Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201131839 nr. 124

31 839 Jeugdzorg

Nr. 124 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 juli 2011

Sinds de start van het kabinet Rutte hebben wij beiden verschillende keren met uw Kamer gesproken over de jeugdzorg. En niet voor niets. Jeugdzorg is een belangrijk thema. Het gaat immers over zorg voor kwetsbare kinderen en over professionals die zich met hart en ziel inzetten om deze kinderen te helpen. Wij vinden het dan ook van groot belang om, samen met het veld, steeds te blijven werken aan optimale jeugdzorg. En om daarover met u te spreken. Zoals u weet hebben wij een stelselwijziging in voorbereiding, waarmee we de zorg voor jeugd beter willen inrichten. Op die veranderingen komen wij in een aparte brief terug. Maar ook in de tussentijd zetten wij ons in om de jeugdzorg in het bestaande stelsel daar waar nodig te verbeteren.

Tijdens de verschillende debatten is een breed scala aan onderwerpen aan de orde geweest. Wij willen deze brief, mede namens de minister van Veiligheid en Justitie, benutten om u te informeren over de voortgang van verschillende onderwerpen. Daarbij doen wij tevens een aantal toezeggingen gestand en lichten we toe op welke wijze we een aantal moties hebben opgepakt. Net als in de diverse debatten, komt in deze brief een breed scala aan onderwerpen aan de orde. Wij gaan achtereenvolgens in op:

  • 1. Kwaliteit voor Jeugd;

  • 2. Veiligheid: Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG);

  • 3. Particulier en buitenlands zorgaanbod;

  • 4. Indicatiestelling jeugd-GGZ;

  • 5. Proces van melden bij AMK tot uitspraak kinderrechter;

  • 6. Meldingen van kindermishandeling;

  • 7. Onderzoeksraad voor Veiligheid;

  • 8. Campussen;

  • 9. JeugdzorgPlus ;

  • 10. Regeldruk aanpak;

  • 11. Verdeelmodel jeugdzorg.

1. Kwaliteit voor jeugd

De afgelopen tijd hebben wij veel aandacht besteed aan de verbeteringen van de kwaliteit van de jeugdzorg. In het algemeen overleg Jaarbericht Inspectie Jeugdzorg op 25 mei 2011 heeft de staatssecretaris van VWS toegezegd te komen met een schriftelijke reactie op het advies van de Commissie Financiering Jeugdzorg (CFJ) om de kwaliteit en effectiviteit van jeugdzorginterventies te verbeteren.

Net als de CFJ vinden wij het van groot belang om de kwaliteit en effectiviteit van de jeugdzorg te verbeteren. Wij willen u toelichten op welke manier wij, samen met het veld, werken aan kwaliteit voor jeugd.

De CFJ heeft geadviseerd om provincies het inkoopbeleid te laten toespitsen op de beschikbaarheid van prestatiegegevens. Om dit mogelijk te maken is het volgens de CFJ van belang om onder andere kwaliteitsnormen te ontwikkelen en in te zetten op ontwikkeling en onderzoek in de praktijk. De doelstelling van dit advies onderschrijven wij. Realisering daarvan zal pas op lange termijn mogelijk zijn, omdat wetenschappers inschatten dat op dit moment slechts 5% van al het handelen in de jeugdzorg evidence based is.1 Er lopen effectiviteitsonderzoeken, die tijd nodig hebben om tot heldere resultaten te komen. Nog maar een beperkt aantal methoden in de jeugdzorg is wetenschappelijk onderzocht op bewezen effect. De outcome parameters zijn dus schaars. Daarom zal het pas op termijn mogelijk zijn om met zorgaanbieders prestatieafspraken te maken over gerealiseerde effecten op het gedrag van jongeren. De vraag is vervolgens: hoe kunnen we toch kijken of wat gedaan wordt effect heeft?

Tot nu toe hebben wij verschillende stappen gezet, waarmee we de Kwaliteit voor jeugd goed op de kaart hebben gezet. Zo hebben we een inventarisatie van het kwaliteitsbeleid gemaakt en loopt er een Actieplan Professionalisering met een daaraan gekoppelde stuurgroep. We lichten u de stand van zaken toe.

Stand van zaken Kwaliteit voor jeugd

De inventarisatie van het kwaliteitsbeleid heeft zich gericht op de jeugdgezondheidszorg, het lokaal preventief jeugdbeleid, de geïndiceerde jeugdzorg en de justitiële jeugdzorg. In een recente werkconferentie met experts is nagegaan welke activiteiten we moeten ondernemen om het kwaliteitsbeleid in de jeugdzorg op een hoger plan te krijgen. Mede op basis hiervan wordt verder gewerkt aan een visie op het verbeteren van het kwaliteitsbeleid in de zorg voor jeugd. In het najaar van 2011 wordt u hierover nader geïnformeerd.

Een noemenswaardige uitkomst die nu al naar voren komt is dat een goede «klik» tussen cliënt en hulpverlener een van de belangrijkste factoren is voor succesvolle zorg, méér dan de gehanteerde hulpverleningsmethode. De individuele kwaliteit van de hulpverlener en het vertrouwen dat de cliënt daarin heeft zijn dus van cruciaal belang. Dit is een belangrijk aspect bij de implementatie van het Actieplan Professionalisering, want via goede professionals geven we overall kwaliteit een bewezen positieve impuls.

Kern van het Actieplan is het professionaliseren van twee beroepen in de jeugdzorg, namelijk dat van jeugdzorgwerker op HBO niveau en gedragswetenschapper op WO niveau. Dit wordt ondersteund door een beroepsregister, een ethische code en tuchtrecht. Op deze manier kan de burger vertrouwen op de deskundigheid van geregistreerde professionals. Zoals besproken in het AO van 27 april 2011 over JeugdzorgPlus, zal in dit verband ook het opleidingsniveau van de medewerkers in de jeugdzorgplusinstellingen worden meegenomen.

Gedurende de afgelopen jaren heeft de Stuurgroep die dit Actieplan Professionalisering begeleidt op dit terrein flinke stappen gezet. De stuurgroep staat onder leiding van mevrouw Kalsbeek, bestuurder van Altra Amsterdam, en bestaat uit vertegenwoordigers van alle betrokken zorgprofessionals. Het beroepsdomein van de twee beroepen is omschreven, er zijn competentieprofielen ontwikkeld, er is een uitstroomprofiel voor de HBO-jeugdzorgwerker tot stand gekomen, er zijn modellen voor registratie en tuchtrecht geconstrueerd en ethische codes geschreven ten behoeve van de beroepsuitoefening. Eind 2010 hebben wij met het door de stuurgroep opgestelde implementatieplan ingestemd en hebben wij voor de implementatie financiële middelen beschikbaar gesteld.

