Artikel 15e wordt vernummerd tot artikel 12a en ingevoegd na artikel 12.

M

Na artikel 12a wordt ingevoegd:

AFDELING 2.3 OCTROOIBOX

Artikel 12b
  • 1. Indien de belastingplichtige een immaterieel activum heeft voortgebracht ter zake waarvan aan hem een octrooi is verleend, worden, ingeval hij daarvoor bij de aangifte over een jaar kiest met ingang van dat jaar de voordelen uit hoofde van dat activum, met in achtneming van de drempel als geduid in het vijfde lid en het maximum als geduid in het zesde lid, slechts in aanmerking genomen voor 10/H gedeelte. Daarbij staat H voor het percentage van het hoogste tarief, bedoeld in artikel 22, geldend voor het jaar waarin het voordeel is genoten.

  • 2. Dit artikel is slechts van toepassing op immateriële activa waarvan de te verwachten voordelen in belangrijke mate hun oorzaak vinden in aan de belastingplichtige verleende octrooien.

  • 3. Voor de toepassing van dit artikel worden onder octrooien mede begrepen kwekersrechten.

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing op door de belastingplichtige voortgebrachte merken, logo’s, en daarmee vergelijkbare vermogensbestanddelen.

  • 5. Het eerste lid is van toepassing voor zover het saldo van de in het jaar genoten voordelen uit hoofde van immateriële activa als bedoeld in dat lid, uitgaat boven de drempel. De drempel is gelijk aan het gezamenlijke bedrag van de nog in te lopen voortbrengingskosten, bedoeld in het zevende lid, aan het einde van het voorafgaande jaar, vermeerderd met de voortbrengingskosten van de activa waarvoor de belastingplichtige in het jaar heeft gekozen voor toepassing van dit artikel.

  • 6. Het eerste lid is ten hoogste van toepassing op een saldo dat gelijk is aan het saldo van de resterende ruimte, bedoeld in het achtste lid, aan het einde van het voorafgaande jaar, vermeerderd met het viervoud van het bedrag van de voortbrengingskosten van de activa waarvoor de belastingplichtige in het jaar heeft gekozen voor toepassing van dit artikel.

  • 7. De inspecteur stelt gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag over het jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking vast het saldo van de nog in te lopen voortbrengingskosten aan het einde van het jaar, welk saldo is:

    a. het bedrag dat bij het einde van het voorafgaande jaar op de voet van dit lid is vastgesteld, zo dat is vastgesteld, vermeerderd met:

    b. de voortbrengingskosten van de activa waarvoor belastingplichtige in het jaar heeft gekozen voor toepassing van dit artikel, en verminderd met:

    c. de in het jaar genoten voordelen die de drempel van het jaar niet te boven gingen.

  • 8. De inspecteur stelt gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag over het jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking vast het saldo van de resterende ruimte aan het einde van het jaar, welk saldo is:

    a. het bedrag dat bij het einde van het voorafgaande jaar op de voet van dit lid is vastgesteld, zo dat is vastgesteld, vermeerderd met:

    b. het viervoud van de voortbrengingskosten van de activa waarvoor belastingplichtige in het jaar heeft gekozen voor toepassing van dit artikel, en verminderd met:

    c. de voordelen die krachtens het eerste lid in het jaar slechts voor een gedeelte in aanmerking zijn genomen.

  • 9. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het in het zevende lid of in het achtste lid bedoelde saldo te laag, onderscheidenlijk te hoog is vastgesteld, kan de inspecteur een aldaar bedoelde beschikking herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Artikel 16, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing. Rechtsmiddelen tegen een in het zevende lid of in het achtste lid bedoelde beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de vermeerdering ingevolge onderdeel b en de vermindering ingevolge onderdeel c van die leden.

  • 10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels, waaronder nadere voorwaarden, worden gesteld voor de toepassing van dit artikel. Daarbij kunnen tevens regels worden gesteld voor de bepaling welk deel van de door een andere Mogendheid geheven belasting over voordelen die onder dit artikel vallen, op basis van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, kan worden verrekend met de verschuldigde vennootschapsbelasting.

AFDELING 2.4 GROEPSRENTEBOX

Artikel 12c
  • 1. Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en alle met hem verbonden lichamen in de zin van het vijfde lid die zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting, wordt bij hem en bij die verbonden lichamen het groepsrentesaldo als bedoeld in het derde lid bij het bepalen van de winst in aanmerking genomen voor 5/H gedeelte. Daarbij staat H voor het percentage van het hoogste tarief, bedoeld in artikel 22, geldend voor het jaar van het groepsrentesaldo.

  • 2. De toepassing van het eerste lid vangt aan met ingang van het jaar waarvoor het in dat lid bedoelde verzoek is gedaan en eindigt met ingang van het jaar waarin niet langer sprake is van een gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en alle met hem verbonden lichamen in de zin van het vijfde lid die zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting. De toepassing van het eerste lid kan eindigen op verzoek van de belastingplichtige nadat dit gedurende ten minste drie jaren op hem van toepassing is geweest.

  • 3. Het groepsrentesaldo van een jaar van de belastingplichtige is het bedrag aan rente dat in dat jaar ten bate van de winst komt ter zake van geldleningen verstrekt aan verbonden lichamen in de zin van het vijfde lid, verminderd met het bedrag aan rente dat in dat jaar ten laste van de winst komt ter zake van geldleningen direct of indirect verschuldigd aan verbonden lichamen in de zin van het vijfde lid. Ingeval het bedrag aan rente dat ten bate van de winst komt, uitgaat boven het bedrag aan rente dat ten laste van de winst komt, is sprake van een positief groepsrentesaldo.

  • 4. Een positief groepsrentesaldo van een jaar komt slechts in aanmerking voor de toepassing van het eerste lid voor zover dit saldo niet uitgaat boven een bedrag ter grootte van het hierna aangeduide percentage van het gemiddeld eigen vermogen van dat jaar bepaald naar de stand bij het begin en het einde van het jaar, waarbij dat gemiddelde vermogen ten minste op nihil wordt gesteld. Als percentage wordt genomen het op de voet van artikel 30f, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen berekende percentage van de heffingsrente, geldend voor het kwartaal waarin het jaar eindigt.

  • 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een met de belastingplichtige verbonden lichaam verstaan:

    a. een lichaam waarin de belastingplichtige voor meer dan 50% belang heeft;

    b. een lichaam dat voor meer dan 50% belang heeft in de belastingplichtige;

    c. een lichaam waarin een derde voor meer dan 50% belang heeft, terwijl deze derde tevens voor meer dan 50% belang heeft in de belastingplichtige. Daarbij wordt een belang dat wordt gehouden door de echtgenoot of een minderjarig kind van een natuurlijk persoon aan die persoon toegerekend. Met een echtgenoot wordt gelijkgesteld de ongehuwde meerderjarige die ingevolge artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan kwalificeren als partner. Onder een kind wordt mede verstaan een kind van een echtgenoot alsmede een pleegkind.

  • 6. Voor de toepassing van dit artikel wordt:

    a. onder geldlening verstaan een vordering of schuld die voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening of uit een daarmee vergelijkbare overeenkomst;

    b. onder rente ter zake van geldleningen verstrekt aan een verbonden lichaam in de zin van het vijfde lid, mede begrepen de opbrengsten van kortlopende beleggingen voor zover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat deze worden aangehouden met het oog op de verwerving van deelnemingen;

    c. onder geldleningen verstrekt aan verbonden lichamen in de zin van het vijfde lid, niet begrepen geldleningen welke direct of indirect verband houden met de vervreemding van activa aan een verbonden lichaam in de zin van het vijfde lid, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan de geldlening en de vervreemding in onderling verband in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen;

    d. onder rente ter zake van geldleningen verstrekt aan verbonden lichamen in de zin van het vijfde lid of ter zake van geldleningen direct of indirect verschuldigd aan verbonden lichamen in de zin van dat lid, mede begrepen de kosten ter zake van die leningen;

    e. onder geldleningen direct of indirect verschuldigd aan verbonden lichamen in de zin van het vijfde lid, mede begrepen een geldlening die is verschuldigd aan een niet verbonden lichaam of aan een natuurlijk persoon, ingeval de uit die lening verkregen middelen via een kapitaalstorting zijn aangewend ter verkrijging van opbrengsten waarop het eerste lid van toepassing is, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan de geldlening en de kapitaalstorting in onderling verband in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen.

  • 7. Onze Minister kan op verzoek van een samenwerkende groep van niet-verbonden lichamen de inspecteur machtigen, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, de lichamen die tot deze groep behoren voor de toepassing van dit artikel als met elkaar verbonden aan te merken.

  • 8. Onze Minister kan op verzoek van een groep van verbonden lichamen de inspecteur machtigen, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, de lichamen die tot een zelfstandig onderdeel van de groep behoren voor de toepassing van dit artikel als niet-verbonden lichamen aan te merken met de lichamen die behoren tot een ander zelfstandig onderdeel van de groep.

  • 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels, waaronder nadere voorwaarden, worden gesteld voor de toepassing van dit artikel. Daarbij kunnen tevens regels worden gesteld voor de bepaling welk deel van de door een andere Mogendheid geheven belasting over voordelen die onder dit artikel vallen, op basis van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, kan worden verrekend met de verschuldigde vennootschapsbelasting.

AFDELING 2.5 DEELNEMINGEN

N

Artikel 13 komt te luiden:

Artikel 13

  • 1. Bij het bepalen van de winst blijven buiten aanmerking de voordelen uit hoofde van een deelneming, alsmede de kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van die deelneming (deelnemingsvrijstelling).

  • 2. Van een deelneming is sprake indien de belastingplichtige:

    a. voor ten minste 5% van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld;

    b. ten minste 5% bezit van het aantal in omloop zijnde bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening; daarbij wordt het aantal andere dan enkelvoudige bewijzen van deelgerechtigdheid herleid tot een daarmee overeenstemmend aantal enkelvoudige bewijzen;

    c. lid is van een coöperatie of van een vereniging op coöperatieve grondslag;

    d. als commanditaire vennoot een aandeel heeft in de vennootschappelijke gemeenschap van een open commanditaire vennootschap en daardoor voor ten minste 5% deelt in het door die vennootschap behaalde voordeel.

  • 3. Ingeval de belastingplichtige in het bezit is van aandelen in een vennootschap die is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat voorziet in een verlaging van belastingheffing op dividenden op grond van het aantal stemrechten, is, in afwijking van het tweede lid, aanhef en onderdeel a, eveneens sprake van een deelneming indien de aandelen in het bezit van de belastingplichtige ten minste 5% van de stemrechten vertegenwoordigen.

  • 4. Indien de belastingplichtige in een lichaam een deelneming heeft als bedoeld in het tweede of derde lid, worden onder deze deelneming mede begrepen door de belastingplichtige gehouden:

    a. winstbewijzen van dat lichaam;

    b. schuldvorderingen op dat lichaam als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d.

  • 5. Van een deelneming is mede sprake indien de belastingplichtige:

    a. aandeelhouder is van een vennootschap, deelgerechtigd is in een fonds voor gemene rekening, of als commanditaire vennoot een aandeel heeft in de vennootschappelijke gemeenschap van een open commanditaire vennootschap, terwijl deze vennootschap, onderscheidenlijk dit fonds voor gemene rekening of deze open commanditaire vennootschap met de belastingplichtige is verbonden in de zin van artikel 10a, vierde lid, of waarin een met de belastingplichtige verbonden lichaam een deelneming heeft als bedoeld in het tweede of derde lid;

    b. een schuldvordering op een lichaam bezit als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, terwijl de belastingplichtige daarin geen maar een met de belastingplichtige verbonden lichaam wel een deelneming als bedoeld in het tweede of derde lid heeft, of dat lichaam met de belastingplichtige is verbonden in de zin van artikel 10a, vierde lid;

    c. houder is van een winstbewijs van een lichaam, terwijl de belastingplichtige daarin geen maar een met de belastingplichtige verbonden lichaam wel een deelneming als bedoeld in het tweede of derde lid heeft, of dat lichaam met de belastingplichtige is verbonden in de zin van artikel 10a, vierde lid.