De juridische vormgeving van de verplichte registratie en het tuchtrecht is complex. Het vraagt zorgvuldige studie. Binnenkort zullen wij een voorstel doen voor de benodigde regelgeving. Zoals toegezegd tijdens de voortzetting van het AO Jeugdbescherming op 29 juni jl., zoeken we daarvoor de snelst mogelijke route. Daarna kan gestart worden met de voorbereidingen van de registratie.

Stagefonds

Het is van groot belang dat de kwaliteit geborgd wordt door een goede aansluiting tussen opleidingen en arbeidsmarkt. Daarom staat het stagefonds van VWS ook open voor de jeugdzorg. In het algemeen overleg Jeugdbescherming van 13 januari 2011 is gesproken over de mate waarin gezinsvoogden gebruik maken van het stagefonds arbeidsmarktbeleid. In het schooljaar 2009/2010 hebben (justitiële) jeugdzorgorganisaties ruim 1 700 stageplaatsen2 gerealiseerd die vanuit het stagefonds zijn gesubsidieerd. In welke mate dit specifiek gezinsvoogden betreft is niet bekend. Gezinsvoogden worden niet apart geregistreerd, omdat voor deze functie geen aparte opleiding bestaat. De meest voorkomende HBO-opleidingen voor deze functie zijn Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH) en Maatschappelijk Werk en Dienstverlening (MWD). Van deze opleidingen is bekend dat ruim 650 stageplekken vanuit het stagefonds zijn vergoed. De betreffende studenten worden echter ook voor andere functies opgeleid. Een verdere specificatie vraagt een gedetailleerde, aparte uitvraag bij zorgaanbieders. Om administratieve lasten voor zorginstellingen te beperken, willen wij daar zeer terughoudend mee omgaan.

2. Veiligheid: Verklaring omtrent het gedrag (VOG)

Het borgen van de veiligheid in de jeugdzorg blijft een belangrijk punt van aandacht. In het VAO Kwaliteitsmaatstaven in het particulier en buitenlands zorgaanbod van 17 maart 2011 is toegezegd u te informeren over de toekomstige toepassing van de Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) in de jeugdzorg en de toetsing daarvan door de Inspectie Jeugdzorg.

Het voornemen is om de VOG voor werknemers in de jeugdzorg wettelijk vast te leggen. Het is de bedoeling de VOG voor de jeugdzorg in het wetsvoorstel Verplichte Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling mee te nemen. Een verplichte VOG past inhoudelijk goed bij dit wetsvoorstel en kan naar verwachting snel worden ingevoerd. De Inspectie Jeugdzorg zal dit na de wetswijziging opnemen in het toetsingskader, zodat het toezicht op de verplichte VOG geborgd is.

Intussen blijven wij zoeken naar de meest doeltreffende wijze om de veiligheid in de jeugdzorg te borgen. We zullen daarom goed bekijken welke aanbevelingen uit de diverse onderzoeken naar voren komen en op welke wijze de jeugdzorg op basis van deze aanbevelingen verbeterd kan worden.

3. Particulier en buitenlands zorgaanbod

In de afgelopen tijd is speciale aandacht besteed aan de kwaliteit en veiligheid van het particulier en buitenlands zorgaanbod. Tijdens het debat hierover op 17 maart 2011 is toegezegd uw Kamer een brief te sturen met een toelichting of, en zo ja op welke wijze het bureau jeugdzorg direct kinderen plaatst bij een particuliere zorgaanbieder. Onder particulier zorgaanbod verstaan we instellingen die geen directe subsidierelatie onderhouden met een provincie, maar worden gecontracteerd door provinciaal gefinancierde zorgaanbieders voor het leveren van zorg in het kader van de Wet op de jeugdzorg.

Op 15 september 2010 heeft u het signalement van de Inspectie Jeugdzorg (Kamerstukken II 2009/10, 31 839, nr. 71) ontvangen waarin de inspectie haar zorgen uit over het toenemend gebruik van particulier zorgaanbod. In dit signalement schrijft de inspectie onder andere dat bureau jeugdzorg rechtstreeks kinderen plaatst bij een particuliere zorgaanbieder, zonder tussenkomst van een provinciaal gefinancierde zorgaanbieder. Dit signaal van de inspectie was onder andere gebaseerd op de situatie bij de particuliere aanbieders Stichting Kind en Back to Basics. De zorg die beide instellingen leverden aan kinderen met een jeugdzorgindicatie is op aanbeveling van de inspectie beëindigd. Naar aanleiding van dit signalement is door VWS bij het IPO en Jeugdzorg Nederland nagevraagd op welke wijze en met gebruik van welke middelen het bureau jeugdzorg kinderen doorverwijst. Zowel IPO als Jeugdzorg Nederland kenden geen andere voorbeelden dan bovengenoemde. Op basis van deze informatie gaan we er dan ook vanuit dat kinderen niet zonder tussenkomst van een provinciaal gefinancierde zorgaanbieder worden geplaatst bij een particuliere zorgaanbieder. Mochten er nieuwe signalen binnenkomen, dan vragen we de provincies het betreffende bureau jeugdzorg daarop aan te spreken.

Daarnaast is uw kamer op 1 maart 2011 geïnformeerd over het voorstel dat met het IPO, Jeugdzorg Nederland en de Inspectie Jeugdzorg is uitgewerkt (Kamerstukken II 2010/11, 31 839, nr. 87). Daarmee is afgesproken dat alleen gebruik wordt gemaakt van particuliere aanbieders door tussenkomst van een provinciaal gefinancierde zorgaanbieder.

Er bestaat één mogelijkheid waarbij zonder tussenkomst van een provinciaal gefinancierde zorgaanbieder, rechtstreeks zorg wordt ingekocht bij een particuliere zorgaanbieder. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een persoonsgebonden budget (PGB) op grond van de Awbz. Het is dan de verantwoordelijkheid van de ouders om toe te zien op de kwaliteit van de geleverde zorg. Een zorgaanbieder die Awbz-zorg levert, valt onder het regime van de Kwaliteitswet zorginstellingen. De Inspectie voor de gezondheidszorg ziet daarbij toe op de kwaliteit van de geleverde zorg.