  • 6. Indien een deelneming of een deel daarvan is vervreemd of verkregen tegen een prijs welke geheel of ten dele bestaat uit een recht op een of meer termijnen waarvan het aantal of de omvang in het jaar van de vervreemding of de verkrijging nog niet vaststaat, behoren bij de vervreemder de waardeveranderingen van dat recht en bij de verkrijger de met de waardeveranderingen van dat recht corresponderende verplichting tot de voordelen uit hoofde van de deelneming. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing bij aanpassingen van de prijs waartegen is vervreemd of verkregen; voorts is die volzin van overeenkomstige toepassing op de houder van een deelneming van wie door de vennootschap waarin de deelneming wordt gehouden, aandelen zijn ingekocht.

  • 7. Indien de inspecteur vooraf bij voor bezwaar vatbare beschikking, eventueel onder het stellen van nadere voorwaarden, heeft vastgesteld dat een rechtshandeling strekt tot het afdekken van valutarisico dat met een deelneming wordt gelopen, behoort een voordeel uit de desbetreffende rechtshandeling tot de voordelen uit hoofde van de deelneming.

  • 8. De deelnemingsvrijstelling vindt geen toepassing ten aanzien van een belastingplichtige die als beleggingsinstelling is aangemerkt.

  • 9. De deelnemingsvrijstelling is niet van toepassing op voordelen uit hoofde van een laagbelaste beleggingsdeelneming, alsmede op de kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van die deelneming.

  • 10. Van een laagbelaste beleggingsdeelneming is sprake indien de bezittingen van het lichaam waarin de belastingplichtige een deelneming heeft, grotendeels, onmiddellijk of middellijk, bestaan uit vrije beleggingen, dat lichaam niet is onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een heffing naar een tarief van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst, waarbij de artikelen 12b en 12c buiten toepassing blijven, en de deelneming niet is een vastgoeddeelneming. Vrije beleggingen zijn andere beleggingen dan die welke redelijkerwijs noodzakelijk zijn in het kader van de ondernemingsactiviteiten van het lichaam dat de beleggingen bezit.

  • 11. Onder vrije beleggingen als bedoeld in het tiende lid worden mede begrepen bezittingen die worden aangewend voor werkzaamheden die grotendeels bestaan uit het direct of indirect financieren van de belastingplichtige of van met de belastingplichtige verbonden lichamen, dan wel van bedrijfsmiddelen van de belastingplichtige of van met de belastingplichtige verbonden lichamen, daaronder begrepen het ter beschikking stellen van het gebruik of het gebruiksrecht van bedrijfsmiddelen, tenzij aannemelijk is dat de werkzaamheden van het lichaam waarin de belastingplichtige een deelneming houdt, ingevolge bij ministeriële regeling te stellen regels kunnen worden aangemerkt als actieve financieringswerkzaamheden.

  • 12. Voor de toepassing van het tiende lid zijn bezittingen die, onmiddellijk of middellijk, bestaan uit belangen in lichamen, in ieder geval een belegging, indien zij bestaan uit:

    1°. belangen van minder dan 5% van het nominaal gestorte kapitaal van een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld;

    2°. belangen van minder dan 5% van het aantal in omloop zijnde bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening; daarbij wordt het aantal andere dan enkelvoudige bewijzen van deelgerechtigdheid herleid tot een daarmee overeenstemmend aantal enkelvoudige bewijzen;

    3°. een aandeel als commanditaire vennoot in de vennootschappelijke gemeenschap van een open commanditaire vennootschap, welk aandeel voor minder dan 5% deelt in het door die vennootschap behaalde voordeel.

  • 13. Van een vastgoeddeelneming is sprake indien de bezittingen van het lichaam waarin de belastingplichtige een deelneming heeft, geconsolideerd beschouwd, ten minste nagenoeg uitsluitend bestaan uit onroerende zaken die, onmiddellijk of middellijk, niet in het bezit zijn van een lichaam dat is aangemerkt als beleggingsinstelling. Voor de consolidatie worden alleen belangen van ten minste 5% in aanmerking genomen.

  • 14. Indien een belang dat de belastingplichtige reeds meer dan een jaar houdt en waarvoor hij in die periode onafgebroken in aanmerking kwam voor de deelnemingsvrijstelling, niet langer als een deelneming wordt aangemerkt omdat de omvang van het belang niet meer voldoet aan de voorwaarde van ten minste 5%, bedoeld in het tweede of derde lid, blijft nog gedurende een periode van drie jaar, gerekend vanaf het tijdstip dat niet meer wordt voldaan aan de bedoelde voorwaarde, de deelnemingsvrijstelling van toepassing met betrekking tot voordelen uit hoofde van dat belang en kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van dat belang. Het zesde, zevende en negende lid zijn van overeenkomstige toepassing.

O

Artikel 13a wordt vervangen door:

Artikel 13a

  • 1. De belastingplichtige die al dan niet tezamen met een verbonden lichaam een belang heeft van 25% of meer in een lichaam:

    a. waarvan de bezittingen uitsluitend of nagenoeg uitsluitend, onmiddellijk of middellijk, bestaan uit vrije beleggingen,

    b. dat niet is onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een heffing naar een tarief van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst, waarbij de artikelen 12b en 12c buiten toepassing blijven, en

    c. dat niet is een vastgoeddeelneming,

  • 2. Met ingang van het tijdstip waarop het eerste lid geen toepassing meer vindt ten aanzien van de belastingplichtige, wordt de verkrijgingsprijs van het belang in het lichaam voor de bepaling van de winst gesteld op de boekwaarde van dit belang op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan dat waarop het eerste lid geen toepassing meer vindt.

  • 3. Voor de bepaling van de omvang van het in het eerste lid bedoelde belang blijven buiten beschouwing aandelen, bewijzen van deelgerechtigdheid, lidmaatschapsrechten en aandelen als commanditaire vennoot in de vennootschappelijke gemeenschap van een open commanditaire vennootschap, die bij de ontbinding van het lichaam niet delen in de reserves van het lichaam.

Artikel 13aa

  • 1. Indien de belastingplichtige voordelen geniet uit hoofde van laagbelaste beleggingsdeelnemingen, wordt een gebruteerd bedrag van die voordelen tot de winst gerekend en wordt ter verrekening van de op die voordelen drukkende winstbelasting de verschuldigde vennootschapsbelasting verminderd volgens hoofdstuk VA (deelnemingsverrekening).

  • 2. Brutering van een voordeel vindt plaats door vermenigvuldiging van het voordeel met de factor 100/95. De brutering vindt ook toepassing op de voordelen bedoeld in artikel 13, zesde en zevende lid.

  • 3. Herwaarderingsvoordelen en vervreemdingsvoordelen worden berekend met inachtneming van de kosten ter zake van de verwerving en de vervreemding van de desbetreffende laagbelaste beleggingsdeelneming.

  • 4. Voor zover een voordeel bestaat uit een winstuitkering waarvoor een verzoek als bedoeld in artikel 23c, derde lid, wordt gedaan, wordt dit voordeel, in afwijking van het tweede lid, in aanmerking genomen na vermeerdering ervan met het bedrag van op die winstuitkering drukkende winstbelasting als bedoeld in artikel 23c, vierde lid.

  • 5. Ingeval in een jaar het bedrag van de gezamenlijke gebruteerde voordelen uit hoofde van laagbelaste beleggingsdeelnemingen positief is, wordt ter verrekening van op die voordelen drukkende winstbelasting, op de verschuldigde vennootschapsbelasting van dat jaar een vermindering verleend volgens hoofdstuk VA (deelnemingsverrekening).

  • 6. Ingeval in een jaar het bedrag van de gezamenlijke gebruteerde voordelen uit hoofde van laagbelaste beleggingsdeelnemingen negatief is, wordt de winst van dat jaar vermeerderd met een bedrag ter grootte van 5/25,5 deel van dat bedrag.

  • 7. Dit artikel vindt geen toepassing:

    a. ingeval het lichaam waarin de belastingplichtige een deelneming heeft, is vrijgesteld van een belasting naar de winst, of is onderworpen aan een belasting naar de winst die niet resulteert in een daadwerkelijke heffing;

    b. ten aanzien van een belastingplichtige die als beleggingsinstelling is aangemerkt.

P

Artikel 13b wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid vervalt, onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid in derde tot en met vijfde lid.

2. In het vierde lid (nieuw) wordt «en het vierde lid» vervangen door: en het derde lid.

3. Het vijfde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing indien de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam via een deelneming middellijk een belang van 5% of meer in de schuldenaar heeft.

Q

Artikel 13ba wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt «de heffing van een belasting naar de winst die naar Nederlandse maatstaven redelijk is» vervangen door: een belasting naar de winst die resulteert in een heffing naar een tarief van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst, waarbij de artikelen 12b en 12c buiten toepassing blijven.

2. In het zesde lid wordt «artikel 13, eerste lid, tweede volzin en de prijsaanpassingen als bedoeld in de derde volzin» vervangen door: artikel 13, zesde lid, eerste volzin, en de prijsaanpassingen als bedoeld in de tweede volzin.

3. In het achtste lid wordt «artikel 13, eerste lid, tweede en derde volzin» vervangen door: artikel 13, zesde lid.

4. Het elfde lid komt te luiden:

  • 11. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing indien de belastingplichtige in verband met een in het tweede lid genoemde omstandigheid een deelneming in de schuldenaar verkrijgt.

5. In het dertiende lid wordt «de heffing van een belasting naar de winst die naar Nederlandse maatstaven redelijk is» vervangen door: een belasting naar de winst die resulteert in een heffing naar een tarief van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst, waarbij de artikelen 12b en 12c buiten toepassing blijven.

6. Na het dertiende lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 14. Dit artikel is niet van toepassing indien de in het eerste lid bedoelde deelneming een laagbelaste beleggingsdeelneming is.

R

Artikel 13bb vervalt.

S

Artikel 13d wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de tweede volzin.

2. In het tweede lid, onderdeel c, wordt «artikel 13, eerste lid, tweede volzin,» vervangen door «artikel 13, zesde lid, eerste volzin,». Voorts wordt «artikel 13, eerste lid, derde volzin» vervangen door: artikel 13, zesde lid, tweede volzin.

3. Onder vervanging van de puntkomma aan het slot van het tweede lid, onderdeel c, door een punt, vervalt het tweede lid, onderdeel d.

4. In het derde lid, aanhef, wordt «voordelen uit hoofde van de deelneming welke zijn genoten» vervangen door: voordelen uit hoofde van de deelneming welke met toepassing van de deelnemingsvrijstelling zijn genoten.

5. In het vijfde lid wordt «ingevolge het eerste lid, tweede volzin, dan wel» vervangen door: ingevolge.

6. Het zevende lid komt te luiden:

  • 7. Indien aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid worden verkregen van een verbonden lichaam en deze aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid op het tijdstip van verkrijging of enig tijdstip daarna tot een deelneming gaan behoren, wordt het opgeofferde bedrag niet hoger gesteld dan het bedrag dat door dat lichaam voor die aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid is opgeofferd. De eerste volzin is niet van toepassing voor zover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat over het bedrag van de waardetoename van de aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid na het tijdstip van de verkrijging daarvan door het lichaam waarvan de belastingplichtige de aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid verkrijgt, belasting naar de winst is geheven die resulteert in een heffing naar een tarief van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst, waarbij de artikelen 12b en 12c buiten toepassing blijven.