Graag merken wij hierbij op dat als de betreffende jongere onder toezicht van een bureau jeugdzorg staat, ook de gezinsvoogdijwerker zich ervan zal vergewissen dat het zorgtraject dat met het PGB wordt gefinancierd een kans van slagen heeft. Als de gezinsvoogdijwerker van mening is dat de met het PGB ingekochte zorg niet bijdraagt aan de oplossing van de gesignaleerde problemen, is het zijn taak er bij de ouders op aan te dringen een andere vorm van zorg te zoeken. Het advies van de gezinsvoogdijwerker in dit verband is niet vrijblijvend. Immers, weigeren de ouders het advies op te volgen, dan kan het bureau jeugdzorg hierover een schriftelijke aanwijzing geven.

4. Indicatiestelling jeugd-GGZ

Na het VAO van 30 maart 2011 over de Awbz is een motie van de Kamerleden Venrooy-Van Ark c.s. (Kamerstukken II 2010/11, 30 597, nr. 173) aangenomen om de indicatiestellingstaak voor jeugd-GGZ bij bureaus jeugdzorg over te hevelen naar het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). De toelichting bij de motie is dat er nu geen gelijkheid voor burgers in de Awbz zou zijn en dat geen eenduidig beeld bestaat over de groep indicatiehouders.

Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, indiceren bureaus jeugdzorg thans via beleidsregels van het CIZ en heeft de harmonisatie van de indicatiestelling zijn beslag gekregen. Bovendien wordt de functie begeleiding overgeheveld naar de Wmo, waardoor er geen sprake meer is van indicatiestelling zoals we die nu kennen.

Fysieke overheveling van indicatiestelling van bureaus jeugdzorg naar CIZ zou er toe leiden dat voor een korte termijn het CIZ kennis moet inkopen die bureau jeugdzorg nu al in huis heeft. Dat vinden wij ongewenst, omdat een dergelijke extra verandering veel van de sector vraagt. Tegelijkertijd speelt dat in het kader van de herziening van het jeugdstelsel het systeem van indicatiestelling fundamenteel zal worden heroverwogen. De te behalen winst van uitvoering van de motie op korte termijn is daarmee ons inziens klein. Het kabinet onderschrijft de doelstelling van de motie, namelijk het eenduidiger maken van het proces van indicatiestelling, maar stelt voor deze nu niet over te hevelen naar het CIZ, maar om dit punt terug te laten komen bij de bespreking van de stelselwijziging van de jeugdzorg.

5. Proces van melden bij AMK tot uitspraak kinderrechter

Tijdens het AO Jeugdbescherming op 13 januari 2011 is aan mw. Berndsen (D66) toegezegd het proces te schetsen van de start van een melding bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (onderdeel van het bureau jeugdzorg, hierna: AMK) tot het moment dat er een kinderbeschermingsmaatregel wordt ingezet. In onderstaand figuur is het proces schematisch weergegeven.

Iedereen met vermoedens van kindermishandeling kan contact opnemen met het AMK. Tijdens het eerste (telefonisch) contact besluit een AMK medewerker of een melding in onderzoek wordt genomen. Is dit het geval, dan neemt het AMK de verantwoordelijkheid voor een melding over en start een onderzoek. Tijdens het onderzoek wordt gesproken met ouders, met het betreffende kind – als het daar, bijvoorbeeld gezien zijn leeftijd, toe in staat is –, de melder en de vermoedelijke pleger en worden gegevens opgevraagd bij beroepskrachten. Na afronding van het onderzoek worden de resultaten beoordeeld en bepaalt het AMK of er inderdaad sprake is van kindermishandeling en of er hulpverlening dan wel bescherming moet worden geboden. In de meeste gevallen staan ouders open voor hulpverlening en draagt het AMK de zaak over aan bureau jeugdzorg voor vrijwillige hulpverlening. Is er sprake van kindermishandeling en zijn ouders niet bereid om hulp te accepteren, dan wordt de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) ingeschakeld. De RvdK onderzoekt vervolgens of er sprake is van een zodanig bedreigde ontwikkeling van het kind dat overheidsingrijpen door middel van een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is. De RvdK maakt voor haar onderzoek gebruik van de door het AMK aangeleverde gegevens. Is de RvdK van mening dat overheidsingrijpen noodzakelijk is, dan vraagt zij de kinderrechter om een maatregel uit te spreken. De kinderrechter kan vervolgens een ondertoezichtstelling (OTS) eventueel in combinatie met een uithuisplaatsing opleggen. Op advies van de RvdK stelt de kinderrechter de doelen van de OTS vast. Een gezinsvoogd stelt samen met ouders en het kind een hulpverleningsplan op om de doelen van de OTS te behalen. De gezinsvoogd is in dienst van het bureau jeugdzorg.

6. Meldingen van kindermishandeling

De bestrijding van kindermishandeling is een van de belangrijkste prioriteiten in ons beleid. Bij de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Herziening kinderbeschermingsmaatregelen in februari 2011 is een motie van mevrouw Van der Burg (VVD) (Kamerstukken II 2010/11, 32 015, nr. 32) aangenomen, waarin zij de regering verzoekt AMK’s te verplichten om meldingen van kindermishandeling onderling uit te wisselen, zodat zorg- en onderzoeksmijders actief opgespoord kunnen worden.

Uit overleg met Jeugdzorg Nederland is gebleken dat het door registratie van alle meldingen van kindermishandeling in de Verwijsindex Risicojongeren mogelijk is om signalen over zorg- en onderzoekmijders tussen de AMK’s op landelijke schaal uit te wisselen. Hiermee kunnen zorg- en onderzoekmijders actief worden opgespoord. Op deze wijze wordt uitvoering gegeven aan de motie.

De implementatie van de verwijsindex is nog volop in ontwikkeling en daarom nog niet toereikend om die functie waterdicht te gebruiken. Zolang dit nog niet het geval is, wordt op andere wijze actief informatie uitgewisseld tussen de AMK’s. Zo wordt bij verhuizing van gezinnen waar een onderzoek gaande is, door het AMK van de huidige woonplaats aan het AMK van de nieuwe woonplaats gemeld dat er een onderzoek loopt en wordt een kopie van de onderzoeksgegevens aan het nieuwe AMK overgedragen.

Indien het gezin vertrekt met onbekende bestemming dan wordt hiervan melding gemaakt bij alle AMK’s in Nederland. Bij een nieuwe melding in de nieuwe verblijfplaats kunnen daardoor gegevens gekoppeld worden. Indien bij een melding en het daarop volgende onderzoek blijkt dat ouders pas sinds kort in de regio wonen wordt bij de vorige regio geïnformeerd of het gezin aldaar bekend is. Deze vraag wordt ook aan het bureau jeugdzorg gedaan, dus niet alleen bij het AMK.

7. Onderzoeksraad voor Veiligheid

Op 31 januari 2011 heeft uw Kamer onze beleidsreactie ontvangen (Kamerstukken II 2010/11, 31 839, nr. 80) op het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (hierna: Onderzoeksraad) «Over de fysieke veiligheid van het jonge kind». Wij hebben hierover op 2 februari 2011 tijdens het debat over het wetsvoorstel Herziening kinderbeschermingsmaatregelen met uw Kamer gesproken. Het rapport van de Onderzoeksraad is een belangrijk rapport gericht op de fysieke veiligheid van kinderen dat heeft aangespoord om knelpunten in het kindveiligheidsstelsel verder aan te pakken. In deze brief ontvangt u, zoals toegezegd, informatie over de voortgang. Ook de Onderzoeksraad zal deze informatie ontvangen.

Er is constructief overleg gevoerd met de betrokken ketenpartners (KNMG, Actiz, GGD Nederland, GGZ Nederland, Jeugdzorg Nederland, de RvdK). Wij zijn zeer tevreden met de tot stand gekomen samenwerking tussen de sectoren; een belangrijke opbrengst van de afgelopen maanden. Op 11 april 2011 zijn gezamenlijk vier acties vastgesteld:

  • 1. aanscherping van risicotaxatie- en signaleringsinstrumenten gericht op de fysieke veiligheid van kinderen en specifiek gericht op baby’s en jonge kinderen;

  • 2. verbeterde informatie-uitwisseling tussen de medische sector en de jeugdzorg;

  • 3. het ontwikkelen van een advies om beter zicht te krijgen op recidive van kindermishandeling ten behoeve van de bescherming van het kind;

  • 4. het beter benutten van forensisch-medische expertise.

De startfase is afgerond. Er zijn vier werkgroepen ingericht die uitvoering geven aan deze actiepunten. In de tweede helft van 2011 volgen de eerste resultaten. Hierna volgt een toelichting per actiepunt.

Deze acties staan niet op zichzelf maar vormen onderdeel van de bredere aanpak van kindermishandeling. Zoals is toegezegd presenteren wij in het najaar een nieuw actieplan aanpak kindermishandeling, waarin deze actiepunten een plek krijgen. Zodoende behoudt dit belangrijke onderwerp, de fysieke veiligheid van kinderen, de aandacht die het verdient.

Toelichting op de acties

Actie 1: Aanscherping van risicotaxatie- en signaleringsinstrumenten gericht op de fysieke veiligheid van kinderen en specifiek gericht op baby’s en jonge kinderen

Voor een adequate risicotaxatie is het van belang dat er expliciet naar de fysieke veiligheid van kinderen in zijn algemeenheid en specifiek ook naar baby’s en jonge kinderen wordt gekeken. Deze werkgroep beoordeelt of de bestaande signalerings- en risicotaxatie-instrumenten hierin voorzien en scherpen deze waar nodig aan.

De aanpak bestaat uit drie fasen. De eerste fase is afgerond. Alle bestaande instrumenten voor risicotaxatie en signalering zijn verzameld. Op dit moment start fase 2; de werkgroep gaat na in hoeverre deze instrumenten bij beroepsgroepen adequaat worden ingezet en of ze voorzien in de benodigde aandacht voor fysieke veiligheid van kinderen en specifiek voor zeer jonge kinderen (-9 maanden tot 4 jaar). In het najaar 2011 start fase 3; de eventuele aanscherping van de bestaande instrumenten, de ontwikkeling van een «basis» signalerings/risicotaxatie-instrument en/of een wegwijzer voor de bestaande instrumenten.

Actie 2: verbetering informatie-uitwisseling tussen de medische sector en jeugdzorg

Voor een adequate risico-taxatie is het van belang dat de bureaus jeugdzorg (inclusief het AMK) en de RvdK ook informatie ontvangen uit aanpalende sectoren, zoals de GGZ. Gebleken is dat er vaak onduidelijkheid heerst over wat wel en niet uitgewisseld mag worden. Deze werkgroep gaat na welke belemmeringen er bestaan en formuleert concrete werkafspraken.

Er is door deze werkgroep in eerste instantie aangesloten bij het reeds lopende initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP), Jeugdzorg Nederland, KNMG, RvdK en GGZ Nederland om een aanvulling te maken op het protocol kindermishandeling dat geldt in de GGZ. Daarnaast wordt gekeken of deze aanvulling ook bruikbaar kan zijn voor andere sectoren (zoals huisartsen). De veldpartijen verwachten eind 2011 werkafspraken geformuleerd te hebben, waarover vervolgens besluitvorming kan plaatsvinden.

Belemmeringen lijken niet in wet- en regelgeving te liggen, maar zijn meer praktisch van aard. Door de werkgroep worden daarom ook good practices geïnventariseerd die als voorbeeld kunnen dienen om gesignaleerde problemen op te lossen. Deze oplossingen kunnen vervolgens landelijk worden ingezet. Om professionals handvatten te geven bij het hanteren van privacyregelgeving is Samenwerken in de jeugdketen, een instrument voor gegevensuitwisseling ontwikkeld. Dit instrument helpt professionals bij het maken van de zorgvuldige afweging die ten grondslag moet liggen aan het al dan niet uitwisselen van persoonsgegevens. Het instrument gebruikt hiervoor eenvoudig geformuleerde vragen en stappen.

Actie 3: beter zicht op recidive van kindermishandeling ten behoeve van de bescherming van het kind.

De Onderzoeksraad heeft geconstateerd dat er geen beleidskader bestaat om te bepalen of er sprake is van recidive van kindermishandeling. De onderzochte casuïstiek in het rapport van de Onderzoeksraad bevestigt de noodzaak hiervan. Maar ook de recente zaak van het 12-jarige slachtoffer van een zedendelict, waarover de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie recent vragen van uw Kamer heeft beantwoord3, onderstreept de urgentie. Dit punt wordt opgepakt in deze werkgroep.

Professionals moeten op basis van een helder beleidskader tijdig over relevante gegevens (strafrechtelijk, civielrechtelijk) uit het verleden van gezinsleden (in vaak wisselende samenstelling) kunnen beschikken. Zodat daar waar nodig ten behoeve van de veiligheid van het kind verscherpt toezicht plaatsvindt.

De eerste stap is een inventarisatie, die op dit moment wordt gehouden. Vragen die hierbij (onder andere) aan de orde komen zijn:

  • Welke gegevens zijn per beroepsgroep noodzakelijk dan wel wenselijk?

  • Zijn deze gegevens nu toegankelijk? Zo nee, wat moet er gebeuren om de betreffende gegevens toegankelijk te maken?