T

Artikel 13f vervalt.

U

Artikel 13g vervalt.

V

In artikel 13h vervalt de laatste volzin.

W

In artikel 13i, eerste lid, wordt «artikel 10a, tweede lid» vervangen door: artikel 10a, eerste lid.

X

Artikel 13j wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «artikel 10a, tweede lid» vervangen door: artikel 10a, eerste lid.

2. Het zesde lid vervalt.

Y

Artikel 13k wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «artikel 10a, tweede lid» vervangen door: artikel 10a, eerste lid.

2. Het zevende lid vervalt.

Z

Vóór artikel 14 wordt ingevoegd:

AFDELING 2.6 BEDRIJFSFUSIE

AA

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «verrekening van verliezen» vervangen door: verrekening van verliezen, op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten, op toepassing van de octrooibox of op toepassing van de deelnemingsverrekening.

2. In het tweede lid wordt «verrekening van verliezen» vervangen door: verrekening van verliezen, op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten, op toepassing van de octrooibox of op toepassing van de deelnemingsverrekening.

3. In het zevende lid wordt «de verrekening van verliezen en de verrekening van buitenlandse resultaten» vervangen door: de verrekening van verliezen, de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten, de toepassing van de octrooibox of de toepassing van de deelnemingsverrekening.

BB

Na artikel 14 wordt ingevoegd:

AFDELING 2.7 SPLITSING EN JURIDISCHE FUSIE

CC

Artikel 14a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «op de voet van artikel 20» vervangen door: op de voet van artikel 20, op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten, op toepassing van de octrooibox of op toepassing van de deelnemingsverrekening.

2. In het vijfde lid wordt «de verrekening van verliezen, de verrekening van buitenlandse resultaten» vervangen door: de verrekening van verliezen, de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten, de toepassing van de octrooibox of de toepassing van de deelnemingsverrekening.

3. Het achtste en het negende lid vervallen onder vernummering van het tiende tot en met dertiende lid in het achtste tot en met elfde lid.

4. In het elfde lid (nieuw) wordt «twaalfde lid» vervangen door: tiende lid.

DD

Artikel 14b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «op de voet van artikel 20» vervangen door: op de voet van artikel 20, op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten, op toepassing van de octrooibox of op toepassing van de deelnemingsverrekening.

2. In het vierde lid wordt «de verrekening van verliezen en de verrekening van buitenlandse resultaten» vervangen door: de verrekening van verliezen, de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten, de toepassing van de octrooibox of de toepassing van de deelnemingsverrekening.

3. Het zesde en het zevende lid vervallen onder vernummering van het achtste tot en met tiende lid tot zesde tot en met achtste lid.

4. In het achtste lid (nieuw) wordt «negende lid» vervangen door: zevende lid.

EE

Na artikel 14b wordt ingevoegd:

AFDELING 2.8 GERUISLOZE TERUGKEER UIT BV

FF

In Artikel 14c, derde lid, wordt «30/50 deel» vervangen door: 24/46 deel.

GG

Na artikel 14c wordt ingevoegd:

AFDELING 2.9 FISCALE EENHEID

HH

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, onderdeel f, vervalt: als bedoeld in artikel 13, tweede lid.

2. In het tiende lid, onderdeel d, wordt «15af; en» vervangen door: 15af;.

3. Aan het tiende lid worden na onderdeel e, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:

f. de toepassing van de octrooibox; en

g. de toepassing van de deelnemingsverrekening.

II

Artikel 15ab wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, aanhef, wordt «van de drie daaraan voorafgaande en de volgende jaren» vervangen door: van het daaraan voorafgaande jaar en de negen volgende jaren.

2. In het vijfde lid wordt «in een voorafgaand jaar» vervangen door: in het voorafgaande jaar.

3. In het zevende lid wordt «, 13ba of 13bb» vervangen door «of 13ba». Voorts wordt «verbonden lichaam» vervangen door: verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid.

JJ

In artikel 15ac, zevende lid, wordt «artikel 13, eerste lid, tweede volzin» vervangen door «artikel 13, zesde lid, eerste volzin». Voorts wordt «artikel 13, eerste lid, derde volzin» vervangen door: artikel 13, zesde lid, tweede volzin.

KK

Artikel 15ad vervalt.

LL

In artikel 15ah vervalt «15ad».

MM

In artikel 15aj, tweede lid, wordt «, 13bb of 15ab» vervangen door: of 15ab.

NN

Vóór artikel 15c wordt ingevoegd:

AFDELING 2.10 EINDAFREKENING

OO

Vóór artikel 16 wordt ingevoegd:

AFDELING 2.11 AFTREKBARE GIFTEN

PP

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «de drie voorafgaande jaren en de volgende jaren» vervangen door: het voorafgaande jaar en de negen volgende jaren.

2. In het achtste lid wordt «van drie jaar» vervangen door «voor de achterwaartse verliesverrekening». Voorts wordt «verlengd tot acht jaar» vervangen door: vervangen door drie jaar.

QQ

Artikel 20a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het negende lid, aanhef, wordt «de belastbare winsten, onderscheidenlijk binnenlandse inkomens uit voorafgaande jaren» vervangen door: de belastbare winst, onderscheidenlijk het binnenlands inkomen uit het voorafgaande jaar.

2. In het negende lid, onderdeel b, tweede volzin, wordt «het derde jaar» vervangen door: het jaar.

RR

Artikel 22 komt te luiden:

Artikel 22

De belasting wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel.

Bij een belastbaar bedrag of een belastbaar Nederlands bedrag van meer dan

maar niet meer dan

bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare bedrag, of het gedeelte van het belastbare Nederlandse bedrag, dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat

I

II

III

IV

€ 25 000

20%

€ 25 000

€ 60 000

€ 5 000

23,5%

€ 60 000

 

€ 13 225

25,5%

SS

Na artikel 23b wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK VA DEELNEMINGSVERREKENING

Artikel 23c
  • 1. De op de voet van hoofdstuk V berekende belasting wordt verminderd wegens deelnemingsverrekening, bedoeld in artikel 13aa.