  • Worden beschikbare gegevens voldoende benut?

De inventarisatie wordt deze zomer afgerond. Stap twee van de werkgroep bestaat uit het onderzoeken hoe de uitkomsten zich verhouden tot de al bestaande (wettelijke) kaders. Hierbij worden de wettelijke mogelijkheden tot inzage in relevante registers onderzocht, ook in relatie tot de privacyregelgeving. In het najaar van 2011 zal een eerste beleidskader aan de betrokken partijen worden voorgelegd, worden afspraken voor gebruik gemaakt en kan besluitvorming plaatsvinden.

Actie 4: beter benutten van forensisch-medische expertise

De Onderzoeksraad concludeert dat er nog beter gebruik gemaakt kan worden van forensisch-medische expertise voor de aanpak van kindermishandeling. Het moet vaker worden toegepast en beschikbaar zijn. De beroepsgroepen en organisaties kijken in deze werkgroep kritisch naar de eigen werkprocessen, stellen eenduidige richtlijnen op voor het gebruik van forensisch-medische expertise en scherpen de eigen werkprocessen hier op aan. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie van het lid Kooiman C.S. (Kamerstukken II 2010/11, 31 015, nr. 60) met het verzoek om ervoor te zorgen dat de drempel om forensisch-medisch onderzoek te verrichten verlaagd wordt.

Stap één is genomen; eerste resultaten laten zien dat de wijze waarop op dit moment forensisch-medische expertise wordt ingeroepen vaak afhangt van het netwerk van de professional zelf en ad hoc gebeurt. Door gebrek aan eenduidigheid is het mogelijk dat zaken van kindermishandeling over het hoofd worden gezien. Op dit moment gaat de werkgroep na welke toekomstige situatie wenselijk en haalbaar is. Dit leidt in het najaar 2011 tot een voorstel voor gezamenlijke richtlijnen, waarna besluitvorming en aanpassing van de werkprocessen plaatsvindt.

Parallel aan deze werkgroep is een onderzoek gestart naar het aanbod van en de vraag naar forensisch-medische expertise voor Nederland, waarover wij op 18 mei jl. met uw Kamer hebben gesproken (Kamerstukken II, 2010/11, 31 015, nr. 55). In beeld wordt gebracht welke expertise waar beschikbaar is, hoe de financiering is geregeld van deze aanbieders en hoe het staat met de capaciteit. Ook zal de feitelijke vraag naar forensisch-medische expertise worden onderzocht. Eén van de opbrengsten is een sociale kaart voor professionals, waarmee uitvoering wordt gegeven aan de motie van het lid Kooiman C.S. (Kamerstukken II 2010/11, 31 015, nr. 61) met het verzoek om ervoor te zorgen dat professionals weten waar ze moeten zijn voor forensisch-medische expertise en hoe zij dit kunnen aanvragen. Het onderzoek is naar verwachting eind 2011 gereed.

8. Campussen

Met de ontwikkeling van campussen is geprobeerd jongeren in het onderwijs te houden. In het AO Campussen van 17 februari 2011 is met uw Kamer gesproken over het voornemen om tot een zorgvuldige afronding van de lopende pilotprojecten te komen zoals uiteengezet in de brief van 10 februari 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 31 001, nr. 102). In het overleg is toegezegd om van de voor de campussen gereserveerde middelen structureel € 1,8 mln te gaan inzetten voor doorontwikkeling van campus de Nieuwe Kans in Rotterdam. De Nieuwe Kans geeft hier, in overleg met de gemeente Rotterdam, nu concrete invulling aan. Daarnaast wordt invulling gegeven aan de toezegging aan uw Kamer om de ervaring die met de pilotprojecten is opgedaan breed te verspreiden onder gemeenten en betrokken organisaties. Dat gebeurt onder meer via de site www.samenwerkenvoordejeugd.nl.

Naar aanleiding van het verzoek van de algemene commissie Jeugdzorg van 29 april 2011 (26695-75/2011D22831) gaan wij nu in op:

  • de mogelijkheden van de BOP (Bedrijven Ontwikkel Punt) academie als plusvoorziening, en;

  • de aangenomen motie Dijsselbloem inzake de campus De Uitdaging (Kamerstukken II 2010/11, 31 001, nr. 103).

BOP academie Deventer

De minister van OCW heeft u bij brief van 5 april 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 26 696, nr. 75) geïnformeerd over de financieringsmogelijkheden van de BOP academie binnen de plusvoorzieningen. Namens de minister van OCW melden we dat het nieuwe instrumentarium om te komen tot de doelstelling van maximaal 25 000 voortijdig schoolverlaters (VSV) in 2016 thans wordt uitgewerkt. De in het regeer- en gedoogakkoord gereserveerde structurele middelen voor de plusvoorzieningen moeten een bijdrage leveren aan deze doelstelling. Bij de toekenning van deze middelen wordt aangesloten bij de criteria van de tijdelijke regeling plusvoorzieningen. Dat houdt in dat middelen beschikbaar worden gesteld aan de hele Regionale Meld- en Coördinatiefunctie- regio (RMC-regio) en niet aan afzonderlijke scholen of voorzieningen. Het voortgezet onderwijs, MBO-instellingen en de contactgemeenten maken samen een plan van aanpak. De rol van gemeenten is hierbij belangrijk omdat zij het VSV-beleid verbinden met andere voor deze jongeren relevante thema’s, zoals wonen, werk, vrije tijd, schuldhulpverlening en zorg. Concreet betekent dit dat de BOP academie in aanmerking kan komen voor financiering uit de plusmiddelen als het een voorziening is voor overbelaste jongeren die in staat zijn een startkwalificatie te halen én als hierover in de RMC-regio Stedendriehoek afspraken zijn gemaakt tussen onderwijs, gemeente en hulpverleningsinstanties. De contactgemeente Deventer speelt hierin dus een centrale rol. Het is ons bekend dat het overleg tussen de BOP academie en de gemeente Deventer hierover gaande is.

Campus De Uitdaging

Wat betreft campus De Uitdaging heeft de minister van Defensie nogmaals bevestigd dat hij vanwege de forse bezuinigingen op zijn begroting geen mogelijkheden ziet deze campus voor te zetten. Naar aanleiding van de motie Dijsselbloem (Kamerstukken II 2010/11, 31 001, nr. 103) wordt overleg gevoerd met de gemeente Amsterdam over het ontwikkelen van adequate voorzieningen voor jongeren met een aanzienlijke afstand tot de arbeidsmarkt (waar de campusdoelgroep deel van uitmaakt). Dit in het perspectief van de voorgenomen decentralisatie van de jeugdzorg naar gemeenten en het vooruitlopen daarop met experimenten. De motie krijgt aldus uitvoering in het transitietraject naar het nieuwe jeugdstelsel.