  • 2. Het bedrag van de deelnemingsverrekening is het laagste van de volgende bedragen:

    a. 5% van het bedrag van de gezamenlijke gebruteerde voordelen, bedoeld in artikel 13aa, vijfde lid;

    b. het bedrag dat tot de volgens hoofdstuk V berekende belasting in dezelfde verhouding staat als het bedrag van de gezamenlijke gebruteerde voordelen nadat het is verminderd met de bij de winstbepaling van het jaar in aftrek gekomen kosten ter zake van de laagbelaste beleggingsdeelnemingen, staat tot het belastbare bedrag.

  • 3. Voor zover het bedrag van de gezamenlijke gebruteerde voordelen bestaat uit een winstuitkering, wordt voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, ter zake van die winstuitkering op verzoek van de belastingplichtige geen 5% in aanmerking genomen maar het werkelijke bedrag aan winstbelasting dat daarop drukt, ingeval aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    1°. het lichaam waarin de belastingplichtige een laagbelaste beleggingsdeelneming heeft, is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie en is zonder keuzemogelijkheid en zonder er van te zijn vrijgesteld onderworpen aan de aldaar geheven belasting naar de winst, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten (PbEG L 225);

    2°. de belastingplichtige en het lichaam waarin de belastingplichtige een laagbelaste beleggingsdeelneming heeft, hebben één van de in de bijlage bij die richtlijn opgenomen rechtsvormen;

    3°. de belastingplichtige en het lichaam waarin de belastingplichtige een laagbelaste beleggingsdeelneming heeft, worden in de lidstaat van vestiging niet geacht volgens een met een andere staat gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting buiten de lidstaten van de Europese Unie te zijn gevestigd.

  • 4. Het werkelijke bedrag aan winstbelasting dat drukt op een winstuitkering als bedoeld in het derde lid, betreft belasting naar de winst waarvan de belastingplichtige aantoont dat die is toe te rekenen aan die winstuitkering en dat die is betaald door het lichaam waarin de belastingplichtige een laagbelaste beleggingsdeelneming heeft, of door lichamen waarin het lichaam waarin de belastingplichtige een laagbelaste beleggingsdeelneming heeft, een belang heeft waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    1°. het lichaam waarin de belastingplichtige een laagbelaste beleggingsdeelneming heeft, heeft een onmiddellijk of middellijk belang in het lichaam waarbij het belang in elke schakel ten minste 5% bedraagt;

    2°. het lichaam is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie en is zonder keuzemogelijkheid en zonder er van te zijn vrijgesteld onderworpen aan de aldaar geheven belasting naar de winst, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten (PbEG L 225);

    3°. het lichaam heeft één van de in de bijlage bij die richtlijn opgenomen rechtsvormen;

    4°. het lichaam wordt in de lidstaat van vestiging niet geacht volgens een met een andere staat gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting buiten de lidstaten van de Europese Unie te zijn gevestigd.

  • 5. Ingeval de bedragen aan winstuitkeringen die in een jaar zijn genoten uit hoofde van een laagbelaste beleggingsdeelneming die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het derde lid, in dat jaar niet of niet geheel in aanmerking zijn genomen voor de bepaling van het bedrag van de gezamenlijke gebruteerde voordelen van dat jaar maar in materieel opzicht in dat van een voorafgaand jaar (voordeel is in een voorafgaand jaar reeds belast), wordt het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, op verzoek van belastingplichtige verhoogd met 74,5/100 deel van het werkelijke bedrag aan winstbelasting dat op dat eerder belaste voordeel drukt voor zover dat bedrag uitgaat boven 5% van het eerder belaste gebruteerde voordeel.

  • 6. De vermindering ingevolge dit artikel bedraagt, met inachtneming van de verminderingen volgens de regelen ter voorkoming van dubbele belasting, ten hoogste het bedrag van de op de voet van hoofdstuk V berekende belasting, en wordt als laatste vermindering in aanmerking genomen.

  • 7. Voor zover in een jaar het volgens het tweede lid, onderdeel a, of het derde lid berekende bedrag door de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, of het zesde lid niet leidt tot een vermindering van de volgens hoofdstuk V over dat jaar berekende belasting, wordt het overgebracht naar het volgende jaar en in dat jaar bij de berekening van de deelnemingsverrekening in aanmerking genomen door het toe te voegen aan het bedrag van het tweede lid, onderdeel a. Deze overbrenging vindt alleen plaats indien het naar het volgende jaar over te brengen bedrag door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 8. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het volgens het zevende lid over te brengen bedrag te hoog is vastgesteld, kan de inspecteur de in dat lid bedoelde beschikking herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Artikel 16, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.

TT

Artikel 28, vierde tot en met zesde lid, vervallen.

UU

Artikel 28b vervalt.

VV

Artikel 31 vervalt.

ARTIKEL III

De Wet op de dividendbelasting 1965 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3a, zevende lid, vervalt.

Aa

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Inhouding van de belasting mag achterwege blijven ten aanzien van opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, indien:

    a. de deelnemingsvrijstelling, bedoeld in artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, of de deelnemingsverrekening, bedoeld in artikel 13aa van die wet, van toepassing is op de voordelen die de tot de opbrengstgerechtigde uit die aandelen, winstbewijzen en geldleningen geniet en de deelneming behoort tot het vermogen van zijn in Nederland gedreven onderneming;

    b. de opbrengstgerechtigde en de inhoudingsplichtige deel uitmaken van dezelfde fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de aandelen, winstbewijzen en geldleningen bij de opbrengstgerechtigde behoren tot het vermogen van zijn in Nederland gedreven onderneming.

2. Na het eerste lid worden, onder vernummering van het tweede tot en met vijfde lid tot vijfde tot en met achtste lid, drie leden ingevoegd, luidende:

  • 2. Inhouding van belasting blijft achterwege ten aanzien van de opbrengsten van aandelen, winstbewijzen en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, indien de opbrengstgerechtigde een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigd lichaam is en aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    1°. de opbrengstgerechtigde en de inhoudingsplichtige hebben één van de in de bijlage bij de Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PbEG L 225), opgenomen, of een bij ministeriële regeling aangewezen rechtsvorm;

    2°. de opbrengstgerechtigde is op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld voor ten minste 5 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van de inhoudingsplichtige of heeft op dat tijdstip een belang in de inhoudingsplichtige waarop artikel 13, vijfde of veertiende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, van toepassing zou zijn zo hij in Nederland zou zijn gevestigd;

    3°. de opbrengstgerechtigde en de inhoudingsplichtige zijn in de lidstaat van vestiging zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld, onderworpen aan de aldaar geheven belasting naar de winst als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van die richtlijn;

    4°. de opbrengstgerechtigde en de inhoudingsplichtige worden in de lidstaat van vestiging niet geacht volgens een met een derde Staat gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting buiten de lidstaten van de Europese Unie te zijn gevestigd;

    tenzij op grond van een voorschrift ter bestrijding van fraude en misbruiken opgenomen in een door Nederland met de lidstaat van vestiging van de opbrengstgerechtigde gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, de opbrengstgerechtigde geen aanspraak zou kunnen maken op de in dat verdrag opgenomen verlaging van de belastingheffing op dividenden.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien van opbrengsten met betrekking waartoe de opbrengstgerechtigde niet de uiteindelijke gerechtigde is.

  • 4. Indien de in het tweede lid bedoelde opbrengstgerechtigde is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat voorziet in een verlaging van belastingheffing op dividenden op grond van het bezit van het aantal stemrechten in de vennootschap die de dividenden uitdeelt, wordt in afwijking in zoverre van het tweede lid, onder 2°, eveneens aan de daar bedoelde voorwaarde van 5 percent voldaan als die gerechtigde in het bezit is van ten minste 5 percent van de stemrechten in de inhoudingsplichtige.

3. In het tot achtste lid vernummerde vijfde lid wordt «van het vierde lid» vervangen door: van het zevende lid.

Ab

Artikel 4a en artikel 4b vervallen.

B

In artikel 5 wordt «25%» vervangen door: 15%.

C

In artikel 6, eerste lid wordt «vermenigvuldigd met 100/75» vervangen door: vermenigvuldigd met 100/85.

Ca

Aan artikel 10 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde rechtspersoon die aldaar niet aan een belastingheffing naar de winst is onderworpen en die, ware hij in Nederland gevestigd geweest, ook alhier niet aan de heffing van de vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen.

D

In artikel 12, eerste lid, wordt «artikel 4, eerste lid» vervangen door: artikel 4, eerste en tweede lid.

ARTIKEL IIIa

Artikel 18a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde lid in vierde lid wordt na het tweede lid ingevoegd:

  • 3. Ingeval de herziening gevolgen heeft voor de toepassing van artikel 3.30a van de Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot een jaar, wordt in afwijking in zoverre van het tweede lid de termijn waarbinnen navordering mogelijk is bepaald op de voet van artikel 16 en vangt de in dat lid bedoelde termijn van acht weken niet eerder aan dan op het tijdstip waarop de belastingplichtige een verzoek heeft ingediend tot aanpassing van de aanslag of beschikking met betrekking tot dat jaar. Een verzoek tot aanpassing wordt gedaan binnen een jaar na het tijdstip waarop de beschikking of uitspraak strekkende tot de herziene vaststelling van de waarde, onherroepelijk is geworden.

2. In het tot vierde lid vernummerde derde lid wordt «het eerste en tweede lid» vervangen door: het eerste, tweede en derde lid.

ARTIKEL IIIb

Artikel 15, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel q komt te luiden:

q. van ten behoeve van de landbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder begrepen de rechten van erfpacht of beklemming daarop. Onder cultuurgrond wordt mede begrepen de ondergrond van glasopstanden. De belasting die door toepassing van deze bepaling niet is geheven, is alsnog verschuldigd indien de exploitatie als zodanig niet gedurende ten minste tien jaren wordt voortgezet;.

2. De onderdelen s, t, v, en w vervallen.

ARTIKEL IV

In het Belastingplan 2005 vervalt artikel VIII.

ARTIKEL V

In de Wet van 4 november 2004 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in verband met de invoering van een aftrekverbod voor de aankoopkosten van een deelneming (Stb. 2004, 581), wordt in artikel III, tweede lid, «gemaakt na 13 december 2002 worden beheerst door» vervangen door: gemaakt na 13 december 2002 doch vóór de inwerkingtreding van deze wet worden beheerst door.

ARTIKEL VI

In de Wet van 1 december 2005, houdende wijziging van enkele belastingwetten in verband met een herziening van de behandeling van de omzetting en kwijtschelding van afgewaardeerde vorderingen en een aanpassing van de regeling voor afwaarderingsverliezen van deelnemingen (Stb. 2005, 613) wordt in artikel IV «, artikel 13ba en artikel 13bb» vervangen door: en artikel 13ba.

ARTIKEL VII

In de Wet van 19 januari 2006 tot wijziging van enkele belastingwetten in verband met de implementatie van Richtlijn 2003/123/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2003 tot wijziging van Richtlijn 90/435/EEG betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lidstaten (Stb. 2006, 44) vervallen de artikelen II, III, V en VI.

ARTIKEL VIII

  • 1. De wijzigingen ingevolge deze wet in de termijn van de voorwaartse verliesverrekening in de Wet inkomstenbelasting 2001 vinden toepassing met betrekking tot verliezen die worden verrekend met inkomens genoten na 31 december 2006.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kunnen ondernemingsverliezen geleden in het kalenderjaar 2002 of eerder nog voorwaarts worden verrekend tot en met het kalenderjaar 2011.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kunnen verliezen uit aanmerkelijk belang geleden in het kalenderjaar 2002 of eerder nog voorwaarts worden verrekend tot en met het kalenderjaar 2011.