9. Jeugdzorgplus

Op 13 april 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 31 839, nr. 100) is per brief aan uw Kamer toegelicht waarom de capaciteit van Jeugdzorgplus moet worden verminderd. Naar aanleiding daarvan heeft de Tweede Kamer de motie Dille (Kamerstukken II 2010/11, 31 839, nr. 111) aangenomen, waarin de regering verzocht wordt twee groepen open te houden die specifieke expertise en behandeling bieden voor jongeren met ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag.

Op dit moment buigen Jeugdzorg Nederland en de meest betrokken zorggebieden zich over een verdeling van de capaciteit, waarin rekening wordt gehouden met deze motie. Naar verwachting leidt dit op korte termijn tot resultaten, waarover uw Kamer zo spoedig mogelijk wordt geïnformeerd.

Onttrekkingen

Tijdens het algemeen overleg met uw Kamer op 27 april 2011 is een uitsplitsing van de onttrekkingen in de jeugdzorg plus toegezegd. Als bijlage 1 treft u deze uitsplitsing per instelling en zorgvorm aan. Het overzicht is gebaseerd op meldingen van vermissingen die in de Inspectie Jeugdzorg 2010 heeft geregistreerd.

Zoals toegezegd in de brief van 14 april 2011 (TK 2010–2011, kamerstuk 31 839, nr. 102) zal de Inspectie Jeugdzorg met de instellingen die naar verhouding een hoog aantal onttrekkingen kennen bespreken hoe zij dat kunnen verlagen.

Zorgtrajecten jeugdzorgplus

Als bijlage bij bovengenoemde brief van 13 april 2011 was het beleidskader trajecten jeugdzorgplus gevoegd. Op dat moment was nog overleg gaande met het IPO over de inrichting van de regie en de uitwerking van de onderscheiden rollen in een traject. Inmiddels is met het IPO heeft afgesproken dat de implementatie een gezamenlijke verantwoordelijkheid wordt van VWS en de betrokken provincies. Bij de verdere uitwerking worden ook de gemeenten betrokken.

10. Regeldruk aanpak

Het terugdringen van de regeldruk is een van de belangrijke opgaven van dit kabinet. Tijdens de begrotingsbehandeling in november 2010 is aan uw Kamer toegezegd in het voorjaar van 2011 een nieuwe meting naar de ervaren regeldruk te laten uitvoeren en de Tweede Kamer te informeren over de resultaten. Dit als vervolg op een 0-meting uit 2008. In bijlage 2 treft u het onderzoeksrapport aan.*

Uit de éénmeting blijkt dat in «objectieve zin» diverse verbeteringen zijn bereikt, die hieronder verder aan de orde komen. Dit heeft in de subjectieve beleving (ervaren regeldruk) van kinderen, ouders en professionals echter nog niet tot voldoende resultaat geleid. Voor de ervaren regeldruk zijn bij zowel ouders en jongeren als bij de professionals in grote lijnen dezelfde oorzaken aan te wijzen als in 2008.

Bij jongeren en ouders gaat het daarbij niet zozeer om de druk die door regelgeving wordt veroorzaakt, maar meer om personele wisselingen, de versnippering van de sector en de bejegening door de hulpverlener.

Bij professionals gaat het op hoofdlijnen om rapportage en verantwoording, versnippering van de sector en de druk om meer te moeten doen in minder tijd.

De knelpunten die jongeren, ouders en professionals ervaren hebben dus vooral betrekking op de organisatie van de sector en de zorg en op de cultuur en de professionaliteit. Zaken die met alleen het vereenvoudigen van de regelgeving niet kunnen worden aangepakt.

Effect van de RAPacties

Samen met onder meer de provincies, het Interprovinciaal Overleg (IPO), Jeugdzorg Nederland (JN), het Landelijk Cliëntenforum Jeugdzorg (LCFJ) en instellingen in de jeugdzorg voeren wij sinds 2008 het actieplan Regeldruk AanPak (RAP) uit. Met meer dan dertig RAP-acties wordt de ervaren regeldruk van ouders, jongeren en professionals aangepakt. De partners in het jeugdveld hebben de afgelopen jaren ieder hun aandeel in de regeldruk aanpak op zich genomen.

De onderzoekers concluderen dat de professionals die de acties kennen, deze als positief waarderen. Van vrijwel alle acties geven professionals aan dat deze de ervaren regeldruk hebben verminderd of gaan verminderen. Een groot deel van de respondenten is (nog) niet bekend met de acties. Dat is een kwestie van tijd. Veel acties zijn uitgevoerd in de vorm van pilots, die nog landelijk moeten worden uitgerold. Sommige acties zijn nog niet afgerond. Bij brief van 6 september 2010 (Kamerstukken II 2010/11, 31 839, nr. 71) bent u over de voortgang van de RAP-acties geïnformeerd.

Een deel van de RAP-acties betreft het aanpassen van de wet- en regelgeving. Het gaat dan bijvoorbeeld om het schrappen van de verplichte toets van de gedragswetenschapper, het schrappen van de omvang van de te leveren zorg uit het indicatiebesluit en het verminderen van de uitvraag van beleidsinformatie. De waardering van deze acties door professionals is groot, maar het effect op de ervaren regeldruk is klein. Dat komt, aldus de onderzoekers, omdat deze acties beperkte invloed hebben op de organisatie van de sector en het werk, de cultuur en professionaliteit. En juist deze elementen bepalen de ervaren regeldruk.

De grootste winst is daarom volgens het onderzoek te behalen bij de acties die het werk van professionals moeten vergemakkelijken. Deze acties moeten gericht zijn op enerzijds aanpak van de organisatie van de sector en anderzijds op de aanpak van de organisatie van het werk en de cultuur. Ten aanzien van de eerste aanpak is de overheid aan zet in het kader van de stelselherziening jeugdzorg. Ten aanzien van de tweede aanpak hebben de zorgaanbieders de verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld door RAP-acties die in pilots hun effect hebben bewezen actief te gebruiken. Het pakket aan ICT-oplossingen van het Expertteam voor bureaus jeugdzorg, is bijvoorbeeld een goed voorbeeld van efficiënt organiseren en biedt allerhande tools om samenwerking te faciliteren. Dit geldt ook voor het verbeteren van de informatievoorziening aan jongeren en ouders. Het zijn acties die op korte termijn groot effect kunnen hebben, als ze landelijk en lokaal worden ingebed. De meeste van deze acties bevinden zich nu nog in een pilot- of proeftuinfase. Daardoor is de impact van deze acties op de ervaren regeldruk in 2011 vooralsnog beperkt.