  • 4. In afwijking van het eerste lid kan een belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang geleden in het kalenderjaar 2002 of eerder nog tot en met het kalenderjaar 2011 in mindering worden gebracht op het belastbare inkomen uit werk en woning.

  • 5. De wijzigingen ingevolge deze wet in de termijn van de voorwaartse verliesverrekening in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vinden toepassing met betrekking tot verliezen die worden verrekend met belastbare winsten, onderscheidenlijk Nederlandse inkomens genoten in boekjaren die aanvangen na 31 december 2006.

  • 6. In afwijking van het vijfde lid kunnen verliezen geleden in het jaar 2002 of eerder nog voorwaarts worden verrekend tot en met boekjaren die aanvangen in het kalenderjaar 2011.

ARTIKEL VIIIa

Artikel 9, eerste lid, onderdeel h, en derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de daarop berustende bepalingen, zoals dat artikel en die bepalingen luidden op 31 december 2006, blijven tot en met 31 december 2009 van toepassing met betrekking tot vóór 24 mei 2006 aan personeel toegekende rechten om aandelen of winstbewijzen te verwerven en daarmee gelijk te stellen rechten.

ARTIKEL VIIIb

De wijziging ingevolge artikel II, onderdeel J, van artikel 10d, zevende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vindt geen toepassing op schulden voortvloeiend uit een overeenkomst welke vergelijkbaar is met een overeenkomst van geldlening, die is aangegaan vóór 1 januari 2007.

ARTIKEL VIIIc

De rente, bedoeld in de artikelen 14a, achtste lid, 14b, zesde lid, en 15ad, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zoals die leden luidden op 31 december 2006, welke bij het begin van het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2007 nog niet op de winst in aftrek is gekomen, wordt verrekend met het belastbare bedrag van dat jaar en, voor zover nog niet verrekend, met het belastbare bedrag van een volgend jaar.

ARTIKEL VIIId

Ingeval de belastingplichtige een belang bezit dat geen deelneming is maar waarop tot en met 31 december 2006 bij hem de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zoals dat artikel toen luidde, wel van toepassing was omdat dat bezit ingevolge artikel 13, derde lid, laatste volzin, met een deelneming werd gelijkgesteld, wordt tot 1 januari 2010 dat belang gelijkgesteld met een deelneming als waarvan sprake is in artikel 13, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zoals dat artikel luidt met ingang van 1 januari 2007.

ARTIKEL IX

De vennootschapsbelasting over een boekjaar dat voor 1 januari 2007 aanvangt en op of na die datum eindigt, wordt, in afwijking in zoverre van artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, berekend volgens de formule:

belasting = (X/B x To) + (Y/B x Tn), waarin:

X voorstelt: het aantal voor 1 januari 2007 vallende dagen van het boekjaar;

Y voorstelt: het aantal na 31 december 2006 vallende dagen van het boekjaar;

B voorstelt: het totale aantal dagen van het boekjaar;

To voorstelt: de verschuldigde belasting over het belastbare bedrag of het belastbare Nederlandse bedrag op basis van het tarief van de vennootschapsbelasting zoals dat tarief luidt op 31 december 2006;

Tn voorstelt: de verschuldigde belasting over het belastbare bedrag of het belastbare Nederlandse bedrag op basis van het tarief van de vennootschapsbelasting zoals dat tarief luidt met ingang van 1 januari 2007.

ARTIKEL X

Artikel 12b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is slechts van toepassing op immateriële activa voor zover deze na 31 december 2006 tot de bedrijfsmiddelen van de belastingplichtige gaan behoren.

ARTIKEL XI

Onze Minister van Financiën zendt in het jaar 2010 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van artikel 12b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

ARTIKEL XII

Ingeval ten aanzien van een belastingplichtige voor de inwerkingtreding van deze wet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 14, tweede lid, artikel 14a, derde lid, of artikel 14b, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zoals die artikelen luidden op 31 december 2006, worden de in die beschikking gestelde voorwaarden voor zover die betrekking hebben op de wettelijke termijnen voor verliesverrekening geacht te zijn vervangen door de wettelijke termijnen voor verliesverrekening zoals die gelden na inwerkingtreding van deze wet.

ARTIKEL XIII

  • 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

  • 2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel IV in werking met ingang van 31 december 2006.

  • 3. De wijzigingen met betrekking tot de vennootschapsbelasting, uitgezonderd artikel II, onderdeel M, voor zover dat betrekking heeft op de in te voegen artikelen 12b en 12c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2007.

  • 4. In afwijking van het eerste lid treedt artikel II, onderdeel M, voor zover dat betrekking heeft op het in te voegen artikel 12b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarbij dat tijdstip terugwerkende kracht kan hebben en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na dat tijdstip van inwerkingtreding.

  • 5. In afwijking van het eerste lid treedt artikel II, onderdeel M, voor zover dat betrekking heeft op het in te voegen artikel 12c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarbij dat tijdstip terugwerkende kracht kan hebben en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na dat tijdstip van inwerkingtreding.

  • 6. In afwijking van het eerste lid treden artikel I, onderdeel D, wat betreft het achtste lid van artikel 3.30a van de Wet inkomstenbelasting 2001, en onderdelen Da en Ea, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarbij dat tijdstip terugwerkende kracht kan hebben.

  • 7. De wijzigingen ingevolge artikel III vinden toepassing op de opbrengst van de in artikel 1 van de Wet op de dividendbelasting 1965 bedoelde aandelen, winstbewijzen en geldleningen, die op of na 1 januari 2007 ter beschikking is gesteld.

ARTIKEL XIV

Deze wet wordt aangehaald als: Wet werken aan winst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te

’s-Gravenhage, 30 november 2006

Beatrix

De Minister van Financiën,

G. Zalm

Uitgegeven de twaalfde december 2006

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XHistnoot

Kamerstuk 30 572