Het mag duidelijk zijn dat er nog veel moet gebeuren om de ervaren «regeldruk» daadwerkelijk terug te dringen. De tot nu toe genomen initiatieven zijn goed, maar zetten nog te weinig zoden aan de dijk. Sommige initiatieven hebben tijd nodig. Niettemin moet de aanpak worden gewijzigd, zodat beter tegemoet wordt gekomen aan de knelpunten die ouders, kinderen en hulpverleners daadwerkelijk ervaren. Gelet op de aard van de knelpunten, spelen de zorgaanbieders daar zelf een cruciale rol in. Wij gaan hierover in gesprek met onder andere de provincies en zorgaanbieders met als doel de aanpak effectiever te maken. Ook zal regeldruk een onderwerp zijn in het kader van de stelselherziening jeugdzorg.

11. Verdeelmodel jeugdzorg

De verdeling van de financiële middelen voor de jeugdzorg over de provincies moet op een zo objectief mogelijke manier plaatsvinden. Dat gebeurt op basis van het verdeelmodel van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP). In het spoeddebat van 8 maart jl. is met uw Kamer gesproken over de jeugdzorg in de provincie Limburg. Na dit debat heeft uw Kamer een tweetal moties aangenomen. Met de motie van het lid Dijsselbloem (Kamerstukken II 2010/11, 31 839, nr. 91) is de regering verzocht de uitkomsten van het verdeelmodel te analyseren op het verschil tussen de theoretisch geraamde behoefte en de werkelijke vraag naar jeugdzorg en daarbij specifiek de weging van het aandeel kinderen van migrantenafkomst (risicofactor etniciteit) in beschouwing te nemen. Met een andere motie van het lid Dijsselbloem (Kamerstukken II 2010/11, 31 839, nr. 92) heeft uw Kamer de regering gevraagd met het IPO te overleggen over een langere invoeringstermijn voor de invoering van een nieuw verdeelmodel. In deze brief komt de uitvoering van beide moties terug.

Daarnaast doen we in deze brief toezeggingen gestand uit het spoeddebat over de steekproefgrootte waarop het SCP-verdeelmodel is gebaseerd, de toekomstige rol van de Commissie Financiering Jeugdzorg en de vermeende 40% korting op het jeugdzorgbudget van de provincie Limburg.

Huidig verdeelmodel SCP

Het SCP heeft een verdeelmodel ontwikkeld voor de verdeling van de middelen voor de provinciale jeugdzorg over de provincies en stadsregio’s (hierna: provincies). Dit verdeelmodel is gebaseerd op het aantal jeugdigen tussen 0–17 jaar, rekening houdend met een aantal risicofactoren dat sterk samenhangt met het doen van een beroep op jeugdzorg. De risicofactoren die het SCP in het model hanteert zijn geslacht, opleidingsniveau, etniciteit, gezinssamenstelling en inkomensniveau. Het SCP heeft hiermee een objectief model gecreëerd voor de verdeling van de jeugdzorgmiddelen. Per brief van 23 maart 2009 (Kamerstukken II 2008/09, 29 815, nr. 186) heeft u het SCP-rapport «De Jeugd een Zorg» ontvangen.

De dataset die het SCP heeft gebruikt voor het verdeelmodel is gebaseerd op een steekproef van 2 622 gezinnen, waarin 400 gezinnen aanwezig bleken te zijn met een jeugdzorgprobleem. Het SCP heeft na onderzoek geconcludeerd dat op basis van deze steekproef voldoende betrouwbare parameterwaarden aan de risicofactoren konden worden toegekend.

Het SCP heeft voor het verdeelmodel een zorgvuldige afweging gemaakt van de mogelijkheid dit model te baseren op de behoefte aan de vraag naar of het gebruik van jeugdzorg. Een verdeling op basis van gebruik is niet wenselijk aangezien dit niet leidt tot een objectief model. De historisch gegroeide situatie in bepaalde regio’s beïnvloedt immers het feitelijk gebruik van jeugdzorg. Een alternatief is het verdeelmodel te baseren op de vraag naar jeugdzorg. Ten tijde van de opstelling van het verdeelmodel waren echter geen adequate gegevens beschikbaar die het mogelijke maakte de vraag naar jeugdzorg aan de hand van de risicofactoren, waaronder etniciteit, te voorspellen. Daarom heeft het SCP ervoor gekozen de verdeling te baseren op basis van de waargenomen behoefte aan jeugdzorg. Er is een model opgesteld dat deze behoefte verklaart aan de hand van bovengenoemde vijf risicofactoren.

Om de door u gevraagde analyse van het verschil tussen een verdeelmodel gebaseerd op de geraamde behoefte en een model gebaseerd op de werkelijke vraag te bieden, is informatie nodig over het verband tussen risicofactoren en de vraag naar jeugdzorg. Dit vraagt nader wetenschappelijk onderzoek. Het SCP heeft de opdracht gekregen een nieuw verdeelmodel te ontwikkelen (zie hieronder). Wij zullen aan het SCP advies vragen over de wetenschappelijke onderbouwing hiervan.

Verdeelmodel in nieuw stelsel

In verband met de stelselherziening werkt het SCP aan een nieuw verdeelmodel zodat dit model ook in de toekomst de basis kan bieden voor de verdeling van de jeugdzorgmiddelen. Het nieuwe model wordt een integraal model dat een verdeelsleutel voor alle middelen voor de brede jeugdzorg zal opleveren. Daarom zal het SCP het verdeelmodel baseren op een grootschalige jeugdenquête onder ca. 21 000 respondenten. Hiermee wordt het ook mogelijk om in tegenstelling tot het huidige model een verdeling op basis van de vraag op te stellen. Over de vormgeving en toepassing van het model vindt nog overleg plaats tussen het Rijk en de VNG. Het nieuwe verdeelmodel zal in 2012 gereed zijn.

Verdeelvoorstel IPO

Op 26 april 2011 heeft de staatssecretaris van VWS u per brief (Kamerstukken II 2010/11, 31 839, nr. 104) geïnformeerd over het verdeelvoorstel van het IPO. Het voorstel behelst een verlenging van de overgangstermijn met een jaar en wordt als volgt gemotiveerd:

«Enerzijds wordt op deze wijze de historisch bepaalde scheefgroei in de verdeling van de rijksmiddelen voor de provinciale jeugdzorg na vele jaren beëindigd. Anderzijds wordt met een totale overgangsperiode van vier jaar (2010 tot en met 2013) recht gedaan aan het belang dat enkele inleverende provincies en stadsregio’s hebben bij een gefaseerde herverdeling over meerdere jaren.»

In het bestuurlijk overleg van 16 juni 2011 is met het IPO afgesproken dat de middelen conform dit voorstel zullen worden verdeeld. Hiermee is ook uitvoering gegeven aan de motie van het lid Dijsselbloem (Kamerstukken II 2010/11, 31 839, nr. 92). Het kabinet is overtuigd dat zodoende bij de verdeling van de jeugdzorgmiddelen recht wordt gedaan aan de situatie in de jeugdzorg, zodat jeugdigen in het hele land de zorg kunnen blijven ontvangen die zij nodig hebben.

Bij uitvoering van het verdeelvoorstel van het IPO zal de doeluitkering van de provincie Limburg in 2013 ten opzichte van 2009 met ongeveer 25% zijn gedaald. Daarvan is 10% in 2011 gerealiseerd. De resterende daling van circa 15% wordt in 2012en 2013 behaald.

Vanaf 2015 gaan de bezuinigingen zoals opgenomen in het regeerakkoord in. Deze zullen oplopen van € 80 mln in 2015 tot € 300 mln structureel vanaf 2017. Deze bezuiniging heeft betrekking op de jeugdzorg in brede zin. Dat wil zeggen de provinciale jeugdzorg, de Centra voor Jeugd en Gezin, de jeugdbescherming en jeugdreclassering, de jeugd-LVG, de jeugd-GGZ en de gesloten jeugdzorg. Het is aan gemeenten om te zijner tijd te bepalen hoe deze taakstelling wordt ingevuld. Uit het bovenstaande kan niet de conclusie worden getrokken dat de jeugdzorgmiddelen voor de provincie Limburg in totaal met 40% worden gekort.

Commissie Financiering Jeugdzorg (CFJ)

In 2008 hebben het Rijk en het IPO de CFJ ingesteld met de taak jaarlijks te adviseren over de hoogte van het macrobudget voor de provinciale jeugdzorg en de verdeling hiervan over de provincies en stadsregio’s. In maart 2009 heeft CFJ voor het eerst advies uitgebracht over de hoogte van het budget jeugdzorg voor 2010. Dit CFJ-advies heeft echter niet geleid tot overeenstemming tussen Rijk en IPO over de hoogte van het budget. Vervolgens is het Rijk samen met het IPO het Afsprakenkader 2010–2011 overeengekomen waarin onder andere het financieel kader is vastgelegd.

In het regeer- en gedoogakkoord is afgesproken dat de overheidsfinanciën door een pakket ingrijpende maatregelen weer gezond gemaakt zullen worden. Het budget voor de jeugdzorg is daarmee een gegeven. Hierdoor is advisering van de CFJ over de hoogte van het jeugdzorgbudget zowel nu als op langere termijn overbodig geworden. In goed overleg met het IPO is daarom besloten de CFJ te ontbinden.

Ten slotte

De Tweede Kamer heeft de afgelopen maanden diverse debatten gevoerd over allerlei aspecten van de jeugdzorg. Wij vertrouwen erop met deze brief op de openstaande specifieke vragen en toezeggingen adequaat te zijn ingegaan. Veel thema’s hangen samen met de voorgenomen wijzigingen van het jeugdzorgstelsel. Op deze veranderingen komen wij in een aparte brief terug. Dan zullen wij ook ingaan op de noodzaak van de behandeling door uw Kamer van het wetsvoorstel in verband met het opnemen van een gemeentelijke verantwoordelijkheid in de jeugdketen (31 977), opdat ook al op kortere termijn de noodzakelijke verbeteringen in het preventieve beleid, de versterking van de rol van gemeenten, de bestrijding van de regeldruk en de kwaliteitsverbetering in de JeudgzorgPlus kunnen worden bereikt.

De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

M. L. L. E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

F. Teeven

BIJLAGE 1 UITSPLITSING MELDINGEN VERMISSINGEN

Uitsplitsing Meldingen vermissingen naar instelling en zorgvorm (2010)

Instelling

Jeugdzorg plus

Jeugdzorg

Totaal

Almata

94

 

94

Avenier

119

 

119

Cardea

 

2

2

De Heuvelrug

30

 

30

De Hoenderloo Groep

59

1

60

De Koppeling

18

 

18

De Lindenhorst

40

 

40

De Rading

 

5

5

De Sprengen

2

 

2

De Zuidwester

 

2

2

Elker

 

3

3

Entrea

 

2

2

Het Poortje

71

 

71

Horizon

 

2

2

Icarus

81

 

81

Jarabee

 

1

1

Jeugdh. Friesland

 

1

1

JJC

40

 

40

Kompaan

 

3

3

Kwadrant Emaus

19

 

19

LdH J&R

1

16

17

Lindenhout

 

1

1

Rentray

65

26

91

Heldring

32

 

32

Parlan

29

2

31

Rubicon

 

8

8

Spirit

 

7

7

STEK

 

4

4

Jeugdformaat

 

6

6

Paljas+

63

2

65

Timon

 

1

1

Topaze

 

1

1

Trias

 

1

1

TriviumLindenhof

 

1

1

Vitree

 

3

3

WSG

 

14

14

Woodbrookers

12

1

13

Xonar

 

3

3

Yorneo

 

1

1

Zandbergen

 

4

4

       

BJZ A’dam

 

4

4

BJZ Friesland

 

2

2

BJZ Gelderland

2

7

9

BJZ Groningen

 

4

4

BJZ Haaglanden

 

3

3

BJZ Limburg

1

12

13

BJZ N-Brabant

3

7

10

BJZ N-Holland

 

2

2

BJZ Overijssel

 

16

16

BJZ Parkst. L.

 

1

1

BJZ Rotterdam

2

9

11

BJZ Utrecht

3

7

10

BJZ Z-Holland

1

1

2

Totaal

787

199

986


X Noot
1

Yperen, T. van, & Veerman, J.W. (2011). Bij bouwwerk komt een ladder van pas. Reactie op de oratie van Geert Jan Stams. Orthopedagogiek: Onderzoek en Praktijk, 50, 259–267.

X Noot
2

AEF (2011), «Evaluatie Stagefonds Zorg».

X Noot
3

Beantwoording kamervragen van de leden Van der Burg en Van der Steur (beiden VVD) over het bericht dat instanties geen signalen of dossiers hadden over een zedendelinquent die de voogdij kreeg over twee dochters dd. 27 juni 2011 (kenmerk 2011Z08182).

XNoot
*

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.